Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Tweede Kamer: verslag bezoek aan Mali

Datum nieuwsfeit: 06-12-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Buitenlandse Zaken

Aan de Voorzitter van de

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Binnenhof 4

DEN HAAG

Sub-Sahara Afrika

DAF/WA

Bezuidenhoutseweg 67

Postbus 20061


2500 EB Den Haag

Datum 6 december 1999
Kenmerk 99/1615
Blad /1
Bijlage(n) 1
Betreft mijn bezoek aan Mali
C.c.

Zeer geachte Voorzitter,

Hierbij heb ik het genoegen u aan te bieden het verslag van mijn bezoek aan Mali dat in de tweede helft van oktober jl. plaatsvond.

De Minister voor Ontwikkelingssamenwerking

Eveline Herfkens

Verslag bezoek Minister voor Ontwikkelingssamenwerking

aan Mali


17-23 oktober 1999

Inhoudsopgave

I. Samenvatting en Conclusies

II. Hoofddoelen van het bezoek

II.a. Hulp Helpt

II.b. Oriëntatie op de macro-economische-sociale en

politieke situatie in Mali

II.c. Oriëntatie op het Nederlandse programma en de sectorale benadering

III. Overige aandachtsvelden

III.a. Revue de l'Aide/Club du Sahel/Donorcoòrdinatie

III.b. ECOMOG

III.c. Veiligheidsraad

III.d. SNV en MFO's

III.e. Cultuur

Bijlagen

Bijlage I Afspraken

Bijlage II Programma bezoek Mali

I. Samenvatting en Conclusies

Van 17 tot 23 oktober jl. bracht ik een werkbezoek aan Mali waar ik mij op de hoogte stelde van het Nederlandse hulpprogramma en de voortgang van de sectorale benadering, de mate waarin de hulp werkt en de algemene situatie in Mali . Ik voerde daartoe gesprekken met President Konaré, de Vice-Minister President, de Ministers van Financiën en van Buitenlandse Zaken, de voor het Nederlandse programma belangrijke vakministers, vertegenwoordigers van regerings-en oppositiepartijen, de voormalige president Amadou Toumani Touré, vertegenwoordigers van bi- en multilaterale donoren, een (ESAF)missie van IMF/WB en bezocht "in het veld" een aantal programma's waaraan Nederland steun verleent, zoals het Office du Niger (geïrrigeerde rijstteelt/voedselzekerheid), gezondheidszorgcentra aan de basis, een onderzoekscentrum, het UNESCO monument Djenné en een scholengemeenschap. Gebruikmakend van het feit dat de Amerikaanse Secretary of State Albright en ik gelijktijdig in Mali aanwezig waren, werd een bijeenkomst gerealiseerd om de Malinese troepen te bedanken voor hun inzet voor conflictpreventie en vredeshandhaving in de regio. Verder waren er gesprekken met SNV, Nederlandse ontwikkelingswerkers in Mali en leden van het team van de Directie Inspectie Ontwikkelingssamenwerking en Beleidsevaluatie (IOB), dat momenteel een evaluatie doet van het Nederlandse programma in Mali.

Het was een goed opgezet, interessant en geslaagd bezoek. Ik was onder de indrukvan het warme onthaal en de gastvrijheid van de Malinezen.

Zoals ik ook tijdens de lokale persconferentie kon meedelen zijn mijn conclusies over het Nederlandse hulpprogramma in Mali positief, omdat ik constateerde dat in Mali de hulp wel degelijk helpt, het geld goed besteed en duurzaamheid nagestreefd wordt. Dit laatste vooral door de inzet van de mensen waarom het gaat.

Positief was ik ook over hetgeen Mali de laatste tien jaar bereikt had, zeker waar het het gehalte aan democratisering, het onlangs ingezette decentralisatieproces en de resultaten op macro-economische terrein betreft. Minder positief ben ik over de structurele hervormingen. Het is mij gebleken, dat Mali op macro-economisch terrein goede resultaten heeft bereikt, maar dat de hervormingen van het overheidsapparaat de laatste jaren achterbleven, waardoor momenteel, bij tegenvallers als dalende katoenprijzen, de macro-economische resultaten grote risico's lopen en het HIPC completion point in december a.s. niet gehaald dreigt te worden. Bovendien is het Mali tot nog toe onvoldoene gelukt de sociale indicatoren te verbeteren.

Ik heb zowel mijn waardering over het bereikte als mijn zorg over bovenstaande constateringen uitgesproken in de gesprekken met betreffende bewindslieden en de President.

Ook heb ik geconstateerd, dat in Mali invoering van de sectorale benadering niet gemakkelijk zal zijn. Aan Malinese kant behoeft de coòrdinatie van de hulp op nationaal niveau de nodige aandacht. Op dit moment zijn drie Ministeries verantwoordelijk voor de hulp. Dit zal m.i. op den duur teruggebracht moeten worden naar één Ministerie met duidelijke budgetverantwoordelijkheid. Aan donorzijde is verdere afstemming van groot belang. Op dit moment is Nederland de enige bilaterale donor die de sectorale benadering volgt. Daarnaast is in Mali uiteraard sprake van institutionele zwakte. Dit tezamen maakt dat invoering van de sectorale benadering zowel aan Malinese als aan donorzijde de nodige tijd, middelen en menskracht zal vragen.

Bij de implementatie van het in 1997 gestarte OECD-initiatief Revue de l'Aide (intussen getrokken door de Club du Sahel) ter verbetering van de hulp blijkt de voortgang nog beperkt te zijn. Echter het feit dat er sprake is van een pilot-activiteit waarbij de donoren hun regelgeving terzijde kunnen zetten om het hulpsysteem te verbeteren, maakt dit initiatief uniek. Middels het Nederlandse Voorzitterschap van de Club du Sahel zal er de komende twee jaar alles aan gedaan worden dit experiment te ondersteunen.

Ik heb het feit, dat in het kader van de vanaf 1994 ingevoerde programmatische aanpak in Mali projecten in eigen Nederlands beheer zijn afgebouwd, als positief ervaren. De rol van Nederlandse deskundigheid is teruggebracht en omgezet in die van adviseur. De benodigde technische assistentie bij de sectorale benaderingverdient verdere aandacht.

Ik heb in Bamako aangegeven dat het Nederlandse programma zich in principe voorlopig kan blijven richten op de werkterreinen gezondheid, onderwijs, plattelandsontwikkeling en milieu. Of deze werkterreinen ook tot vier sectoren omgevormd zullen worden staat nog niet vast, maar op korte termijn zal hierover uitsluitsel moeten komen. Ook kan cultuur nog enkele jaren als aandachtsveld blijven bestaan.

II. Hoofddoelen van het bezoek

II.a. Hulp helpt

Door de bezoeken aan o.m. het Office du Niger (ON), de onderwijsinstellingen en de dorps cq. districts gezondheidscentra, heb ik kunnen constateren dat de Nederlandse hulp een positieve bijdrage levert. Nederland was als één van de eerste donoren bereid de situatie in het vervallen irrigatiegebied van het ON serieus te nemen en gericht te ondersteunen zodat niet alleen het areaal uitbreidde, maar ook de produktie van rijst van 2 naar 6 ton per ha. groeide en het ON momenteel de vraag van boeren om land niet meer bij kan benen. De ingezette positieve ontwikkelingen hebben andere donoren aangetrokken en inmiddels is het gebied van de ON een relatief welvarend gebied. Nederland heeft er ook toe bijgedragen dat vrouwen betrokken raken bij de activiteiten van het ON en hun positie verbeteren in het gebied van de ON. Ik was onder de indruk van het werk dat verzet werd en het feit, dat ook zonder Nederlandse technische assistentie (de laatste paar jaar sterk afgenomen) het werk daadkrachtig wordt voortgezet.

Ik bezocht een tweetal gezondheidscentra die geheel door Malinese staf en de bevolking zelf gerund werden. De centra maakten op mij een goede indruk, een actieve staf gaf met kennis van zaken informatie over het werk en het beheer van de centra, waarbij de speciale aandacht voor moeder en kind, geboortenbeperking en aidsprogramma's naar voren kwam. Ik constateerde dat juist in een land als Mali, waar de geboortecijfers hoog zijn, de aandacht voor de reproductieve gezondheidszorg slechts moeizaam op gang komt. Culturele factoren spelen daarin een belangrijke rol. Ik heb benadrukt dat binnen het Nederlandse programma de reproductieve gezondheidszorg aandacht zal blijven houden evenals aids. Ook hier was ik onder de indruk van de inzet van de mensen zelf en het feit dat men in staat is met de financiele bijdragen van de bevolking uit de streek de centra te laten functioneren.

Bij het bezoek aan een scholengemeenschap in de volkswijk Daoudabougou van Bamako kwam eenzelfde betrokkenheid van ouders en leerlingen bij het welslagen van de school naar voren.

Niet alleen heb ik tijdens mijn veldbezoeken kunnen waarnemen dat de hulp in Mali geholpen heeft, maar ook dat er sprake is van duurzaamheid, want in alle gevallenzijn het de Malinezen zelf die het beheer en uitvoering van de projecten in eigen hand hebben. Ik heb in het kader van duurzaamheid tijdens al mijn bezoeken, en zeker in het veld, benadrukt dat Nederland alleen kan en wil helpen als men zichzelf helpt.

II.b Oriëntatie op de macro-economisch-sociale en politieke situatie in Mali

Mali was en is één van de allerarmste landen in de wereld. Ik heb dan ook grote waardering voor het feit dat het land de laatste zes jaar in staat is geweest de macro-economische situatie op orde te krijgen, een groei van gemiddeld 5% per jaar te behalen, de inflatie drastisch te beteugelen en het overheidstekort beheersbaar te maken. Ik heb de Minister van Financiën hiermee gecomplimenteerd. Echter tijdens het gesprek met de net aangekomen missie van Wereldbank en IMF (ESAF Art. IV) werd mij duidelijk dat de situatie zich inmiddels minder rooskleurig ontwikkelt. Door de recente sterke daling van de katoenprijzen wordt zichtbaar dat de structurele hervormingen van het overheidsapparaat (zowel privatiseringen als reorganisatie van de Ministeries) te ver achter gebleven zijn en het positieve macro-economisch plaatje nu aan risico's blootgesteld is. Dit zwakke hervormingsbeleid kwam dit jaar ook naar buiten in de electriciteitssector, waar aan de toegenomen vraag naar elektriciteit als gevolg van de economische groei niet voldaan kon worden hetgeen tot grote problemen (-1 % groei BNP) en irritatie onder de bevolking leidde. Het structurele hervormingsbeleid stagneert sinds twee jaar, maar door de goede macro-economische resultaten tot nu toe hadden WB en IMF de Malinese autoriteiten het voordeel van de twijfel gegeven. Deze fase is echter voorbij. De gevolgen van dalende katoenprijzen, de achtergebleven hervormingen en de stagnatie in sociale indicatoren zouden zouden ernstig kunnen zijn, want niet alleen stagneert de economie, maar ook het HIPC completion point, voorzien voor december a.s., dreigt daardoor niet gehaald te worden. De grootste problemen doen zich voor in de katoensector, de financiële sector, energie (m.n. elektriciteit), het onderwijs en de plattelandsontwikkeling. WB enIMF hopen binnen twee weken tot een vergelijk met de Malinese overheid te komen over stappen tot verbetering van de situatie.

V.w.b. het sociale beleid heb ik kunnen constateren dat Mali de laatste jaren ruim eenderde van haar begroting aan de sociale sectoren uitgeeft. Ondanks de economische groei heeft men de sociale indicatoren hiermee echter onvoldoende kunnen verbeteren. Hieraan zijn de achterblijvende structurele hervormingen en beperkte menselijke en institutionele capaciteit binnen deze sectoren en deels ook de bevolkingsgroei debet. Het is mij gebleken dat de situatie in de sector onderwijs ernstiger is, dan die in de gezondheidssector. Geschrokken ben ik van het feit, dat een onevenredig groot deel van de uitgaven in de sector onderwijs naar beurzen in het tertiaire onderwijs gaan en de omvang van het bedrag aan deze beurzen de laatste vier jaar met 250% gestegen is (bron: Public Expenditure Review door de WB van de sector onderwijs van september jl.). Ook heb ik in de klassen die ikbezocht en de gesprekken die ik voerde geconstateerd dat de deelname van meisjes aan het onderwijs nog veel te wensen overlaat.

Ik heb zowel de zorg over het achterblijven van de structurele hervormingen, het daardoor niet behalen van het HIPC-completion point en de stagnatie in sociale indicatoren duidelijk uitgesproken in de gesprekken met mijn Malinese gesprekspartners in de regering. Een ieder, waaronder President Konaré, deelde mijn zorg, maar men gaf ook aan dat de Wereldbank zelf ook niet altijd de eigen afspraken nakomt en dat Mali met een zeer lage capaciteit en gebrek aan financiele middelen kampt. Dit wordt versterkt door het feit dat internationale organisaties de goede mensen "wegkopen". President Konaré deelde bovendien in uitgesproken vorm mijn zorg over de situatie in het onderwijs. Hijzelf was voornemens een comité in het leven te roepen om de situatie rond het onderwijs uit het slop te halen.

M.b.t.het (goed) bestuur van Mali heb ik overigens ook zeer positieve informatie ontvangen en ervaringen opgedaan. Zo is de inzet van de mensen bij zaken die henzelf betreffen groot. Dit wordt in de nabije toekomst versterkt door het omvangrijke decentralisatieproces dat met de lokale verkiezingen van mei/juni jl. in het gehele land ingang gezet is. Ook het participatieve karakter van beleidsontwikkeling is daarvan een voorbeeld. Uit gesprekken met de vertegenwoordigers van oppositie en regeringspartijen, bijv. met ex-president Amadou Toumani Touré en uit eigen observaties in Mali werd mij duidelijk dat de democratie wortel geschoten heeft, ondanks het feit dat de dialoog tussen de twee groeperingen van politieke partijen al enige jaren stagneert. Van de oppositie was ik minder onder de indruk m.n. omdat men in hun uiteenzetting vooral gericht was op het verleden en geen ideeën en plannen voor de toekomst leek te hebben ontwikkeld. De oppositie en enkele andere gesprekspartners verweten de regeringspartijen een incorrecte kieslijst (teveel geregistreerde kiezers) niet te willen bijstellen. Deze houding van de regeringspartijen vormt het voornaamste struikelblok in de stagnerende dialoog tussen de beide groepen politieke partijen. Overwogen moet worden hoe en of de Nederlandse Ambassade in Bamako bij het nader tot elkaar brengen van oppositie en regeringspartijen een rol kan spelen.

Ik heb geconstateerd dat er in Mali een grote mate van persvrijheid is, zoals ook bleek uit de aanwezigheid van een divers gezelschap (zowel TV als schrijvende pers) aan journalisten op de lokale persconferentie en de kritische houding die velen, inclusief de aan de regering gelieerde pers, innemen tegenover de Malinese regering. Ook viel mij de hoge kwaliteit van de lokale pers op.

De wijze waarop Mali omgaat met aansturing en coòrdinatie van de hulp verdient verbetering. Nederland blijkt met drie Ministeries van doen te hebben (Buitenlandse Zaken, Planning en Financiën) om tot een bepaling en uitvoering van het programma te komen. Ik heb hierover mijn zorg uitgesproken en erop aangedrongen te komen tot één coòrdinerend Ministerie dat tevens budgettaire zeggenschap heeft. In mijn visie zou dat het Ministerie van Planning of Financiën dienen te zijn

II. c. Oriëntatie op het Nederlandse programma en de sectorale benadering

Zoals gezegd wordt de hulp in Mali op nationaal niveau nog onvoldoende gecoòrdineerd door één Ministerie met budgetverantwoordelijkheid. Dit samen met de afwezigheid van een kritische massa aan donoren die de sectorale benadering nastreeft en de institutionele zwakte in het land, maakt dat invoering van de sectorale benadering in Mali als een uitdaging beschouwd kan worden.

Ik heb tijdens de bijeenkomst met Nederlandse ontwikkelingswerkers en de medewerkers van de Nederlandse Ambassade in Bamako aangegeven dat het concept sectorale benadering wat ruimer geïnterpreteerd zou kunnen worden zodat de samenhang tussen onderwijs, gezondheid, milieu en economie gewaarborgd wordt. Er moet binnen de sectorale benadering evenwicht kunnen worden gebracht tussen de sociale en productieve sectoren. Bovendien moet het mogelijk zijn decentralisatie in sectorale programma's onder te brengen. Ik doel bij decentralisatie ook op de decentralisatie van de overheidsdiensten.

Verder is mij in Mali opnieuw gebleken, dat de sector plattelandsontwikkeling vanwege de omvang en breedte van beleid en activiteiten die tot deze sector gerekend worden, in de huidige sectorale benadering moeilijk een plek kan krijgen. Dit betreur ik, omdat Nederland juist in deze sector ervaring en deskundigheid heeft opgebouwd.

Ik heb nog eens duidelijk gemaakt dat er geen blauwdruk vanuit Den Haag voor de sectorale benadering per land aangeleverd gaat worden. Elk land dient aan de sectorale benadering volgens de behoeftes en mogelijkheden van het land in kwestie en de aard van het Nederlandse hulpprogramma vorm te geven.

Ik heb mijn gesprekspartners en de Malinese pers meegedeeld dat Nederland in Mali voorlopig actief blijft in plattelandspontwikkeling, milieu, gezondheid, onderwijs en cultuur. In het eindgesprek met de medewerkers van HMA Bamako heb ik mijn twijfels uitgesproken over de Nederlandse steun aan de sector basisonderwijs, omdat 1) Nederland geen speciale kennis op dit terrein heeft, 2) het Ministerie van Basisonderwijs in Mali slecht blijkt te functioneren en 3) de Malinese overheid de uitgaven voor het tertiair onderwijs nauwelijks beteugelt, zeker niet waar het beurzen voor studenten betreft. Overigens heb ik ook aangegeven dat het argument dat Nederland een belangrijke trekkersfunctie speelt in deze sector in Mali voortzetting van interventie in deze sector verdedigbaar maakt.

De belangrijke rol die Nederland in Mali aan Vrouwen en Ontwikkeling (V&O) toekent heb ik van harte ondersteund, want uit het veldbezoek is me duidelijk geworden dat er nog veel gebeuren moet voordat de situatie van de vrouw werkelijk verbeterd is. Ik heb benadrukt dat niet kan worden volstaan met mainstreaming van V&O in de gekozen sectoren, maar dat ook aparte activiteiten buiten de gekozen sectoren nodig blijven.

Ik heb gewezen op de noodzaak van monitoring en beïnvloeding van multilaterale organisaties en informatieverstrekking hierover door zowel de medewerkers van de Ambassades als de ambtenaren in Den Haag.

Ook benadrukte ik de noodzaak om het reguliere formele beleids overleg met de nationale autoriteiten in de 17+3 landen opnieuw in te stellen.

III. Overige Aandachtsvelden

III.a. Revue de l'Aide/Club du Sahel/ Donorcoòrdinatie

Tijdens een bijeenkomst met de belangrijkste bi- en multilaterale donoren en enkele vertegenwoordigers van de Malinese overheid is mij gebleken, dat in het OECD-initiatief 'Revue de l'Aide'(inmiddels "getrokken" door de Club du Sahel) ter- verbetering van het hulpsysteem in Mali nog weinig voortgang geboekt wordt. De gesprekspartners gaven als belangrijkste reden aan de beperkte capaciteit aan ontvangende kant om het ownership werkelijk inhoud te geven. Maar ook aan donorkant is de samenwerking beperkt. Ik heb Tanzania aangehaald als voorbeeld van een land waarin donorcoòrdinatie en hulpverbetering op dit moment meer perspectief bieden, omdat daar een aantal gelijkgezinde, donoren (Nederland, United Kingdom en Noorwegen) aanwezig is. Gezien echter het bestaan van de Revue de l'Aide, waarbij donoren hun eigen regelgeving opzij kunnen zetten en binnen het informele platform dat de Club du Sahel biedt elkaar aan kunnen spreken op gedrag dat niet conform de afspraken is, doet zich in Mali een unieke situatie voor om het hulpsysteem te verbeteren. Ik zal er met het Nederlandse Voorzitterschap van de Club du Sahel alles aan doen om dit experiment te faciliteren.

Ik heb tijdens het gesprek met de belangrijkste bi- en multilaterale donoren mijn beleid m.b.t. de sectorale benadering uiteengezet. Ik heb daarbij mijn zorg uitgesproken over de afwezigheid van één coòrdinerend Ministerie en het feit dat alleen Nederland als bilaterale donor de sectorale benadering volgt. Ik wees erop, dat het Ministerie van Buitenlandse Zaken niet het meest aangewezen Ministerie is voor de coòrdinatie van de hulp, omdat hulp en ontwikkeling m.i. een binnenlandse aangelegenheid is.

III.b. ECOMOG

Er is van de aanwezigheid van Secretary of State Albright gebruik gemaakt om gezamenlijk de Malinese ECOMOG-troepen te bedanken voor hun bijdrage aan verschillende vredesoperaties in Afrika. Ik heb in mijn speech benadrukt dat ik in mijn beleid aandacht zal blijven geven aan conflictpreventie en vredeshandhaving in Afrika en heb daarbij het verband gelegd tussen ontwikkeling en vrede.

In mijn gesprekken met President Konaré en de Minister van Buitenlandse Zaken heb ik aangegeven dat ik de bijdrage van Mali aan ECOMOG in Sierra Leone ook in de nabije toekomst financiëel wil steunen (inclusief transportkosten) als de gelegenheid zich voordoet, hetgeen afhankelijk is van de uitkomst van de debatten hierover in de Veiligheidsraad.

III.c. Veiligheidsraad

In de week voorafgaande aan mijn bezoek aan Mali is dat land in de Veiligheidsraad gekozen. Bij de President en de Minister van Buitenlandse Zaken heb ik mijn felicitaties daarvoor overgebracht. De Minister van Buitenlandse Zaken herinnerde er aan dat Mali voor de Nederlandse kandidatuur campagne had gevoerd in de regio en dat Mali inmiddels met tevredenheid heeft vastgesteld, dat Nederland haar beloftes waarmaakt. Voorbeelden daarvan zijn de open debatten die Nederland als voorzitter organiseerde over Afrika en de problematiek van de kleine wapens. Hij sprak hiervoor zijn waardering uit.

Het feit dat Nederland en Mali gedurende een jaar beiden lid van de Veiligheidsraad zijn, leidde tot de vaststelling dat de inzet van beide landen op de meeste onderwerpen overeen komt en dat er een sterke wil tot samenwerking is. Ik heb zowel aan de President als aan de Minister van Buitenlandse Zaken de brief aan de Tweede Kamer van oktober vorig jaar over onze voornemens in de Veiligheidsraad overhandigd.

III.d. SNV en MFO's

Tijdens het gesprek met SNV heb ik mijn waardering uitgesproken voor hun werk in het kader van de decentralisatie/lokaal bestuur. Ik heb benadrukt dat SNV voor mij meer is dan alleen een uitzendende organisatie. Ook heb ik erop gewezen dat het tijd is dat Nederland een duidelijk beleid voor technische assistentie ontwikkelt in het licht van het nieuwe beleid van de sectorale benadering.

Tijdens het gesprek met SNV heb ik met genoegen geconstateerd dat in Mali de samenwerking enerzijds tussen de Ambassade en SNV en anderzijds tussen de Nederlandse Ambassade en de Medefinancierings organisaties binnen de sectorale benadering in een complementaire relatie mogelijk blijkt te zijn. De samenwerking met BILANCE (CORDAID) is hiervan in de stedelijke problematiek een voorbeeld. Binnenkort vindt bovendien overleg plaats tussen Malinese counterparts van de MFO's en de Nederlandse Ambassade om na te gaan hoe de samenwerking binnen de sectorale benadering vorm kan krijgen.

III.e. Cultuur

Ik bezocht de oude stad Djenné en liet mij informeren over de door Nederland gesteunde restauratie van delen van de stad in het kader van het behoud van het cultureel erfgoed van Mali. Ik ben overtuigd van het belang van dit soort activiteiten in een land als Mali omdat daarmee zowel de eigen identiteit als het toerisme bevorderd worden. Tijdens de persconferentie met de Malinese pers en de debriefing met HMA Bamako en mijn delegatie heb ik dan ook meegedeeld, dat cultuur als apart aandachtsveld naast de sectoren voorlopig kan blijven bestaan. Wel heb ik een tijdslimiet ingebouwd door te stellen dat de bestaande activiteiten in de huidige vorm binnen een jaar of vijf dienen te worden afgebouwd.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie