Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Brief LTO-Nederland over mestbeleid

Datum nieuwsfeit: 08-12-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Productschap Zuivel

Land- en Tuinbouworganisatie Nederland Postbus 29773,2502 LT Den Haag Vaste Kamercommissie voor Landbouw, Bezoekadres : Prinsevinkenpark 19, Den Haag Natuurbeheer en Visserij Bankrekening :35.76.06.760 Vaste Kamercommissie voor Milieu Telefoon : 070-3382700 Fax :070 3382811

Datum : 8 december 1999

Ons kenmerk :LCWI.99.0105 Uw kenmerk :KAB 996158; Voortgang mestbeleid Onderwerp :Opschorting overleg mestbeleid Informatie :Tineke Cevaal

Geachte heer/mevrouw,

De agrarische sector is zich er van bewust dat zij op een maatschappelijk verantwoorde wijze zal moeten produceren. Meer dan in het verleden zal de land- en tuinbouw de eisen en wensen van de consument als uitgangspunt moeten nemen. Daarmee staan alle sectoren van de land- en tuinbouw voor een omslag in de wijze van ondernemen. LTO-Nederland wil in dit proces een voortrekkersrol vervullen. Veel ondernemers hebben op bedrijfsniveau in samenhang met de maatschappelijke omgeving al invulling gegeven aan de `license to produce'; veel sectoren geven samen met de ketenorganisaties invulling aan de `consumer concerns'.

In de dierlijke sectoren heeft het voorgaande mestbeleid tot ingrijpende voorstellen geleid en is de sector tot het uiterste gegaan. Helaas heeft dat niet geleid tot overeenstemming met het kabinet. De recente beleidsvoornemens van de ministers van LNV en van VROM staan haaks op het eerder met de Tweede Kamer en de sector overeengekomen beleid, zoals verwoord in de behandeling in de Tweede Kamer van nog geen half jaar geleden. Door deze voorstellen is de sector genoodzaakt geweest het overleg met het kabinet over het mestbeleid op te schorten in de vaste overtuiging dat deze beleidsvoornemens onuitvoerbaar zijn en zullen leiden tot een chaos.

LTO-Nederland heeft de afgelopen jaren voor de aanpak van het mestoverschot een consistente lijn uitgezet. Onze organisatie heeft verantwoordelijkheid gedragen voor een vergaand mestbeleid. Steeds is dit beleid vormgegeven in overeenstemming met wat de overheid én maatschappelijke organisaties nastreven. Het overheidsbeleid kenmerkt zich echter in de afgelopen vijf jaar door telkens weer nieuwe wetten en maatregelen, waarbij aan recente afspraken wordt voorbijgegaan.

Het huidige mestplan van de ministers Brinkhorst en Pronk gaat veel te ver waar het gaat om fasering en normen. Het verschil tussen de voorstellen en wat voor het grootste deel van de bedrijven haalbaar is, is te groot en de voorstellen zullen hierdoor leiden tot een complete chaos. Op wezenlijke onderdelen zal het plan aangepast moeten worden. Alleen dan zal de belangrijkste pijler, draagvlak in de sector, niet omvallen.

Omdat uit overleg tussen LTO-Nederland en minister Brinkhorst (LNV) blijkt dat de bewindsman niet tot substantiële aanpassingen bereid is, blijft een onoverbrugbare kloof bestaan tussen het mestplan en de uitvoerbaarheid ervan in de praktijk. LTO-Nederland heeft daarom het overleg met minister Brinkhorst over het mestbeleid opgeschort. Desalniettemin heeft de minister de mestplannen vervolgens naar de Europese Commissie gestuurd. LTO-Nederland heeft vervolgens het overleg op alle niveaus over het mestbeleid opgeschort totdat de Tweede Kamer het mestplan opnieuw heeft behandeld. Daarna zal LTO-Nederland zich opnieuw over de nieuw ontstane situatie beraden. De opschorting omvat ook de werkzaamheden in de tijdelijke Begeleidingscommissie herstructurering veehouderij. LTO-Nederland stelt de overheid aansprakelijk voor alle schade (financieel, sociaal, verlies aan imago) die zal ontstaan als gevolg van het mestbeleid.

LTO-Nederland wil in de eerste plaats aangeven welke argumenten en feiten hebben geleid tot het opschorten van al het overleg over de verschillende mestdossiers. Allereerst wordt ingegaan op vijf jaar zwalkend mestbeleid van de overheid. Daarna worden de gevolgen en onmogelijkheden beschreven van het huidige mestplan en hoe het overleg tussen LTO-Nederland en minister Brinkhorst is verlopen. Tot slot wordt aangegeven wat naar het oordeel van LTO-Nederland veranderd moet worden wil het mestplan een werkelijke kans van slagen hebben.

a. Vijf jaar zwalkend beleid Wat betreft het mestprobleem is LTO-Nederland geruime tijd zeer duidelijk: het moet opgelost worden. Diverse mestplannen zijn door het landbouwbedrijfsleven gemaakt, maar niet overgenomen door de overheid. De aanpak van de overheid kenmerkt zich door `zwalkend' beleid. Dit blijkt uit hetgeen de afgelopen vijf jaar aan overheidsbeleid is ontwikkeld. 1. Integrale notitie mest- en ammoniakbeleid Op 6 oktober 1995 verzond de toenmalige minister van LNV, Van Aartsen, de Integrale Notitie mest- en ammoniakbeleid aan de Tweede Kamer. De notitie is behandeld in de Tweede Kamer op 11 december 1995. In de uitgangspunten van dit vastgestelde beleid staat letterlijk geformuleerd (pagina 11):

`De ervaring leert dat beleid alleen dan effectief is, wanneer het realistisch is en dus in de praktijk uitvoerbaar is. Het nastreven van doelen, waarbij niet voor ogen staat hoe daaraan binnen afzienbare tijd kan worden voldaan, ontmoedigt het doen van stappen voorwaarts. Het moeten voldoen aan normen die praktisch niet haalbaar zijn, demotiveert en nodigt uit tot ontduiking. Er moet dan ook een helder beleid uitgezet worden dat voor de landbouw haalbaar is en waarvan de naleving handhaafbaar is. Dat is rechtvaardig voor de boeren en het meest effectief voor het milieu'.

Met dit uitgangspunt werd besloten het Minas-systeem - een initiatief van het landbouwbedrijfsleven - te introduceren en verliesnormen in een realistisch traject vast te stellen. In de Tweede Kamer werd de motie Huijs aangenomen, waarin is vastgelegd dat mede aan de hand van het Project Praktijkcijfers het mestbeleid in 2000 zou worden geëvalueerd. In de Integrale Notitie is voorts het mestoverschot becijferd: in 2002 en 2005 respectievelijk 18 en 17 miljoen kilogram fosfaat.

LTO-Nederland heeft steeds gepleit voor het Minas-systeem vanwege de positieve stimulans van de eigen verantwoordelijkheid van de ondernemers. Het voorstel van de Tweede Kamer om te starten met het project Praktijkcijfers is door LTO-Nederland nadrukkelijk ondersteund en, in samenwerking met LNV en VROM, omgezet in een project waaraan 240 boeren en tuinders meedoen.

2. Wet Herstructurering Varkenshouderij Mede naar aanleiding van de uitbraak van varkenspest en het berekende mestoverschot stelde minister Van Aartsen (LNV) juli 1997 voor de varkenshouderij te herstructureren. Het doel was de varkensstapel met 25 procent in te krimpen, waardoor 14 miljoen kg fosfaat uit de (mest)markt gehaald kon worden. Het parlement stelde de Wet Herstructurering Varkenshouderij vast bij de behandeling ervan op 18 december 1997. Ook in deze periode onderschreef LTO-Nederland de noodzaak tot een kleinere, duurzame varkenshouderij en een verkleining van het mestoverschot.

LTO-Nederland heeft echter bij herhaling gewezen op de onrechtmatigheid van de wet vanwege het ontbreken van een adequate schadeloosstelling. Ondanks een negatief advies van de Raad van State en zware kritiek van juridische deskundigen werd de wet door Tweede en Eerste Kamer aangenomen. De rechter heeft de wet vervolgens onrechtmatig verklaard. Een belangrijk deel van de chaos die ten gevolge van deze situatie is ontstaan is op dit moment nog steeds niet opgelost.

3. Aanvullend stikstofbeleid Doordat de Europese Commissie Nederland in gebreke stelde (bij brief van 29 september 1998) besloten minister Pronk (VROM) en de toenmalige minister van LNV, Apotheker, het aanvullend stikstofbeleid te formuleren. Dit aanvullende beleid is in constructief overleg met LTO-Nederland vormgegeven, waarbij LTO-Nederland zelf aankoerste op grondgebondenheid door middel van een veebezettingsgrens. Ook heeft LTO-Nederland zich geconformeerd aan steeds strengere verliesnormen voor 2005. Op deze wijze werden reeds vóór de evaluatie in 2000 (waaronder het Project Praktijkcijfers) in december '98 verdergaande afspraken gemaakt. In deze afspraken is een zwaar, maar realistisch traject voorgesteld voor verliesnormen en een grens aan de veebezetting. Het traject werd nodig geacht om draagvlak te behouden, boeren de gelegenheid te geven in te kunnen spelen op vergaande veranderingen en verliesnormen beter te kunnen onderbouwen. Wel is reeds toen door LTO-Nederland aangegeven dat aangescherpte normen van 2008, met name voor de droge zandgronden, niet haalbaar zijn. De praktijk bleef deze beleidsvoornemens steunen, omdat evaluaties in 2000, 2002 en 2004 bepalend zouden zijn voor mogelijke tussentijdse aanpassingen van het mestbeleid. Ook zou in deze periode een betere wetenschappelijke onderbouwing worden gemaakt, zodat een goede afweging van de genoemde verliesnormen nog kon plaatsvinden.

Op 16 juni 1999 is het aanvullend stikstofbeleid besproken in de Tweede Kamer. Hierbij informeerde minister Pronk de Tweede Kamer over de gesprekken met LTO-Nederland. Ook maakte hij melding van het gevoerde gesprek met Eurocommissaris Bjerregaard, waarin zij had aangegeven het Nederlandse mestbeleid onvoldoende te vinden. Minister Pronk gaf desondanks aan het door het kabinet ingezette beleid met `hand en tand' te zullen verdedigen.

In aanvulling op de in het najaar van 1998 gemaakte afspraken met de overheid en de behandeling in de Tweede Kamer van 16 juni 1999 heeft LTO-Nederland met het mestplan `Evenwicht op de mestmarkt door beloonde verantwoordelijk' een nadere invulling aangereikt om het mestoverschot op te lossen. Hiermee werd een fundamentele omslag gemaakt: het LTO-mestplan stelt namelijk een (in)directe grondgebondenheid voor, waarbij de individuele veehouder verantwoordelijk is voor zijn eigen mestafzet. In het plan is voorgesteld 14 miljoen kg fosfaat bij de varkenshouderij en 11,2 miljoen kg fosfaat bij de pluimveehouderij uit de Nederlandse mestmarkt te nemen door opkopen, afromen, het voerspoor en mestverwerking. Een termijn tot 2005 werd nodig geacht om druk op de voortgang maximaal te houden en tegelijkertijd verschillende initiatieven de kans te geven zich te ontwikkelen. Hierbij werd ervan uitgegaan dat in 2005 evenwicht op de mestmarkt gerealiseerd zou worden bij het in juni 1999 vastgestelde normentraject.

Begin juli 1999 zond LTO-Nederland het plan toe naar de Tweede Kamer, waar het positief is ontvangen. Minister Brinkhorst verklaarde toen het plan wat betreft tijdspad onvoldoende te vinden.

4. Integrale aanpak mestbeleid In de brief van de ministers Pronk en Brinkhorst van 10 september 1999 aan de Tweede Kamer wordt een veel verdergaand mestbeleid voorgesteld. De motivatie voor een verdere aanscherping van het mestbeleid bestaat uit een verwijzing naar het met Redenen Omkleed Advies van de Europese Commissie. Opvallend hierbij is dat reeds bij de behandeling van het aanvullend stikstofbeleid op 16 juni 1999 de hoofdlijnen van dit advies van de Commissie bekend waren en deze nu als nieuw argument worden gebruikt. Kern van het voorstel is dat de normstelling voor 2008 plotseling verschoven is naar 2003 (en van 2005 naar 2002) zonder evaluatie of praktische toets. In het voorstel is niet afgewogen dat boeren over twee of drie jaar voor een volstrekt onmogelijke opgave worden geplaatst. Verder is opmerkelijk dat nauwelijks of geen rekening wordt gehouden met wat in de praktijk kan. LTO-Nederland vindt dat de overheid op een aantal onderdelen doorschiet wat betreft de noodzaak tot voorgenomen beleid en (on)mogelijkheden van beleidsuitvoering.

In de brief van LTO-Nederland van 30 september 1999 aan u hebben wij een aantal van deze zaken reeds aangegeven. Op hoofdlijnen geven wij nogmaals aan waarom LTO-Nederland niet kan instemmen met het voorstel.

b. Beoordeling integrale aanpak mestbeleid Het voorgestelde mestbeleid zal leiden tot een chaos. Ten eerste leidt de combinatie van gestapelde regelgeving, introductie van nieuwe wetgeving, vergaande economische consequenties tot een onuitvoerbaar traject. Momenteel zijn wat betreft uitvoeringsproblemen al de nodige voorbeelden te geven, zoals problemen bij de Wet Herstructurering varkenshouderij en problemen bij een tijdige behandeling van de Wijziging van de Meststoffenwet.

Ten tweede zullen de economische gevolgen van het mestbeleid nog groter zijn dan vooraf door de overheid is ingeschat. De financiële gevolgen, zoals in de brief van de overheid zijn beschreven, zijn gebaseerd op een mestafzetprijs van veertig gulden per ton mest. Bij een geringe verhoging van deze afzetprijs zullen de economische gevolgen bij een aantal bedrijfstypen bijna verdubbelen. Hierdoor zullen vele bedrijven moeten stoppen (faillissementen). Ook bij de ex-ante evaluatie om de uiteindelijke uitvoerbaarheid te toetsen wordt deze foute inschatting als uitgangspunt gehanteerd. Overigens meldt de ex-ante evaluatie dat draagvlak in de agrarische sector sterk bepalend is voor de uitvoerbaarheid van het mestplan.

Ten derde zijn de voorgestelde verliesnormen voor een groot aantal bedrijven simpelweg niet haalbaar. Deze verliesnormen gaan bovendien verder dan milieukundig nodig is. In de Integrale Notitie, maar ook bij het aanvullend stikstofbeleid van eind '98, is een realistisch traject ingezet. Enerzijds vanwege de nog uit te voeren wetenschappelijke onderbouwing en anderzijds vanwege de haalbaarheid in de praktijk. De nu voorgestelde verliesnormen in 2002 en 2003 zijn onuitvoerbaar, zeker gezien de ervaringen in Praktijkcijfers. In dit project laten gemotiveerde deelnemers zien dat na drie jaar mineralenmanagement met veel inzet en goede begeleiding tachtig procent de eindnormen niet haalt (de normen van droge zandgronden niet meegerekend). Deze normen waren vastgesteld voor 2008 en zijn in het huidige beleidsvoornemen vervroegd naar 2003. Bovendien zorgt de aanscherping in combinatie met de fasering tot minder acceptatie van dierlijke mest en hoge heffingen voor een groot aantal bedrijven. Ook leidt de aanscherping tot een geweldige extra belasting van de mestmarkt. De overheid heeft, uitgaande van een relatief positief scenario, berekend dat het mestoverschot in 2003 bestaat uit 27 miljoen kilogram fosfaat.

Een gedegen wetenschappelijke onderbouwing is van alle grondsoorten niet voorhanden, met uitzondering van de droge zandgronden. Bij deze laatste categorie is de onderbouwing slechts gebaseerd op metingen in het bovenste grondwater.

Kortom, het voorgestelde mestplan is niet uitvoerbaar, de economische gevolgen zullen veel groter zijn dan verondersteld en een goede afweging van normen heeft niet plaatsgevonden. Er is geen draagvlak voor het voorgestelde pakket maatregelen in de agrarische sector.

c. Het overleg tussen LTO-Nederland en de minister van LNV Op 29 september 1999 heeft minister Brinkhorst zijn brief `Integrale aanpak mestbeleid' aan LTO-Nederland toegelicht. Tijdens een algemeen overleg op 7 oktober is deze brief behandeld in de Tweede Kamer. Tijdens de kamerbehandeling op 7 oktober 1999 werd nadrukkelijk gesteld dat overleg tussen de minister en LTO-Nederland noodzakelijk is. Vanaf 29 september tot 25 november is tussen LTO-Nederland en de minister echter geen bestuurlijk overleg geweest. Pas op 1 november is voor het eerst ambtelijk overleg geweest tussen LTO en de overheid over de inhoud van de mestbrief. Het eerste en laatste bestuurlijk overleg over het mestbeleid heeft plaatsgevonden op 25 november. Tijdens deze vooraf geagendeerde afspraak over het mestbeleid werd dit overleg door minister Brinkhorst ineens bestempeld als informeel.

d. Conclusies en afweging LTO-Nederland concludeert dat de overheid de laatste 5 jaar een zwalkend beleid gevoerd heeft. Met name de recente beleidsvoornemens betekenen een breuk in het mestbeleid. LTO-Nederland heeft voortdurend gezocht naar overeenstemming en heeft met eigen voorstellen en beleidsvisies medeverantwoordelijk willen zijn. Het doel, namelijk een verantwoorde en door de samenleving en consument gewaardeerde sector en productiewijze met een schoon milieu staan ook voor LTO-Nederland voorop. LTO-Nederland is van oordeel dat bij de beleidsvoornemens van de ministers van LNV en VROM, die per brief van 10 september 1999 naar de Tweede Kamer zijn gestuurd, onvoldoende rekening is gehouden met de praktische haalbaarheid en deze onvoldoende wetenschappelijk zijn onderbouwd. Bij de eerdere beleidsvoornemens was dat wel het geval. Deze voornemens zullen in het jaar 2002 leiden tot een bestuurlijke chaos en een niet handhaafbare situatie. Op bedrijfsniveau zullen de plannen leiden tot een kaalslag in de hele sector, inclusief de keten, en grote sociale problemen. Door de voorgestelde aanscherping van de verliesnormen wordt de mestafzet in de akkerbouw praktisch onmogelijk gemaakt en zullen de Minas-heffingen hoog oplopen. De uitgetrokken financiële middelen voor het flankerend beleid zullen vergaand ontoereikend zijn om in een dergelijk kort en ingrijpend traject voldoende oplossing te bieden. In de beleidsvoornemens is geen rekening gehouden met de praktische haalbaarheid en uitvoerbaarheid. De relatie met het werkelijke nitraatgehalte in de bodem wordt niet gelegd en de ruimte en onduidelijkheid die de nitraatwetgeving laat wordt door de Nederlandse overheid onvoldoende benut.

Wanneer de huidige beleidsvoornemens van het kabinet ongewijzigd vertaald worden in wet- en regelgeving, ziet LTO-Nederland zich gedwongen aan de uitvoering van het mestbeleid geen medewerking te verlenen. LTO-Nederland stelt nu, voor alsdan, de overheid aansprakelijk voor alle gevolgen die dit beleid heeft voor de sector: de bestuurlijke chaos, financiële schade, sociale problematiek en schade aan het imago van de sector.

Uit het informele overleg met de minister van LNV heeft LTO-Nederland moeten concluderen dat de standpunten zodanig ver uiteen liggen, dat verder overleg niet zinvol is. LTO-Nederland doet een klemmend beroep op de Tweede Kamer om substantiële aanpassingen in de voorstellen aan te brengen. Daarmee zou de Tweede Kamer consistentie in haar eigen beleid kunnen brengen. LTO-Nederland roept de Tweede Kamer op, om bij het kabinet te bevorderen dat nader onderhandeld moet worden, samen met de overgrote meerderheid van de lidstaten uit de Europese Unie, over de praktische toepasbaarheid van de Europese nitraatrichtlijn. LTO-Nederland is van oordeel, dat aan de hand van wetenschappelijke gegevens meer ruimte mogelijk is in de voorgestelde beleidsvoornemens ten aanzien van de normstelling.

Voor alles is LTO-Nederland zeer bezorgd over de positie van de gezinnen op de bedrijven. De afgelopen drie jaar hebben deze gezinnen te kampen gehad met stapels regelgeving, economische problemen en ingrijpende calamiteiten. Zij hebben recht op consistent en rechtvaardig overheidsbeleid.

Hoogachtend,

G.J. Doornbos Voorzitter LTO-Nederland

site-info bijgewerkt op: 10 december 1999 11:01

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie