Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Brief Ministerie Landbouw over beroep tegen FIOV-verordening

Datum nieuwsfeit: 13-12-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal


26800xiv.078 brief sts lnv instellen berope tegen fiov-verondening jur idische (on)mogelijkheden

Gemaakt: 20-12-1999 tijd: 11:21


5


26800 XIV Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (XIV) voor het jaar 2000

Nr. 78 Brief van de staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 13 december 1999

Gedurende het Algemeen Overleg van 6 december jl. verzochten enkele leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal een schriftelijk overzicht van de mogelijkheden om een succesvol beroep in te stellen tegen de Verordening van de Raad tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen en voorwaarden voor de structurele acties van de Gemeenschap in de visserijsector (hierna: de FIOV-verordening).

Procedure

Op grond van artikel 173 (thans artikel 230) van het EG-verdrag kan door een Lidstaat bij het Hof van Justitie beroep worden ingesteld tegen handelingen van onder meer het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk. Het Hof gaat dan de wettigheid van de betreffende handelingen na.

Het beroep moet worden ingesteld binnen twee maanden vanaf de dag van bekendmaking van de handeling, i.c. de datum van publicatie in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen. Naar verwachting zal de FIOV-verordening binnen enkele weken gepubliceerd worden.

Een op artikel 230 van het EG-verdrag te baseren beroep moet worden gegrond op:

onbevoegdheid

schending van wezenlijk vormvoorschriften

schending van het EG-verdrag of van enige uitvoeringsregeling daarvan

misbruik van bevoegdheid.

Mogelijke beroepsgronden en haalbaarheid

De FIOV-Verordening is als voorstel in de Visserijraad goedgekeurd. Deze verordening heeft als rechtsgrondslag de artikelen 42 en 43 (thans artikelen 36 en 37) van het EG-verdrag. Deze artikelen voorzien in een adviesrecht van het Europees Parlement en het Economisch en Sociaal Comité. Beide hebben reeds hun adviezen over deze verordening uitgesproken, maar de verordening dient nog definitief door de Raad te worden vast-gesteld. Artikel 230 EG-verdrag bepaalt in het laatste lid dat een beroep ingesteld moet worden binnen twee maanden te rekenen, al naar het geval, vanaf de dag van bekend-making van de handeling, vanaf de dag van kennisgeving aan de verzoeker of, bij gebreke daarvan, vanaf de dag waarop de verzoeker van de handeling kennis heeft gekregen. Pas wanneer deze verordening in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen is gepubliceerd staat het Nederland vrij om binnen twee maanden een beroep in te stellen.Mocht Nederland besluiten een beroep tot nietigverklaring in te stellen dan dienen één of meerdere van de voornoemde gronden te worden ingeroepen.

Onbevoegdheid van de Raad:

De artikelen 36 en 37 EG-verdrag verlenen de Raad de bevoegdheid om op initiatief van de Commissie van de Europese Gemeenschappen een machtiging te verstrekken met betrek-king tot het verlenen van steun in het kader van economische ontwikkelingsplannen en ter bescherming van door structurele of natuurlijke omstandigheden benadeelde bedrijven. Artikel 37 stelt uitdrukkelijk dat de Raad op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europese Parlement verordeningen kan vaststellen. Gezien de motivering van de onderhavige verordening overeenkomstig artikel 190 (thans artikel 253) EG-verdrag, moet worden geconstateerd dat de Raad de bevoegdheid heeft om onderhavige verordening vast te stellen daar de verordening een onderdeel vormt van het gemeenschappelijk visserijbeleid en structuurbeleid en de onderhavige verordening een deel van de kaders van dit communautaire beleid beoogt aan te geven. Een beroep op deze grond zal derhalve falen.

Schending van wezenlijke vormvoorschriften:

Artikel 253 EG-verdrag eist dat de verordeningen die door de Raad worden aangenomen met redenen zijn omkleed en verwijzen naar de voorstellen of adviezen welke krachtens het EG-verdrag moeten worden gevraagd. Zoals hierboven reeds is betoogd geeft de verordening in de aanhef uitdrukkelijk aan dat de verordening zijn grondslag vindt in de artikelen 36 en 37 EG-verdrag. Bovendien geeft de aanhef aan dat deze verordening gebaseerd is op een voorstel van de Commissie (zoals het Verdrag eist) en dat het Europese Parlement en het Economisch en Sociaal Comité advies hebben uitgebracht. Tenslotte dient opgemerkt te worden dat de aanhef uitdrukkelijk ingaat op de noodzaak van de maatregel en de context waarin deze maatregel zal werken. Een beroep op deze grond zal derhalve falen.

Schending van het Verdrag of enige uitvoeringsregeling daarvan:

Zoals hierboven reeds uiteen is gezet, wordt de verordening op de correcte bepalingen van het EG-verdrag gefundeerd. Een schending van het Verdrag is niet aan de orde. Gezien de gecompliceerde structuur van de communautaire wetgeving op het gebied van het Gemeen-schappelijk Visserijbeleid kan er potentieel wel een conflict bestaan tussen deze verordening en andere secundaire wetgeving. Dit punt is reeds aan de orde gekomen in de vergadering van 15 oktober
1999 van COREPER waarin de juridische dienst van de Raad van Ministers werd verzocht om de legaliteit van het voorstel te toetsen. De juridische dienst concludeerde onder andere dat:

het voorstel in overeenstemming was met Verordening nr. 1260/1999 van de Raad van 21 juni 1999 houdende algemene bepalingen inzake structuurfondsen en Verordening nr. 1263/1999 van de Raad van 21 juni
1999 betreffende het Financieringsinstrument voor de Oriëntatie van de Visserij. De verwijzingen naar bijv. Verordening nr. 1263/99 betekenen geenszins dat in deze verordeningen de grondslag van het voorstel moet worden gezocht;

de toekenning van uitvoeringsbevoegdheden, in het bijzonder op het gebied van financiële correcties, in overeenstemming was met de bepalingen van het EG-verdrag (in het bijzonder artikel 145, thans 202 en 155, vierde streepje, thans 211) en de vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie omtrent de delegatie van bevoegdheden van de Raad van Ministers aan de Commissie;

het voorstel niet bestaande wetgeving wijzigt, in het bijzonder Beschikking 97/413 van de Raad van 26 juni 1997. Raadsbeschikking
97/413 verleent de Commissie de bevoegd-heid om Meerjarige Oriëntatie Programma's vast te stellen voor de vissersvloten van de individuele lidstaten. Onderhavig voorstel, in het bijzonder artikel 9, stelt de voor-waarden vast waaronder staatssteun verleend kan worden aan de vernieuwing en modernisering van de vloot. Het bepaalde in artikel 9 van het voorstel beoogt de lidstaten te stimuleren om hun capaciteit verder te verlagen wanneer staatssteun wordt verleend. Artikel 9 amendeert derhalve niet de Raadsbeschikking 97/413. Het voorstel wijzigt geen bestaande wetgeving en schendt niet het beginsel van gerechtvaardigd vertrouwen.

Ten aanzien van de derde conclusie moet benadrukt worden dat de juridische constructie van de FIOV-verordening uitgaat van een koppeling tussen het Gemeenschappelijk Visserij-beleid met de vangstbeperkingen en andere marktregulering en het Structuurbeleid van de EG dat ten doel heeft sectoren of gebieden te ondersteunen in hun ontwikkeling of sanering. Een dergelijke koppeling is gezien de toepasselijke rechtsgrondslagen en de secundaire wetgeving juridisch houdbaar en zeer moeilijk aan te vechten. De EG heeft immers de bevoegdheid voorwaarden te stellen aan de lidstaten voordat nationale en/of communautaire steun aan een bepaalde sector wordt verleend en kan daarbij verwijzen naar communautaire verplichtingen die binnen diezelfde sector gelden.

Ten slotte valt nog te denken aan een beroep op de algemene beginselen van gemeen-schapsrecht, in het bijzonder het subsidiariteitsbeginsel, het proportionaliteitsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel.

Voorop gesteld zij daarbij dat daarvoor van belang is hoe de voorgenomen verordening nu exact komt te luiden na de verwerking daarin van de tijdens de Raad aangenomen amende-menten, hetgeen op dit moment nog niet bekend is.

Ten aanzien van het subsidiariteitsbeginsel hanteert het Hof van Justitie het beginsel dat het enkele feit dat de Raad het noodzakelijk achtte om een verordening vast te stellen een aanwijzing is dat de maatregel niet in strijd is met het subsidiariteitsbeginsel. Wanneer de Raad in een aantal overwegingen de noodzaak heeft aangegeven, kan er in de ogen van het Hof in beginsel geen sprake zijn van een schending van het subsidiariteitsbeginsel. Wanneer er sprake is van een exclusieve bevoegdheid van de EG kan er nimmer sprake zijn van een schending van het subsidiariteitsbeginsel. Het gemeenschappelijk landbouw- en visserijbeleid zijn in zeer grote mate een exclusieve bevoegdheid van de EG. Een beroep op het subsidiariteitsbeginsel zal derhalve falen.

Een beroep op het proportionaliteitsbeginsel zou gegrond kunnen worden op het feit dat het gewraakte artikel 9 van de verordening zware beperkingen oplegt ten aanzien van overheidssteun voor vernieuwing en modernisering van de vloot. Het Hof van Justitie heeft echter in de gevoegde zaken Frankrijk en Ierland tegen de Commissie (C-296/93 en C-307/93) uitdrukkelijk aangegeven dat het Hof de rechtmatigheid van wetgeving slechts in beperkte mate mag toetsen, wanneer het gaat om complexe onderwerpen waarvoor de communautaire wetgever een grote discretionaire bevoegdheid bezit. In dergelijke gevallen kan het Hof alleen nagaan of er geen sprake is van een overduidelijke vergissing, misbruik van bevoegdheid of een overschrijding van de discretionaire bevoegdheid van de wetgever. Zelfs wanneer in de ogen van het Hof een andere oplossing verkieslijker is, mag het Hof zijn beleidsordeel niet laten prevaleren. Daar het gemeenschappelijke visserijbeleid een complexe materie is, de Raad uitdrukkelijk de verordening heeft goedgekeurd, de verordening gebaseerd is op de juiste artikelen van het Verdrag en het Verdrag de Raad expliciet de bevoegdheid verleent om op dit gebied maatregelen vast te stellen, zal een beroep op het proportionaliteits-beginsel weinig kans van slagen hebben.

Ten slotte zou nog gedacht kunnen worden aan een beroep op schending van het gelijkheids- en het proportionaliteitsbeginsel doordat in Nederland geen steun voor vernieuwing kan worden gegeven binnen een bepaald vlootsegment, terwijl dit in een andere lidstaat wel mogelijk is, hoewel de situatie voor wat betreft de realisatie van de MOP-doelstellingen binnen dit vlootsegment niet wezenlijk verschilt.

De inschatting van de kansrijkheid daarvan hangt echter af van enerzijds de definitieve bewoordingen van de Verordening, en anderzijds de feitelijke overeenkomsten in de situatie in Nederland ten opzichte van die in andere lidstaten in elk jaar gedurende de komende periode.

Ook op dit punt kan derhalve niet nu reeds worden geconstateerd dat dit een redelijke kans van slagen zou hebben.

Misbruik van bevoegdheid:

Daar het EG-verdrag uitdrukkelijk de Raad de bevoegdheid verleent om maatregelen vast te stellen op het gebied van het visserijbeleid en de verordening en in het bijzonder artikel 9, inderdaad past binnen deze bevoegdheid, zal ook een beroep op deze grond falen. Het enkele feit dat er zwaarwegende eisen worden gesteld aan de mogelijkheid om steun te verlenen aan de vernieuwing en modernisering van de vloot is gezien formulering van de bevoegdheid van de Raad onder artikel 36 EG-verdrag geen misbruik van de verleende bevoegdheid.

Ter afsluiting:

Het instellen van een beroep tot nietigverklaring kan en zal de relatie met de Commissie van de Europese Gemeenschappen onder druk zetten. Bovendien moet opgemerkt worden dat het wellicht inopportuun is om een beroep in te stellen, nu Nederland de enige lidstaat is geweest die tegen dit voorstel heeft gestemd.

Conclusie

Het is formeel mogelijk om beroep in te stellen tegen de FIOV-verordening wanneer de verordening definitief wordt vastgesteld. Op basis van de thans beschikbare argumenten zie ik geen reële mogelijkheden voor een succesvol beroep. Bovendien heeft Nederland bij de totstandkoming van de Verordening nooit gewezen op eventuele formele gebreken.

Voorts zal een dergelijk beroep zijn weerslag kunnen hebben op de andere discussies die momenteel in Europees verband spelen (bijvoorbeeld de nitraatrichtlijn en het MOP) en die voor Nederland van eminent belang zijn hetgeen naar mijn mening mede in de over-weging zou moeten worden betrokken alvorens wordt besloten over het al dan niet in-stellen van beroep.

Overigens wordt de MOP-systematiek naar verwachting op termijn reeds door het Hof tegen het licht gehouden in het kader van de inbreukprocedure die de Commissie tegen Nederland is gestart wegen niet-naleving van MOP III.

DE STAATSSECRETARIS VAN LANDBOUW, NATUURBEHEER

EN VISSERIJ,

G.H. Faber

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie