Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Tweede Kamer: uitstel verplichte etikettering rundvlees

Datum nieuwsfeit: 14-12-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten

lnv00000.006 brief min lnv verslag landbouwraad van 14 december 1999 Gemaakt: 11-1-2000 tijd: 11:54 RTF


De Voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Natuurbeheer en Visserij

6 januari 2000

Op dinsdag 14 december 1999 vond in Brussel een vergadering plaats van de Europese Ministers van Landbouw. Tijdens deze Landbouwraad is besloten om de definitieve besluitvorming over uitstel van de verplichte etikettering van rundvlees door te schuiven naar de Visserijraad van 16 en 17 december. Tevens is besloten het verbod op het gebruik van specifiek risicomateriaal met zes maanden uit te stellen. Daarnaast heeft de Commissaris het voorstel voor wijziging van de marktordening voor katoen toegelicht.

De Raad heeft de Commissaris tevens gevraagd om in maart 2000 een rapport aan de Raad voor te leggen over de specifieke maatregelen die nodig zijn om de uitgaven voor export-restituties in lijn te brengen met de geldende budgettaire en WTO-verplichtingen. Tijdens het diner is gesproken over het Witboek over de voedselveiligheid en hebben de Commissarissen verslag gedaan van de WTO-onderhandelingen in Seattle.

Bij aanvang van de vergadering introduceerde Commissaris Fischler zijn nieuwe Directeur-Generaal, de heer Silva. Binnen de Commissie was de heer Silva onder meer verantwoorde-lijk voor het structuurbeleid en plattelandsontwikkeling. Hij volgt de heer Legras op, die naar het Directoraat-Generaal voor Buitenlandse Betrekkingen is gegaan.

Etikettering van rundvlees

De Finse voorzitter geeft aan dat uit eerdere discussies is gebleken dat alle lidstaten

van mening zijn dat het systeem van een verplichte etikettering zo snel mogelijk moet worden ingevoerd. Helaas zijn echter niet alle lidstaten in staat om dit systeem ook per 1 januari 2000 daadwerkelijk toe te passen. Daarom heeft de Commissie voorgesteld om de verplichte etikettering met maximaal één jaar uit te stellen tot uiterlijk 1 januari 2001.

Dit betekent dat het huidige vrijwillige stelsel tijdelijk verlengd wordt.

- De -

De rechtsgrondslag van dit voorstel tot uitstel is artikel 152 van het Verdrag, hetgeen betekent dat de medebeslissingsprocedure met het Europees Parlement van toepassing is. De voorzitter geeft echter aan dat de meningen van de Raad en het Europees Parlement over dit voorstel uiteen lopen, en dat het dus waarschijnlijk niet mogelijk zal zijn om voor het einde van dit jaar een gezamenlijk besluit te nemen. Een besluit tot uitstel is echter wel nodig omdat er anders een leemte in de wetgeving ontstaat. Daarom heeft de Commissie een werkdocument opgesteld waarin het uitstel van de verplichte etikettering wordt geregeld op basis van artikel 19 van de oude verordening (verordening 820/97). In dat geval geldt het oude EP-advies uit 1997, en is geen nieuw advies noodzakelijk voor besluit-vorming. Dit document is reeds op ambtelijk niveau besproken en akkoord bevonden. De voorzitter vraagt daarom aan zijn collega's of zij in kunnen stemmen met een uitstel op basis van artikel 19.

Van Nederlandse zijde heb ik aangegeven het uitstel te betreuren. Gelet op het feit dat de meeste lidstaten nog niet zo ver zijn om de verplichte etikettering ook daadwerkelijk in te voeren, is uitstel echter onvermijdelijk. Ik heb wel de vraag gesteld of het niet mogelijk is om toch iets eerder met het systeem van verplichte etikettering te beginnen. Dus geen uitstel van twaalf maanden zoals de Commissie voorstelt, maar bijvoorbeeld acht maanden. Naar mijn mening zou dat een goede geste zijn richting het Europees Parlement (dat eveneens een korter uitstel bepleit), en tevens de geloofwaardigheid ten opzichte van de publieke opinie vergroten. Het gaat hier immers om een besluit dat rechtstreeks de voedselveiligheid raakt.

Commissaris Fischler merkt op dat het inderdaad niet waarschijnlijk is dat nog voor het einde van dit jaar een besluit kan worden genomen op basis van de medebeslissings-procedure. Ten aanzien van de Nederlandse suggestie om het uitstel te beperken tot acht maanden, merkt hij op dat dit afhangt van de snelheid waarmee de Raad en het Europees Parlement tot een akkoord kunnen komen. Hij wijst erop dat in dat geval reeds in juli 2000 een besluit moet worden genomen aangezien er in augustus geen Raad is. Als dat niet lukt, zo vervolgt hij, dan moet op dat moment wederom tot uitstel worden besloten. Hij is dan ook van mening dat het beter is om voorzichtig te zijn, en bij de Commissietekst te blijven. Daarin is immers sprake van uitstel met maximaal één jaar. De Commissaris benadrukt echter dat eerst de stemming in het Europees Parlement over dit voorstel moet worden afgewacht. Pas daarna kan een definitief besluit worden genomen.

Na een korte discussie concludeert de voorzitter dat als het Europees Parlement in haar eerste lezing een advies uitbrengt dat strookt met dit standpunt van de Raad, het voorstel daarmee wordt goedgekeurd. Als het Europees Parlement echter een advies uitbrengt dat niet strookt met het standpunt van de Raad, zal de Raad het uitstel goedkeuren op basis van artikel 19 van de oude verordening. Met name op verzoek van Nederland wordt aan de conclusies toegevoegd dat de Raad zijn uiterste best zal doen om een besluit over de verplichte etikettering zo snel mogelijk te nemen. Dit in samenspraak met het Europees Parlement.

- Op -

Op donderdag 16 december jl. heeft het Europees Parlement het advies over het uitstel van de verplichte etikettering uitgebracht. Daarin wordt gepleit voor een uitstel van acht maanden in plaats van een jaar. De door de Raad gewenste dubbele rechtsgrondslag (naast artikel 152 ook artikel 37 van het Verdrag) wordt niet overgenomen. Naar aanleiding van dit advies heeft de Raad op vrijdag 17 december jl., tijdens de Visserijraad, met een gekwalificeerde meerderheid van stemmen het besluit genomen om de verplichte etikettering met acht maanden uit te stellen. Dit betekent dat deze met ingang van 1 september 2000 van kracht wordt.

Exportrestituties voor verwerkte landbouwproducten (non annex 1)

De voorzitter geeft aan dat het hier gaat om een drietal maatregelen van de Commissie om de exportrestituties voor verwerkte landbouwproducten (non annex 1-producten) met 4,5% te verlagen. Deze maatregelen gelden specifiek voor de maand december van 1999 en zijn genomen met het oog op budgettaire problemen. De lidstaten hebben in het betreffende Beheerscomité een negatief advies over deze maatregelen uitgebracht. De bezwaren richten zich met name op het forfaitaire karakter van de korting. De Raad heeft in een dergelijk geval de mogelijkheid om binnen één maand een andersluidend besluit te nemen. De voorzitter geeft aan dat dit moeilijk zal zijn, omdat de maatregelen al twee weken van kracht zijn en bovendien deze maatregelen maar voor één maand gelden. Daarom heeft het voorzitterschap een Verklaring opgesteld waarin getracht wordt een oplossing voor het probleem te vinden.

In die Verklaring wordt aangegeven dat de Raad van mening is dat de budgettaire en WTO-verplichtingen moeten worden gerespecteerd. Daarnaast wordt gesteld dat de Raad geen bezwaar zal maken tegen de verlaging van de exportrestituties voor de maand december, maar dat de noodzakelijke besparingen (voortaan) gevonden moeten worden middels meer doelgerichte maatregelen. Dit kan onder meer gebeuren aan de hand van de Mededeling van de Commissie waarin een aantal maatregelen wordt genoemd om tegemoet te komen aan zowel de budgettaire verplichtingen die voortvloeien uit het akkoord van Berlijn, alsmede de geldende WTO-verplichtingen. De Commissie wordt gevraagd om hierover in maart 2000 met een rapport te komen.

Commissaris Fischler bevestigt dat de procedure het mogelijk maakt dat de Raad voor 10 januari a.s. een andersluidend besluit kan nemen. Maar de forfaitaire korting van 4,5% is noodzakelijk om de uitgaven binnen de budgettaire plafonds te houden die in Berlijn zijn vastgesteld, zo benadrukt hij.

Alle ministers ondersteunen de doelstelling van de Commissaris om te voorkomen dat de begroting wordt overschreden. Maar de manier waarop getracht wordt dat te bereiken wordt afgewezen. Vrijwel alle collega's spreken zich uit tegen een forfaitaire verlaging van de exportrestituties. Voor de maand december zijn de meeste ministers nog wel bereid om in te stemmen met de verlaging, maar in de toekomst moet het wel anders gaan, zo wordt betoogd.

- Van -

Van Nederlandse zijde heb ik eveneens aangegeven het niet eens te zijn met de forfaitaire korting. Naar mijn mening moet de Commissaris een duidelijke strategie uitzetten met betrekking tot de vraag hoe hij in de toekomst de uitgaven binnen de begroting en conform de WTO-afspraken denkt te houden. Ik heb aangegeven me te kunnen vinden in de Verklaring van het voorzitterschap, maar dan moet de Commissaris in de toekomst wel een andere, meer gerichte, aanpak volgen.

Naar aanleiding van deze opmerkingen merkt Commissaris Fischler op dat eerst de deskundigen zich moeten gaan buigen over de maatregelen die worden genoemd in de Mededeling van de Commissie. Hij zegt uiteindelijk toe dat in maart 2000 een rapport aan de Raad zal worden voorgelegd waarin deze, meer doelgerichte, maatregelen zijn uitgewerkt. Dit betekent echter dat voor de maanden januari en februari de huidige systematiek nog zal worden gevolgd.

Frankrijk, Ierland en Nederland zijn van mening dat in de maanden januari en februari geen forfaitaire kortingen moeten plaatsvinden. Deze landen zijn van mening dat eerst alle alternatieven besproken moeten worden voordat kan worden overgegaan tot wederom een forfaitaire korting. Voor dit standpunt was echter geen gekwalificeerde meerderheid.

De voorzitter concludeert uiteindelijk dat de Raad zich niet zal verzetten tegen de maat-regelen die de Commissie voor de maand december heeft genomen. Tevens concludeert hij dat de Commissie in maart 2000 met een rapport zal komen waarin meer gerichte maat-regelen worden voorgesteld om de uitgaven voor restituties binnen de toegestane plafonds te houden.

Wijziging van de marktordening voor katoen

Commissaris Fischler heeft in de Raad een toelichting gegeven bij het voorstel voor een wijziging van de gemeenschappelijke marktordening voor katoen. Doelstelling van het voorstel is om de regelgeving te vereenvoudigen, de controle te verbeteren en de uitgaven (meer) te beperken. Zo zal onder meer bij een overschrijding van de gegarandeerde maximale hoeveelheid, de streefprijs voor katoen met 60% van het overschrijdingspercen-tage worden verlaagd. Dat was tot op heden 50%. Tevens zal er in de toekomst meer aandacht moeten zijn voor de milieuproblemen die samenhangen met de katoenproductie. De lidstaten moeten daarom een verslag opstellen over het effect van de genomen milieumaatregelen.

De voorzitter concludeert dat het CSA de opdracht zal krijgen om dit voorstel inhoudelijk te bespreken en zo spoedig mogelijk verslag uit te brengen aan de Raad.

Dioxine en het Witboek over de voedselveiligheid

Commissaris Byrne geeft tijdens het diner een korte toelichting op het Witboek over de voedselveiligheid.

- Dit -

Dit Witboek zal op 12 januari a.s. worden besproken in het College van Commissarissen. Daarna zal het formeel worden gepresenteerd in de Raad. Hij maakt duidelijk dat de Commissie een hoge prioriteit geeft aan de voedselveiligheid. Het Witboek zal dan ook ingaan op de gehele voedsel- en diervoedingsketen. Ook zal het Witboek ingaan op zaken als risicoanalyse, onafhankelijk wetenschappelijk advies en controle en toezicht. Wat betreft het Agentschap voor de Voedselveiligheid is duidelijk geworden dat de Commissie denkt aan een variant analoog aan het EMEA (European Medicines Evaluation Agency). Dit betekent dat het een Agentschap wordt dat onafhankelijk van de Commissie opereert.

Voor een inhoudelijke beoordeling van het Witboek lijkt het me verstandig om te wachten op de definitieve plannen van de Commissie die, zoals het er nu naar uitziet, in de Landbouwraad van januari zullen worden gepresenteerd.

Residuen van diergeneesmiddelen

De voorzitter geeft aan dat het hier gaat om het probleem dat met name voor de zoge-noemde minor species per 1 januari 2000 een aantal diergeneesmiddelen van de markt zal verdwijnen. Voor deze geneesmiddelen zijn namelijk geen maximale residuwaarden vastgesteld. Hij herinnert zijn collega's eraan dat Commissaris Byrne tijdens de Landbouw-raad van november jl. de toezegging heeft gedaan om met name voor paarden een oplossing te zullen vinden.

Commissaris Byrne merkt op dat het inmiddels gelukt is om voor paarden een oplossing te vinden. Deze oplossing komt neer op het verplicht registreren van het toedienen van niet-toegelaten geneesmiddelen in een paspoort. Op deze wijze behandelde paarden komen niet in de voedselketen, of er geldt een verplichte wachttermijn van 6 maanden tussen toediening en slacht. De Commissaris benadrukt echter dat deze oplossing alleen geldt voor paarden, en niet voor de andere minor species. Het probleem is dat de farmaceutische industrie voor deze dieren geen maximale residulimiet wil vaststellen omdat dergelijk onderzoek niet winstgevend is. Een oplossing op de korte termijn ligt dan ook niet voor de hand, aldus Byrne. Hij zegt echter wel toe om samen met zijn collega's te zullen zoeken naar een oplossing. De lidstaten mogen de huidige tijdelijke nationale maatregelen in de tussentijd handhaven. De bescherming van de volksgezondheid zal daarbij uiteraard wel in acht moeten worden genomen.

TSE

TSE - Risicomateriaal

In de Raad ligt het voorstel van de Commissie voor om de inwerkingtreding van de beschik-king inzake het verbod op het gebruik van specifiek risicomateriaal uit te stellen tot 31 maart 2000. De reden hiervoor is dat de lidstaten het niet eens kunnen worden over de gevolgen van deze beschikking voor het gebruik van deze risicomaterialen in industriële, cosmetische en farmaceutische toepassingen, zoals bijvoorbeeld de capsules van medi-cijnen.

- Daarmee -

Daarmee komt de beschikbaarheid van medicijnen in het gedrang. Daarom heeft de Commissie tevens een alternatief voorstel ingediend dat aan dit probleem tege-moet komt. Met het uitstel van drie maanden wordt enige tijd gecreëerd om dat alter-natieve voorstel te bestuderen.

De voorzitter geeft aan dat voor dit voorstel tot uitstel geen gekwalificeerde meerderheid bestond in het Permanent Veterinair Comité. Op basis van die discussie heeft het voor-zitterschap een compromistekst op tafel gelegd dat uitgaat van een uitstel van zes maanden. Op die manier is er meer tijd om het alternatieve voorstel te bespreken, en kan ook het advies van het OIE (Organisation Internationale des Epizoöties) - over onder meer de indeling van landen in risicocategorieën - worden ingewonnen. Hij vraagt aan zijn collega's of zij kunnen instemmen met dit compromisvoorstel.

Vanuit enkele lidstaten wordt benadrukt dat het voorstel tot uitstel de ruimte voor nationale maatregelen niet mag ondermijnen. Zo heeft bijvoorbeeld het Verenigd Koninkrijk krachtige nationale maatregelen genomen ter bestrijding van BSE. Die mogen volgens Minister Brown niet in gevaar komen. Enkele lidstaten pleiten voor een uitstel van een jaar.

Van Nederlandse zijde heb ik aangegeven eveneens voorstander te zijn van uitstel. De beschikbaarheid van medicijnen moet immers gewaarborgd blijven. Daarbij heb ik opgemerkt dat ik - in het geval daar een meerderheid voor is - in kan stemmen met een uitstel van zes maanden. Uitstel met een jaar, zo heb ik aangegeven, heeft evenwel het voordeel dat dan meer zekerheid bestaat over het advies van het OIE (in mei 2000 uit te brengen).

Op basis van de gevoerde discussie concludeert de voorzitter dat een gekwalificeerde meerderheid van de lidstaten zich kan vinden in het compromis van het voorzitterschap. Commissaris Byrne geeft aan dat hij - gelet op de meerderheid in de Raad - eveneens in kan stemmen met het compromisvoorstel. De inwerkingtreding van het verbod op het gebruik van bepaalde risicomaterialen wordt daarmee met zes maanden uitgesteld.

In antwoord op een vraag die de geachte afgevaardigde de heer Geluk (VVD) van uw Kamer heeft gesteld tijdens het Algemeen Overleg op donderdag 9 december jl., kan ik u melden dat op 21 december jl. de Eerste Kamer met een aanpassing van de Destructiewet heeft ingestemd, waarin is vastgelegd dat de kosten van de vernietiging van specifieke risicomaterialen in rekening worden gebracht bij de bedrijven waar dat materiaal ontstaat. Het voorstel van de Commissie over de bestrijding van TSE's bevat geen bepaling over de financiering van de destructie van specifieke risicomaterialen. Verandering van de finan-cieringsstructuur, of ontheffing van de kosten voor het Nederlandse bedrijfsleven, is dan ook niet te verwachten.

- Wordt -

Wordt het voorstel van de Commissie (waarin de indeling van landen is gebaseerd op het aantal gerapporteerde BSE-gevallen per jaar) onverkort aangenomen, dan zal dat afhanke-lijk van de invulling negatieve consequenties kunnen hebben voor de export van levende runderen. Ook zal dan de lijst met risicomaterialen in de Destructiewet moeten worden uitgebreid. Het voorstel van de Commissie houdt echter geen rekening met door de OIE voorgestelde normen, waarin ook de systemen voor risicoanalyse en de bestrijdings- en preventiemaatregelen van lidstaten worden meegewogen. Naar mijn mening moet het voorstel van de Commissie op dit punt worden aangepast.

TSE - algemeen

Commissaris Byrne geeft vervolgens een korte toelichting bij de stand van zaken ten aanzien van het alomvattende voorstel gericht op de bestrijding van TSE. De rechtsgrond-slag daarvoor is artikel 152 van het Verdrag, hetgeen betekent dat de medebeslissings-procedure met het Europees Parlement van toepassing is. Het toepassingsgebied van het voorstel is uitgebreid. Voor medische toepassingen zijn afzonderlijke regelingen, zo stelt hij, dus die komen in dit voorstel niet aan de orde.

De voorzitter sluit de discussie af met de opmerking dat het Coreper de opdracht krijgt om verder te gaan met de besprekingen over dit voorstel.

Bosbouwkundig teeltmateriaal

De voorzitter geeft aan dat in de Raad een voorstel voorligt over het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal. Hierover is op ambtelijk niveau reeds overeenstem-ming bereikt. In het voorstel wordt onder meer het aantal categorieën teeltmateriaal uitgebreid. De betekenis hiervan is vooral gelegen in vergroting van de mogelijkheden om adequaat in te kunnen spelen op het multifunctionele karakter van bos. Tevens wordt de lijst met soorten waarop het voorstel betrekking heeft uitgebreid met soorten die vooral in de zuidelijke lidstaten gekweekt worden. Daarnaast dient er voor bosbouwkundig teelt-materiaal een milieurisicobeoordeling te worden uitgevoerd. De voorzitter vraagt zijn collega's of zij deze overeenstemming kunnen bevestigen.

De Deense minister vraagt aandacht voor de genetisch gemodificeerde organismen. Naar zijn mening moet in dit voorstel dezelfde bescherming gelden als bij de algemene regel-geving inzake het in de handel brengen van genetisch gemodificeerde organismen (richtlijn 90/220). Denemarken legt hierover een eenzijdige verklaring af.

De voorzitter concludeert hierop dat de Raad met een gekwalificeerde meerderheid van stemmen een politiek akkoord heeft bereikt over dit voorstel van de Commissie. Dit voorstel zal middels een schriftelijke procedure formeel worden goedgekeurd.

Diversen

Conferentie van directeuren van betaalorganen van de Europese Unie

- De -

De voorzitter doet kort verslag van de belangrijkste bevindingen van de conferentie van directeuren van betaalorganen van de Europese Unie, die van 24 tot 26 november 1999 plaatsvond in Kuopio, Finland. De Raad moet naar zijn mening nota nemen van onder meer de volgende punten:

de toepassing van het landbouwbeleid in het kader van Agenda 2000 wordt steeds ingewikkelder,

de overheveling van de financiering van plattelandsmaatregelen naar het EOGFL-Garantie is voor de betaalorganen een ingrijpende maatregel,

het financiële toezicht is verbeterd,

de bemiddelingsprocedure (lidstaten kunnen een financiële correctie voorleggen aan een bemiddelingsorgaan) blijkt in de praktijk goed te werken.

WTO-onderhandelingen in Seattle

De Commissarissen Fischler en Byrne hebben tijdens het diner kort verslag gedaan van de onderhandelingen in het kader van de wereldhandelsronde (WTO), die onlangs plaatsvonden in Seattle. Tijdens deze onderhandelingen is voortgang geboekt over de inzet ten aanzien van de verdere liberalisatie van de handel in landbouwproducten, hoewel een alomvattend akkoord over de agenda voor een nieuwe handelsronde niet werd bereikt.

De Commissarissen benadrukken dat de hervorming van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid in het kader van Agenda 2000 de Unie in een goede uitgangspositie heeft gebracht. Drie redenen worden genoemd voor het mislukken van de onder-handelingen:

het tijdstip was te laat in verband met de Amerikaanse verkiezingen,

een inadequate voorbereiding door de Verenigde Staten en het WTO-secretariaat,

de speech van president Clinton over met name `social standards'.

Met het mislukken van de onderhandelingen is de tekst van Seattle volledig van tafel, zo wordt benadrukt. De komende maanden zal gewerkt worden aan het verder opbouwen van de positie van de Unie. De Commissarissen zijn stellig van mening dat hiervoor politieke steun bij de ontwikkelingslanden moet worden gezocht. Het is overigens hun inschatting dat het zeer lastig zal zijn om over het onderwerp dierenwelzijn tot een akkoord te komen. De ontwikkelingslanden hebben hier namelijk grote bezwaren tegen.

Alle ministers hebben hun waardering uitgesproken voor het optreden van de Commissie in Seattle. Ook de solidariteit tussen de lidstaten heeft bijgedragen aan een daadkrachtig optreden van de Unie, zo werd gesteld.

Van Nederlandse zijde heb ik opgemerkt dat het beginsel van liberalisatie doorgang moet vinden. Het is daarbij wel noodzakelijk om rekening te houden met de belangen van de ontwikkelingslanden.

- c) Toekomstige -

Toekomstige werkzaamheden

Dit was de laatste Landbouwraad onder het Finse voorzitterschap. Portugal zal nu het stokje overnemen. De komende voorzitter, Minister Santos, bedankt Minister Hemila voor zijn inspanning en toewijding om de vergaderingen van de Landbouwraad tot een succes te maken. De volgende Landbouwraad zal plaatsvinden op 24 en 25 januari 2000 te Brussel.

DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUURBEHEER

EN VISSERIJ,

mr. L.J. Brinkhorst

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie