Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Brief minister Herfkens over Post Lome onderhandelingen

Datum nieuwsfeit: 01-12-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal


21501004.064 brief min os over post lome onderhandelingen
Gemaakt: 9-12-1999 tijd: 15:49


7


21501-04 Ontwikkelingsraad

nr. 64 Brief van de minister voor Ontwikkelingssamenwerking

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 1 december 1999

Conform mijn toezegging tijdens het Algemeen Overleg met uw Kamercommissies van 4 november jl. (21501004, nr. 63) doe ik u bijgaand een overzicht toekomen van de stand van zaken bij de onderhandelingen over de nieuwe Lomé conventie, alsmede de inzet van de regering (op hoofdpunten) voor de derde ministeriële Post Lomé conferentie op 7 en 8 december as..

Minister voor Ontwikkelingsamenwerking

E. Herfkens

DERDE MINISTERIELE EU/ACS-CONFERENTIE IN HET KADER VAN DE VOORBEREIDING OP DE NIEUWE LOME CONVENTIE

Kader.

De onderhandelingen over de nieuwe conventie zijn in september 1998 gestart. De Europese Commissie (DG Ontwikkeling) onderhandelt namens de EU, op basis van een onderhandelingsmandaat dat in de zomer van
1998 (moeizaam) werd overeengekomen. Bij de stemming over het mandaat onthield Nederland zich (als enige) van stemming, niet omdat het geen voorstander was van een nieuw verdrag met de ACS-landen, maar omdat het niet kon instemmen met de voorstellen van de EU voor de toekomstige handelsrelaties. Het onderhandelingsproces, zowel binnen de EU als met de ACS-landen, heeft recent geleid tot een vooralsnog informeel compromis inzake de handelsrelaties dat de Nederlandse instemming geniet. De Nederlandse inzet voor de komende conferentie wordt bepaald door a) het EU-onderhandelingsmandaat, b) het Nederlands regeringsstandpunt inzake de nieuwe conventie dat in november 1997 werd vastgesteld en ook met de Kamer werd besproken en c) ontwikkelingen lopende het onderhandelingsproces met de ACS-landen. Dit laatste proces is nog steeds gaande, zodat het navolgende op enkele punten wellicht nog door de praktijk wordt ingehaald.

De conferentie is de laatste in een reeks van drie. Er wordt vanuit gegaan dat op 7 en 8 december op alle uitstaande punten in ieder geval politieke overeenstemming zal worden bereikt, waarna op ambtelijk niveau de tekst van de nieuwe conventie zal worden uitgewerkt. Het nieuwe verdrag dient uiterlijk 28 februari 2000 te worden ondertekend. De conferentie zal net als de eerste twee plaatsvinden in vier parallelle werkgroepen. In het navolgende zijn de verschillende thema's en standpunten per werkgroep gerangschikt.

Werkgroep 1/centrale werkgroep: Algemene coördinatie en politieke samenwerking

Resultaten sinds de vorige conferentie

In mijn brief DIE/601/99 van 20 september jl. bracht ik verslag uit van de resultaten van de tweede ministeriële conferentie. De knelpunten waarvan ik in die brief melding maakte, zijn nog niet opgelost, onder meer omdat de centrale werkgroep op ambtelijk niveau nauwelijks bijeen is geweest; wel is in een aantal gevallen een oplossing dichterbij gebracht.

Openstaande issues/standpunten

Essentiële elementen/goed bestuur. Er is nog steeds sprake van een impasse in de zin dat de ACS-landen niet wensen te accepteren dat `goed bestuur' een `essentieel element' van de nieuwe conventie wordt (oftewel een criterium op basis waarvan de samenwerking eenzijdig en zonder consultatie kan worden opgeschort, naast de bestaande `essentiële elementen' mensenrechten, democratie en rechtsstaat), terwijl de EU dat wèl wenst. Tijdens de OS-Raad van 11 november jl. is besloten de discussie met de ACS-landen voort te zetten met als uitgangspunten: `goed bestuur' is een essentieel element van de nieuwe conventie, maar van opschorting van de samenwerking op basis van schendingen van dit element kan pas sprake zijn ná consultatie met het betrokken ACS-land. Daarbij zal getracht worden om in geval van (ernstige, systematische) corruptie eenzijdige opschorting wèl mogelijk te maken.

Ik acht het politiek van belang dat `goed bestuur' onder de `essentiële elementen van de nieuwe conventie wordt gerangschikt, omdat ik denk dat Europa daarmee een politiek signaal afgeeft dat in overeenstemming is met internationale ontwikkelingen op dit vlak. Ik ben dus van mening dat de EU op dit punt moet vasthouden aan haar eerder ingenomen standpunt. Ik ben daarbij bereid om, als tegemoetkoming aan de ACS-landen, af te zien van de mogelijkheid van eenzijdige opschorting zònder voorafgaande consultatie. Een meerderheid van de EU-lidstaten is het op dit punt met mij eens. Slechts Duitsland en Oostenrijk zijn nog van mening dat een dergelijke opstelling te soepel is, maar ik verwacht niet dat zij een oplossing in deze richting zullen blokkeren.

Migratie/terug- en overname. De facto heeft op dit punt nog weinig of geen overleg met de ACS-landen plaatsgevonden, ondanks aandringen van de zijde van Nederland. Inzake de terug- en overnameclausule ligt nog dezelfde tekst voor die in juli in Brussel werd voorgesteld (maar niet inhoudelijk besproken). De regering is verontrust over het gebrek aan vooruitgang op dit punt.

Tot dusverre is de discussie over dit onderwerp vooral door Nederland `getrokken' (zij het met passieve steun van de andere lidstaten), maar de hoop is, dat de besluiten tijdens de recente EU-top in Tampere tot een duidelijker stellingname aan EU-zijde zullen leiden. Van de ACS-landen is op dit punt geen standpunt bekend: men `heeft de zaak onder studie'. Er dient echter met de nodige weerstand rekening te worden gehouden, mogelijk met repercussies voor de onderhandelingen over andere onderwerpen in deze werkgroep.

Maatschappelijk middenveld. Ook op dit punt is de discussie nog niet afgerond, en in feite niet veel verder gevorderd sinds juli. De ACS-landen blijven uiterst terughoudend, en wensen niet verder te gaan dan algemene formuleringen zoals `uitbreiding van het partnerschap', etc.. Een verheugende ontwikkeling in dit verband is, dat het Finse voorzitterschap een oud Nederlands voorstel heeft opgepakt en tracht te bewerkstelligen dat vertegenwoordigers van de civil society aanwezig kunnen zijn bij delen van de komende conferentie. Dit onderwerp behoort niet tot de fundamentele punten van geschil en zal tijdens de onderhandelingen vermoedelijk in een compromis uitmonden.

Meer dan enige andere lidstaat heeft Nederland de afgelopen jaren gepleit voor een volwaardige rol voor de civil society in het kader van de nieuwe conventie. Het Nederlandse gevoel van urgentie op dit punt wordt echter niet door alle lidstaten gedeeld, met name de zuidelijke lidstaten zien weinig heil in een andere rol voor NGO's dan die van `onderaannemer' bij de uitvoering van ontwikkelingsprojecten

Toetreding van nieuwe leden. Ook hier is geen wijziging in de standpunten opgetreden. De ACS-landen insisteren op opname van een geografisch criterium: nieuwe toetreders moeten uit de bestaande ACS-regio's afkomstig zijn. Ook dit punt is echter geen topprioriteit en zal derhalve normaal gesproken tot een compromis leiden. Van een eventuele toetredingsaanvraag van Cuba is nog geen sprake.

Nederland is met de EU van mening dat bij eventuele verzoeken om toetreding dient te worden gekeken naar de maatschappelijke en economische ontwikkeling van een land, en niet naar geografische ligging. Ik vind daarnaast dat alle MOLs die dat wensen zouden moeten kunnen toetreden. Het punt van de geografische ligging is echter voor de ACS-landen van groot politiek belang en ik sluit niet uit dat dat in de onderhandelingen over het totale pakket de doorslag geeft.

Werkgroep 2: ontwikkelingsstrategieën en private sector ontwikkeling Resultaten sinds de vorige conferentie Sinds de zomer is een zeer heldere en beknopte tekst opgesteld waarin de prioriteiten voor het (sectorale) OS-beleid zijn uiteengezet. Deze tekst wordt gecomplementeerd met annexen die de diverse thema's verder uitdiepen. Openstaande issues; standpunten Investeringsgaranties. De ACS-landen blijven vooralsnog insisteren op een investeringsgarantie instrument. Tijdens de vorige conferentie is mede op mijn aandringen door de EU bepaald dat zo'n instrument onwenselijk is en dat activiteiten op dit vlak in het kader van Lomé in ieder geval niet mogen overlappen met nationale instrumenten en de Multilateral Investment Guarantee Araangement (MIGA). Daarnaast is nog niet duidelijk op welke wijze garantie-regelingen gefinancierd zouden worden. Inmiddels heeft de Commissie voorstellen gelanceerd over welk soort garanties zij bereid is te overwegen (bijvoorbeeld garanties voor banken in ACS-landen die micro-kredieten verlenen, of bijdragen aan regionale investeringsgarantieregelingen), waaruit kan worden afgeleid dat zij tracht zich tegenover de ACS-landen aan voornoemd Raadsbesluit te houden. k zal vasthouden aan de afspraken die de EU in juli heeft gemaakt, maar ben bereid om, in het kader van de onderhandelingen, eventuele aanvullende voorstellen van de Commissie om de kloof met de ACS-landen te overbruggen, op hun merites te beoordelen. Los hiervan dient de Commissie meer duidelijkheid te verschaffen over de financiële dekking van garantieregelingen, zowel naar de lidstaten als naar de ACS-landen toe. Het is niet uitgesloten dat de ACS-landen hun wensen zullen herzien wanneer zij geconfronteerd worden met de mogelijkheid dat financiële dekking afkomstig zal zijn uit de landen-allocatie van het betrokken ACS-land. Restitutie van cultureel erfgoed. Op dit punt is geen vooruitgang geboekt. Nederland heeft zich niet actief in deze discussie gemengd, en zal dat ook niet gaan doen. De ACS-landen wensen vast te leggen dat cultureel erfgoed dient te worden teruggegeven (maar hebben informeel te kennen gegeven dat zij een dergelijke afspraak met de nodige terughoudendheid zullen afdwingen). De EU wenst op dit punt geen verplichtingen aan te gaan. Maatschappelijk middenveld. Hier speelt een soortgelijk probleem als in werkgroep 1. Ook hier geldt, dat Nederland zich sterk zal maken voor een rol voor het maatschappelijk middenveld die niet beperkt is tot die van uitvoerder/onderaannemer, maar die inclusief (verplichte) consultatie tijdens de formulering en evaluatie van landenbeleid is.

Werkgroep 3: handelsrelaties

Resultaten sinds de vorige conferentie

Eerder meldde ik u dat de relaties tussen EU en ACS-landen tijdens de vorige conferentie danig verstoord raakten, vanwege de hoog oplopende meningsverschillen over de toekomstige handelsrelaties. Inmiddels is tijdens informele consultaties tussen beide partijen een compromis bereikt over het tijdpad van de onderhandelingen over een nieuw handelsregime, waarmee de kern uit het conflict is verwijderd. In principe kunnen beide partijen zich vinden in het uitgangspunt dat de onderhandelingen over het nieuwe handelsregime van start zullen gaan na ratificatie van het nieuwe verdrag (of uiterlijk september 2002), en dat deze onderhandelingen uiterlijk 1 januari 2008 zullen worden afgerond. Daarbij is vastgelegd dat de ACS-landen het recht hebben zelf te bepalen of zij al dan niet willen toetreden tot Regionale Economische Partnerschaps Akkoorden (=REPA's, oftewel regionale vrijhandelsakkoorden), en dat zij allen ook na 2008 equivalente markttoegang tot de EU zullen behouden. Hoewel ik ongelukkig ben over het feit dat dit compromis betekent dat het bestaande stelsel van Lomé-preferenties nog acht jaar zal voortbestaan (er van uitgaande dat de WTO daarvoor een waiver zal verlenen), ben ik van mening dat dit nadeel niet opweegt tegen de voordelen, te weten:

de ACS-landen zullen niet gedwongen zijn om tegelijkertijd in de WTO en met de EU te onderhandelen;

de ACS-landen zullen extra tijd hebben om hun onderhandelingscapaciteit te versterken;

besluitvorming zal plaatsvinden nadat de resultaten van de WTO-ronde bekend zijn, en

nadat de resultaten van de herziening van het Algemeen Preferentieel Stelsel bekend zijn.

Dit alles laat overigens onverlet dat, los van `Lomé', een nieuw, verbeterd stelsel van markttoegang voor de Minst Ontwikkelde Landen zal worden geintroduceerd. Ik zal op dit punt, dat betekent dat het principe van non-discriminatie tussen de landen van de ACS-groep wordt losgelaten - tijdens de conferentie nogmaals de aandacht vestigen. Het bestaande stelsel van `Lomé-preferenties' zal tijdens de periode tot 1 januari 2008, ondanks verzoeken daartoe van ACS-zijde, niet worden uitgebreid.

Openstaande issues; standpunten

Non-discriminatie beginsel. Hoewel reeds vele malen is besproken dat het uitgangspunt van WTO-conformiteit onder meer betekent dat het non-discriminatiebeginsel (d.w.z. het beginsel dat niet mag worden gedifferentieerd tussen ACS-landen) wordt losgelaten, blijven er teksten verschijnen, waaronder bovengenoemd compromisvoorstel voor de handelsrelaties, waarin nadrukkelijk wordt gewezen op de belangen van en mogelijkheden voor de ACS-groep in zijn totaliteit. Tijdens de conferentie dient op dit punt duidelijkheid te worden verschaft.

Voor de EU is loslaten hiervan een van de uitgangspunten van het nieuwe handelsregime, waarvoor de basis wordt gelegd direct na het aflopen van de huidige conventie. De ACS-landen realiseren zich enerzijds dat het principe van non-discriminatie niet te handhaven is, maar stellen anderzijds alles in het werk om de bestaande situatie zo veel en zo lang mogelijk voort te zetten. Ik ben van mening dat het non-discriminatie beginsel een belemmering vormt voor effectieve ondersteuning van de MOLs en beschouw loslaten ervan dus als essentieel.

REPA's vs. een menu van opties. Dit knelpunt is, indien het compromis inderdaad wordt aanvaard tijdens de conferentie, opgelost. Slechts een beperkt aantal EU-lidstaten (Frankrijk en Spanje met name) wensen dat de EU uitsluitend REPA's aan de ACS-landen aanbieden, en geen andere opties. Naar mijn mening houden zij zich daarmee niet aan het EU-mandaat. Verwacht kan worden dat deze lidstaten tijdens EU-overleg opnieuw zullen trachten andere lidstaten van hun gelijk te overtuigen, maar een grote kans van slagen hebben zij niet meer. Nederland zal zich tegen dergelijke pogingen opnieuw tot het uiterste verzetten: de ACS-landen moeten tezijnertijd een reële en verantwoorde keuze kunnen maken.

Stabex & Sysmin. Dit zal één van de voornaamste problemen blijken te zijn, te meer daar hierover de laatste maanden nauwelijks is gesproken. Uit informele rapportages blijkt, dat de ACS-landen, althans op ambtelijk niveau, niet bereid om zelfs maar de EU-argumenten voor transformatie van deze instrumenten aan te horen. Mocht over de beleidsuitgangspunten overeenstemming bereikt worden, dan dient vervolgens in werkgroep 4 het financiële instrumentarium te worden uitgewerkt.

Ik ondersteun volledig de voorstellen van de EU op dit punt, die neerkomen op afschaffing van de bestaande instrumenten en oprichting in plaats daarvan van een faciliteit die (snel) extra begrotingssteun uitkeert aan die ACS-landen die op korte termijn te kampen hebben met tegenvallende inkomsten uit export en als gevolg daarvan in de problemen komen bij de financiering van sector- en aanpassingsprogramma's. Voor deze steun zal onder meer de kwaliteit van het beleid en het bestuur van het betrokken ACS-land worden doorgelicht. Dit betekent dat de directe relatie met een beperkte lijst van produkten wordt losgelaten en dat ook geen sprake meer zal zijn van automatische betalingen wanneer bepaalde drempelwaarde voor een produkt zijn overschreden. Eventuele uitkeringen gaan naar de algemene middelen van het ACS-land, dat dan vervolgens zelf zal moeten afwegen of het dit geld investeert in de betrokken sector of niet (hetgeen vermoedelijk zal leiden tot diversificatie van economieën). Tot slot hebben simulaties uitgewezen dat een veel groter aantal ACS-landen, en bovendien met name de armste ACS-landen, van het nieuwe systeem zullen profiteren. De ACS-landen stellen zich op het standpunt dat de bestaande systemen moeten blijven voortbestaan, maar over meer fondsen dienen te beschikken die bovendien sneller uitgekeerd dienen te worden. Het is niet duidelijk waarom een aantal ACS-landen zich in dit verband opstelt achter een standpunt dat duidelijk niet in hun eigen belang is. De ACS-landen hebben te kennen gegeven aan handhaving van Stabex en Sysmin zeer grote waarde toe te kennen. Aan Europese zijde vinden zij alleen gehoor bij Frankrijk, en dan met name voor wat betreft Sysmin.

Protocollen. Op dit punt is geen wezenlijke vooruitgang geboekt. In haar laatste voorstellen gaat de EU uit van voortduren van het suiker- en het rund- en kalfsvleesprotocol gedurende de overgangsperiode.

Daarnaast wenst de EU de bestaande protocollen te herzien in het kader van afspraken en ontwikkelingen in de WTO. De ACS-landen hechten sterk aan handhaving van de protocollen, en hebben de facto, met de aanvaarding van het compromisvoorstel, althans tot 2008 hun zin gekregen. Nederland is van mening dat de protocollen geleidelijk moeten worden afgebouwd, en dat de overgangsperiode onder meer moet worden benut om onderzoek te doen naar de mogelijkheden daarvoor en mogelijk ook al voorbereidingen te treffen.

Handelsgerelateerde thema's. Tijdens de conferentie in juli weigerden de ACS-landen hierover te spreken. Inmiddels heeft voorbespreking op ambtelijk niveau plaatsgevonden. Op een beperkt aantal terreinen staan de meningen tegenover elkaar. De belangrijkste punten van discussie zijn of EU en ACS-landen in internationale fora moeten streven naar flexibele interpretatie van afspraken/regels ten gunste van ACS-landen, iets waar de EU, naar mijn mening terecht, huiverig voor is. (Streven naar soepele WTO-regels voor ontwikkelingslanden is één ding; streven naar soepele interpretatie van WTO-regels voor ACS-landen is iets geheel anders.) Een ander punt is dat de ACS-landen recent voorstellen hebben gedaan voor soepele EU-regels voor de toelating van werknemers en bedrijven uit ACS-landen, iets dat de EU categorisch afwijst. Op het punt van investeringsbescherming is het de Commissie nog niet gelukt een tekst te produceren die de instemming van de lidstaten geniet. Nederland en andere lidstaten stellen zich op het standpunt dat het hier een nationale en niet een gemeenschapsbevoegdheid betreft. Tot slot verdient vermelding dat op aandringen van Nederland de tekst inzake bescherming van intellectueel eigendom is aangepast in het voordeel van ontwikkelingslanden, door ook bestaande, effectieve lokale systemen van bescherming van intellectueel eigendom te erkennen, bijvoorbeeld op het gebied van plantenvariëteiten.

Werkgroep 4: financiële samenwerking

Resultaten sinds de laatste conferentie

Sinds juli hebben zich op het terrein van de financiële samenwerking twee belangrijke ontwikkelingen voorgedaan. Ten eerste is een doorbraak gerealiseerd op het terrein van schuldverlichting. Aan de wens van de ACS-landen tot kwijtschelding van alle ACS-schulden aan de Gemeenschap en EIB is niet tegemoetgekomen, wel is, voor zover bekend ook met instemming van de ACS-landen, door de EU een bedrag van 1 miljard Euro beschikbaar gesteld voor schuldverlichting van ACS-landen in het kader van het `enhanced HIPC-initiative'. De middelen zullen afkomstig zijn uit onderuitputting van eerdere Europese Ontwikkelingsfondsen. Naar verwachting zal dit onderwerp niet meer ter sprake komen tijdens de conferentie. Ten tweede is door de Commissie vergaand tegemoet gekomen aan Nederlandse voorstellen voor het afschaffen van rente-subsidies in het kader van het verstrekken van leningen door de EIB aan het bedrijfsleven en de overheid in de ACS-landen. Tijdens de conferentie zal moeten blijken of ook de ACS-landen met deze voorstellen kunnen leven.

Openstaande issues

Rentesubsidies. Zie hierboven. De Nederlandse bezwaren, die overigens worden gedeeld door het Verenigd Koninkrijk, zijn onder meer gebaseerd op het feit dat de Nederlandse FMO zonder subsidies op dezelfde markten als de EIB moet opereren. De ACS-landen zijn het hiermee volstrekt oneens, en gingen aanvankelijk zover dat zij geen steun van de EIB meer wensten te ontvangen. Inmiddels zouden zij zijn bijgedraaid, en zouden zij kunnen instemmen met een (zeer) beperkte lijst van typen projecten waarbij nog subsidies zouden kunnen worden aangeboden, maar waarbij lidstaten tegen het gebruik van subsidies bezwaar kunnen maken.

Stabex en Sysmin/financieel protocol. Zoals hierboven beschreven wensen de ACS-landen handhaving van aparte financiële enveloppen voor Stabex en Sysmin. De EU wenst deze af te schaffen, en tegelijkertijd de procedures van uitbetaling vervangen door de procedures die van toepassing zijn bij de financiering van aanpassingssteun (die veel sneller tot betalingen leiden). Verbonden met deze discussie is de vraag over het aantal afzonderlijke financiële enveloppen dat het nieuwe EOF dient te bevatten. Globaal gezien zijn de ACS-landen voorstander van het aanbrengen van schotten tussen deelbudgetten, terwijl van Europese zijde zo groot mogelijk flexibiliteit wordt bepleit.

Het is niet mogelijk om te voorspellen hoe de discussie over Stabex en Sysmin tijdens de conferentie zal verlopen. Voor een aantal vooraanstaande ACS-landen staan grote financiële belangen op het spel. Anderzijds heeft de EU van meet af aan duidelijk gemaakt dat het haar ernst is met de afschaffing van deze compensatie-instrumenten. Ik ben van mening dat de voorstellen van de EU alle steun verdienen en zal deze tot het laatste moment verdedigen. Daarbij ben ik uiteraard bereid tot compromisformules die de kern van de EU-voorstellen ongemoeid laten, maar qua vorm aan ACS-wensen tegemoet komen (bijvoorbeeld een aparte enveloppe voor compensatie-doeleinden, of bij de bepaling van behoeften van ACS-landen specifieke aandacht voor land- en mijnbouwsectoren).

Overige

Buiten de werkgroepen om zijn nog enkele andere onderwerpen aan de orde. Ten eerste betreft dit de looptijd van de nieuwe conventie. Naar verluidt zal een looptijd van 20 jaar worden voorgesteld. Voor de regering is dit nog geen gegeven. Twintig jaar is een zeer lange tijd, waarin veel kan veranderen. Anderzijds is vijf of tien jaar voor een dergelijk verdrag aan de korte kant, en moet niet worden vergeten dat met de voorbereiding van het nieuwe handelsregime plùs de implementatie van eventuele regionale vrijhandelsakkoorden al gauw twintig jaar gemoeid zal zijn. Tot dusverre is de regering niet verder gegaan dan instemmen met `een periode van minimaal
10 jaar'.

Ten tweede is er de kwestie van de omvang en de verdeling over de lidstaten van het nieuwe Europese Ontwikkelingsfonds (EOF IX). Via Algemeen Overleg en verslagen van Algemene Raad en Raad Ontwikkelingssamenwerking bent u op de hoogte van de Nederlandse inzet voor EOF IX. Recent blijkt dat een toenemend aantal lidstaten zich achter het voorstel van de Voorzitter voor reële nulgroei schaart. Dit vermindert de kans op realisatie van de Nederlandse inzet, die immers gebaseerd is op nominale nulgroei, en die tot voor kort door veel lidstaten werd onderschreven. Een tweede element van de Nederlandse inzet is en blijft verlaging van het relatieve Nederlandse aandeel in het EOF, zodat dit meer in lijn is met de Nederlandse bijdrage aan de EU-begroting wordt gebracht.

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie