Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Vragen over de najaarsnota

Datum nieuwsfeit: 09-12-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten

26899vra.gen lijst van vragen over de najaarsnota Gemaakt: 9-12-1999 tijd: 11:11 RTF

26899 Najaarsnota 1999

nr. 1 Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden

Vastgesteld

De vaste commissie voor Financien *) heeft ter voorbereiding van de behandeling van de Najaarsnota de navolgende lijst van feitelijke vragen aan de regering voorgelegd.

1.

Is het mogelijk aan te geven welke macro-economische en budgettaire invloed er is uitgegaan in het jaar 1999 van de betrekkelijk hoge inflatie en van de waardeontwikkeling van de euro? (algemeen)

2.

Is het kabinet voorstander van het verkopen van (een deel van) de deviezenvoorraad om de staatsschuld te verlagen? (algemeen)

3.

Kan een nadere toelichting worden gegeven op de feitelijke loon(kosten)ontwikkeling in 1999 in relatie tot de veronderstellingen in het regeerakkoord en de latere bijstellingen hiervan, zulks mede in relatie tot de gevolgen voor de begroting? (algemeen).

4.

Kan, ondanks het feit dat de Voorjaarsnota 2000 de betreffende informatie zal geven, niettemin nu reeds indicatief worden medegedeeld welke gevolgen de mutaties 1999 voor het jaar 2000 zullen hebben? Is het mogelijk vanaf nu elk jaar een dergelijke indicatie in de Najaarsnota op te nemen? Verdient het uit oogpunt van financiële transparantie niet de voorkeur dat meerjarige doorwerking van in de Najaarsnota en suppletore wetten gepresenteerde begrotingsmutaties aan de Kamer wordt zichtbaar gemaakt?

Is het mogelijk om in het vervolg in de artikelsgewijze toelichting van de suppletore begrotingen bij Najaarsnota of - en zo ja, in welke omvang - sprake is van consequenties voor het volgende begrotingsjaar? (algemeen)

5.

Kunnen de ijklatten in reële en nominale termen voor de jaren 1999 tot en met 2002 gepresenteerd worden, waarbij de structurele mee- en tegenvallers van 1998 afgeboekt zijn? Dit betreft een volledige actualisatie van tabel 3.4.1 van de Miljoenennota 1999, waarbij de Voorlopige Rekening 1998 conform afspraken maatgevend is. Kan eveneens worden medegedeeld waarom deze actualisatie die belangrijk is voor de inkomstenmeevallerregel niet in de Miljoenennota 2000 te vinden is, terwijl de structurele doorwerking van 1998 toen al wel bekend was? (algemeen)

6.

Kan toegelicht worden waarom het EMU-tekort nu naar verwachting uitkomt op 0,2% in plaats van op 1,3% zoals in de Miljoenennota 1999 werd verwacht, terwijl de economische groei toen en nu wordt geraamd op circa 3% en het uitgavenplafond ongewijzigd is? Is er derhalve sprake van inkomstenmeevallers van circa 9 mld (1.1% punt BBP) en duidt zo'n grote ramingsfout in een enkel begrotingsjaar niet op de noodzaak deze ingrijpend te herzien?

(blz. 1)

7.

Welke veronderstellingen liggen ten grondslag aan de verwachting dat het huidige overschot van 0,4% zal omslaan in een tekort van 0,2%? (blz. 1)

8.

Waarom zijn in de tabel op blz. 1 geen ijklatten opgenomen voor de belastingontvangsten en premieontvangsten en wordt niet aangegeven in guldens hoe groot het verschil is tussen de ijklatten en de ramingen? Kan dit alsnog gebeuren en is het waar dat de overschrijding in 1999 ruim 5 mld. zal zijn?

Kan tabel 1 worden aangevuld met de volledige invulling van kolom 3, waardoor ook de overschrijding van de ijklatten van de belasting- en premie-inkomsten helder wordt? (blz. 1)

(blz. 1)

9.

Waarom staan de aardgasinkomsten niet in de tabel? (blz. 1)

10.

Wat zijn voor 1999 de verwachtingen van het kabinet op het punt van nog optredende onderuitputting na de Najaarsnota? Is deze eventuele additionele onderuitputting, net als vorig jaar, al in de cijfers en ramingen verwerkt? Zo ja, hoe, waar en in welke omvang? Zo nee, waarom wordt er nu geen rekening gehouden met extra meevallers en vorig jaar wel? (blz. 1)

11.

Waarom wordt bij de presentatie van mee- en tegenvallers niet vermeld of deze incidenteel of structureel zijn? (blz. 2)

12.

Kan worden medegedeeld hoe de verschillende mee- en tegenvallers, zowel aan de uitgaven- als de ontvangstenkant, die in 1999 zijn voorgekomen, zijn ingezet, en hoeveel meevallers na verwerking van de moties door de Kamer, aanvaard bij de Algemene Politieke Beschouwingen nog resten? (blz. 2)

13.

Indien het Fonds Economische Structuurversterking (FES) in 1999 voor 0,1 miljard minder belast wordt voor uitgaven door het Infrafonds, welke gevolgen heeft dat voor het Infrafonds in de meerjarenraming? (blz. 2)

14.

Is het mogelijk dat het thans geraamde EMU-saldo van -0,2% BBP voor 1999 nog verder daalt? Welke veronderstellingen liggen ten grondslag aan de verwachting dat het EMU-overschot van 0,4% BBP in de periode oktober 1998-september 1999 alsnog zal omslaan in een tekort? Is het niet zo dat de ervaring leert dat na de Najaarsnota zich veelal meevallers voordoen bij de uitgaven en bij de belastinginkomsten? (blz. 2).

15.

Welke verwachtingen bestaan thans ten aanzien van de ontwikkeling van het EMU-saldo voor het jaar 2000, nu dit saldo op dit moment reeds tendeert naar `close to balance'? Welk financieel beleid is de regering voornemens te voeren indien volgend jaar de situatie van begrotingsoverschot mocht worden bereikt? Wordt de inkomstenmeevallerformule onverkort gehandhaafd? (blz. 2).

16.

Kan met betrekking tot de optredende onderuitputting na de Najaarsnota die zich in de laatste jaren heeft voorgedaan (ook in de sfeer van de sociale zekerheid en zorg) een totaaloverzicht worden gegeven (per ijklijn en per ministerie)? (blz. 2).

17.

De intensiveringen komen tegemoet aan de wensen van de Kamer tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen. Hoe verhoudt de lijst van intensiveringen zich echter tot het uitgangspunt dat er in beginsel één hoofdbesluitvormingsmoment ten aanzien van intensiveringen en ombuigingen is, namelijk bij de Voorjaarsnota?

Kan dit op de een of andere manier in de toekomst worden ondervangen? (blz. 2)

18.

In hoeverre kunnen de genoemde uitgavenintensiveringen ook werkelijk nog in het jaar 1999 worden besteed? Wanneer worden de feitelijke uitgaven voorzien? Op welke manier zijn de intensiveringen van invloed op het EMU-tekort in 1999? Impliceert het feit, dat er bij Najaarsnota wordt besloten tot extra intensiveringen, dat er ook in relatief korte tijd geld moet worden uitgegeven? Kan voor alle intensiveringen worden vermeld hoe deze in technische zin zijn verwerkt (overgemaakt aan een instelling, gestort in een fonds) en wanneer de feitelijke uitgaven worden voorzien? (blz. 2)

19.

Kan een meer nauwkeurige specificatie worden gegeven van de uitvoering van de aanvaarde moties bij de Algemene Politieke Beschouwingen, en de mate waarin aan politieke wensen is tegemoet gekomen, mede tegen de achtergrond van de brief van de minister van Financiën aan de Tweede Kamer van 22 oktober 1999 ? (blz. 2).

20.

Het kabinet heeft besloten, naast de uitvoering van de aanvaarde moties, tot twee extra uitgavenverhogingen (mestproblematiek, computers basisonderwijs). Zijn er ook andere uitgavenverhogingen overwogen, zo ja, welke en waarom zijn deze niet gehonoreerd? (blz. 2).

21.

De meevallers in de uitgavensfeer hebben ertoe geleid dat de bekostiging van de aanvaarde `binnen de uitgavenkaders' kon worden gevonden. Voor het jaar 1999 behoefde dus niet geput te worden uit de uitgavenreserve. Zijn de vooruitzichten voor 2000 zodanig dat de financiering van (een deel van) de aanvaarde moties binnen de uitgavenkaders kan worden gevonden of dient niettemin de uitgavenreserve, overeenkomstig de strekking van de moties, voor de financiering ervan te worden aangewend? (blz. 2).

22.

Is de financiële ruimte thans volledig benut of is er nog extra ruimte (`plooien in de jas')? Biedt de eventuele extra financiële ruimte ten gevolge van na de Najaarsnota optredende onderuitputting de Kamer nog ruimte voor eenmalige extra uitgaven voor 1999? (blz. 2).

23.

Wanneer zal het EMU-tekort omslaan in een EMU-overschot? Heeft dit gevolgen voor de systematiek voor wat betreft het verminderen van de staatsschuld? (blz. 2).

24.

Kan de minister de stand van zaken omtrent de kasblokkade van de Europese Commissie op de ESF-subsidies weergeven? (blz. 3).

25.

Welke betekenis moet aan `meevallers' worden toegekend, indien deze voor een onaanzienlijk deel voortvloeien uit tal van vertragingen in de sfeer van uitvoering van beleidsvoornemens? Zijn meevallers dan niet toekomstige tegenvallers ? (blz. 3).

26.

Kan een toelichting worden gegeven op de lagere ODA-uitgaven van 100 miljoen? Waardoor zijn deze veroorzaakt? (blz. 3).

27.

Zullen de meevallers in de sfeer van de premiegefinancierde sociale zekerheid ook worden vertaald in lagere premies? (blz. 3).

28.

Het totale vermogenssaldo van de fondsen in de sociale zekerheid laat een groot overschot zien. In 2000 is de staatssecretaris voornemens om de premies voor de sociale verzekeringen hoger vast te stellen dan door het LISV is voorgesteld. Neemt hierdoor het vermogensoverschot nog verder toe? Zo ja, hoeveel en wat is de beleidsmatige achtergrond hiervan? In hoeverre is het gewenste koopkrachtbeeld bepalend in de verhouding premies en belastingen en in hoeverre speelt de Belastingherziening een rol in de gewenste hoogte van de premies? (blz. 3)

29.

Bij de premie Ziekenfondswet heeft het kabinet besloten om deze 0,5% lager vast te stellen dan het advies van het College voor Zorgverzekeringen. In hoeverre is het gewenste koopkrachtbeeld belangrijker dan een sluitende premievaststelling? In hoeverre kunnen en worden niet de premies, maar de belastingen als sturingsinstrument op koopkrachtplaatjes gebruikt ? (blz. 3)

30.

Waarom wordt de vermogensnorm van de Ziekenfondswet negatief vastgesteld? Tellen de saldi van de individuele ziekenfondsen (die risicodragend zijn geworden) mee voor het EMU-tekort? (blz. 3)

31.

Wordt 465 miljoen gereserveerd om dit jaar dezelfde onderuitputting als volgend jaar te verwezenlijken? (blz. 3)

32.

Is onderuitputting niet juist bedoeld om uitgavenruimte door te schuiven naar een volgend jaar en de gelden dan alsnog te besteden? (blz. 3)

33.

Leidt de «in=uit gedachte» niet in de praktijk tot extra bezuinigingen omdat tot in lengte van jaren onderuitputting opnieuw wordt nagestreefd? (blz. 3)

34.

Kan worden vermeld welk deel van de extra uitgavenmeevaller in de Sociale Zekerheid structureel is? (blz. 3)

35.

Kan een splitsing worden aangebracht in zowel het Budgettair Kader Zorg alsmede in de reële ijklijn zorg voor 1999 tussen de uitgaven in het eerste compartiment en uitgaven in het tweede compartiment (AWBZ-gefinancierde uitgaven) alsook onderscheid tussen uitgaven gedaan in de curatieve sector en uitgaven in het kader van preventie en langdurige zorg (doorgaans aangeduid als caresector) ?

Indien die splitsing niet (volledig) mogelijk zou zijn, kan dan worden vermeld waarom niet en aan welke condities moet zijn voldaan om alsnog zulk een gesplitste uitgavenontwikkeling voor de «cure» en de «care» te kunnen geven voor 1999 en 2000? (blz. 4)

36.

Hoe groot is de structurele inkomstenmeevaller van de geplande goudverkoop van de DNB?

(blz. 4)

37.

In hoeverre is de premievaststelling in het kader van de ZFW voor het jaar 2000 nog wel actueel, gezien de verdere verslechtering van de vermogenspositie van de Algemene Kas? (blz. 4).

38.

Kunnen de belastingontvangsten verder worden uitgesplitst naar soort, waarbij zowel de ramingen en de vermoedelijke uitkomsten worden opgenomen? Is het kabinet bereid ook in volgende jaren deze specificatie te geven? (blz. 5)

39.

Is het kabinet nog steeds van mening dat de al bij de financiële beschouwingen gemelde uitgavenmeevaller van 1,4 miljard niet structureel is? (blz. 5)

40.

Op grond van welke criteria wordt vastgesteld of belastinginkomsten structureel dan wel incidenteel zijn? Op welk moment wordt dat vastgesteld? (blz. 5)

41.

Kan de minister melden in hoeverre het millenium het betalingsgedrag van belastingplichtigen zou kunnen beïnvloeden? (blz. 5)

42.

Kan, gelet op de meevallende ramingen voor inkomsten en uitgaven in de sociale fondsen, worden weergegeven hoe deze vermogenstoename doorwerkt in het volgende jaar? (blz. 5)

43.

Na de publicatie van de Najaarsnota zijn de verwachtingen omtrent staatschuld en EMU-tekort als gevolg van recente economische ramingen in positieve zin bijgesteld. Kan de minister de verwachte hoogte van de staatsschuld en het EMU-tekort per ultimo 1999 weergeven? Welke invloed heeft het gunstiger budgettaire beeld op de ontwikkeling van de hoogte van de staatsschuld? (blz. 5).

44.

Kan de minister de verwachte belastingmeevaller van 1½ miljard uitsplitsen naar belastingsoort? (blz. 5).

45.

De raming van de dividendbelasting is met een meer dan gebruikelijke onzekerheid omgeven. De minister stelt dat bij deze belastingsoort het probleem speelt, dat het patroon van de kasontvangsten vrij sterk afwijkt van hetgeen in voorgaande jaren gebruikelijk was. Waarom wijkt het patroon van kasontvangsten vrij sterk af van voorgaande jaren? (blz. 5).

46.

Wat is de meest actuele verwachting met betrekking tot de raming van opbrengsten van de vennootschapsbelasting? (blz. 5).

47.

In hoeverre zijn er indicaties dat de extra belastinginkomsten van 1,5 miljard een structureel karakter hebben? Kan de minister de Kamer zo spoedig mogelijk op de hoogte brengen van eventuele ontwikkelingen, zowel bij toename als afname, van deze meevaller en van het eventuele structurele karakter van die ontwikkelingen? (blz. 5).

48.

Welke veronderstellingen en verwachtingen hanteert het kabinet ten aanzien van de eventuele extra belastingmeevallers die zich na opstelling van de Najaarsnota nog voordoen? In hoeverre is hiermee in de ramingen rekening gehouden? (blz. 5).

49.

De ervaring van de laatste jaren leert dat de belastingopbrengsten die halverwege het jaar worden geraamd (bij de Vermoedelijke Uitkomsten) later steeds gunstiger uitvallen dan de eerdere ramingen. Is dit het gevolg van onvoorziene (gunstige) factoren, van behoedzaam ramen of van het niet in staat zijn meer betrouwbare belastingramingen op te stellen? Kan het kabinet een analyse maken van de oorzaken die ertoe hebben geleid dat de afgelopen jaren ruim 10 miljard gulden aan meevallers nog niet in beeld was op het moment dat door kabinet en Kamer besluiten dienden te worden genomen over het budgettaire totaalbeeld ? (blz. 5).

50.

In de afgelopen jaren was er in de Voorlopige Rekening steeds sprake van een additionele belastingmeevaller ten opzichte van de Najaarsnota. Is dit ervaringsgegeven meegenomen in de huidige raming van de belastingmeevaller? Is op deze manier niet sprake van dubbel behoedzaam ramen, want deze structurele meevaller bij de Voorlopige Rekening heeft toch geen enkele relatie met het hanteren van behoedzame uitgangspunten? Graag een toelichting, waarbij een analyse van de oorzaken van de meevallers (bij Najaarsnota én bij Voorlopige Rekening) in de afgelopen jaren goed in beeld wordt gebracht. (blz. 5)

51.

Kan bij de inkomstenmutaties, net als bij de uitgavenmutaties, mutaties groter dan 25 mln worden gekwantificeerd en toegelicht en is het niet een idee om dit standaard bij de Najaarsnota te vermelden? (blz. 5)

52.

Kan worden vermeld welk deel van de inkomstenmeevaller op dit moment als structureel wordt geïndiceerd? Het is bekend dat normaal gesproken dit pas bij de Voorlopige Rekening in februari wordt gepresenteerd, maar omdat het structurele gedeelte van deze meevaller van cruciaal belang is voor het totale beslag dat de belastingherziening met zich mee kan brengen, lijkt een uitzondering in dit geval zeer wel op zijn plaats. (blz. 5)

53.

Is een onderuitputting voor het jaar 1999 te verwachten? Zo ja, hoe groot wordt deze onderuitputting geschat? (blz. 5)

54.

Waarom zouden de uitgaven aan het eind van het jaar toenemen en de belastingontvangsten dalen ten opzichte van 1998, aangezien dit de laatste jaren in de tijd tussen het verschijnen van de Najaarsnota en het einde van het jaar niet het geval was ? Kan worden medegedeeld hoe deze lagere ontvangsten en hogere uitgaven zijn opgebouwd en hoe deze zich tot elkaar verhouden? (blz. 6)

55.

Kan een overzicht worden gegeven van het voortschrijdend EMU-tekort over 1999? (blz. 6)

56.

In de vorige Najaarsnota is per hoofdbeleidsterrein een overzicht van de beleidsmatige overhevelingen opgenomen. Kan een dergelijk overzicht alsnog gemaakt worden? Kan het verschil worden toegelicht tussen lagere uitgaven door lagere instroom enerzijds, en hogere uitgaven door lagere uitstroom anderzijds. Kan worden medegedeeld waarom er een verschil is tussen de huidige raming van de instroom en de raming in de Rapportage Asielketen tot en met augustus? (blz. 11)

57.

Kan een indicatie worden gegeven van de uitgaven van de Immigratie- en Naturalisatiedienst voor het jaar 2000? (blz. 11)

58.

Waarom wordt de 40 miljoen niet toegevoegd aan het voor scholen vrij besteedbare voor ICT in het onderwijs bestemde geld in het kader van Onderwijs on-line, zodat de vraag en niet het aanbod bepalend is voor de verdere ICT-introductie? (blz. 15)

59.

Waarom worden de computers alleen aan het basisonderwijs aangeboden en niet aan het voortgezet onderwijs, dan wel aan andere sociaal zwakkere groepen, zoals buurthuizen, asielzoekerscentra. (blz. 15)

60.

Hoe zal de opwaardering van de betreffende pc's er precies uitzien? (blz. 15)

61.

Zal alleen de Stichting Bemiddeling Computers Overheid-Onderwijs worden betrokken bij de opwaardering, of zal er een openbare aanbesteding plaatsvinden waarop ook bedrijven kunnen intekenen, zodat de beste prijs-kwaliteit-verhouding het kan winnen? (blz. 15)

62.

Betekent de extra toevoeging van 100 miljoen aan het FES een vermindering van het tekort tot het jaar 2010 van 300 miljoen naar 200 miljoen? Betekent dit dat er via ad-hoc toevoegingen aan het FES nog 200 miljoen moet worden gevonden als zich weer incidentele meevallers voordoen op de Rijksbegroting in enge zin? (blz. 23)

63.

Waarom worden de uitgaven voor het technisch ontwikkelingskrediet opwaarts bijgesteld? (blz. 24)

64.

Waarom zijn de opbrengsten van de verkoop van de aandelen Hoogovens op de begroting van Economische Zaken geraamd? (blz. 25)

65.

Wat is momenteel het vermogen van het O&S-fonds? Wordt over het vermogen rente ontvangen en zo ja, hoeveel en aan wie komt deze ten goede? (blz. 26)

66.

Op welke termijn zal de extra f 100 miljoen voor de integrale aanpak van de mestproblematiek uitgegeven worden en op welk moment wordt het financieringstekort met deze uitgave belast? (blz. 26)

67.

Hoe wordt de 50 miljoen extra middelen voor natuurbeheer precies aangewend in 1999?

(blz. 26)

68.

Hoe verhoudt het feit, dat het voorschot van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de Arbeidsvoorziening van 350 miljoen in mindering wordt gebracht op de meevallers van het ministerie, zich met de regels budgetdiscipline? Mochten de ESF- gelden uiteindelijk worden uitbetaald, moet dit dan als meevaller worden aangemerkt?

(blz. 27)

69.

Vooral bij Sociale Zekerheid is het nuttig om inzicht te verkrijgen over de oorzaken en doorwerking van relatief grote mutaties. Kan voor de volgende artikelen ingegaan worden op de oorzaken van de mutaties en de mogelijke gevolgen voor het jaar 2000: 12.06, 12.08, 12.09, 13.01, 13.02, 13.09, 13.10, 14.01, 14.02, 14.07? Kan een algemene toelichting over de zeer grote onderschrijding met gevolgen tot het jaar 2002 voor de ijklijn SZA worden gegeven? (blz. 27)

70.

Waarom worden in 1999 naar verwachting minder schulden uit exportkredieten kwijtgescholden dan geraamd? Waarom is in de Najaarsnota sprake van een ophoging van 50 miljoen `EKI kwijtschelding'? (blz. 31)

71.

Er vinden elk jaar forse neerwaartse bijstellingen plaats op artikel 08.01 vanwege onderuitputting op de EU-begroting. Hoeveel zicht is er op de oorzaken van deze structurele onderuitputting en wat is het beleid van Nederland ten aanzien van de structurele onderuitputting op de EU-begroting? Is het mogelijk om deze onderuitputting te ramen? (blz. 31)

72.

Kan een overzicht gemaakt worden met de standen HGIS ten tijde van de Miljoenennota 1999, de 1e suppletore begroting en de 2e suppletore begroting, uitgesplitst naar ODA en non-ODA? (blz. 31)

73.

Is de CPB raming uit de Miljoenennota voor de aardgasinkomsten ten guste van het FES niet achterhaald door de hogere dollar en olieprijs? Wat is het verschil indien wordt uitgegaan van een dollarkoers van f 2,10 en een olieprijs van 20 dollar en het verschil bij een dollarkoers van f 2,20 en een olieprijs van 25 dollar? (blz. 34)

74.

Is de extra storting in het FES een verschuiving of een aanwending van extra middelen? Kan het kabinet mededelen hoe en wanneer de extra storting in het FES kan leiden tot extra investeringen? Is de indruk juist dat dit pas het geval is, indien het voorziene tekort in 2010 is aangevuld? (blz. 34)

75.

Niet-relevante ontvangsten, zoals bijvoorbeeld verkopen van staatsdeelnemingen, behoren niet tot de ijklijnen. Geldt dat ook voor de vrijvallende rente die bespaard wordt door aflossing van de staatsschuld? Of valt de raming die in het Regeerakkoord is opgenomen voor bespaarde rentelasten binnen de ijklijnen? (blz.34)

76.

Kan een toelichting worden gegeven op hoe om te gaan met de dividendontvangsten. Zijn hier überhaupt regels voor? Voor wie zijn de opbrengsten van dividenden (en daarmee ook eventuele meevallers in die opbrengsten)? Op verschillende ministeries zijn ontvangsten uit dividend te vinden, maar ook op de aanvullende post algemeen. De dividendderving bij verkoop van staatsdeelnemingen wordt in mindering gebracht op de vrijvallende rentelasten die in het FES zouden vloeien voor de nieuwe systematiek. Welke ratio ligt ten grondslag aan deze wijze van verdeling van dividenden nu en in de toekomstige FES-systematiek? (blz. 36)

77.

Welke functie vervult de aanvullende post algemeen? Kunnen de bedragen die nu op de post geraamd zijn voor het eind van 1999 nog volledig worden toebedeeld en tot betaling komen? Zo ja, waaraan worden de middelen besteed? Wat gebeurt er met het resterend bedrag mocht dat niet voor het eind van het jaar tot betaling komen? Zou dit betekenen dat sprake is van een eenmalige meevaller in 1999 (blz. 36)

78.

Is er bij de ramingen rekening gehouden met het ervaringsfeit dat er na de Najaarsnota sprake is van substantiële onderuitputting? Is de veronderstelling correct dat door volledige invulling van de eindejaarsmarge elke extra onderuitputting tot extra eenmalige uitgaven in 1999 mag leiden? (blz. 36)

79.

Op de aanvullende post algemeen is een reserving van 100 mln opgenomen ten behoeve van de restauratie voor het Rijksmuseum. Wat is de ratio van het opnemen van deze reserving op een aanvullende post, terwijl geld op een aanvullende post niet kan worden uitgegeven? Vindt er op een later tijdstip alsnog overboeking plaats? (blz. 36)

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie