Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Kamervragen: Notitie Macro-georiënteerde Programmahulp

Datum nieuwsfeit: 06-12-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Buitenlandse Zaken

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer

der Staten-Generaal

Binnenhof 4

Den Haag
DMO

Afdeling macro-economische analyse en samenwerking

Bezuidenhoutseweg 67

Postbus 20061


2500 EB Den Haag

Datum 6 december 1999
Kenmerk DMO/AS-536/99
Blad /1
Bijlage(n) 1
Betreft Notitie Macro-geòrienteerde Programmahulp

Tijdens het overleg met de Commissie voor Buitenlandse Zaken over het landenbeleid van 28 juni 1999 heb ik toegezegd de Kamer een notitie over de toekomst van de macrohulp te zenden.

Het is mij een genoegen u bijgaand de betreffende notitie te doen toekomen.

De Minister voor Ontwikkelingssamenwerking

Eveline Herfkens

Notitie Macro-georiënteerde Programmahulp


1. Achtergrond

In deze notitie wordt een uiteenzetting gegeven over de beoordeling, allocatie en uitvoering van macro-georiënteerde programmahulp in het Nederlandse beleid voor ontwikkelingssamenwerking. Aanleiding voor de notitie is een viertal recente ontwikkelingen die van invloed zijn op het beleid ten aanzien van programmahulp:

a) de conclusies en beleidsaanbevelingen in het rapport van de Algemene Rekenkamer aan de Tweede Kamer over Programmahulp (Tweede Kamer, vergaderjaar 1998-1999, 26 455, nrs. 1-2);

b) de conclusies en beleidsaanbevelingen van de Inspectie Ontwikkelingssamenwerking en Beleidsevaluatie (IOB) van het ministerie van Buitenlandse Zaken in het kader van de Evaluatie Cofinanciering Nederland - Wereldbank, 1975-1996;

c) de recente actualisering van het beoordelingskader voor de toewijzing van macro-georiënteerde programmahulp aan landen;

d) het besluit om de Nederlandse ontwikkelingshulp te concentreren op een beperkte groep landen.

Programmahulp omvat alle bijdragen die beschikbaar zijn gesteld voor algemene, niet projectmatige, financiële ondersteuning van het ontwikkelingsbeleid en de ontwikkelingsprogramma's van een land (definitie OESO-DAC). Programmahulp kan worden onderscheiden in macro-georinteerde en sectorale programmahulp. Macro-georinteerde programmahulp heeft betrekking op programmahulp welke niet ten behoeve van individuele sectoren of projecten wordt gealloceerd en omvat in de praktijk betalingsbalanssteun, algemene begrotingssteun, cofinanciering van structurele aanpassingsprogramma's (m.n. Wereldbank) en schuldverlichting. In het verleden werd macro-georiënteerde programmahulp ook dikwijls in de vorm vanalgemene importsteun verstrekt, maar sinds 1996 heeft Nederland geen importsteun meer gegeven. Onder invloed van de liberalisatie van het kapitaalverkeer en de overgang naar convertibele valuta's is het geven van importsteun minder opportuun geworden.


2. Het beleid ten aanzien van macro-georiënteerde programmahulp

De macro-georiënteerde programmahulp zal meer dan voorheen integraal onderdeel uitmaken van de landenprogramma's voor de landen waarmee Nederland een structurele bilaterale ontwikkelingsrelatie onderhoudt. In het nieuwe landenbeleid zullen met ingang van het jaar 2000 aan deze landen meerjarige landenallocaties worden toegewezen. De allocaties zullen bestaan uit zowel sectorale allocaties (voor projecten én programma's) als, waar relevant, allocaties voor macro-georiënteerde programmahulp. Dit betekent derhalve dat de macro-georiënteerde programmahulp in grote mate structureel wordt ingebed in de landenallocaties.

Deze structurele macro-georiënteerde programmahulp wordt in beginsel gereserveerd voor de landen waarmee een structurele bilaterale ontwikkelingsrelatie wordt aangegaan en enkele voormalige communistische landen in Oost-Europa, op voorwaarde dat ook deze laatstgenoemde landen voldoen aan de criteria van goed beleid en goed bestuur. Zoals in eerdere brieven aan de Tweede Kamer reeds werd aangegeven, zal de samenwerking met deze landen via het multilaterale kanaal verlopen (m.n. cofinanciering met de Wereldbank). Tenslotte kan ook macro-georinteerde programmahulp worden verstrekt aan landen waarmee de ontwikkelingsrelatie wordt beëindigd of beperkt ('themalanden') in het kader van exit-strategieën. Dit geldt in het bijzonder voor landen met een nog uitstaande bilaterale schuld, waarmee, als gevolg van de afbouw van het samenwerkingsprogramma, een negatieve netto-ODA stroom ten opzichte van Nederland ontstaat c.q. dreigt te ontstaan.

Naast de genoemde structurele macro-georiënteerde programmahulp, die onderdeel wordt van de landenallocaties, blijft er een aparte voorziening voor niet-structurele macro-georiënteerde programmahulp. Deze hulp zal worden aangewend voor ad hoc ondersteuning van landen die de macro-economische consequenties ondervinden van economische en humanitaire noodsituaties en veranderingen in hun externe omgeving (bijv. de orkaanMitch, de buurlanden die schade ondervinden van de Balkan-crisis, de gevolgen van de economische crisis in Rusland voor de regio, etc.).

Jaarlijks zal in de eerste helft van het begrotingsjaar de zogenoemde macro-exercitie (zie hieronder) worden uitgevoerd ter bepaling van de landen die in principe voor macro-georiënteerde programmahulp in aanmerking komen. De uitkomsten van deze exercitie zijn bepalend voor de jaarplanaanschrijvingen aan de posten die weer de basis vormen voor de jaarplannen die door de posten worden opgesteld. In de jaarplanaanschrijving worden de voortschrijdende meerjarige allocaties voor macro-georinteerde programmahulp aangegeven. In de exercities in de daaropvolgende jaren zal worden getoetst of de uitvoering van de meerjaren toezeggingen ongewijzigd kan worden voortgezet.

Binnen de landenallocaties zal de komende jaren een groeiend aandeel naar programmahulp (macro- en sectoraal) worden gealloceerd, overeenkomstig de doelstelling "programmahulp waar het kan, projecthulp waar het moet". Jaarlijks zal in het kader van de jaarplan-exercitie aan de posten worden verzocht invulling aan deze doelstelling te geven en over de realisatie hiervan te rapporteren.

Recente internationale ontwikkelingen

In het kader van de jaarvergaderingen van IMF en Wereldbank is in september jl. besloten om het schuldeninitiatief voor zwaarverschuldigde arme landen (het zogenoemde 'HIPC debt initiative') uit te breiden. Een bredere groep landen zal in aanmerking komen voor ruimere financiële ondersteuning in het kader van dit initiatief.

Om in aanmerking te komen voor deze ruimere ondersteuning is de formulering van een nationale strategie ter bestrijding van de armoede, vastgelegd in een 'Poverty Reduction Strategy Paper' (PRSP), vereist. In dit document worden het macro-economische, het structurele hervormings- en het sociale beleid geïntegreerd en afgestemd op de doelstellingen op het gebied van armoedebestrijding en sociale ontwikkeling. Het PRSP zal de leidraad vormen voor de Wereldbank (IDA) en het IMF bij de bepaling en afstemming van hun activiteiten in een land en zal op termijn het Policy Framework Paper (PFP) gaan vervangen. Het IMF heeft de naam van haar concessionele financieringsprogramma ESAF (Enhanced Structural Adjustment Facility) daarom gewijzigd in Poverty Reduction and Growth Facility (PRGF). Tevens heeft het IMF inmiddels besloten dat strategieën terbestrijding van de armoede niet alleen in HIPC landen dienen te worden opgesteld, maar ook in andere PRGF landen.

In de strategie ter bestrijding van armoede (PRSP) wordt een directe koppeling tot stand

gebracht tussen schuldverlichting en armoedebestrijding; besparingen uit schuldverlichting zullen worden aangewend voor directe armoedebestrijding. De overheid van een zwaarverschuldigd land dient bij de formulering van de armoedebestrijdingsstrategie het voortouw te nemen. Daarnaast dienen alle overige segmenten van de samenleving bij de opstelling ervan te worden betrokken, teneinde een voldoende draagvlak te creëren.

Nederland ondersteunt de nieuwe benadering van Wereldbank en IMF ten aanzien van armoedebestrijding en de uitbreiding van het HIPC-schuldeninitiatief en heeft toegezegd substantieel bij te dragen aan financiering van deze uitbreiding. Voorts bestaat het voornemen om ook de Nederlandse macro-georiënteerde programmahulp deel te laten uitmaken van de armoedebestrijdingsstrategieën, wanneer deze in de komende 1 à 2 jaar geïmplementeerd gaan worden. Het Nederlandse beoordelingskader zal daarbij worden afgestemd op de inhoud en doelstellingen van de PRSP's.


3. De uitvoering van het beleid ten aanzien van macro-georiënteerde

programmahulp

Met de opstelling van de Handleiding Programmahulp in 1994 werd een begin gemaakt met de ontwikkeling van een beoordelingskader voor de allocatie van macro-georiënteerde programmahulp. In het rapport van de Algemene Rekenkamer over Programmahulp (Tweede Kamer, vergaderjaar
1998-1999, 26 455, nrs. 1-2) wordt opgemerkt dat bestedingsvoorstellen voor m.n. schuldverlichting in de afgelopen jaren slechts gedeeltelijk aan dit initiële beoordelingskader zijn onderworpen.

Als gevolg van internationale en interne beleidsmatige ontwikkelingen op het gebied van structurele aanpassingsprogramma's en schuldverlichting is het beoordelingskader, zoals uiteengezet in deze Handleiding, in de praktijk verder ontwikkeld en in aangepaste vorm toegepast bij de interne besluitvorming.

De besluitvorming over de macro-georiënteerde programmahulp is vanaf
1996 nader gesystematiseerd door de invoering van de jaarlijkse macro-exercitie: een vroegtijdige, simultane afweging van alle bestedingsvoorstellen voor het desbetreffende jaar. In deze macro-exercitie, die thans onderdeel uitmaakt van de jaarplancyclus, wordt jaarlijks het beschikbare budget voor alle vormen van macro-georiënteerde programmahulp gealloceerd. Op basis van een aantal inhoudelijke en beleidsmatige criteria wordt een analyse en beoordeling gemaakt van de bestedingsvoorstellen voor macro-georiënteerde programmahulp in samenhang met het door het desbetreffende land gevoerde beleid. Uiteindelijk wordt vastgesteld welke landen zich kwalificeren voor macro-georiënteerde programmahulp, voor welke vorm en voor welk bedrag. Hierbij spelen - naast de criteria van goed economisch en sociaal beleid en goed bestuur - met name de uitvoeringscapaciteit op centraal overheidsniveau en de specifieke financieringsbehoefte een belangrijke rol. Op deze wijze kunnen landen en voorstellen onderling worden vergeleken.

In 1997 vond aanpassing plaats van het initiële beoordelingskader van de Handleiding waardoor een uniforme beoordeling mogelijk is geworden van schuldverlichting en de overige vormen van macro-georiënteerde programmahulp. Voor schuldverlichting werden daarbij specifieke, op de schuldenproblematiek toegesneden, analyses in het beoordelingskader geïntegreerd. Hiermee werd de facto reeds tegemoet gekomen aan een belangrijke aanbeveling die in 1999 door IOB in de 'Evaluatie Cofinanciering Nederland - Wereldbank, 1975-1996' werd gedaan.

Ten slotte is voorafgaand aan de macro-exercitie van 1999 het beoordelingskader opnieuw bijgesteld. Daarbij zijn de verschillende dimensies van goed bestuur nader uitgewerkt en hebben aspecten als netto ODA-stromen, gender en de positie van de minst ontwikkelde landen (MOL's) een aparte plaats gekregen in het beoordelingskader. In de bijgevoegde bijlage wordt het 'Beoordelingskader voor Macro-georinteerde programmahulp' uiteengezet dat sinds 1999 in gebruik is.

Met het oog op de effectiviteit van de programmahulp richt het beoordelingskader zich zoveel mogelijk op reeds gerealiseerd beleid. Terughoudendheid zal worden betracht met het geven van macro-georiënteerde programmahulp aan landen die nog geen aantoonbaar 'track record' van goed hervormingsbeleid hebben opgebouwd.

Vanwege de samenhang tussen de verschillende vormen van macro-georiënteerde programmahulp en de allocatie van deze hulp op basis van een uniform beoordelingskader wordt tevens gestreefd naar één budget voor alle vormen van macro-georiënteerde programmahulp. De beide budgetten die tot op heden bestaan, voor respectievelijk non-sectorale programmahulp en schuldverlichting, zullen daarbij worden samengevoegd.


4. Transparantie, verantwoording, monitoring en evaluatie

Besteding van een groeiend aandeel van de hulpgelden aan programmahulp is een van de uitgangspunten van het Nederlandse ontwikkelingsbeleid. Programmahulp kan echter alleen verantwoord worden ingezet als het ontvangende land de aanwending van de hulpgelden voldoende inzichtelijk en transparant kan maken zodat een adequate verantwoording van de besteding van hulpgelden mogelijk is.

In dit kader zal Nederland, in samenhang met het invoeren van de sectorale benadering, ondersteuning geven aan de verdere uitwerking van fiscal frameworks door hulpontvangende landen. Een 'fiscal framework' vergroot de transparantie van de aanwending van hulp doordat inzicht wordt verschaft in de loop van de financiële stromen in een land. Op deze wijze kunnen ook de negatieve aspecten van fungibiliteit (onderlinge uitwisselbaarheid van bestedingen) van hulpgelden worden ingeperkt. De ontwikkeling van 'fiscal frameworks' wordt voor wat betreft sub-Sahara Afrika door de Wereldbank gecordineerd in het kader van het Special Programme of Assistance to Africa (SPA).

Een 'fiscal framework' benadert de financieringsbehoefte van het ontvangende land vanuit de overheidsbegroting. Deze benadering iscomplementair aan de traditionele benadering van de financieringsbehoefte waarin de betalingsbalans centraal staat. In een 'fiscal framework' wordt bij de berekening van een ex ante financieringskloof met name gekeken naar de overheidsinkomsten en het geplande niveau van publieke uitgaven op de middenlange termijn. Het laatstgenoemde niveau is sterk afhankelijk van de ontwikkelingsagenda van het hulpontvangende land en zijn doelstellingen op het gebied van groei en armoedebestrijding.

Donoren kunnen vervolgens de ontwikkelingsagenda van het hulpontvangende land ondersteunen door middel van programmahulp. Een logisch uitvloeisel van het gebruik van 'fiscal frameworks' is de overgang van eenjarige naar meerjarige toezeggingen en naar meer cordinatie onder donoren.

Het 'fiscal framework' en de overgang naar meerjarige toezeggingen onderstrepen ook het belang van monitoring door donoren. De orintatie van donoren wordt namelijk verruimd van het beheer van (de eigen) hulpfondsen naar een dialoog met het ontvangende land over de samenstelling en het beheer van de totale overheidsuitgaven.

In de toekomst zal er verder bij het monitoren van hulpgelden naar worden gestreefd om de conditionaliteit niet te beperken tot de uitvoering van concrete beleidsmaatregelen (zoals verlaging van de importtarieven), welke traditioneel door de IMF en de Wereldbank werden toegepast. Tevens zal worden getracht om, in samenspraak met de hulpontvangende landen, te monitoren aan de hand resultaatgerichte indicatoren (zoals verlaging van de kindersterfte). Door monitoring te verrichten aan de hand van meetbare resultaten, wordt getracht de effectiviteit van overheidsbeleid beter zichtbaar te maken.

Ter verbetering van de inzichtelijkheid en de toetsbaarheid van de uitvoering van programmahulp zal vanaf 1999 jaarlijks voor alle vormen van programmahulp een overzicht aan de Kamer worden verstrekt, zoals dat voor schuldverlichting gebruikelijk is.

Met het geven van macro-georiënteerde programmahulp wordt feitelijk het gehele overheidsprogramma van een land ondersteund. Dit heeft verstrekkende gevolgen voor de wijze waarop de evaluatie van dergelijke activiteiten dient plaats te vinden. Hierbij zal het accent meer komen te liggen op de beoordeling van het gehele beleid dat het ontvangende land voert en in mindere mate op het meten van de effecten van de afzonderlijkeNederlandse programmahulpactiviteiten.

Om beter inzicht te krijgen in de ervaringen die zijn opgedaan met de verschillende vormen van schuldverlichting is voor 1999-2000 een evaluatie van de Nederlandse bijdragen aan schuldverlichting opgenomen in het evaluatieprogramma van IOB.


Bijlage:

Beoordelingskader voor Macro-georiënteerde programmahulp

(incl. schuldverlichting)


1. Inleiding

In de onderstaande paragrafen wordt een beeld geschetst van het geactualiseerde beoordelingskader en de criteria die een rol spelen bij de interne besluitvorming over macro-georiënteerde programmahulp. Het beoordelingskader bestaat uit 2 fasen. In fase I wordt de kwaliteit van het gevoerde beleid en bestuur geanalyseerd en beoordeeld op 8 aspecten die in 4 clusters zijn gegroepeerd. Mede in het licht van de nieuwe benadering van Wereldbank en IMF ten aanzien van armoedebestrijding zal de analyse van de verschillende aspecten in nauwe samenhang plaatsvinden, teneinde de integratie van macro-economische en sociale aspecten te waarborgen.

Op basis van de eerste fase van het beoordelingskader wordt een groep landen geselecteerd waarvan het beleid en bestuur als voldoende is beoordeeld om voor macro-georinteerde programmahulp in aanmerking te komen. Deze groep omvat allereerst een selectie van de landen waarmee Nederland heeft besloten om een structurele bilaterale ontwikkelingsrelatie verder uit te bouwen. Daarnaast kunnen enkele voormalige communistische landen in Oost-Europa tot deze groep behoren. Tenslotte kunnen landen in het kader van een exit-strategie in aanmerking komen, wanneer sprake is van een negatieve netto-ODA stroom.

In fase II wordt vervolgens de prioriteit van deze landen vastgesteld aan de hand van een analyse van meerdere karakteristieken waarbij de financieringsbehoefte centraal staat. Daarbij wordt tevens per land bekeken welke vorm van macro-georiënteerde programmahulp het meest in aanmerking komt.


2. Aspecten voor Beleidsbeoordeling (fase I)

Het aangepaste beoordelingskader tracht de beleidsomgeving in het hulpontvangende land te analyseren. De volgende vier clusters bevatten achtaspecten ter beoordeling van de kwaliteit van het gevoerde beleid en bestuur.

A. Visie multilaterale organisaties en beleidsdialoog


1. visie van multilaterale organisaties (Wereldbank en IMF) op het macro-economische beleid


2. ruimte voor beleidsdialoog (bilateraal en multilateraal)

B. Macro-economisch beleid


1. economisch stabilisatiebeleid


2. structureel hervormingsbeleid


C. Goed bestuur / institutionele capaciteit


1. transparantie en effectiviteit


2. participatie en rechtmatigheid

D. Sociale ontwikkeling en beleid


1. armoedebestrijding


2. gender

ad. A


1. Er dient te worden vastgesteld wat de visie is van de Wereldbank en het IMF over het gevoerde macro-economische beleid in de afgelopen jaren in het betreffende land en met name of een land een IMF programma uitvoert (on/off track).


2. Een oordeel dient te worden gevormd over de mate waarin een vruchtbare beleidsdialoog wordt gevoerd. Een open dialoog tussen de regering van het ontvangende land en de verschillende donoren (multilateraal, m.n. IMF en Wereldbank, en bilateraal) is van belang om overeenstemming te bereiken over de te volgen ontwikkelingsstrategie, de allocatie van middelen en waar nodig over de vereiste beleidsaanpassingen en hervormingen.

ad. B

Nadere analyse van het economische beleid vindt plaats op basis van informatie van de Wereldbank, het IMF en andere bronnen.


1. Allereerst dient te worden bekeken of het stabilisatiebeleid van een land succesvol wordt/is uitgevoerd. Hierbij zal de aandacht met name worden gericht op het begrotingsbeleid, het monetaire beleid (incl. inflatiebestrijding) en de wisselkoerspolitiek.


2. Daarnaast dient aandacht te worden besteed aan het structurele hervormingsbeleid, gericht op de economische structuur en het institutionele en juridische kader ter stimulering van de productieve sector en versterking van de financiële sector.

ad. C

De centrale doelstelling van het Nederlandse beleid ten aanzien van goed bestuur is het bevorderen van de transparante en verantwoordelijkeaanwending van gezag en middelen door de overheid in dialoog met de bevolking. Goed bestuur is een noodzakelijke voorwaarde voor een effectief beleid. Goed bestuur blijkt ook een significante invloed te hebben op de vooruitzichten voor economische groei en armoedebestrijding van landen.

Voor het hanteren van goed bestuur als criterium van beleid is een inschatting van de kwaliteit van het bestuur nodig. Hierbij kan onderscheid worden gemaakt tussen vier onderling samenhangende aspecten van goed bestuur die centraal staan in het Nederlandse beleid.


- transparantie van het bestuur en het afleggen van rekenschap door de overheid aan de bevolking;


- effectiviteit van bestuur;


- participatie van de bevolking in het bestuur;


- rechtmatigheid, rechtvaardigheid en rechtszekerheid van het bestuur.

De eerste twee aspecten hebben met name betrekking op de beheers- en uitvoeringscapaciteit, welke bepaalt of de middelen die in de vorm van macro-georiënteerde programmahulp worden beschikbaar gesteld, effectief kunnen worden ingezet. De laatste twee aspecten hebben betrekking op goed bestuur in ruimere zin, waarbij de participatie van het maatschappelijk middenveld en de rechtszekerheid van belang zijn.

ad. D

Bij sociale ontwikkeling en beleid wordt aandacht besteed aan de armoede en gender situatie in een land, het beleid dat op deze terreinen wordt gevoerd en de middelen die hiervoor op de begroting worden gealloceerd.

De recente ontwikkelingen met betrekking tot de formulering en uitvoering van armoedebestrijdingsstrategieën in het kader van het 'HIPC debt initiative' zullen de aandacht voor armoedebestrijding en sociaal beleid aanzienlijk vergroten.

Bovengenoemde acht aspecten ter beoordeling van de kwaliteit van het gevoerde beleid en bestuur worden, waar mogelijk, geconcretiseerd in meetbare indicatoren. Aan de hand van realistische maatstaven dient te worden bepaald of landen voor macro-georiënteerde programmahulp in aanmerking komen. Bij de beoordeling van landen gaat het zowel om de stand van zaken nu (absolute niveau) als om wijzigingen in de richting waarin het beleid en de uitvoering bewegen (dynamiek/trend).

Deze meetpunten zullen ook een rol spelen bij de jaarlijkse toets in geval van meerjarige committeringen. Hierbij kunnen landenspecifieke "benchmarks" worden geformuleerd, waaraan conditionaliteit kan worden verbonden.


3. Prioriteitsstelling en Kanaalkeuze (fase II)

De behoefte aan ondersteuning door middel van macro-georiënteerde programmahulp van de verschillende landen is met name bepalend voor de prioriteitsstelling van de landen die op basis van de kwaliteit van het gevoerde beleid (fase I) voor deze financiële ondersteuning in aanmerking komen.

De prioriteitsstelling van landen wordt vastgesteld op basis van de volgende karakteristieken:


1. 'IDA-eligibility', welke uitdrukking geeft aan de relatieve armoede en de toegang tot de internationale kapitaalmarkt


2. schuldensituatie/financieringskloof


3. netto ODA-stromen


4. continuïteit in het Nederlandse beleid

ad. 1. De International Development Association (IDA) stelt aan de hand van de mate van relatieve armoede van een land en de toegang tot de internationale kapitaalmarkt vast of een land aan de eisen voldoet voor zachte leningen van de Wereldbank. Deze karakteristieken worden ook gehanteerd bij de prioriteitsstelling van landen voor macro-georinteerde programmahulp.

De internationale tendens van teruglopende budgetten voor ontwikkelingssamenwerking en de doelstelling van armoedebestrijding noopt tot een concentratie van de hulp op de armere landen. Binnen deze groep 'IDA-eligible' landen wordt bijzondere aandacht gericht op steun aan de minst ontwikkelde landen (MOL's).

ad. 2. De totale behoefte aan macro-georiënteerde programmahulp wordt, mede aan de hand van een 'fiscal framework', bepaald door de financieringskloof en de mate van verschuldiging. Hierbij wordt rekening gehouden met het geheel aan hulp dat het betreffende land ontvangtvan de rest van de internationale gemeenschap. Donorcoòrdinatie is in dit kader dan ook van groot belang om te voorkomen dat de concentratie van hulpgelden de absorptiecapaciteit van een land te boven gaat.

Bij schuldverlichting speelt bovendien de omvang en de structuur van de uitstaande schuld een bepalende rol bij de keuze tussen landen die in aanmerking komen voor ondersteuning van Nederland. Deze zwaarte van de schuldenlast wordt geanalyseerd aan de hand van een aantal schuldindicatoren.

ad. 3. De netto ODA-relatie omvat de hulp die Nederland aan het betreffende land geeft, gecorrigeerd voor financiële middelen die uit deze landen naar Nederland terugvloeien. Laatstgenoemde uitstroom heeft betrekking op betaling van rente en aflossing op uitstaande leningen die in het verleden door Nederland zijn verstrekt in het kader van de ontwikkelingssamenwerking. In de praktijk blijken slechts enkele landen een negatieve netto ODA-relatie met Nederland te hebben. Dit criterium zal daarom m.n. van belang zijn voor de landen waar een dergelijke situatie zich in het kader van een exit-strategie voordoet.

ad. 4. Nederland heeft in de jaren negentig aan een aantal landen meerdere jaren achtereen een substantieel bedrag aan macro-georiënteerde programmahulp gegeven. In de landenscreening zijn landen geselecteerd waarmee Nederland een structurele bilaterale ontwikkelingsrelatie verder wil uitbouwen. In de komende jaren zal de structurele macro-georinteerde programmahulp dan ook worden geconcentreerd op deze landen en worden met deze landen meerjarige afspraken gemaakt. Op deze wijze wordt een grotere continuteit bereikt bij de verlening van macro-georiënteerde programmahulp.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie