Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Toepsraak mr. Pop tijdens slotmanifestatie rampenbestrijding

Datum nieuwsfeit: 02-12-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
NIBRA

Toespraak mr. Pop tijdens slotmanifestatie PVB en PGHOR

Tijdens de slotmanifestatie PVB en PGHOR op 2 december 1999 te Scheveningen hield mr. J.J.H. Pop, burgemeester van Haarlem en mede opdrachtgever van het PVB, de volgende toespraak.

"Het project Versterking Brandweer was een logische stap in de ontwikkeling van de brandweer en de rampenbestrijding. Laat ik het even in grote trekken de ontwikkeling van de laatste decennia even in sneltreinvaart noemen.

Het eerste belangrijke markeringspunt bij de brandweer was de regionale samenwerking. In de 70-er jaren kwam dat proces van samenwerking tussen gemeenten op het gebied van brandweer op gang. Een financiële interimregeling die een bonus uitkeerde aan gebieden waar werd samengewerkt, stimuleerde het proces aanzienlijk. Brandweer was het eerste gemeentelijke beleidsgebied dat reeds medio jaren tachtig over een landelijk dekkend net van regio's kon beschikken.

Het tweede belangrijke feit voor de brandweer was de spilfunctie in de nieuwe rampenbestrijdingsorganisatie, die de brandweer kreeg toebedeeld toen de Bescherming Bevolking in diezelfde periode werd opgeheven.

De brandweer kreeg hiermee een zeer omvangrijke taak, waarvan het belang in politiek/bestuurlijke zin pas later - zeg maar de laatste jaren - echt tot iedereen is doorgedrongen. Rampen blijken soms zelf jaren na dato nog voor politieke onrust te kunnen zorgen.

De eerste taak waarvoor de brandweer zich geplaatst zag was om de eigen organisatie ook geschikt te maken voor rampenbestrijding. Zowel in de sfeer van nieuwe opleidingen voor brandweerpersoneel als op het gebied van aanschaf van materieel werd de eerste slag gemaakt. Het bestaan van regionale samenwerkingsverbanden bewees zijn nut.

Na een aantal jaren werd de thermometer gebruikt om de stand van zaken op te nemen. Het Afstemmingsorgaan Regionale Brandweren voerden het onderzoek uit en rapporteerde dat de eerste slag goed gemaakt was, maar dat de tweede haperde. Het systematisch voorbereiden op rampenbestrijding was nog onvoldoende structureel terug te vinden in de brandweerorganisaties. Het antwoord daarop was het Project Versterking Brandweer. Ik zei zo juist dat dit project een logische stap is in de geschetste ontwikkeling van de brandweer en rampenbestrijding.

Maar zo logisch was dat voor sommigen niet. Integendeel, er werd toen ook aan een andere aanpak gedacht. In begin jaren negentig was namelijk de reorganisatie van de politie in volle gang en minister Dales wilde dat model ook op de brandweer toepassen. Zelfstandige Regionale Brandweerkorpsen met door de Kroon benoemde commandanten en met opheffing van de gemeentelijke korpsen.

Hiermee werd echter fundamenteel afgeweken van de gedachten dat brandweer een gemeentelijke taak is. Het is bovendien één van de oudste gemeentelijke taken, voor een grote deel ingevuld door professionele vrijwilligers.

De gedachten van een regionale brandweer naar het politiemodel en een daarop gericht project Reorganisatie Brandweer viel niet in goede aarde, om het voorzichtig te zeggen, evenmin als de gedachte van een Provinciale brandweer die door enkelen ook werd geuit.

Door de inspanningen van de KNBV is er dan ook een andere aanpak tot stand gekomen: het PVB.

Het Project Versterking Brandweer ging uit van een gezamenlijke plan van aanpak, waarover de besturen van de Regionale Brandweren, vertegenwoordigd in de KNBV en de minister van Binnenlandse Zaken een convenant afsloten. We tekenden op 16 maart 1995.

Over de inhoud van dit project wil ik hier vanmiddag eigenlijk niets zeggen. U kent het hele traject en aan het eind van de middag krijgt u het eindrapport van de stuurgroep PVB mee.

Wel wil ik iets zeggen over deze methode van werken tussen centrale en decentrale overheden. De primaire verantwoordelijkheid voor brandweer en rampenbestrijding ligt bij de gemeentebesturen. De wetgever is daar steeds duidelijk over geweest en niemand twijfelt er ook aan. Daarnaast is er een algemene verantwoordelijkheid, ook wel eens diffuus systeem-verantwoordelijkheid genoemd, van de centrale overheid. Hoe nu in zo'n situatie nieuw beleid te ontwikkelen? De klassieke en steeds meer achterhaalde manier is met circulaires, A.M.v.B.'s en wetgeving. Het PVB heeft echter laten zien dat het ook anders kan. Coproductie van beleid op basis van een heldere afspraak (convenant) vormt een minstens zo goed instrumentarium. Interactieve beleidsontwikkeling tussen centrale en decentrale overheden zouden we het ook eigentijds kunnen noemen. Met een sterke participatie van de brandweer zelf. Draagvlak was het middel, versterking van de brandweer het doel. Wanneer de onderscheidene verantwoordelijkheden wederzijds erkend worden - en dat was zo bij het PVB - blijkt er met zo'n aanpak heel veel mogelijk. En zo werd het vereiste niveau voor alle ketens van de brandweer- en rampenorganisatie gezamenlijk bepaald en vastgelegd.

Het project kon slagen omdat het een beroep deed op de kracht van de brandweer zelf. Eerst zelf de zwakke kanten bloot leggen en dan ook samen de verbeterdoelen benoemen. Het gevolg van deze aanpak is geweest dat het zelfbewustzijn van de brandweer sterk is toegenomen. Men kon zelf laten zien wat men kon, in plaats van door anderen ingebreke gesteld te worden en de wet voorgeschreven te krijgen.

Die grotere zelfbewustheid leverde het draagvlak op voor de noodzakelijke kwaliteitsslag, die thans is vastgelegd in de zogenaamde organisatie plannen.

Het Project heeft ook het draagvlak voor rampenbestrijding bij de politiek vergroot, zowel op nationaal niveau als op lokaal niveau. Natuurlijk hebben daarbij ook de effecten van een aantal recente rampen een rol gespeeld.

Het is opvallend dat de concept Hoofdlijnennotitie over de rampenbestrijding die de staatssecretaris deze zomer naar de Tweede Kamer stuurde geleid heeft tot maar liefst 75 schriftelijke vragen van de zijde van de Vaste Kamercommissie.

Hierbij komt overigens wel de vraag op of men het eerdergenoemde onderscheid in verantwoordelijkheden tussen primair de gemeenten en meer in algemeen facilitaire zin en Rijk, wel goed voor ogen heeft. Ik wijs er in dit verband op dat 92% van kosten van de brandweer door de gemeenten wordt opgebracht. Daarvoor wordt in de raden van de gemeenten verantwoording afgelegd. Slechts 8% komt van het Rijk.

In dat verband is 75 vragen in de Tweede Kamer natuurlijk rijkelijk veel. Tenzij iedere vraag natuurlijk één miljoen oplevert. Ik kom daar nog over te spreken.

Er valt veel goeds over het PVB te zeggen, zowel over de aard van het project als over de resultaten. De brandweer heeft een belangrijke kwaliteitsslag gemaakt.

Toch is er ook een zorgpunt. En dat zijn de financiën.

Daarom ook op deze feestelijke slotmanifestatie daarover een opmerking. De benadering was als volgt. Volledige uitvoering van het PVB en het PGHOR vergt minimaal 145 miljoen. Daarover is iedereen het eens. De gemeenten zijn er vanuit gegaan dat de rijksbijdrage aan de gemeenten en regio's met dat bedrag verhoogd wordt. Een kamerbrede motie Wagenaar ondersteunt deze gedachte. De gemeenten hebben daarbij naar voren gebracht dat zij de afgelopen jaren op grote schaal hebben geïnvesteerd in de brandweer. Hun uitgavenniveau is van 800 miljoen naar meer dan een miljard gestegen. Compensatie uit het Gemeentefonds heeft niet plaatsgevonden.

Ondanks de grote inspanningen van staatssecretaris De Vries is het echter niet gelukt om meer dan 85 miljoen extra te verwerven voor dit belangrijke werk.

Er ontbreekt dus nog steeds 60 miljoen.

Wel vonden wij het bereikte resultaat een voldoende krachtige impuls om het project voort te zetten, waarbij in de evaluatie zal blijken of alle bestaande knelpunten konden worden opgelost.

Vooral tegen de achtergrond van de gunstige situatie van 's Rijks financiën is het teleurstellend dat Kabinet en Kamer ook recentelijk bij de begroting van 2000 niet verder gekomen zijn dan het genoemde bedrag.

En wij zijn blij met de toezegging van de staatssecretaris dat hij, bij gebleken noodzaak, zich opnieuw sterk zal maken voor een hogere bijdrage.

Maar ik zei het al, de ervaring met het PVB is overwegend positief. Dat komt ook niet in het minst door de mensen die hieraan gewerkt hebben. Ik doel dan in het bijzonder op het landelijk projectbureau dat voor de beide opdrachtgevers werkte.

De heer René Husmann was de landelijke projectleider en de heer Gerard Krijnen, de beleidsmedewerker, die ook de volle periode heeft meegemaakt. Als medeopdrachtgever van het project stel ik vast dat aan de opdracht is voldaan.

Het was vooral het niet aflatend enthousiasme en de onverminderde energie van René Husmann en Gerard Krijnen waardoor het project kon eindigen in een succes.

Al werkende weg hebben we het traject ingevuld, bijgesteld, en geïntensiveerd. Er lag van tevoren geen uitgewerkt draaiboek. Samen met het veld is het project vorm gegeven. Ik noem hier tevens met ere de bestuurlijke verantwoordelijke burgemeesters uit iedere regio, die de noodzakelijke verbinding vormden tussen het centrale en decentrale niveau.

Ook de leden van de stuurgroep PVB verdienen dank voor hun begeleidende taak.

Meneer de staatssecretaris, tot slot wil ik mij tot u in het bijzonder richten.

U was geheel onbekend met het veld van brandweer en rampenbestrijding op het moment dat u het in uw portefeuille kreeg. Met grote inzet heeft u zich in dit werkterrein ingewerkt. Daar is in het brandweerveld met veel waardering kennis van genomen.

Het moet voor u waarschijnlijk een bijzondere ervaring geweest zijn om uw beide portefeuille-onderdelen, Koninkrijksrelaties en rampenbestrijding op

St. Maarten fysiek zo gelijktijdig te ervaren. Deze praktische en emotionele belevenis zal u ongetwijfeld stimuleren om met veel inzet op deze weg voort te gaan. Daarbij zult u het Project Versterking Brandweer missen.

Ik heb zo juist uiteengezet dat de wijze van coproductie van beleid tussen overheden, gecombineerd met de interactieve bestuurswijze van het PVB de sleutel tot het succes vormden.

Ik wil graag oproepen om ook de vervolgfase met behulp van deze instrumenten gestalte te geven. En daarvoor de organisaties te gebruiken die het brandweerveld vertegenwoordigen: in de eerste plaats de Nederlandse Brandweer Federatie, waarin CCRB, NVBK en KNBV samenwerken. Een op te richten Landelijk Beraad voor de rampenbestrijding is wellicht nuttig, maar als u zaken wilt doen moet u bij het brandweerveld en voor de brandweer verantwoordelijke gemeenten zijn.

Het aparte GHOR-burgemeestersberaad dat onlangs is opgericht zou zo snel mogelijk in de daartoe aangepaste KNBV moeten worden opgenomen. De KNBV heeft zich hiertoe reeds bereid verklaard. Ook hier is geïntegreerde benadering het spoor van de toekomst. Nu de kolommen van de rampenbestrijding en de geneeskundige hulpverlening beter zijn geordend komt het vervolgens aan op de horizontale samenwerking dan wel op integratie van deze kolommen.

De suggestie in de Hoofdlijnennotitie om de gebieden en de besturen van regionale brandweer, geneeskundige hulpverlening bij rampen te laten samenvallen ook in personele unie met het regionaal college is dan ook heel zinvol. Het CPA bestuur hoort daar natuurlijk ook bij. Dit vanuit verschillende invalshoeken samenvallend bestuur zou dan bediend kunnen worden door één gemeenschappelijke afdeling 'voorbereiding rampenbestrijding' in brede zin, waarin alle disciplines vertegenwoordigd zijn.

De vrijwilligheid van onze brandweer is een grote verworvenheid. Tachtig procent van onze brandweer bestaat uit professioneel opgeleide vrijwilligers, die een enorm deel van hun tijd aan de brandweer besteden.

Tot slot wil ik als saluut aan de mensen waarop onze brandweer drijft één zo'n vrijwilliger ten tonele voeren. Niet omdat het vandaag de dag er nog zo aan toegaat maar alleen omdat het zo'n aardig verhaal is. Het gaat om de vader van de schrijver Maarten 't Hart.

Die wilde lid worden van de vrijwillige brandweer in Maassluis, maar dat kon niet want hij werkte bij Gemeentewerken. Daar had hij namelijk de taak de vloedplanken voor hoog water in de kering te plaatsen. En dan kon je natuurlijk niet tegelijk bij de brandweer dienen. Toch wilde hij heel graag bij de brandweer. En het lukte hem om de burgemeester om te praten. Hij werd brandweerman.

Zoon Maarten begreep daar niets van, want het leek hem vreselijk om in het holst van de nacht "je bed uit te moeten om een brandje te blussen op scheepswerf De Haas of ergens ver weg op het Stort".

Het ging bij 't Hart senior echter niet zozeer om de branden zelf, maar meer om een paar andere zaken, zoals daar was: het uitgaansuniform. Regelmatig trok hij het uniform 's avonds thuis aan en dan zat hij er stralend mee aan tafel. Recepties bezocht hij er mee en bruiloften werden er mee opgeluisterd. Maar er was nog een tweede reden waarom hij bij de brandweer wilde en dat was ..... het biljart in de kantine van de kazerne.

Maartens vader verloor namelijk bij het biljarten steeds van zijn eigen broer en hij dacht dat als hij nu maar veel kon oefenen, hij dan ook van zijn broer zou winnen. En ja hoor, na 6 jaar smaakte hij het genoegen voor de eerste keer te winnen van zijn broer. 'Die avond aten wij roomsoezen van bakker Vonk', schreef Maarten 't Hart in het jubileumboekje ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan van de KNBV. De Koningin kreeg het eerste exemplaar tijdens een feestelijke bijeenkomst in de Ridderzaal op 20 november 1991.

Ik hoop dat de sfeer en de geest van het vijf jaar hard samenwerken in het Project Versterking Brandweer van hoog tot laag en van zuid tot noord, zal worden behouden en voortgezet ten behoeve van de brandweer en de rampenbestrijding."

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie