Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Bijdrage Van Zijl (Pvda) aan debat begroting sociale zaken

Datum nieuwsfeit: 01-12-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Partij van de Arbeid

Den Haag, 1 december 1999

BIJDRAGE VAN JAN VAN ZIJL (PVDA) AAN HET PLENAIRE DEBAT OVER DE BEGROTING 2000 SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Het gaat in veel opzichten goed met Nederland en dus ook op de werkterreinen van de minister en staatssecretarissen van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
De economie groei langer dan verwacht en meer dan voorzien. Mede hierdoor kon de grote beleidsinzet van de afgelopen jaren op het vlak van werkgelegenheid, sociale zekerheid en inkomensverdeling tot goede en tastbare resultaten leiden.
Enorme groei van het aantal banen, grote afname werkloosheid, minder beroep op de sociale zekerheid en een geleidelijke afname van de armoede. Met goede economische vooruitzichten en de wetenschap dat de resultaten van een aantal majeure beleidswijzigingen pas in de toekomst zichtbaar zullen worden, is er alle reden voor optimisme.
Het zal voor wat de Partij van de Arbeid betreft bij deze begrotingsbehandeling dan ook niet gaan om grote nieuwe concepten. Wel om het agenderen van een aantal hardnekkige hiaten en nieuwe vragen.

Allereerst op het vlak van het inkomensbeleid.
Het lijkt er soms een beetje op dat het momenteel alleen nog maar gaat om de vijf miljard gulden belastingverlaging in het kader van het belastingplan en dan nog wel vooral om de middeninkomens en ouderen met een goed aanvullend pensioen.
Geen misverstand.
Als het inkomensbeeld dat voortvloeit uit het belastingplan niet helemaal is wat het moet zijn, dan moeten we corrigeren waar dat mogelijk en verantwoord is.
Maar ik wil vandaag toch ook nog eens wat langer stilstaan bij een paar andere prioriteiten.
Dat moet ook, want uit het regeerakkoord vloeit voort dat inkomstenmeevallers voor de helft zullen worden aangewend voor verlaging van het tekort en voor de andere helft voor lastenverlichting. En hoewel pas volgend voorjaar zeker is welk deel van de actuele meevaller structureel is, overheerst bij de minister van Financiën kennelijk groot optimisme, gezien zijn suggestie om 3/4 miljard gulden extra te reserveren in het kader van het belastingplan.
Dat is dus niet zo'n goed idee en in ieder geval veel te voorbarig. Voorbarig en niet goed omdat nog geen drie maanden geleden in de Kamer terecht veel is gesproken over de nog altijd bestaande noodzaak om, los van het belastingplan, aandacht te hebben voor groepen mensen voor wie het nog altijd moeilijk is om de eindjes aan elkaar te knopen. Die noodzaak is na drie maanden niet veel minder en al helemaal niet in het licht van de goede economische vooruitzichten.

Laat ik beginnen met nadruk te zeggen dat wij grote waardering hebben voor wat tot op de dag van vandaag door deze en de vorige coalitie aan generieke en specifieke inkomensondersteuning is gedaan en bereikt. Uit alle cijfers blijkt dat het armoedebestrijdingsbeleid van de laatste jaren vruchten begint af te werpen.
Ook de extra inspanningen van de afgelopen zomer dragen daaraan betekenisvol bij.
Een en ander neemt niet weg dat er nog altijd kwetsbare groepen zijn waar de huishoudbeurs voor het einde van de maand leeg is. Die nog niet het gevoel hebben, dat het met ons allemaal beter gaat dan een paar jaar geleden.
Ik denk dan met name aan gezinnen met kinderen op het laagste inkomensniveau. Op uiteenlopende manieren worden gezinnen met kinderen ondersteund. Toch blijkt, dat deze mix aan maatregelen nog altijd niet voldoende is, om de laagste inkomens voldoende te ondersteunen in de kosten van kinderen. Zo blijft op het niveau van het minimumloon van een huishouden met twee kinderen, afhankelijk van de leeftijd, tussen 12 en 23% achter op hetzelfde huishouden zonder kinderen.
Wie deze cijfers zelf nog eens wil analyseren, neme de voortgangsrapportage van het ministerie van SZW er nog eens bij, want daar komen ze uit. Uit internationale vergelijkingen blijkt dat het gezinsondersteunend beleid in Nederland nog al mager afsteekt ten opzichte van ons omringende landen. Naar het zich laat aanzien ontstaat de komende jaren ruimte binnen de lastenverlichtingsformule van het kabinet om daar iets aan te doen. Verdere kinderbijslagverhoging is wellicht te weinig specifiek en te kostbaar. En bovendien geen lastenverlichting in onze definities. Ik zou het kabinet willen vragen verdergaand gezinsondersteunend beleid te ontwikkelen langs een paar andere, nog nader te verkennen lijnen. In de eerste plaats brutering van de kinderbijslag. Bij brutering wordt kinderbijslag bruto bij het inkomen opgeteld en is derhalve het netto voordeel voor mensen die een laag belastingtarief betalen groter, dan voor mensen in de hoogste schijven van de belasting. Een tweede, wellicht iets minder complexe mogelijkheid is een kinderaftrek introduceren in de vorm van een heffingskorting en deze beperken tot bijvoorbeeld de tweede schijf.
Zoiets doen we momenteel al voor de ouderen met een laag inkomen. Overigens, ere wie ere toekomt.
Afgelopen zomer opperde mijn collega Bakker van D66 een soortgelijk idee als wat ik nu de minister voorhoudt, maar toen werd gekozen voor een meer generieke aanpak.
We zien graag dat de minister tijdig voor besluitvorming in het kader van de voorjaarsnota, de kamer informeert over de door mij geopperde suggesties. In dit verband nog een ander aandachtspunt.
Zou het niet voor de handliggend zijn om een deel van de structurele meevaller te storten in het AOW-fonds?
Ik meen mij te herinneren dat in veel verkiezingsprogramma's stond dat onvoorziene extra inkomsten voor het Rijk ook in het AOW-fonds gestort zouden moeten worden.
Die gelegenheid hebben we nu.
Graag een reactie van de minister.

Ik gaf aan vandaag aandacht te zullen vragen voor ogenschijnlijk kleine, maar voor de mensen die het aangaat pijnlijke hiaten in ons sociale beleid. Mensen of groepen mensen die niet in dezelfde mate kunnen profiteren van de toegenomen welvaart als voor de samenleving als geheel geldt. Zo'n groep mensen betreft ook de ouderen die zitten met het zogenaamde AOW-gat.
Dit lot treft en heeft reeds een aantal Nederlanders getroffen die een of meerdere jaren in het buitenland werkzaam en woonachtig zijn geweest. De komende jaren zal een toenemend aantal allochtone gepensioneerden met dit AOW-gat te maken krijgen.
Weliswaar voorziet de bijstand in een aanvulling tot AOW-niveau, maar ingeval sprake is van een aanvullend pensioentje wordt daarop eerst stevig gekort.
Niets doen aan het AOW-gat zal ertoe leiden dat tienduizenden medeburgers die soms 30 of 40 jaar in ons land gewoond en gewerkt hebben, niet in staat zullen zijn een pensioen op te bouwen.
Dat moeten we als samenleving niet willen.
Overigens, geen misverstand.
Op zichzelf is het niet onredelijk om het recht op een volledige AOW te koppelen aan een lange verblijfstijd in ons land en een veeljarige bijdrage aan de opbouw van onze samenleving.
Maar 50 jaar is naar de maatstaven van nu wel erg lang en staat bijvoorbeeld in geen enkele verhouding tot de periode waarin mensen in staat gesteld worden een pensioen op te bouwen.

Er zijn een paar mogelijkheden om aan het groter wordende probleem van het AOW-gat iets te doen.
Zo zou de opbouwperiode verkort kunnen worden tot bijvoorbeeld 40 jaar, maar ook een grotere vrijlating voor pensioen in de Algemene Bijstandswet is denkbaar en zou al voor veel mensen soelaas bieden. Er kleven, naar wij hebben begrepen, echter stevige juridische bezwaren aan het verkorten van de opbouwperiode.
Of die bezwaren onoverkomelijk zijn is niet zo goed in te schatten. Met het substantieel verkleinen van het AOW-gat zijn weliswaar financiële middelen gemoeid maar in het licht van de totale AOW uitgaven toch ook weer niet zoveel; een en ander natuurlijk afhankelijk van de vormgeving en de maatvoering.
Tienduizenden buitenlandse medeburgers maar ook een aanzienlijk aantal Nederlanders met een kortstondig buitenlands verleden zouden geweldig geholpen zijn met een oplossing van dit vraagstuk. Omdat er aan de wijze van aanpak nogal wat principiële, praktische en juridische aspecten kleven, lijkt het mij goed om hierover de SER advies te vragen.
En omdat de Kamer sinds twee jaar zelf een SER-advies kan aanvragen, lijkt het mij een goed idee om dat met betrekking tot dit onderwerp te doen. Wij hebben daartoe een concept adviesaanvrage opgesteld en wij zouden het erg op prijs stellen als de collega's dit initiatief zouden willen ondersteunen.

Mijn laatste inkomenspolitieke onderwerp is vorig jaar ook al tijdens de begrotingsbehandeling aan de orde geweest.
In een bijna kamerbreed ondersteunde motie is toen aandacht gevraagd voor een aantal ongewenstheden die optreden in inkomensafhankelijke regelingen indien het uitgangspunt voor deze regelingen het belastbaar inkomen is of wordt.
Ik loop niet weg voor het feit dat ook de PvdA-fractie, zoals veel andere, er mee akkoord is gegaan dat het belastbaar inkomen in beginsel vertrekpunt is voor het vaststellen van subsidies en eigen bijdragen in het kader van dergelijke regelingen.
Nu gaande weg echter duidelijker wordt tot welke ongewenste neveneffecten dit uitgangspunt leidt, kunnen wij om een heroverweging van dit uitgangspunt niet langer heen.
Indien niet wordt gecorrigeerd voor grote aftrekposten, waarvan na de belastingherziening de hypotheekrenteaftrek de belangrijkste is, zullen in veel van deze regelingen ongewenste en onrechtvaardige effecten optreden. De minister studeert nog steeds op armoedeval en harmonisatieaspecten van deze regelingen - collega Bijleveld sprak daar ook al over. Ik zou hem willen vragen welke rampen ons overkomen als we alsnog zouden besluiten om niet het belastbaar inkomen maar het onzuiver inkomen tot vertrekpunt te kiezen.
Kan de minister, concreet in de context van de regelingen waarover we het hier hebben, voor de Kamer nog eens op een rijtje zetten wat de voor- en nadelen zijn van het belastbaar inkomen als uitgangspunt en wat de voor- en nadelen zijn van het onzuiver inkomen
In ieder geval kan mijn fractie vooralsnog geen genoegen nemen met de conclusie van de regering dat er weliswaar sprake is van een onaangenaam probleem maar dat er helaas niets aan te doen is.
En ik kan mij ook niet voorstellen dat alle andere ondersteuners van de motie van vorig jaar hier veel anders over denken.

Omdat mijn oud-collega Rick van de Ploeg mij onlangs in een interview een typische representant van de inkomenssocialisten noemde, ben ik mijn bijdrage vandaag maar begonnen met de inkomenspolitiek - al was het maar om deze geuzentypering zo lang mogelijk in stand te houden. Desalniettemin wil ik in dit deel van mijn bijdrage stilstaan bij het overigens buitengewoon succesvolle werkgelegenheidsbeleid van het kabinet. Toch blijft er nog wel wat te wensen over.
Het meest in het oogspringende kenmerk van de actuele situatie op de arbeidsmarkt is het inmiddels veelbesproken dubbele gezicht. Het najaarsoverleg heeft de notie opgeleverd dat behoefte is aan een meer samenhangende, geïntegreerde benadering.
Daartoe zal het kabinet initiatief nemen tot het organiseren van een informele conferentie met sociale partners, te houden in het voorjaar 2000. Ik ben van deze voortvarendheid tussen haakjes nog niet zo onder de indruk. De minister van Economische Zaken kennelijk ook niet want van haar departement kwam de afgelopen weken de ene arbeidsmarktluchtballon na de andere, waarvan in ieder geval de merkwaardige suggestie over het afschaffen van de verplichte pensionering mij het meest is bijgebleven. Veel management bij speech, maar weinig zoden aan de dijk. Bovendien missen wij een beetje de minister van SZW in deze discussie. Nu kennen we die overigens als een man van niet teveel speech en liefst wat meer daden, dus echt ongerust maken we ons nog niet. Maar vandaag is toch een goed moment om ook de rol van SZW in het arbeidsmarktbeleid onder de loep te nemen.
Meer in het bijzonder zagen we graag een actieve rol van SZW waar het gaat om het wegnemen van arbeidsmarktknelpunten bij zorg, onderwijs en politie. De minister van Werkgelegenheid beschikt bij uitstek over kennis en instrumenten, die het beter mogelijk maken om beleidsinitiatieven te ondersteunen, waarmee de genoemde knelpunten kunnen verminderen. Eerder is al besloten om een deel van de uitgavenreserve voor dit doel te bestemmen.
Volgend jaar zal blijken dat hiervoor nog meer financiële ruimte is. Wij vragen de minister om na overleg met zijn collega's van de betreffende portefeuille, maar uiterlijk 1 maart, de Kamer te informeren over de voortgang.
Overigens hoeft natuurlijk niet alles tot 1 maart te wachten. Mijn collega Jet Bussemaker zal een aantal concrete suggesties doen die op korte termijn al vruchten kunnen afwerpen.

Dezer dagen verschijnt het SER-advies over de arbeidsparticipatie van oudere werknemers.
Nog altijd is de arbeidsparticipatie van werknemers tussen 55 en 65 jaar uitzonderlijk laag, al is de laatste jaren sprake van enige verbetering. Na inmiddels jarenlange discussie is duidelijk dat hier geen simpele en snelwerkende oplossingen zijn.
Nodig is een cultuuromslag; een verandering in denken en daar is tijd voor nodig, maar niet alleen dat.
Met beleid van zowel de overheid als de sociale partners zijn de cultuuromslag en de benodigde veranderingstijd wel degelijk te beïnvloeden. Gelet op onze ervaring bij WW en WAO moeten maatregelen om de arbeidsparticipatie van oudere werknemers te bevorderen in eerste instantie gericht zijn op het ontmoedigen van vervroegd uittreden en het stimuleren van langer blijven werken.
Wij denken in dit verband aan:

- premiedifferentiatie WW (sectorgewijs)

- wettelijk recht op knip in de pensioenregeling bij verlaging pensioengevend salaris

- horizonbepaling t.a.v. fiscale facilitering van VUT-regelingen
- gerichte fiscale ondersteuning of subsidies in geval van op ouderen gericht personeelsbeleid

- meer ruimte voor doorwerken na 65

- en vooral veel voorlichting.
Wij zagen in ieder geval van de minister graag een offensieve strategie. Misschien kan hij er vandaag al iets over zeggen.

Mijn laatste onderwerp regardeert de portefeuille van de staatssecretaris. Pensioenen staan meer dan ooit in de belangstelling en we behandelen hier in de Kamer momenteel de ene wijziging van de PSW na de andere. Aan pensioenen worden steeds hogere eisen gesteld en daar valt veel goeds van te zeggen.
Toch roept het ook een fundamentele vraag op.
Namelijk de vraag of het wel zo logisch en rechtvaardig is om aan de ene kant steeds zwaardere eisen te stellen aan deelnemers in een pensioenregeling, terwijl we aan de andere kant nog steeds toestaan dat bijna 10% van alle werknemers een korte of langere tijd geen pensioen kunnen opbouwen.
Daar komt bij dat de zogenaamde witte vlek - want daarover hebben we het hier - maar niet echt veel kleiner wil worden.
En dat terwijl het kleiner worden van de witte vlek voor ons, maar ook voor andere fracties in deze Kamer, aanleiding was om maar af te zien van het wettelijk recht op pensioen.
Die witte vlek wordt niet alleen niet veel kleiner, maar verandert ook nog van samenstelling.
Het zijn vooral mensen in flexibele banen en met tijdelijke contracten, waaronder overigens onevenredig veel vrouwen, die uitgesloten zijn van het recht op een pensioenopbouw.
Dit alles nu is voor mijn fractie aanleiding om het wettelijk recht op pensioen weer hoger op de politieke agenda te plaatsen. We willen dezer dagen van de staatssecretaris weten of hij bereid is om op grond van deze tamelijk nieuwe overwegingen serieus te bezien of een pensioenplicht niet alsnog moet worden overwogen.
Mocht de staatssecretaris daar onverhoopt niet toe bereid zijn, dan ben ik van plan om samen met collega Schimmel een initiatief wetsontwerp in deze voor te bereiden.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie