Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Tweede Kamer: algemeen overleg oorlogsmisdrijven

Datum nieuwsfeit: 14-12-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal


26262000.007 vao oorlogsmisdrijven

Gemaakt: 22-12-1999 tijd: 13:49


1


26262 Opsporingsonderzoeken in Nederland van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid

nr. 7 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 14 december 1999

De vaste commissie voor Justitie<1> heeft op 24 november 1999 overleg gevoerd met minister Korthals van Justitie over:


- de brieven van 17 maart 1999 en 6 juli 1999 over oorlogsmisdrijven (26262, nrs. 4 en 5);


- de brief van 18 november 1999 over oorlogsmisdrijven (J-99-893).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissie

De heer Niederer (VVD) deelde de opvatting van de minister dat er geen internationale lijst van gezochte oorlogsmisdadigers kan worden opgesteld. Over de eerste drie of vier op de lijst zal wel overeenstemming bestaan, maar vervolgens zal discussie ontbranden over de vraag wie verder op die lijst moeten worden vermeld. De inzet van die discussie is afhankelijk van de economische en/of politieke relaties die landen van de Europese Unie onderhouden met de regio waaruit de oorlogsmisdadiger afkomstig is. Hoe broos de Europese eensgezindheid in dit opzicht kan zijn, is gebleken in de zaak Öcalan, toen Italië frontaal tegenover Duitsland kwam te staan.

De minister schrijft dat zijn initiatieven zich voorshands richten op het instellen van aanspreekpunten in de lidstaten van de EU. Het parket Arnhem zou hiervoor in Nederland dienst kunnen doen. De heer Niederer vond dit een sympathiek voorstel, maar wilde nog een stapje verder gaan. Vroegtijdige opsporing van oorlogsmisdadigers in het land van herkomst is van groot belang. Hij stelde voor de Binnenlandse veiligheidsdienst (BVD) in te zetten voor deze taak. De BVD is als geen ander in staat om met gebruikmaking van de eigen liaisons en het eigen internationale netwerk, belastend bewijsmateriaal te verzamelen tegen personen van wie wordt vermoed dat zij in Nederland onder een valse identiteit asiel zullen aanvragen. Als deze persoon zich aan de Nederlandse grens meldt, slaat Justitie met het door de BVD aangelegde dossier twee vliegen in een klap. In de eerste plaats kan de ontmaskerde oorlogsmisdadiger op grond van de uitsluitingsclausule van het Vluchtelingenverdrag worden uitgesloten van de asielprocedure. Dit is belangrijk, want als betrokkene eenmaal de A-status heeft verworven kan hij na vijf jaar verblijf in Nederland de Nederlandse nationaliteit aanvragen. Is hij dan eenmaal Nederlander dan heeft hij niets meer te vrezen, omdat Nederland eigen onderdanen niet uitlevert aan andere landen. In de tweede plaats kan de oorlogsmisdadiger op strafrechtelijke gronden meteen worden aangehouden en ingesloten. Gedurende zijn gevangenhouding kan nader strafrechtelijk onderzoek worden ingesteld door de Nederlandse politie en Justitie. Als de Nederlandse rechter bevoegd is om de zaak te berechten, kan de strafzaak hier doorgang vinden. Zo niet, dan kan betrokkene worden uitgeleverd. Is de minister bereid met zijn ambtgenoot van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) in overleg te treden over de vraag of hier een taak is weggelegd voor de BVD? Wil hij de Kamer over de uitkomst van dit overleg informeren?

Desgevraagd voegde de heer Niederer hieraan toe dat een oorlogsmisdadiger die zich in Nederland wil vestigen, een bedreiging kan vormen voor de directe veiligheid van de Staat. Dit kan de juridische kapstok zijn voor interveniëring door de BVD. De BVD houdt zich dan niet bezig met opsporing, maar verzamelt slechts informatie. De dienst beweegt zich daarmee meer in een CID-achtig traject in de pro-actieve opsporingsfase.

In antwoord op een vraag van de VVD-fractie schrijft de minister dat acht van oorlogsmisdaden verdachte Bosniërs inmiddels de vluchtelingenstatus hebben verkregen en dat er vier zijn genaturaliseerd. Het is een ernstige zaak dat van oorlogsmisdaden verdachte mensen een heenkomen hebben gevonden in ons land. Volgens de minister kan die naturalisatie op grond van de huidige Rijkswet niet worden teruggedraaid. De IND onderzoekt of de vluchtelingenstatus van de acht anderen kan worden ingetrokken. Kan de minister hierover al enig resultaat melden? Kan hij toezeggen dat betrokkenen strafrechtelijk worden gedetineerd als hun vluchtelingenstatus wordt ingetrokken?

Is het NOVO-team (Nationaal opsporingsteam voor oorlogsmisdrijven) nu op sterkte? De minister schrijft dat er vijf zaken lopen tegen personen uit het voormalige Joegoslavië. Hoe is de stand van zaken?

De heer Van Oven (PvdA) betreurde het dat de rekrutering van rechercheurs voor het NOVO-team langer heeft geduurd dan was voorzien, doordat de grote korpsen nauwelijks wilden meewerken aan de detachering van opsporingsambtenaren in verband met de terugnameverplichting. Het ging slechts om een klein aantal personen en voor een dergelijke zaak moeten de grote korpsen toch bereid zijn tot medewerking. Hopelijk kunnen dergelijke problemen in de toekomst worden voorkomen als het NOVO-team structureel wordt ondergebracht in het Korps landelijke politiediensten (KLPD).

Het NOVO-team krijgt noodzakelijkerwijs nogal eens te maken met informatie die wordt verzameld voorafgaand aan het moment dat een persoon als verdachte kan worden aangemerkt. Zijn er onder het regime van de nieuwe wet politieregisters voldoende mogelijkheden om die informatie op te slaan totdat dat moment is aangebroken?

De toetsing van een asielverzoek op grond van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag is niet hetzelfde als een veroordeling in verband met oorlogsmisdaden. De informatieverschaffing door de Immigratie- en naturalisatiedienst (IND) aan het NOVO-team levert nog problemen op. Die zijn aan de registratiekamer voorgelegd. Is al in een oplossing voorzien?

De beoogde sterkte van het team is bereikt. De acht rechercheurs zijn verdeeld over bepaalde aandachtsgroepen en concentreren zich op mogelijke verdachten en verdachten uit een bepaald gebied. Dit is een praktische werkwijze, maar het betekent wel dat mensen uit een andere streek niet gemakkelijk door het NOVO-team kunnen worden opgepikt. Zo is het de vraag of het NOVO-team actie zou kunnen ondernemen als een "Pinochetachtige" zich in Nederland meldt. Als het dit wel kan doen, zal dit ten koste gaan van lopende onderzoeken. De heer Van Oven vond dit geen goede zaak, zeker niet met het oog op de instelling van het internationale strafhof. Hierbij wordt immers uitgegaan van het beginsel van complementariteit, dat wil zeggen dat de nationale instanties hun werk doen. Zeker nu dit hof in Den Haag wordt gevestigd, mag toch van de Nederlandse instanties wel worden verwacht dat zij hun werk kunnen doen. Daarom zou het nuttig zijn als het NOVO-team nu reeds in staat wordt gesteld zich ook te richten op verdachten uit andere aandachtsgebieden. Hij stelde daarom voor het team uit te breiden met vier rechercheurs. De financiële consequenties die dit met zich meebrengt, kunnen bij de Voorjaarsnota aan de orde komen.

De minister schrijft dat er juridische beperkingen zijn verbonden aan de mogelijkheden om aan diplomatieke vertegenwoordigingen een specifieke taak te geven om bij het Nederlandse openbare ministerie aangifte te doen van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid in het land van accreditering. De heer Van Oven was het ermee eens dat het niet de bedoeling kan zijn dat Nederlandse diplomaten in het buitenland opsporingshandelingen verrichten, maar hij wees erop dat aangifte geen opsporingshandeling is. Ook van Nederlandse burgers wordt verwacht dat zij aangifte doen van ernstige delicten. Met een verwijzing naar artikel 160 van het Wetboek van strafvordering kan zelfs worden verdedigd dat de ambtenaren daartoe verplicht zijn, omdat het vaak zal gaan om ernstige misdrijven die strafbaar zijn gesteld in de artikelen 287 tot 294 van het Wetboek van strafrecht. Hij was verder van mening dat artikel 160 Wetboek van strafvordering geen territoriale beperking voor de aangifteplicht kent, omdat voor dit soort misdrijven rechtsmacht toekomt aan de Nederlandse justitiële autoriteiten. Hij vond de brief van 18 november dus niet bevredigend en vroeg opnieuw om een circulaire aan de Nederlandse diplomaten waarin de verplichting om aangifte van misdrijven te doen, nog eens wordt gemeld. Het is natuurlijk niet de bedoeling dat het openbaar ministerie in Arnhem dan onmiddellijk een begin maakt met opsporingshandelingen, maar wel dat begane misdrijven worden geregistreerd. Als een geregistreerd persoon naar Nederland komt of de Europese landen komen tot een bundeling van krachten, kan een dergelijke aangifte zijn werk doen en kan daarop als het ware worden voortgebouwd. De heer Van Oven zei dat dit voor hem een zwaarwegend punt is.

Hij wees erop dat hij eerder heeft gepleit voor samenwerking tussen landen -- het ligt voor de hand dan te denken aan de lidstaten van de EU -- bij het verzamelen van gegevens over en eventueel ook de opsporing van personen die verdacht kunnen worden van oorlogsmisdrijven en van wie niet uitgesloten mag worden geacht dat zij op enig moment op het grondgebied van de EU verschijnen. Ook hier niet met het doel om verstekprocedures te stimuleren, maar wel om de kans op succes zo groot mogelijk te maken als zich een "Pinochetachtige" situatie voordoet. Indien een orgaan of instituut op Europees niveau erin slaagt de informatie van de lidstaten te bundelen en bevoegd zou worden verklaard te coördineren in welke lidstaat de opsporing en vervolging het beste kunnen plaatsvinden, zou de EU een stapje vooruit kunnen doen bij de aanpak van dit soort mensen. Hij bestreed dat een dergelijke lijst politieke problemen zal opleveren. Het betrokken instituut doet immers niet meer dan het vergaren van bewijs.

De minister kiest echter voorshands voor de instelling van aanspreekpunten in de lidstaten van de EU. Hij bedoelt daarmee waarschijnlijk dat er namen bekend worden gemaakt van contactpersonen in de verschillende lidstaten waartoe de justitiële autoriteiten zich rechtstreeks kunnen wenden indien zij vermoeden dat over een bepaalde persoon informatie is opgeslagen in dat land. De heer Van Oven vond dit te passief. Tijdens de top van Tampere is besloten een Europees justitieel netwerk te vormen ter coördinatie van opsporingsactiviteiten in de EU. Zou dit netwerk niet met een dergelijke taak kunnen worden belast? De minister heeft eerder aangekondigd dat hij deze zaak zou aankaarten bij de JBZ-raad, maar die mededeling is inmiddels een jaar oud en in die tijd zijn er zeven JBZ-raden gepasseerd. Waarom duurt het zo lang? Intussen heeft Human Right Watch de EU ook een dergelijke suggestie aan de hand gedaan. Kortom, de tijd is rijp. Is de minister bereid nu op korte termijn actie te ondernemen?

Het tribunaal voor Rwanda heeft tamelijk paradoxale gevolgen. Het moet de zwaarste misdadigers vervolgen, terwijl Rwanda zelf de andere misdadigers vervolgt. Het tribunaal hanteert internationale rechtsnormen; het spreekt bijvoorbeeld de doodstraf niet uit. De nationale rechtbanken doen dit veel minder. Dit betekent dat de zwaarste misdadigers er beter vanaf kunnen komen. Dit lijkt zich nu voor te doen met de heer Barayagwiza die is vrijgelaten, omdat zijn berechting niet binnen redelijke termijn kon worden uitgevoerd. Een dergelijke rechtscomplicatie is in het nationale rechtstelsel van Rwanda waarschijnlijk ondenkbaar. De vraag is nu wat er met hem moet gebeuren. Terugzending naar Rwanda is moeilijk, want daar staat hem een niet of nauwelijks eerlijk proces te wachten. Verder zal geen land hem willen hebben. De internationale rechtsorde heeft blijkbaar geen antwoord op dit probleem. De heer Van Oven drong erop aan dat deze kwestie in Europees verband aan de orde wordt gesteld.

De heer Van Wijmen (CDA) stelde vast dat verdachte personen niet uit de asielprocedure kunnen worden geweerd, omdat volgens het internationaal recht iedereen asiel mag vragen. Op deze regel kan alleen een uitzondering worden gemaakt als betrokkene eerder verblijf heeft gehad in een veilig derde land. Ook de Universele verklaring voor de rechten van de mens gaat ervan uit dat eenieder asiel mag vragen. Pas nadat een strafrechtelijke procedure is ingesteld, kan een asielverzoek worden geweigerd. Een vreemdeling die bekend is als oorlogsmisdadiger mag de toegang aan de grens worden geweigerd. Heeft die situatie zich wel eens voorgedaan? Is een als zodanig bekend staand persoon terugverwezen naar een derde land waar hij eerder verbleef?

Tijdens een algemeen overleg op 16 april jl. heeft de minister toegezegd na te gaan of er aanwijzingen zijn dat in Nederland verblijvende personen uit Bosnië Herzegovina, verdacht worden van oorlogsmisdrijven. Volgens zijn lijst zijn acht personen eerder in het bezit gesteld van een vluchtelingenstatus, terwijl vier anderen zelfs de Nederlandse nationaliteit bezitten. Thans worden maatregelen genomen om te voorkomen dat nog meer mensen van de lijst worden genaturaliseerd. Gelden die maatregelen voor alle verdachte personen?

De IND en het OM voeren overleg over de voorwaarden waarop en de mate waarin het OM gegevens over personen kan overdragen aan de IND. Hoe is de stand van dit overleg?

Het NOVO-team heeft een aantal zaken in behandeling. Verblijven de van oorlogsverdachte personen die hierin voorkomen in Nederland en, zo ja, waar? Is het waar dat sommigen in asielzoekerscentra verblijven en dat zij als dader van ernstige feiten in de buurt verblijven van een slachtoffer van die daden? Ziet de minister hiervoor een oplossing?

De heer Van Wijmen vroeg of het mogelijk is ambtenaren in diplomatieke dienst te vragen inlichtingen te verstrekken over oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid in het land van accreditering. Hij vond het te ver gaan om hen te vragen aangifte te doen.

Het antwoord van de minister

De minister zei dat het NOVO-team op 1 december a.s. volledig is. Dat dit langer heeft geduurd dan de bedoeling was, wordt vooral veroorzaakt door de gebrekkige medewerking van de korpsen bij de detachering. Volgens het politiebestel zijn de korpsen autonoom in hun beheer en personeelsbeleid. De minister van BZK zal in de eerstvolgende beleidsbrief aan de politie op dit probleem wijzen en de korpsen vragen meer medewerking te verlenen. Dit blijft echter een moeilijk punt.

De registratiekamer heeft twee brieven geschreven waaruit blijkt dat het NOVO-team indien gewenst krachtens de wet politieregisters informatie kan verstrekken aan de IND en dat de IND krachtens het privacyreglement benodigde gegevens kan verstrekken aan het NOVO-team.

De BVD verzamelt informatie om de veiligheid van Nederland te waarborgen. Hij kan die gegevens doorgeven, maar heeft geen opsporingsbevoegdheid. De BVD kan dus geen belastend materiaal verzamelen in het kader van opsporing en vervolging. Daarvoor zou de doelstelling van de BVD moeten worden gewijzigd.

De Nederlandse overheid is sinds enige jaren bevoegd Nederlandse onderdanen voor berechting uit te wijzen naar andere landen.

Bij nalezing lijkt de passage in de brief van 18 november jl. over de ambtenaren in diplomatieke dienst niet goed te zijn geformuleerd. Deze ambtenaren kunnen ook aangifte doen. Het ministerie van Buitenlandse Zaken zal hen daarop wijzen. In de brief werd echter uitgegaan van de veronderstelling dat de ambtenaren zouden moeten worden belast met de opsporing, maar inmiddels blijkt dat dit niet de bedoeling is. Dit zou ook zeker niet mogen gebeuren. Ambtenaren die op de hoogte worden gesteld van oorlogsmisdrijven, hebben echter in ieder geval de bevoegdheid om aangifte te doen. In de relatie tussen het ministerie van Buitenlandse Zaken en de ambtenaren kan aan die bevoegdheid meer invulling worden gegeven zodat de ambtenaren ook werkelijk ertoe overgaan aangifte te doen.

De minister wees erop dat de lijst waarover hij in een vorig overleg nog sprak, in de praktijk onmogelijk kan worden opgesteld, omdat er zoveel landen bij moeten worden betrokken dat het vrijwel onmogelijk zal zijn tot een lijst met tien namen te komen. Het is wel mogelijk de gegevens waarover de verschillende landen beschikken, zoveel mogelijk te coördineren in aanspreekpunten. Daartoe is inmiddels een voorstel voorgelegd aan het comité artikel 36, dat het op 15 december zal bespreken. Dit voorstel kan dan vervolgens worden voorgelegd aan de JBZ-raad. Omdat dit beleid onder de derde pijler valt, is unanieme besluitvorming nodig. Een lijst van alle lidstaten lijkt daarom niet mogelijk. Dit neemt niet weg dat zoveel mogelijk duidelijkheid moet ontstaan over de gegevens waarover andere landen beschikken.

Hij vreesde dat hij fundamenteel van mening verschilt met de heer Van Oven over de mogelijkheden van de Nederlandse overheden. Natuurlijk is het belangrijk dat oorlogsmisdadigers worden berecht, gevangen genomen en zo nodig en mogelijk overgedragen aan andere landen. Het is echter niet mogelijk over alle oorlogsmisdadigers waar ook ter wereld dossiers op te slaan. De landen die het meest bij die oorlogsmisdadigers zijn betrokken, zouden die gegevens moeten opslaan en verwerken en eventueel -- desgevraagd -- doorgeven aan Nederland als een dergelijk persoon naar Nederland zou komen. Het ligt echter meer voor de hand dat Nederland een uitleveringsverzoek krijgt.

De minister verwachtte daarom meer van een aanspreekpunt dan van een Europees justitieel netwerk. Dat is immers ook weer supranationaal en daarover moet dus ook met unanimiteit worden besloten. Langs de weg van coördinatie en aanspreekpunten lijkt het beste resultaat te kunnen worden geboekt. Hij ging ervan uit dat de beste werkwijze zal zijn dat de kennis en informatie waarover een lidstaat beschikt, vrijelijk verkrijgbaar is voor andere aanspreekpunten. Die zullen met name een beroep doen op die informatie als het betrokken land echt iemand wil gaan vervolgen. Een en ander is echter nog niet geconcretiseerd. Eerst moeten de lidstaten ertoe worden aangespoord na te denken over de mogelijkheid van aanspreekpunten. Dit punt is nog niet opgenomen in de conceptnota. Zodra andere landen bereid zijn om mee te werken aan het systeem van aanspreekpunten, zal dit naar voren worden gebracht.

In antwoord op de vraag of een oorlogsmisdadiger wel eens de toegang is geweigerd in Nederland, gaf de minister een toelichting op de procedure. Als iemand naar Nederland komt en asiel vraagt terwijl het vermoeden bestaat dat betrokkene een oorlogsmisdadiger is, wordt bezien of hem de toelating op grond van artikel 1F kan worden geweigerd. De 1F-procedure is minder zwaar dan strafrechtelijke vervolging. De kans dat iemand op grond van 1F wordt geweigerd, is groter dan de kans van strafrechtelijke vervolging. Indien wordt vastgesteld dat betrokkene inderdaad een oorlogsmisdadiger is en om die reden niet in Nederland zou moeten worden toegelaten, moet hij worden uitgewezen. Als dan blijkt dat hij in het land van herkomst grote risico's loopt, kan hij niet worden uitgewezen en moet worden geprobeerd dit vraagstuk via strafrechtelijke vervolging tot een goed einde te brengen.

Desgevraagd zei hij dat het weinig uitmaakt of iemand wordt uitgewezen op grond van de asielprocedure of op basis van een verzoek tot uitlevering. Indien strafvervolging wordt ingesteld en tegelijkertijd een verzoek tot uitlevering wordt ontvangen, zal betrokkene niet worden uitgeleverd aan landen met een strafstelsel dat wellicht tot resultaten leidt die in Nederland onaanvaardbaar worden geacht. Er ontstaat dan natuurlijk wel een probleem. Zodra iemand wordt geweigerd op grond van artikel 1F, zal daarom altijd worden geprobeerd zelf de strafvervolging met kracht ter hand te nemen, zodat hij in ieder geval in Nederland zijn straf kan uitzitten.

De minister zei dat er vrijwel geen enkel land is dat zoveel doet als Nederland. Het enige land dat ook zo actief was, is Duitsland. Daar bestond het team uit tien mensen, maar hun aantal is onlangs teruggebracht tot zes. Nederland hoeft zichzelf dus geen enkel verwijt te maken. Het is belangrijk dat nu de weg wordt vervolgd die internationaal is ingeslagen, dat wil zeggen dat ervoor wordt gezorgd dat oorlogsmisdadigers door een internationaal strafhof worden vervolgd. Hij was het ermee eens dat er intussen niet mag worden stil gezeten. Helaas hebben alle activiteiten tot nu toe nog niet geleid tot enige strafoplegging, omdat het ondanks alle inspanningen ongelooflijk moeilijk is bewijs te vergaren of getuigenverklaringen te verkrijgen.

Het NOVO-team concentreert zich inderdaad op twee landen, namelijk Afghanistan en Joegoslavië, omdat de kans groot is dat oorlogsmisdadigers uit die landen zich in Nederland melden. Die zaken zijn nu op orde, het team is compleet. De minister achtte het verstandig de organisatie nu wat rust te gunnen en te bezien wat de beste werkwijze is. Zoals bekend zal er in het jaar 2001 een evaluatie worden uitgevoerd. Het leek hem beter op basis daarvan te bezien of een verdere uitbreiding met vier rechercheurs is geboden. Hij voegde hieraan toe dat hij geen principiële bezwaren heeft tegen een dergelijke uitbreiding, maar het leek hem niet verstandig al in dit stadium daartoe te besluiten. Bovendien is er nog een praktisch probleem. Per 1 januari a.s. gaat het KLPD over naar het ministerie van BZK en daarmee wordt dit probleem primair een zaak van de minister van BZK. Het zou niet juist zijn hem met een dergelijk voornemen te confronteren.

Nadere gedachtewisseling

De heer Niederer (VVD) zei voor alle duidelijkheid dat zijn uitgangspunt is dat de BVD informatie verzamelt. Die informatie kan op een gegeven moment belastend zijn in een strafrechtelijk onderzoek ingesteld door de politie.

Hij vroeg of de minister wil toezeggen dat hij de taakuitbreiding van de BVD zal bespreken met de minister van BZK. Wil hij de Kamer over de uitkomsten van dit gesprek berichten?

Kan de vluchtelingenstatus die is toegekend aan de acht genoemde oorlogsmisdadigers, worden ingetrokken? Wat is het resultaat van de werkzaamheden van de IND op dit punt?

De heer Van Oven (PvdA) begreep uit het antwoord van de minister dat aangifte niet onder opsporingshandelingen valt en dat ambtenaren in diplomatieke dienst in ieder geval bevoegd zijn om aangifte te doen. Hij vroeg of zij op grond van artikel 160 Wetboek van Strafvordering daartoe verplicht zijn. Zo ja, dan is het opmerkelijk dat er nooit aangifte wordt gedaan. Zo nee, dan zou hij het op prijs stellen als er door middel van een circulaire een gedragslijn uitgaat. Het is natuurlijk niet de bedoeling dat Nederland de vervolging van oorlogsmisdadigers overal op de wereld op zich neemt, maar als consuls in veraf gelegen gebieden persoonlijk kennisnemen van ernstige gegevens ligt het voor de hand dat er aangifte wordt gedaan. Dan moet wel omschreven worden in welke gevallen dit zou moeten gebeuren. Wil de minister toezeggen dat de Kamer hierover op korte termijn wordt geïnformeerd?

De heer Van Oven meende dat er meer activiteiten moeten worden ontplooid in Europees verband. De vraag is hoe de aanspreekpunten van elkaar weten welke informatie beschikbaar is. Er zal dus een of ander meldingssysteem worden ontwikkeld. Dit voornemen heeft echter weinig meerwaarde als het beperkt blijft tot los van elkaar opererende aanspreekpunten. Is de minister bereid de Kamer te informeren over de uitkomsten van het overleg van het comité artikel 36 in december a.s.?

Als het internationale strafhof in 2003 begint met zijn activiteiten, zou Nederland toch moeten beschikken over een opsporings- en vervolgingsteam dat in staat is de benodigde complementaire taken te verrichten. Als het in Nederland al niet zo is geregeld, wat mag er dan van andere landen worden verwacht? In de aanloop daarnaar, is het NOVO-team te beperkt van omvang. In plaats van twee officieren van justitie, is er maar een aangesteld. Waarom is de minister niet bereid tot een bescheiden uitbreiding van het team met vier mensen? Hiervan zou het duidelijk signaal uitgaan naar diegenen die niet uit Afghanistan of het voormalig Joegoslavië komen dat zij zich geenszins vrij kunnen voelen in Nederland.

Hij vroeg ten slotte of de overgang van het KLPD naar het ministerie van BZK een einde maakt aan de detacheringproblemen van rechercheurs.

De minister zei dat het punt van de statussen nog in onderzoek is.

Hij zei dat hij bereid is in overleg te treden met zijn ambtgenoot van BZK over de vraag of de BVD melding wil maken van informatie over buitenlandse oorlogsmisdadigers. De vraag of het takenpakket of de bevoegdheden van de BVD kunnen worden uitgebreid, moet de Kamer zelf aan de minister voorleggen in het kader van de Wet inlichtingen- en veiligheidsdiensten.

Oorlogsmisdrijven vallen niet onder de aangifteplicht van artikel 160. Daarom is een circulaire via het ministerie van Buitenlandse Zaken de aangewezen weg. De wens van de Kamer zal op korte termijn worden overgebracht aan de minister van Buitenlandse Zaken. De Kamer zal worden bericht over diens antwoord.

Hij was het ermee eens dat een systeem moet worden ontwikkeld opdat de aanspreekpunten van elkaar weten over welke informatie zij beschikken. Over de manier waarop dit zal gebeuren, wordt de Kamer te gelegener tijd geïnformeerd.

De minister wees erop dat Nederland niet het enige land is dat activiteiten moet ontplooien op weg naar de installatie van het internationaal strafhof. Het hof zal ook informatie inwinnen in andere landen en veel van die landen beschikken nog niet over een opsporingsteam. Intussen moet Nederland doen wat het kan en dat gebeurt ook.

De structuur van het KLPD blijft ongewijzigd na de overgang naar het ministerie van BZK. Ook het systeem van detachering uit de verschillende regio's blijft ongewijzigd. De problemen die zich nu hebben voorgedaan, kunnen zich dus ook in de toekomst voordoen. Alle hoofdcommissarissen zijn er zich zo langzamerhand echter van bewust dat voor dit soort belangrijke teams het systeem van invulling moet verbeteren. In het verleden is gepleit voor een nationaal politiebestel, omdat bepaalde zaken nationaal moeten worden geregeld, zoals de invulling van de teams. Om verschillende redenen is hiervoor niet gekozen. Nu moet worden bewerkstelligd dat in overleg met de korpschefs en de korpsbeheerders de invulling van dit soort teams sneller kan gebeuren.

De voorzitter van de commissie,

Van Heemst

De griffier van de commissie,

Pe


1 Samenstelling:

Leden: Van de Camp (CDA), Biesheuvel (CDA), Swildens-Rozendaal (PvdA), Kalsbeek (PvdA), Scheltema-de Nie (D66), Zijlstra (PvdA), Apostolou (PvdA), Middel (PvdA), Van Heemst (PvdA), voorzitter, Dittrich (D66), ondervoorzitter, Rabbae (GroenLinks), Rouvoet (RPF), Van Oven (PvdA), O.P.G. Vos (VVD), Van Wijmen (CDA), Patijn (VVD), De Wit (SP), Ross-van Dorp (CDA), Niederer (VVD), Nicolaï (VVD), Halsema (GroenLinks), Weekers (VVD), Van der Staaij (SGP), Wijn (CDA), Brood (VVD)

Plv. leden: Balkenende (CDA), Verhagen (CDA), Wagenaar (PvdA), Arib (PvdA), Van Vliet (D66), Duijkers (PvdA), Kuijper (PvdA), Albayrak (PvdA), Barth (PvdA), Hoekema (D66), Karimi (GroenLinks), Schutte (GPV), Santi (PvdA), Van den Doel (VVD), Rietkerk (CDA), Rijpstra (VVD), Marijnissen (SP), Buijs (CDA), Van Baalen (VVD), Van Blerck-Woerdman (VVD), Oedayraj Singh Varma (GroenLinks), De Vries (VVD), Van Walsem (D66), Eurlings (CDA), Kamp (VVD)

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie