Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Brief over godsdienst in relatie tot integratiebeleid

Datum nieuwsfeit: 10-12-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten

26333000.013 brief min gsi godsdienst en levensovertuiging in relatie tot het integratiebeleid etn minderheden Gemaakt: 14-12-1999 tijd: 14:15 RTF


26333 Integratiebeleid 1999-2002

Nr. 13 Brief van de minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 10 december 1999

Hierbij bied ik u een beschouwing over godsdienst en levensovertuiging in het licht van het Integratiebeleid etnische minderheden aan, welke ik Uw Kamer tijdens het Algemeen Overleg met de Vaste Commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op 23 juni 1999 in het vooruitzicht heb gesteld. Zij biedt een nadere toelichting op hetgeen in de nota «Kansen krijgen, kansen pakken» d.d. 30 november 1998 Kamerstukken II 1998-1999, 26 333, nr. 2 en in het op 6 april 1999 daarop gevolgde uitvoeringsplan terzake werd aangekondigd. In dit verband moge ik ook verwijzen naar de nota «Het integratiebeleid betreffende etnische minderheden in relatie tot hun geestelijke bedienaren», u bij brief d.d. 28 februari 1998 Kamerstukken II 1997-1998, 25 919, nr. 2 aangeboden door de minister van Binnenlandse Zaken en de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Mijn hoofdlijn is dat bij de verdere ontwikkeling en vooral bij de tenuitvoerlegging van overheidsbeleid, in het bijzonder integratiebeleid, zeer consequent en meer dan voorheen rekening gehouden moet worden met invloeden van levensbeschouwelijke aard, zowel bij de leden van de autochtone meerderheid als bij die van de onderscheiden etnische minderheidsgroepen.

Het Integratiebeleid etnische minderheden als raamwerk

In het integratiebeleid etnische minderheden gaat het om actief en volwaardig burgerschap. Met het met goed gevolg doorlopen van het Nederlandse onderwijssysteem en deelname aan de arbeidsmarkt worden noodzakelijke voorwaarden vervuld om te kunnen participeren. Daarom legt de regering in het integratiebeleid etnische minderheden grote nadruk op een effectief onderwijs voor leden van etnische minderheden, met inbegrip van doorstroom naar de hogere vormen van opleiding, en op hun werkgelegenheid. In de nota «Kansen krijgen, kansen pakken» zijn daartoe actieprogramma's ontwikkeld.

Wil er uitzicht zijn op een succesvol integratiebeleid, dan zullen met name bij de startpositie van jongeren, de bestrijding van werkloosheid en bij het voorkomen en bestrijden van vooroordelen, discriminatie en racisme substantiële vorderingen gemaakt moeten worden.

Door deze acties en door heel het integratiebeleid wil de rijksoverheid bevorderen dat iedereen in ons land, autochtonen even goed als leden van etnische minderheden, de kansen grijpen die voor de hand liggen: kansen voor positieverbetering, maar ook voor een samenleving waarin iedereen zichzelf kan zijn en tot zijn recht kan komen. Èn het vraagt van de bestaande instituties van ons land dat zij zichzelf structureel en cultureel omvormen tot instituties die het pluriforme karakter van onze samenleving weerspiegelen.

2. De betekenis van godsdienst en levensovertuiging in het integratiebeleid

Hoe belangrijk onderwijs, scholing en werk ook zijn binnen het integratieproces, zij zijn uiteindelijk niet alleen bepalend voor de mate waarin nieuwe landgenoten en autochtonen elkaar als burgers waarderen en waarin zij tezamen een democratische samenleving willen vormen. Geen mens is `waardevrij'. De wijze waarop burgers elkaar beoordelen en de samenleving waarin zij leven, waarderen, wordt in niet geringe mate bepaald door de grondwaarden van ieder individueel, dan wel in gemeenschap met anderen beleefd. Hetzelfde geldt voor de appreciatie van scholing en vorming, van arbeid en inkomensverwerving en van het gebruik van de voorzieningen die onze samenleving haar burgers biedt.

Het is daarom vanzelfsprekend dat bij de discussies over de kansen van een verdere ontwikkeling van onze multicultureel samengestelde samenleving in het algemeen, en over de effectiviteit van het integratiebeleid in het bijzonder de feitelijke variëteit van waardesystemen en hun onderlinge verhouding betrokken worden. Het kabinet herinnert in dit verband graag aan de rapportage van de minister van Binnenlandse Zaken d.d. 15 september 1992 over het Maatschappelijk debat Integratie en aan mijn nota «Kansen pakken, kansen krijgen» en aan de uitkomsten van de ronde-tafelgesprekken die, mede met godsdienst en levensovertuiging als thema, op initiatief van de minister van Binnenlandse Zaken werden belegd en waarover de Tweede Kamer werd geïnformeerd bij brief van 3 december 1996 Kamerstukken II 1996-1997, 25 001, nr. 4.

Een belangrijke rol binnen waardesystemen spelen godsdienst en levensovertuiging en meer in het bijzonder kerkgenootschappen en genootschappen van levensbeschouwelijke aard. Dat geldt voor de daaraan ontleende principiële stellingnames, als ook en in niet mindere mate is dat van toepassing op de min of meer gefundeerde interpretaties en beoordelingen ervan van individuele aard. Wat iemand goed of afkeurenswaardig acht, wordt meestal teruggevoerd op levensbeschouwelijke beginselen. Dat biedt velen de inspiratie om zijn of haar plaats in de samenleving te bepalen.

Hier ligt trouwens ook een niet te verwaarlozen bron van discriminatie, zowel aan de zijde van de autochtone meerderheid als ook bij etnische minderheidsgroepen.

3. De aanwezigheid van levensbeschouwelijke groeperingen in ons land

In de reeds eerder vermelde nota over geestelijke bedienaren (par. 4) werd een overzicht gegeven van godsdienstige stromingen. Dat Nederland een immigratieland is geworden, moge ook hieruit blijken dat alle wereldgodsdiensten in de hun eigen variëteit aan stromingen inmiddels in ons land vertegenwoordigd zijn.

Het boeddhisme en de Chinese levensbeschouwing kennen enkele centra met een eigen oriëntatie (Cambodja, China, Japan, Tibet, Viëtnam) voor hun eredienst.

Het christendom omvat, naast de vanouds bekende reformatorische en katholieke richtingen, ook vele vormen van evangelische bewegingen en oosters-orthodoxe kerken. De opkomst van talrijke opwekkingsbewegingen van Afrikaanse en Noord-Amerikaanse origine is daarbij opmerkelijk te noemen. Ook de Molukse kerken verdienen aparte vermelding.

Vooral door de immigratie vanuit Suriname heeft het hindoeïsme zich in ons land genesteld; naast de vernieuwingsbeweging Arya Samaj betreft dat de meer traditioneel ingestelde «Sanatan Dharm», waarbinnen zich recent een eigen, zich karmavadisch noemende tendentie heeft gepresenteerd. Daarnaast zijn er hindoes uit India en Sri Lanka, voor zo ver bekend zonder eigen organisatievormen, en hindoes met een Oegandese achtergrond die zich georganiseerd hebben in de vereniging «Hindoes uit Oeganda».

De islam telt een groot aantal richtingen, vooral soennitisch van aard, welke zich vooral naargelang het land van herkomst onderscheiden. Met de in aantal grootste gemeenschappen van Marokkaanse en van Turkse origine en de Surinaamse en Molukse moslimgroepen heeft de recente immigratie vanuit vooral Afghanistan, Bosnië-Herzegovina, Eritrea, Irak, Kosovo, Pakistan en Somalië tot de pluriformiteit van islam bijgedragen.

Van de sjiïtische richting zijn enkele organisaties van geringere omvang bekend, oorspronkelijk van Irak, Iran en Turkije. Een bijzondere vorm vertegenwoordigt het steeds meer op de voorgrond tredende Turkse alevitisme.

Een afzonderlijke positie nemen de aanhangers van de Ahmadiyya en van de Baha'i Wereldreligie in.

Het beeld van het jodendom is, afgezien van individuele migranten, stabiel gebleven met zijn beide, de liberale en de orthodoxe, hoofdstromingen.

Anders dan wel eens wordt verondersteld, organiseren de meeste levensbeschouwelijke groepen, ook die van hindoeïsme en islam, nu reeds de opleiding van geestelijke bedienaren in eigen kring. Hindoe-organisaties leiden veel van hun pandiets op, tezamen met zuster-organisaties in Groot-Brittannië en India. Bij de moslims hebben verschillende stromingen van Turkse origine ook reeds hun voorzieningen in ons land en in Duitsland getroffen, naast hun relaties met opleidingsvormen in het herkomstland, terwijl islamitische organisaties van Surinaamse achtergrond zowel hier als in Groot-Brittannië opleidingsinstituten onderhouden.

Van toelevering vanuit het buitenland zijn vooral de moslims van Marokkaansen huize en de moslims, voorzover verbonden met het Turkse Presidium voor godsdienstaangelegenheden, afhankelijk.

Er bestaat in het algemeen onvoldoende gefundeerd inzicht in de werkelijke ledentallen van hun vele levensbeschouwelijke organisaties en gemeenschappen en in de mate van actief lidmaatschap van hun leden. Ook is niet veel bekend over de eigen ontwikkeling van deze godsdienstige en levensbeschouwelijke organisaties in hun nieuwe, Nederlandse omgeving. Met de nodige voorzichtigheid zijn wel enkele trends te onderscheiden die voor de implementatie van het integratiebeleid van belang kunnen zijn. Ik noem er drie:

Een eerste betreft de ontwikkeling van het organisatiepatroon van etnische minderheidsgroepen, waarbij een verschuiving in zwaartepunt valt waar te nemen van belangenbehartiging op basis van politieke oriëntatie op het herkomstland -in de jaren zeventig het overheersende karakter van de zelforganisaties-, naar die op titel van godsdienst of levensovertuiging. Daarbij wordt de band met het herkomstland weliswaar niet losgelaten: de vele vormen van de islam in Nederland blijven voorlopig nog in belangrijke mate ingekleurd door de islam van het land van herkomst, eventueel met inbegrip van de onderscheiden tendenties ervan.

Een tweede trend is de omslag tussen de leeftijdsgeneraties. Nog steeds worden veel levensbeschouwelijke instituties beheerst door personen vanuit de oudere generatie. Vanzelfsprekend vooral bij die organisaties die reeds langer in Nederland present zijn, streeft de jongere generatie naar vernieuwing, waarbij zij haar eigen accenten zet. Dat zij daarbij intern op problemen stuit, behoeft geen betoog.

Ten derde, en dat is een veel voorkomend verschijnsel bij geloofsgemeenschappen met een migratoire achtergrond, valt bij deelgroepen een meer geaccentueerd in acht nemen van leer- en leefregels in vergelijking met die in het land van herkomst op. Wie daarvoor kiest is strenger in de leer en wenst de eigen boodschap actief uit te dragen in de nieuwe omgeving. Dat draagt bij tot de diversificatie binnen minderheidsgroepen.

Voor de beleidsimplementatie is het derhalve van belang dat beleidsmakers en degenen die voor de tenuitvoerlegging ervan goed geïnformeerd zijn over de culturele en levensbeschouwelijke achtergronden van de doelgroepen waarop zij zich richten en bij hun planning voor zo ver mogelijk letten op de wijze van communicatie en op een methodische aanpak die inspeelt op die leefwereld. Tegelijk dient daarin een uitdaging vervat te zijn aan het adres van die doelgroepen om zich open te stellen met hun omgeving en daarmee in dialoog te treden. Het belang van de samenleving als geheel, dat gelegen is in samenhang en wederzijdse acceptatie over groepsbelangen heen moet daarbij het leidend beginsel zijn.

4. Mogelijke belemmeringen voor het integratiebeleid

Bij haar inspanningen om een bijdrage te leveren aan de totstandkoming van een samenleving waarin ook de leden van etnische groepen hun burgerrechten voluit kunnen beleven en hun maatschappelijke verantwoordelijkheden kunnen waarmaken, is zeker ook de positie van levensbeschouwelijke instituties relevant. Een actief lidmaatschap van zo'n institutie kan een effectieve steun betekenen om zich in Nederland een goede toekomst te verzekeren.

Tevens zullen overheden zich terdege bewust moeten zijn van mogelijke belemmeringen die -reëel of vermeend- vanuit opvattingen van levensbeschouwelijke aard worden opgeworpen. Dat kan op verschillende terreinen het geval zijn.

Er kan een tegenstrijdigheid blijken tussen basiswaarden van fundamentele aard, zoals die binnen de Nederlandse samenleving vanouds worden erkend, en die van nieuw zich manifesterende groepen. Daarbij kan men denken aan verschil van opvattingen inzake de interpretatie van burgerrechten of inzake de verhouding tussen kerk en staat. Dat kan zich uiten in afwijkende waardering van ieders recht op een ongestoord gebruik van de burgerlijke vrijheden, van de verantwoordelijkheid voor de opvoeding van kinderen, van de zingeving van onderwijs, scholing en vorming en van zelfstandige inkomensverwerving.

Godsdiensten plegen een bijzonder accent te leggen op de `rites de passage': geboorte, volwassenheid, huwelijk, sterven. De meeste godsdiensten hebben dienaangaande specifieke gebruiken die diep verankerd zijn in de belevingswereld en de cultuur van de desbetreffende gemeenschap.

Belemmeringen kunnen zich ook voordoen op het terrein van aanvaarde maatschappelijke gewoonten en gedragingen. Daarbij kan gedacht worden aan andere leefgewoonten, aan voeding, kleding en wijzen van begroeting, publieke contacten tussen de geslachten en het vieren van hoogtijdagen.

Ook in de doeleinden die organisaties in ons land, van autochtonen en van leden van etnische minderheden, zich stellen, of in hun feitelijke activiteiten kan een bron van belemmeringen gelegen zijn.

Het is niet uit te sluiten dat instituties van godsdienstige en levensbeschouwelijke aard met wortels in een ander land, zich vooral concentreren op het (starre) behoud van oorspronkelijke waarden en normen van het herkomstland zonder in dialoog te treden met hun omgeving, of zelfs misbruikt worden voor politieke strevingen in het herkomstland. Dat kan er toe leiden dat structuren en voorzieningen binnen etnische groepen niet corresponderen met de aard van onze multi-etnische samenleving en zich keren tegen de doelstellingen van het overheidsbeleid dienaangaande.

Vanzelfsprekend is discriminatie wegens godsdienst en levensovertuiging in hoge mate een inbreuk op het recht op gelijke behandeling in gelijke gevallen, en richt daardoor grote schade aan aan de goede verhoudingen binnen onze samenleving die de basis vormen van een voorspoedig integratieproces.

Tenslotte kunnen belemmeringen optreden door communicatieproblemen. Deze kunnen door verschillen in beheersing van de Nederlandse taal voortvloeien, maar ook door onbekendheid met de verschillende culturele en levensbeschouwelijke achtergronden.

5. Terughoudendheid van overheden bij aangelegenheden van levensbeschouwelijke aard

Bij het beoordelen van zulke belemmeringen dienen de Nederlandse overheden een grote terughoudendheid te betrachten. De vrijheid van godsdienst en levensovertuiging en het in ons land geldende uitgangspunt van de scheiding van kerk en staat nopen daartoe. Derhalve, alvorens enkele kanttekeningen daarbij te plaatsen, roep ik nog gaarne het een en ander in herinnering over de opstelling van de overheden bij aangelegenheden van levensbeschouwelijke aard.

De Universele verklaring van de rechten van de mens (1948) bepaalt: «Een ieder heeft recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst; dit recht omvat tevens de vrijheid om van godsdienst of overtuiging te veranderen alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen zowel in het openbaar als in zijn particuliere leven zijn godsdienst of overtuiging te belijden door het onderwijzen ervan, door de praktische toepassing door eredienst en het onderhouden van de geboden en voorschriften» (art. 18). In nagenoeg dezelfde bewoordingen is de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst ook vastgelegd in het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en van de fundamentele vrijheden (1950, art. 9, eerste lid) waaraan een lid werd toegevoegd, houdende dat deze vrijheid alleen beperkt kan worden door de wet voorgeschreven noodzakelijke maatregelen van openbare orde en veiligheid, volksgezondheid, openbare zeden en ter bescherming van de rechten en vrijheden van anderen (id. tweede lid).

De Nederlandse Grondwet bepaalt: «Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid voor de wet.» «De wet kan ter zake van de uitoefening van dit recht buiten gebouwen en besloten plaatsen regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrij-ding of voorkoming van wanordelijkheden» (art. 6). Daarnaast bepaalt het eerste Grondwetsartikel dat gelijke gevallen gelijk behandeld dienen te worden en dat discrimina-tie wegens godsdienst, levensovertuiging of op welke grond dan ook niet is toegestaan.

Tenslotte bepaalt artikel 23 de positie van het openbaar onderwijs en de vrijheid van richting en inrichting van bijzonder onderwijs. Ook andere grondwettelijke burgerrechten, als de vrijheid van vergadering, van vereniging en van drukpers, hebben echter hun betekenis met betrekking tot godsdienst en levensovertuiging.

Het beginsel van de scheiding van Kerk en Staat vloeit voort uit deze Grondwetsartikelen. Dit houdt in dat de staat:

a. de zelfstandigheid van richtingen respecteert en zich dient te onthouden van elke bemoeienis met de belijdenis of inhoud van de godsdienst of levensovertuiging;

b. geen bemoeienis heeft met de interne organisatie van de richting; daartoe behoort ook de opleiding en aanstelling van geestelijke bedienaren;

c. op grond van art. 1 van de Grondwet alle kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag op gelijke voet dient te behandelen;

d. geen partij mag kiezen voor één bepaalde richting.

Dit houdt in dat overheden een grote terughoudendheid moeten betrachten in aangelegenheden van godsdienst en levensovertuiging en in zaken die de interne orde van kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag betreffen. De overheid is zich daarbij terdege bewust van, en heeft waardering voor hun maatschappelijke betekenis. In de eerder uitgebrachte nota over geestelijke bedienaren is met redenen van algemeen belang omkleed een aantal voornemens met betrekking tot de toerusting van geestelijke bedienaren voor de vervulling van algemeen-sociale aspecten van hun functie aangekondigd.

6. Kanttekeningen bij mogelijke belemmeringen voor het integratiebeleid

Het is al meermalen betoogd: omtrent leerstellige aspecten van godsdienst en levensovertuiging en ook bij zaken van interne ordening van levensbeschouwelijke organisaties onthouden de burgerlijke overheden zich van een oordeel. Zij beschouwen deze aangelegenheden als behorend tot het private terrein van hun burgers.

De overheden hebben wel een directe verantwoordelijkheid voor het publieke domein en voor de waarborging van de burgerrechten. Dat geldt eveneens voor de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, met betrekking waartoe de Grondwet (art. 6, eerste en tweede lid) ieders verantwoordelijkheid volgens de wet stipuleert en voorts bepaalt dat de wet ter zake van de uitoefening van dit recht buiten gebouwen en besloten plaatsen regels kan stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. De Wet openbare manifestaties verschaft de wettelijke bepalingen, o.m. betreffende de uitoefening van het recht tot vrije belijdenis van godsdienst en levensovertuiging.

In par. 4. Van deze brief is een zestal categorieën van mogelijke belemmeringen die -reëel of vermeend- vanuit opvattingen van levensbeschouwelijke aard worden opgeworpen met betrekking tot de doelstellingen van het integratiebeleid etnische minderheden. Ik heb er behoefte aan, bij elk daarvan enkele kanttekeningen te plaatsen, zonder daarbij naar volledigheid te streven. Ik beschouw deze vooral als aanzetten tot verdergaande gedachtevorming.

Bij tegenstrijdigheden van zeer fundamentele aard zullen de overheden de discussie niet uit de weg gaan. Daarbij gelden, omwille van de instandhouding van de samenhang van onze samenleving, de Nederlandse waarden als verankerd in de Grondwet of vastgelegd in internationale verdragen als vaststaande uitgangspunten. Zo is bij voorbeeld wraakneming ter instandhouding van de familie-eer geen reden tot verontschuldiging bij een misdrijf of overtreding.

De staat zal geen bewegingen dulden die zich richten tegen de fundamenten van de democratische rechtsorde. De Binnenlandse Veiligheidsdienst, die overigens bij herhaling, recent in zijn Jaarverslag 1998 (blz. 20), constateerde dat slechts kleine aantallen moslims in Nederland radicale opvattingen huldigen en bereid zijn hun idealen met betrekking tot een islamitische staat of wereldorde met (steun aan) geweld dichterbij te brengen, blijft te dien aanzien zeer alert. Wereldwijd is gewelddadig fundamentalisme een verontrustend verschijnsel binnen diverse wereldgodsdiensten en dat kan via de moderne informatietechnieken ook op ons land invloed hebben. - In overgrote meerderheid waarderen leden van etnische minderheden overigens de rechten die zij als burgers van ons land in gelijke mate met anderen delen. Zo bieden scholen naar eigen richting, overeenkomstig art. 23 Gw, ook nieuwe mogelijkheden tot kaderopbouw en bestuurlijke participatie. Het kan geen kwaad, hier op te merken dat bij de stichting van bijzondere scholen het recht op gelijke behandeling ook geldt voor scholen op islamitische of hindoe-grondslag in vergelijking met die van andere levensbeschouwingen.

In dit verband wees ik ook op andere verschillen in opvatting inzake burgerrechten en -plichten. Vooral wanneer belangen van derden gemoeid zijn met iemands opstelling in dat soort aangelegenheden, is er een overheidstaak om hun belang te beschermen. Dan kan het gaan om de vrije uitoefening van burgerrechten door gezinsleden, om het garanderen van toekomstperspectief voor minderjarige kinderen. - Zulke verschillen in opvatting dwingen anderzijds ook het autochtone deel van onze samenleving, zich van die rechten en plichten bewust te zijn en nauwkeurig onder woorden te brengen wat de kern van de zaak is. Onze instituties dienen rekening te houden met dit soort verschillen in opvatting: hun interculturalisering is niet alleen een zaak van personeelssamenstelling overeenkomstig het multi-etnische karakter van onze hedendaagse samenleving, maar ook een zaak van kennis over, en manier van omgaan met culturele en levensbeschouwelijke verschillen in opvattingen binnen onze gemêleerde samenleving.

Met «rites de passages» zal de overheid zich niet bemoeien, tenzij fundamentele waarden in het spel zijn: zo heeft de regering zich expliciet tegen vrouwenbesnijdenis uitgesproken. Waar Nederlandse wetgeving niet correspondeert met (elementen van) deze rites, zal waar mogelijk tegemoetkomendheid getoond worden: de in de wetgeving rond de lijkbezorging aangebrachte aanpassingen zijn daarvan een voorbeeld. Een voorbeeld van het tegendeel is de vrouwenbesnijdenis, die in ons land in welke vorm dan ook niet is toegestaan.

Er kunnen zich ook belemmeringen voordoen op het terrein van maatschappelijke gewoonten en gedragingen. Gewoonten en gedragingen zijn uiteraard zelf, ook zonder invloed van internationale migratie, aan voortdurende ontwikkeling onderhevig. Basis bij de beoordeling van dit soort situaties is het recht op gelijke behandeling voor eenieder die zich in ons land bevindt. Een plurale samenleving kenmerkt zich ook door een verscheidenheid in gewoonten en gebruiken. Verdraagzaamheid is hier het sleutelwoord, vanzelfsprekend behalve bij schade aan de eigenwaarde of aan bezittingen van medebewoners of bij vermindering van kansen voor de desbetreffende persoon. In de meeste gevallen zal goed overleg tussen betrokkenen oplossingen gevonden worden. Zo zijn zowel in het rijksambtenarenreglement als in menige CAO afspraken overeengekomen over de viering van religieuze feestdagen. Interventies van overheidswege zijn pas in uiterste instantie geboden.

Met betrekking tot organisaties, waaronder die op levensbeschouwelijke grondslag, opgericht door autochtonen en/of leden van etnische minderheden gelden de in de Grondwet verankerde burgerrechten, die ruimte bieden, binnen de grenzen van wet- en regelgeving, naar eigen goeddunken eigen structuren en voorzieningen in te richten. Een voorbeeld is de vrijheid van richting en inrichting van de scholen van bijzonder onderwijs. Ook kan gewezen worden op de vele stichtingen en verenigingen van levensbeschouwelijke of culturele aard die ons land telt. Onze Grondwet garandeert elke burger vrijheid van vergadering en vereniging binnen de grenzen die de wet stelt. Dat neemt niet weg dat, indien zulke organisaties volgens hun doelstelling of in hun feitelijke handelen niet blijken bij te dragen tot verwezenlijking van de doelstellingen van het integratiebeleid, overheidsondersteuning aan zulk een organisatie en/of aan activiteiten ervan onthouden dient te worden. Dit is evenzeer op «witte» als op minderhedenorganisaties in ons land toepasselijk.

De Grondwet staat geen discriminatie wegens godsdienst en levensovertuiging toe. Het Wetboek van Strafrecht (art. 137, c t/m f) voorziet dan ook in de nodige sancties. Maar ook in het sociale verkeer dient zorgvuldigheid in de beoordeling van godsdiensten en levensovertuigingen en van de belijders daarvan leidraad te zijn. Vanzelfsprekend geldt voor overheden, maar evenzeer voor maatschappelijke organisaties, waaronder die op levensbeschouwelijke grondslag en die van etnische minderheden zelf, en voor de media dat elk daarvan zich niet overgeeft aan vooroordelen en deze waar mogelijk ontkrachten en elke vorm van discriminatie wegens godsdienst en levensovertuiging afwijzen.

Tenslotte is gewezen op communicatieproblemen die het integratieproces belemmeren. Met de invoering van intercultureel onderwijs wordt een bijdrage geleverd om bij de jeugd de basis te leggen voor wederzijds begrip. Brede invoering van reeds ontwikkelde methoden en materialen voor intercultureel onderwijs wordt de komende jaren verder gestimuleerd. Bij informatie- en voorlichtingsactiviteiten is in het bijzonder op de vervulling van de nodige voorwaarden voor een goede communicatie acht te slaan. Omwille van de effectiviteit van maatregelen en activiteiten is het zaak, steeds terdege besef te hebben van de wijze waarop signalen overkomen bij de ontvanger.

Dit zijn geen zaken die alleen de overheden betreffen. Alle maatschappelijke voorzieningen, instellingen en organisaties moeten zich steeds bewust zijn van de culturele en levensbeschouwelijke achtergronden van waaruit autochtonen en leden van etnische minderheden tegen hun activiteiten plegen aan te kijken. Dat geldt vanzelfsprekend ook voor organisaties van etnische minderheidsgroepen in hun houding ten opzichte van de Nederlandse samenleving. Zoals reeds in de nota «Kansen krijgen, kansen pakken» werd onderstreept, is nauwe samenwerking van alle, zowel publieke als private, actoren absoluut noodzakelijk om de ambitie waar te maken, dat er een zichtbaar resultaat moet worden bereikt in de totstandkoming van een samenleving met kansen voor iedereen.

Ter verhoging van de effectiviteit van het beleid van overheden is ook de medewerking in te roepen van geestelijke bedienaren. In dit kader moge het beroep in herinnering worden geroepen dat de regering in haar nota «Het integratiebeleid betreffende etnische minderheden in relatie tot hun geestelijke bedienaren» zonder onderscheid heeft gedaan op alle kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag, «om er het hunne toe bij te dragen dat hun leden hun verantwoordelijkheid voor onze plurale samenleving ten volle zullen nemen.» Dit beroep was uitdrukkelijk gericht op alle levensbeschouwelijke instituties van ons land, ongeacht de duur van hun vaderlandse geschiedenis of hun ledental. Naar het oordeel van de regering is de richtinggeving vanuit het leiderschap van zulke genootschappen van grote betekenis voor de mate van acceptatie van onze ook in geestelijk opzicht pluriforme samenleving.

7. Uitvoering nota Geestelijke bedienaren

Gaarne informeer ik Uw Kamer over de tenuitvoerlegging van de in de nota «Het integratiebeleid betreffende etnische minderheden in relatie tot hun geestelijke bedienaren» opgenomen voornemens (par. 27).

Binnenkort zal Uw Kamer een voorstel tot wijziging van de Wet inburgering nieuwkomers bereiken, welke er toe strekt, de mogelijkheid te scheppen dat beroepsgroepen waarvan de leden thans nog geen gebruik kunnen maken van de faciliteiten die deze wet biedt, omwille van groot maatschappelijk belang onder de werking ervan gebracht worden. Overeenkomstig het in genoemde nota gestelde (par. 21) kan dat van toepassing worden verklaard op geestelijke bedienaren.

Om deze geestelijken in het eerste jaar van hun verblijf een aangepast inburgeringsprogramma te kunnen aanbieden, is inmiddels Cinop te `s-Hertogenbosch opdracht gegeven daartoe de nodige aanvullende eindtermen en lesmaterialen en -methoden te ontwikkelen. Delen van die leermiddelen kunnen ook gebruikt worden voor de aangekondigde experimentele voorbereidingscursussen in het land van herkomst. Ingewonnen informatie heeft er toe geleid dat er geen praktische mogelijkheid bestaat om zulk een (experimentele) cursus in Marokko te organiseren. In Turkije doet zich in beginsel die mogelijkheid wel voor; overleg dienaangaande met de desbetreffende instanties aldaar zal binnenkort worden geopend.

Integratie en inburgering van geestelijke bedienaren houden onder bepaalde omstandigheden niet op bij een algemeen inburgeringprogramma. Met de groei van het aantal islamitische gedetineerden is de laatste jaren ook de vraag naar islamitische geestelijke verzorging in justitiële inrichtingen gegroeid. Gesignaleerd werd echter dat de toerusting en beschikbaarheid van de islamitische geestelijke verzorgers onvoldoende bleek om in de specifieke context van een justitiële inrichting te functioneren. Dit werd ondermeer veroorzaakt door het ontbreken van een zendende instantie, waardoor er geen imams vast aan de inrichtingen verbonden konden zijn.

Een en ander heeft ertoe geleid dat de Dienst Justitiële Inrichtingen van het Ministerie van Justitie het project «Geestelijke verzorging voor moslimgedetineerden» heeft opgezet. Het project heeft twee componenten. De eerste component is het ontwikkelen en toepassen van een opleiding voor imams die werkzaam zijn in justitiële inrichtingen die met name gericht is op communicatietechnieken en Nederlandse taal. De tweede component betreft een experiment met een (regionaal) zendende islamitische instantie in Zuid-Holland. De rol van zendende instantie, alsmede de rol van werkgever, is door de Stichting Platform Islamitische Organisaties Rijnmond (SPIOR) op zich genomen. Gedurende het project draagt SPIOR zorg voor zowel de inhoudelijke begeleiding als de eventuele vervanging van imams.

Op dit moment voert genoemde Dienst een tussenevaluatie van het project uit. Vooralsnog kan geconcludeerd worden dat de opleiding voor imams succesvol is gebleken. In hoofdlijnen geven de imams aan dat ze de opleiding als nuttig hebben ervaren. Met name in individuele gesprekken blijken ze aangereikte technieken goed te kunnen gebruiken. Wat betreft het experiment met SPIOR als regionaal zendende instantie kan lopende de tussenevaluatie worden gesteld dat SPIOR haar rol als zendende instantie goed heeft opgepakt en ingevuld. Het blijft echter onzeker in hoeverre SPIOR deze rol moet en kan blijven vervullen na afloop van het project.

Dit zal mede afhangen van de eventuele komst van een landelijke zendende islamitische instantie. Op dit moment worden hierover, mede onder invloed van het project, gesprekken gevoerd tussen verschillende islamitische organisaties. Over de uitkomsten van deze gesprekken kan echter nog niets worden gezegd, maar het spreekt voor zichzelf dat de ontwikkelingen nauwgezet en met belangstelling worden gevolgd.

Het project «Multiculturele geestelijke verzorging» van het Universitair medisch centrum te Utrecht was gericht op het ontwikkelen, op experimentele schaal invoeren en evalueren van een integratie model voor multiculturele geestelijke verzorging in ziekenhuizen. Dit project is inmiddels afgerond met een in het voorjaar van 1999 gehouden congres, waarop de resultaten zijn gepresenteerd.

Over de vorming van een `helpdesk' voor de zorgsector, en over applicatiecursussen voor allochtone geestelijke verzorgers vinden thans, onder andere met de Vereniging van geestelijke verzorgers in zorginstellingen, oriënterende gesprekken plaats.

Omtrent mogelijke toepassing van art. 75b WVO teneinde medewerking te verlenen aan de totstandkoming van een cursus imam-opleiding onder het bevoegd gezag van een schoolbestuur van openbaar of bijzonder onderwijs heeft het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen geen verzoeken bereikt.

Met betrekking tot internaten heeft Uw Kamer inmiddels een standpuntbepaling ontvangen bij brief van 14 juli 1999 Kamerstukken II 1998-1999, 26 210, nr. 21.

Bij deze activiteiten is regelmatig contact met de organisaties op geestelijke grondslag van etnische minderheidsgroepen van belang. Inmiddels is via verschillende kanalen informatie verschaft aan islamitische en hindoeïstische organisaties; hetzelfde was het geval met de in de stichting «Samen kerk in Nederland» samenwerkende allochtone christelijke kerkgemeenschappen en met de alevitische gemeenschap.

De opleiding tot een geestelijk ambt is, zoals uitvoerig betoogd in de eerder genoemde nota over het integratiebeleid in relatie tot geestelijke bedienaren, geen overheidstaak. Zulk een opleiding behoort tot de intrinsieke verantwoordelijkheden van levensbeschouwelijke genootschappen. In de sfeer van randvoorwaarden kunnen de beschikbare onderwijsvoorzieningen nochtans een goede bijdrage leveren.

Met betrekking tot de opleiding tot pandit is reeds gemeld dat verschillende hindoe-organisaties reeds in eigen kring voorzieningen hebben getroffen. De recent tot stand gekomen Hindoeraad -waarover hieronder meer- heeft reeds aangekondigd, dienaangaande met mij over een verdere uitbouw ervan overleg te willen plegen. Ook de eerder genoemde federatieve organisatie SKIN van christelijke migrantenkerken en de alevitische organisatie HAK.DER lieten weten, hierover overleg op prijs te stellen.

Bij enkele soennitisch-islamitische organisaties zijn ten aanzien van de imam-opleiding voorzieningen in eigen kring getroffen. Daarnaast zijn er enkele particuliere initiatieven bekend, waarvan het vooralsnog niet duidelijk is in welke mate deze door moskee-organisaties als imam-opleiding worden aanvaard.

Tot slot in aansluiting op het in de reeds genoemde eerdere nota vermelde (par.18) een enkel woord over de totstandkoming van representatieve samenwerkingsverbanden op godsdienstige grondslag. Met betrekking tot de totstandkoming van een gemeenschappelijke raad van moslims hebben zich geen ontwikkelingen voorgedaan: in feite lijkt er geen initiatief genomen te zijn om de patstelling tussen met name de Nederlandse Islamitische Raad, de Nederlandse Moslimraad en de Raad van Moskeeën te doorbreken. Met betrekking tot een hindoe-samenwerkingsverband heeft eind 1998 een initiatief van enkele organisaties tot de oprichting van een Hindoeraad geleid. Dit feit heeft veel discussie tussen wel en niet daarbij betrokken organisaties opgeroepen, welke inmiddels tot een door de meeste daarbij betrokken organisaties tot een eensluidende opvatting heeft geleid. Ik heb het bestuur van de Hindoeraad inmiddels medegedeeld, onder voorwaarden beschikbaar te zijn voor overleg over aangelegenheden, het hindoeïsme in Nederland betreffende, voorzover deze niet behoren tot het werkveld van de organisaties, ressorterend onder de Wet overleg minderhedenbeleid.

8. Nota «Kansen krijgen, kansen pakken»: Discriminatie en Communicatie

In het uitvoeringsplan van de nota «Kansen krijgen, kansen pakken» is een van de actieprogramma's getiteld «Participatie: mensen met elkaar» (par. 4). Daarin is een aantal plannen uitgewerkt ter verbetering van communicatie en ter bestrijding van vooroordeel en racisme op lokaal, en ook op Europees en internationaal niveau.

In dit kader is een aantal acties voorzien. Voor zo ver deze een directe relatie hebben met het in deze brief aan de orde gestelde onderwerp, licht ik hen nog kort toe:

Genoemd is de totstandkoming van een ideeëncentrale, waarin goede praktijkvoorbeelden op het vlak van communicatie gebundeld zullen worden. Daartoe behoren ook praktijkvoorbeelden van interreligieuze dialoog tussen levensbeschouwelijke gemeenschappen en van wijzen van informatieverschaffing over in ons land voorkomende godsdienstige en levensbeschouwelijke stromingen.

Aangekondigd werd de ontwikkeling van een monitor «beeldvorming integratie». Zoals ook tijdens de reeds vermelde ronde-tafelgesprekken bleek, is misvormde beeldvorming over -zowel recent als reeds langer aanwezige- levensbeschouwelijke richtingen een belangrijke reden voor ongelijke behandeling van burgers ten opzichte van elkaar. De nu in ontwikkeling zijnde monitor zal ook inzake beeldvorming inzake levensbeschouwing rapporteren. De media kunnen in hun berichtgeving van feiten en achtergronden een belangrijke bijdrage leveren aan een evenwichtige beeldvorming met betrekking tot de positie en de maatschappelijke bijdrage van de verschillende bevolkingsgroepen die ons land rijk is.

Bij een op 25 november jl. gehouden eerste ronde-tafelgesprek over de mogelijkheden om het culturele erfgoed van etnische minderheden in stand te houden en toegankelijk te maken voor de omringende samenleving en de tweede- en derde-generatie van migranten, werden levensbeschouwelijke aspecten expliciet betrokken. Een vervolg-gesprek over dit thema is in voorbereiding.

Op 7 februari 2000 beleg ik een intensief ronde-tafelgesprek over een aantal wezenlijke aspecten van het integratiebeleid. Daarbij zal ik expliciet aandacht vragen voor godsdienst en levensovertuiging.

9. Positieve impuls voor het integratiebeleid

De overheid zal ten aanzien van de eigen aangelegenheden van levensbeschouwelijke genootschappen de grootst mogelijke terughoudendheid betrachten. De scheiding van kerk en staat is een aloude verworvenheid van ons land en verdient respect. Dat houdt ook in dat de staat niet afzijdig blijft bij de betekenis die die genootschappen voor onze samenleving in het algemeen en voor zovele landgenoten in het bijzonder hebben. Door terdege rekening te houden met de levensbeschouwelijke achtergronden van degenen op wie het integratiebeleid zich richt, zal de effectiviteit ervan een positieve impuls krijgen.

Niet voor niets heeft de regering elk van die genootschappen, welke hun achtergrond ook is, opgeroepen, hun leden omwille van het algemeen maatschappelijk belang te doordringen van de noodzaak de burgerrechten van ieder lid van onze samenleving te accepteren en te bevorderen en iedere medeburger ruimte te geven om tot onze samenleving in heel haar verscheidenheid bij te dragen.

De regering wil ook de medewerking verkrijgen van de levensbeschouwelijke gemeenschappen om, met respect voor ieders eigenheid, maatschappelijke vraagstukken tot een oplossing te brengen. Onze scholen, ook de bijzondere scholen, hebben tot taak de jeugd voor te bereiden op het leven in een multiculturele samenleving, die haar identiteit mede ontleent aan een verscheidenheid van opvattingen binnen onze democratische rechtsorde. Bij het voorkomen en verminderen van maatschappelijke tegenstellingen, het bevorderen van een vreedzaam samenleven op wijk- en buurtniveau en het tegengaan van marginalisering van bevolkingsgroepen kunnen gemeenschappen op geestelijke grondslag, in het bijzonder op plaatselijk vlak, een belangrijke positieve rol spelen. Zoals in het verleden ook meermalen gebleken is, kunnen levensbeschouwelijke genootschappen en hun geestelijke bedienaren een doorslaggevende bijdrage leveren bij het beheersen van conflicten en de opheffing van maatschappelijke spanningen.

De uitvoering van het integratiebeleid vraagt in toenemende mate om maatwerk. De diversiteit tussen en binnen de doelgroepen ervan vraagt om een opzet die steeds meer rekening houdt, ook met culturele en met levensbeschouwelijke achtergronden van degenen om wie het gaat. In de ontwikkeling van onderwijsmateriaal, bij de opzet van arbeidsdeelname bevorderende activiteiten, anti-discriminatieprojecten, de pilot-projecten Criminaliteit en etnische minderheden (CRIEM) en activiteiten inzake opvoedingsondersteuning, en niet alleen daarbij, hebben cultuur en levensbeschouwing een niet te veronachtzamen betekenis, die in het verleden wel eens over het hoofd werd gezien. Bij de evaluatie van zulke maatregelen zal daaraan evenzeer de nodige aandacht gegeven moeten worden. Het kabinet vindt de medewerking van levensbeschouwelijke instellingen bij projecten, zowel van het rijk als van gemeenten, een goede zaak. In de nieuwe opzet van (tweejaarlijkse) beleidsrapportages aan Uw Kamer over het integratiebeleid etnische minderheden zal ik aan sociaal-culturele factoren dan ook de nodige aandacht geven.

DE MINISTER VOOR GROTE STEDEN- EN INTEGRATIEBELEID,

R.H.L.M. van Boxtel

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie