Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Brief Onderwijs over informatie internaten en prestatiebeurs

Datum nieuwsfeit: 13-12-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal


2680viii.065 brief min ocw t.g.v. informatie over internaten en presta tiebeurs

Gemaakt: 17-12-1999 tijd: 20:


4


26800 VIII Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en WetenschappenBuitenlandse Zaken (VIII) voor het jaar 2000

nr. 65 brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen

Aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Zoetermeer, 13 december 1999

In het overleg dat ik afgelopen dinsdag met u hebt gevoerd over een aantal moties, heb ik u toegezegd dat ik de Kamer nadere informatie zal sturen over:


1. de juridische mogelijkheden en onmogelijkheden over schoolinternaten of kostscholen met preventieve en didactische doelstellingen:


2. de onderbouwing van de fl. 950 mln kosten om de aanvullende beurs onder het prestatieregime uit te halen.

Deze informatie treft u hierbij aan

Internaten of kostscholen

Het gaat in motie nummer 29 niet om het opzetten van justitiële inrichtingen of residentiele instellingen voor jeugdhulpverlening, maar om internaten als vorm van intensieve begeleiding om te voorkomen dat allochtone jongeren (wellicht) geen diploma zullen behalen.

De wetgeving kent dergelijke internaten met onderwijsbegeleiding niet. In het kader van de onderwijswetgeving wordt alleen het schoolonderwijs bekostigd en geen verdere opvang. Dat wil niet zeggen dat internaten met onderwijsbegeleiding niet mogelijk zouden zijn. De wetgeving levert in dit opzicht geen belemmeringen, maar voorziet alleen in bekostiging van het onderwijs en niet in mogelijk aan het onderwijs gekoppelde internaatsopvang. Wel bieden o.m. het GOA-beleid, maar ook het grote stedenbeleid, de mogelijkheid, om in het kader van het bestrijden of voorkomen van onderwijsachterstanden op decentraal niveau middelen in te zetten voor lokaal maatwerk. Dat kan resulteren in lokale bekostiging van (internaats-) opvang van leerlingen.

Een onderzoek naar de mogelijkheden en onmogelijkheden op andere onderdelen van het Rijk vraagt meer tijd. Uiteraard ben ik bereid om juridische bijstand te laten verlenen indien hieraan behoefte bestaat.

Onderbouwing van de uitgaven fl. 950 mln

In mijn brief van 25 november 1999, heb ik aangegeven dat de uitvoering van motie nummer 47 tot forse extra uitgaven zal leiden, namelijk cumulatief over een aantal jaren ca. 950 mln. De extra uitgaven die met deze motie gemoeid zijn, zijn het gevolg van het vervallen van het zogenoemde prestatiebeurs-effect.

Het prestatiebeurs-effect betekent dat zolang de student nog niet aan de prestatienormen heeft voldaan, de uitgaven voor de prestatiebeurs (basisbeurs en aanvullende beurs) als voorwaardelijke lening worden verstrekt. Deze leningen zijn niet-relevant voor het begrotingstekort, en belasten daarom het budgettaire beeld van de begroting van OCenW niet. Pas op het moment dat de prestatiebeurs definitief wordt omgezet in een gift (bij het voldoen van de eerstejaarsnorm, en bij het behalen van het diploma) worden de uitgaven als relevante uitgaven geboekt.

Als de aanvullende beurs niet meer onder de prestatiebeurs-systematiek komt te vallen, vervalt ook het prestatiebeurseffect. Dit betekent dat de beursuitgaven dan direct in het jaar waarin ze gedaan worden, ook als relevante uitgaven worden geboekt. Dit leidt in de eerste jaren tot extra relevante uitgaven, die het budgettaire beeld van de begroting van OCenW belasten. In latere jaren ebt het effect langzaam weg, omdat tegenover de extra relevante uitgaven geen omzettingen van leningen in gift staan.

Dit betekent dat het vervallen van dit prestatiebeurs-effect niet structureel is. In de bijlage bij deze brief wordt nader ingegaan op deze berekeningen.

Stapsgewijze invoering

In de aangepaste motie en in het debat van 7 december heeft de Kamer gesuggereerd dat bij een stapsgewijze invoering de aangegeven dekking mogelijk wel voldoende is. In de berekening in de bijlage bij deze brief is dit vertaald in cohortsgewijze invoering. Het zal duidelijk zijn dat ook een dergelijke cohortsgewijze invoering tot extra uitgaven van in totaal f 950 miljoen leidt.

Een andere aanpassing van de prestatiesystematiek in de richting van een stapsgewijze invoering is niet goed denkbaar zonder dat ook onderwijskundige aanpassingen nodig zijn. Hierbij moet gedacht worden aan extra tussenmomenten voor de prestatiemeting (tussen het eerste jaar en het diploma) speciaal voor studenten met een aanvullende beurs. Indien dit gefinancierd moet worden uit de jaarlijkse extra opbrengst van ca. fl. 16 mln van de indexeringsmaatregel, is er een veelvoud van tussenmomenten noodzakelijk voor prestatiemeting, hetgeen onuitvoerbaar is. Stapsgewijze invoering acht ik onderwijskundig en uitvoeringstechnisch dan ook niet mogelijk.

De aangegeven dekking in de betreffende motie betreft de middelen die jaarlijks vrijvallen uit indexering van de basisbeurs voor thuiswonenden. Tot en met de begroting 2002 van OCenW zijn deze middelen ingezet voor knelpunten binnen de begroting van OCenW. Vanaf
2003 zijn deze middelen structureel beschikbaar voor knelpunten in de studiefinanciering (f 50 mln per jaar), zoals door mij genoemd in het debat. De begroting en meerjarenraming lopen tot en met het jaar 2004. Tot dat moment liggen de opbrengsten daarin vast. Wat betreft de meeropbrengsten daarna zijn de normale budget-spelregels van toepassingen: binnen die spelregels is vastliggend beleid bepalend voor de nieuwe meerjarenraming. Deze spelregels leidden ertoe dat het dalend p-beurseffect bij de OV-studentenkaart onder het prestatieregime ook niet door OCenW gecompenseerd hoefde te worden. Daarentegen zijn de besparingen die de maatregel oplevert ná 2004 ook niet voor OCenW beschikbaar.

Conclusie

Nogmaals wil ik benadrukken dat in het regeerakkoord is afgesproken dat met ingang van het komend studiejaar de prestatie-systematiek wordt afgeschaft voor de aanvullende beurs in het eerste jaar. Het eerste jaar heeft immers een oriënterende en selecterende functie.

De studenten die aan de prestatienorm van het eerste jaar hebben voldaan, hebben een belangrijke drempel gehaald. De studenten die dan doorsturen hebben 10 jaar de tijd om hun diploma te halen, waarmee ze aan de prestatienorm voldoen. Deze termijn is op grond van het regeerakkoord tot 10 jaar verlengd. Ik verwacht dan ook dat de groep die de volledige studiefinancieringsrechten gebruikt, en dan niet binnen 10 jaar het diploma haalt, klein zal zijn. Mede in relatie tot het sociale karakter van het stelsel van het terugbetalen van studieschulden is er daarmee een arrangement dat ik zeer goed verdedigbaar acht.

Wanneer ik dit afweeg tegen de met motie gemoeide kosten van f 950 miljoen in relatie tot de constatering dat de door de Kamer aangegeven dekking tot grote tekorten leidt, hou ik vast aan het voornemen om de motie niet uit te voeren.

De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen

L.M.L.H.A. Hermans

Bijlage: Nadere onderbouwing van de kosten

Bij de berekening van de omvang van het extra uitgaven van de motie is verondersteld dat met ingang van het studiejaar 2000/2001 de prestatiesystematiek voor de aanvullende beurs vervalt. In deze veronderstelling zullen de eerste extra uitgaven zich voor doen in het jaar 2001, omdat de aanvullende beurs voor de eerstejaars vanaf 2000, op grond van het regeerakkoord, reeds als gift wordt verstrekt.

De berekening van de omvang van de extra uitgaven is dan als volgt:

Extra relevante uitgaven bij afschaffen prestatiebeurs-systematiek voor de aanvullende beurs. (bedragen in f mln)


2000 2001 2002 2003 2004 2005 Struct. Totaal

Beurs ipv lening 70 140 240 300 300 320

Geen omzettingen -100 -320

Saldo: P-beurs effect 70 140 240 300 200 0 950

Geen

De extra beursuitgaven zijn de uitgaven aanvullende beurs. Elk jaar komt er een nieuw cohort studenten bij, waardoor ook de uitgaven toenemen. Deze uitgaven zijn extra uitgaven omdat deze als beurs worden verstrekt, en niet als lening.

De omzettingen van leningen in gift vinden niet meer plaats. De eerste diploma's van het cohort 2000/2001 worden behaald in 2004. De eerste omzettingen onder het huidige regime zijn dus in 2005. In de jaren ná
2005 neemt dit bedrag snel toe, en zal dan gelijk zijn aan het structurele bedrag van de aanvullende beurs-uitgaven.

Het saldo van beide reeksen is het totaal aan extra relevante uitgaven voor de OCenW -begroting. In totaal over de periode 2000 - 2005 bedraagt dit f 950 mln.

De aangegeven dekking (de vrijval van de middelen uit de indexering van de beurs voor thuiswonenden) in de motie is als dekking hiervoor ontoereikend.

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie