Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Brief minister Korthals (Justitie) over Commissie Kalsbeek

Datum nieuwsfeit: 10-12-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal


26269000.022 brief min just aanbevelingen van de commissie kalsbeek
Gemaakt: 20-12-1999 tijd: 11:16


2


26269 Uitvoering aanbevelingen enquetecommissie opsporingsmethoden

Nr. 22 Brief van de minister van Justitie

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 10 december 1999

Hierbij vraag ik uw aandacht voor een enkel punt uit het plenair debat met uw Kamer over het Kabinetsstandpunt inzake de aanbevelingen van de Commissie Kalsbeek. Gelet op de opmerkingen vanuit uw Kamer meen ik er goed aan te doen nog een enkele verduidelijking te geven, met name op de aanbevelingen 21 en 46. Deze aanbevelingen heb ik in mijn betoog kort aangestipt. Aanbeveling 21 Ten aanzien van aanbeveling 21 (het verbod op doorlaten) is reeds in het kabinetsstandpunt aangegeven dat acuut levensgevaar een zelfstandige reden dient te zijn om van inbeslagneming af te zien. In situaties waarin de veiligheid van de infiltrant acuut in het geding is, is het namelijk denkbaar dat de toestemmingsprocedure niet kan worden gevolgd. Ook in het debat op 2 december jl. heb ik aangegeven dat ik mij op dit punt na kan vinden in de voorgestelde uitwerking van het verbod op doorlaten. Ik beschouw de veiligheid van de politie-infiltrant als een zelfstandige grond om van het verbod af te wijken. Met inachtneming hiervan heb ik er geen bezwaar tegen wanneer de aanbeveling wordt overgenomen. Aanbeveling 46 Wat betreft aanbeveling 46, het formeel regelen van voorwaarden voor buitenlandse opsporingsorganisatie in het kader van het optreden op Nederlands grondgebied, merk ik het volgende op. In het kabinetsstandpunt is ten aanzien van deze aanbeveling aangegeven dat reeds is voorzien in een formele regeling. De internationale verdragen en de Nederlandse wetgeving geven daarvoor de kaders. Buitenlandse opsporingsambtenaren kunnen slechts opsporingshandelingen verrichten op Nederlands grondgebied indien toepasselijke verdragen en Nederlandse wetgeving daartoe ruimte bieden. Opsporing door Nederlandse opsporingsdiensten ten behoeve van het buitenland is eveneens telkens gebaseerd op verdragen en Nederlandse wetgeving en vindt plaats onder verantwoordelijkheid van een Nederlandse justitiële autoriteit. Voor zover het verdragsrechtelijk en wettelijk kader een zekere vrijheid laat voor beoordeling zullen voor zover nodig, afspraken gemaakt worden. De voorwaarde dat de verdachte in het buitenland voor de rechter wordt gebracht, is echter een voorwaarde die in het internationale rechtshulpverkeer niet gesteld kan worden. Met name dit laatste punt heb ik in het debat op 2 december jl. genoemd. Ik heb hierover toen opgemerkt dat het niet mogelijk is als voorwaarde te stellen dat het optreden van buitenlandse opsporingsambtenaren moeten leiden tot het voor de rechter brengen van een verdachte in het buitenland. Een dergelijke voorwaarde kan niet worden gesteld omdat dit een inbreuk is, zowel op het soevereiniteits- als op het vertrouwensbeginsel. De beslissing tot verdere vervolging is steeds voorbehouden aan de nationale autoriteit. In Nederlandse strafzaken is die bevoegdheid voorbehouden aan het OM; op deze regel zou ook in Nederland geen inbreuk worden getolereerd.

Conclusie

Ik ga ervan uit dat met het vorenstaande de aanvullende uitleg van het kabinet bij enkele punten in de aanbevelingen 21 en 46 voldoende helder over het voetlicht is gekomen. Voor mij is de uitleg op deze punten belangrijk. Om die reden passen deze twee aanbevelingen in het rijtje van aanbevelingen die met inachtneming van de door het kabinet gemaakte opmerkingen kunnen worden overgenomen. In dit rijtje waren reeds opgenomen de aanbevelingen 6,
18, 19, 30, 33, 39, 41, 45, 58 en 60. Voor zover uw Kamer deze visie deelt, kunnen ook deze aanbevelingen met inachtneming van het vorenstaande worden overgenomen.

De Minister van Justitie,

A.H. Korthals

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie