Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Rapport Ministerie over Homosexualiteit en Defensie

Datum nieuwsfeit: 30-11-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Defensie

Rapporten - Homosexualiteit en Defensie

Beleidsaanbevelingen van de Begeleidingscommissie naar aanleiding van een vervolgonderzoek naar de positie van homoseksuelen binnen de Defensieorganisatie.
(voorzitter: Prof. dr. P. Schnabel)

Inhoud
§ 1 Inleiding
§ 2 Het huidige beleid
§ 2.1 Het NISSO-onderzoek 1992
§ 2.2 Het door Defensie geformuleerde beleid in 1993 § 3 De onderzoeksopdracht en uitvoering van het vervolgonderzoek § 4 Conclusies en aanbevelingen van de Begeleidingscommissie Tot slot: Bijlage Samenvatting en conclusies van het vervolgonderzoek (hoofdstuk 8)

§1 Inleiding
Minderheden binnen Defensie; een onderwerp dat de laatste jaren steeds meer in de belangstelling is komen te staan. Over één van de minderheidsgroepen gaat het hier: de groep homoseksueel (burger- en militair) personeel binnen de Defensie-organisatie. Op het onderwerp homoseksualiteit lag nog lange tijd een taboe; zo werd pas in 1974 het verbod op homoseksualiteit in de krijgsmacht opgeheven. In de samenleving van vandaag is het taboe op het homoseksueel zijn en daarvoor uit durven komen (coming out') erg verminderd. De verwachting is dan ook gerechtvaardigd dat Defensie, als onderdeel van die samenleving, eveneens toleranter, of op zijn minst opener, hiermee omgaat. Een belangrijke impuls voor de aandacht voor de positie van homoseksuelen bij Defensie werd in januari 1991 gegeven door de toenmalige Minister van Defensie, A.L. ter Beek. Hij gaf toen opdracht een groot onderzoek uit te voeren naar de vraag in hoeverre er in de krijgsmacht een geneigdheid en/of praktijk bestaat om personeel met homoseksuele en lesbische gevoelens te discrimineren. Op basis van dit door de Stichting Nederlands Instituut voor Sociaal Sexuologisch Onderzoek (NISSO) uitgevoerde en in 1992 gepresenteerde onderzoek werd het huidige defensiebeleid geformuleerd. Tevens kondigde de Minister aan na vijf jaar te komen met een vervolgonderzoek. Met zijn instellingsbeschikking van 20 oktober 1997 gaf de toenmalige Staatssecretaris van Defensie drs. J.C. Gmelich Meijling hieraan invulling. De beleidsaanbevelingen die thans voorliggen, zijn gebaseerd op de bevindingen van dat vervolgonderzoek. Het onderzoek zegt iets over de effectiviteit van het beleid, maar zegt in feite ook iets over de tijdgeest van nu. Zo bezien is het vervolgonderzoek ook een reflectie van de normen en waarden in een continu veranderende samenleving. Een voortdurend inspelen hierop is juist voor een organisatie als Defensie van groot belang.

§ 2 Het huidige beleid
Het huidige beleid is geformuleerd in de brief van 4 mei 1993 van de Minister van Defensie aan de Voorzitter van de Tweede Kamer (Kamerstuk vergaderjaar 1992-1993, 22800, nr. 51). Het standpunt werd ingenomen naar aanleiding van de resultaten van een onderzoek uitgevoerd door het NISSO en het beleidsadvies zoals geformuleerd door de Begeleidingscommissie en aangeboden op 4 november 1992 aan de Staatssecretaris van Defensie. Hieronder wordt achtereenvolgens kort ingegaan op het NISSO-onderzoek en het daaruit volgende beleid van de Minister van Defensie.

§ 2.1 Het NISSO-onderzoek 1992
Het onderzoek, uitgevoerd door de onderzoekers Ketting en Soesbeek, richtte zich op de vraag in hoeverre er in de krijgsmacht een geneigdheid en/of praktijk bestaat om personeel met homoseksuele en lesbische gevoelens te discrimineren. Het onderzoek werd alleen uitgevoerd onder het militair personeel werkzaam binnen de krijgsmachtdelen. Samengevat waren de belangrijkste onderzoeksresultaten dat van openlijke discriminatie en van expliciete homovijandige gedragingen maar in geringe mate sprake was. Het gebrek aan acceptatie was geen structureel, maar een cultureel probleem. Voorts toonden de onderzoeksresultaten aan dat de geneigdheid om homoseksuele en lesbische militairen sociaal op een afstand te houden, vaak voorkwam en dat dit een diffuse, algemene tendens binnen alle geledingen van de totale krijgsmacht betrof.

§2.2 Het door Defensie geformuleerde beleid in 1993 In zijn brief aan de Voorzitter der Tweede Kamer van 4 mei 1993 formuleerde de Minister van Defensie zijn reactie op het NISSO-onderzoek, mede gebaseerd op het advies van een Begeleidingscommissie onder voorzitterschap van prof. dr. G.J. Kok, hoogleraar Gezondheidsvoorlichting aan de Rijksuniversiteit Limburg (thans Universiteit van Maastricht). Hierin kondigde Defensie een beleidsintensivering aan op de volgende punten.
* Op het gebied van opleidingen dienden interactieve opleidingsvormen te worden ontwikkeld. Aandacht voor het onderwerp homoseksualiteit zou zo snel als mogelijk worden ingepast in de opleiding voor leidinggevenden.

* Op het gebied van hulpverlening werd aan de jhr. mr. J.A. Schorerstichting de opdracht gegeven om alle binnen Defensie werkzame hulpverleners bij te scholen.

* Op het gebied van voorlichting zouden voorlichters en opleiders in de gelegenheid worden gesteld externe cursussen te volgen om zodoende het beleid in praktijk te kunnen brengen.
* Klachten ten aanzien van discriminatie op grond van seksuele voorkeur zouden voortaan worden behandeld in het kader van een (nieuwe) klachtenprocedure seksuele intimidatie.
* Er zou naast deze formele klachtenprocedure een vertrouwenspersoon bij de (staf) Inspecteur-Generaal der Krijgsmacht (IGK) worden aangewezen, die (mede) als onafhankelijk vertrouwenspersoon voor homoseksuelen zou moeten fungeren. Bezien diende te worden of ook bij elk krijgsmachtdeel en de Centrale Organisatie een vertrouwenspersoon zou moeten worden aangewezen.
* Defensie zou de Stichting Homoseksualiteit en Krijgsmacht (SH&K) financieel ondersteunen om een professionele voorlichtingsfunctionaris in te zetten.

* Door de Minister en de Bevelhebbers zou worden voortgegaan het beleid ten aanzien van emancipatie en non-discriminatie uit te dragen.

* Koninklijke Marechaussee (KMAR)-personeel zou worden bijgeschoold hoe om te gaan met homo-discriminatie in het kader van een strafrechtelijk onderzoek.

* Militairen die in het buitenland worden geplaatst, zouden op dit punt extra worden voorgelicht over mogelijke problemen.

§ 3 De onderzoeksopdracht en uitvoering van het vervolgonderzoek Op 20 oktober 1997 stelde de toenmalige Staatssecretaris van Defensie drs. J.C. Gmelich Meijling de Begeleidingscommissie Vervolgonderzoek homoseksualiteit en Defensie in onder voorzitterschap van prof. dr. P. Schnabel, hoogleraar geestelijke gezondheidszorg aan de Universiteit Utrecht (per 1 juli 1998 benoemd tot directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau).
Eén van de eerste taken van de Begeleidingscommissie was het vaststellen van een Plan van Aanpak en de selectie van het onderzoeksinstituut dat het onderzoek zou gaan uitvoeren. De opdracht werd gegund aan het IVA Tilburg, instituut voor sociaal-wetenschappelijk beleidsonderzoek en advies. Het onderzoek werd uitgevoerd onder leiding van dr. P.A. Stoppelenburg, hoofdonderzoeker en mw. drs. G.J. Feenstra, hoofd Gegevenscentrum. Het doel van het onderzoek werd in het Plan van Aanpak als volgt geformuleerd: a. vast te stellen hoe de emancipatie en de integratie van homoseksueel militair personeel zich sinds 1992 hebben ontwikkeld; b. vast te stellen hoe de huidige situatie is ten aanzien van de emancipatie en integratie van homoseksueel burgerpersoneel; c. een oordeel te geven ten aanzien van de in bovenstaande punten a en b bedoelde emancipatie en integratie van de aangegeven categorieën personeel.
De resultaten van het vervolgonderzoek dienden zoveel mogelijk te kunnen worden vergeleken met het NISSO-onderzoek uit 1992. Daarom dienden de vragen van dat eerste onderzoek zoveel als mogelijk in het vervolgonderzoek te worden meegenomen. Mede omdat het vervolgonderzoek anders en - voor wat betreft de onderzochte categorieën personeel - breder qua opzet was dan het onderzoek uit 1992, onderkende de Begeleidingscommissie dat vergelijking niet in alle opzichten mogelijk was. Met name de samenstelling van het personeelsbestand is tussen 1992 en 1998 sterk gewijzigd: zeemiliciens/dienstplichtigen zijn vervangen door (Beroeps)personeel Bepaalde Tijd ((B)BT'ers). Voor de categorie burgerpersoneel gaat het in het vervolgonderzoek om een eerste meting. Ook strekt het vervolgonderzoek zich uit over alle beleidsterreinen van Defensie. Derhalve zijn conclusies in de tijd slechts te trekken voor de categorie (Beroeps)personeel Onbepaalde Tijd (B)OT'ers werkzaam in de krijgsmacht. Verder onderkende de Begeleidingscommissie dat beleidseffecten op dit gebied moeilijk eenduidig te bepalen zijn als gevolg van allerlei externe invloeden. Toch achtte de Begeleidingscommissie het gewenst om een indicatie van de effectiviteit van het beleid te verkrijgen.
Ten aanzien van de onderzoeksgroepen werd een onderscheid gemaakt tussen:
A een algemene onderzoeksgroep:

* kader (officieren en onderofficieren), matrozen/manschappen, zowel (B)OT'ers als (B)BT'ers werkzaam bij alle beleidsterreinen van Defensie;

* burgerambtenaren in alle salarisschalen en werkzaam bij alle beleidsterreinen;
B een specifieke onderzoeksgroep:

* homoseksueel personeel binnen de bovengenoemde groepen;
* hulpverleners (bedrijfsmaatschappijk werkers, artsen, psychologen, geestelijke verzorgers) en personeelsfunctionarissen.

De vraagstelling is in het IVA-onderzoek als volgt geformuleerd: A wat is op dit moment de stand van zaken met betrekking tot de acceptatie en integratie van homoseksueel militair en burgerpersoneel in de defensie-organisatie, en welke veranderingen hebben zich daarin ten opzichte van de meting in 1992 voltrokken, en B wat is tot op heden de effectiviteit geweest van de beleidsmaatregelen die in 1993 op het gebied van opleidingen, voorlichting en hulpverlening in het kader van het beleid inzake homoseksualiteit en Defensie door de Minister zijn aangekondigd.
De onderzoeksopzet is in twee delen gesplitst die corresponderen met de twee deelvragen: A Het survey-onderzoek: mondelinge enquêtes uit een dwarsdoorsnede van het defensiepersoneel, aangevuld met een enquête onder homoseksuele personeelsleden, die via bemiddeling van de SH&K bereid waren aan het onderzoek hun medewerking te verlenen; B Het beleidsonderzoek: uitvoerige gesprekken met een dertigtal sleutelfunctionarissen (leidinggevenden, hulpverleners en opleiders) over de vormgeving van het homobeleid van Defensie sinds 1993 en de uitwerking daarvan in de praktijk.
Het onderzoek werd uitgevoerd in de voor- en nazomer van 1998. De resultaten van het onderzoek zijn te vinden in de samenvatting en conclusies die als bijlage bij deze beleidsaanbevelingen zijn gevoegd.

§ 4 Conclusies en aanbevelingen van de Begeleidingscommissie Hoewel de resultaten van het onderzoek aanleiding mogen zijn voor grote tevredenheid over wat er in de afgelopen zes jaar op het vlak van acceptatie en integratie van homoseksuelen is bereikt, mag deze tevredenheid geen aanleiding zijn voor vergenoegde passiviteit. Weliswaar zijn de in 1993 geformuleerde beleidsmaatregelen geïmplementeerd en blijken deze succesvol omdat zij hebben bijgedragen aan de gewenste ontwikkeling, toch is de integratie nog niet helemaal voltooid. In de toekomst is het daarom belangrijk om de bereikte resultaten te versterken. Daarenboven wordt de organisatie gekenmerkt door een vlottende bezetting vanwege de continue instroom van nieuw personeel, dat deelgenoot gemaakt moet worden van de correcte omgangsvormen die binnen de Defensie-organisatie gestalte gekregen hebben. Daarom acht de Begeleidingscommissie het wenselijk niet zozeer nieuw beleid te ontwikkelen, als wel het beleid te richten op consolidatie van de bereikte resultaten, ook bij nieuwe medewerkers, en een verdere verbetering van de uitwerking van bepaalde aspecten van het beleid.
De wijze waarop men met zijn/haar homoseksuele collega in de praktijk van alledag omgaat, is vooral een zaak van normen en waarden binnen de Defensie-organisatie. De tendens is waarneembaar dat beleidsmaatregelen die gericht zijn op het verbeteren van de positie van homoseksuelen steeds meer worden geïntegreerd in een breed bedrijfsethisch kader. Homoseksuelen worden zodoende niet meer als een bijzondere, apart te behandelen, groep onder de aandacht gebracht. Deze tendens is op zich als positief aan te merken en zou in de implementatie van beleidsmaatregelen verder doorgezet kunnen worden. Daarbij moet er voor gewaakt worden dat de aandacht voor de positie van homoseksuelen niet wegzakt of vervaagt. Integratie in een breder bedrijfsethisch kader brengt met zich mee dat specifieke aandacht voor homoseksualiteit moeilijker aanwijsbaar en te kwantificeren wordt: het bewaken van consolidatie van de beleidsresultaten zal daarom een grotere inspanning op dat punt vereisen.
De Begeleidingscommissie constateert dat open, heldere en op de doelgroepen afgestemde communicatie top-down (vanuit de politieke, ambtelijke en militaire top, maar ook vanuit de verschillende leidinggevende niveaus) effectief is gebleken in de mentaliteitsbeïnvloeding. De inspanning moet er daarom op gericht blijven deze top-down benadering te bestendigen, waarbij de wederzijdse informatie-overdracht tussen beleidsmakers en beleidsuitvoerders gewaarborgd dient te zijn.
Op de hoofdlijnen van beleid richten zich de volgende aanbevelingen. Opleidingen Van groot belang voor implementatie van het beleid is de informatie-overdracht aan alle nieuw binnenkomende militairen. In de huidige krijgsmacht is dat aantal groot: de behoefte aan alleen al (B)BT-personeel ligt op ca. 8.000 per jaar. Tijdens vooral de initiële opleiding vindt de informatie-overdracht aan deze militairen plaats. 1. De Begeleidingscommissie pleit er voor in alle initiële opleidingen aandacht en tijd te blijven besteden aan het onderwerp "omgaan met minderheden" ("managing diversity") en daarbij niet alleen geïntegreerd, maar ook specifiek aandacht te schenken aan homoseksualiteit in de krijgsmacht. De binnen de krijgsmachtdelen te verzorgen opleiding dient daarbij aan te sluiten op de specifieke krijgsmachtdeelcultuur. De Begeleidingscommissie constateert dat in het kader van de (uitvoering van de) zgn. Doelmatigheidsoperatie 1994-1997 Defensie een reductie in het aantal opleidingsuren heeft doorgevoerd. De Begeleidingscommissie beveelt aan om het voor het onderwerp "omgaan met minderheden" beschikbare aantal lesuren niet nog verder te reduceren. Het gedrag van leidinggevenden is van eminent belang. Juist zij zijn het die met hun eigen gedrag een voorbeeldfunctie vervullen. Met name van leidinggevenden wordt verwacht dat zij bereid zijn op te treden tegen gedragingen die niet geaccepteerd kunnen worden. De communicatie naar het personeel waaraan leiding wordt gegeven is hierbij van essentieel belang. Daarom zal in de opleidingen voor deze categorie defensiepersoneel blijvend aandacht moeten worden besteed aan kennis en vaardigheden met betrekking tot het omgaan met discriminatie, hulpverlening, klachtenprocedures en dergelijke.
2. Alle thans bestaande modules over "managing diversity" in de vervolg- en loopbaanopleidingen moeten worden geïnventariseerd. Waar nodig zullen deze modules moeten worden verbeterd en aangepast om zo de specifieke aandacht voor de omgang met homoseksuelen te garanderen. Aandacht voor het aspect van de (mondelinge) communicatie door leidinggevenden naar het zittend personeel moet hierbij worden gestructureerd. Hulpverlening Van hulpverleners wordt verwacht dat zij in staat zijn adequaat te reageren op de vraag die aan hen gesteld wordt. Door middel van deskundigheidsbevordering moeten zij voorbereid zijn op problemen die rond homoseksualiteit kunnen ontstaan. De deelname aan de opleidingen voor hulpverleners mag daarom niet verslappen; de doelstelling alle hulpverleners op dit vlak te trainen, is nog niet bereikt.
3. De Begeleidingscommissie bepleit daarom er voor zorg te blijven dragen dat alle (thans binnen Defensie werkzame) categorieën hulpverleners de voor hen ontwikkelde opleidingsmodule doorlopen. Voorts bepleit de Begeleidingscommissie dat erop wordt toegezien dat alle nieuw aangetreden hulpverleners in de loop van het eerste jaar van functie-uitoefening gebruik maken van de gelegenheid om deze module te volgen.
Een goede bekendheid, een laagdrempelige bereikbaarheid en een duidelijke samenhang van de diverse hulpverlenende instanties vormen de elementen van een kwalitatief hoogwaardig stelsel van hulpverlening. Daarom moet duidelijk zijn waar men een hulpverleningsvraag of klacht kan neerleggen. Indien een vraag of klacht - of een aspect daarvan - door een andere hulpverleningsinstantie behandeld moet worden, dient de doorverwijsfunctie op orde te zijn. De Begeleidingscommissie onderkent dat Defensie reeds nu al over een hoogwaardig en professioneel stelsel van hulpverleners beschikt. Het accent ligt daarom niet zozeer op het ontwerpen van een nieuw stelsel van hulpverlening als wel op het verder optimaliseren en waar nodig aanvullen van dit stelsel. Als onderdeel van dit stelsel van hulpverleners is het instituut "vertrouwenspersoon" een nuttig en waardevol instrument, dat evenwel een grotere bekendheid, een eenvoudige toegankelijkheid en een heldere structuur behoeft. De aandacht zou zich moeten richten op het verbeteren van deze condities. De vertrouwenspersonen richten zich naast seksuele intimidatie ook op discriminatie, agressie en geweld. Daarbij kunnen zij doorverwijzen naar de beschikbare professionele geestelijke, maatschappelijke en medische dienstverlening. Meer bekend maken dat ook homoseksuelen in voorkomende gevallen een beroep op deze vertrouwenspersonen kunnen doen, is van belang. 4. De Begeleidingscommissie beveelt aan om per krijgsmachtdeel respectievelijk beleidsterrein het instituut "vertrouwenspersoon" (verder) vorm te geven. De organisatorische plaats van de centrale coördinatoren vertrouwenspersoon (dus per krijgsmachtdeel respectievelijk beleidsterrein) en hun staf is hierbij een essentieel element. Naast dit centrale loket is er op decentraal niveau behoefte aan een netwerk van aan het centrale loket verbonden vertrouwenspersonen. Een laagdrempelig en toegankelijk netwerk dient immers gewaarborgd te zijn. Voor zover dit netwerk reeds operationeel (of in ontwikkeling) is, dient dit waar mogelijk verder uitgebouwd en geoptimaliseerd te worden. De uitvoering en inrichting van dit netwerk kan binnen de krijgsmachtdelen respectievelijk de beleidsterreinen, gebaseerd op de specifieke organisatiecultuur, worden ingevuld. Naast het netwerk van vertrouwenspersonen per krijgsmachtdeel respectievelijk beleidsterrein functioneert de vertrouwenspersoon staf IGK. Indien men om wat voor reden dan ook niet bij het netwerk van vertrouwenspersonen van de beleidsterreinen terecht wil of kan, is de vertrouwenspersoon staf IGK een additionele mogelijkheid. De Begeleidingscommissie constateert echter dat de bekendheid van de vertrouwenspersoon staf IGK thans te wensen overlaat.
5. De Begeleidingscommissie pleit er voor om de bekendheid van de vertrouwenspersoon staf IGK te verbeteren als zijnde een belangrijk en hiërarchisch onafhankelijk onderdeel van het netwerk vertrouwenspersonen.
De eenvoudige en ruime toegankelijkheid naar de hulpverleners vraagt om een gegarandeerde permanente (24 uur per dag) bereikbaarheid middels een gratis telefoonnummer. 6. Bepleit wordt om de bekendheid van de sedert 1997 operationele, maar slecht bekende, Hulpverleningslijn Defensie van de Maatschappelijke Dienst Defensie (MDD) (0800-1455) te verbeteren. De relatie tussen dit loket en de centrale coördinatoren vertrouwenspersonen en de overige hulpverleners behoeft hierbij bijzondere aandacht opdat een optimale informatie-uitwisseling aangaande de hulpverleningsvraag gewaarborgd is. De Begeleidingscommissie is van mening dat er in- en overzicht moet zijn in de aard en omvang van (aangemelde) ongewenste situaties. Dat inzicht ontbreekt momenteel. Een goed registratiesysteem, dat geanonimiseerd door hulpverleners en vertrouwenspersonen wordt bijgehouden, biedt dit gewenste inzicht. 7. De Begeleidingscommissie beveelt daarom aan om per krijgsmachtdeel respectievelijk beleidsterrein te komen tot een registratie van de aangemelde klachten. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de bestaande registratiesystemen die - waar noodzakelijk - voor deze functie geschikt moeten worden gemaakt. De (staf van) de coördinator vertrouwenspersonen dient over deze gegevens te beschikken. Op dit centrale niveau (per krijgsmachtdeel respectievelijk beleidsterrein) kan deze registratie als signaleringssysteem functioneren en bijdragen aan het bestrijden van ongewenste situaties. Zeker wanneer het registratiesysteem uniform wordt opgezet en functioneert als een systeem waarin klachten en hulpvragen worden bijgehouden, kan daaruit waardevolle stuurinformatie worden gegenereerd. De begeleidingscommissie beveelt daarom de opzet van zo'n registratiesysteem aan. De vertrouwelijkheid van deze gegevens dient uiteraard te worden gewaarborgd. Voorlichting De Begeleidingscommissie constateert dat de huidige voorlichting niet optimaal functioneert. Zo kennen teveel respondenten de brochures over homoseksualiteit en Defensie en over seksuele intimidatie niet, en voor zover men deze kent, is de inhoud niet beklijfd. Hieruit vloeit voort dat de kennis over onder meer de (nieuwe) klachtenprocedure seksuele intimidatie en de hulpverleningslijn Defensie ontoereikend is. 8. Verbetering van deze situatie kan bewerkstelligd worden door te verzekeren dat aan al het nieuwe Defensiepersoneel tijdens de introductie onder meer de brochures "Homoseksualiteit en Defensie" en "Seksuele intimidatie" ter beschikking worden gesteld. Omdat daarmee evenwel niet verzekerd wordt dat deze brochures ook daadwerkelijk gelezen worden, zullen tijdens de initiële opleidingen deze themata specifieke aandacht moeten krijgen. Overigens geldt de noodzaak van een adequate voorlichting uiteraard evenzeer voor het zittende personeel.

Tot slot
De resultaten van het vervolgonderzoek schetsen een beeld van een organisatie waarin de acceptatie van homoseksualiteit en de integratie van homoseksuelen in de afgelopen jaren sterk zijn toegenomen en een bevredigend niveau hebben bereikt. Openlijke discriminatie, laat staan geweld tegen homoseksueel personeel, is als verschijnsel nauwelijks aanwijsbaar. Van het verkeren van homoseksueel personeel in een sociaal isolement is vrijwel geen sprake meer. Aan deze ontwikkeling blijkt het beleid, zoals dat in 1993 door Defensie is ingezet, aanwijsbaar te hebben bijgedragen. Daarmee is de Nederlandse Defensie-organisatie ten aanzien van de houding naar en de omgang met homoseksuelen een moderne organisatie die niet afwijkt van algemeen maatschappelijke ontwikkelingen. Voortzetting van het vigerende beleid, integratie van het beleid in een bedrijfsethisch kader en versterking van de communicatie dragen eraan bij dat deze situatie wordt gehandhaafd en mogelijk wordt verbeterd. Een continue aandacht voor deze thematiek blijkt binnen de organisatie niet alleen als wenselijk maar ook als noodzakelijk te worden aangemerkt. Volledige integratie van homoseksuelen en het voorkomen van ieder onderscheid op grond van seksuele geaardheid is het einddoel waarnaar de Defensie-organisatie met overtuiging zal moeten blijven streven, nu en in de toekomst. s-Gravenhage, 1 juni 1999
De Begeleidingscommissie Vervolgonderzoek homoseksualiteit en Defensie

Voorzitter:
Prof. dr. P. Schnabel
Leden:
Kol H.Th. Komen, Directoraat-Generaal Personeel, Ministerie van Defensie (tot maart 1998)
Kol J.G.A. Leijh, Directoraat-Generaal Personeel, Ministerie van Defensie (vanaf maart 1998)
Drs. H.A.M. Veeren, Directoraat-Generaal Personeel, Ministerie van Defensie

Namens de Koninklijke Marine:
Drs. P. Laskewitz

Namens de Koninklijke Landmacht:
Kol drs. J. Terpstra
Mw. dr. P.G.J. Reulings

Namens de Koninklijk Luchtmacht:
Drs. G.C. Kuiper Maj
Drs. M. Harsveld (tot januari 1998)
Maj drs. W. van der Borg (periode januari 1998-januari 1999) Maj drs. R.J.J. van Houtert (vanaf januari 1999)

Namens de Koninklijke Marechaussee:
LKol drs. W.A. Broesder

Secretaris, tevens lid:
Drs. R. van Wijngaarden, Directoraat-Generaal Personeel, Ministerie van Defensie
Links:
Bijlage
Samenvatting en conclusies van het vervolgonderzoek (hoofdstuk 8) Toespraak d.d. 1 juni 1999 bij de presentatie van het rapport, uitgesproken door Staatssecretaris van Defensie

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie