Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Verslagen van de commissie voor de Verzoekschriften

Datum nieuwsfeit: 09-12-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

26851000.20-27 verslagen van de commissie voor de verzoekschriften
Gemaakt: 14-12-1999 tijd: 16:32

T W E E D E K A M E R D E R S T A T E N - G E N E R A A L 2

Vergaderjaar 1999-2000

26 851 Verslagen van de commissie voor de Verzoekschriften

Nr. 20

VERSLAG OVER HET ADRES Deze adressen en de stukken welke de commissie bij haar onderzoek ten dienste hebben gestaan, liggen op de griffie van de commissie voor de Verzoekschriften, Lange Poten 4, ter inzage van de leden. VAN P.C.W.

DIETERICH TE ROERMOND BETREFFENDE EEN BETALINGSREGELING VOOR EEN AANSLAG INKOMSTENBELASTING/PREMIE VOLKSVERZEKERINGEN

Vastgesteld 9 december 1999

De commissie De commissie bestaat uit de leden: Van den Berg (SGP), Apostolou (PvdA) (voorzitter), Oedayraj Singh Varma (GroenLinks), Giskes (D66), Passtoors (VVD), De Haan (CDA), Van Wijmen (CDA) , Duijkers (PvdA), Remak (VVD) en de plaatsvervangende leden De Wit (SP), Van der Hoek (PvdA), Harrewijn (GroenLinks), Ter Veer (D66), Niederer (VVD), Stroeken (CDA), Mosterd (CDA), Van Heemst (PvdA) en Van den Doel (VVD)., gelet op de door de staatssecretaris van Financiën verstrekte inlichtingen,

overwegende,

dat adressant zich erover beklaagt dat de Belastingdienst hem geen betalingsregeling toestaat voor de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1996,

dat met de door adressant voorgestelde betalingsregeling meer dan 12 maanden zouden verstrijken alvorens de schuld zou zijn afgelost, hetgeen beleidsmatig niet aanvaardbaar is,

dat ook een betalingsregeling waarmee de genoemde aanslag wel binnen een termijn van 12 maanden zou kunnen worden afgelost voor de staatssecretaris onaanvaardbaar is, omdat adressant tot op heden geen enkele betaling heeft verricht,

dat de staatssecretaris aanvoert dat adressant ook een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting niet op tijd heeft betaald,

dat adressant wel een bedrag boven het drempelbedrag van fl. 300,- per maand aflost aan derden, terwijl de fiscus wettelijk voorrang heeft boven andere schuldeisers,

dat de staatssecretaris meedeelt dat hij geen aanleiding ziet in te stemmen met een betalingsregeling en dat adressant derhalve andere wegen dient te zoeken om tot voldoening van zijn fiscale schuld te komen;

van oordeel,

dat niet is gebleken dat ten aanzien van adressant een verkeerd fiscaal beleid is gevoerd,

stelt de Kamer voor ten aanzien van dit adres over te gaan tot de orde van de dag.

De voorzitter van de commissie,

Apostolou

De griffier van de commissie,

Hubert

T W E E D E K A M E R D E R S T A T E N - G E N E R A A L 2

Vergaderjaar 1999-2000

26 851 Verslagen van de commissie voor de Verzoekschriften

Nr. 21

VERSLAG OVER HET ADRES Deze adressen en de stukken welke de commissie bij haar onderzoek ten dienste hebben gestaan, liggen op de griffie van de commissie voor de Verzoekschriften, Lange Poten 4, ter inzage van de leden. VAN J.A.C. BEETS TE EPPENHUIZEN BETREFFENDE DE HANDELWIJZE VAN HET MINISTERIE VAN LANDBOUW, NATUURBEHEER EN VISSERIJ

Vastgesteld 9 december 1999

De commissie De commissie bestaat uit de leden: Van den Berg (SGP), Apostolou (PvdA) (voorzitter), Oedayraj Singh Varma (GroenLinks), Giskes (D66), Passtoors (VVD), De Haan (CDA), Van Wijmen (CDA) , Duijkers (PvdA), Remak (VVD) en de plaatsvervangende leden De Wit (SP), Van der Hoek (PvdA), Harrewijn (GroenLinks), Ter Veer (D66), Niederer (VVD), Stroeken (CDA), Mosterd (CDA), Van Heemst (PvdA) en Van den Doel (VVD)., gelet op de door de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij verstrekte inlichtingen,

overwegende,

dat adressant zich erover beklaagt dat het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij hem onjuist heeft ingelicht, EG-verordeningen niet naar behoren uitvoert, een kamerlid foutief heeft ingelicht en valsheid in geschrifte heeft gepleegd, waardoor adressant schade heeft geleden in de vorm van het toekennen van een kleiner melkquotum dan mogelijk was,

dat adressant in 1978 een gemengd landbouwbedrijf heeft gekocht waarop door de vorige pachters aangegane verplichtingen conform de slacht- en omschakelingsregeling (SLOM) rustte,

dat adressant op instigatie van de Districtbureauhouder in Groningen (DBH) ten onrechte deze SLOM-verplichting overnam en daartoe een door de DBH opgestelde verklaring ondertekende die achteraf geen rechtsgeldigheid bleek te hebben,

dat adressant in 1979 op grond van de overeenkomst met de DBH een akkerbedrijf heeft opgezet en de DBH toen ontdekte dat hij onjuist had gehandeld,

dat adressant door de DBH niet op de hoogte is gesteld dat hij verplicht was de SLOM-verplichting over te nemen,

dat in het referentiejaar 1983 de Beschikking superheffing van kracht werd en het melkquotum werd vastgesteld aan de hand van de op dat moment door de producent geleverde melk- en zuivelproducten,

dat adressants stallen nog niet volledig waren bezet als gevolg van de vermeende SLOM-verplichting,

dat adressant heeft verzocht om een groter melkquotum doch dat hem bij aanvraag bleek dat de SLOM-verplichting die de vorige pachters waren aangegaan voor hem niet gold waardoor hij financieel ernstig benadeeld is,

dat de minister toegeeft dat de DBH in 1980 zorgvuldiger had kunnen handelen naar aanleiding van adressants verzoek om informatie,

dat de minister aangeeft dat zijn ambtsvoorganger daarom onverplicht het quotum van adressant heeft verhoogd tot het niveau van 1983 met ingang van de heffingsperiode 1993/1994 en de superheffing heeft gerestitueerd, die adressant over de teveel geleverde melk tot het niveau van 1983 had betaald,

dat adressant aangeeft dat de minister het melkquotum in 1993 heeft verhoogd, doch onvoldoende om de geleden schade te vergoeden,

dat adressant in een civielrechtelijk procedure schadeloosstelling van de Staat heeft gevorderd, doch zijn vordering is niet-ontvankelijk verklaard omdat deze op basis van de wet van 31 oktober 1924 (Verjaringswet) zou zijn verjaard, hoewel adressant stelt pas in 1991 bekend te zijn geworden met de onrechtmatige daad van de Staat en zijn vordering in 1996, binnen de termijn van 5 jaren, in eerste aanleg door de civiele rechter is behandeld,

dat tegen deze uitspraak beroep in cassatie heeft opengestaan,

dat adressant aanvoert dat aangezien de rechtbank en het Hof niet aan een inhoudelijke toetsing zijn toegekomen, ook de stap naar de Hoge Raad niet succesvol zal zijn en een verspilling van kosten,

dat daarmee de beslissing van het Hof rechtens vaststaat,

dat de minister aangeeft dat adressant zijn volledige dossier heeft kunnen inzien en er geen sprake is geweest van het vermeende achterhouden van informatie voor adressant, dan wel valsheid in geschrifte, noch van het onvoldoende voorlichten van adressant behoudens de bovengenoemde onzorgvuldigheid van de DBH,

dat de minister stelt dat het bedoelde kamerlid door zijn ambtsvoorganger in december 1993 omtrent adressants zaak mondeling is geïnformeerd en nadien is voorzien van schriftelijke informatie op ambtelijk niveau,

dat adressant mededeelt dat de minister zich verschuilt achter een verjaringstermijn om de claims van adressant af te wijzen, waarmee zijns inziens het recht op ontoelaatbare wijze wordt geschonden,

dat adressant aanvoert dat hij, als gevolg van de slechte financiële situatie gedurende de looptijd van de SLOM-overeenkomst, genoodzaakt was een aanvraag op grond van de GBK te doen (de zogenoemde "zwemvestregeling"), die is gehonoreerd maar nooit is uitgevoerd door het ministerie om voor adressant onduidelijke redenen,

dat de minister met verwijzing naar een uitspraak van de rechter aangeeft dat zijn aanvraag wel correct is afgehandeld,

dat adressant aanvoert dat op basis van het ontwikkelingsplan (de zwemvestregeling) uit 1982 zijn melkquotum onjuist is berekend door de ambtsvoorganger van de minister die hem in 1993 een quotum had toegewezen en dat hem ook geen rentevergoeding over de ten onrechte betaalde superheffingsgelden is betaald,

dat de minister aangeeft dat er geen sprake is van een onjuiste berekening omdat in het ontwikkelingsplan van een zelfde te verwachten maximale productie per koe is uitgegaan, terwijl adressant zijn melkquotum baseert op productiecijfers van een reeds bestaand bedrijf, hetgeen niet te vergelijken is met een startend melkveebedrijf waar slechts jong melkvee aanwezig is,

dat de minister concludeert dat er geen sprake is van onjuist handelen zijdens zijn ministerie en evenmin van een ten onrechte toekennen van een te klein melkquotum aan adressant,

van oordeel,

dat adressant reeds is tegemoetgekomen met de wettelijk onverplichte verhoging van het melkquotum tot het niveau van 1983 met ingang van heffingsjaar 1993/1994 en restitutie van teveel betaalde superheffingsgelden,

dat de minister dan ook gevolgd kan worden in zijn conclusie,

dat niet is gebleken dat ten aanzien van adressant van overheidswege onbehoorlijk is gehandeld,

stelt de Kamer voor ten aanzien van dit adres over te gaan tot de orde van de dag.

De voorzitter van de commissie,

Apostolou

De griffier van de commissie,

Hubert

T W E E D E K A M E R D E R S T A T E N - G E N E R A A L 2

Vergaderjaar 1999-2000

26851 Verslagen van de commissie voor de Verzoekschriften

Nr. 22

VERSLAG OVER HET ADRES Deze adressen en de stukken welke de commissie bij haar onderzoek ten dienste hebben gestaan, liggen op de griffie van de commissie voor de Verzoekschriften, Lange Poten 4, ter inzage van de leden. J.L. BRONSGEEST TE KOUDEKERK A/D RIJN BETREFFENDE AFTREK TER ZAKE VAN BUITENGEWONE LASTEN DOOR TOEPASSING VAN DE HARDHEIDSCLAUSULE

Vastgesteld 9 december 1999

De commissie De commissie bestaat uit de leden: Van den Berg (SGP), Apostolou (PvdA) (voorzitter), Oedayraj Singh Varma (GroenLinks), Giskes (D66), Passtoors (VVD), De Haan (CDA), Van Wijmen (CDA) , Duijkers (PvdA), Remak (VVD) en de plaatsvervangende leden De Wit (SP), Van der Hoek (PvdA), Harrewijn (GroenLinks), Ter Veer (D66), Niederer (VVD), Stroeken (CDA), Mosterd (CDA), Van Heemst (PvdA) en Van den Doel (VVD)., gelet op de door de staatssecretaris van Financiën verstrekte inlichtingen,

overwegende,

dat adressant zich erover beklaagt dat hem geen beroep op de hardheidsclausule is toegekend waardoor adressant, in afwijking van de wettelijke regelingen, kosten voor levensonderhoud van naaste verwanten zou kunnen aftrekken,

dat adressant meer dan 10% van haar onzuiver inkomen bijdraagt in de studiekosten van zijn dochter, die als gevolg van een whiplash niet of bijna geen arbeid kan verrichten en geen aanspraak kan maken op een WAO-uitkering en die, teneinde uit haar situatie te komen, een HBO studie is begonnen waarvoor zij gezien haar leeftijd geen beroep op de Wet tegemoetkoming studiekosten kan doen,

dat de staatssecretaris aangeeft dat met ingang van 1 januari 1997 in artikel 46, lid 1a ten tweede van de Wet inkomstenbelasting bewust gekozen is de aftrek van uitgaven ter voorziening in het levensonderhoud van andere verwanten dan kinderen jonger dan 27 jaar te maximeren en niet meer te laten bedragen dan 10% van het onzuivere inkomen,

dat adressants dochter in 1996 is begonnen met haar studie en in dat jaar de aftrek voor buitengewone lasten voor kosten van levensonderhoud en studie van zijn dochter nog werd toegestaan,

dat de staatssecretaris van mening is dat geen sprake is van onbedoelde gevolgen door een onverkorte toepassing van de wettelijke bepalingen op grond waarvan de hardheidsclausule zou kunnen worden toegepast,

dat adressant zich niet kan voorstellen dat bij de vaststelling van de wet mede werd uitgegaan van mensen verkerende in vergelijkbare situaties als die waarin hij en zijn dochter verkeren en dat in dit geval gesproken kan worden van niet bedoelde gevolgen en dat alsnog een van de wettelijke bepalingen afwijkende regeling kan worden getroffen,

dat de staatssecretaris aangeeft dat de wetgever, refererend aan de bestaande regeling voor de giftenaftrek, uitdrukkelijk ook voor de desbetreffende buitengewonelastenaftrek een maximum heeft ingevoerd, en dat een persoonlijke perceptie van onbillijkheid hieraan niets af kan doen,

dat tegemoetkoming aan adressant een ongewenste precedentwerking zou betekenen,

van oordeel,

dat de staatssecretaris kan worden gevolgd in zijn oordeel,

dat niet is gebleken dat ten aanzien van adressant een verkeerd fiscaal beleid is gevoerd,

stelt de Kamer voor ten aanzien van dit adres over te gaan tot de orde van de dag.

De voorzitter van de commissie,

Apostolou

De griffier van de commissie,

Hubert

T W E E D E K A M E R D E R S T A T E N - G E N E R A A L 2

Vergaderjaar 1999-2000

26 851 Verslagen van de commissie voor de Verzoekschriften

Nr. 23

VERSLAG OVER HET ADRES Deze adressen en de stukken welke de commissie bij haar onderzoek ten dienste hebben gestaan, liggen op de griffie van de commissie voor de Verzoekschriften, Lange Poten 4, ter inzage van de leden. VAN B.P. STOR TE THAILAND BETREFFENDE HET VERLENEN VAN TERUGWERKENDE KRACHT AAN EEN UITSPRAAK VAN DE BELASTINGRECHTER EN EEN VERMINDERING VAN AANSLAGEN INKOMSTENBELASTING/PREMIE VOLKSVERZEKERINGEN

Vastgesteld 9 december 1999

De commissie De commissie bestaat uit de leden: Van den Berg (SGP), Apostolou (PvdA) (voorzitter), Oedayraj Singh Varma (GroenLinks), Giskes (D66), Passtoors (VVD), De Haan (CDA), Van Wijmen (CDA) , Duijkers (PvdA), Remak (VVD) en de plaatsvervangende leden De Wit (SP), Van der Hoek (PvdA), Harrewijn (GroenLinks), Ter Veer (D66), Niederer (VVD), Stroeken (CDA), Mosterd (CDA), Van Heemst (PvdA) en Van den Doel (VVD)., gelet op de door de staatssecretaris van Financiën verstrekte inlichtingen,

overwegende,

dat adressant zich erover beklaagt dat hem geen vermindering wordt verleend voor de aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 1994 en 1995 in verband met ten onrechte ingehouden loonbelasting/premie volksverzekeringen op ontvangen pensioengelden in Thailand,

dat adressant wel vermindering heeft ontvangen voor de aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 1996, 1997 en 1998, na wijziging van het beleid door een uitspraak van het Hof Den Bosch (nr. 93/1486) op 4 december 1997,

dat de aanslagen 1994 en 1995 per 4 december 1997 reeds onherroepelijk vaststonden, daar op dat moment de termijn waarbinnen bezwaar of beroep kon worden aangetekend was verstreken,

dat de staatssecretaris stelt dat het vaststaand beleid is dat niet wordt teruggekomen op, ten tijde van het verschijnen van nieuwe jurisprudentie, onherroepelijk vaststaande aanslagen,

dat adressant aanvoert dat de Belastingdienst gehouden is de ingehouden belasting te verminderen op grond van de uitspraak van het Hof Den Bosch en niet op basis van (bepaald) beleid,

dat adressant van mening is dat, nu achteraf blijkt dat de Staat der Nederlanden nooit een heffingsrecht heeft gehad, de genoemde aanslagen niet in stand kunnen blijven, hetgeen verschilt met een situatie waarin aan de wet een bepaalde uitleg wordt gegeven, maar de heffingsgrondslag (sec) in stand blijft,

dat de staatssecretaris meedeelt, dat hij de betreffende uitspraak van het Hof Den Bosch heeft aangegrepen om richtlijnen te geven over de uitleg van de onderhavige verdragsbepaling en de uitspraak daarmee als "richtsnoer genomen voor de belastingheffing" zoals bedoeld in onderdeel 2 van lid 9 van het besluit van 25 maart 1991 (DB89/735, laatstelijk gewijzigd op 3 juni 1996, AFZ96/1125M),

dat de staatssecretaris aangeeft dat daardoor onderdeel 1 van lid 9 van overeenkomstige toepassing is, hetgeen niet leidt tot het verlenen van een ambtshalve teruggaaf of vermindering, zodat in onderhavige kwestie geen aanleiding is tot het maken van een uitzondering,

dat de staatssecretaris voorts meedeelt dat indien er sprake is van dubbele heffing, adressant de Thaise bevoegde autoriteiten kan verzoeken tot het starten van een procedure voor onderling overleg;

van oordeel,

dat niet is gebleken dat ten aanzien van adressant een verkeerd fiscaal beleid is gevoerd,

dat niettemin de vraag is of het in alle gevallen juist is nieuwe jurisprudentie niet van toepassing te verklaren op onherroepelijk vaststaande aanslagen, ook niet als evident duidelijk is dat die aanslagen, getoetst aan die nieuwe jurisprudentie, alsnog onjuist zijn gebleken,

stelt de Kamer voor:

dit dossier in handen te stellen van de vaste Commissie voor Financiën om zich te buigen over de werking van nieuwe jurisprudentie in gevallen als het onderhavige,

voor het overige ten aanzien van dit adres over te gaan tot de orde van de dag.

De voorzitter van de commissie,

Apostolou

De griffier van de commissie,

Hubert

T W E E D E K A M E R D E R S T A T E N - G E N E R A A L 2

Vergaderjaar 1999-2000

26 851 Verslagen van de commissie voor de Verzoekschriften

Nr. 24

VERSLAG OVER HET ADRES Deze adressen en de stukken welke de commissie bij haar onderzoek ten dienste hebben gestaan, liggen op de griffie van de commissie voor de Verzoekschriften, Lange Poten 4, ter inzage van de leden. VAN S.H.P. GOOTJES TE LELYSTAD BETREFFENDE KWIJTSCHELDING VAN EEN AANSLAG INKOMSTENBELASTING/PREMIE VOLKSVERZEKERINGEN

Vastgesteld 9 december 1999

De commissie De commissie bestaat uit de leden: Van den Berg (SGP), Apostolou (PvdA) (voorzitter), Oedayraj Singh Varma (GroenLinks), Giskes (D66), Passtoors (VVD), De Haan (CDA), Van Wijmen (CDA) , Duijkers (PvdA), Remak (VVD) en de plaatsvervangende leden De Wit (SP), Van der Hoek (PvdA), Harrewijn (GroenLinks), Ter Veer (D66), Niederer (VVD), Stroeken (CDA), Mosterd (CDA), Van Heemst (PvdA) en Van den Doel (VVD)., gelet op de door de staatssecretaris van Financiën verstrekte inlichtingen,

overwegende,

dat adressante zich erover beklaagt dat haar geen kwijtschelding wordt verleend van de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1997,

dat adressante in een verkeerde tariefgroep was ingedeeld waardoor zij voordeel heeft genoten van de te weinig ingehouden loonheffing,

dat een aanslag is opgelegd waarmee het ten onrechte genoten voordeel is weggenomen,

dat de verantwoordelijkheid voor de juiste invulling van een loonbelastingverklaring berust bij betrokkene zelf, waarbij het niet van belang is of bij de invulling van de verklaring al dan niet verwijtbaar is gehandeld,

dat de staatssecretaris aanvoert dat adressante beschikt over betalingscapaciteit, waarbij geen rekening is gehouden met andere schuldeisers, aangezien belastingschulden wettelijk voorrang hebben boven andere schulden,

dat de staatssecretaris voorts aanvoert dat adressante bovendien sinds begin 1999 maandelijks een bedrag ontvangt uit hoofde van de haar opgelegde negatieve voorlopige aanslag over het jaar 1999,

dat adressante naast haar WAO-uitkering een IOAW-uitkering ontvangt,

dat adressante stelt dat, indien zij in plaats van een IOAW-uitkering een uitkering krachtens de Algemene bijstandswet zou ontvangen, haar geen aanslag zou zijn opgelegd, aangezien voor een bijstandsuitkering geen loonbelastingverklaring behoeft te worden ingeleverd,

dat aanslagen inkomstenbelasting achterwege worden gelaten bij samenloop van bijstandsuitkeringen en andere aan loonbelasting onderworpen inkomsten,

dat een IOAW-uitkering niet dezelfde kenmerken heeft als een bijstandsuitkering en dat voorgaande regeling niet aan de orde is,

dat adressante aantoont dat zij haar loonbelastingverklaring wel juist heeft ingevuld, doch dat de Afdeling sociale zaken van de gemeente Lelystad haar desondanks in een andere, onjuiste tariefgroep heeft ingedeeld,

dat de staatssecretaris mededeelt dat het voorgaande een kwestie is waar de Belastingdienst buiten staat en dat in ieder geval te hoge netto bedragen zijn ontvangen, welk voordeel gecorrigeerd is in de vorm van de betreffende aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen,

dat adressante aanvoert dat zij in het verleden ook tegemoetgekomen is na een verzoek om kwijtschelding voor aanslagen over voorgaande jaren door het achterwege laten van verdere invorderingsmaatregelen,

dat de staatssecretaris aangeeft dat op basis van de actuele gegevens een besluit wordt genomen over het al dan niet toekennen van kwijtschelding, waarbij in het onderhavige geval op dit moment betalingscapaciteit aanwezig wordt geacht,

dat aan een in het verleden toegekende tegemoetkoming geen rechten kunnen worden ontleend met betrekking tot nadien opgelegde belastingaanslagen;

van oordeel,

dat niet is gebleken dat ten aanzien van adressante een verkeerd fiscaal beleid is gevoerd,

stelt de Kamer voor ten aanzien van dit adres over te gaan tot de orde van de dag.

De voorzitter van de commissie,

Apostolou

De griffier van de commissie,

Hubert

T W E E D E K A M E R D E R S T A T E N - G E N E R A A L 2

Vergaderjaar 1999-2000

26 851 Verslagen van de commissie voor de Verzoekschriften

Nr. 25

VERSLAG OVER HET ADRES Deze adressen en de stukken welke de commissie bij haar onderzoek ten dienste hebben gestaan, liggen op de griffie van de commissie voor de Verzoekschriften, Lange Poten 4, ter inzage van de leden. VAN J.M. THEUNISZ TE VORSTENBOSCH BETREFFENDE KWIJTSCHELDING VAN EEN AANSLAG INKOMSTENBELASTING/

PREMIE VOLKSVERZEKERINGEN

Vastgesteld 9 december 1999

De commissie De commissie bestaat uit de leden: Van den Berg (SGP), Apostolou (PvdA) (voorzitter), Oedayraj Singh Varma (GroenLinks), Giskes (D66), Passtoors (VVD), De Haan (CDA), Van Wijmen (CDA) , Duijkers (PvdA), Remak (VVD) en de plaatsvervangende leden De Wit (SP), Van der Hoek (PvdA), Harrewijn (GroenLinks), Ter Veer (D66), Niederer (VVD), Stroeken (CDA), Mosterd (CDA), Van Heemst (PvdA) en Van den Doel (VVD)., gelet op de door de staatssecretaris van Financiën verstrekte inlichtingen,

overwegende,

dat adressante zich erover beklaagt dat haar geen kwijtschelding wordt verleend van de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1997,

dat adressante in het betreffende jaar was ingedeeld in een onjuiste tariefgroep en daardoor voordeel heeft genoten,

dat de staatssecretaris aanvoert dat het vast beleid is dat dergelijke aanslagen niet voor kwijtschelding in aanmerking komen, ongeacht de persoonlijke en financiële omstandigheden van de betrokkene,

dat de staatssecretaris constateert dat adressante over vermogen beschikt in de vorm van een tegoed op een spaarloonrekening en daarnaast enige betalingscapaciteit heeft,

dat de staatssecretaris meedeelt dat adressante een teruggaaf inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1998 niet heeft aangewend voor gedeeltelijke voldoening van de aanslag over het jaar 1997,

dat de directeur van de Belastingdienst adressante heeft toegezegd geen verdere invorderingsmaatregelen te zullen treffen, nadat zij via een betalingregeling op de betreffende aanslag een bedrag overeenkomstig (een deel van) haar spaartegoed, haar betalingscapaciteit en een teruggave over 1998 heeft voldaan, met dien verstande dat eventuele toekomstige teruggaven van belastingen en premies gedurende een periode van 3 jaar zoveel mogelijk zullen worden verrekend met het buiten invordering gelaten bedrag;

van oordeel,

dat niet is gebleken dat ten aanzien van adressante een verkeerd fiscaal beleid is gevoerd,

dat adressante reeds is tegemoetgekomen door de aangeboden betalingsregeling voor het voldoen van een deel van de aanslag en het nalaten van verdere invorderingsmaatregelen op het restant van de aanslag,

stelt de Kamer voor ten aanzien van dit adres over te gaan tot de orde van de dag.

De voorzitter van de commissie,

Apostolou

De griffier van de commissie,

Hubert

T W E E D E K A M E R D E R S T A T E N - G E N E R A A L 2

Vergaderjaar 1999-2000

26 851 Verslagen van de commissie voor de Verzoekschriften

Nr. 26

VERSLAG OVER HET ADRES Deze adressen en de stukken welke de commissie bij haar onderzoek ten dienste hebben gestaan, liggen op de griffie van de commissie voor de Verzoekschriften, Lange Poten 4, ter inzage van de leden. VAN J.W. LANDMAN TE WEST GRAFTDIJK BETREFFENDE RESTITUTIE VAN TEVEEL BETAALDE INKOMSTENBELASTING

Vastgesteld 9 december 1999

De commissie De commissie bestaat uit de leden: Van den Berg (SGP), Apostolou (PvdA) (voorzitter), Oedayraj Singh Varma (GroenLinks), Giskes (D66), Passtoors (VVD), De Haan (CDA), Van Wijmen (CDA) , Duijkers (PvdA), Remak (VVD) en de plaatsvervangende leden De Wit (SP), Van der Hoek (PvdA), Harrewijn (GroenLinks), Ter Veer (D66), Niederer (VVD), Stroeken (CDA), Mosterd (CDA), Van Heemst (PvdA) en Van den Doel (VVD)., gelet op de door de staatssecretaris van Financiën verstrekte inlichtingen,

overwegende,

dat adressant zich erover beklaagt dat de Belastingdienst zijn verzoek om restitutie van betaalde inkomstenbelasting over het jaar 1995 heeft afgewezen,

dat adressant bij zijn aangifte advocaatkosten, gemaakt in het kader van een procedure met betrekking tot het recht van erfpacht van een eigen woning in de zin van artikel 42a van de Wet op de Inkomstenbelasting 1964, als beroepskosten heeft opgevoerd,

dat het vaststaand beleid is dat dergelijke kosten niet als aftrekpost worden geaccepteerd,

dat adressant aanvoert dat hij verkeerd is ingelicht door een medewerker van de Belastingtelefoon,

dat het Hof Amsterdam niet aannemelijk heeft geacht dat door een medewerker van de Belastingtelefoon aan adressant was medegedeeld dat de betreffende kosten als beroepskosten konden worden aangemerkt en daardoor aftrekbaar waren,

dat de commissie niet kan treden in zaken waarover de rechter reeds een uitspraak heeft gedaan,

dat adressant na de uitspraak van het Hof een tweede pleidooi kiest en het accent legt op het geschade vertrouwen in de Belastingdienst als gevolg van onvolledige voorlichting door de Belastingdienst,

dat adressant de commissie verzoekt hem in redelijkheid tegemoet te komen aangezien hij door de onvolledige voorlichting van de Belastingdienst bovengenoemde advocaatkosten heeft gemaakt,

dat adressant aanvoert dat de Belastingdienst in verschillende media de indruk heeft gewekt dat informatie telefonisch kan worden verkregen maar daarbij heeft verzuimd aan te geven dat aan de verkregen informatie geen juridische waarde kan worden toegekend,

dat adressant aangeeft dat hij geen kostbare civiele procedure zou zijn gestart als hij in januari 1995 correcte informatie had gekregen, dan wel dat de Belastingtelefoon hem voor een schriftelijk antwoord had verwezen naar de belastinginspecteur,

dat de staatssecretaris aangeeft dat het niet aan de Belastingdienst is te wijten dat adressant een kostbare civiele procedure is gestart;

van oordeel,

dat de staatssecretaris kan worden gevolgd in zijn opvattingen en dat niet is gebleken dat ten aanzien van adressant een verkeerd fiscaal beleid is gevoerd,

stelt de Kamer voor ten aanzien van dit adres over te gaan tot de orde van de dag.

De voorzitter van de commissie,

Apostolou

De griffier van de commissie,

Hubert

T W E E D E K A M E R D E R S T A T E N - G E N E R A A L 2

Vergaderjaar 1999-2000

26 851 Verslagen van de commissie voor de Verzoekschriften

Nr. 27

VERSLAG OVER HET ADRES Deze adressen en de stukken welke de commissie bij haar onderzoek ten dienste hebben gestaan, liggen op de griffie van de commissie voor de Verzoekschriften, Lange Poten 4, ter inzage van de leden. VAN J.E. BREEN TE ROCKANJE BETREFFENDE TOEPASSING VAN DE HARDHEIDSCLAUSULE VOOR DE SAMENLOOPREGELING

Vastgesteld 9 december 1999

De commissie De commissie bestaat uit de leden: Van den Berg (SGP), Apostolou (PvdA) (voorzitter), Oedayraj Singh Varma (GroenLinks), Giskes (D66), Passtoors (VVD), De Haan (CDA), Van Wijmen (CDA) , Duijkers (PvdA), Remak (VVD) en de plaatsvervangende leden De Wit (SP), Van der Hoek (PvdA), Harrewijn (GroenLinks), Ter Veer (D66), Niederer (VVD), Stroeken (CDA), Mosterd (CDA), Van Heemst (PvdA) en Van den Doel (VVD)., gelet op de door de staatssecretaris van Financiën verstrekte inlichtingen,

overwegende,

dat adressant zich erover beklaagt dat hij nadeel ondervindt van de samenloopregeling, maar dat niettemin geweigerd wordt de hardheidsclausule toe te passen,

dat adressant aangeslagen wordt in de vermogensbelasting en op grond van de samenloopregeling van artikel 14, lid 5, Wet op de vermogensbelasting 1964, waardoor de vermogensbelasting tezamen met de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen niet meer kan bedragen dan 68% van het belastbare inkomen,

dat adressant als 65-plusser vrijgesteld wordt van bepaalde premies volksverzekeringen als gevolg waarvan hij in de eerste tariefschijf in totaal minder inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen verschuldigd is,

dat adressant daardoor minder vermogensbelasting terugontvangt,

dat adressant aangeeft dat de verlaging in 1998 van het tarief van de vermogensbelasting van 8 promille naar 7 promille door de samenloopregeling teniet wordt gedaan,

dat adressant voorts opmerkt dat het voordeel van zijn belastingvrije som en de ouderenaftrek in de inkomstenbelasting door de samenloopregeling vervalt,

dat de staatssecretaris aanvoert dat bij de totstandkoming van de samenloopregeling reeds is voorzien dat deze mogelijk een ruwe werking zou hebben,

dat de positie van 65-plussers die minder premie behoeven te betalen en daardoor in feite ook met een hogere vermogensbelasting kunnen worden geconfronteerd bij de behandeling van de samenloopregeling in de Eerste Kamer aan de orde is geweest, maar dat geen reden aanwezig werd geacht voor deze groep van belastingplichtigen de regeling aan te passen,

dat de staatssecretaris opmerkt dat de verlaging van de vermogensbelasting van 8 promille naar 7 promille geen aanleiding heeft gegeven tot aanpassing van de samenloopregeling,

dat met betrekking tot de belastingvrije som voor de inkomstenbelasting in relatie tot de samenloopregeling de grens bewust is gelegd bij 68% van het belastbare inkomen en dat aan deze systematiek onverbrekelijk verbonden is dat de belastingvrije som voor de inkomstenbelastingen buiten de grondslag van de samenloopregeling blijft,

dat de staatssecretaris mededeelt dat de hardheidsclausule slechts wordt toegepast indien sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard die zich slechts voordoet indien onverkorte toepassing van de wettelijke bepalingen zou leiden tot door de wetgever niet bedoelde gevolgen, hetgeen in het geval van adressant niet zo is,

dat adressant aangeeft dat het onbillijk is, dat een 65-plus echtpaar als gevolg van het extra buiten beschouwing laten van de belastingvrije voet materieel een negatieve AOW-uitkering ontvangt;

van oordeel,

dat niet is gebleken dat ten aanzien van adressant een verkeerd fiscaal beleid is gevoerd,

stelt de Kamer voor ten aanzien van dit adres over te gaan tot de orde van de dag.

De voorzitter van de commissie,

Apostolou

De griffier van de commissie,

Hubert

1

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie