Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Inbreng PvdA wetsvoorstel conflictenrecht afstamming

Datum nieuwsfeit: 02-12-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Partij van de Arbeid

Den Haag, 2 december 1999

INBRENG PVDA-FRACTIE T.B.V. HET VERSLAG BIJ HET WETSVOORSTEL CONFLICTENRECHT AFSTAMMING
(26 675)
Woordvoerder: Usman Santi

De PvdA heeft met interesse kennis genomen van het onderhavige wetsvoorstel. Met de regering is de PvdA van mening dat er eenduidigheid dient te bestaan over de vraag welk rechtsregime van toepassing is bij het vaststellen van de familierechtelijke betrekking tussen vader en/of moeder en het kind.

In de toelicht wordt regelmatige verwezen naar adviezen van de Staatscommissie voor het internationaal privaatrecht en de Permanente Commissie van advies voor de zaken van burgerlijke stand en voor nationaliteitsaangelegenheden. Deze adviezen dateren van respectievelijk 30 november 1990 en 18 januari 1989. Deze leden vernemen graag van de minister in hoeverre voornoemde adviezen gezien hun leeftijd nog voldoende actueel zijn. Deze leden vragen zich af in hoeverre de huidige rechtsontwikkeling na tien jaar (nog) strookt met de met de inhoud van deze twee adviezen? De regering noemt het wegnemen van de onzekerheid bij de ambtenaren van de burgerlijke stand en de daarmee gepaard gaande ontlasting van de rechtspraak als aanleiding voor dit wetsvoorstel. Kan de regering aan de leden aangeven hoeveel zaken betreffende het conflictenrecht bij afstammingsvraagstukken aan de rechter worden voorgelegd? Hoe groot wordt de afname van het aantal rechtszaken door de regering ingeschat. De internationale Commissie voor de Burgerlijke Stand heeft enkele belangrijke onderdelen van het afstammingsrecht in overeenkomsten neergelegd, waarvan er twee voor Nederland zijn bekrachtigd en in werking zijn getreden. Het betreft de Overeenkomst van Brussel van 12 september 1962 en de Overeenkomst van Rome van 10 september 1970. Daarnaast is er de Overeenkomst van München (5 september 1980) die nog niet in werking is getreden. Hebben deze overeenkomsten -zo vragen deze leden zich af- na zoveel jaar nog betekenis? Deze leden vragen zich tevens af of het onderhavige wetvoorstel strijdigheden kent met de overeenkomsten van Brussel en Rome? In hoeverre wordt de duidelijkheid in de regelgeving in de hand gespeeld wanneer naast onderhavige wetsvoorstel ook nog de genoemde overeenkomsten van Brussel en Rome van kracht zijn. Ziet de regering aanleiding om deze overeenkomsten na eventuele vaststelling van dit wetsvoorstel op te zeggen?
Op verschillende plaatsen in de toelichting wordt verwezen naar het niet langer van kracht zijnde Eenvormige Beneluxwet en de Wet A.B. De ene keer ontleent de regering gezag aan bepaalde artikelen terwijl de andere keer passage als verouderd worden afgedaan. Kan de regering deze leden inzicht geven in de wijze waarop zij deze uiteenlopende benaderingen vorm heeft gegeven?
Tijdens de top in Tampere is gesproken over harmonisatie van regelgeving. Zo is een van de voornemens om een programma van maatregelen vast te stellen dat leidt tot wederzijdse erkenning van gerechtelijke uitspraken door de EU-lidstaten. In hoeverre past dit wetsvoorstel in voornoemd voornemen. Betekent aanname van dit wetsvoorstel dat we op een lijn zitten met de andere EU-landen? Alvorens over te gaan tot de artikelsgewijze bespreking van het wetsvoorstel wensen deze leden op te merken dat de hanteerbaarheid van het wetsvoorstel en de toelichting zeer gediend zal zijn met de opname van enige praktijkvoorbeelden.

Artikel 1
Het eerste artikel van het wetsvoorstel bespreekt de familierechtelijke betrekkingen door geboorte uit gehuwde ouders. Als uitgangspunt wordt hierbij een voor partijen gemeenschappelijke aanknoping gezocht. Hierbij is niet gekozen voor aanknoping uitsluitend aan het personele recht van het kind omdat dit volgens de toelichting neer zou kunnen komen op toepassing van een recht waarmee de ouders niet of nauwelijks verbonden zijn. De leden vragen de regering om een voorbeeld te geven van een dergelijke situatie? Kan de regering een duidelijke definitie geven van het begrip "gemeenschappelijke gewone verblijfplaats"? Acht de regering het wenselijk om ter wille van de duidelijkheid een dergelijke definitie op te nemen in de wet?

Artikel 2
In artikel 2 wordt de ontkenning van het vaderschap besproken. Dit artikel biedt zogenaamde "alternatieve aanknopingspunten". De regering stelt dat zij rekening heeft gehouden met het commentaar van Vonken. Tegen de keuze van alternatieve aanknopingspunten heeft Vonken echter ernstige bedenkingen. Kan de regering deze leden inzicht geven in haar drijfredenen om in dit opzicht af te wijken van de visie van Vonken.

Artikel 3
Het eerste lid van artikel 3 bepaalt dat een familierechtelijke betrekking tussen een vrouw en het buiten huwelijk uit haar geboren kind in elk geval ontstaat indien de vrouw haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Vonken adviseert echter om een regel op te stellen die de buitenlandse moeder de faciliteit biedt haar kind overeenkomstig haar nationale recht met familierechtelijk gevolg te erkennen. Deze leden vernemen graag de visie van de regering op dit standpunt van Vonken. Ter verduidelijking van de twee zinnen in het eerste lid zien deze leden graag enkele voorbeelden van regeringszijde tegemoet waarin situaties worden geschetst waarin de eerste zin wel, en de tweede zin niet tot het ontstaan van een familierechtelijke betrekking leidt. In het geval dat de vrouw meer dan één nationaliteit heeft hanteert de regering het favor-beginsel. Kan de regering aan de hand van een voorbeeld schetsen welke familierechtelijke betrekking voor een vrouw met meerdere nationaliteiten het meest gunstig is?

Artikel 4
De erkenning zoals geregeld in artikel 4 wordt primair beheerst door het nationale recht van de man. Vervolgens is gekozen voor een begunstigende regel van subsidiaire aanknopingsmogelijkheden aan respectievelijk: gewone verblijfplaats van het kind, nationaliteit van het kind en de gewone verblijfplaats van de man. Deze leden vragen de regering waarom de nationaliteit van het kind als apart aanknopingspunt wordt genoemd terwijl de toelichting op artikel 1 een dergelijk aanknopingspunt niet voor de hand vindt liggen?

Artikel 5
Deze leden vragen de regering of er een specifieke reden is om in artikel 4 te spreken over "de moeder onderscheidenlijk het kind" en in artikel 5 over "de moeder of het kind"?

Artikel 6
Bij de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap wordt in artikel 6 primair uitgegaan van de gemeenschappelijke nationaliteit van de man en moeder, subsidiair hun gemeenschappelijke verblijfplaats en meer subsidiair de verblijfplaats van het kind. Deze leden zijn met Vonken van mening dat dit een vreemde constructie is. Immers, wanneer via de rechter het vaderschap vast gesteld dient te worden zal er niet vaak sprake zijn een hecht bloeiend gezinsleven. Vonken pleit voor aanknoping aan de nationale wet van de man omdat de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap strekt tot het binnentreden van het kind binnen het personeel statuut van de vader. De leden van de PvdA-fractie vernemen graag van de regering waarom zij tot de keuze zijn gekomen zoals verwoord in het wetsvoorstel en waarom bij voorbeeld niet is gekozen om als extra aanknopingspunt de nationaliteit van het kind op te nemen zoals dat bij de erkenning het geval is?

Artikel 8
De leden van deze fractie vragen de regering of er een reden bestaat dat gezien de titel ervan hoofdstuk 4 de inhoud van de familierechtelijke betrekking behandelt terwijl artikel 8 (als enige artikel in hoofdstuk 4) de gevolgen daarvan bespreekt?

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie