Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Antwoorden Financien op vragen over Belastingherziening 2001

Datum nieuwsfeit: 09-12-1999
Vindplaats van dit bericht
Vindplaats 2
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Financien

Titel: Schriftelijke antwoorden Belastingherziening 2001



Directie Wetgeving Directe Belastingen

de Voorzitter van de Vaste commissie voor Financiën

van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Postbus 20018

2500 EA Den Haag

Uw brief van/kenmerk

Ons kenmerk

Den Haag

WDB 1999-2202 M

9 december 1999

Onderwerp

Schriftelijke antwoorden Belastingherziening 2001

Hierbij bieden wij u de schriftelijke antwoorden aan op vragen gesteld tijdens het algemeen overleg op 8 december 1999 over de Belastingherziening 2001 (kamerstukken 26 727 en 26 728) die tijdens dat overleg niet zijn beantwoord.

De Staatssecretaris van Financiën,

De Minister van Financiën,

Vraag:

Hoe verhouden de berekeningen van het kabinet inzake de budgettaire consequenties van het voorgestelde oudedagsregime zich tot de stelling van het Verbond van Verzekeraars die nu net weer de publiciteit hebben gezocht met hun berekeningen over het pensioentekort?

Antwoord:

Vooropgesteld dient te worden dat de omvang van het pensioentekort niet hetzelfde is als de omvang van de lijfrente-aftrek. Niet alle belastingplichtigen met een pensioentekort sluiten een lijfrente af en niet alle belastingplichtigen die een lijfrente afsluiten hebben een pensioentekort. Onder het huidige stelsel bedraagt de totale lijfrente-aftrek - ondanks het door het Verbond van Verzekeraars op 18 miljard berekende pensioentekort - niet meer dan 6 miljard.

Volgens een onderzoek van het Verbond van Verzekeraars zou een jaarlijkse lijfrentepremieaftrek van f 18 miljard nodig zijn om de aanwezige pensioentekorten in Nederland te dekken. Bij de berekening is aangesloten bij het normpensioen van 70% van het (eind)inkomen, waarbij de franchise gebaseerd is op de AOW voor een alleenstaande. Dit zou betekenen dat er jaarlijks f 12 miljard meer - in plaats van de huidige f 6 miljard - aan lijfrentepremies gestort moet worden, zo luidt de conclusie van het Verbond van Verzekeraars. Volgens het Verbond toont het onderzoek aan dat er bij de lijfrentepremieaftrek niet of nauwelijks sprake is van oneigenlijk gebruik. Ook stelt het Verbond dat de beperking van de lijfrentepremieaftrek niet f 1,5 miljard oplevert, maar slechts maximaal f 300 miljoen.

Voor de berekening van het pensioentekort is informatie vereist over de opgebouwde pensioenrechten per belastingplichtige. Deze informatie is niet aanwezig. In het onderzoek van het Verbond is daarom op macro niveau een modellering gemaakt van gemiddelde werknemers over hun werkzame leven tussen 25 en 65 jaar. In het model wordt het aanwezige pensioentekort afzonderlijk geraamd voor een aantal oorzaken die hier aan ten grondslag kunnen liggen. Deze oorzaken zijn:
* De inhoud van de pensioenregeling: niet elke regeling bouwt op tot 70% van het eindinkomen;

* Pensioenbreuk: bij verandering van baan kan een pensioenbreuk worden opgelopen door verlies van dienstjaren omdat het nieuwe salaris hoger is dan het oude en de over te dragen waarde als gevolg daarvan minder dienstjaren in de nieuwe regeling oplevert;
* Witte vlekken: een aantal werknemers heeft geen aanvullende pensioenregeling;

* gemiste dienstjaren: vanwege laat in het arbeidsproces intreden, tijdelijk intreden, in het verleden tot de witte vlek heeft behoort;

* onvoldoende AOW rechten: omdat men bijvoorbeeld enige tijd in het buitenland heeft gewoond en gedurende die periode de AOW opbouw is gestopt;

* echtscheidingen: de ex-echtgenoot heeft recht op de helft van tijdens het huwelijk opgebouwde pensioen, tenzij dit is uitgesloten bij huwelijkse voorwaarden of overeenkomst;
* werkloosheid.

Voor elk van deze voorwaarden wordt het pensioentekort op macro niveau afzonderlijk geraamd aan de hand van veronderstellingen. Zo wordt bijvoorbeeld aangenomen dat 4% van de Nederlandse bevolking een tekort aan AOW jaren heeft; dat pensioen in de leeftijdsklasse van 25 tot 35 jaar gemiddeld een kwart dienstjaar tekort komen, en dat 10% van de werkzame vrouwen gedurende 7 jaar is gestopt met werken voor de zorg van kinderen. Voor een aantal van de oorzaken kunnen wij de veronderstellingen niet goed achterhalen.

Ten aanzien van de uitkomsten van het onderzoek wordt in de eerste plaats opgemerkt dat geen harde gegevens over pensioentekorten aanwezig zijn. Elke schatting in deze richting is derhalve met de nodige ramingsonzekerheid omgeven. Ook door het ministerie van Financiën zijn op macro niveau (grosso modo vergelijkbare) berekeningen gemaakt van de jaarlijkse ruimte voor lijfrentepremieaftrek. De uitkomsten hiervan staan niet haaks op de uitkomsten van het Verbond van Verzekeraars. Hierbij zij opgemerkt dat er een verschil bestaat tussen de jaarlijkse ruimte voor lijfrentepremieaftrek en de benutting daarvan. Uit de becijferingen blijkt dat in de huidige situatie slechts een relatief klein gedeelte van de jaarlijkse ruimte daadwerkelijk wordt benut. Zo kunnen in het verleden opgelopen pensioentekorten ook op andere manieren gedekt worden (bijvoorbeeld via individuele pensioenmodules), in een tijdsbestek dat korter is dan 40 jaar. De uitkomsten van het onderzoek van het Verbond van Verzekeraars geven dan ook geen aanleiding om aan te nemen dat de budgettaire besparing van f 1,5 miljard niet wordt gehaald. Daarnaast geven de uitkomsten ook geen aanleiding om af te stappen van het uitgangspunt dat er goede redenen zijn om de lijfrentepremieaftrek te beperken.

Vraag:

Kan de regering in zijn algemeenheid ingaan op een aantal van de problemen/aspecten die samenhangen met de oplossing van de problematiek rond de middeninkomens?

Antwoord

In de bijlage wordt nader ingegaan op een aantal mogelijkheden voor de verbetering van de positie van middeninkomens.

Vraag:

Om hoeveel huishoudens gaat het bij de alleenverdieners met een middeninkomen rond de 70.000.

Antwoord:

Er zijn circa 94.000 werknemers in tariefgroep 3 (alleenverdieners) met een inkomen uit tegenwoordige arbeid van 65.000 tot 70.000 en circa 52.000 werknemers in tariefgroep 3 met een inkomen uit tegenwoordige arbeid van 70.000 tot 75.000.

Vraag:

De regering heeft berekend dat het f 580 miljoen zou kosten om de arbeidskorting ook beneden 50% WML uit te keren. Indien deze verruiming van het toekennen van de arbeidskorting budgettair neutraal moet plaatsvinden dan moet deze met circa f 100 verlaagd worden. Kan de regering eens nader ingaan hoe dat technisch uitgewerkt zou worden? Kan dat gewoon door het instrument beneden 50% WML door te trekken of lopen we dan tegen problemen aan? Hoe zou het bijvoorbeeld werken bij mensen met een aanvullende bijstandsuitkering?

Antwoord:

Bij de raming van de budgettaire gevolgen van de bovengenoemde verruiming van het toekennen van de arbeidskorting is verondersteld dat deze binnen de huidige opzet van het wetsvoorstel wordt vormgegeven. Dit betekent dat de arbeidskorting oploopt van 0 tot het
- verlaagde - maximum in het traject >0 tot 100% WML. Indien het totaal aan verschuldigde heffing lager is dan de berekende arbeidskorting, dan wordt de aanslag op nihil gesteld en de arbeidskorting naar evenredigheid beperkt. Opgemerkt zij dat voor personen die in de huidige opzet van het wetsvoorstel de (volledige) arbeidskorting al kregen de inkomenspositie kan verslechteren.

Naar aanleiding van de vraag hoe de arbeidskorting zou werken bij mensen met een aanvullende bijstandsuitkering wordt het volgende opgemerkt. In de huidige systematiek van de bijstandswet wordt het voordeel van het arbeidskostenforfait (voor zover hoger dan het inactievenforfait) weggenomen door een lagere bijstandsuitkering. Bij invoering van een arbeidskorting zal dit in principe ook zo zijn. In verband hiermee en de optredende armoedeval bij de huidige vrijlatings- en premieregelingen zijn voor het kabinet aanleiding hier nader naar te kijken. Dit komt in 2000 terug bij de behandeling van het dossier inzake de alleenstaande ouders in de bijstand.

Vraag:

Hoe wordt geoordeeld over de suggestie om de Belastingdienst een centrale rol te geven bij het informeren van belastingplichtigen over hun eventuele pensioentekort?

Antwoord:

De meest vergaande rol die de Belastingdienst zou kunnen vervullen is dat deze dienst het pensioentekort berekent en bekend maakt aan de belastingplichtige. Dit zou betekenen dat de Belastingdienst een apart systeem moet opzetten waarbij voor elke belastingplichtige (circa 11 miljoen personen) gedurende de gehele opbouwperiode de pensioenopbouw moet bijhouden en het pensioentekort moet berekenen, terwijl waarschijnlijk maar een klein deel van hen ooit gebruik maakt van deze gegevens.

Gezien de voorgaande overwegingen wordt thans van een werkwijze uitgegaan die met minder lasten eenzelfde resultaat zou moeten geven. Deze werkwijze houdt in dat de belastingplichtigen van de pensioenuitvoerders en de verzekeraars de informatie ontvangen voor de vaststelling van het pensioentekort. Op basis van een door de Belastingdienst te vervaardigen/te verstrekken diskette of berekeningsformulier (bijvoorbeeld bij het aangiftebiljet inkomstenbelasting) kan de belastingplichtige zelf een eventueel pensioentekort constateren. Als er eventueel nadere voorzieningen nodig zijn om er voor te zorgen dat de belastingplchtige beschikt over gegeven met betrekking tot zijn pensioenrechten en andere oudedagsopbouw dan kan daarvoor desgewenst een wettelijke basis worden geschapen.

Aangezien de berekening naar verwachting niet ingewikkelder zal zijn dan de invulling van de gemiddelde aangifte, zal het gros van de belastingplichtigen hiertoe in staat zijn. Waar nodig zal de Belastingdienst de belastingplichtigen die niet tot het bepalen van de pensioenruimte in staat zijn ondersteunen. In onderzoek is welke mogelijkheden er zijn voor ondersteuning. In het overleg met de pensioenfondsen en verzekeraars zal worden bezien op welke wijze deze ondersteuning in gezamenlijkheid vorm kan worden gegeven. Als de definitieve vormgeving met betrekking tot het pensioentekort vaststaat kan hieraan verder uitwerking worden gegeven. Voor 2001 kan hierover worden gerapporteerd, zodat duidelijk zal zijn dat de toegang tot de extra pensioenruimte niet leidt tot onevenredige administratieve lasten en berekeningen die de belastingplichtige zou moeten uitvoeren.

Vraag:

Kan worden aangegeven in hoeverre het behoud van een deblokkering voor lijfrentesparen in het spaarloon valt te combineren met de eis van het aantonen van een pensioentekort?

Als die deblokkeringsmogelijkheid gehandhaafd blijft, betreft dit per definitie een ongetoetste aftrek?

Antwoord:

Een eventuele handhaving van de deblokkeringsmogelijkheid van het spaarloon voor lijfrentepremies staat in theorie los van de vraag op welke wijze een dergelijke deblokkering kan worden gecombineerd met het aantonen van een pensioentekort. Deblokkering van spaarloon zou zo geregeld kunnen worden dat deze kan plaatsvinden voor de financiering van lijfrentepremies, ongeacht of deze premies al dan niet in aftrek kunnen worden gebracht. Of deze lijfrentepremies dan in aftrek kunnen worden gebracht zou dan slechts afhankelijk zijn van de vraag of de lijfrenten kwalificeren als voorziening ter compensatie van een pensioentekort. Het zou in het nieuwe systeem denkbaar zijn, dit in antwoord op de vraag of handhaving van de deblokkeringsmogelijkheid per definitie een ongetoetste aftrek betreft, te bezien of alsdan een en ander vorm kan worden geven als een ongetoetste aftrek. Aan deze benadering zijn echter budgettaire gevolgen verbonden.

Vraag:

In de Nota naar aanleiding van het verslag wordt onvoldoende ingegaan op de kwestie van sparen voor vervroegde uittreding.

Antwoord:

In beginsel biedt het voorgestelde lijfrenteregime, wat betreft de toegelaten lijfrentevormen, de mogelijkheid om een lijfrente te bedingen voor vervroegde uittreding (artikel 3.7.3., eerste lid, onderdeel c). Voor de bepaling van de aftrekruimte van een belastingplichtige (omvang aftrek) wordt evenwel aangesloten bij de aanwezigheid van een pensioentekort. Uitgangspunt bij de beoordeling of een dergelijk tekort bestaat, is een te bereiken jaarlijkse uitkering van 70% van het eindinkomen vanaf 65 jaar. Voor het via een lijfrente sparen voor vervroegde uittreding wordt derhalve geen (additionele) aftrekruimte gegeven. Wel staat het de belastingplichtige vrij om eventuele ruimte vanwege de aanwezigheid van een pensioentekort voor een overbruggingslijfrente aan te wenden. Zoals aangegeven in paragraaf 7.3 van de Nota naar aanleiding van het verslag bij de bespreking van het vijfde voorbeeld van het Verbond, betekent een en ander dat een werknemer die voldoende pensioenrechten in een jaar opbouwt en dat ook in het verleden heeft gedaan, geen ruimte heeft om een overbruggingslijfrente te financieren door middel van aftrekbare premies.

Vraag:

Hoe wordt met het rapport van de commissie cultuur en belastingen verder gegaan?

Antwoord:

Het rapport en de 38 aanbevelingen worden thans, zoals in de Nota naar aanleiding van het verslag bij de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 reeds is aangegeven,nader bezien.

Vraag:

Ontstaat als gevolg van het aanpassen van de zogenoemde artiestenregeling in de Wet op de loonbelasting 1964 geen ongelijke behandeling tussen artiesten die onder de artiestenregeling vallen en artiesten (bijvoorbeeld musici) die in loondienst zijn?

Antwoord:

Er is verschil tussen mensen in loondienst en mensen die freelance werken. Dit betreft de duurzaamheid van de relatie met de opdrachtgevers, de vraag of voor een of meer opdrachtgevers wordt gewerkt, het financiële risico en vaak ook de omvang van de vergoeding. Gelijke behandeling brengt mee dat artiesten in loondienst niet anders worden behandeld dan anderen in loondienst. Dit uitgangspunt zal ook worden gevolgd bij het uitwerken van de voorstellen van de Commissie Habbema. Op dezelfde wijze zou voor de zogenaamde artiestenregeling een gelijkstelling worden bevorderd voor de loonbelasting, waarbij de regeling voor sporters die met ingang van 2000 tot stand is gebracht als model zal dienen. De artiesten die freelancers zijn zullen tenslotte op eenzelfde manier worden behandeld als andere freelancers. Voorzover er dan verschil in behandeling ontstaat, bijvoorbeeld waar het gaat om het al dan niet aftrekbaar zijn van instrumenten en hulpmiddelen dan wel het activeren van uitgaven, zijn dat verschillen als gevolg van het verschil tussen het werken in een dienstbetrekking en freelance werken.

Vraag:

Kan met het oog op de verschillende varianten om schulden deels buiten beschouwing te laten bij de vaststelling van de grondslag voor de forfaitaire rendementsheffing meer informatie worden verstrekt over de spreiding van de schulden over de populatie?

Antwoord:

De genoemde varianten hebben uitsluitend gevolgen voor belastingplichtigen die op grond van het huidige voorstel forfaitaitaire rendementsheffing betalen en tegelijkertijd schulden (niet zijnde schulden in verband met de eigen woning) hebben. De waarde van de positieve vermogensbestanddelen van deze belastingplichtigen moet derhalve in ieder geval groter zijn dan de som van de schulden (exclusief eigen woning) en de heffingsvrije voet. In de onderstaande tabel is (uitsluitend) voor deze groep belastingplichtigen weergegeven hoe groot deze schulden gemiddeld zijn bij de verschillende inkomensklassen.

Tabel: Omvang gemiddelde schulden van belastingplichtigen die zowel forfaitaire rendementsheffing betalen als schulden (andere dan schulden eigen woning) hebben

naar klasse van het

aantal

gemiddelde

belastbaar inkomen


* 1000

schuld in

1999

duizenden

<=


10

670


20000

17

101

20001

40000

56

54

40001

60000

91

58

60001

80000

74


80001

100000

50

54

100001

150000

64

114

150001

200000

21

159


200000

25

235

totaal

408


Vraag:

Wordt met het in de loonbelasting voorgestelde systeem van vrije vergoedingen afstand genomen van het bestaande stelsel inzake onbelaste vergoedingen?

Antwoord:

Het antwoord luidt bevestigend. Onder het huidige regime geldt als uitgangspunt: indien een kostenpost bij de werknemer in de inkomstenbelasting aftrekbaar zou zijn, kan de werkgever voor die post desgewenst een onbelaste vergoeding toekennen. In het in de loonbelasting voorgestelde zelfdragende systeem voor vrije vergoedingen is deze aard van symmetrie niet langer aan de orde.

Het voorgestelde nieuwe uitgangspunt van de wetgever voor de afbakening van belaste ten opzichte van onbelaste kostenvergoedingen is dat daarvoor uitsluitend de algemene maatschappelijke opvattingen en de vertaling van dit uitgangspunt in regelgeving omtrent wat wel en wat niet als beloningsvoordeel wordt ervaren doorslaggevend zijn. Dit nieuwe uitgangspunt is aangegrepen om wetssystematisch te komen tot een zoveel mogelijk gelijke behandeling van (vrije) vergoedingen in geld enerzijds en (vrije) verstrekkingen in natura anderzijds; vergelijk ook het opschrift van het nieuwe hoofdstuk IIA van de Wet op de loonbelasting 1964. Hiermee is een nieuwe opzet in de loonbelasting verankerd, waarbij de onbelaste vergoeding niet zoals thans het eindresultaat is maar een vertrekpunt.

Vraag:

Wat zijn de verschillen in uitwerking bij de meesleep- en meetrekregeling voor de ondernemer zelf ten opzichte van personen die behoren tot zijn huishouden.

Antwoord:

In algemene zin hebben we ook in de Nota naar aanleiding van het verslag aangegeven dat we daar op diverse plaatsen aanpassing overwegen. De door ons in eerste aanleg beperkt gehouden uitwerking van de meesleep- en meetrekregeling geeft, zo is ons uit diverse commentaren gebleken, ruimte voor onbedoeld gebruik. In dat licht hebben we reeds aangegeven in de AB-sfeer het bereik van de regeling uit te breiden. In de sfeer van de onderneming in de inkomstenbelasting is het aangegeven onderscheid - en daarmee de eventuele ongelijkheid - door de bestaande verplichte vermogensetikettering reeds voor een belangrijk deel weggenomen. Voor de toepassing van de meesleep- en meetrekregeling is overigens, zo merken we in antwoord op zijn vraag op, het huwelijksgoederenregime niet van belang.

Vraag:

Graag een toelichting op de samen hang tussen de heffingskorting en de keuzeregeling voor buitenlandse belastingplichtigen, met name ten aanzien van de inwoners van België en Duitsland die in Nederland werken.

Graag een toelichting op de passage in de Nota naar aanleiding van het verslag waarin wordt aangegeven dat de in de heffingskorting voor de loonbelasting in de meeste gevallen niet wordt teruggenomen.

Antwoord:

Inwoners van België die in Nederland werken en die grensarbeider zijn in de zin van het huidige Nederlands-Belgische belastingverdrag, zijn belasting verschuldigd in België en premies volksverzekeringen in Nederland. Deze niet-inwoners hebben daarom in Nederland recht op de heffingskortingen voor de volksverzekeringen, maar zij hebben geen recht op de heffingskorting voor de inkomstenbelasting (tenzij zij opteren voor de regels die gelden voor binnenlandse belastingplichtigen). Indien een in België wonende grensarbeider in Nederland in loondienst is hoeft ook geen inhouding van loonbelasting plaatsvinden (artikel 27, zevende lid, van de Wet op de loonbelasting 1964).

Indien de grensarbeidersregeling niet van toepassing is en de inwoner van België ook in Nederland belastingplichtig is voor de inkomstenbelasting, heeft hij op grond van het
non-discriminatie-artikel in het huidige Nederlands-Belgische belastingverdrag ook recht op de heffingskorting voor de inkomstenbelasting.

Inwoners van Duitsland die werken in Nederland zijn niet alleen onderworpen aan de Nederlandse volksverzekeringen, maar ook aan de Nederlandse inkomstenbelasting. Deze niet-inwoners hebben in Nederland recht op de heffingskortingen voor de volksverzekeringen, maar zij hebben alleen recht op de heffingskorting voor de inkomstenbelasting als zij opteren voor de regels die gelden voor binnenlandse belastingplichtigen. Indien zij in dienstbetrekking zijn zal bij de heffing van loonbelasting wel rekening worden gehouden met de heffingkorting voor de loonbelasting.

In de Nota naar aanleiding van het verslag is bij artikel 2.2.2 aangegeven dat in gevallen van gedeeltelijke binnenlandse en buitenlandse belastingplicht in één kalenderjaar de bij de loonbelasting naar tijdsevenredigheid in aanmerking genomen heffingskorting in de meeste gevallen op grond van artikel 9.4 niet wordt teruggenomen. Daarbij moet worden bedacht dat het loonbelasting deel van de algemene heffingskorting en de arbeidskorting - bij een loontijdvak van een kalenderjaar - volgens het wetsvoorstel samen f 494 bedraagt, terwijl de aanslaggrens in de inkomstenbelasting nu f 421 bedraagt. Dat betekent dat indien bij de heffing van de loonbelasting rekening is gehouden met een heffingskorting voor een periode van tien maanden of minder dit op zich zelf niet leidt tot een aanslag inkomstenbelasting. Als de niet-inwoner langer dan tien maanden is onderworpen aan de Nederlandse loonbelasting, ligt het in de rede dat hij opteert voor de regels die gelden voor binnenlandse belastingplichtigen, zodat hij ook in aanmerking komt voor de heffingskorting voor de inkomstenbelasting.

Vraag:

In de Nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel voor de Wet inkomstenbelasting 2001 is aangegeven dat de bewindslieden bereid zijn om te bezien of de afbakening van het ondernemersbegrip die gekozen is nog wat kan worden bijgesteld, door in meer gevallen van medegerechtigdheid dan thans in het wetsvoorstel zijn opgenomen het winstregime toe te passen in plaats van het forfaitaire rendement van Box III. Daarbij is opgemerkt dat voor de vraag of dat wenselijk is, onder meer van belang is dat een generieke uitsluiting van het winstregime van belastingplichtigen die medegerechtigden zijn tot het vermogen van een onderneming tot gevolg kan hebben dat constructies mogelijk worden door verschillen in belastingdruk.

Kan verduidelijkt worden op welke constructies wordt gedoeld?

Antwoord:

Zowel de belegger/commandite als de belegger/aandeelhouder vallen onder het forfaitaire rendement. Bij de commanditaire vennootschap ontbreekt echter de voordruk van de vennootschapsbelasting. Dit zou ertoe kunnen leiden dat in een aantal situaties alleen om fiscale redenen de rechtsvorm van de commanditaire vennootschap in plaats van de besloten vennootschap wordt gekozen.

Vraag:

Voor ondernemersfaciliteiten als de zelfstandigenaftrek geldt dat de belastingplichtige moet voldoen aan het zogenaamde urencriterium. Indien de belastingplichtige samenwerkt met een verbonden persoon tellen in het voorstel de werkzaamheden ten behoeve van het samenwerkingsverband niet mee als de deelname van de belastingplichtige aan het samenwerkingsverband buiten verbonden verhoudingen niet gebruikelijk is. Onthoudt dit gebruikelijkheidscriterium niet ten onrechte ondernemersfaciliteiten aan de deelname aan een samenwerkingsverband uitsluitend omdat de beroepskwalificaties van de partners niet gelijk zouden zijn?

Antwoord:

Het gebruikelijkheidscriterium beoogt te voorkomen dat ondernemers directe familieleden of huisgenoten bij hun onderneming betrekken op een wijze die buiten de familieband of huiselijke relatie niet denkbaar zou zijn, met de bedoeling om die familieleden en huisgenoten toegang te verschaffen tot ondernemersfaciliteiten. In een samenwerkingsverband waarbij de participanten gerechtigd zijn tot een deel van de winst, worden in het algemeen alleen personen opgenomen die een substantiële bijdrage leveren aan de winst of de omzet. Het is daarbij niet noodzakelijk dat alle participanten hetzelfde beroep of dezelfde werkzaamheden uitoefenen. Zo zal een samenwerkingsverband tussen een tandarts en mondhygiënist in zakelijke verhoudingen niet ongebruikelijk zijn. Het is echter moeilijk voor te stellen dat in de praktijk een tandarts een samenwerkingsverband aangaat met iemand die slechts administratieve ondersteuning verleent.

Vraag:

Kan een aantal reparatievarianten worden gemaakt waarbij de middeninkomens er op vooruit gaan, maar de rest er niet op achteruit gaat? Ook de positie van ouderen met een pensioen van ongeveer 40.000 dient hierbij te worden betrokken. Welke middelen zijn er naast de schijfverlenging om de negatieve inkomenseffecten voor de alleenverdienende werknemers en ouderen te verhelpen?

Antwoord:

In het in de bijlage opgenomen memo zijn een aantal varianten uitgewerkt ter verbetering van de inkomenseffecten van de middeninkomens. Deze varianten leiden tevens tot een verbetering van de positie van de in de vraag genoemde ouderen met een pensioen van ongeveer 40.000.

Vraag:

Hoe kunnen de overschotten in de sociale fondsen, daar waar het gaat om de eventuele verlaging van de WW-premie nog worden ingezet om de problematiek van bijvoorbeeld de middeninkomens op te lossen?

Antwoord:

De mogelijkheid van een verlaging van de WW-premie zal worden betrokken bij de varianten voor verbetering van het inkomensbeeld van de middeninkomens.

Vraag:

Voorgesteld wordt de mogelijkheid om bij de heffing van loonbelasting vrij vergoedingen te verstrekken voor zover zij naar algemene maatschappelijke opvattingen niet als beloningsvoordeel worden ervaren. Wat schiet de werknemer en werkgever hiermee uiteindelijk op, aangezien het qua eindresultaat niet de bedoeling is ten principale wijziging te brengen in het vergoedingenregime zoals dat nu geldt. ?

Antwoord:

Wij verwijzen naar de uiteenzetting onder punt 13 van het Nader rapport. Zoals daar is aangegeven, maakt het nieuwe regime voor de toekomst een ontwikkeling mogelijk waarbij de discussie over de grenzen van het loonbegrip op het punt van vergoedingen en verstrekkingen op een meer adequate wijze dan thans het geval is met behulp van de loonbelastingwetgeving zal kunnen worden begeleid. De in het voorgestelde artikel 15c van de Wet op de loonbelasting 1964 opgenomen bevoegdheid voor de Minister van Financiën biedt de mogelijkheid om maatschappelijke opvattingen over hetgeen als loon wordt ervaren, in een vroeg stadium flexibel in de wetgeving in te passen. Met name indien in bredere kring onduidelijkheid over de aard van een potentieel beloningsvoordeel kan ontstaan, ligt het voor de hand dat deze bevoegdheid met voortvarendheid wordt aangewend.

Vraag:

Betekent de individualisering van de aftrekposten binnen het inkomen uit werk en woning dat bij de bepaling van de drempel voor de belastingaftrek voor kinderopvang gekozen mag worden voor het laagste inkomen van beide partners.

Zo ja, wat zijn hier de budgettaire consequenties van? Zo nee, dan is het individualiseringsbeginsel als het gaat om de aftrek van kinderopvang een wassen neus aangezien de aftrek wordt bepaald op het huishoudinkomen en je vervolgens alleen mag bepalen bij wie van de twee je dit in aftrek brengt.

Antwoord:

Bij de bepaling van de drempel voor de belastingaftrek voor kinderopvang gekozen mag niet worden gekozen voor het laagste inkomen van beide partners.

Met het nieuwe belastingstelsel wordt aansluiting gezocht bij de maatschappelijke ontwikkelingen welke tenderen naar verdergaande individualisering. Verdergaande Individualisering betekent echter niet dat de gedachte van huishoudensdraagkracht volledig kan worden losgelaten. Draagkrachtbepalende factoren, zoals het hebben van een partner zonder inkomen of het hebben van kinderen, dienen immers niet te worden veronachtzaamd. Bij de regeling voor aftrek van uitgaven voor kinderopvang is het gelet op dit uitgangspunt gepast om voor de bepaling van de drempel uit te gaan van het huishoudinkomen. De gekozen vormgeving van de regeling met betrekking tot de aftrek van uitgaven voor kinderopvang draagt daarom op evenwichtige wijze bij aan de verdergaande individualisering.

Vraag

Is het zo dat geen bijtelling plaatsheeft als werkgever en werknemer overeenkomen dat een bestelauto niet privé mag worden gebruikt?

Antwoord:

Het antwoord luidt bevestigend als tenminste ook duidelijk is dat deze overeenkomst wordt nageleefd en gecontroleerd. Net als bij personenauto's wordt in zo'n geval niet aan toepassing van de artikelen over bijtelling privé-gebruik auto toegekomen. Desgevraagd zullen werkgever en werknemer wel overtuigend moeten aantonen dat de auto niet voor privé-doeleinden wordt gebruikt. In dat kader zouden voorbeelden van reële sancties ingeval de auto wel in privé zou worden gebruikt, kunnen zijn het aantoonbaar niet meer voor woon-werkverkeer ter beschikking stellen van de (bestel)auto of het betalen van een boete aan de werkgever. Wij wijzen er op dat, op niet fiscale gronden, al talrijke bedrijven in hun (bestel)auto controle-electronica inbouwen. Van het voor privé-doeleinden ter beschikking staan met inbegrip van het feitelijk gebruik moet via de salarisadministratie de fiscus in kennis worden gesteld.

Vraag:

Voor welk type bestelauto's wordt de huidige systematiek voor bijtelling van het privé-gebruik gehandhaafd?

Antwoord:

De regeling is niet eenduidig op een bepaald type bestelauto gericht. De regeling geeft de individuele belastingplichtige de ruimte om te laten blijken dat de bestelauto die hij in gebruik heeft, (nagenoeg) niet geschikt is voor ander gebruik dan goederenvervoer.

Vraag:

Treedt voor bestelauto's een administratieve lastenverzwaring op in de voorgestelde systematiek ten opzichte van de huidige?

Antwoord:

Erkend wordt dat de belastingplichtigen die voor 500 tot 7000 kilometer van de variabilisering gebruik willen maken, voor de bijtelling privé-gebruik van de bestelauto geconfronteerd worden met een rittenregistratie. Dit is in de huidige systematiek ook het geval, zij het dat nu voor bestelauto's alleen de privé-kilometers hoeven te worden bijgehouden, terwijl de voorgestelde rittenregistratie een volledige is. De vraag of dit administratief bewerkelijk is, is evenwel minder snel te beantwoorden. Velen, en veel bedrijven, hanteren een vorm van registratie. Ook zijn diverse, niet dure, elektronische registratiesystemen beschikbaar. Daarenboven geldt juist voor degenen die niet of nauwelijks de (bestel)auto van de zaak voor privé-doeleinden gebruiken, dat wel een verdergaande vereenvoudiging in de bewijsvoering is doorgevoerd. Verwacht wordt dat grosso modo de administratieve lasten voor het bijhouden van het privé-gebruik van een bestelauto gelijk blijven.

Vraag:

Treedt voor gebruikers van een auto van de zaak van ouder dan 15 jaar een enorme lastenverzwaring op omdat jaarlijks de waarde in het economisch verkeer moet worden bepaald?

Antwoord:

Voor de gerestaureerde old-timer is via de administratie van de onderneming exact bekend wat de kostprijs van auto en restauratie was, en ook de jaarlijkse waardedaling is doorgaans goed te bepalen. Een andere eveneens te overwegen methode is de bijtelling te laten plaatsvinden via een berekening aan de hand van de actuele kilometerprijzen. Voor veel typen old-timers zijn namelijk leaseprijzen beschikbaar, die ook duidelijk maken dat de exploitaitekosten en de kilometerprijs van veel van dergelijke autos meer aansluit bij die van nieuwe equivalenten dan de historische catalogusprijzen doen vermoeden.

Vraag:

Leveren de voorstellen inzake de auto van de zaak nu meer op of niet?

Antwoord

De autokostenfictie is in het wetsvoorstel zodanig vormgegeven, dat deze ten opzichte van de huidige situatie naar verwachting grosso modo budgettair neutraal uitwerkt. Op pagina 398 van de Nota naar aanleiding van het verslag betreffende het voorstel van wet voor de Wet inkomstenbelasting 2001 is dit nader toegelicht.

Vraag:

Waarom wordt in de oudedagsreserve opnieuw een vermogenstoets geintroduceerd?

Antwoord:

Het gaat hier slechts om een beperkte vermogenstoets. In de wettelijke regeling zoals die tot 1 januari 1998 bestond werd elk jaar getoetst of de oudedagsreserve boven het ondernemingsvermogen uitkwam. Was dat het geval dan moest de oudedagsreserve met het verschil afnemen. Onder het wetsvoorstel is deze toets alleen nodig als niet meer wordt voldaan aan de vereisten voor het toevoegen aan de oudedagsreserve, zoals het urencriterium.

Het niet langer voldoen aan het urenciterium zal veelal betekenen dat de onderneming wordt ingekrompen. De reden om in die situatie een vermogenstoets aan te leggen, is dat op die wijze kan worden voorkomen dat de belastingheffing ten onrechte wordt uitgesteld en invorderingsproblemen ontstaan doordat er onvoldoende activa zijn om de belastingclaim op te verhalen. Dit is te meer van belang omdat ook buitenlandse belastingplichtigen met een onderneming in Nederland in aanmerking komen voor dotatie aan de oudedagsreserve. Indien een onderneming op zodanige wijze wordt ingekrompen dat niet gesteld kan worden dat sprake is van staking, zouden zich - met name bij buitenlandse belastingplichtigen - aanzienlijke invorderingsproblemen kunnen voordoen. Om te voorkomen dat de ondernemer die tijdelijk niet aan het urenciterium voldoet, in problemen komt, is de mogelijkheid van een inhaaldotatie gecreëerd.

Ondernemers die hun onderneming normaal voortzetten, hebben, anders dan onder de wettelijke regeling tot 1 januari 1998, geen last van de vermogenstoets.

Vraag:

Wat is het beleid is de indexering van bedragen in de belastingwetgeving en welke criteria daarbij worden gehanteerd.

Antwoord:

Een groot aantal bedragen in de belastingwetgeving wordt jaarlijks op enigerlei wijze geïndexeerd. Deze indexering is begonnen in 1972 en had toen alleen nog betrekking op het tarief. In de loop der jaren is deze indexering - soms op verzoek van de Kamer - met een groot aantal bedragen uitgebreid.

Voor bedragen die niet worden geïndexeerd, de vaste bedragen geldt in veel gevallen dat het gaat om technische bedragen die in een verwijderd verband staan met de geldontwaarding. Een jaarlijkse aanpassing van deze bedragen is om die reden ongewenst. Ook op grond van doelmatigheids- en beleidsoverwegingen heeft een periodieke beoordeling van deze bedragen de voorkeur boven automatische aanpassing. Naast andere overwegingen speelt bij deze beoordeling ook de mate van geldontwaarding een rol. De voor de automatische aanpassing algemeen gebruikte inflatiecorrectie is overigens niet op alle thans niet geïndexeerde bedragen toepasbaar omdat veeleer een verband moet worden gelegd met de prijsontwikkeling van specifieke goederen of diensten. Tenslotte kan nog worden opgemerkt dat het werken met ronde bedragen die niet al te vaak worden gewijzigd als voordeel heeft dat daarmee een zekere mate van herkenbaarheid voor de belastingplichtige wordt bevorderd.

Vraag:

Kan de meesleep- en meetrekregeling niet achterwege blijven?

Antwoord:

Het afzien van de meesleep- en meetrekregeling zou tot gevolg hebben dat deze vermogensbestanddelen in box III vallen. Naast het tariefverschil tussen de vennootschapsbelasting en de inkomstenbelasting in box III is er ten opzichte van laatstgenoemde box echter ook nog het grondslagverschil. Juist in gelieerde verhoudingen, zoals bij de aanmerkelijkbelanghouder, is dat kwetsbaar voor ongewenste arbitrage. De heffing over voordelen uit een aanmerkelijk belang verloopt volgens een winstsystematiek. De beoogde heffing zou ernstig worden bemoeilijkt indien daarnaast geldstromen zouden bestaan tussen de vennootschap en de aandeelhouder waarover bij die laatste niet op basis van de reëel ontvangen bedragen zou worden geheven. Daarbij mag niet uit het oog worden verloren dat de heffing over deze geldstromen in het voorstel daalt van maximaal 60% naar 30%.

Vraag:

Bij de meetrek- en meesleepregeling worden de voordelen uit de desbetreffende vermogensbestanddelen bij de aanmerkelijk-belanghouder met 30% belast terwijl de kosten bij de vennootschap naar het vennootschapsbelastingtarief van 35% aftrekbaar zijn.

Kunnen deze vermogensbestanddelen eventueel fictief tot het vermogen van de vennootschap worden gerekend of zou kunnen worden geregeld dat de kosten bij de vennootschap naar het 30%-tarief in plaats van het 35%-tarief aftrekbaar zijn?

Antwoord:

Zoals is aangekondigd in de Nota naar aanleiding van het verslag bij het voorstel van Wet inkomstenbelasting 2001, wordt momenteel bezien of in dit verband maatregelen moeten worden getroffen. Daarbij is de mogelijkheid genoemd de vermogensbestanddelen die onder de meetrek- en meesleepregeling vallen in box I te betrekken. Bovengenoemde suggesties zullen ook in deze beschouwing worden betrokken. Beide suggesties voorkomen een tariefvoordeel, maar hebben als bezwaar dat ze maatregelen op het niveau van de vennootschap betreffen en daardoor ook gevolgen hebben voor eventuele andere aandeelhouders.

Vraag:

Het blijkt dat zelfstandigen met lage inkomens (tot ongeveer f 35.000) er op achteruit gaan. Het gaat om zon 200.000 zelfstandigen. Is hier iets aan te doen? Kan de regering varianten aangeven om dit knelpunt op te lossen?

Antwoord:

Van de groep van 200 000 zelfstandigen met een laag inkomen (tot f 35 000) ondervindt 55% een forse inkomensvooruitgang. Dit zijn zelfstandigen die op dit moment nog particulier verzekerd zijn en in de toekomst in het ziekenfonds worden opgenomen. Daarnaast zijn er echter ook circa 90 000 zelfstandigen met een laag inkomen die op dit moment al ziekenfondsverzekerd zijn. Het EIM merkt op dat dit mogelijk is doordat zij zijn meeverzekerd met hun partner of een (kleine) baan in loondienst en/of een uitkering hebben. Deze groep, die nu al een relatief gunstige premie ziekenfondswet betaalt, ondervindt per saldo een beperkte inkomensachteruitgang. Omdat deze groep (vrijwel) geen inkomstenbelasting betaalt, heeft zij geen voordeel van de wijzigingen in de tariefstructuur. Veelal betreft het tijdelijke situaties. Zodra deze ondernemers meer winst gaan maken, ondervinden ook zij de voordelen van de wijzigingen in de tariefstructuur. Bovendien is bij deze ondernemers en/of hun partners naast het winstinkomen vaak sprake van andere inkomsten.

Vraag:

Kan een nadere toelichting worden gegeven op de vraag wanneer een kunstvoorwerp ter belegging wordt aangehouden? Kan in een aantal concrete situaties worden aangegeven of sprake is van een belegging of niet en kan daarnaast worden ingegaan op mogelijke waarderings- en controleproblemen?

Antwoord:

Alvorens hier dieper op in te gaan, wordt nogmaals benadrukt dat voor het grootste deel van de roerende zaken in eigen gebruik en vervolgens ook de voorwerpen van kunst en wetenschap de vrijstelling geldt. Slechts in een zeer beperkt aantal uitzonderingen zal het beleggingskarakter zo nadrukkelijk aanwezig zijn, dat de inspecteur zal kunnen stellen én aannemelijk maken dat sprake is van een belegging. Het voornemen bestaat overigens om, in afwijking van het oorspronkelijke voorstel, ook voor voorwerpen van kunst en wetenschap die bewijslast bij de inspecteur te leggen.

Uitgangspunt bij het toetsen van het beleggingskarakter is de intentie van de belastingplichtige en niet zozeer de wijze waarop het kunstvoorwerp is verkregen (koop, ruil, schenking, vererving). De inspecteur zal dit aannemelijk moeten maken. Aangezien de forfaitaire rendementsheffing uitgaat van een verondersteld economisch rendement, moet het beleggingskarakter van het kunstvoorwerp vóóraf worden getoetst. De constatering achteraf dat het kunstvoorwerp met financieel voordeel is verkocht speelt hierbij dus geen rol. De inspecteur zal op basis van de feitenconstellatie van geval tot geval deze beoordeling moeten maken.

Voor de vraag naar eventuele waarderings- en controleproblemen wordt verwezen naar onderdeel 6.3.2 van de Nota, waar uitgebreid op de voorwerpen van kunst en wetenschap is ingegaan.

Vraag:

In de Nota naar aanleiding van het verslag bij de Invoeringswet is aangegeven dat winstuitdelingen die de reguliere jaarwinst niet te boven gaan, niet door de heffing van additionele vennootschapsbelasting zullen worden getroffen, voorzover deze jaarwinst geen betrekking heeft op de realisatie van stille of fiscale reserves die per 1 januari 2001 reeds aanwezig waren.

Betekent dit dat indien er een divisie van een onderneming wordt afgestoten, de boekwinst die hierop wordt gerealiseerd niet kan worden uitgekeerd zonder tegen de strafheffing op te lopen?

Antwoord:

Of een in dergelijke situatie de additionele heffing van vennootschapsbelasting zal optreden hangt af van het specifieke geval, doch dit is inderdaad niet uitgesloten. Dit kan als volgt worden toegelicht.

In het oorspronkelijke voorstel werd uitgegaan van een zuivere first-in-first-out benadering, de oudste winsten worden geacht als eerste te zijn uitgekeerd. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt naar winsten die op 1 januari 2001 reeds zijn gerealiseerd en stille reserves. In beide gevallen gaat het om een waardeaangroei onder het oude stelsel.

De toezegging die is gedaan in de Nota naar aanleiding van het verslag, maakt hierop onder omstandigheden een inbreuk en is bedoeld om snelgroeiende bedrijven of bedrijven met pieken in de winst niettemin de mogelijkheid te bieden ten minste de winst uit de normale bedrijfsuitoefening zonder additionele heffing uit te delen. Het betreft dan winst die zijn oorsprong vindt in de bedrijfsuitoefening van ná 1 januari 2001.

De winst in het genoemde voorbeeld van afstoting van een divisie, kan niet worden beschouwd als winst uit normale bedrijfsuitoefening, maar betreft juist een incidentele bate. De stille reserves die in de divisie schuilgaan vinden hun oorsprong in de bedrijfsuitoefening van die divisie vóór 1 januari 2001. Indien de divisie na 1 januari 2001 zou worden afgestoten en de meerwaarde die daarin schuilging aan de aandeelhouders wordt uitgekeerd, realiseren de aandeelhouders op dat moment de onder het oude stelsel opgebouwde waardeaangroei. De doelstelling van de additionele vennootschapsbelasting is juist dergelijke uitdelingen te belasten. Vergelijkbaar is in dit verband een liquidatie van een bedrijf na 2001. Indien aandeelhouders na 1 januari 2001 een liquidatieuitkering ontvangen realiseren zij op dat moment in één keer de onder het oude regime opgebouwde winstreserves en stille reserves, hetgeen aanleiding kan zijn voor de heffing van additionele vennootschapsbelasting.

Uiteraard hangt de daadwerkelijke heffing van additionele vennootschapsbelasting in een specifiek geval af van de vraag of de winst inderdaad wordt uitgedeeld en of deze uitdeling als excessief kan worden aangemerkt en van de samenstelling van het aandeelhoudersbestand.

Vraag:

Waarom worden intra concerndividenden niet gewoon uitgesloten van de additionele heffing?

Antwoord:

Zoals is aangegeven in de Nota naar aanleiding van het verslag wordt de additionele heffing opgelegd op het niveau van de vennootschap. Uit het karakter van de heffing vloeit logischerwijs voort dat het daarbij niet ter zake doet aan welke aandeelhouder een excessieve winstuitdeling daadwerkelijk plaatsvindt. Het past derhalve niet binnen de systematiek van de heffing een specifieke vrijstelling op te nemen voor uitdelingen binnen een concernverband. Echter, de vormgeving van de regeling is zodanig dat bij uitdelingen binnen concernverband de heffing in veel gevallen niet zal optreden. Indien de aandelen van een concerndochter uitsluitend worden gehouden door een of meer andere maatschappijen binnen het concern die elk meer dan 5% van de aandelen houden, wordt de additionele heffing verminderd tot nihil. Pas bij uitdeling door de tophoudster van het concern waarin wel in belangrijke mate wordt geparticipeerd door aandeelhouders met een belang van minder dan 5% treedt de heffing dan op. Uiteraard treedt de heffing bovendien pas op indien de winstuitdeling als excessief moet worden aangemerkt.

Vraag:

Graag ontvangen we een overzicht van alle ministeriële regelingen waarnaar in het wetsvoorstel wordt verwezen.

Antwoord:

In het wetsvoorstel wordt in de volgende artikelen verwezen naar bij ministeriële regeling te stellen regels:

* artikel 1.2 (partnerregeling);

* artikel 1.5 (in belangrijke mate onderhouden van kinderen);
* artikel 1.7 (wederzijdse erkenning);

* artikel 2.1.1 (woonplaatsfictie);

* artikel 2.2.3 (keuzerecht voor buitenlandse belastingplichtigen);
* artikel 3.2.2.1b (verliezen uit de aanloopfase van een onderneming);

* artikel 3.2.2.4 (overige vrijstellingen);
* artikel 3.2.2.7 (van aftrek uitgesloten posten ten behoeve van de belastingplichtige);

* artikel 3.2.2.8 ( in aftrek beperkte kosten ten behoeve van de belastingplichtige);

* artikel 3.2.2.10 (bijtelling privé-gebruik auto);
* artikel 3.2.2.11 (winst uit zeescheepvaart aan de hand van tonnage);

* artikel 3.2.2.16 (loon- en prijswijzigingen na afloop jaar en betaling);

* artikel 3.2.2.20 (willekeurige afschrijving milieu-bedrijfsmiddelen);

* artikel 3.2.2.21 (willekeurige afschrijving arbo-bedrijfsmiddelen);

* artikel 3.2.2.22 (willekeurige afschrijving T&O-bedrijfsmiddelen);
* artikel 3.2.2.23 (willekeurige afschrijving andere aangewezen bedrijfsmiddelen);

* artikel 3.2.2.25 (administratieve verplichtingen willekeurige afschrijving);

* artikel 3.2.2.26 (mogelijkheid verplichte verklaring bij willekeurige afschrijving);

* artikel 3.2.2.27 (terugnemen willekeurige afschrijving);
* artikel 3.2.2.31 (energie-investeringsaftrek);
* artikel 3.2.2.38 (delegatiebepaling scholingsaftrek);
* artikel 3.2.2.41 (wijziging willekeurige afschrijving, investeringsaftrek en scholingsaftrek);

* artikel 3.2.4.4 (aftrek speur- en ontwikkelingswerk);
* artikel 3.3.9 (reisaftrek);

* artikel 3.5.5 (vrijstellingen publiekrechtelijke uitkeringen);
* artikel 3.8.7 (verminderingen en voorkoming dubbeltellingen);
* artikel 3.9.1 (uitgaven voor kinderopvang);
* artikel 3.9.2 (voorwaarden);

* artikel 3.9.4 (in aanmerking te nemen uitgaven);
* artikel 3.10.1 (waardering niet in geld genoten inkomen);
* artikel 3.10.2 (privé-gebruik auto);

* artikel 3.12.4 (formalisering achterwaartse verliesverrekening);
* artikel 3.13.1 (middeling);

* artikel 4.3.2 (gelijkstelling; aandelen met bijzondere rechten);
* artikel 4.5.2.1 (forfaitair voordeel uit buitenlandse beleggingslichamen);

* artikel 4.11.4 (formalisering achterwaartse verliesverrekening);
* artikel 5.2.5 (vrijstelling groen beleggen);
* artikel 5.2.6 (vrijstelling geldlening aan beginnende ondernemers);

* artikel 5.2.7 (vrijstelling geldleningen aan en deelnemingen in bepaalde participatiemaatschappijen);

* artikel 5.2.9 (vrijstelling aandelen en winstbewijzen in aangewezen participatiemaatschappijen);

* artikel 6.3.2 (kwijtschelding binnen een bepaalde periode);
* artikel 6.4.2 (beperkingen);

* artikel 6.4.3 (omvang in aanmerking te nemen uitgaven);
* artikel 6.5.2 (uitgaven wegens ziekte invaliditeit en bevalling);
* artikel 6.5.8 (uitgaven wegens adoptie);
* artikel 6.6.2 ((het in aanmerking te nemen bedrag);
* artikel 6.81 (uitgaven voor monumentenpanden);
* artikel 6.9.6 (giften aan niet in Nederland gevestigde instellingen);

* artikel 7.2.1 (belastbaar inkomen uit werk en woning);
* artikel 7.3.2 (verkrijgingsprijs aanmerkelijk belang);
* artikel 9.4 (wel of geen aanslag);

* artikel 10.1.1 (inflatiecorrectie);

* artikel 10.1.2 (de tabelcorrectiefactor);
* artikel 10.1.3 (bijstelling eigenwoningforfait);
* artikel 10.1.4 (bijstelling uitgaven voor een monumentenpand);
* artikel 10.1.5 (afronding en definitie indexcijfer van de woninghuren);

* artikel 10.1.6 (indexering vrijstelling kamerverhuur);
* artikel 10.2.1 (tijdelijke aanvullende delegatie) en
* artikel 10.2.3 (activa in de Nederlandse Antillen of Aruba).

Het gaat hier voornamelijk om voorschriften van administratieve aard, uitwerking van (technische) details van een regeling of voorschriften die dikwijls wijziging behoeven. Veel delegatiebepalingen zijn ontleend aan de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en zijn nu uitgewerkt in het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 1964 en de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990.

Vraag:

Waarom kost omzetting van de belastingvrije sommen in heffingskortingen per saldo 450 miljoen?

Antwoord:

De heffingskortingen zijn in beginsel afgeleid van de actuele belastingvrije sommen, maar vervolgens met het oog op het beoogde inkomensbeeld nog enigszins verhoogd. Als gevolg van deze verhoging kost de omzetting per saldo 450 miljoen.

Vraag:

Waarom wordt er niet voor gekozen om, nu de inkomstenbelasting toch wordt herzien, het systeem zodanig in te richten dat ouders die primair verantwoordelijk zijn voor hun kinderen over voldoende financiële middelen kunnen beschikken, waardoor er op een gewone "markt" voor kinderopvang vraag en aanbod kunnen ontstaan.

Antwoord:

Bij de herziening van het stelsel is aanvankelijk een generieke tegemoetkoming voor de extra uitgaven voor kinderopvang in de vorm van een zogenoemd zorgkostenforfait overwogen. Zoals in de Nota naar aanleiding van het verslag is aangegeven is evenwel niet voor een dergelijke oplossing gekozen, omdat deze haaks zou staan op het bevorderen van arbeidsparticipatie en individualisering. Gegeven de verschillende doelstellingen van de belastingherziening, zou derhalve sprake zijn van een minder effectieve inzet van de beschikbare middelen. Voor een nadere uiteenzetting van de afwegingen die ten grondslag hebben gelegen aan de afwijzing van de mogelijkheid van een generiek zorgkostenforfait verwijzen wij naar de desbetreffende passages in de nota naar aanleiding van het verslag.

Vraag:

Wat houdt het streven naar vergroening in het kader van de belastingherziening in?

Antwoord:

Als onderdeel deel van de belastingherziening wordt een drietal tranches met vergroeningsmaatregelen doorgevoerd. De tweede tranche daarvan vormt onderdeel van het Belastingplan voor 2000, terwijl de derde tranche onderdeel zal uitmaken van het belastingplan voor 2001. De invulling van de derde tranche vergt wat betreft het niet-energie gedeelte nog de nodige aandacht. Het betreft zowel de verhoging van bestaande milieubelastingen als nieuwe maatregelen. De verlaging van de tarieven in de inkomstenbelasting uit hoofde van deze derde tranche is reeds in de Wet IB 2001 verwerkt. Met het oog op de voorbereiding van vergroeningsmaatregelen die na de huidige regeerperiode kunnen worden getroffen wordt de Werkgroep vergroening van het fiscale stelsel II ingesteld. Deze Werkgroep zal medio 2001 rapport uitbrengen.

Vraag:

Wat zouden de gevolgen zijn als de ondernemersfaciliteiten van toepassing worden verklaard op personen die resultaat uit overige werkzaamheden genieten?

Antwoord:

Ondernemersfaciliteiten als de zelfstandigenaftrek en de oudedagsreserve zijn vooral bedoeld om het instandhouden en de verdere ontwikkeling van de onderneming als duurzame organisatie van kapitaal en arbeid te bevorderen. Bij personen die resultaat uit overige werkzaamheden genieten is nou juist geen sprake van zon organisatie. Als dat wel het geval was, zouden ze ondernemer zijn en in aanmerking komen voor de faciliteiten. Onder de huidige wet komen de bedoelde personen evenmin in aanmerking voor de ondernemersfaciliteiten.

Het toekennen van de ondernemersfaciliteiten aan de genieters van resultaat uit overige werkzaamheden zou niet alleen aanzienlijke budgettaire gevolgen hebben - te meer daar dit een aanzuigende werking zou hebben op personen die nu loon uit dienstbetrekking genieten -, maar zou ook de vraag oproepen waarom de personen die in dienstbetrekking zijn hiervan wel worden uitgesloten. Tenslotte zou door het zo verbreden van de toegankelijkheid het echte doel, te weten echter ondernemers te ondersteunen, verwateren.

Vraag:

Waarom worden andere vormen, zoals geblokkeerd sparen of een beleggingsrekening, die tot doel hebben om te voorzien in inkomen nadat met werken is gestopt, niet onder de oudedagsparaplu gebracht.

Antwoord:

Zoals aangegeven in de eerdere schriftelijke stukken gaat het bij lijfrenten - waarvoor premie-aftrek mogelijk is - om onderhoudsvoorzieningen die zijn toegespitst op de situaties waarin en de perioden waarover daaraan behoefte bestaat. Zo is bij een oudedagslijfrente het zogenoemde langlevenrisico gedekt. Uiteraard is het mogelijk dat andere vormen, zoals geblokkeerd sparen of een beleggingsrekening, (eveneens) tot doel hebben om te voorzien in inkomen nadat met werken is opgehouden. Dergelijke voorzieningen zullen dan ook als sparen voor de oude dag worden ervaren. Daar staat echter tegenover dat deze producten, zelfs al worden hieraan nadere voorwaarden gesteld, veelal een minder sterk doelgebonden karakter hebben dan lijfrenten. Voor diverse denkbare modaliteiten op het punt van de hierbij te stellen voorwaarden zij overigens verwezen naar de nota naar aanleiding van het verslag. Uitgaande van de gegeven budgettaire kaders uit het Regeerakkoord is er daarom voor gekozen om in elk geval een ieder de mogelijkheid te bieden via het lijfrenteregime een adequate oudedagsvoorziening op te bouwen, en vooralsnog geen voorstellen te doen op het punt van het anderszins fiscaal begeleid sparen of beleggen voor de oude dag. Hierbij dient te worden bedacht dat een uitbreiding van de regeling voor oudedagsvoorzieningen met spaarvormen, afhankelijk van de daaraan te stellen voorwaarden, ook een belangrijke aanzuigende werking kan hebben op besparingen die toch al zouden plaatsvinden.

Vraag:

Hoe zijn de budgettaire kosten van een verlaging van de AOW-franchise in het lijfrenteregime berekend? Voor wie heeft een dergelijke verlaging betekenis?

Antwoord:

Het verlagen van de AOW-franchise in de premiegrondslag (artikel
3.7.5, vijfde lid) betekent voor de meeste belastingplichtigen een extra ruimte voor lijfrentepremie-aftrek. Uitzonderingen zijn de werknemers die deelnemen in een pensioenregeling met een enkele gehuwde AOW-inbouw, en personen met een inkomen dat lager is dan de verlaagde franchise. Uiteraard zal, net als onder het huidige regime, niet iedereen die (additionele) ruimte ook daadwerkelijk benutten, bijvoorbeeld omdat individueel geen behoefte wordt gevoeld aan een aanvullende voorziening in de lijfrentesfeer, of omdat de financiële middelen niet beschikbaar zijn. Het budgettaire effect van de verlaging is berekend op basis van een model waarin gegevens zijn opgenomen over onder meer de inkomens(verdeling) en leeftijden van belastingplichtigen, en de kenmerken van bestaande pensioenregelingen. In dit kader zijn met die gegevens samenhangende veronderstellingen gehanteerd over de feitelijke benutting van de ruimte. Volgens het model bedraagt het budgettaire beslag van een verlaging van de AOW-franchise naar f 21 061 naar verwachting rond de f 600 mln (ten opzichte van het huidige voorstel).

Vraag:

Is nader onderzoek naar de samenstelling van de groep kleine inkomens mogelijk?

Antwoord:

In het regeerakkoord is een onderzoek toegezegd naar de samenstelling van de groep kleine inkomens. Dit onderzoek is uitgevoerd door het CBS en opgenomen als bijlage II bij het wetsvoorstel Belastingherziening 2001. Het onderzoek is zeer gedetailleerd in zijn uitsplitsing naar categorieën, bronnen van inkomen en dergelijke. Een nader onderzoek zal derhalve naar verwachting weinig extra informatie opleveren.

Vraag:

Graag een reactie op het D66-voorstel met betrekking tot de autokostenfictie.

Antwoord:

Het woon-werkverkeer voor de gebruiker van de auto van de zaak wordt dezerzijds niet als privé beschouwd, zoals ook is uiteengezet in de Nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel voor de Wet inkomstenbelasting 2001 (blz. 400).

Het door de leden van de fractie van D66 voorgestelde systeem zou wellicht eenvoudiger zijn dan de nieuwe autokostenfictie, maar het neemt niet de bezwaren weg die aan het huidige systeem kleven. In de voorgestelde fictie wordt de in het regeerakkoord beoogde variabilisering bereikt in de bijtelling wegens het privé-gebruik van de auto, terwijl deze leden slechts één meetpunt voorstaan. Ook bestaat voor de belastingplichtige die verder dan 17,5 kilometer van zijn werk woont en 200 werkdagen heeft, geen enkele rem op het privé-gebruik: zowel weinig als veel privé-kilometers leiden tot een bijtelling van 25%. Overigens zou een dergelijke maatregel voor het bedrijfsleven een administratieve lastenverzwaring betekenen: voor iedere werkdag zou moeten worden bepaald of de werknemer de hem ter beschikking gestelde auto voor woon-werkverkeer heeft gebruikt.

Brief van Vaste Commissie 11 november 1999 (kenmerk 59-99-Fin)

In de brief van de Vaste Commissie voor Financiën 11 november jl. vraagt u met welke organisaties overleg wordt gepleegd over het invoeringstraject van de Belastingherziening 2001. Wij maken van deze gelegenheid gebruik om deze vraag te beantwoorden.

Antwoord:

Regulier overleg wordt gevoerd met VNO/NCW, MKB-Nederland, LTO-Nederland, FNV, CNV, MHP en ambtelijke vertegenwoordigers van SZW en EZ. Dit in het kader van de zogeheten Commissie Thunnissen - De Waard. In de besprekingen is niet gebleken dat de thans gehanteerde invoeringstermijn van circa negen maanden (van april 2000 tot 1 januari 2001) voor deze instellingen te kort is. Deze termijn is gebaseerd op eerdere ervaringen die met grootscheepse operaties (zoals de Oort-operatie) zijn opgedaan.

Naast de Commissie Thunnissen - De Waard vindt binnenkort overleg plaats met banken, pensioenfondsen en verzekeringsinstellingen over de renseignering van pensioengegevens en gegevens ten behoeve van de vermogensrendementsheffing.

Brief van de Vereniging van Hoofdambtenaren van Financiën (VHMF)

Bestudering van de brief leidt tot de conclusie dat deze geen voorstellen voor verandering van de wetgeving bevat.

De VHMF spreekt zorg uit over de invoering van de belastingherziening. De VHMF concludeert echter dat de Belastingdienst dit aankan. Wel zal volgens de VHMF de invoering gepaard moeten gaan met een adequate voorlichting en dienstverlening aan de burger. Dit spreekt vanzelf. Om dit te waarborgen zijn binnen de Belastingdienst verschillende projectgroepen in het leven geroepen om de gewenste voorlichtingsactiviteiten en dienstverleningsacties in kaart te brengen en voor te bereiden. Zodra de activiteiten feitelijk van start gaan zullen de noodzakelijke financiële middelen hiervoor worden vrijgemaakt. De wetsvoorstellen voorzien in de financiële dekking hiervan.

Intern naar de Belastingdienst gericht pleit de VHMF voor een adequate inzet van automatiseringscapaciteit en menskracht om de invoering van de Belastingherziening 2001 tot een succes te maken. De tijdige, juiste en volledige invoering van de Belastingherziening heeft binnen de Belastingdienst de hoogste prioriteit. Het is dan ook vanzelfsprekend dat de daarvoor noodzakelijke capaciteit in mensen en middelen hiervoor wordt vrijgemaakt. Ten aanzien van de automatiseringsaanpassingen is hier reeds een eerste uitvoering aan gegeven. De personele inzet zal vanaf de parlementaire afronding geleidelijk aan en fasegewijs worden ingevuld. Dit kan verschillen per werkproces en is afhankelijk van de aard en omvang van de wijzigingen daarin.

De technisch-inhoudelijke punten die de VHMF naar voren brengt worden
-zoals meegedeeld in de brief van 6 december j.l.- meegenomen in de Commissie Thunnissen - De Waard. De bevindingen van de Commissie zullen aan de Kamer worden gemeld.

Bijlage

Onderwerp

Varianten ter verbetering van de middeninkomens

Aanleiding

Naar aanleiding van het verzoek om varianten ter verbetering van de inkomenseffecten voor de middeninkomens, zijn in dit memo zes varianten gepresenteerd. Varianten 1 t/m 5 zijn budgetneutraal, variant 6 kost 750 mln, waarvan 340 mln als gevolg van de verlaging van de AWF-premie en 410 mln als gevolg van de wijzigingen in de schijflengten.

Varianten

Variant 1

In variant 1 is het tarief van de derde schijf verlaagd met 2%-punt van 42% naar 40%. De budgettaire derving wordt teruggehaald door de derde schijf in te korten met f 16.250 tot f 31.529.

Variant 2

In deze variant is de tweede schijf verlengd met f 5.500 tot f 27.729 en de derde schijf ingekort met f 21.250 tot f 26.529.

Variant 3

Deze variant is ook opgenomen in de Nota naar aanleiding van het Verslag. Het tarief van de eerste schijf is verhoogd met 0,3%-punt van 32,9% naar 33,2% (voor ouderen van 15% naar 15,3%). Verder is de tweede schijf verlengd met f 7.000 van f 22.229 tot f 29.229. De resterende budgettaire derving wordt teruggehaald door de derde schijf in te korten met f 13.300 tot f 34.479.

Variant 4

In het belastingplan 2000 wordt het arbeidskostenforfait in 2000 met f310 verhoogd ten opzichte van 1999. Hiermee is een budgettaire inzet van 620 mln gemoeid (onderdeel van het totale lastenverlichtingspakket voor 2000 van 1½ mrd). In deze variant wordt dit vertaald in een verlenging van de nieuwe tweede schijf (1B) met f 2.850 naar f 25.079. De verhoging van het arbeidskostenforfait met f 310 in 2000 wordt dus teruggedraaid en de daarmee beschikbaar gekomen middelen worden ingezet voor een verlenging van de nieuwe tweede schijf (1B). Per saldo is deze variant lastenneutraal.

Variant 5

* Schrappen van het versoberde arbeidskostenforfait (max. f 1.262), opbrengst 2,55 mrd.

* De arbeidskorting wordt verhoogd met f 300 naar f 1835, kosten 1,45 mrd. Ten aanzien van zelfstandigen is verondersteld dat het voordeel van de verhoging van de arbeidskorting wordt afgeroomd door een budgetneutrale verlaging van de zelfstandigenaftrek.
* Vervolgens is de nieuwe tweede schijf (1B) zodanig verlengd dat de werknemer/alleenverdiener er 1% op vooruit gaat in plaats van 0,3%, conform wetsvoorstel. De benodigde schijfverlenging is f 10.969 naar f 33.198. De kosten hiervan bedragen 1,95 mrd.
* Bovenstaande leidt per saldo tot een derving van 0,85 mrd. Om de variant lastenneutraal te maken, is de nieuwe derde schijf ingekort met f 20.000 naar f27.779.

Variant 6

In deze variant wordt de AWF-premie werknemers met 0,4%-punt verlaagd en wordt de nieuwe tweede schijf (1B) met f 3.200 verlengd onder inkorting van de nieuwe derde schijf met f 6.000. De kosten bedragen 340 mln als gevolg van de verlaging van de AWF-premie en 410 mln als gevolg van de wijzigingen in de schijflengten.

Inkomenseffecten

De inkomenseffecten zijn weergegeven in bijgevoegde tabellen.


-o-

Tabel 1: Inkomenseffecten zes varianten (inclusief effecten wetsvoorstel)

Totaal-

Variant 1

Variant 2

Variant 3

Variant 4

Variant 5

Variant 6

effect

wetsv.

Extra kosten






750

Werknemers (alleenst.)

30.630

6,3%

6,3%

6,3%

5,9%

5,8%

5,7%

6,4%

40.000

4,8%

4,8%

4,8%

4,4%

4,4%

4,2%

4,9%

50.000

3,6%

3,6%

3,6%

3,3%

3,3%

3,2%

3,8%

53.560

3,3%

3,3%

3,3%

3,0%

2,9%

2,9%

3,5%

60.000

2,0%

2,3%

2,8%

2,5%

2,0%

2,4%

2,7%

70.000

2,4%

3,0%

3,1%

3,1%

2,4%

3,3%

3,0%

80.000

3,0%

3,9%

3,6%

3,6%

3,0%

3,8%

3,6%

80.340

3,0%

3,9%

3,6%

3,5%

3,0%

3,7%

3,6%

90.000

3,7%

4,8%

4,2%

4,2%

3,6%

4,3%

4,2%

100.000

4,1%

3,7%

3,2%

4,6%

4,1%

4,2%

4,6%

107.120

4,3%

2,8%

2,3%

3,9%

4,3%

3,3%

4,5%

125.000

2,2%

0,7%

0,3%

1,6%

2,5%

1,2%

2,1%

150.000

2,5%

1,3%

0,9%

2,1%

2,8%

1,6%

2,5%

160.680

2,7%

1,5%

1,2%

2,3%

3,0%

1,9%

2,7%

Werknemers (alleenver.)

30.630

4,5%

4,5%

4,5%

4,2%

4,1%

4,0%

4,5%

40.000

3,5%

3,5%

3,5%

3,2%

3,2%

3,1%

3,6%

50.000

2,7%

2,7%

2,7%

2,5%

2,4%

2,4%

2,9%

53.560

2,5%

2,5%

2,5%

2,3%

2,2%

2,1%

2,7%

60.000

1,4%

1,6%

2,0%

1,8%

1,5%

1,7%

1,9%

70.000

0,3%

0,9%

0,9%

0,8%

0,2%

1,0%

0,8%

80.000

1,0%

1,9%

1,5%

1,5%

0,9%

1,6%

1,5%

80.340

1,0%

1,9%

1,5%

1,5%

1,0%

1,7%

1,5%

90.000

1,7%

2,5%

2,0%

2,2%

1,7%

2,3%

2,2%

100.000

2,3%

1,5%

1,0%

2,6%

2,3%

2,0%

2,8%

107.120

2,3%

0,7%

0,3%

1,7%

2,5%

1,2%

2,3%

125.000

0,2%


-1,1%


-1,6%


-0,3%

0,6%


-0,7%

0,2%

150.000

0,2%


-1,0%


-1,3%


-0,2%

0,5%


-0,6%

0,2%

160.680

0,5%


-0,6%


-1,0%

0,1%

0,8%


-0,3%

0,5%

Sociale minima

Alleenstaande

3,0%

3,0%

3,0%

2,6%

3,0%

3,0%

3,0%

Alleenverdiener (mk)

1,8%

1,8%

1,8%

1,4%

1,8%

1,8%

1,8%

Alleenverdiener (zk)

2,9%

2,9%

2,9%

2,5%

2,9%

2,9%

2,9%

Ouderen (alleenstaand)

AOW

2,3%

2,3%

2,3%

2,0%

2,3%

2,3%

2,3%

AOW + 5.000

2,5%

2,5%

2,5%

2,1%

2,5%

2,5%

2,5%

AOW + 10.000

2,6%

2,6%

2,6%

2,3%

2,6%

2,6%

2,7%

AOW + 20.000

1,9%

1,9%

1,9%

1,6%

1,9%

1,9%

1,9%

AOW + 30.000

1,5%

1,5%

1,5%

1,3%

1,5%

1,5%

1,6%

AOW + 40.000


-0,6%


-0,3%

2,1%

2,6%

0,8%

3,2%

1,0%

AOW + 50.000

2,0%

2,6%

4,3%

4,8%

3,2%

6,7%

3,4%

Ouderen (gehuwd)

AOW

1,5%

1,5%

1,5%

1,2%

1,5%

1,5%

1,6%

AOW + 5.000

1,8%

1,8%

1,8%

1,4%

1,8%

1,8%

1,8%

AOW + 10.000

2,0%

2,0%

2,0%

1,6%

2,0%

2,0%

2,0%

AOW + 20.000

2,1%

2,1%

2,1%

1,7%

2,1%

2,1%

2,1%

AOW + 30.000

1,9%

1,9%

1,9%

1,6%

1,9%

1,9%

2,0%

AOW + 40.000

1,5%

1,5%

1,9%

1,6%

1,9%

1,9%

1,9%

AOW + 50.000

1,6%

2,0%

3,7%

4,1%

2,7%

5,8%

2,9%

Tabel 2: Inkomenseffecten zes varianten (verschillen t.o.v. wetsvoorstel)

Totaal-

Variant 1

Variant 2

Variant 3

variant 4

Variant 5

Variant 6

effect

wetsv.

Extra kosten






750

Werknemers (alleenst.)

30.630

6,3%

0,0%

0,0%


-0,4%


-0,6%


-0,6%

0,0%

40.000

4,8%

0,0%

0,0%


-0,4%


-0,4%


-0,5%

0,1%

50.000

3,6%

0,0%

0,0%


-0,3%


-0,4%


-0,5%

0,2%

53.560

3,3%

0,0%

0,0%


-0,3%


-0,3%


-0,4%

0,2%

60.000

2,0%

0,3%

0,7%

0,5%

0,0%

0,4%

0,6%

70.000

2,4%

0,6%

0,7%

0,6%

0,0%

0,8%

0,6%

80.000

3,0%

0,9%

0,6%

0,6%

0,0%

0,7%

0,6%

80.340

3,0%

0,9%

0,6%

0,6%

0,0%

0,7%

0,6%

90.000

3,7%

1,2%

0,5%

0,5%

0,0%

0,7%

0,6%

100.000

4,1%


-0,4%


-1,0%

0,5%

0,0%

0,1%

0,5%

107.120

4,3%


-1,5%


-2,0%


-0,5%

0,0%


-1,0%

0,1%

125.000

2,2%


-1,4%


-1,9%


-0,5%

0,3%


-1,0%

0,0%

150.000

2,5%


-1,3%


-1,7%


-0,5%

0,3%


-0,9%

0,0%

160.680

2,7%


-1,2%


-1,6%


-0,5%

0,3%


-0,9%

0,0%

Werknemers (alleenver.)

30.630

4,5%

0,0%

0,0%


-0,3%


-0,4%


-0,5%

0,0%

40.000

3,5%

0,0%

0,0%


-0,3%


-0,4%


-0,4%

0,1%

50.000

2,7%

0,0%

0,0%


-0,2%


-0,3%


-0,4%

0,1%

53.560

2,5%

0,0%

0,0%


-0,2%


-0,3%


-0,4%

0,2%

60.000

1,4%

0,2%

0,6%

0,4%

0,1%

0,3%

0,5%

70.000

0,3%

0,6%

0,6%

0,6%

0,0%

0,8%

0,6%

80.000

1,0%

0,9%

0,6%

0,5%

0,0%

0,7%

0,6%

80.340

1,0%

0,9%

0,6%

0,5%

0,0%

0,7%

0,6%

90.000

1,7%

0,8%

0,3%

0,5%

0,0%

0,6%

0,5%

100.000

2,3%


-0,8%


-1,3%

0,3%

0,0%


-0,3%

0,5%

107.120

2,3%


-1,6%


-2,0%


-0,6%

0,2%


-1,1%

0,0%

125.000

0,2%


-1,4%


-1,8%


-0,5%

0,4%


-1,0%

0,0%

150.000

0,2%


-1,2%


-1,6%


-0,4%

0,3%


-0,8%

0,0%

160.680

0,5%


-1,2%


-1,5%


-0,4%

0,3%


-0,8%

0,0%

Sociale minima

Alleenstaande

3,0%

0,0%

0,0%


-0,4%

0,0%

0,0%

0,0%

Alleenverdiener (mk)

1,8%

0,0%

0,0%


-0,3%

0,0%

0,0%

0,0%

Alleenverdiener (zk)

2,9%

0,0%

0,0%


-0,4%

0,0%

0,0%

0,0%

Ouderen (alleenstaand)

AOW

2,3%

0,0%

0,0%


-0,4%

0,0%

0,0%

0,0%

AOW + 5.000

2,5%

0,0%

0,0%


-0,4%

0,0%

0,0%

0,0%

AOW + 10.000

2,6%

0,0%

0,0%


-0,4%

0,0%

0,0%

0,0%

AOW + 20.000

1,9%

0,0%

0,0%


-0,3%

0,0%

0,0%

0,0%

AOW + 30.000

1,5%

0,0%

0,0%


-0,2%

0,0%

0,0%

0,0%

AOW + 40.000


-0,6%

0,3%

2,6%

3,2%

1,4%

3,7%

1,5%

AOW + 50.000

2,0%

0,7%

2,4%

2,9%

1,2%

4,8%

1,4%

Ouderen (gehuwd)

AOW

1,5%

0,0%

0,0%


-0,4%

0,0%

0,0%

0,0%

AOW + 5.000

1,8%

0,0%

0,0%


-0,4%

0,0%

0,0%

0,0%

AOW + 10.000

2,0%

0,0%

0,0%


-0,4%

0,0%

0,0%

0,0%

AOW + 20.000

2,1%

0,0%

0,0%


-0,4%

0,0%

0,0%

0,0%

AOW + 30.000

1,9%

0,0%

0,0%


-0,3%

0,0%

0,0%

0,0%

AOW + 40.000

1,5%

0,0%

0,4%

0,1%

0,4%

0,4%

0,4%

AOW + 50.000

1,6%

0,4%

2,1%

2,4%

1,1%

4,2%

1,2%

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie