Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Verslag debat over wijziging begroting Economische Zaken

Datum nieuwsfeit: 13-12-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal


26920000.004 verslag wijz. begroting ez (XIII) 1999
Gemaakt: 14-12-1999 tijd: 21:47


8


26920 Wijziging van de begroting van de uitgaven en ontvangsten van het Ministerie van Economische Zaken (XIII) voor het jaar 1999 (wijziging samenhangende met de Najaarsnota)

Nr. 4 Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden

Vastgesteld 13 december 1999

De vaste commissie voor Economische Zaken 1), belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm van een lijst van vragen met de daarop gegeven antwoorden.

Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

De voorzitter van de commissie,

Biesheuvel

De griffier van de commissie,

Tielens-Tripels


1

Er wordt gesproken over een bijdrage van het Ministerie van Defensie van f 50 miljoen gulden. Wordt dit bedrag - wat afkomstig is van Defensie - overgeboekt naar de begroting van Economische Zaken? En zo ja, maakt deze dan deel uit van de f 123 miljoen gulden extra verplichtingenruimte? (blz. 3).

Bij de besluitvorming over de financiering van de JSF in het voorjaar van 1998 is afgesproken dat Defensie f 50 mln zou bijdragen. Middels deze begrotingsoverheveling wordt de bijdrage van Defensie aan de EZ-begroting toegevoegd. Deze overheveling komt dus boven op de f
123,5 mln extra verplichtingenruimte.


2

Hoe hoog is het aandeel energieprojecten binnen de BTS-regeling? (blz.
3 en 11) .

Het aandeel energieprojecten binnen de BTS-regeling neemt toe. De communicatie-activiteiten gericht op energieprojecten zijn in de tweede helft van 1999 op gang gekomen en zullen naar verwachting in
2000 resultaat opleveren. In de eerste twee tenders die in 1999 zijn gepubliceerd, zijn al 10 energieprojecten voor een totaalbedrag van ruim f 11 mln toegezegd. Over de projecten die in het kader van de derde tender zijn ingediend, vindt begin 2000 besluitvorming plaats. De verwachting is dat het aandeel energieprojecten daarin minimaal f 5 mln zal bedragen.


3 en 12

Waarom voldoet de begroting van Syntens nog immer niet aan de door EZ gestelde eisen? Aan welke eisen wordt niet voldaan? Wanneer zal de begroting van Syntens wel aan de gestelde eisen voldoen? (blz. 3 en
13).

Het verplichtingenbudget van f 66 mln op artikel 02.05 van het innovatienetwerk voor ondernemers (Syntens), zal worden doorgeschoven naar 2000. Als reden voert men het feit aan dat de begroting van Syntens nog niet voldoet aan de door EZ gestelde eisen. Vorig jaar bij de Najaarsnota gebeurde hetzelfde, namelijk het verplichtingenbudget van Syntens werd doorgeschoven naar het volgende jaar omdat de begroting van Syntens niet aan de eisen van EZ voldeed. Waarom is Syntens er dit keer weer niet in geslaagd om een passende begroting op te stellen? (blz. 13).

Antwoord op de vragen 3 en 12

Het bestuur van Syntens heeft recent besloten om een bezuinigingsprogramma door te voeren. Deze bezuinigingen vloeien voort uit de wens van het Syntens-bestuur om bij EZ een sluitende begroting voor 2000 in te dienen.

Vanwege deze bezuinigingsoperatie is het niet mogelijk nog in 1999 subsidie voor de Syntens-activiteiten in 2000 ter beschikking te stellen. De implementatie van het bezuinigingsprogramma, waarbij het primaire proces zoveel mogelijk zal worden ontzien, zal namelijk eerst eind januari 2000 afgerond zijn. Daarna zal Syntens het activiteitenplan voor 2000 en het daarop gebaseerde subsidieverzoek bij EZ indienen. Indien wordt voldaan aan de EZ subsidieverplichtingen, zal EZ zo snel mogelijk daarna de subsidie beschikbaar stellen.


4

De tegenpost ten behoeve van de financiering van het knooppunt Born is gevormd samenhangende met geraamde opbrengsten uit de verkoop van reserveonderdelen van de Volvo 400. Waarvoor waren deze opbrengsten oorspronkelijk bestemd? (blz. 4).

De opbrengsten uit verkoop van reserveonderdelen van de Volvo 400 worden aangewend voor aflossing van de schuld van de Staat aan Nedcar, ontstaan uit de verliezen op de Volvo 400. Na aflossing van deze schuld, waarvan de vastgestelde stand ultimo 1998 circa f 500 mln is, vallen de opbrengsten toe aan het generale beeld van de rijksbegroting. De financiering van het knooppunt Born geschiedt dus uit ontvangsten voor de verkoop van reserveonderdelen voor zover zij niet zijn aangewend voor de aflossing van de schuld van de Staat aan NedCar.


5

Waarom vallen de winsten van Holland Casino over 1998 en 1999 lager uit dan geraamd? (blz. 5).

Ten tijde van de begrotingsvoorbereiding 1999 is een afspraak met Holland Casino (HC) gemaakt om het eigen vermogen gefaseerd te laten toenemen. Afgesproken is dat een deel van de winsten niet afgedragen hoeft te worden aan de schatkist, maar toegevoegd wordt aan het eigen vermogen. Deze verhoging van het eigen vermogen is noodzakelijk om enkele uitbreidings- en vervangingsinvesteringen te kunnen financieren. Als gevolg van deze investeringen zal de winstgevendheid van HC op termijn gaan toenemen. Dientengevolge zijn bij de begrotingsvoorbereiding 1999 de ontvangstenramingen verhoogd. Deze investeringen zijn echter later tot stand gekomen dan gepland, waardoor de effecten op de ontvangsten later te verwachten zijn.


6

Waarom bestaat er vertraging in de tariefsaanpassing van het Europees Octrooibureau op grond waarvan de verplichtingen met f 900.000 zijn verhoogd? (blz. 9).

De Administrative Council (de Bestuursraad van het Europees Octrooibureau), waarin alle leden van de 19 bij het EOB aaneengesloten landen zijn vertegenwoordigd, beslist over een aanpassing in de tarieven. De landen hebben nog geen consensus bereikt over de tariefsaanpassing. Door het ontbreken van deze consensus is de beslissing over het aanpassen (verlagen) van de tarieven, tegen eerdere verwachting in, nog niet genomen.


7

Waarom worden de verplichtingen en uitgaven voor onderzoek en voorlichting ten behoeve van het technologiebeleid met een stijging van f 211.000 bijna verdubbeld? (blz. 10).

Vanuit artikel 02.01 Onderzoek en voorlichting ten behoeve van het technologiebeleid vindt financiering plaats van in het verleden aangegane verplichtingen. Op dit artikel worden geen nieuwe verplichtingen meer aangegaan. Het verplichtingenbudget op dit artikel is in het verleden overgeheveld naar artikel 02.12 Technologische Infrastructuur. Voor de afwikkeling van de oude verplichtingen wordt dit jaar een aanvullend kasbudget van ruim f 0,2 mln voorzien.


8

Waarom wordt ten behoeve van de IPR f 19,8 miljoen vrijgemaakt binnen de post Specifieke Bedrijfsgerichte technologiestimulering? (blz. 11).

Het subsidieplafond voor 1999 van het Besluit Subsidies Regionale Investeringsprojecten (BSRI) was reeds in september uitgeput. In de Staatscourant van 27 september 1999 is dan ook aangegeven dat nieuwe aanvragen afgewezen zullen moeten worden. Op dat moment was nog een aantal aanvragen in behandeling. Hierbij geldt dat deze aanvragen worden afgewikkeld op basis van de datum van indiening van de aanvraag. In de praktijk worden aanvragen die op basis van dit criterium niet voor subsidie in aanmerking komen, doorgeschoven naar het volgende jaar.

In 1999 gaat dit evenwel niet op aangezien het huidige BSRI per 31 december 1999 afloopt. Dit zou betekenen dat deze projecten afgewezen zouden moeten worden en dat pas weer een aanvraag ingediend kan worden (en dus ook pas met het project begonnen kan worden) na bekendmaking van het BSRI 2000. Het ontwerp daarvan is voorgelegd aan de Europese Commissie. Goedkeuring zal naar verwachting nog geruime tijd in beslag nemen. In dit kader waren herschikkingen binnen de EZ-begroting noodzakelijk.

De f 19,8 mln voor de IPR-uitgaven zijn gevonden op artikel 02.02 Specifieke bedrijfsgerichte technologiestimulering, hoofdzakelijk op het onderdeel Voorbereiding technologische productie. Dit was mogelijk vanwege een lager dan geraamd beroep op dit onderdeel.


9 en 10

Waarom brengt de intensieve departementale voorbereiding meer tijd voor concretisering van projecten met betrekking tot de elektronische Snelweg met zich mee? Welk departement heeft hierin de regiefunctie? Wordt actie ondernomen om verdere vertraging tegen te gaan? (blz. 11).

Welke projecten voor de elektronische snelweg vergen meer tijd voor de concrete uitwerking dan gepland? (blz. 11).

Antwoord op de vragen 9 en 10

Er is een aantal projecten dat niet, zoals oorspronkelijk gepland, in
1999 verplicht kan worden. Dit betreft projecten die samenhangen met de werkzaamheden van de TaskForce Risseeuw en een project om wetten en regelingen via Internet toegankelijk te maken.

In het kader van de werkzaamheden van de TaskForce Risseeuw zijn voor
1999 binnen het budget voor de electronische snelweg gelden gereserveerd. Voordat hierop verplichtingen kunnen worden aangegaan moeten sommige van de in oktober uitgebrachte aanbevelingen nog worden omgezet in concrete businessplannen. Dat zal naar verwachting begin
2000 zijn afgerond. De regie ligt bij het Ministerie van EZ.

Het project om wetten en regelingen op Internet te publiceren vergt onderhandelingen met Kluwer, waarmee een overeenkomst bestaat met betrekking tot het tot stand brengen van wettenverzamelingen. Deze onderhandelingen vragen meer tijd dan gepland. De regie hiervoor ligt bij het Ministerie van BZK.


11

Kan concreet worden aangegeven waaruit de juridisch-technische redenen bestaan die de vormgeving van een nieuwe First Mover Faciliteit vertragen? (blz. 12).

Het doel van de First Mover Faciliteit is de risico's van een eerste praktijktoepassing van nieuwe milieutechnologie zodanig te verlagen dat die toepassing ook daadwerkelijk plaatsvindt. Afnemers vinden die risico's nu vaak te hoog, zodat nieuwe milieutechnologie onbenut blijft.

EZ vindt dat de overheidsbetrokkenheid bij een oplossing voor dit probleem tijdelijk en beperkt moet zijn. De oplossing moet uiteindelijk door de markt worden gerealiseerd. Het gaat hier immers om een eerste commerciële toepassing van een nieuwe milieutechnologie. EZ zoekt de oplossing dan ook niet in een subsidie-instrument, maar in een financieel product of financiële dienst dat uiteindelijk door marktpartijen, zoals banken of verzekeraars op commerciële basis zal worden uitgevoerd.

De eerste onderzochte oplossing, een garantiefondsmodel, ging uit van een grote overheidsbetrokkenheid. Dit was gezien het uitgangspunt ongewenst en voldeed ook niet aan de regels die de Europese Commissie stelt. Via een Europese aanbesteding roept EZ nu marktpartijen op met oplossingen te komen. Het uitgangspunt dat de overheidsbetrokkenheid tijdelijk en beperkt moet zijn, is onderdeel van de gunningcriteria waaraan voorstellen worden getoetst.


12

Zie vraag 3.


13

Op artikel 02.08 «Bevordering van de vliegtuigindustrie en ruimtevaart» worden de verplichtingen met f 123 mln gulden en de uitgaven met f 20 mln gulden verhoogd. In de toelichting staat dat het meerjarenbudget voor de Joint Strike Fighter (JSF) naar voren wordt gehaald en dat daarbij het verplichtingenbudget wordt verhoogd met f
30 mln gulden door een administratief-technische aanpassing. Wat verstaat de regering onder een administratief-technische aanpassing wanneer die aanpassing f 30 mln gulden extra verplichtingenruimte creëert? Kan dit nader worden toegelicht? (blz. 15).

Op basis van ervaringsgegevens met regelingen die vergelijkbaar zijn, blijkt dat zowel voor de ingediende JSF-projecten als voor de civiele projecten (Airbus) de definitieve betalingen uiteindelijk lager worden vastgesteld dan de in oorsprong toegezegde subsidie. De oorzaak hiervan is vaak dat een deel van de projecten tegen lagere dan de oorspronkelijk voorziene kosten worden uitgevoerd of dat sommige projecten in het geheel niet worden uitgevoerd. Dit betekent dat bij eenzelfde kasbudget hogere verplichtingen kunnen worden aangegaan. Bij het budget voor de JSF gaat het om f 30 mln hogere verplichtingen.


14

Kan nader worden geconcretiseerd waaruit het «majeure» krediet bestaat dat naar verwachting in een keer tot uitbetaling zal komen? Waarom kon deze verwachte uitbetaling niet eerder worden voorzien? Is het mogelijk dat ook in de toekomst dergelijke uitbetalingen niet kunnen worden voorzien? (blz. 15).

Het majeure krediet is in drie tranches - respectievelijk in 1996,
1997 en 1998 - onder de TOK toegezegd voor de ontwikkeling van een nieuwe generatie lithografische systemen. Dit jaar vraagt het betreffende bedrijf in één keer het laatste, grote deel van deze tranches op. Het toegezegde krediet wordt in deze mate opgevraagd, omdat het bedrijf in een zeer 'snelle' markt opereert, waarbij de doorlooptijd van producten en processen vaak zeer kort is. Door extra inspanning van het bedrijf is de voortgang van dit ontwikkelingsproject nog sneller verlopen dan voorzien en kon het daardoor ook eerder gedeclareerd worden. De gemiddelde doorlooptijd van dit krediet is daarmee 2,5 jaar. Normaal wordt in ramingen van de uitbetalingen van toegezegde kredieten rekening gehouden met een gemiddelde termijn van zes jaar. Bij dergelijke zeer grote kredieten en snelle doorlooptijden, is en blijft het moeilijk om de kasbelasting goed in te schatten en juist in de ramingen in te passen.


15

Waarom neemt het opstarten van innovatieve onderzoeksclusters meer tijd in beslag dan voorzien? (blz. 16).

Het gaat om twee verschillende clusters met elk een eigen startsituatie:

SDE, het Samenwerkingsverband Duurzame Energie;

Connekt (fundamenteel-strategisch onderzoeksprogramma verkeer en vervoer naast het toepassingsgerichte ICES-deel).

Bij SDE heeft het enige tijd geduurd voordat een kwalitatief hoogstaand onderzoeksprogramma kon worden samengesteld dat goed aansluit op de deelnemers in SDE. De laatste ontwikkelingen zijn dat SDE per 06-06-1999 ook formeel is opgericht en er een startprogramma voor de tweede helft van 1999 is ontwikkeld. De Europese Commissie heeft haar goedkeuring gegeven aan steunverlening aan SDE. EZ verwacht eind dit jaar een eerste subsidietoezegging te doen voor in 1999 gemaakte uitvoeringskosten.

Wat betreft Connekt is de situatie anders. Gegeven de bij de nota Milieu en Economie gereserveerde middelen, wordt er thans door Connekt en NWO hard gewerkt aan de programma-ontwikkeling. Aangezien het hier, evenals bij SDE, om een vraaggestuurd programma moet gaan, vereist dit ook afstemming met deelnemende partijen. Verder is de financiering van het private deel van de programmakosten nog niet rond. Naar verwachting zal daar begin 2000 duidelijkheid over zijn.


16

Waarom wordt het verplichtingenbudget van de Stichting Axis voor 1999 niet volledig uitgeput? Waarom wordt deze onderuitputting aan latere jaren toegevoegd? Wat is de reden van de onderuitputting op het budget van de Stichting Axis? (blz. 16).

Het aan AXIS toegezegde verplichtingenbudget 1999 is in principe gebaseerd op de in 1999 te verrichten uitgaven. Vooraf maakt Axis een inschatting van de benodigde middelen, welke worden opgenomen in de begroting. Naar huidige inzichten wordt het budget in 1999 niet uitgeput. Dit komt doordat projecten zijn opgestart door Axis, die gedurende de meerjarige looptijd van deze projecten in fasen betaald worden. Daarom worden deze bedragen gedeeltelijk doorgeschoven naar volgende jaren.


17

Kan de verplichting in verband met de afwikkeling van een bezwaarschrift met betrekking tot de generieke steun voor de scheepsbouw nader worden toegelicht? (blz. 18).

Het gaat om een bedrag dat in 1997 bij een afwikkeling van een subsidie ten onrechte teveel is teruggevorderd. Dit is in 1999 hersteld.


18

Op welke gronden heeft de EU de aanwending van EFRO-gelden voor de aanleg van de Oost-Westbaan voor Maastricht Aachen Airport niet goedgekeurd? (blz. 21).

De EFRO-middelen voor de aanleg van de Oost-Westbaan waren projectgebonden. Daar deze baanaanleg uiteindelijk niet is doorgegaan zijn de EFRO-middelen vrijgevallen, maar door het projectgebonden karakter zijn deze middelen niet inzetbaar voor andere structuurversterkende projecten in de regio.


19

Vloeien uit het opstarten van de WTO-rechtswinkel verdere structurele verplichtingen voort? (blz. 26)

Nederland heeft bij de ondertekening van het verdrag ter oprichting van de WTO-rechtswinkel (op 1 december jl. te Seattle) de verplichting op zich genomen om eenmalig US $ 1 mln ter beschikking te stellen aan het ingestelde kapitaalfonds ter financiering van de WTO-rechtswinkel. Daarnaast levert Nederland nog een bijdrage aan de opstartkosten van US $ 1,25 mln. Deze bijdrage zal gespreid over 5 jaar (per jaar US $
0,25 mln) uitbetaald worden. De Nederlandse bijdrage zal door de Minister van Ontwikkelingssamenwerking en de Minister van Economische Zaken worden betaald. Uit dit verdrag vloeien geen verdere, structurele financiële verplichtingen voor Nederland voort.


20

Kunnen de achterliggende redenen van het lager beroep op en de hogere slaagkans van BSE-projecten worden toegelicht? (blz. 27).

Het lagere beroep heeft betrekking op de uitfinanciering van aangegane verplichtingen. Deze uitfinanciering op de artikelonderdelen BSE en EFI verloopt langzamer dan geraamd. Dit is met name het gevolg van de lange contractonderhandelingen tussen exporteur en afnemer (BSE) en de economische crisis in Indonesië (EFI).

Op grond van ervaringsgegevens werd ervan uitgegaan dat 33% van de toegezegde rentesubsidies betaald moet worden. Dat wil zeggen één op de drie transacties waarvoor een subsidietoezegging wordt gedaan, leidt tot orderverwerving. In de praktijk is echter gebleken dat eerder één op de twee transacties waarvoor een subsidietoezegging is gedaan, leidt tot orderverwerving. Om die reden is de slaagkans verhoogd naar 50%. Binnen exportfinancieringsprojecten dient een onderscheid te worden gemaakt tussen scheepsbouw en niet-scheepsbouw. Met name de slaagkans bij scheepsbouw ligt inmiddels aanmerkelijk hoger.


21

Wanneer wordt het beleid voor nieuwe elektriciteitstechnologieën ontwikkeld? (blz. 30).

In 1998 is begonnen met het ontwikkelen van beleid voor nieuwe elektriciteitstechnologieën. In samenspraak met marktpartijen, het onderzoeksveld en intermediairs is onderzocht welke onderwerpen in aanmerking komen. Mede op basis van een extern rapport is in 1999 gewerkt aan de verdere uitwerking en vormgeving van het beleid. Complicerende factor daarbij is, dat zowel aan overheidszijde als bij de partijen in de marktsector vooralsnog de prioriteit lag bij het proces van liberalisering. Naar de huidige inzichten zou dit in de loop van 2000 tot start van concrete activiteiten kunnen leiden.


22

Waarom wordt voor het CO2-beleid boven op de huidige raming verwacht nog f 15 mln te betalen? (blz. 32).

Het CO2-reductieplan wordt uitgevoerd door het projectbureau CO2-reductieplan, een samenwerkingsverband tussen het agentschap Senter en Novem. Op basis van een tussentijdse raming van het projectbureau - aan de hand van aard en omvang van de lopende projecten - bleek een aanvulling van het kasbudget met f 15 mln noodzakelijk omdat het tempo van de uitgaven hoger ligt dan aanvankelijk werd gedacht.


23

Ook in de drie jaren voorafgaand aan 1999 werd meer ontvangen vanwege hogere aflossingen van de TOK-kredieten. In hoeverre kan de regering overzien dat er in komende jaren geen sprake zal zijn van hogere ontvangsten? (blz. 36).

Omdat in recente jaren een aantal majeure kredieten volledig is afgelost, dalen de TOK-ontvangsten met ingang van 2000 in vergelijking met voorgaande jaren en neemt de kans op (substantiële) meevallers af.

Omdat de daadwerkelijke TOK-ontvangsten ondermeer afhankelijk zijn van het succes van het ontwikkelingsproject en de commercialisatie ervan, zijn afwijkingen van de ramingen op voorhand niet uit te sluiten. Bij Voorjaarsnota zal een herijking van de TOK-raming plaatsvinden op basis van de dan bestaande inzichten.


24

Waarom is het GigaPort-project later van start gegaan dan oorspronkelijk gepland? (blz. 36).

In het licht van het feitelijk ter beschikking gestelde bedrag is het businessplan voor het Gigaport-project aangepast. Tezamen met de daaraan verbonden goedkeuringsprocedure,

heeft dit er toe geleid dat dit project op 1 april (in plaats van de oorspronkelijk geplande 1 januari) definitief is goedgekeurd.


1) Samenstelling:

Leden

Blaauw (VVD)

Biesheuvel (CDA), voorzitter

Witteveen-Hevinga (PvdA)

Leers (CDA)

Voûte-Droste (VVD), ondervoorzitter

Rabbae (GL)

Hessing (VVD)

Giskes (D66)

Marijnissen (SP)

Crone (PvdA)

Van Dijke (RPF)

M.B. Vos (GL)

Van Zuijlen (PvdA)

Augusteijn-Esser (D66)

Hofstra (VVD)

Van Walsem (D66)

Wagenaar (PvdA)

Stroeken (CDA)

De Boer (PvdA)

Van den Akker (CDA)

Geluk (VVD)

Verburg (CDA)

Bos (PvdA)

Blok (VVD)

Hindriks (PvdA)

Plv. leden

Verbugt (VVD)

Atsma (CDA)

Kalsbeek-Jasperse (PvdA)

Wijn (CDA)

Klein Molekamp (VVD)

Vendrik (GL)

Kamp (VVD)

Van den Berg (SGP)

Poppe (SP)

Kuijper (PvdA)

Van Middelkoop (GPV)

Van der Steenhoven (GL)

Schoenmakers (PvdA)

Bakker (D66)

Van Baalen (VVD)

Schimmel (D66)

Herrebrugh (PvdA)

Van der Hoeven (CDA)

Smits (PvdA)

De Haan (CDA)

Van Beek (VVD)

Schreijer-Pierik (CDA)

Koenders (PvdA)

Udo (VVD)

Hamer (PvdA)

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie