Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Wijziging begroting Landbouw, Natuur en Visserij (XIV) 1999

Datum nieuwsfeit: 13-12-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal


26921000.004 nota nav verslag wijz. begroting lnv (XIV) 1999
Gemaakt: 21-12-1999 tijd: 11:5


26 921 Wijziging van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten

van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (XIV)

voor het jaar 1999 (wijziging samenhangende met de

Najaarsnota)

Nr. 4 Nota naar aanleiding van het verslag

Ontvangen 13 december 1999

De door de vaste commissie voor Landbouw, Natuurbeheer en Visserij in het verslag gestelde vragen worden als volgt beantwoord.

Vraag 1:

De begroting van LNV neemt per saldo toe met f 175 miljoen (2e suppletore begroting). De toename in de 1e suppletore begroting was f
145 miljoen; totaal in 1999 f 320 miljoen. Op een totale begroting van
3865 miljoen (stand ontwerp-begroting 1999 plus nota van wijziging) is dit een toename van 8,3%. Hoe beoordeelt de minister deze stijging, mede gezien de resultaten in eerdere jaren en de beleidsmatige ontwikkelingen binnen het departement en hoe verhoudt deze stijging zich tot andere ministeries?

Antwoord:

De stijging van de begroting met in totaal f 320 mln. hangt in belangrijke mate samen met het beschikbaar stellen van extra middelen ten behoeve van de oplossing van de mestproblematiek. Alleen al voor dit doel is aan de LNV-begroting bijna f 320 mln. toegevoegd. Verder is f 50 mln. extra uitgetrokken voor grondverwerving ten behoeve van de EHS. Ter compensatie van loon- en prijsstijgingen is de begroting met ca. f 85 mln. verhoogd. Tegenover deze verhogingen staan ook bijstellingen in neerwaartse richting, met name als gevolg van de ombuigingstaakstelling zoals overeengekomen in het kader van de besluitvorming over de Voorjaarsnota 1999 en de begrotingsvoorbereiding 2000. De stijging van de begroting met per saldo f 320 mln. is als een positieve ontwikkeling te beschouwen. Eén en ander bevestigt dat dit Kabinet bereid is om te investeren in de oplossing van belangrijke maatschappelijke vraagstukken. De verhoging van de LNV-begroting valt hoger uit dan die bij andere ministeries, met uitzondering van de begroting van het Ministerie van Justitie.

Vraag 2:

Waarom wordt er f 100 miljoen voor het mestbeleid toegevoegd aan de begroting van 1999 en niet pas aan de begroting van 2000 als het geld daadwerkelijk zal worden uitgegeven? Is het geld dit jaar dus al nodig en zo ja, waarvoor? Wat gebeurt er met de rente-inkomsten? Komen deze ook ten goede aan het mestbeleid? Waar worden deze verantwoord?

Antwoord:

Bij brief van 10 september (Kamerstukken 1998-1999, 26 729, nr. 1) is de Tweede Kamer meegedeeld dat ter oplossing van de mestproblematiek f
500 mln. extra zou worden uitgetrokken t.l.v. de algemene middelen. Daarbij is aangegeven dat bij Voorjaarsnota 2000 over de budgettaire verwerking nader zou worden besloten. Het budgettaire beeld, zoals dat bij Najaarsnota 1999 is gepresenteerd, bood ruimte nu al in dit jaar een eerste tranche van

f 100 mln. beschikbaar te stellen. Daarbij is van belang dat zoals reeds vermeld in de Integrale Notitie Mest- en Ammoniakbeleid uit 1995 de middelen voor de herstructurering van de varkenshouderij zullen worden ondergebracht bij het O&S-fonds voor de Landbouw. De achtergrond hiervan is dat het ritme van de kasuitgaven sterk zal fluctueren in de tijd. Het kunnen beschikken over een fonds is in dat geval onontbeerlijk. Dit betekent dan ook dat de daadwerkelijke besteding van bedoeld bedrag van f 100 mln. vooral in de komende jaren zal plaatsvinden. De middelen van het O&S-fonds worden aangehouden op een rekening bij de Rijkshoofdboekhouding van het ministerie van Financiën. Van rente-inkomsten is in dit kader geen sprake.

Vraag 3:

Kan de minister systematisch op een rij te zetten hoe het budget voor de 'Herstructurering varkenshouderij' zich in 1999 heeft ontwikkeld en waar het geld in 1999 aan is of wordt uitgegeven?

Antwoord:

Het budget voor de herstructurering varkenshouderij heeft zich in 1999 als volgt ontwikkeld:

Beschikbaar (bedragen x f 1mln)

beschikbaar in het herstructureringsfonds per 1/1/1999


151.0

oorspronkelijk begrotingsbedrag 1999


80.0

bijstelling i.v.m. opkoopregeling rechten


220.0

aanvullende bijdrage mestproblematiek


100.0

Totaal beschikbaar 1999


551.0

Verwachte uitgaven 1999 (bedragen x f 1 mln)

Opkoop-afroming varkensrechten


80.0

uitvoeringskosten


10.0

sociaal economisch plan


3.5

diversen


15.4

saldo herstructureringsfonds ultimo 1999


442.1

Vraag 4:

Hoewel onder druk, loopt de aankoop van gronden voor de EHS nog op schema. Betekent dit dan ook dat in 1999 meer grond kan worden aangekocht dan op basis van de ramingen begroot is? Met andere woorden, laat 1999 een `overaankoop' zien, of is de f 50 miljoen nodig om ook in 1999 voldoende gronden aan te kunnen kopen?

Antwoord:

De f 50 mln. extra middelen voor de grondverwerving zijn uitgetrokken ter compensatie van de stijging van de grondprijzen in de periode
1996-1999. Daarmee is overigens het aankoopbudget voor grondverwerving nog niet volledig op peil. Bij de Voorjaarsnota 2000 beslist het Kabinet over de compensatie in de gehele regeerperiode. Er zal met de extra middelen geen versnelling van de SGR-aankopen worden gerealiseerd.

Vraag 5:

Dat slechts een gering aantal aanvragen voor het Stimuleringskader, onderdeel Vernieuwing Landelijk Gebied, wordt goedgekeurd is bekend. Maar waarom verlopen de betalingen van de wél goedgekeurde aanvragen trager dan verwacht?

Antwoord:

Voor wat betreft de betalingen op de goedgekeurde projecten is LNV afhankelijk van de indiening van declaraties door begunstigden. Als er dan een vertraging optreedt in de realisatie van de projecten en dus de declaratie later wordt ingediend, loopt ook de betaling vertraging op.

Vraag 6:

De extra uitgaven voor Vitaal platteland in de 2e suppletore begroting bedragen f 2,2 mln. Wat zijn de totale kosten voor deze niet-verschenen nota?

Antwoord:

Met de voorbereiding van de nota is uiteindelijk ca. f 0,4 mln. gemoeid.

Vraag 7:

De relatie tussen het ministerie en het agentschap Laser is er een van opdrachtgever-opdrachtnemer. Wijzigingen in de uitvoeringskosten gedurende het jaar komen voor rekening van de opdrachtgever. Waarom komt dit risico niet ten laste van de opdrachtnemer?

Antwoord:

Het is wel de bedoeling dat zoveel mogelijk vaste afspraken over uitvoeringskosten worden gemaakt tussen opdrachtgever en opdrachtnemer. In de aanloop naar die situatie wordt gewerkt met een bandbreedte van 7%. Dit tegen de achtergrond van het feit dat zowel opdrachtgever als -nemer ervaring moeten opdoen met deze systematiek.

Vraag 8:

In 1999 zijn nieuwe landbouwbureaus geopend in Boekarest, Caracas en Praag, terwijl volgend jaar enkele andere bureaus zullen worden gesloten. Welke bureaus zijn dat? Welke criteria worden gehanteerd voor het openen dan wel sluiten van landbouwbureaus? Komen de kosten van deze bureaus volledig voor rekening van LNV?

Antwoord:

Internationale ontwikkelingen, zoals de uitbreiding van de Europese Unie en het opkomen van nieuwe markten, vragen om uitbreiding van het aantal landbouwbureaus. Uiteraard zijn de mogelijkheden in dit verband beperkt, hetgeen betekent dat keuzes moeten worden gemaakt om de beperkte middelen zo effectief mogelijk in te zetten. Het politieke en economische belang van het betreffende land in het licht van het LNV-beleidsterrein is daarbij een belangrijk criterium. In dit verband wordt overwogen bijvoorbeeld het bureau in Lissabon te sluiten. De kosten van de landbouwbureaus figureren op de begroting van het ministerie van LNV maar maken deel uit van de Homogene Groep Internationale Samenwerking.

Vraag 9:

Welk resultaat heeft de in september 1999 in Maastricht gehouden conferentie `Multifunctional Character of Agriculture and Land' van LNV en de FAO opgeleverd?

Antwoord:

In het rapport van de voorzitter, waarin de deelnemers zich konden herkennen, wordt aangegeven dat vooruitgang is geboekt t.a.v. de implementatie van Agenda 21 betreffende duurzame landbouw en landgebruik en in de praktijk concrete resultaten worden geboekt. Voorts wordt een groot aantal concrete aanbevelingen gedaan, waarmee verder gewerkt kan worden.

De deelnemers erkenden dat alle menselijke activiteiten, en dus ook landbouw, multifunctioneel zijn, d.w.z. zij dragen bij aan uiteenlopende behoeften en waarden van de maatschappij, in aanvulling op hun primaire functie, die voor de agrarische sector inhoudt de voedselproductie. Voorts wordt uitgesproken dat de toenemende aandacht voor de niet aan voedsel gerelateerde functies van landbouw het noodzakelijk maakt om beleid te ontwikkelen voor het multifunctionele karakter van landbouw en land (MFCAL) binnen het kader van duurzame landbouw en plattelandsontwikkeling (SARD). Dit nieuwe beleid moet doelgericht, transparant en kosteneffectief zijn en mag geen negatieve invloed hebben op handel en productie. Ook moet dit beleid gericht zijn op vergroten van de voedselzekerheid.

Gedurende de conferentie bleken de landen van de Cairns Group een duidelijk voorschot te nemen op de nieuwe ronde van onderhandelingen in WTO-kader die in begin december dit van start zijn gegaan. Zij weigerden MFCAL als begrip en als analytisch kader te accepteren, vanuit de vrees dat andere landen dit zouden misbruiken om ongerechtvaardigde steun aan de landbouwsector in stand te houden.

Aanbevelingen voor toekomstige actie worden op drie niveaus onderscheiden. Op nationaal niveau is onderzoek, training en voorlichting van belang. Daarnaast wordt aandacht gevraagd voor de rol van vrouwen en kleine boeren en het actief bevorderen van de betrokkenheid van alle «stakeholders» in besluitvormingsprocessen op alle niveaus. Ook is het belang van toegang tot de markt en land en van eerlijke prijzen onderstreept. Op regionaal niveau is vooral aandacht gevraag voor samenwerking, onder meer via «twinning»-concepten, zoals thans in gebruik in de samenwerking tussen de EU en toetredende Midden- en Oost-Europese landen. Op internationaal niveau is vooral het instellen van raamwerken en financiële instrumenten van groot belang.

Binnenkort zal een uitgebreid verslag van de Maastricht conferentie aan de Tweede Kamer worden gezonden.

Vraag 10:

Het College Toelating Bestrijdingsmiddelen ontvangt f 3,5 miljoen extra om de gestegen apparaatskosten te dekken. Oorzaak: de tarieven zijn niet meer kostendekkend. Waarom is dit niet voorzien en waarom komt dit tekort pas nu naar boven? Wat betekent dit voor welke tarieven? Krijgt de Kamer hierover vantevoren nog informatie?

Verder zou op ontvangstenartikel 12.04 hogere inkomsten Bestrijdingsmiddelen staan

genoemd. Dit artikel ontbreekt echter in de suppletore begroting. Hoeveel bedragen deze

inkomsten?

Antwoord:

De voorgenomen verzelfstandiging van het CTB brengt mee dat een baten/lasten stelsel wordt ingevoerd. De (voorbereidingen voor de) introduktie van dit bedrijfseconomische en produktgerichte stelsel heeft aan het licht gebracht dat de tarieven van het CTB niet langer kostendekkend zijn. De tot nu toe gehanteerde systematiek van het kasstelsel heeft dit laatste versluierd. Voorafgaand aan de werkzaamheden worden n.l. de tarieven in rekening gebracht en betaald waardoor op kasbasis de exploitatie geen tekort vertoonde.

Het in 1999 extra uitgetrokken bedrag van f 3,5 mln. hangt onder meer samen met de kosten van de voorgenomen verzelfstandiging en de hogere tarieven van onderzoeksinstituten die door het CTB worden ingeschakeld. Daarnaast is er sprake van een toename van de werkzaamheden ten behoeve van bezwaar- en beroepsprocedures waar geen tariefontvangsten tegenover staan. Dit laatste geldt ook gedeeltelijk voor de afhandeling van EU-dossiers, waarbij de helft van de kosten in de tarieven worden verwerkt.

Met ingang van 1 januari 2000 zal met een aanmerkelijk tariefstijging het traject naar kostendekkendheid worden ingezet. Thans worden de noodzakelijke aanpassingen in de regelgeving voorbereid. De intentie is om per 1-1-2001 over kostendekkende tarieven te beschikken. In 1999 zal ruim f 0,7 mln. extra worden ontvangen waarmee de inkomsten in totaal op f 7.7 mln. uikomen.

Vraag 11:

Waarom valt het Masterplan Duitsland duurder uit dan verwacht?

Antwoord:

Het Masterplan Duitsland (MPD) valt niet duurder uit dan verwacht. De verhoging van het uitgaven- en verplichtingenbudget in 1999 voor het MPD van in totaal f 2,9 mln. betreft slechts de begrotingstechnische verwerking van de gemaakte financieringsafspraken. De

f 1,5 mln. betreft de bijstelling voor 1999 ten laste van de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS). De bijdrage van het bedrijfsleven voor 1999 wordt geraamd op

f 1,4 mln. en is begrotingstechnisch verwerkt door de ontvangstentaaksteling met f 1,4 mln. te verhogen (artikel m12.03) en een gelijktijdige verhoging van het uitgaven- en verplichtingenbudget (u12.03).

Vraag 12:

Is voor de oogstschaderegeling 1998 f 125 miljoen in totaal gereserveerd, waarvan nu 7,5 miljoen overblijft, welke wordt teruggeboekt? Wat was het totale geraamde budget voor de uitvoering? Hiervan blijft naar verwachting 10,7 miljoen over. Hoe verhouden zich de totale kosten tot het aantal aanvragers? Wat zijn de kosten per aanvrager en in welke verhouding staat dat tot andere regelingen? Graag enkele vergelijkende cijfers van andere LNV-regelingen.

Antwoord:

Voor de uitgaven in het kader van de Oogstschaderegeling is bij de eerste suppletore begroting 1999 f 125 mln. uitgetrokken (artikel
12.04). Zoals vermeld in de Najaarsnota zal

f 15,3 mln. niet tot besteding komen in 1999. Van dit bedrag is fl.
10,6 mln. ingezet voor knelpunten elders op de LNV-begroting. De overige f 4,6 mln. wordt via de eindejaarsmarge meegenomen t.b.v. uitgaven voor de Oogstschaderegeling in 2000.

De uitvoeringskosten zullen op ca. f 10,1 mln. uitkomen, hetgeen overeenkomt met de verwachting dat met de uitvoering van deze zeer complexe regeling, ca.10% van het schadebedrag zou zijn gemoeid.

In totaal zijn 3.675 schademeldingen behandeld. De uitvoeringskosten per aanvrager komen hiermee voor LASER op ca. f 3000,--. Een vergelijking met andere regelingen is weinig zinvol gelet op het specifieke karakter van de oogstschaderegeling.

Vraag 13:

Kan de regering weergeven wat de stand van zaken is aangaande de afwikkeling van de waterschade. Hoeveel knelgevallen zijn er ontstaan en in hoeveel gevallen is de afwikkeling nog niet gerealiseerd en om welke redenen.

Antwoord:

De uitvoering van de WTS regardeert onder de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Over de afwikkeling van de WTS (en de Oogstschaderegeling) is overigens eerder overleg geweest met de Tweede Kamer. In juni 1999 is e.e.a. uitgebreid aan de orde geweest in een Algemeen Overleg met de vaste kamercommissies van LNV en BZK. Ook nog in oktober 1999 is dit onderwerp aan de orde gesteld in het AO met de vaste Kamer-commissie BZK over Rampenbestrijding.

Wat de Oogstschaderegeling betreft kan het volgende worden opgemerkt. De afwikkeling van de ingediende aanvragen is zeer ver gevorderd. Ruim
90% van de aanvragen is inmiddels afgehandeld. De uitvoeringsorganisatie LASER spant zich maximaal in om de resterende dossiers zo spoedig mogelijk af te ronden. Ongeveer 1/3 van de ingediende bezwaarschriften m.b.t. de Oogstschaderegeling is inmiddels tot een afronding gekomen.

Vraag 14:

In artikel 13.01 Personeel en materiaal, wordt de post Opdrachten aan derden verantwoord. Graag hierop een nadere toelichting. Waardoor vallen de uitgaven hoger uit en wat voor opdrachten betrof het? Betekent het gegeven dat de uitgaven en ontvangsten wegens het uitvoeren van opdrachten voor derden gelijk oplopen dat opdrachten voor derden altijd kostenneutraal worden uitgevoerd? Om welke derden gaat het hier? Waar zijn afspraken hieromtrent vastgesteld?

Antwoord:

De opdrachten van derden waarvan hier sprake is betreffen opdrachten van Rijkswaterstaat, provincies, en waterschappen aan de Dienst Landelijk Gebied (DLG). De omvang van die opdrachten is niet vooraf exact aan te geven; er zullen dus mutaties in de loop van het jaar optreden. De kosten van deze extra opdrachten brengt DLG in rekening bij de opdrachtgevers. Hiertoe hanteert zij de door de Directie Accountancy Rijksoverheid (DAR) geadviseerde tarieven.

Vraag 15:

Indien de sloopkosten BEVAR hoger uitvallen dan geraamd, waarom worden dan verplichtingen en uitgaven BEVAR verlaagd met f 690.000,-? (Uitgaven 13.02 Verwerving)? Hoeveel opstallen zijn door deze regeling daadwerkelijk gesloopt?

Antwoord:

De sloopkosten in het kader van de BEVAR worden verantwoord op artikel
13.03 (Inrichting). Op artikel 13.02 wordt het onderdeel grondverwerving (binnen de BEVAR) verantwoord. Tegelijk met het verlagen van het budget voor het onderdeel verwerving, is het onderdeel sloopkosten BEVAR (13.03) verhoogd. Het betreft derhalve een verschuiving binnen het (gelijkblijvende) totaalbudget van de BEVAR.

In totaal zijn 108 BEVAR aanvragen toegewezen. De «gesloopte» oppervlakte zal naar verwerking ca. 135.000 vierkante meter bedragen.

Vraag 16:

Waarom heeft de DLG een bedrag van f 11,4 mln niet weten te ontvangen? Hoe zal dat komend jaar wel gebeuren?

Antwoord:

Het betreft hier de z.g. landinrichtingsrente welke door de Belastingdienst wordt geïnd. Van tevoren worden de ontvangsten zo goed mogelijk geraamd, maar de daadwerkelijke ontvangst wordt bepaald door het tempo van de afhandeling van de betreffende aanslagen. Die onzekerheid zal elk jaar bestaan. In het verleden is de ontvangstenraming ook regelmatig overschreden.

Vraag 17:

Om welke reden is het gehele bedrag gereserveerd voor de Tijdelijke Regeling Agrarisch Natuurbeheer niet gerealiseerd.

Antwoord:

Abusievelijk is in de 2e suppletore begroting geen melding gemaakt van de tijdelijke Regeling Agrarisch Natuurbeheer. Het betreft hier namelijk een onderuitputting in het verplichtingenbudget van de andere tijdelijke regeling ter voorbereiding op de invoering van Programma Beheer, nl. de Tijdelijke Regeling Particulier Natuurbeheer. Van het oorspronkelijke verplichtingenbudget van f 29 mln. zal ca. f 6 mln. niet verplicht worden. Deze verplichtingenruimte zal nu worden ingezet ten behoeve van de schadeuitkeringen door het Jachtfonds op artikel
13.05.

Het verplichtingenbudget voor de Tijdelijke Regeling Agrarisch Natuurbeheer zal overigens voor 100% worden uitgeput.

Vraag 18:

Wat zijn de vertragende factoren bij de uitvoering van Programmabeheer, kunnen deze in de toekomst ondervangen worden?

Antwoord:

Zoals reeds eerder aan de Tweede Kamer is gerapporteerd zullen de regelingen Natuurbeheer en Agrarisch Natuurbeheer met ingang van 1 januari 2000 worden geopend en zijn de concept-regelingen halverwege het jaar 1999 aan de Europese-commissie ter goedkeuring gezonden.In afwachting van de openstelling van de nieuwe regelingen Programmabeheer zijn er in 1999 twee tijdelijke regelingen voor zowel Natuurbeheer als Agrarisch Natuurbeheer geopend, waarvoor geen EU bijdrage verkregen wordt.

Aangezien er voor het jaar 1999 geen uitgaven worden verwacht in het kader van de nieuwe regelingen Programmabeheer zal de in de begroting van LNV voor 1999 opgenomen EU-inkomstentaakstelling van f 3.0 mln. met betrekking tot Programmabeheer niet gerealiseerd worden. Als zodanig is het uitgavenniveau op het uitgavenartikel 13.04 `Beheer' met

f 3.0 mln. verlaagd.

Vraag 19:

Bij de Rijksdienst voor de Keuring van Vee en Vlees vallen de opbrengsten bij de keuringsdiensten f 12,5 mln. lager uit dan geraamd. Een en ander houdt verband met vertragingen in de voorgenomen wijziging van het nieuwe tarievenstelsel. Dit nieuwe stelsel wordt medio 2000 ingevoerd. Compensatie wordt geboden door een verlaging van de uitgaven. ` De verlaging van de uitgaven bedraagt echter f 12.000,- (Uitgavenartikel 15.01). Hoe moet dit als `compensatie' worden opgevat?

Antwoord:

Als gevolg van een misdruk in de suppletore wet is de indruk ontstaan dat de compensatie slechts f 12.000 bedraagt. Op artikel 15.01 staan de cijfers -12 en 500 abusievelijk onder elkaar in plaats van naast elkaar. Artikel 15.01 wordt dus verlaagd met

f 12.500.000,-.

Vraag 20:

De DLO voert in opdracht van VROM een geuronderzoek uit. Kosten VROM:1,1 miljoen.

Welke kosten heeft LNV hieraan en waarom staat deze post op de LNV-begroting?

Was dit onderzoek al niet eerder afgesproken en hadden deze kosten dus al niet eerder

begroot moeten worden?

Antwoord:

Bedoeld bedrag van f 1,1 mln. vormt een bijdrage van VROM in het project geuronderzoek bij huisvestingssystemen van landbouwhuisdieren i.v.m. een nieuwe «Richtlijn Veehouderij en Stankhinder». Dit onderzoek vormt een aanvulling op het door LNV gefinancierde onderzoeksprogramma «gasvormige emissies in de veehouderij» ten bedrage van f 2,9 mln.

De afspraken voor dit onderzoek zijn eerst in de loop van 1999 geconcretiseerd, waardoor deze kosten niet eerder konden worden begroot.

De minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij

L..J. Brinkhorst

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie