Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Tweede Kamer: verslag Europese Raad te Helsinki

Datum nieuwsfeit: 14-12-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Buitenlandse Zaken

Aan: de Voorzitter van de

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Binnenhof 4

Den Haag

Bezuidenhoutseweg 67

Postbus 20061


2500 EB Den Haag

Nederland
I.a.a. de Voorzitter van de Eerste Kamer

der Staten-Generaal

Datum 14 december 1999 Behandeld drs. P. de Gooijer Kenmerk DIE-839/99 Telefoon (+0031) 70 348.48.59 Blad /1 Fax (+0031) 70 348.40.86
Bijlage(n) 2 (die@die.minbuza.nl)
Betreft Verslag Europese Raad te Helsinki

Zeer geachte Voorzitter,

Overeenkomstig de daarover bestaande afspraken bied ik U hierbij het verslag aan van de bijeenkomst van de Europese Raad te Helsinki, die op 10 en 11 december 1999 plaatsvond. Tevens treft U daarbij aan de conclusies van het Voorzitterschap.

Deze laatste Europese Raad van het millennium markeerde een belangrijk punt in de ontwikkeling van de Europese Unie. Verreikende beslissingen werden genomen over de uitbreiding van de EU, die zowel voor de Unie als voor Europa als geheel een nieuwe fase van integratie en stabiliteit inluiden. Evenzeer positieve beslissingen werden genomen over onderhandelingen over te treffen institutionele hervormingen en het vermogen van de Unie meer verantwoordelijkheid voor veiligheid en stabiliteit in Europa te nemen. Met deze stappen ontwikkelt de Unie zich tot een steeds belangrijker gemeenschappelijk huis van de Europese burger en tot een steeds belangrijkere betrouwbare partner in de wereld.

De Minister van Buitenlandse Zaken,

Verslag van de Europese Raad van Helsinki


10 en 11 december 1999


1. De bijeenkomst van de Europese Raad die op 10 en 11 december
1999 in Helsinki plaatsvond, tond vooral in het teken van de uitbreiding. Met de beslissing het uitbreidingsproces te verbreden tot één kader voor alle dertien kandidaatlidstaten heeft de Unie een nieuwe betekenisvolle stap gezet op weg naar een breed Europa van vrijheid, stabiliteit, welvaart en democratie. Meest in het oog springend is daarbij de beslissing de kandidaat-status van Turkije te bevestigen, welke beslissing door Turkije inmiddels is verwelkomd.

Voorts bereikte de Europese Raad overeenstemming over de agenda van de met het uitbreidingsproces verband houdende Intergouvernementele Conferentie over institutionele hervormingen (IGC) alsmede over de versterking van het Europees Veiligheids- en Defensiebeleid. Ook deze overeenstemming vormt een belangrijke stap vooruit.


2. Als gebruikelijk begon de bijeenkomst van de Europese Raad met een ontmoeting met de Voorzitter van het Europees Parlement, mevrouw Nicole Fontaine. In haar toespraak besteedde zij aandacht aan de belangrijkste onderwerpen die op de agenda van de Europese Raad stonden. M.b.t. de IGC bepleitte zij tijdens de onderhandelingen zowel met het Europees Parlement, alsook met de nationale parlementen nauw voeling te houden. Voorts onderstreepte zij het belang de burger betrokken bij en geinformeerd te houden over de IGC en het uitbreidingsproces om zeker te stellen dat t.z.t. voldoende draagvlak zal bestaan voor ratificatie van verdragswijzigingen. Van Nederlandse kant wordt met de noodzaak van goede publieksvoorlichting en betrokkenheid van harte ingestemd.


3. Aan het begin van hun bijeenkomst stelden de Staatshoofden en Regeringsleiders de Millennium Verklaring vast. In deze verklaring (copie bijgevoegd) wordt stilgestaan bij hetgeen de Europese Unie tot stand heeft gebracht. Er wordt onderstreept dat de Unie tot een ware ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid moet worden gemaakt en dat de stabiliteit en welvaart in Europa zullen worden versterkt door uitbreiding van de Unie en samenwerking met partnerlanden.


4. De Europese Raad werd het snel eens over de nieuwe richting van het uitbreidingsproces. Besloten werd tot een inclusieve benadering waarin, voortbouwend op het proces dat in december 1997 in Luxemburg werd ingezet, thans alle 13 kandidaat-lidstaten in één raamwerk werden gevat. Met Bulgarije, Roemenië, Malta, Litouwen, Letland en Slowakije zullen in februari 2000 toetredingsonderhandelingen worden geopend.

In de onderhandelingen zal elke lidstaat op eigen merites worden beoordeeld. De Europese Raad was het eens dat binnen deze gedifferentieerde aanpak, momentum moet worden gehandhaafd en dat vertragende procedures moeten worden vermeden. Voor alle kandidaat-lidstaten geldt dat zij nog bestaande grensgeschillen vreedzaam moeten oplossen en, indien zulks niet anderszins gelukt, deze aan het Internationaal Gerechtshof (IGH) moeten voorleggen. De Europese Raad zal deze aangelegenheid uiterlijk eind 2004 evalueren, mede m.h.o.o. voorlegging van resterende geschillen aan het IGH.


5. De Europese Raad besloot tot de onder meer door Nederland bepleite bevestiging van de kandidaat-status van Turkije. Overeenstemming werd bereikt dat Turkije een kandidaat-lidstaat is op basis van dezelfde criteria als de andere twaalf en dat het in aanmerking wordt gebracht voor pre-accessie steun die erop zal zijn gericht de nodige hervormingen tot stand te brengen. Een versterkte politieke dialoog zal daarvan deel uitmaken, met nadruk op het toewerken naar vervulling van de politieke Kopenhagen-criteria, met name v.w.b. mensenrechten en de oplossing van bilaterale grenskwesties en het Cyprus-vraagstuk.


6. De Europese Raad bevestigde het belang dat de Unie hecht aan nucleaire veiligheid in Midden en Oost Europa.

Voorts verwelkomde de Europese Raad het begin van de Cyprus-besprekingen in New York. Vastgesteld werd dat een politieke oplossing van de Cypriotische kwestie de toetreding zal vergemakkelijken, maar dat totstandkoming ervan geen voorwaarde vooraf is voor het nemen van een Raadsbeslissing over toetreding na afronding van de toetredingsonderhandelingen. Alsdan zullen alle relevante factoren in overweging worden genomen. Met deze laatste toevoeging is een kader gegeven voor een evenwichtige afweging te zijner tijd. De Minister President maakte duidelijk dat voor Nederland het bereiken van een politieke oplossing zo'n 'relevante' factor is.

Door het bevestigen van de kandidaat-status zijn de mogelijkheden vergroot om een politieke oplossing van de Cyprus-kwestie te bereiken.


7. De Europese Raad bevestigde het vaste voornemen van de Unie de IGC eind 2000 af te ronden en dan de nodige verdragswijzigingen overeen te komen. In de twee daarop volgende jaren zullen deze aan de nationale parlementen ter ratificatie worden voorgelegd teneinde de Unie in staat te stellen vanaf eind 2002 nieuwe lidstaten op te nemen.


De IGC zal begin februari 2000 officieel van start gaan en zal, overeenkomstig de conclusie van de ER van Keulen en in het licht van het door ER verwelkomde rapport van het Finse Voorzitterschap, de drie na de ER van Amsterdam resterende en aan de uitvoering van het Verdrag van Amsterdam gerelateerde onderwerpen betreffen. Onder de laatste moet ook flexibiliteit (versterkte samenwerking) worden gerekend. Voorts bestond overeenstemming over de mogelijkheid tot verdere verbreding van de agenda open te houden; in dit verband werd met waardering door diverse delegaties verwezen naar het Benelux memorandum. Van Nederlandse zijde is voor deze open formule gepleit, mede teneinde verdragswijzigingen in het IGC-resultaat te kunnen invlechten, die voortvloeien uit de verdere vormgeving van het EVDB.


8. De Europese Raad aanvaardde zonder uitvoerige discussie de rapporten van het Voorzitterschap inzake militaire en niet-militaire aspecten van crisisbeheersing. Het ambitieniveau van de EU voor de uitvoering van Petersberg-taken is daarmede duidelijk vastgesteld. Voorts is aangegeven dat het niet gaat om uit het leven roepen van een staand Europees leger.

Binnen het kader van het EU-Verdrag zullen vanaf maart 2000 interim-structuren worden gecreëerd. Tijdens het Portugees Voorzitterschap zullen de kaders voor samenwerking tussen NAVO en EU nader worden uitgewerkt, evenals passende regelingen voor betrokkenheid van niet-EU NAVO lidstaten. Ook wordt in de eerste helft van 2000 bezien, welke verdragswijzigingen nodig zouden kunnen zijn om de Europese ambities in de toekomst waar te kunnen maken.


9. De Europese Raad wijdde een uitvoerige discussie aan het Russische optreden in Tsjetsjenië, die uitmondde in de bijgevoegde verklaring.

Hierbij werd ondubbelzinnig duidelijk gemaakt, dat het buitensporig geweld tegen burgers en de bedreiging van Grozny met vernietiging onaanvaarbaar waren. Aangezien Rusland eerdere oproepen van de internationale gemeenschap (waaronder van de EU) om een politieke oplossing van het conflict na te streven naast zich neer heeft gelegd en is voortgegaan met de militaire operaties in Tsjetsjenië, was voor de Raad het moment gekomen om de invulling van de relaties met Rusland te heroverwegen.


In dit verband heeft de Raad drie concrete akties aangekondigd:

herbezinning op de uitvoering van de Gemeenschappelijke Strategie Rusland. Dit betekent, dat het gehele kader van samenwerking tussen de EU ben Rusland nader wordt bezien;

herbezinning op invulling van het Partnerschaps- en Samenwerkingsakkoord tussen de EU en Rusland, met de bedoeling om de mensenrechtenclausule in te roepen als basis voor het opschorten van een aantal clausules waaraan Rusland economische voordelen ontleent. Bovendien zal de EU Rusland strikt houden aan verplichtingen die Rusland op handelsgebied heeft, maar waaraan het zich momenteel onttrekt;

heroriëntatie van de inzet van TACIS-middelen van economsiche ondersteuning naar projecten op het gebied van mensenrechten, civil society, rechtsstaat en nucleaire veiligheid.

De Europese Raad heeft ook de OVSE en de Raad van Europa opgeroepen kritisch naar de relaties met Rusland te kijken.

Het Voorzitterschap en HV Solana zullen de boodschap van de EU op korte termijn in Moskou op het hoogste niveau overbrengen.

De Europese Raad ondersteunde ten volle de missie van OVSE Voorzitter Vollebaek volgende week naar de Noordelijke Kaukasus en riep Rusland op om dit bezoek te gebruiken voor he top gang brengen van een politieke dialoog met de gekozen leiders van Tsjetsjenië.


10. De Europese Raad heeft de gemeenschappelijke strategie inzake Oekraïne aanvaard als basis voor de relaties tussen de EU en dit land. Oekraïne heeft duidelijk Europese aspiraties en wil zich nadrukkelijk manifesteren als een Europees land. Daarnaast heeft de Europese Raad ook de voorbereiding dan wel uitvoering van andere Gemeenschappelijke Strategieën getoetst. Vanwege het Russische optreden in Tsjetsjenië wordt de uitvoering van de strategie inzake Rusland heroverwogen. De voorbereiding van Gemeenschappelijke Strategieën m.b.t. respectievelijk het Middellandse Zeegebied en de Westelijke Balkan wordt voortgezet. De Raad zal het concept van Gemeenschappelijke Strategieën verder uitwerken.


11. De Europese Raad bevestigde de ingezette lijn van de EU m.b.t. het stabiliteitspact voor Zuidoost-Europa en het belang van samenwerking van landen binnen deze regio. De HV zal met de Commissie op korte termijn een politiek-economische analyse van de toekomstperspectieven van deze regio aan de Raad voorleggen.


De Unie gaat voort met het ondersteunen van democratische krachten in Servië en van de democratisch gekozen regering in Montenegro. De Unie blijft gecommitteerd aan wederopbouw en herstel van Kosovo en trekt hiervoor vanaf 2000 500 MEuro uit, additioneel aan hetgeen de lidstaten nationaal bijdragen.

De Europese Raad ondersteunde het ook van Nederlandse kant onderstreepte belang van spoedig herstel van de bevaarbaarheid van de Donau.


12. De Europese Raad onderschreef de positieve impulsen die het Midden-Oosten Vredesproces recentelijk heeft ontvangen, met name inzake de hervatting op korte termijn van de onderhandelingen over het Syrische spoor. Ook het belang van maatregelen van Israël en de Palestijnen ter uitvoering van het akkoord van Sharm El-Sheikh werd onderstreept. Tegelijkertijd werd het van belang geacht dat ook op het multilaterale spoor spoedig voortgang wordt bereikt.


14. De Europese Raad onderschreef het belang van versterking van de coordinatie van economisch beleid. Overeenstemming bestond over het grote belang van de onderwerpen die op de agenda staan van de bijzondere Europese Raad van Lissabon (23/24 maart 2000). Die bijeenkomst moet in belangrijke mate bijdragen aan de ontwikkeling van het innovatief vermogen en van de bevordering van een sterke, mondiaal concurrerende en op kennis gebouwde Europese samenleving.


15. De ER bereikte voorts overeenstemming over de wenselijkheid het pakket m.b.t. belastingen, waarover in de Ecofinraad - die in de marge van de ER bijeen kwam - geen besluit kon worden genomen, terug te verwijzen naar de Ecofin. Deze werd verzocht het pakket nader te bezien en zonodig nader te laten voorbereiden door een werkgroep op hoog niveau, m.h.o.o. hernieuwde rapportage aan de Europese Raad medio
2000


.

CONCLUSIES VAN HET VOORZITTERSCHAP

EUROPESE RAAD VAN HELSINKI


10 EN 11 DECEMBER 1999


INLEIDING


1. De Europese Raad is op 10 en 11 december 1999 in Helsinki bijeengekomen. Hij heeft de Millenniumverklaring aangenomen. Hij heeft een aantal besluiten genomen die een nieuwe fase in het uitbreidingsproces inluiden. Tevens zijn maatregelen genomen om ervoor te zorgen dat de Unie zelf beschikt over doeltreffende, hervormde instellingen, een versterkt gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid en een concurrerende, werkgelegenheid scheppende, duurzame economie.


2. Bij de aanvang van de werkzaamheden hebben de Europese Raad en de voorzitter van het Europees Parlement, mevrouw Nicole Fontaine, van gedachten gewisseld over de voornaamste te bespreken punten, in het bijzonder de uitbreiding, de institutionele hervorming en de werkgelegenheid.

I. VOORBEREIDING OP DE UITBREIDING

Het uitbreidingsproces


3. De Europese Raad bevestigt het belang van het in december 1997 te Luxemburg gestarte uitbreidingsproces voor de stabiliteit en de welvaart van het gehele Europese continent. Er moet een efficiënt en geloofwaardig uitbreidingsproces in stand worden gehouden.


4. De Europese Raad bevestigt het inclusieve karakter van het toetredingsproces, dat thans 13 kandidaat-lidstaten in één enkel kader omvat. De kandidaat-lidstaten nemen op voet van gelijkheid aan het toetredingsproces deel. Zij dienen de waarden en doelstellingen van de Europese Unie zoals die zijn neergelegd in de Verdragen, te onderschrijven. In dit verband wijst de Europese Raad met nadruk op het beginsel van een vreedzame regeling van geschillen overeenkomstig het Handvest van de Verenigde Naties, en dringt hij er bij de kandidaat-lidstaten op aan alles in het werk te stellen om de nog onopgeloste grensgeschillen en andere daarmee verbonden problemen tot een oplossing te brengen. Indien zij daar niet in slagen, dienen zij het geschil binnen een redelijke termijn voor te leggen aan het Internationaal Gerechtshof. De Europese Raad zal de situatie met betrekking tot alle bestaande geschillen uiterlijk eind 2004 evalueren, met name waar het gaat om de gevolgen voor het toetredingsproces alsook om te bevorderen dat zij via het Internationaal Gerechtshof worden opgelost. Bovendien herinnert de Europese Raad aan de eis dat aan de politieke criteria die zijn vastgesteld door de Europese Raad van Kopenhagen moet zijn voldaan voordat de toetredingsonderhandelingen kunnen worden geopend en dat het voldoen aan alle criteria van Kopenhagen de basis is voor toetreding tot de Unie.


5. De Unie is een vast politiek engagement aangegaan alles in het werk te stellen om de Intergouvernementele Conferentie over institutionele hervormingen uiterlijk in december 2000 af te ronden, waarna tot ratificatie zal worden overgegaan. Na de ratificatie van de resultaten van die Conferentie zou de Unie in staat moeten zijn vanaf eind 2002 nieuwe lidstaten te verwelkomen zodra deze blijk hebben gegeven in staat te zijn om deverplichtingen van het lidmaatschap op zich te nemen en zodra het onderhandelingsproces met succes is afgesloten.



6. De Commissie heeft een nieuwe gedetailleerde evaluatie verricht van de vorderingen in de kandidaat-lidstaten. Daaruit blijkt dat er vorderingen zijn gemaakt wat betreft het voldoen aan de toetredingscriteria. Gezien het feit dat er in bepaalde sectoren nog problemen bestaan, worden de kandidaat-lidstaten tegelijkertijd aangemoedigd hun inspanningen om te voldoen aan de toetredingscriteria, voort te zetten en op te voeren. Het blijkt dat enkele kandidaten niet in staat zullen zijn om op de middellange termijn aan alle criteria van Kopenhagen te voldoen. De Commissie is voornemens om begin 2000 aan de Raad verslag uit te brengen over de vorderingen van bepaalde kandidaat-lidstaten bij het voldoen aan de economische criteria van Kopenhagen. De volgende periodieke voortgangsverslagen zullen tijdig vóór de Europese Raad in december 2000 worden voorgelegd.


7. De Europese Raad herinnert aan het belang van hoge normen op het gebied van nucleaire veiligheid in Midden- en Oost-Europa. Hij roept de Raad op na te gaan op welke wijze het vraagstuk van de nucleaire veiligheid in het kader van het uitbreidingsproces moet worden aangepakt overeenkomstig de desbetreffende Raadsconclusies.


8. De Europese Raad neemt met voldoening nota van het vele werk dat is verricht en de vooruitgang die is geboekt bij de toetredingsonderhandelingen met Cyprus, Hongarije, Polen, Estland, Tsjechië en Slovenië.


9. a) De Europese Raad is ingenomen met de opening van de besprekingen over een algehele regeling van de kwestie Cyprus op
3 december te New York, en spreekt zijn krachtige steun uit voor de inspanningen van de secretaris-generaal van de VN om het proces op succesvolle wijze af te ronden.

b) De Europese Raad onderstreept dat een politieke regeling de toetreding van Cyprus tot de Europese Unie zal vergemakkelijken. Indien op het moment van afronding van de toetredingsonderhandelingen geen overeenstemming is bereikt, zal de Raad het besluit betreffende de toetreding nemen zonder dat het bovenstaande daarbij als voorwaarde vooraf geldt. In die zin zal de Raad rekening houden met alle relevante factoren.


10. Vastbesloten om een positieve bijdrage aan de veiligheid en de stabiliteit op het Europese continent te leveren, heeft de Europese Raad, in het licht van de recente ontwikkelingen en de Commissieverslagen, besloten om in februari 2000 bilaterale intergouvernementele conferenties bijeen te roepen om onderhandelingen te openen met Roemenië, Slowakije, Letland, Litouwen, Bulgarije en Malta over de voorwaarden voor hun toetreding tot de Unie en de daaruit voortvloeiende aanpassingen van het Verdrag.



11. In de onderhandelingen wordt iedere kandidaat-lidstaat op zijn eigen merites beoordeeld. Dit beginsel zal gelden voor het openen van de diverse onderhandelingshoofdstukken en voor het voeren van de onderhandelingen. Teneinde de vaart in de onderhandelingen te houden, dienen omslachtige procedures te worden vermeden. De kandidaat-lidstaten die nu bij het onderhandelingsproces worden betrokken, zullen de mogelijkheid hebben om binnen een redelijk tijdsbestek op hetzelfde niveau te komen als de kandidaat-lidstaten waarmee de onderhandelingen reeds lopen, indien zij bij hun voorbereidingen voldoende vorderingen hebben gemaakt. Vorderingen bij de onderhandelingen moeten samengaan met vorderingen bij de overneming van het acquis in de wetgeving en de daadwerkelijke uitvoering en handhaving daarvan.


12. De Europese Raad is ingenomen met de recente positieve ontwikkelingen in Turkije waarop in het voortgangsverslag van de Commissie wordt gewezen, alsook met het voornemen van Turkije om zijn hervormingen met het oog op het voldoen aan de criteria van Kopenhagen voort te zetten. Turkije is een kandidaat-lidstaat die voorbestemd is om tot de Unie toe te treden op basis van dezelfde criteria als die welke voor de andere kandidaat-lidstaten gelden. Voortbouwend op de bestaande Europese strategie zal Turkije, evenals andere kandidaat-lidstaten, in aanmerking komen voor een pretoetredingsstrategie om zijn hervormingen te stimuleren en te ondersteunen. Hiertoe behoort een versterkte politieke dialoog, met de nadruk op vorderingen bij het voldoen aan de politieke criteria voor toetreding, waarbij bijzondere nadruk zal worden gelegd op de kwestie van de mensenrechten en op de in punt 4 en in punt 9, onder a), genoemde vraagstukken. Turkije zal ook in de gelegenheid zijn om deel te nemen aan communautaire programma's en organen en aan vergaderingen van de kandidaat-lidstaten met de Unie in het kader van het toetredingsproces. Er zal een partnerschap voor de toetreding worden ingevoerd op basis van eerdere conclusies van de Europese Raad, dat de prioriteiten behelst waarop de toetredingsvoorbereidingen toegespitst moeten zijn in het licht van de politieke en economische criteria en de verplichtingen van een lidstaat, in combinatie met een nationaal programma voor de aanneming van het acquis. Er zullen passende controlemechanismen worden ingesteld. Met het oog op de intensivering van de werkzaamheden tot harmonisatie van de Turkse wetgeving en praktijk met het acquis, wordt de Commissie verzocht een proces van analytische bestudering van het acquis voor te bereiden. De Europese Raad verzoekt de Commissie om één enkel kader voor te stellen voor de coòrdinatie van alle bronnen van financiële pretoetredingssteun van de Europese Unie.


13. De toekomst van de Europese Conferentie zal worden geëvalueerd in het licht van de situatie zoals die zich ontwikkelt en de in Helsinki genomen besluiten over het toetredingsproces. Het komende Franse voorzitterschap heeft aangekondigd voornemens tezijn een bijeenkomst van de Conferentie te beleggen in het tweede semester van 2000.


De Intergouvernementele Conferentie over institutionele hervorming


14. De Europese Raad is ingenomen met het verslag van het voorzitterschap over de vraagstukken in verband met de Intergouvernementele Conferentie, waarin de voornaamste opties worden genoemd waarvoor de Conferentie zich geplaatst zal zien.


15. Er zullen passende maatregelen worden getroffen opdat de Intergouvernementele Conferentie begin februari officieel bijeen kan worden geroepen. De Conferentie zou uiterlijk in december 2000 haar werkzaamheden moeten afronden en een besluit nemen over de nodige Verdragswijzigingen.


16. In aansluiting op de conclusies van Keulen en in het licht van het verslag van het voorzitterschap, zal de Conferentie zich buigen over omvang en samenstelling van de Commissie, de stemmenweging in de Raad en de mogelijke uitbreiding van het stemmen met gekwalificeerde meerderheid in de Raad, alsook over andere Verdragswijzigingen die ten aanzien van de Europese instellingen nodig zijn in verband met de bovenvermelde vraagstukken en in het kader van de uitvoering van het Verdrag van Amsterdam. Het komende voorzitterschap zal aan de Europese Raad verslag uitbrengen over de tijdens de Conferentie gemaakte vorderingen en kan aanvullende agendapunten voor de Conferentie voorstellen.


17. De ministers die lid zijn van de Raad Algemene Zaken zullen de algemene politieke verantwoordelijkheid voor de Conferentie dragen. De voorbereidende werkzaamheden zullen worden verricht door een groep bestaande uit een vertegenwoordiger van de Regering van elke lidstaat. De vertegenwoordiger van de Commissie zal deelnemen op het politieke en voorbereidende niveau. Het secretariaat-generaal van de Raad zal in de secretariële ondersteuning voor de Conferentie voorzien.


18. Het Europees Parlement zal nauw bij de werkzaamheden van de Conferentie worden betrokken en ingeschakeld. Vergaderingen van de Voorbereidende Groep kunnen worden bijgewoond door twee waarnemers van het Europees Parlement. Elke zitting van de Conferentie op ministerieel niveau zal worden voorafgegaan door een gedachtewisseling met de voorzitter van het Europees Parlement, bijgestaan door twee vertegenwoordigers van het Europees Parlement. Bijeenkomsten op het niveau van de staatshoofden en regeringsleiders waarop de IGC aan de orde is, zullen worden voorafgegaan door een gedachtewisseling met de voorzitter van het Europees Parlement.


19. Het voorzitterschap zal het nodige doen om ervoor te zorgen dat de kandidaat-lidstaten in de bestaande fora regelmatig op de hoogte worden gebracht van de vorderingen bij de besprekingen, en de gelegenheid krijgen om hun standpunten inzake de besprokenaangelegenheden naar voren te brengen. Ook aan de Europese Economische Ruimte zal informatie worden verstrekt.


Efficiënte instellingen


20. De werkmethoden van de Raad behoeven ingrijpende wijzigingen, die van nu af aan geleidelijk moeten worden ingevoerd zodat de Raad, wanneer het tijdstip van de uitbreiding aanbreekt, probleemloos plaats kan bieden aan een groter aantal leden. De Europese Raad keurt de operationele aanbevelingen in bijlage III goed. De Raad, het voorzitterschap en de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger zullen de verantwoordelijkheid dragen om te waarborgen dat deze aanbevelingen in acht genomen en in de praktijk nageleefd worden, zonder dat daarmee de door het komende voorzitterschap reeds getroffen regelingen en opgestelde programmering op de helling worden gezet.


21. De Europese Raad memoreert zijn verbintenis ter ondersteuning van de hervorming van de administratie van de Commissie, vooral van het financieel en personeelsbeheer, met het oog op een grotere efficiëntie, transparantie en verantwoordelijkheid, teneinde aldus de hoogste normen van openbaar bestuur te waarborgen. De Commissie zal begin 2000 een alomvattend programma van bestuurlijke hervormingen indienen. De Europese Raad dringt aan op snelle uitvoering van deze bestuurlijke hervormingen.

Transparantie


22. De transparantie van de Europese instellingen vormt een belangrijk element van het beleid om de Unie dichter bij haar burgers te brengen en de efficiëntie te verbeteren. Onder het Finse voorzitterschap is op dit punt vooruitgang geboekt; vooral op het gebied van de toegang tot documenten en snelle communicatie door het gebruik van moderne informatietechnologieën. De Europese Raad verwelkomt het voornemen van de Commissie om in januari 2000, het voorstel over de algemene beginselen inzake het recht van toegang tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie, in te dienen.

Subsidiariteit en betere wetgeving


23. De Europese Raad is ingenomen met het verslag van de Commissie "De wetgeving verbeteren", waarin de aan de beginselen subsidiariteit en evenredigheid en aan de volledige toepassing van het desbetreffende Verdragsprotocol toegekende prioriteit wordt bevestigd.

Fraudebestrijding


24. De oprichting van het Bureau voor Fraudebestrijding (OLAF) van de Unie vormt een belangrijke nieuwe stap in de bestrijding van fraude. De Commissie zal uiterlijk in juni 2000 een mededeling indienen met het oog op de verdere ontwikkeling van eenalomvattende strategie voor de bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap.


II. GEMEENSCHAPPELIJK EUROPEES BELEID INZAKE VEILIGHEID EN DEFENSIE


25. De Europese Raad hecht zijn goedkeuring aan de twee voortgangsverslagen van het voorzitterschap (zie bijlage IV) betreffende de ontwikkeling van de militaire en niet-militaire crisisbeheersingscapaciteit van de Unie als onderdeel van een versterkt gemeenschappelijk Europees beleid inzake veiligheid en defensie.


26. De Unie zal bijdragen tot internationale vrede en veiligheid overeenkomstig de beginselen van het Handvest der Verenigde Naties. De Unie erkent de primaire verantwoordelijkheid van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties voor de handhaving van de internationale vrede en veiligheid.


27. De Europese Raad benadrukt dat hij vastbesloten is een autonome capaciteit te ontwikkelen om besluiten te nemen en, in gevallen waarbij de NAVO als geheel niet betrokken is, door de EU geleide militaire operaties te starten en te voeren als respons op internationale crises. Dit proces zal onnodige doublures voorkomen en impliceert niet de oprichting van een Europees leger.


28. Op basis van de tijdens de Europese Raad van Keulen gegeven algemene richtsnoeren en de verslagen van het voorzitterschap is de Europese Raad met name het volgende overeengekomen:


- de lidstaten moeten, in het kader van vrijwillige samenwerking, bij door de EU geleide operaties, uiterlijk in 2003 in staat zijn binnen 60 dagen strijdkrachten ten belope van maximaal
50.000-60.000 manschappen die alle Petersbergtaken kunnen uitvoeren, in te zetten en gedurende ten minste 1 jaar operationeel te houden;


- binnen de Raad zullen nieuwe politieke en militaire instanties en structuren worden opgezet om de Unie in staat te stellen te zorgen voor de nodige politieke richtsnoeren en strategische leiding ten behoeve van dergelijke operaties, met inachtneming van het ene institutionele kader;


- er zullen uitvoeringsbepalingen worden ontwikkeld voor alomvattend overleg, samenwerking en transparantie tussen de EU en de NAVO, rekening houdend met de behoeften van alle EU-lidstaten;


- er zullen passende regelingen worden geformuleerd die, met inachtneming van de autonome besluitvorming van de Unie, voorzien in de mogelijkheid dat niet tot de EU behorende Europese NAVO-leden en andere belanghebbende staten bijdragen tot de militaire crisisbeheersing van de EU;


- er zullen niet-militaire crisisbeheersingsmechanismen worden ingesteld met het oogop het coòrdineren en effectiever maken van de verschillende civiele middelen en instrumenten die de Unie en de lidstaten ter beschikking staan, zulks parallel aan de militaire middelen en instrumenten.



29. De Europese Raad verzoekt het komende voorzitterschap om samen met de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger in de Raad Algemene Zaken bij voorrang verder te werken aan alle aspecten van de verslagen, waaronder conflictpreventie en een comité voor civiele crisisbeheersing. Het komende voorzitterschap wordt verzocht een eerste voortgangsverslag op te stellen voor de Europese Raad van Lissabon en een alomvattend verslag voor de Europese Raad van Feira, dat passende aanbevelingen en voorstellen bevat en waarin wordt aangegeven of wijziging van het Verdrag al dan niet nodig wordt geacht. De Raad Algemene Zaken wordt verzocht een begin te maken met de uitvoering van deze besluiten door vanaf maart 2000 in het kader van de Raad de overeengekomen interiminstanties en -regelingen in te stellen, in overeenstemming met de huidige Verdragsbepalingen.

III. EEN CONCURRERENDE, BANENSCHEPPENDE, DUURZAME ECONOMIE

Beleidscoòrdinatie met het oog op economische groei en het scheppen van banen


30. Het economisch herstel in de Unie heeft aan dynamiek gewonnen en zich steeds wijder verbreid. Het berust op solide grondslagen: de investeringsvoorwaarden zijn gunstig, de inflatie blijft laag en de overheidsfinanciën hebben een verbetering te zien gegeven. Er worden nieuwe banen geschapen en de werkloosheid is weliswaar onaanvaardbaar hoog, maar is dalende. Dit gunstige perspectief wordt geschraagd door de geslaagde invoering van de euro en moet onderbouwd blijven door het streven van de lidstaten naar begrotingsconsolidatie en economische hervorming inzonderheid liberalisering en belastinghervorming, alsmede loonontwikkelingen die verenigbaar zijn met prijsstabiliteit en de schepping van werkgelegenheid.


31. Demografische veranderingen zullen nopen tot beleidsmaatregelen die gericht zijn op het actief houden van ouderen, en op het efficiënter functioneren van de openbare en particuliere sector, teneinde het hoofd te bieden aan de economische gevolgen van dergelijke evoluties. Ten gevolge van de voortschrijdende mondialisering neemt de concurrentie toe, alsook de noodzaak om innovatie en structurele hervorming te stimuleren. De Unie en de lidstaten moeten zich beijveren voor een ruimer gebruik van nieuwe technologieën en de informatiemaatschappij verder uitbouwen ter ondersteuning van het concurrentievermogen, de werkgelegenheid en de sociale cohesie. Gezien de koppeling tussen de economische en de maatschappelijke ontwikkeling is het van belang te garanderen dat er adequate sociale vangnetten bestaan.



32. De Europese Raad is verheugd over het door de Raad opgestelde verslag betreffende de coòrdinatie van het economisch beleid en beklemtoont het grote belang daarvan voor een betere coòrdinatie van economische, op werkgelegenheid gerichte en structurele beleidsmaatregelen teneinde het potentieel van de interne markt en de gemeenschappelijke munt volledig te benutten. Thans dient de nadruk te worden gelegd op de effectieve toepassing en stroomlijning van de bestaande processen en regelingen en op een nauwlettend toezicht op de uitvoering van het beleid. De globale richtsnoeren voor het economisch beleid vormen het centrale kader voor de bepaling van overkoepelende beleidsdoelstellingen en -oriëntaties. De synergie tussen deze richtsnoeren, de werkgelegenheidsrichtsnoeren en het toezicht op de structurele hervorming dient verder te worden ontwikkeld onder de politieke leiding van de Europese Raad. De samenhang tussen de verschillende samenstellingen van de Raad moet worden gewaarborgd, terwijl de rol van de Raad ECOFIN in de coòrdinatie van het economisch beleid moet worden versterkt. De samenwerking in verband met de gedeelde verantwoordelijkheid voor de gemeenschappelijke munt moet verder worden uitgebouwd tussen de leden van de Euro-11 Groep, met inachtneming van de conclusies van de Europese Raad van Luxemburg van december 1997.


33. De bijzondere bijeenkomst van de Europese Raad op 23/24 maart 2000 in Lissabon zal de gelegenheid bieden om deze thema's verder te ontwikkelen door bespreking van de doelstellingen voor de bestaande processen en instrumenten met het oog op verbetering van de werkgelegenheid, de economische hervorming en de sociale cohesie in het kader van een op kennis gebaseerde economie.

Het belastingpakket


34. Elke in een lidstaat van de Europese Unie verblijvende burger moet de over zijn inkomsten uit spaargelden verschuldigde belasting betalen.


35. Bij het onderzoek naar de beste manier om dit beginsel in Europa te doen toepassen, is de Europese Raad overeengekomen dat een Groep op hoog niveau specifiek zal nagaan hoe dit beginsel op de meest effectieve wijze kan worden geïmplementeerd en of zij daarbij kan voortbouwen op het door het voorzitterschap en de Commissie voorgelegde document van 7 december 1999.


36. De groep zal ook de voorstellen van het Verenigd Koninkrijk, onder andere betreffende de uitwisseling van informatie, in overweging nemen.


37. Bij haar besprekingen zal de groep rekening houden met alle besluiten van de Raad, waaronder de in het document van
29 november 1999 uiteengezette benaderingen.


38. Zij zal de Raad een verslag voorleggen met mogelijke oplossingen voor voornoemde problemen alsmede voor de gedragscode en de richtlijn inzake betalingen van interest en royalty's als een pakket, en de Raad zal uiterlijk in juni 2000 verslag uitbrengen aan deEuropese Raad.


Werkgelegenheid


39. In het kader van het proces van Luxemburg hebben de lidstaten de afgelopen twee jaar de richtsnoeren inzake werkgelegenheid omgezet in nationale actieplannen. De positieve resultaten zijn duidelijk zichtbaar. De Europese Raad is verheugd over het Commissievoorstel voor werkgelegenheidsrichtsnoeren voor 2000 alsmede over de aanbevelingen aan afzonderlijke lidstaten, die een bijdrage vormen tot de verwezenlijking van de
werkgelegenheidsdoelstellingen in hun nationale actieplannen. Hij onderschrijft het resultaat van de gecombineerde zitting van de Raad ECOFIN/Arbeid en Sociale Zaken over deze richtsnoeren en aanbevelingen. In dit proces is de sterkere betrokkenheid van zowel de sociale partners als het Europees Parlement, dat voor het eerst formeel over de werkgelegenheidsrichtsnoeren is geraadpleegd, van bijzonder belang.


40. Bij de uitvoering van arbeidsmarkthervormingen dienen de lidstaten in hun nationale actieplannen bijzondere aandacht te besteden aan de belasting- en uitkeringenstelsels, de werkgelegenheid in de dienstensector, de organisatie van het werk, permanente educatie en gelijke kansen voor vrouwen en mannen.


41. Er is vooruitgang geboekt bij de opstelling en het gebruik van werkgelegenheidsprestatie-indicatoren en daarmee verband houdende gegevens. De Europese Raad verzoekt de lidstaten en de Commissie hun werkzaamheden op dit gebied verder te ontwikkelen.

Interne markt, concurrentievermogen, innovatie en de informatiemaatschappij


42. Een optimaal functionerende interne markt is van vitaal belang voor het concurrentievermogen van het Europese bedrijfsleven, alsmede voor de groei en de werkgelegenheid. Verbetering van de werking van de markten voor producten, diensten en kapitaal is een cruciaal onderdeel van het alomvattende economische hervormingsproces. De Commissiemededeling betreffende een strategie voor de interne markt van Europa wordt toegejuicht als een belangrijke bijdrage in die zin. De Commissie en de Raad wordt verzocht om binnen het kader van de coòrdinatie van het economisch beleid de rol, de doelstellingen en de maatregelen van een alomvattend concurrentievermogenbeleid voor de Europese Unie te ontwikkelen en te verduidelijken.


43. De effectieve toepassing van informatie- en communicatietechnologieën speelt een cruciale rol in de wereldwijde concurrentie. De Europese Raad van Keulen heeft bepaald dat Europa moet streven naar een toonaangevende rol in de informatiemaatschappij, hetgeen meer investeringen in innovatie op onderzoek- en onderwijsgebied vergt. De noodzaak om te voldoen aan de groeiende eisen die de informatiemaatschappij aan de arbeidsmarkten stelt, verdient bijzondere nadruk.



44. Een goed functionerende elektronische markt vergt een open en concurrerende telecommunicatiemarkt en -wetgeving die de elektronische handel steunt en tegelijkertijd rekening houdt met de belangen van zowel het bedrijfsleven als de consument. De Europese Raad neemt nota van de recente vorderingen met wetgevingsinitiatieven op het gebied van elektronische handel en spoort de Raad aan het resterende werk op dit gebied te voltooien. De Commissie wordt verzocht onverwijld voorstellen voor te bereiden betreffende de wijzigingen in de communautaire wetgeving inzake communicatie die het noodzakelijke gevolg zijn van de technische en marktontwikkeling.


45. De Europese Raad is verheugd over het initiatief e-Europa, dat door de Commissie is opgezet als middel om Europa te veranderen in een echte informatiemaatschappij voor iedereen. De Europese Raad verzoekt de Commissie samen met de Raad het actieplan e-Europa voor te bereiden, een voortgangsverslag voor te leggen aan de bijzondere Europese Raad van Lissabon op 23/24 maart 2000 en het actieplan uiterlijk in juni 2000 gereed te hebben.

Milieu en duurzame ontwikkeling


46. De strategieën voor de integratie van de milieudimensie in de sectoren landbouw, vervoer en energie zijn goedgekeurd. Met de opstelling van soortgelijke strategieën is een begin gemaakt door de Raden Interne Markt, Ontwikkeling en Industrie, die reeds eerste verslagen hebben voorgelegd, alsmede door de Raden Algemene Zaken, ECOFIN en Visserij. De Raad wordt verzocht al deze werkzaamheden af te ronden en in juni 2001 aan de Europese Raad alomvattende strategieën voor te leggen met mogelijk een tijdschema voor verdere maatregelen en een reeks indicatoren voor genoemde sectoren.


47. Wanneer de sectorale strategieën gereed zijn, moeten zij onmiddellijk worden uitgevoerd. Evaluatie, follow-up en toezicht zijn op gezette tijden nodig om de strategieën te kunnen aanpassen en nader te kunnen uitwerken. De Commissie en de Raad worden aangespoord om daartoe doeltreffende instrumenten en dienstige gegevens te ontwerpen.


48. De voorbereidingen in verband met beleid en maatregelen, ook op het vlak van de nationale en de Gemeenschapswetgeving, moeten worden voortgezet, zodat de Europese Gemeenschap en de lidstaten het Protocol van Kyoto vóór 2002 kunnen bekrachtigen. De Europese Raad dringt er bij alle partijen bij het verdrag op aan om uiterlijk in 2002 tot ratificatie over te gaan, opdat het in werking kan treden. Bij het nakomen van de verbintenissen die de Gemeenschap krachtens het Protocol van Kyoto is aangegaan, staat de integratie van milieuaspecten en duurzame ontwikkeling in de formulering en uitvoering van het beleid centraal. Alles zal in het werk worden gesteld om ervoor te zorgen dat door de Conferentie van Den Haag consistente en geloofwaardige besluiten worden genomen.



49. De Europese Raad neemt nota van de algemene beoordeling van het vijfde milieuprogramma en het verslag betreffende milieu- en integratie-indicatoren die door de Commissie zijn ingediend, en verzoekt de Commissie uiterlijk eind 2000 een voorstel voor het zesde milieuactieprogramma klaar te hebben.


50. De Commissie wordt verzocht een voorstel voor te bereiden voor een in juni 2001 aan de Europese Raad voor te leggen langetermijnstrategie waarin de beleidslijnen voor duurzame economische, maatschappelijke en milieuontwikkeling op elkaar aansluiten. Deze strategie zal ook dienen als bijdrage van de Gemeenschap aan de voor 2002 geplande herziening na 10 jaar, van het proces van Rio.

IV. OVERIGE INTERNE BELEIDSVORMEN MET RECHTSTREEKSE GEVOLGEN VOOR DE BURGERS

Volksgezondheid en voedselveiligheid


51. De Europese Raad wijst er andermaal op dat bij de bepaling van elk beleid van de Gemeenschap gezorgd moet worden voor een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid. Er dient bijzondere aandacht te worden besteed aan de zorg voor gezond voedsel van hoge kwaliteit voor alle burgers door het verbeteren van de kwaliteitsnormen en het aanscherpen van de controlesystemen voor de hele voedselketen, van de boerderij tot aan de consument. De Europese Raad verzoekt de Raad het aangekondigde witboek van de Commissie over voedselveiligheid, dat ook voorziet in de eventuele oprichting van een onafhankelijk voedselagentschap, en steun voor nationale maatregelen op het gebied van voedselveiligheid, alsmede haar mededeling over het voorzorgsbeginsel bij voorrang te bestuderen. Het komende voorzitterschap zal aan de Europese Raad van Feira een verslag over de reeds geboekte vooruitgang voorleggen.

Bestrijding van georganiseerde criminaliteit en drugs


52. De Europese Raad heeft nota genomen van het verslag over de voltooiing en evaluatie van het actieplan ter bestrijding van de georganiseerde criminaliteit, dat hij in 1997 in Amsterdam heeft aangenomen. In het licht van de conclusies van Tampere roept hij de Raad op voor een follow-up van dit actieplan te zorgen in de vorm van een EU-strategie ter voorkoming en bestrijding van de georganiseerde criminaliteit.


53. De Europese Raad neemt nota van de drugsstrategie van de Europese Unie (2000-2004).Hij verzoekt de instellingen en organen die bij de strategie betrokken zijn, snel met de uitvoering ervan te beginnen en hem uiterlijk eind 2002 verslag uit te brengen over de eerste resultaten.


V. EXTERNE BETREKKINGEN


54. Met het aantreden van de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger, de heer Javier Solana, heeft het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de Unie een nieuwe stimulans gekregen. Er zijn thans nieuwe actiemogelijkheden dankzij de gemeenschappelijke strategieën die aan het externe optreden van de Unie maximale coherentie, een toegevoegde waarde en extra doeltreffendheid zullen verlenen, evenals een passend gebruik van de bepalingen van het Verdrag van Amsterdam om met gekwalificeerde meerderheid te stemmen over aangelegenheden in verband met de uitvoering van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid. De Europese Raad verzoekt de Raad, op basis van de bijdrage van de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger en de Commissie, de nodige stappen te zetten opdat er optimaal gebruik wordt gemaakt van het hele scala aan middelen waarover de Unie beschikt om haar externe optreden doeltreffender en allesomvattend te maken.

Tsjetsjenië


55. De Europese Raad heeft op 10 december 1999 een aparte verklaring over Tsjetsjenië aangenomen (zie bijlage II).

Gemeenschappelijke strategieën


56. De Europese Raad heeft een besluit genomen over een gemeenschappelijke strategie van de Europese Unie inzake Oekraïne (zie bijlage V). Hiermee benadrukt de Europese Raad het belang dat hij erin stelt dat een democratisch, stabiel, open en economisch gezond Oekraïne een prominente rol gaat spelen in het nieuwe Europa. De gemeenschappelijke strategie doet recht aan de Europese aspiraties van Oekraïne en aan het feit dat het land voor Europa kiest.


57. De Europese Raad heeft alle gemeenschappelijke strategieën van de Unie getoetst. Hij heeft herinnerd aan zijn verklaring over Tsjetsjenië waarin zijn besluit is opgenomen om de uitvoering van de gemeenschappelijke strategie ten aanzien van Rusland opnieuw te bekijken. Hij heeft nota genomen van de vergevorderde voorbereiding van de gemeenschappelijke strategie voor het Middellandse-Zeegebied en van de noodzaak om voort te werken aan de gemeenschappelijke strategie voor de Westelijke Balkan. Hij moedigt de Raad aan om voort te gaan met de voorbereidingen en het concept van de gemeenschappelijke strategieën verder te ontwikkelen, en daarbij ook de onderwerpen, bij voorkeur per thema, en de termijnen uit te werken.


Stabiliteit voor Zuidoost-Europa


58. De Unie is vastbesloten een leidende rol te spelen bij de bevordering van de stabiliteit, de veiligheid en de economische ontwikkeling van Zuidoost-Europa, zulks in nauw partnerschap met de landen van de regio en met andere landen, onder auspiciën van het Stabiliteitspact. Het gezamenlijk verslag van het voorzitterschap en de Commissie waarin belangrijke gebieden voor toekomstige werkzaamheden worden aangewezen, wordt door de Europese Raad toegejuicht. Hij verzoekt de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger om samen met de Commissie aan de Raad een politiek-economische analyse van de toekomstperspectieven van de regio voor te leggen, waarover de Raad zich dringend nader moet beraden. Ook onderstreept de Europese Raad dat er één regelgevingskader voor financiële bijstand dient te komen dat moet bijdragen tot meer effect van de maatregelen op het terrein en tot samenwerking in de regio. De Europese Raad betuigt zijn erkentelijkheid voor de werkzaamheden van Dr. Bodo Hombach.


59. Het vooruitzicht van stabilisatie- en associatieovereenkomsten zou het mogelijk moeten maken op alle gebieden nauwere betrekkingen te ontwikkelen tussen alle landen in de regio. De steun van de Unie zal afhankelijk zijn van de duidelijke en zichtbare verbintenis van de landen in Zuidoost-Europa om samen te werken bij de verwezenlijking van de gemeenschappelijke politieke prioriteiten. De Europese Raad benadrukt het grote belang van het verbeteren van de betrekkingen en van het wegnemen van belemmeringen voor de handel en het verkeer van mensen tussen de betrokken landen. Hij wijst andermaal op het belang van snelle maatregelen om de Donau weer bevaarbaar te maken.


60. De Unie wenst te helpen bij de democratisering van de Federale Republiek Joegoslavië (FRJ), als onderdeel van haar inspanningen om Zuidoost-Europa te stabiliseren. Zij zal de dialoog met de democratische krachten in Servië en met de democratisch verkozen regering van Montenegro intensiveren. De Unie zal nieuwe wegen verkennen om het programma van politieke en economische hervorming in Montenegro verder te ondersteunen.


61. De Unie heeft zich verbonden tot de rehabilitatie en wederopbouw van Kosovo. Zij verwelkomt het wederopbouw- en herstelprogramma voor Kosovo en de toezegging van de Unie om vanaf
2000 voor de wederopbouw 500 miljoen euro uit te trekken, bovenop de nationale bijdragen van de lidstaten. Resolutie 1244 van de VN-Veiligheidsraad moet onverkort en in al haar facetten door alle partijen worden uitgevoerd. Indien het mandaat van UNMIK niet gerespecteerd wordt en er onvoldoende wordt samengewerkt met KFOR zal dit ernstige gevolgen hebben voor het engagement van de Unie in Kosovo. In ditverband betuigt de Europese Raad zijn erkentelijkheid voor het werk van de heer Bernard Kouchner.

De noordelijke dimensie


62. De Europese Raad verwelkomt de conclusies van de conferentie van ministers van Buitenlandse Zaken over de noordelijke dimensie, die op 11 en 12 november 1999 in Helsinki heeft plaatsgevonden, alsmede het voornemen van het toekomstige Zweedse voorzitterschap om een follow-upvergadering op hoog niveau te beleggen. De Europese Raad verzoekt de Commissie, in samenwerking met de Raad en in overleg met de partnerlanden, een actieplan op te stellen voor de noordelijke dimensie in het externe en grensoverschrijdende beleid van de Europese Unie, zodat dit ter goedkeuring kan worden voorgelegd aan de Europese Raad van Feira in juni 2000.

Mexico


63. De Europese Raad is ingenomen met de afsluiting van de onderhandelingen over een vrijhandelsovereenkomst met Mexico.

Mensenrechten


64. De Europese Raad neemt nota van het verslag van het voorzitterschap over de mensenrechten en is ingenomen met het vervolg dat is gegeven aan de maatregelen die in de verklaring van de Europese Unie van 10 december 1998 waren voorgesteld. De Europese Raad verzoekt de Raad, de Commissie en de lidstaten voort te gaan met de uitvoering van deze maatregelen en met de verdere ontwikkeling van vorm en inhoud van het jaarverslag over de mensenrechten, en het jaarlijks discussieforum over de mensenrechten, alsmede na te gaan in hoeverre analyse en toetsing op het gebied van de mensenrechten moeten worden aangescherpt. In dit verband wordt een regelmatige dialoog met de civiele maatschappij over de mensenrechten aangemoedigd.


65. De Europese Raad beklemtoont andermaal dat de mensenrechten voor iedereen in gelijke mate moeten gelden. Speciale aandacht moet worden besteed aan de verbetering van de situatie van groepen mensen die in geen staat de meerderheid vormen, zoals de Roma. De Europese Unie is vastbesloten samen met de Raad van Europa en de OVSE te ijveren voor het bereiken van deze doelstelling.

Vredesproces in het Midden-Oosten


66. De Europese Raad verwelkomt de nieuwe impuls in de richting van een rechtvaardige, alomvattende en duurzame vrede in het Midden-Oosten en herhaalt dat de Unie deze ten volle steunt.


67. De Europese Raad is bijzonder verheugd over de moedige beslissing van President Assad en Eerste Minister Barak om de onderhandelingen over het Syrische spoor medio december in Washington te hervatten. Hij kijkt uit naar een spoedig akkoord tussen Israël en Syrië, dat ook de weg moet effenen voor hervatting van de onderhandelingen en een oplossing via het Libanese spoor.



68. De Europese Raad onderstreept het belang van de maatregelen die Israël en de Palestijnen tot nog toe hebben genomen ter uitvoering van het Akkoord van Sharm El-Sheikh. Als de partijen bij de overeenkomst al hun verplichtingen tijdig nakomen, moet een gestage vooruitgang mogelijk worden. De Europese Raad roept beide partijen op om geen unilaterale acties te ondernemen.


69. Alle partijen bij het Multilaterale spoor van het vredesproces worden verzocht zich in te zetten voor een volledige en spoedige hervatting van de activiteiten in dezen. Gelijktijdige vooruitgang op alle sporen zou in de huidige fase van het vredesproces in het belang zijn van alle partijen.

WTO


70. De Europese Raad betreurt de mislukking van de ministeriële conferentie van de WTO in Seattle. Hij geeft nogmaals uiting aan zijn engagement met betrekking tot het bestaande multilaterale handelsstelsel en tot een alomvattende ronde van multilaterale handelsbesprekingen. Hij onderschrijft de conclusies van de Raad Algemene Zaken van 3 december 1999.

Macao


71. Aan de vooravond van de overgang in Macao benadrukt de Europese Raad het belang dat hij hecht aan de stabiliteit en welvaart van Macao als een Speciale Administratieve Regio (SAR) van China, alsook aan het vrijwaren van zijn specifieke identiteit en de rechten en vrijheden van zijn bevolking, zoals neergelegd in de Chinees-Portugese Gezamenlijke Verklaring van 1997 en de Basiswet van de SAR.

VI. NOORD-IERLAND


72. De Europese Raad juicht de overdracht van bevoegdheden aan Noord-Ierland en de oprichting van de Brits-Ierse en Noord-Zuid-instellingen krachtens het Goede Vrijdagakkoord toe, in het bewustzijn dat deze ontwikkelingen een zeer aanzienlijke vooruitgang betekenen in de richting van de volledige uitvoering van het akkoord. De Europese Raad feliciteert de politieke partijen, de regeringen van het Verenigd Koninkrijk en van Ierland en senator George Mitchell met deze vooruitgang. De Europese Raad bevestigt zijn politieke en praktische steun voor Noord-Ierland en voor de samenwerkingtussen Noord en Zuid.

_____________


BIJLAGEN BIJ

DE CONCLUSIES VAN HET VOORZITTERSCHAP

EUROPESE RAAD IN HELSINKI


10 EN 11 DECEMBER 1999


BIJLAGEN

Bijlage I Millenniumverklaring

Bijlage II Verklaring Tsjetsjenië

Bijlage III Een doeltreffende Raad voor een uitgebreide Unie - Richtsnoeren voor de hervorming en operationele aanbevelingen

Bijlage IV Verslagen van het voorzitterschap over


- de versterking van het gemeenschappelijk Europees beleid inzake veiligheid en defensie


- niet-militaire crisisbeheersing van de Europese Unie

Bijlage V Gemeenschappelijke strategie van de Europese Raad ten aanzien van Oekraïne

Bijlage VI Aan de Europese Raad van Helsinki voorgelegde documenten


BIJLAGE I

MILLENNIUMVERKLARING

Het streven naar vrijheid en welvaart is immer de drijfkracht achter de Europese integratie geweest. De verwezenlijking van deze tweeledige doelstelling is de afgelopen vijftig jaar aanzienlijk dichterbij gebracht. Wij leven in een Unie waarin burgers en ondernemingen zich vrij kunnen bewegen en vestigen, alsof er geen nationale grenzen bestaan. Mensen van alle rangen en standen plukken de vruchten van de Interne Markt en de Economische en Monetaire Unie alsmede van een gemeenschappelijk beleid dat het concurrentievermogen en de maatschappelijke integratie bevordert.

Het fundament van de Europese Unie is de democratie en de rechtsstaat. De burgers van de Unie zijn met elkaar verbonden, omdat zij waarden als vrijheid, verdraagzaamheid, gelijkheid, solidariteit en culturele verscheidenheid gemeen hebben.

De Europese Unie is een unieke onderneming zonder weerga in de geschiedenis. Alleen gezamenlijk, door middel van de Unie, kunnen wij en onze landen die de Unie vormen, de uitdagingen van morgen aangaan.


***

Op de drempel van een nieuwe eeuw en het derde millennium zou de Unie zich moeten concentreren op zaken die van cruciaal belang zijn voor de veiligheid en het welzijn van haar volkeren.

Europa wordt geconfronteerd met de realiteit van de informatiemaatschappij en van de globalisering. Er moet worden voorzien in de behoeften van een vergrijzende bevolking, terwijl ook de jeugd gerechtvaardigde verwachtingen koestert. Wij zullen onze menselijke hulpbronnen ontwikkelen door voor permanente educatie te zorgen en door te innoveren, en zullen een dynamische, open en op kennis gebaseerde economie bevorderen om groei veilig te stellen en de werkloosheid blijvend terug te dringen.

Europa is er sterk van doordrongen dat de verslechtering van het milieu niet alleen plaatselijk, maar in de gehele wereld moet worden bestreden. Wij zullen ons eendrachtig inzetten voor duurzame ontwikkeling en ernaar streven de generaties die na ons komen, een betere kwaliteit van het leven te garanderen.

Onze volkeren verwachten dat zij tegen de misdaad beschermd worden en dat zij hun wettelijke rechten overal in de Unie kunnen uitoefenen. Wij zullen de Unie tot een ware ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid maken.

De Unie voelt zich met de rest van de wereld in toenemende mate verantwoordelijk voor het bevorderen van welzijn, het voorkomen van conflicten en het veiligstellen van de vrede. Wij zullen de stabiliteit en de welvaart in Europa versterken door de Unie verder uit te breiden en samen te werken met onze partnerlanden. Wij zullen ons inzetten voor een opener en stabieler internationaal economisch bestel, dat ook ten goede komt aan onze medemens in minder bevoorrechte delen van de wereld. Wij zullen de Unie voorzien van een militaire en civiele capaciteit om internationale crisissen te beheersen en humanitaire bijstand te verlenen aan mensen in nood.


***

Deze geloftes kunnen wij alleen gestand doen in een open, democratische en doeltreffende Unie.

De Unie heeft het vertrouwen en de actieve betrokkenheid van haar burgers en de civiele samenleving nodig. De Unie heeft ook de onvoorwaardelijke steun van haar lidstaten nodig ter verdediging van de gemeenschappelijke belangen.

Wij moeten de gedachte van een Europa voor allen - een gedachte waarop elke nieuwe generatie een eigen stempel dient te zetten - nieuw leven inblazen.

____________________


BIJLAGE II

VERKLARING TSJETSJENIË


1. De Europese Raad veroordeelt de intensieve bombardementen op steden van Tsjetsjenië, het dreigement tegen de burgers van Grozny en het ultimatum dat door de Russische militaire commandanten is gesteld, alsmede de behandeling van in eigen land ontheemde personen als volstrekt onaanvaardbaar.


2. De Europese Raad trekt het recht van Rusland om zijn territoriale integriteit te waarborgen niet in twijfel, evenmin als het recht van Rusland om het terrorisme te bestrijden. De bestrijding van terrorisme kan evenwel nimmer een rechtvaardiging vormen voor het vernietigen van steden, voor het verdrijven van de inwoners en voor het aanmerken van een geheel volk als terroristen.


3. Dit optreden is strijdig met de grondbeginselen van het humanitaire recht, met de verbintenissen die Rusland is aangegaan in het kader van de OVSE en met Ruslands verplichtingen als lid van de Raad van Europa. Deze oorlog vergroot de kloof tussen het Tsjetsjeense volk en de rest van Rusland en dreigt de gehele regio te destabiliseren. Alleen een politieke oplossing kan een eind maken aan deze crisis. De Europese Raad is diep bezorgd over de dreiging die het aanhoudende conflict vormt voor de stabiliteit van het gebied van de Kaukasus, over een eventueel overslaan van de gevechten van Tsjetsjenië naar Georgië en over de gevolgen voor de territoriale integriteit van dat land.


4. De Europese Raad roept de Russische autoriteiten op:


- geen uitvoering te geven aan het ultimatum tegen de burgerbevolking van Grozny;


- een einde te maken aan de bombardementen en aan het onevenredig en willekeurig gebruik van geweld tegen de Tsjetsjeense bevolking;


- toe te staan dat er op veilige wijze humanitaire bijstand wordt verleend en toe te zien op de veiligheid van de internationale hulporganisaties;


- onmiddellijk een politieke dialoog aan te gaan met de verkozen autoriteiten van Tsjetsjenië.


5. De Europese Raad dringt er bij de Tsjetsjeense autoriteiten op aan de regels en beginselen van het humanitaire recht te eerbiedigen, het terrorisme te veroordelen en te streven naar hervatting van een politieke dialoog.


6. De Europese Raad verwacht van Rusland dat het de toezeggingen die het in Istanboel heeft gedaan, volledig nakomt en daaraan uitvoering geeft. Zijn bijzondere aandacht gaat uit naar het aanstaande bezoek van de fungerend voorzitter van de OVSE aan de regio. De Europese Raad verzoekt Rusland met klem dit bezoek aan te grijpen om een dialoog aan te gaan met de verkozen leiders van de Noordelijke Kaukasus, met inbegrip van Tsjetsjenië. Er moet onmiddellijk een contactbureau van de missie van de OVSE in Tsjetsjenië wordengevestigd in Nazran, Ingoesjië.



7. In het licht van het bovenstaande besluit de Europese Raad uit deze situatie de conclusies te trekken voor wat betreft:


- de uitvoering van de gemeenschappelijke strategie van de Europese Unie ten aanzien van Rusland, die opnieuw moet worden bekeken;


- de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst, waarvan sommige bepalingen dienen te worden opgeschort en de handelsvoorschriften strikt toegepast;


- TACIS, waarvoor de begrotingsautoriteit wordt verzocht de overdracht van bepaalde kredieten uit TACIS naar humanitaire bijstand te overwegen. De financiële middelen die zijn opgenomen in de begroting voor 2000, moeten worden beperkt tot prioritaire gebieden, waaronder de mensenrechten, de rechtsstaat, steun voor de civiele samenleving en nucleaire veiligheid.

Hij verzoekt het voorzitterschap alsmede de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger deze beslissing en de inhoud van deze verklaring met spoed op het hoogste niveau ter kennis van de Russische autoriteiten te brengen.

Hij verzoekt de OVSE en de Raad van Europa om binnen hun respectieve bevoegdheid de voorwaarden van hun samenwerking met Rusland opnieuw te bezien.


8. Rusland is een belangrijke partner voor de Europese Unie. De Unie heeft voortdurend uiting gegeven aan haar bereidheid om Rusland te begeleiden bij zijn overgang naar een moderne en democratische staat. Rusland dient zijn verplichtingen echter wel na te komen, wil het strategische partnerschap worden ontwikkeld. De Europese Unie wenst niet dat Rusland zich van Europa isoleert.

_________________


BIJLAGE III

EEN DOELTREFFENDE

RAAD VOOR EEN

UITGEBREIDE UNIE

RICHTSNOEREN VOOR DE HERVORMING

EN

OPERATIONELE AANBEVELINGEN


RICHTSNOEREN VOOR DE HERVORMING

De hervorming van de wijze waarop de Raad functioneert is een belangrijk onderdeel van het bredere institutionele hervormingsproces waarmee de Unie op de uitbreiding wordt voorbereid. De draagwijdte van de komende uitbreidingen zou, in combinatie met het bredere actieterrein van de Unie, op de Raad zeker een vertragende en uiteindelijk zelfs verlammende werking kunnen hebben. Dat risico is nu reeds voelbaar en vormt, gelet op de centrale rol van de Raad in de besluitvorming van de Unie, een bedreiging voor de soepele werking van de Unie. Daarom vereisen de werkmethodes van de Raad, waarop in het verslag van de secretaris-generaal van maart 1999 uitvoerig is ingegaan, een algehele herziening.

De Raad dient een overzicht te hebben van alle beleidsonderdelen van de Unie. Daarvoor moet er in het hart van het systeem één enkele coòrdinatieketen bestaan die kan waarborgen dat het optreden van de Unie strookt met de wil van haar politieke leiders. Deze beleidsketen start in de lidstaten zelf met een doeltreffende interdepartementale coòrdinatie en beoordeling, en loopt via het Comité van Permanente Vertegenwoordigers (COREPER) en de Raad (Algemene Zaken) naar de Europese Raad. Het vermogen van de Raad om toekomstige uitdagingen het hoofd te bieden hangt grotendeels af van de mate waarin de doeltreffendheid van dit kanaal, de ruggengraat van het systeem, versterkt wordt. Daartoe moet op alle niveaus actie ondernomen worden om ervoor te zorgen dat de Raad slagvaardig kan blijven optreden.

De Europese Raad moet een doeltreffend forum voor het politieke leiderschap blijven door de noodzakelijke stimulansen te geven en algemene politieke richtsnoeren te definiëren. De soepele wijze waarop de Europese Raad thans wordt voorbereid, de beperkte omvang van de bijeenkomsten en de praktische impact van de conclusies van het voorzitterschap dienen behouden te blijven.

De centrale verantwoordelijkheid van de Raad (Algemene Zaken) voor algemene horizontale vraagstukken, waaronder de algehele beleidscoòrdinatie, betekent dat hij een steeds complexere externe en interne agenda te beheren krijgt, aan de hand waarvan belangrijke multidisciplinaire en pijleroverschrijdende dossiers behandeld moeten worden. Een doeltreffende behandeling van alle aspecten van zijn werkzaamheden door een beter agendabeheer en een passende vertegenwoordiging van de lidstaten is essentieel, wanneer de Raad (Algemene Zaken) zijn rol wil blijven spelen met betrekking tot de algehele coòrdinatie, de samenhang van het beleid, en de voorbereiding van de bijeenkomsten van de Europese Raad.

Gelet op de diversifiëring van de activiteiten van de Unie en de uitbreiding van de gebieden die onder de Verdragen vallen, is het belangrijk dat versnippering van de activiteiten en de besluitvorming van de Unie voorkomen wordt door het aantal samenstellingen van de Raad te beperken, en te vermijden dat de agenda gevuld wordt met kunstmatige activiteiten. Dit zal ertoe bijdragen dat het optreden van de Unie geconcentreerd wordt en de algehele coòrdinatie en samenhang van het beleid in de voorbereidende instanties van de Raad verbeterd worden.

Er moeten doeltreffende wetgevingspraktijken worden toegepast. Dit betekent dat ervoor moet wordengezorgd dat de correcte wetgevingsinstrumenten worden gebruikt, dat de teksten op een kwalitatief hoogwaardige en een juridisch waterdichte wijze worden opgesteld, dat de medebeslissingsprocedure, die steeds vaker zal worden toegepast, soepel en doeltreffend verloopt, en dat de wetgevingswerkzaamheden van de Raad transparanter zijn en meer openstaan voor de publieke opinie.


Hoewel de interne coòrdinatie in de lidstaten het exclusieve domein van de regeringen is en moet blijven, heeft een doeltreffende coòrdinatie rechtstreeks invloed op het functioneren en de coherentie van de Raad. Derhalve hebben de lidstaten er een gemeenschappelijk en reëel belang bij om ernaar te streven dat hun interne organisatie de Raad in staat stelt doeltreffender te debatteren.

Een doeltreffende besluitvorming van de Raad vereist voorbereidende werkzaamheden die zo rationeel mogelijk tegen zo laag mogelijke kosten worden uitgevoerd, zonder dat de algehele beleidssamenhang uit het oog verloren wordt. Dit impliceert de planning van alle programmeerbare activiteiten, een duidelijke omschrijving van de rol van het COREPER en de Groepen van de Raad, alsmede betere werkmethodes waarmee de infrastructuur en de middelen optimaal benut kunnen worden. Nu reeds
- en dat geldt des te meer in een uitgebreide Unie - moet de beperkte tijd waarover men in de vergaderingen beschikt, ten volle benut worden. Zonder een passende voorbereiding in de voorstadia en een grotere discipline in plenaire debatten op alle niveaus dreigen de besprekingen volledig inefficiënt te worden. Tijdens vergaderingen moeten de delegaties kunnen reageren op en onderhandelen over duidelijke keuzemogelijkheden, op schrift gestelde oplossingen voor bekende moeilijkheden of duidelijk omschreven problemen. Derhalve is het van het grootste belang dat er duidelijke en goed gestructureerde nota's verstrekt worden. Het voorzitterschap moet in het kader van zijn specifieke verantwoordelijkheden voor het regelen en leiden van de discussies de nodige middelen hebben om geschikte werkmethodes te garanderen.

Het voorzitterschap moet de algehele politieke verantwoordelijkheid behouden voor het beheren van de werkzaamheden van de Raad. In de afgelopen jaren is zijn last aanmerkelijk toegenomen, en die zal nog toenemen naarmate de Unie zich verder uitbreidt. Er moet derhalve optimaal gebruik worden gemaakt van de verschillende vormen van steun die beschikbaar zijn, zoals het voorzitterschap, de trojka en het secretariaat-generaal, om de werklast van het voorzitterschap te verlichten. Het groeiende aantal leden van de Raad en de uitbreiding van de verantwoordelijkheden van het voorzitterschap maken dat het secretariaat-generaal de Raad en het voorzitterschap meer en directer tot steun moet zijn.

Tenslotte zijn praktische kwesties zoals inrichting van de vergaderzalen, vertaling, vertolking en documentenproductie van cruciaal belang voor een soepele werking van de Raad. Voor die problemen zijn, met inachtneming van de basisbeginselen, nieuwe vindingrijke en pragmatische oplossingen nodig, indien de Raad efficiënt wil blijven optreden.

De volgende operationele aanbevelingen zullen voor het grootste gedeelte zo spoedig mogelijk worden uitgevoerd. Enkele vergen meer gedetailleerde besprekingen voordat zij op de middellange termijn in verband met de uitbreiding worden uitgevoerd. Zij vormen het antwoord op het verzoek van de Europese Raad van Keulen om specifieke oplossingen voor een betere werking van de Raad met het oog op de uitbreiding. Het is van het grootste belang dat die aanbevelingen worden toegepast met gebruikmaking van doeltreffende middelen tot afdwinging op grond van het Reglement van orde van de Raad , en dat zij gecombineerd worden met de praktische maatregelen die reeds worden uitgevoerd door het voorzitterschap en de secretaris-generaal, en in de komende jaren geconsolideerd moeten worden. De gecombineerde invloed van deze maatregelen moet ervoor zorgen dat de Raad goed uitgerust is om in denabije toekomst zonder al te grote problemen nieuwe leden te kunnen verwelkomen.

__________________


OPERATIONELE AANBEVELINGEN

A. DE EUROPESE RAAD EN DE RAAD ALGEMENE ZAKEN


1. Als voornaamste taak moet de Europese Raad de Unie van de noodzakelijke stimulansen voor haar ontwikkeling blijven voorzien en de algemene politieke richtsnoeren blijven uitzetten. Een middel om de Europese Raad te helpen deze taken beter te vervullen is het inkorten van de conclusies van het voorzitterschap (maximaal
15 bladzijden ) en die toespitsen op de politieke besluiten die genomen zijn ten aanzien van onderwerpen die tijdens de bijeenkomst daadwerkelijk besproken zijn.


2. De Raad Algemene Zaken moet de horizontale interne vraagstukken, waaronder de algehele beleidscoòrdinatie, op doeltreffende wijze kunnen behandelen. De agenda van deze Raad moet derhalve in twee delen verdeeld worden. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat zij voor beide delen van de zitting naar behoren op ministerieel niveau vertegenwoordigd zijn.


3. De Raad Algemene Zaken is verantwoordelijk voor de algehele coòrdinatie van de voorbereiding van de Europese Raad.

B. EXTERNE BETREKKINGEN

Taak van de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger


4. Overeenkomstig artikel 3 van het VEU dienen de Raad en de Commissie te zorgen voor de samenhang in de externe betrekkingen, en overeenkomstig hun onderscheiden verantwoordelijkheden uit hoofde van de Verdragen zullen het voorzitterschap, de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger en het Commissielid voor externe betrekkingen nauw samenwerken om te zorgen voor een algehele continuïteit en samenhang van het optreden van de Unie op het gebied van externe betrekkingen.


5. De secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger moet overeenkomstig de Verdragen:

i) het voorzitterschap bijstaan bij de coòrdinatie van de werkzaamheden in de Raad om te zorgen voor samenhang ten aanzien van de diverse aspecten van de externe betrekkingen van de Unie;

ii) bijdragen aan de voorbereiding van beleidsbesluiten en de formulering van keuzemogelijkheden voor de Raad inzake vraagstukken van buitenlands en veiligheidsbeleid, zodat de Raad zich voortdurend toespitst op de belangrijke politieke vraagstukken die een operationele beslissing of een politieke leidraad behoeven;

iii) bijdragen aan de uitvoering van de besluiten betreffende het buitenlands en veiligheidsbeleid in nauw overleg met de Commissie, de lidstaten en andere autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de effectieve uitvoering op het terrein.


6. De secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger kan specifieke mandaten van de Raad krijgen.


Regelmatige bijeenkomsten/contacten met derde landen


7. Gelet op de groeiende administratieve last ten gevolge van de organisatie van de ministeriële bijeenkomsten met derde landen, met name in het kader van samenwerkings- en associatieovereenkomsten, kunnen die bijeenkomsten beter beheerd worden door

i) systematische tijdschema's voor ministeriële bijeenkomsten met derde landen op te stellen die het huidige en de volgende twee voorzitterschappen bestrijken en bij toerbeurt worden aangepast zodat de administratieve last op passende wijze kan worden verdeeld en er adequate voorbereidingen kunnen worden getroffen;

ii) de derde partijen te laten instemmen met de invoering van bepalingen in bestaande of toekomstige samenwerkings- en associatieovereenkomsten:

% die, wat het tijdschema van de bijeenkomsten betreft, geen specifieke data voorschrijven, maar het mogelijk maken dat er ministeriële bijeenkomsten plaatsvinden wanneer een substantiële agenda, na een goede voorbereiding, daartoe aanleiding geeft,

% en die, wat het niveau van de vertegenwoordiging betreft, voorschrijven dat de Raad op ministerieel niveau in de regel vertegenwoordigd zal zijn door het voorzitterschap, bijgestaan door de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger en het volgende voorzitterschap. De overige leden van de Raad mogen vertegenwoordigers op een officieel niveau aanwijzen;

iii) ervoor te zorgen dat, wat de aan de politieke dialoog gewijde zittingen betreft, de hoge vertegenwoordiger en het voorzitterschap optimaal gebruik maken van beide mogelijkheden die het Verdrag biedt om zulke zittingen te leiden (d.w.z. het voorzitterschap, bijgestaan door de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger of de hoge vertegenwoordiger, op verzoek van het voorzitterschap, namens de Raad) teneinde de regelingen van de Unie inzake de politieke dialoog in nauw overleg met de Commissie te stroomlijnen.

Optimaal gebruik van diplomatieke netwerken


8. De secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger wordt verzocht voor de Raad een verslag op te stellen over de vraag op welke wijze en met welke middelen de netwerken van de ambassades van de lidstaten en de delegaties van de Commissie in de hele wereld gebruikt worden om de uitvoering van het optreden van de Unie te ondersteunen en hem bij de uitvoering van zijn taken bij te staan.


C. SAMENSTELLINGEN VAN DE RAAD


9. Om de samenhang en de consistentie van de werkzaamheden van de Raad te verbeteren, moet het aantal samenstellingen van de Raad worden beperkt tot maximaal 15. De Raad Algemene Zaken moet de nodige maatregelen nemen om dit doel zo spoedig mogelijk te verwezenlijken, door bepaalde samenstellingen van de Raad samen te voegen, door sommige aangelegenheden door andere relevante samenstellingen van de Raad te laten behandelen en door zoveel mogelijk gebruik te maken van regelingen waarbij nauw met elkaar samenhangende samenstellingen van de Raad onderling aansluitend worden bijeengeroepen ("back to back").


10. Bij de bijeenroeping van zittingen van de Raad dient bijzondere aandacht te worden besteed aan het beheer en de organisatie van de agenda, opdat de lidstaten in elke samenstelling van de Raad vertegenwoordigd kunnen zijn zoals zij passend achten op basis van hun eigen interne organisatie. De voorzitter tracht in de regel te bewerken dat iedere samenstelling van de Raad één enkele voorzitter heeft.


11. Onverminderd artikel 1, lid 1, van het reglement van orde van de Raad mogen samenstellingen en zittingen van de Raad alleen bijeengeroepen worden wanneer er een substantiële agenda is (bijvoorbeeld wanneer er beleidsbesluiten genomen moeten worden of er beleidslijnen uitgestippeld moeten worden) dan wel wanneer een termijn dat feitelijk vereist. Indien niet aan die criteria voldaan wordt, betekent dit dat de samenstelling of zitting van de Raad niet bijeengeroepen wordt.


*12. Er mogen geen nieuwe samenstellingen van de Raad bijeengeroepen worden, tenzij de Raad Algemene Zaken anders besluit.


13. Er mogen geen gezamenlijke zittingen van verschillende samenstellingen van de Raad meer bijeengeroepen worden, behalve in uitzonderlijke omstandigheden.


14. Elke lidstaat zal zijn regels voor de interne coòrdinatie van EU-aangelegenheden voortdurend toetsen zodat deze afgestemd zijn op een optimale werking van de Raad. Op basis van een bijdrage van elke lidstaat, waarin een praktische beschrijving wordt gegeven van de interne coòrdinatieprocedures voor EU-aangelegenheden, wordt vóór december 2000 een overzicht samengesteld van de in de verschillende lidstaten bestaande coòrdinatiesystemen.


D. DE WETGEVINGSFUNCTIE VAN DE RAAD

Correct gebruik van wetgevingsinstrumenten en een betere redactionele kwaliteit


*15. De delegaties moeten ervoor zorgen dat de voorgestelde tekstwijzigingen naar behoren geredigeerd zijn, ook voor de eerste lezing van een tekst door een Groep.


*16. De Raad mag geen resoluties, verklaringen of andere besluiten in een niet-gestandaardiseerde vorm aannemen, wanneer hij zich bezighoudt met kwesties van regelgeving.

Betere codificatieprocedures


17. Met het oog op een snellere codificatie van wetgevingsteksten en een grotere hoeveelheid wetgeving die beschikbaar is in een gecodificeerde en beter leesbare vorm,

i) wordt er een strikte tijdslimiet van 30 dagen opgelegd binnen welke de delegaties in de Raad op voorstellen kunnen reageren. Het Europees Parlement moet worden benaderd om in te stemmen met procedurele tijdslimieten binnen welke het zijn advies over codificatievoorstellen moet uitbrengen;

ii) zal de Raad zo spoedig mogelijk tot een nieuw interinstitutioneel akkoord met het Europees Parlement en de Commissie proberen te komen over het gebruik van een versnelde methode voor de techniek van de hernieuwde formulering (d.w.z. gebruik maken van de gelegenheid die de wijziging van een basisbesluit biedt om het te codificeren), waarbij de beginselen en de geest van de codificatietechniek (d.w.z. de codificatie van teksten zoals die zijn bekendgemaakt zonder een ingrijpende wijziging) in acht genomen worden.

Verbetering van de efficiëntie van de medebeslissingsprocedure


18. Het voorzitterschap moet, als onderdeel van zijn programmering, naar behoren rekening houden met de eis dat er voorbereidende en bemiddelingsvergaderingen belegd moeten worden, met inachtneming van de tijdslimieten voor de medebeslissingsprocedures. Er moeten contacten onderhouden worden met het Europees Parlement in het stadium van de eerste en de tweede lezing opdat de procedure zo soepel mogelijk kan worden afgerond.


19. Het voorzitterschap en het secretariaat-generaal wordt verzocht om eind 2000 in het licht van de ervaring die opgedaan is met de uitvoering van de Gemeenschappelijke Verklaring van
4 mei 1999, verdere wijzigingen voor te stellen voor de werkmethodes van de Raad met betrekking tot besluiten die samen met het Parlement worden genomen.


E. INFORMELE MINISTERIËLE BIJEENKOMSTEN


20. Informele bijeenkomsten van ministers zijn bestemd om een zo ongedwongen mogelijke gedachtewisseling over algemene onderwerpen te houden. Het zijn geen Raadszittingen en de normale activiteiten van de Raad kunnen hierdoor niet worden vervangen. Voor deze bijeenkomsten gelden de volgende regels:

i) er mogen tijdens een voorzitterschap maximaal
5 informele ministeriële bijeenkomsten gehouden worden;

ii) er wordt geen officiële agenda opgesteld;

iii) het aantal assistenten per minister is ten hoogste twee;

iv) voor de discussies mogen in geen geval Raadsdocumenten worden voorbereid, noch voor noch na de bijeenkomst;

v) de bijeenkomsten kunnen niet tot formele conclusies of besluiten leiden. In eventuele mededelingen aan de pers moet daar expliciet op gewezen worden.

F. COREPER


21. Aangezien het COREPER verantwoordelijk is voor de uiteindelijke voorbereiding van alle agendapunten en de presentatie daarvan aan de Raad , is het verantwoordelijk voor het samenvoegen van alle voorbereidende werkzaamheden die de verschillende verticale instanties verricht hebben voor zowel de multidisciplinaire als de pijleroverschrijdende dossiers. Om die taak efficiënt uit te voeren

i) moeten het voorzitterschap en het secretariaat-generaal zorgen voor een doeltreffende vroegtijdige planning van alle multidisciplinaire en pijleroverschrijdende dossiers;

ii) moeten alle evaluaties, beoordelingen en bijdragen van andere instanties beschikbaar zijn vóór de COREPER-vergadering die de Raadszitting voorbereidt waarin een definitief besluit genomen moet worden ;

iii) moet in de regel één enkele nota van het voorzitterschap of het secretariaat voor de Raad worden opgesteld die alle bijdragen en aspecten van het dossier omvat;

iv) kunnen de Groepen Antici, Mertens of Vrienden van het voorzitterschap verzocht worden het COREPER in deze taak bij te staan.


*22. De voorbereiding door het COREPER van een wetgevingsvraagstuk op de agenda van de Raad moet afgerond zijn aan het eind van de week die voorafgaat aan de week vóór deRaadszitting. Wanneer dit niet gebeurt, zullen de betrokken punten in de regel automatisch van de agenda van de Raadszitting worden afgevoerd, tenzij om dringende redenen anders moet worden beslist.



*23. Met betrekking tot dossiers die in andere fora grondig zijn voorbereid, moet het COREPER in elk geval kunnen nagaan of de volgende beginselen en regels in acht genomen zijn:

i) het beginsel van de wettigheid in het licht van het Gemeenschapsrecht, met inbegrip van de beginselen van subsidiariteit, evenredigheid en de motivering van de besluiten;

ii) de bevoegdheden van de instellingen van de Unie;

iii) de begrotingsbepalingen;

iv) de voorschriften ten aanzien van de procedure, de transparantie en de redactionele kwaliteit van de wetgeving;

v) de samenhang met het verdere beleid en optreden van de Unie.


24. Het voorzitterschap kan op korte termijn ad hoc-vergaderingen van het COREPER beleggen om specifieke dringende zaken te bespreken.

G. VOORZITTERSCHAP VAN DE RAAD


*25. Het volgende voorzitterschap fungeert als vice-voorzitterschap om het voorzitterschap bij te staan, terwijl het voorzitterschap zijn bevoegdheden en de algehele politieke verantwoordelijkheid voor het beheer van de werkzaamheden van de Raad volledig blijft dragen overeenkomstig de Verdragen en het reglement van orde van de Raad. De taken van het vice-voorzitterschap, dat volgens de instructies van het voorzitterschap opereert, bestaan in het vervangen van het voorzitterschap, indien en wanneer dat nodig is, het overnemen van een deel van de administratieve last van het voorzitterschap en het bevorderen van de continuïteit van de werkzaamheden van de Raad. Het voorzitterschap en het vice-voorzitterschap treffen de nodige maatregelen om een soepele overgang van het ene voorzitterschap naar het andere te bewerkstelligen.

H. TRANSPARANTIE

Toegang tot documenten


*26. De procedures voor de toegang van het publiek tot Raadsdocumenten moeten zoveel mogelijk worden gestroomlijnd en geautomatiseerd met gebruikmaking van moderne technologie, waaronder Internet, onverminderd de algemene beginselen inzake het recht van toegang tot documenten die overeenkomstig artikel 255 van het Verdrag worden bepaald.

Grotere openheid van de Raad in zijn hoedanigheid van wetgever


*27. De Raad Algemene Zaken en de Raad ECOFIN voeren elk om de zes maanden een openbaar debat over het werkprogramma van het voorzitterschap.


*28. Over belangrijke wetgevingsvoorstellen moet ten minste één openbaar Raadsdebat worden gehouden. Het COREPER beslist met gekwalificeerde meerderheid over openbare debatten.



29. Om te zorgen voor interessantere openbare debatten, worden de besprekingen als volgt georganiseerd:

i) de delegaties wordt verzocht om tijdig vóór de Raadszitting aan het voorzitterschap en het secretariaat-generaal hun standpunten mee te delen over het voorstel of het punt dat in het openbaar debat aan de orde is;

ii) het voorzitterschap stelt op basis van de schriftelijke bijdragen een nota van een bladzijde op met een korte vragenlijst;

iii) deze nota wordt vóór het begin van de zitting onder de delegaties verspreid en dient als basis voor het debat.

I. VOORLICHTINGSBELEID


30. Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie wordt dringend verzocht stappen te doen om hun inspanningen om gecoòrdineerde algemene informatie over de Unie te verstrekken zoveel mogelijk te bundelen, met name door optimaal gebruik te maken van de bestaande middelen; in dit verband kan het nuttig zijn de haalbaarheid na te gaan van een door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie gezamenlijk op te zetten informatiecentrum in Brussel voor de ontvangst van bezoekers van de instellingen en de coòrdinatie van publicaties over EU-aangelegenheden voor het grote publiek.


31. De Commissie wordt verzocht het algemene vraagstuk van het voorlichtingsbeleid van de Unie te bestuderen, inclusief de verbetering van de coòrdinatie met haar informatiebureaus in de lidstaten en de verbindingen met de nationale informatiebureaus.

J. ORGANISATIE EN VERLOOP VAN ZITTINGEN EN VERGADERINGEN

Planning van de werkzaamheden van de Raad


32. Elk voorzitterschap plant in samenwerking met de Commissie, het secretariaat-generaal en het toekomstige voorzitterschap alle wetgevingsactiviteiten en alle andere aspecten van de werkzaamheden van de Raad die niet afhankelijk zijn van de laatste politieke ontwikkelingen.


*33. Zeven maanden voor het begin van elk voorzitterschap, maakt de volgende voorzitter van de Raad de beoogde data bekend van alle Raadszittingen waarvoor het duidelijk is dat wetgevend werk moet worden verricht of operationele beleidsbesluiten moeten worden genomen. Het definitieve programma van het voorzitterschap kan aanvullende Raadszittingen bevatten, mits deze om operationele redenen verantwoord zijn. Indien een geplande zitting niet langer noodzakelijk blijkt, wordt deze geannuleerd.


*34. Het programma van het voorzitterschap, in de vorm van indicatieve voorlopige agenda's van de Raad waarin operationele besluiten en wetgevingswerkzaamheden vermeld staan, wordt uiterlijk één week voor het begin van het voorzitterschap voltooid.


Werkgroepen


35. Indien zulks nuttig wordt geacht, kan het voorzitterschap de delegaties verzoeken om vóór een bepaalde datum, voordat de groep met haar werkzaamheden over een nieuw voorstel begint, schriftelijk voorafgaande opmerkingen en standpunten in te dienen. Op basis van de schriftelijke bijdragen wordt een werkdocument gemaakt waarin de voornaamste kwesties die aan de orde komen op een geordende wijze worden uiteengezet teneinde de eerste bespreking in de groep te sturen en te structureren.


36. Een lijst van alle voorbereidende instanties van de Raad wordt door het secretariaat-generaal regelmatig bijgewerkt op grond van besluiten van het COREPER of de Raad tot instelling van die instanties.


37. De Raad en het COREPER zullen geen nieuwe groepen op hoog niveau instellen.


*38. Alle vergaderingen van groepen waar een punt van wetgeving voor het COREPER wordt voorbereid, moeten hun werkzaamheden ten minste 5 werkdagen voor de desbetreffende vergadering van het COREPER voltooien. Gebeurt dat niet, dan wordt het punt in de regel automatisch uitgesteld tot de volgende vergadering van het COREPER, tenzij om dringende redenen anders moet worden beslist.

Agenda's en documenten


39. Onverminderd artikel 2 van het reglement van orde van de Raad, zorgen het voorzitterschap en het secretariaat ervoor dat er alleen punten voor plaatsing op de voorlopige agenda's van de Raad worden voorgesteld wanneer besluiten of politieke richtsnoeren noodzakelijk zijn.


40. De besprekingen van de Raad moeten gebaseerd zijn op door het COREPER opgestelde duidelijke richtsnoeren, keuzemogelijkheden of oplossingen voor de voornaamste te bespreken kwesties.

Verloop van de zittingen of vergaderingen


41. De besprekingen van de Raad en het COREPER worden toegespitst op reacties op de in het document van het voorzitterschap of het secretariaat-generaal voorgestelde keuzemogelijkheden of oplossingen. Bekende argumenten of standpunten moeten in schriftelijke verklaringen worden weergegeven.


42. Volledige rondvragen zijn in beginsel verboden; er mag alleen in uitzonderlijke omstandigheden voor specifieke kwesties gebruik van worden gemaakt. Het voorzitterschap beperkt de spreektijd.


43. Indien de kans groot is dat er een compromis wordt voorgesteld dat dezelfde dag opnieuw kan worden ingediend, roept het voorzitterschap in de marge van de vergadering van het COREPER of de zitting van de Raad een groep bijeen. Indien tijdens de besprekingen in de Raad of het COREPER een compromis tot stand komt, wordt het overeengekomen besluit parallel met de zitting/vergadering opgesteld.



*44. Besluiten mogen alleen worden genomen in formele Raadszittingen. Het secretariaat-generaal ziet erop toe dat voor een te nemen besluit een quorum voorhanden is. Het voorzitterschap belegt tijdens formele zittingen (met inbegrip van ministeriële conclaven) meer besloten en uiterst besloten zittingen om politiek gevoelige of gerubriceerde onderwerpen te bespreken, in plaats van deze tijdens de lunch ter sprake te brengen.


*45. Het voorzitterschap kan onder andere:

i) van tevoren vaststellen hoeveel tijd er in het COREPER en de Raad kan worden besteed aan agendapunten indien er geen objectieve noodzaak bestaat een besluit te nemen;

ii) de tijd regelen die aan de bespreking van een specifiek onderwerp kan worden besteed;

iii) het aantal leden per delegatie vaststellen dat in de vergaderruimte aanwezig mag zijn (dus of er een besloten of uiterst besloten zitting plaatsvindt);

iv) gebruik maken van een ordepunt telkens wanneer dat noodzakelijk is om ervoor te zorgen dat de regels voor het verloop van een bespreking worden nageleefd.

K. HET SECRETARIAAT-GENERAAL EN HET PRAKTISCHE KADER

Rol van het secretariaat-generaal


46. De ondersteunende rol van het secretariaat-generaal als adviseur van de Raad en het voorzitterschap moet worden versterkt doordat het voortdurend nauw zal worden betrokken bij de planning, de coòrdinatie en het zorgen voor samenhang van de werkzaamheden van de Raad. Het secretariaat wordt met name aangespoord om het voorzitterschap onder diens verantwoordelijkheid en leiding actiever bij te staan in zijn rol van verlener van "goede diensten" en bij het zoeken naar compromisoplossingen.


47. Van het secretariaat-generaal uitgaande documenten die gebruikt worden als onderhandelingsbasis voor de Raad en diens voorbereidende instanties moeten beknopt zijn en duidelijk de problemen uiteenzetten waarover een besluit moet worden genomen, inclusief, zo nodig, keuzemogelijkheden of middelen om een compromis te bereiken. Lange notulen van vergaderingen met een beschrijving van de standpunten van de delegaties dienen te worden vermeden.


*48. De secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger draagt de volledige verantwoordelijkheid voor het beheer van de begroting van de Raad.


Organisatie van het secretariaat-generaal


49. De secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger wordt verzocht stappen te doen om het secretariaat-generaal snel aan te passen aan de veranderende behoeften van de Raad, met name door:

i) zijn structuren af te stemmen op de operationele behoeften van de Raad, met name door het werk te reorganiseren in grotere administratieve eenheden;

ii) de interne doorlichting te versterken om ervoor te zorgen dat de personele en materiële middelen van het secretariaat-generaal zo goed mogelijk zijn afgestemd op de behoeften van de Raad;

iii) een flexibel en dynamisch personeelsbeleid te voeren om het personeel beter te motiveren. Dat behelst een adequate personeelsopleiding zodat het secretariaat in staat is zijn grotere ondersteunende rol doeltreffend te vervullen. Als onderdeel van deze opleiding zou moeten worden gedacht aan de mogelijkheid van kortlopende uitwisselingen met nationale overheidsinstanties.


50. De secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger wordt dringend verzocht de werkmethodes van de Raad en het secretariaat-generaal opnieuw te bezien met het oog op een grotere efficiency door een optimaal gebruik van de moderne technologie, inclusief een beter gebruik van gegevensverwerking en elektronische middelen, door een aanpassing van de procedures en de documentenproductie en -transmissie, en door de personeelsopleiding toe te spitsen op de behoeften aan modernisering.

Materiële aspecten van het werk van de Raad


51. De secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger wordt verzocht de technische en methodologische middelen die voorhanden zijn om de vertaal- en vertolkingscapaciteit bij de Raad te verhogen, grondig te bestuderen.


52. In het licht van bovengenoemde studie moet worden bekeken hoe op voorbereidend niveau kan worden gezorgd voor de nodige doeltreffendheid van de Raad, met inachtneming van de bepalingen inzake de beginselen van gelijkheid en van niet-discriminatie tussen de talen van de Gemeenschap .

Huisvestingsbehoeften en inrichting van de vergaderzalen


53. Terwijl de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger de Raad naar behoren op de hoogte houdt, is hij volledig verantwoordelijk voor de raming van de huisvestingsbehoeften van een sterk uitgebreide Raad en voor de manier waarop aan deze behoeften kan worden voldaan, zodat in het licht van die raming tijdig gedetailleerde voorstellen aan de Raad kunnen worden voorgelegd.



54. Om na de uitbreiding doeltreffende beraadslagingen en onderhandelingen mogelijk te maken, moet het aantal personen dat aanwezig is in de vergaderzalen en aan de hoofdtafel worden gereduceerd. Voor bijeenkomsten van de Europese Raad krijgt elke delegatie maximaal twee plaatsen aan de tafel. Voor vergaderingen van de voorbereidende instanties van de Raad (comités en groepen) krijgt elke delegatie één plaats aan de tafel, tenzij anders is bepaald. De secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger wordt verzocht om de configuratie van de vergaderzalen voor Raadszittingen te bestuderen en passende voorstellen te doen. In deze studie moet rekening worden gehouden met de verschillende beperkingen die aan het werk in de verschillende samenstellingen van de Raad verbonden zijn.

L. HERZIENING


55. De secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger zal de uitvoering van deze aanbevelingen evalueren en zo nodig vóór juli 2001 verdere praktische voorstellen doen voor de verbetering van de werkmethodes van de Raad.

_______________


BIJLAGE IV

VERSLAGEN VAN HET VOORZITTERSCHAP AAN DE EUROPESE RAAD VAN HELSINKI OVER DE VERSTERKING VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK EUROPEES BELEID INZAKE VEILIGHEID EN DEFENSIE EN OVER NIET-MILITAIRE CRISISBEHEERSING VAN DE EUROPESE UNIE

Het voorzitterschap heeft prioriteit gegeven aan het mandaat van de Europese Raad van Keulen om het gemeenschappelijk Europees beleid inzake veiligheid en defensie te versterken door voortzetting van de bespreking van de militaire en niet-militaire aspecten van crisisbeheersing. De besprekingen waren gebaseerd op de bepalingen van het Verdrag betreffende de Europese Unie en de richtsnoeren die in Keulen zijn overeengekomen en door de lidstaten zijn bevestigd.

De werkzaamheden hebben twee onderscheiden, maar als complementair bedoelde voortgangsverslagen aan de Europese Raad opgeleverd. Met deze voortgangsverslagen, waarin concrete maatregelen worden voorgesteld, worden de bakens uitgezet voor de verdere werkzaamheden om tegen het einde van het jaar 2000 de nodige besluiten te kunnen nemen met het oog op de doelstellingen van Keulen. Tijdens het Portugese voorzitterschap zal worden bezien of wijziging van het Verdrag al dan niet nodig wordt geacht.

Om hun verantwoordelijkheid te kunnen opnemen voor het volledige gamma van taken op het gebied van conflictpreventie en crisisbeheersing als omschreven in het Verdrag betreffende de Europese Unie, de Petersbergtaken, hebben de lidstaten besloten effectiever militaire capaciteiten te ontwikkelen en nieuwe politieke en militaire structuren voor deze taken in het leven te roepen. Het is in dit verband de bedoeling dat de Unie zelfstandig beslissingen kan nemen en, in gevallen waarbij de NAVO als geheel niet betrokken is, als respons op internationale crises door de EU geleide militaire operaties te starten en vervolgens te voeren.

Om zich beter van deze verantwoordelijkheden te kunnen kwijten, zal de Unie tevens de middelen voor civiele crisisbeheersing waarmee de Unie en de lidstaten al aanzienlijke ervaring hebben opgedaan, verbeteren en doeltreffender aanwenden. Bijzondere aandacht zal worden besteed aan de capaciteit om snel in te grijpen.

Al deze maatregelen zullen het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid ondersteunen en de veelomvattende externe rol van de Unie versterken en uitbreiden. De versterking en de coòrdinatie van het militaire en civiele instrumentarium om op crises te reageren, zal de Unie in staat stellen een beroep te doen op het gehele gamma van instrumenten, gaande van diplomatieke activiteit, humanitaire hulp en economische maatregelen tot civiele politietaken en militaire crisisbeheersingsoperaties.

De NAVO blijft het fundament van de collectieve defensie van haar leden en zal op het gebied van crisisbeheersing een belangrijke rol blijven vervullen.

Het gemeenschappelijk Europees beleid inzake veiligheid en defensie zal worden ontwikkeld zonder afbreuk te doen aan de verbintenissen krachtens artikel 5 van het Verdrag van Washington en artikel V van het Verdrag van Brussel, die voor alle lidstaten welke partij zijn bij deze verdragen blijven bestaan. Evenzo laat de ontwikkeling van het gemeenschappelijkEuropees beleid inzake veiligheid en defensie het specifieke karakter van het veiligheids- en defensiebeleid van bepaalde lidstaten onverlet.


De EU en de NAVO zullen verdere stappen ondernemen teneinde onderling overleg, samenwerking en transparantie ten volle te waarborgen.

De Unie zal tot de internationale vrede en veiligheid bijdragen overeenkomstig de beginselen van het Handvest der Verenigde Naties. De Unie erkent de primaire verantwoordelijkheid van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties voor de handhaving van de internationale vrede en veiligheid. Overeenkomstig de beginselen en doelstellingen van het Handvest voor de Europese Veiligheid van de OVSE, zal de Unie op een wederzijds versterkende wijze met de VN, de OVSE, de Raad van Europa en andere internationale organisaties samenwerken bij de bevordering van stabiliteit, vroegtijdige waarschuwing, conflictpreventie, crisisbeheersing en wederopbouw na conflicten.

°

°°


Bijlage 1 bij BIJLAGE IV

VOORTGANGSVERSLAG VAN HET VOORZITTERSCHAP AAN DE EUROPESE RAAD VAN HELSINKI OVER DE VERSTERKING VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK EUROPEES BELEID INZAKE VEILIGHEID EN DEFENSIE

Inleiding

Overeenkomstig de in Keulen goedgekeurde uitgangspunten moet de Europese Unie haar verantwoordelijkheden op zich kunnen nemen voor het hele gamma van taken op het gebied van conflictpreventie en crisisbeheersing als omschreven in het Verdrag betreffende de EU, de Petersbergtaken.

Ter ondersteuning van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) moet de Europese Unie zelfstandig beslissingen kunnen nemen en, in gevallen waarbij de NAVO als geheel niet is betrokken, door de EU geleide militaire operaties starten en voeren als respons op internationale crises. Het optreden van de Unie zal in overeenstemming zijn met de beginselen van het Handvest der Verenigde Naties en met de beginselen en doelstellingen van het Handvest voor de Europese Veiligheid van de OVSE. De Unie erkent de primaire verantwoordelijkheid van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties voor de handhaving van de internationale vrede en veiligheid.

Daartoe is het volgende overeengekomen:

Om het gehele gamma van Petersbergtaken te kunnen uitvoeren wordt er een gemeenschappelijk Europees hoofddoel bepaald ter zake van snel inzetbare militaire capaciteiten en worden er op korte termijn collectieve capaciteitsdoelstellingen op het gebied van bevelvoering en controle, inlichtingen en strategisch transport ontwikkeld welke bereikt moeten worden door gecoòrdineerde nationale en multinationale acties op vrijwillige basis.

Er worden bij de Raad nieuwe politieke en militaire organen in het leven geroepen om de Unie in staat te stellen inzake door de EU geleide Petersbergoperaties besluiten te nemen en, onder het gezag van de Raad, voor de noodzakelijke politieke controle en strategische leiding van deze operaties te zorgen.

Zonder afbreuk te doen aan de beslissingsautonomie van de EU worden beginselen overeengekomen voor samenwerking met Europese NAVO-leden die geen EU-lidstaten zijn en met andere Europese partners in door de EU geleide militaire crisisbeheersing.

Het vaste voornemen om de Petersbergtaken uit te voeren, zal van de lidstaten vergen dat zij verbetering brengen in de nationale en multinationale militaire capaciteiten, hetgeen waar van toepassing, tegelijkertijd de capaciteiten van de NAVO zal vergroten en de effectiviteit van het Partnerschap voor de vrede bij de bevordering van de Europese veiligheid zal versterken.

Bij de indiening van dit verslag heeft het voorzitterschap er nota van genomen dat Denemarken heeft herinnerd aan Protocol nr. 5 bij het Verdrag van Amsterdam betreffende de positie vanDenemarken


Militaire capaciteit voor Petersbergtaken

Hun in Keulen aangegane engagement indachtig, memoreren de lidstaten hun vastberaden wil om de EU de passende capaciteiten te geven, zonder onnodige duplicatie om het gehele gamma van de Petersbergtaken te kunnen uitvoeren ter ondersteuning van het GBVB. Deze capaciteiten zullen de lidstaten in staat stellen om doeltreffende door de EU geleide acties te ondernemen en, voor de desbetreffende landen, ten volle hun rol in de NAVO en door de NAVO geleide operaties te spelen. Er zullen doeltreffender Europese militaire capaciteiten worden ontwikkeld op basis van de bestaande nationale, binationale en multinationale capaciteiten, die zullen worden samengebracht voor door de EU geleide crisisbeheersingsoperaties met of zonder gebruikmaking van NAVO-middelen en -capaciteiten. Bijzondere aandacht zal worden besteed aan de voor een doeltreffende crisisbeheersing vereiste capaciteiten: inzetbaarheid, voortzettingsvermogen, interoperabiliteit, flexibiliteit, mobiliteit, overlevingsvermogen en bevelvoering en controle, rekening houdend met de resultaten van de WEU-audit van middelen en capaciteiten en hun implicaties voor door de EU geleide operaties.

Om de Europese capaciteiten te ontwikkelen, hebben de lidstaten zich het volgende hoofddoel gesteld: op basis van vrijwillige samenwerking zullen zij tegen het jaar 2003 in staat zijn tot het snel inzetten en vervolgens in het veld houden van troepen met de nodige capaciteit voor het gehele gamma van Petersbergtaken als omschreven in het Verdrag van Amsterdam, met inbegrip van de meest veeleisende, voor operaties tot op het niveau van een legercorps (waarbij tot
15 brigades of 50.000 tot 60.000 man betrokken zijn). Deze troepen moeten militair zelfvoorzienend zijn, met de nodige capaciteiten voor bevelvoering, controle en inlichtingendiensten, logistiek, andere inzetondersteunende diensten en daarnaast, waar van toepassing, lucht- en zeemachtelementen. De lidstaten moeten binnen zestig dagen op dit niveau volledig kunnen ontplooien en binnen deze termijn moeten zij kleinere eenheden kunnen leveren voor een snelle-reactie met een hoge graad van inzetbaarheid. Zij moeten een dergelijke inzet gedurende ten minste een jaar kunnen volhouden. Dit zal een bijkomende pool van inzetbare eenheden (en ondersteunende elementen) vergen met een lagere graad van inzetbaarheid om de initiële troepen te kunnen vervangen.

De lidstaten hebben tevens besloten snel collectieve capaciteitsdoelstellingen te ontwikkelen op de - ook in de WEU-audit aangegeven - gebieden bevelvoering en controle, inlichtingendiensten en strategisch vervoer. In dit verband zijn zij ingenomen met de door bepaalde lidstaten reeds aangekondigde besluiten in die richting:


- ontwikkeling en coòrdinatie van militaire voorzieningen voor monitoring en vroegtijdige waarschuwing;


- openstelling van bestaande gezamenlijke nationale hoofdkwartieren voor officieren van andere lidstaten;


- versterking van de snelle-reactiecapaciteiten van de bestaande Europese multinationale strijdkrachten;


- voorbereiding van een Europees luchttransportcommando;


- verhoging van het aantal snel inzetbare manschappen;


- vergroting van de capaciteit voor strategisch maritiem transport.


Met deelneming van de ministers van Defensie zal de Raad Algemene Zaken de hoofddoelstelling en de capaciteitsdoelstellingen opstellen. Hij zal een consultatiemethode uitwerken waarmee deze doeleinden blijvend kunnen worden bereikt en waarmee door elke lidstaat nationale bijdragen kunnen worden bepaald waaruit de politieke wil en het engagement voor deze doelstellingen blijken; er zal regelmatig worden bekeken welke vooruitgang er is geboekt. Voorts zullen de lidstaten gebruik maken van bestaande defensieplanningsprocedures, voorzover van toepassing met inbegrip van die welke beschikbaar zijn binnen de NAVO en in het Plannings- en toetsingsproces (Planning and Review Process, PARP) van het Partnerschap voor de vrede. Deze doelstellingen en die welke voor de betrokken landen voortvloeien uit het NAVO-Initiatief betreffende de Defensievermogens (Defence Capabilities Initiative, DCI) zullen elkaar wederzijds versterken.

De Europese NAVO-leden die geen EU-lidstaten zijn en andere landen die kandidaat zijn voor toetreding tot de EU zullen worden verzocht bij te dragen tot deze verbetering van de Europese militaire capaciteiten. Dit zal de doeltreffendheid van door de EU geleide militaire operaties verhogen en voor de betrokken landen rechtstreeks bijdragen tot de doeltreffendheid en vitaliteit van de Europese pijler van de NAVO.

De lidstaten zijn ingenomen met de recente vooruitgang bij de herstructurering van de Europese defensie-industrie, waarmee een belangrijke stap voorwaarts is gezet. Dit draagt bij tot een versterking van de Europese industriële en technologische basis op het gebied van defensie. Dergelijke ontwikkelingen vragen om grotere inspanningen voor verdere vooruitgang bij de harmonisatie van de militaire behoeften en de planning en aankoop van wapens, voorzover de lidstaten dat wenselijk achten.

Besluitvorming

De Raad bepaalt het beleid inzake de betrokkenheid van de Unie bij alle fasen en aspecten van de crisisbeheersing, met inbegrip van besluiten tot uitvoering van Petersbergtaken overeenkomstig artikel 23 van het EU-verdrag. In de besluiten, die in het kader van het ene institutionele kader worden genomen, worden de bevoegdheden van de Europese Gemeenschap geëerbiedigd en wordt de samenhang tussen de pijlers overeenkomstig artikel 3 van het EU-verdrag verzekerd.

Alle lidstaten zijn gerechtigd volledig en op voet van gelijkheid deel te nemen aan alle besluiten en beraadslagingen van de Raad en de Raadsorganen over door de EU geleide operaties. De lidstaten beslissen soeverein over de nationale middelen die zij voor dergelijke operaties inzetten. De lidstaten nemen deel aan het ad hoc comité van contribuanten overeenkomstig het bepaalde in punt 24.

De ministers van Defensie worden bij het gemeenschappelijk Europees veiligheids- en defensiebeleid (GEVDB) betrokken. Wanneer de Raad Algemene Zaken met het GEVDB verband houdende aangelegenheden bespreekt, nemen de ministers van Defensie in voorkomend geval aan de besprekingen deel om te adviseren over defensieaangelegenheden.


Bij de Raad worden de volgende nieuwe permanente politieke en militaire organen in het leven geroepen:

a) Een permanent Comité voor politieke en veiligheidsvraagstukken (CPV) in Brussel, samengesteld uit nationale vertegenwoordigers op hoog niveau/ambassadeursniveau. Dit CPV gaat over alle aspecten van het GBVB, met inbegrip van het GEVDB, overeenkomstig de bepalingen van het EU-verdrag en zonder afbreuk te doen aan de bevoegdheden van de Gemeenschap. In geval van een militaire crisisbeheersingsoperatie oefent het CPV onder het gezag van de Raad de politieke controle op en de strategische leiding van de operatie uit. Daartoe worden passende procedures aangenomen om een doeltreffende en snelle besluitvorming mogelijk te maken. Het CPV geeft ook richtsnoeren aan het Militair Comité.

b) Het Militair Comité (MC), samengesteld uit de Chefs Defensiestaf, vertegenwoordigd door hun militaire afgevaardigden. Telkens als dat nodig is, komt het MC bijeen op het niveau van de Chefs Defensiestaf. Dit comité verstrekt militair advies, doet aanbevelingen aan het CPV en geeft militaire leiding aan de militaire staf. De voorzitter van het MC woont de bijeenkomsten van de Raad bij wanneer besluiten met gevolgen op defensiegebied moeten worden genomen.

c) De Militaire Staf (MS), die binnen de structuren van de Raad militaire expertise verstrekt en steun voor het GEVDB, met inbegrip van de leiding over door de EU geleide militaire crisisbeheersingsoperaties. De militaire staf voert taken uit op het gebied van vroegtijdige waarschuwing, situatiebeoordeling en strategische planning voor Petersbergtaken, met inbegrip van het aanwijzen van Europese nationale en multinationale strijdkrachten.

Als tussentijdse maatregel worden bij de Raad per 1 maart 2000 de volgende organen ingesteld.

a) Met volledige inachtneming van de verdragsbepalingen stelt de Raad een interim-permanent Comité voor politieke en veiligheidsvraagstukken in op hoog niveau/ambassadeursniveau, dat onder leiding van het Politiek Comité zorg draagt voor de follow-up van de Europese Raad van Helsinki door aanbevelingen op te stellen betreffende de toekomstige werking van het GEVDB, en dat zich in nauw contact met de SG/HV bezighoudt met de dagelijkse GBVB-aangelegenheden.

b) Er wordt een interim-lichaam ingesteld, bestaande uit militaire vertegenwoordigers van de Chefs Defensiestaf van de lidstaten om op verzoek advies te verstrekken aan het interim-Comité voor politieke en veiligheidsvraagstukken.

c) Om het Raadssecretariaat in zijn werkzaamheden met betrekking tot het GEVDB bij te staan, wordt het versterkt met door de lidstaten gedetacheerde militaire deskundigen, die de kern van de toekomstige Militaire Staf uitmaken.

De secretaris-generaal/hoge vertegenwoordigers (SG/HV), die de Raadszittingen bijwoont, levert een essentiële bijdrage tot de doeltreffendheid en de samenhang van het GBVB en de ontwikkeling van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid. Overeenkomstig het EU-verdrag draagt de SG/HV bij tot de formulering, voorbereiding en uitvoering van beleidsbeslissingen.

In de tussenperiode zal de SG/HV, secretaris-generaal van de WEU, overeenkomstig artikel 17 van het EU-verdrag ten volle gebruik maken van de middelen van de WEU om de Raad van advies te dienen.


Overleg en samenwerking met landen die geen EU-lidstaten zijn en met de NAVO

De Unie zorgt voor de vereiste dialoog, overleg en samenwerking met de NAVO en haar leden die geen EU-lidstaten zijn, andere landen die kandidaat zijn voor toetreding tot de EU en andere potentiële partners in door de EU geleide crisisbeheersing, met volledige inachtneming van de beslissingsautonomie van de EU en het ene institutionele kader van de Unie.

Met Europese NAVO-leden die geen EU-lidstaten zijn en met andere landen die kandidaat zijn voor toetreding tot de EU, worden passende structuren in het leven geroepen voor dialoog en informatie over met veiligheids- en defensiebeleid en crisisbeheersing verband houdende vraagstukken. In geval van crisis zullen deze structuren dienen voor overleg in de periode voordat de Raad een besluit neemt.

Indien de Raad besluit een operatie te starten, zullen de Europese NAVO-leden die geen EU-lidstaten zijn, zo zij dat wensen, deelnemen aan een operatie waarvoor NAVO-middelen en -capaciteiten moeten worden ingezet. Zij worden door een besluit van de Raad verzocht deel te nemen aan operaties waarbij de EU geen gebruik maakt van NAVO-middelen.

Andere landen die kandidaat zijn voor toetreding tot de EU kunnen eveneens door de Raad worden verzocht om deel te nemen aan door de EU geleide operaties zodra de Raad besloten heeft een dergelijke operatie te starten.

Rusland, Oekraïne en andere Europese landen die een politieke dialoog zijn aangegaan met de Unie en andere geïnteresseerde landen kunnen worden verzocht deel te nemen aan door de EU geleide operaties.

Alle landen die hebben bevestigd dat zij met inzet van significante militaire middelen aan een door de EU geleide operatie deelnemen, hebben dezelfde rechten en verplichtingen als de deelnemende EU-lidstaten bij de dagelijkse leiding en uitvoering van een dergelijke operatie.

In het geval van een door de EU geleide operatie wordt een ad hoc comité van contribuanten opgericht voor de dagelijkse leiding en uitvoering van die operatie. Alle EU-lidstaten hebben het recht het ad hoc comité bij te wonen, ongeacht of zij aan de operatie deelnemen, maar alleen de contribuerende staten nemen deel aan de dagelijkse leiding en uitvoering van deze operatie.

Het besluit om een operatie te beëindigen wordt genomen door de Raad na overleg tussen de deelnemende staten in het comité van contribuanten.

Er worden modaliteiten ontwikkeld voor volledig onderling overleg, samenwerking en transparantie tussen de EU en de NAVO. In een eerste fase worden de betrekkingen ontwikkeld op informele basis, via contacten tussen de SG/HV voor het GBVB en de secretaris-generaal van de NAVO.


Follow-up voor het Portugese voorzitterschap

Het Portugese voorzitterschap wordt verzocht om, samen met de SG/HV, in de Raad Algemene Zaken de werkzaamheden met betrekking tot het versterken van het gemeenschappelijk Europees veiligheids- en defensiebeleid voort te zetten. Het Portugees voorzitterschap wordt ook verzocht aan de Europese Raad in Feira een voortgangsverslag voor te leggen, met onder meer:

a) - aanbevelingen over de institutionele ontwikkeling van de nieuwe permanente politieke en militaire instanties in GEVDB-verband binnen de EU, rekening houdend met het document over militaire lichamen in de Europese Unie en het plannen en voeren van door de EU geleide operaties, en andere bijdragen;

b) - voorstellen voor passende regelingen die de Raad moet afsluiten over de raadplegings- en/of participatiemodaliteiten waardoor de betrokken derde landen kunnen bijdragen tot de militaire crisisbeheersing van de EU;

c) - voorstellen over beginselen voor overleg met de NAVO over militaire aangelegenheden en aanbevelingen inzake de ontwikkeling van modaliteiten voor de EU/NAVO-betrekkingen, om samenwerking inzake de adequate militaire respons op een crisis, zoals vastgesteld in Washington en Keulen, mogelijk te maken;

d) - een indicatie over de vraag of een verdragswijziging al dan niet noodzakelijk wordt geacht.

o

o o


Bijlage 2 bij BIJLAGE IV

Verslag van het voorzitterschap betreffende de niet-militaire crisisbeheersing

van de Europese Unie

Het voorzitterschap heeft van de Europese Raad in Keulen opdracht gekregen om voort te werken aan alle aspecten van de veiligheid, inclusief de uitbreiding en betere coòrdinatie van de niet-militaire crisisbeheersingsinstrumenten van de Unie en de lidstaten. Door de ontwikkelingen, onder meer in Kosovo, heeft het belang van deze taak nog meer reliëf gekregen. Hiertoe is in de Raadsinstanties een grondige bespreking gehouden.

Er is een begin gemaakt met het opstellen van lijsten van alle beschikbare middelen van de lidstaten en de Unie, hetgeen inventarissen heeft opgeleverd van de ter beschikking van de Unie en de lidstaten staande instrumenten, opgenomen in document 11044/99 REV 1 voor de Unie respectievelijk document 12323/99 voor de lidstaten.

Uit de opgestelde inventarissen blijkt duidelijk dat de lidstaten, de Unie, of beide een grote ervaring hebben opgedaan of aanzienlijke middelen bezitten op een aantal gebieden als burgerpolitie, humanitaire bijstand, administratieve en juridische rehabilitatie, opsporing en redding, waarneming inzake verkiezingen en mensenrechten, enz. Van deze inventaris moet verder werk gemaakt worden. Een regelmatige bijwerking zal nodig zijn om zowel hiaten als sterke punten te onderkennen.

Om sneller en doeltreffender te kunnen reageren op nieuwe crisissituaties moet de Unie de alertheid en doeltreffendheid van haar middelen en instrumenten, en ook de synergie daartussen, vergroten.

Het is dan ook aangewezen om een actieplan op te stellen dat de te volgen weg aangeeft, alsook de stappen die de Unie moet zetten om snel te kunnen reageren op het gebied van de crisisbeheersing met niet-militaire instrumenten.

ACTIEPLAN

A. De Unie moet ernaar streven:


- de synergie en de alertheid van de nationale, collectieve en NGO-middelen te vergroten om dubbel werk te vermijden en de prestaties te verbeteren, en tevens voor elke contribuant de flexibiliteit te behouden om te beslissen over het inzetten van middelen en capaciteiten in een bepaalde crisis of via een bepaald kanaal;


- de bijdragen van de EU aan en de activiteiten in andere organisaties, zoals de VN en de OVSE, te vergroten en te vergemakkelijken, wanneer een van deze twee de leidende organisatie in een bepaalde crisis is, alsook de zelfstandige acties van de EU te bevorderen;


- de samenhang tussen de pijlers te waarborgen.


B. Dit vereist het volgende:

De lidstaten en de Unie moeten een snel reactievermogen creëren door een kader en voorwaarden te bepalen, en ook door vooraf personeel, materieel en financiële middelen te kiezen die in antwoord op een verzoek van een leidende instantie als de VN en de OVSE, of, in voorkomend geval, bij zelfstandige acties van de EU kunnen worden ingezet.

Er moet een inventaris van nationale en collectieve middelen komen die een overzicht biedt van de middelen die bij zulke snelle reacties kunnen worden samengebracht. Hierbij zouden de lidstaten en de instellingen van de EU, wanneer zij dit wensen, kunnen aangeven in welke sectoren zij menen over erkende deskundigheid te beschikken.

Er moet een gegevensbank worden gecreëerd om informatie over de vooraf bepaalde middelen, capaciteiten en deskundigheid op alle gebieden in verband met niet-militaire crisisbeheersing op te slaan en te delen. De beschikbaarheid en de kwaliteit van deze middelen zouden duidelijk moeten worden omschreven.

Er moet een studie worden uitgevoerd om, rekening houdend met de opgedane ervaring, concrete doelstellingen te bepalen voor de collectieve niet-militaire reactie van de EU-lidstaten op internationale crises (bv. de mogelijkheid om op korte termijn een bepaald aantal burgerpolitieagenten als bijdrage aan burgerpolitiemissies in te zetten en voor een bepaalde periode operationeel te houden; binnen vierentwintig uur een gecombineerde opsporings- en reddingseenheid van maximaal 200 man kunnen mobiliseren). Dit werk moet worden aangevat door het Portugese voorzitterschap, in samenwerking met de SG/HV.

De inventaris, het gegevensbankproject en de studie moeten helpen gebieden af te bakenen van relatieve sterkte en zwakte en zouden een stimulans kunnen betekenen voor verbeterde opleidingsnormen, uitwisseling van ervaringen en beste praktijken, alsook voor bilaterale of multilaterale projecten tussen de lidstaten (bv. het vermogen voor helikoptertransport van een lidstaat "koppelen" aan een gespecialiseerd medisch team van een andere lidstaat).

Bij het Raadssecretariaat moet een coòrdinatiemechanisme worden ingesteld dat ten volle met de Commissiediensten samenwerkt. Het zou het gegevensbankproject en de initiatieven rond de verschillende capaciteiten beheren. In bepaalde crises kan het, afhankelijk van de rol van de EU, een ad hoc centrum oprichten om de effectiviteit van de bijdragen van de EU-lidstaten te coòrdineren. Dit moet een gestroomlijnde, doeltreffende, niet-bureaucratische structuur zijn die een nauwe samenwerking met de Commissie (met name ECHO) mogelijk maakt.

Bij het opzetten van een snel reactievermogen moet urgent aandacht worden geschonken aan het ontwikkelen van burgerpolitiecapaciteiten.

Snelle financieringsmechanismen, zoals de oprichting van een Fonds voor snelle reactie door de Commissie, moeten worden gecreëerd teneinde sneller geld ter beschikking te kunnen stellen om EU-activiteiten te steunen, om bij te dragen aan operaties die door andere internationale organisaties worden geleid en om, waar nodig, NGO-activiteiten te financieren.


BESLUITVORMING EN UITVOERING

De Unie moet een alomvattende aanpak ontwikkelen om de nationale en collectieve niet-militaire instrumenten samen te brengen binnen de tijd die de situatie ter plaatse vereist.

Voor de coòrdinatie van civiele crisisbeheersingsinstrumenten wordt een coòrdinatiemechanisme voor civiele crisisbeheersing ingesteld Dit mechanisme, dat pijleroverschrijdend is, zal deskundig advies bieden ter ondersteuning van de crisisbeheersing. De besluitvorming en uitvoering van niet-militaire crisisbeheersingsinstrumenten in de eerste pijler laat de instellingen en procedures van het EG-verdrag onverlet.

Voorlopig kan voor de ontwikkeling van dit coòrdinatiemechanisme voor civiele crisisbeheersing een beroep worden gedaan op deskundigen uit de lidstaten.

Indien nodig zal de Unie algemene richtsnoeren vastleggen om de samenhang tussen de pijlers te waarborgen en te bepalen welke middelen ter beschikking moeten worden gesteld. In dit verband zouden regelingen voor snelle financieringsmechanismen voor een prompte respons op crisissituaties kunnen worden getroffen.

______________


BIJLAGE V

GEMEENSCHAPPELIJKE STRAGIE VAN DE EUROPESE RAAD 1999/ /GBVB

van

ten aanzien van Oekraïne

DE EUROPESE RAAD,

Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, met name op artikel 13, lid 2,

Overwegende dat op 1 maart 1998 een Overeenkomst inzake partnerschap en samenwerking (OPS) tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten enerzijds, en Oekraïne anderzijds, in werking is getreden,

HEEFT DE VOLGENDE GEMEENSCHAPPELIJKE STRATEGIE AANGENOMEN:

DEEL I

VISIE VAN DE EU OP HAAR PARTNERSCHAP MET OEKRAÏNE


1. Het strategische partnerschap tussen de Europese Unie (EU) en Oekraïne, dat op gemeenschappelijke waarden en belangen stoelt, is een cruciale factor voor het versterken van vrede en vergroten van stabiliteit en welvaart in Europa. De vrijheid, de onafhankelijkheid en de stabiliteit van Oekraïne behoren tot de grootste verworvenheden van het nieuwe, van oude scheidslijnen verloste Europa. Zowel op de landkaart als door zijn afmetingen, de hulpbronnen voor zijn bevolking en zijn ligging langs de noord-zuid- en de oost-westas neemt Oekraïne een unieke plaats in binnen Europa, en vervult het land een belangrijke rol in de regio.


2. Oekraïne onderhoudt thans uitstekende betrekkingen met alle buurlanden en heeft grote stappen gezet in de opbouw van de natie en de versteviging van de democratie. Het feit dat Oekraïne sinds de onafhankelijkheid, ondanks zijn binnenlandse problemen en diversiteit, een stabiliserende rol heeft kunnen vervullen in de regio, is een prijzenswaardige prestatie. De EU is er verheugd over dat Oekraïne nauw betrokken is bij de stabilisatie van zijn regio, en moedigt de versterking van de rol van Oekraïne in de regionale samenwerkingsfora aan. Ook is de EU ingenomen met de inzet van Oekraïne voor nucleaire ontwapening en zijn coòperatieve houding bij de handhaving van de Europese en de internationale vrede en veiligheid, met name via de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) en de Verenigde Naties.


3. Het strategische partnerschap tussen de EU en Oekraïne is sinds de onafhankelijkheid van Oekraïne voortdurend versterkt. In dat verband is de Partnerschaps- en Samenwerkingsovereenkomst een veelzeggend resultaat. Oekraïne was de eerste van de Nieuwe Onafhankelijke Staten die een dergelijke overeenkomst ondertekende, hetgeen een uiting was van de wil van de EU en Oekraïne om de samenwerking te intensiveren. Door macrofinanciële bijstand, het Tacis-programma en door middel van bilaterale programma's verleent de EU waardevolle steun om Oekraïne in zijn overgangs- en hervormingsproces terzijde te staan.


4. Na afloop van het huidige uitbreidingsproces zullen sommige toekomstige lidstaten een buitengrens delen met Oekraïne. De uitbreiding van de Unie zal de economische dynamiek en depolitieke stabiliteit in de regio versterken, en zodoende de mogelijkheden voor samenwerking met Oekraïne vergroten.



5. De EU heeft de volgende strategische doelstellingen ten aanzien van Oekraïne:

bijdragen tot het ontstaan van een stabiele, open en pluralistische democratie in Oekraïne, die wordt beheerst door de beginselen van de rechtsstaat en de basis vormt voor een welvarende markteconomie die ten goede komt aan alle burgers van Oekraïne;

samenwerken met Oekraïne bij de handhaving van de stabiliteit en de veiligheid in Europa en daarbuiten, en bij het vinden van doeltreffende antwoorden voor gemeenschappelijke problemen waarmee het continent wordt geconfronteerd;

economische, politieke en culturele samenwerking, alsmede samenwerking op het gebied van justitie en binnenlandse zaken, met Oekraïne intensiveren.


6. De EU erkent de Europese aspiraties van Oekraïne en is verheugd over het feit dat het land voor Europa heeft gekozen. De EU blijft vastbesloten met Oekraïne samen te werken op nationaal, regionaal en plaatselijk niveau, ter ondersteuning van een geslaagd politiek en economisch veranderingsproces in Oekraïne, waardoor de verdere toenadering van Oekraïne tot de EU zal worden vergemakkelijkt. De EU en haar lidstaten bieden aan om de verschillende ervaringen die zij hebben opgedaan met de opbouw van moderne politieke, economische, sociale en administratieve structuren, met Oekraïne te delen, zonder uit het oog te verliezen dat Oekraïne zelf de voornaamste verantwoordelijkheid voor zijn toekomst draagt.


7. Derhalve neemt de Europese Raad deze gemeenschappelijke strategie aan om het strategische partnerschap tussen Oekraïne en de EU te versterken. De Europese Raad erkent dat een stabiel en veilig Oekraïne bij uitstek in het belang van de EU is. De rechtsgrondslag voor de betrekkingen tussen de EU en Oekraïne is de Partnerschaps- en Samenwerkingsovereenkomst (PSO). Volledige uitvoering van die Overeenkomst is een voorwaarde voor een geslaagde integratie van Oekraïne in de Europese economie, en zal Oekraïne tevens helpen zijn Europese identiteit te bevestigen.


8. De EU en haar lidstaten zullen de coòrdinatie, samenhang en complementariteit van alle aspecten van hun beleid ten aanzien van Oekraïne verder ontwikkelen. De Unie, de Gemeenschap en haar lidstaten zullen ook met en in regionale en internationale organisaties alsmede met gelijkgestemde partners samenwerken om de doelstellingen van de PSO en deze gemeenschappelijke strategie te verwezenlijken. De standpunten die de lidstaten in alle relevante fora innemen, zullen met deze gemeenschappelijke strategie in overeenstemming zijn. De Europese Raad verzoekt Oekraïne om op basis van deze gemeenschappelijke strategie met de EU samen te werken, hetgeen beide partijen tot voordeel zal strekken.


DEEL II

HOOFDDOELSTELLINGEN

De Europese Raad heeft de volgende hoofddoelstellingen vastgesteld:

I. Ondersteuning van het democratisch en economisch overgangsproces in Oekraïne

II. Stabiliteit en veiligheid waarborgen, en het hoofd bieden aan gemeenschappelijke uitdagingen op het Europese continent

III. Ondersteuning van versterkte samenwerking tussen de EU en Oekraïne binnen de context van de EU-uitbreiding

I. Ondersteuning van het democratisch en economisch overgangsproces in Oekraïne

De EU en Oekraïne hebben er een gemeenschappelijk belang bij het democratisch en economisch overgangsproces in Oekraïne te versnellen. Een geslaagde overgang in Oekraïne zal niet alleen Oekraïne, maar de gehele regio welvaart brengen. Wil dat veranderingsproces kans van slagen hebben, dan moeten er hervormingen plaatsvinden om de democratie en de rechtsstaat te verstevigen, alsook economische en sociale hervormingen die nodig zijn voor de totstandbrenging van een functionerende markteconomie.

De EU stelt voor om de samenwerking met Oekraïne te versterken op de volgende gebieden:

I.i. Consolidering van de democratie, de rechtsstaat en de openbare instellingen in Rusland


9. De EU is ingenomen met de prestaties van Oekraïne bij het leggen van de fundamenten voor een democratisch stelsel, met name bij de instelling van een meerpartijenstelsel en de invoering van een parlementair staatsbestel. De EU erkent de resultaten die Oekraïne heeft behaald bij het bewaren van zijn eenheid ondanks de diverse samenstelling van het land.


10. De EU steunt Oekraïne bij al zijn inspanningen om de democratie en behoorlijk bestuur, de mensenrechten en de rechtsstaat te consolideren. De EU is van mening dat de rechtsstaat een voorwaarde is voor de ontwikkeling van een functionerende markteconomie die alle burgers van Oekraïne kansen en voordelen biedt. De EU steunt de inspanningen van Oekraïne voor de hervorming van het rechtsstelsel in het kader van de PSO. Een goed werkende onafhankelijke rechterlijke macht, een professionele politiemacht, de ontwikkeling van een meritocratisch, goed opgeleid en betrouwbaar overheidsapparaat op nationaal, regionaal en plaatselijk niveau zijn alle doorslaggevend voor een doeltreffende uitvoering van overheidsbesluiten. De EU moedigt Oekraïne aan in zijn inspanningen om de efficiëntie, de transparantie en het democratische karakter van zijn overheidsinstellingen uit te bouwen, met inbegrip van de ontwikkeling van vrije media. Die inspanningen zijn een voorwaarde voor economische en sociale ontwikkeling, en dragen bij tot de opbouw van een moderne civiele samenleving.


11. De EU hecht belang aan de ontwikkeling van een civiele samenleving en een concurrentiegericht, investeringsvriendelijk ondernemingsklimaat in Oekraïne, en moedigt de inwoners en de niet-gouvernementele organisaties van de EU en Oekraïne aan de onderlinge banden aan te halen. De EU is verheugd over het feit dat Oekraïne een memorandum van overeenstemming heeft gesloten met de OVSE, en beveelt Oekraïne ten zeerste aan nauw samen te werken metOVSE-projectcoòrdinator in Oekraïne. De EU steunt de inspanningen van Oekraïne voor de bescherming en de bevordering van de rechten van minderheden, en roept Oekraïne op om zijn goede werk op dit gebied, inclusief de samenwerking met de Hoge Commissaris voor nationale minderheden, voort te zetten.



12. De EU hecht bijzonder belang aan nauwe samenwerking met Oekraïne in het kader van de Raad van Europa en de OVSE. In dat verband dringt de EU er bij Oekraïne op aan zijn verplichtingen na te komen en zijn wetgeving aan te passen om aan de normen en standaarden van de Raad van Europa te beantwoorden, met name aan de verplichtingen die Oekraïne is aangegaan bij de toetreding tot de Raad van Europa in
1995. De EU neemt nota van de bevindingen van de verkiezingswaarnemingsmissie van de OVSE/het Bureau voor democratische instellingen en mensenrechten (ODIHR) betreffende het verloop van de presidentsverkiezingen van 1999 in Oekraïne, namelijk dat bij de organisatie van die verkiezingen een aantal OVSE-verplichtingen niet zijn nagekomen, en roept Oekraïne op om de in het verslag van de OVSE-waarnemingsmissie gedane aanbevelingen voor toekomstige verkiezingen ter harte te nemen.

I.ii. Ondersteuning van het economisch overgangsproces in Oekraïne


13. De EU heeft zich ertoe verbonden de inspanningen van Oekraïne te ondersteunen bij het scheppen van een klimaat dat bevorderlijk is voor economische activiteiten, en zal de economische en sociale hervormingen van Oekraïne steunen.


14. De EU moedigt Oekraïne aan om een macro-economisch beleid te voeren dat gericht is op prijsstabiliteit, gezonde overheidsfinanciën en een stabiele stand van de lopende rekeningen. Om een stap verder te zetten naar prijsstabiliteit, is het van belang dat de centrale bank onafhankelijk van politieke inmenging kan opereren. De bedrijfseconomische voorschriften voor toezicht op de financiële sector moeten worden aangescherpt. De belastinginning behoeft verbetering, en uitzonderlijke kwijtscheldingen en belastingvrijstellingen voor specifieke sectoren van de economie moeten worden vermeden.


15. De EU moedigt Oekraïne ten zeerste aan zijn inspanningen op te voeren om een functionerende markteconomie op te bouwen door middel van grotere structurele economische en administratieve hervormingen in het kader van een alomvattend hervormingsprogramma dat is overeengekomen met het Internationaal Monetair Fonds. In dat verband moet er worden gewerkt aan de vaststelling en de oplegging van duidelijke eigendomsrechten, verdere privatisering, verdere prijsliberalisering, verhoging van de gemeentelijke tarieven voor energie, water en huren tot een volledig kostendekkend niveau, herstructurering van het bedrijfsleven en stimulering van de groei van het midden- en kleinbedrijf. Het algehele tempo van die hervormingen moet worden opgeschroefd. Wat de sectoriële hervormingen betreft, dient de aandacht in het bijzonder uit te gaan naar de landbouw-, de energie- en de vervoerssector.


16. Er moet er een proces van landhervorming op gang worden gebracht, onder meer om het pachten op lange termijn van land als onderpand voor leningen te vergemakkelijken, waardoor de weg wordt geëffend voor meer investeringen in de landbouwsector.


17. Het aantrekken en beschermen van binnen- en buitenlandse investeringen is eveneens van cruciale betekenis voor de ontwikkeling van Oekraïne. In dat verband merkt de EU op dat verhalen over corruptie en zwak bestuur schadelijk zijn voor de economische reputatie van Oekraïne. De EU zal Oekraïne steunen bij het uitstippelen en uitvoeren van het economisch beleid dat nodig is om de binnen- en buitenlandse investeringen te doen toenemen, en aan de eisen van internationale leners te voldoen.


18. Gezien de zware verplichtingen van Oekraïne in verband met de schuldendienst, zal voorhet economisch herstel van Oekraïne de permanente betrokkenheid van particuliere kredietverschaffers vereist zijn. Voor de problemen van Oekraïne in verband met de schuldendienst moeten coòperatieve oplossingen worden gevonden.



19. De EU is zich er ten volle van bewust dat de economische hervormingen van Oekraïne zich soms onder moeilijke externe condities moeten voltrekken. De EU zal in voorkomend geval overeenkomstig vastgestelde criteria en procedures macrofinanciële bijstand blijven verlenen ter ondersteuning van macro-economische stabilisatie en alomvattende structurele hervormingen die stroken met de programma's van het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank. De EU zal blijven klaarstaan om de economische hervormingen in Oekraïne in die omstandigheden te ondersteunen. Met behulp van macrofinanciële bijstand van de EU kan Oekraïne zijn economie open stellen en beter aanpassen, de concurrentie bevorderen en zijn economie verder in de Europese en de mondiale economie integreren.


20. De EU zal Oekraïne steunen via de bevordering van de geleidelijke aanpassing van de Oekraïnse wetgeving aan die van de EU, met name op gebieden als het mededingingsbeleid, normen en certificering, intellectuele-eigendomsrechten, douaneprocedures en milieu.


21. Bij de uitvoering van een programma voor de totstandbrenging van een functionerende markteconomie moet een accuraat socialezekerheidsstelsel worden opgezet, zodat de sociale aspecten van de overgang naar een markteconomie in aanmerking worden genomen.

II. Stabiliteit en veiligheid waarborgen, en het hoofd bieden aan gemeenschappelijke uitdagingen op het Europese continent

De EU en Oekraïne hebben er gemeenschappelijk belang bij de stabiliteit en veiligheid te handhaven in een vrij en democratisch Europa. Door de geopolitieke situatie van Oekraïne, langs de noord-zuid- en de oost-westas, neemt het land binnen Europa een unieke plaats in. De EU erkent het belang van Oekraïne in de regio. In dat verband stelt de EU voor de samenwerking met Oekraïne te versterken en daarbij met name aandacht te besteden aan nucleaire veiligheid en intensivering van de politieke dialoog, waarin wordt voorzien in de PSO, om die samenhangender en operationeler te maken.

De EU wenst de samenwerking met Oekraïne te intensiveren om doeltreffende antwoorden te vinden voor gemeenschappelijke uitdagingen voor het continent op de volgende gebieden:

II.i. Samenwerking ter versterking van de stabiliteit en de veiligheid in Europa


22. De EU steunt de inspanningen van Oekraïne om de samenwerking en de stabiliteit in zijn regio te bevorderen, mede in de context van de Organisatie voor Economische Samenwerking Zwarte Zee, de Raad van Oostzeestaten en de GUUAM-groep (Georgië, Oekraïne, Oezbekistan, Azerbeidzjan, Moldavië). De EU is verheugd over de positieve ontwikkeling van de betrekkingen van Oekraïne met al zijn buurlanden en is van mening dat Oekraïne er belang bij heeft dat die betrekkingen nauw en stabiel blijven. De EU neemt ook nota van de bijdrage die Oekraïne levert aan de stabiliteit in Europa door zijn rol als waarnemer in het kader van het Stabiliteitspact voor Zuid-Oost-Europa.


23. De EU en Oekraïne hebben een gemeenschappelijk belang bij het behoud van stabiliteit en veiligheid in een vrij en democratisch Europa. Er zijn versterkte overlegmechanismen tussen de EU en Oekraïne in het kader van de PSO, de Raad van Europa en de Verenigde Naties nodig, evenals intensieve samenwerking tussen de OVSE en Oekraïne, om gezamenlijk doeltreffende oplossingen te vinden voor Europese en mondiale veiligheidsproblemen.



24. De EU feliciteert Oekraïne met zijn uitverkiezing in de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties (2000/1). Dat vergroot de noodzaak voor de EU om haar politieke dialoog met Oekraïne op ambtenaren- en ministersniveau, zowel bilateraal als via EU-mechanismen, verder te verdiepen en uit te bouwen. Door de aanneming van het Europees Veiligheidshandvest zal de onderlinge samenwerking tussen de lidstaten van de OVSE worden versterkt.


25. De EU bevordert en steunt de dialoog over algemene en specifieke onderwerpen met betrekking tot crisisbeheersing en veiligheidsbevordering, zoals die de afgelopen jaren tussen de West-Europese Unie en Oekraïne tot ontwikkeling is gekomen, alsmede de intensivering van praktische samenwerking op dit gebied, met name door de uitvoering van het actieplan dat onlangs door de West-Europese Unie en Oekraïne is opgesteld.


26. De EU is tevens geïnteresseerd in versterking van de samenwerking met Oekraïne op het gebied van uitvoercontrole en non-proliferatie van massavernietigingswapens en de overbrengingsmiddelen ervan, en moedigt Oekraïne aan om zijn verplichtingen uit hoofde van het Verdrag inzake chemische wapens na te komen.


27. Voorts moedigt de EU Oekraïne aan om de doelstellingen te verwezenlijken van het Verdrag inzake het verbod van het gebruik, de aanleg van voorraden, de productie en de overdracht van anti-personeelmijnen en inzake de vernietiging van deze wapens. De EU moedigt Oekraïne ook aan om een strategie te ontwikkelen voor de bestrijding van de destabiliserende accumulatie en verspreiding van handvuurwapens en lichte wapens.

II.ii. Samenwerking op het gebied van milieu, energie en nucleaire veiligheid


28. De EU zal de stabiliteit in Europa proberen te vergroten en met Oekraïne samenwerken op het gebied van energie en nucleaire veiligheid door een alomvattende hervorming van de energiesector te ondersteunen, onder andere via permanente samenwerking met Oekraïne bij de uitvoering van het financiële herstelplan voor de energiesector, dat onder andere prijsliberalisatie, verbeterde geldinning en privatisering van de distributiebedrijven omvat. In dat verband zal de EU een efficiënt en milieuverantwoord energiegebruik in Oekraïne bevorderen, evenals de versterking van nieuwe energie-instellingen en
-autoriteiten en hun beleidsvormend vermogen.


29. Nucleaire veiligheid en de stillegging van de kerncentrale van Tsjernobyl vormen een prioriteit in de betrekkingen tussen de EU en Oekraïne. De EU moedigt de ontwikkeling aan van een onafhankelijke regelgevende instantie op nucleair gebied in Oekraïne, en dringt er bij Oekraïne op aan zich te houden aan zijn toezegging om het memorandum van overeenstemming tussen de G7 en Oekraïne van 1995 betreffende de sluiting van Tsjernobyl uit te voeren. Als tegenprestatie zal de EU Oekraïne steunen bij de financiering van vervangende energieopwekkingscapaciteit in Oekraïne.


30. De EU is ook geïnteresseerd in intensivering van de samenwerking met Oekraïne op gebieden als stralingsbescherming, afvalbeheer, ontsmetting en ontmanteling van kerninstallaties, en studies op het gebied van fusietechnologie. De onlangs tussen EURATOM en Oekraïne ondertekende samenwerkingsovereenkomsten op het gebied van nucleaire veiligheid en thermonucleaire fusie zullen de samenwerking in dezen vergemakkelijken.


31. Voorts moedigt de EU Oekraïne aan om resolute maatregelen te nemen inzake milieubescherming. De bescherming van de volksgezondheid tegen drinkwater-, lucht- en bodemverontreiniging, het duurzaam en verantwoord gebruik van natuurlijke hulpbronnen en de beperking van grensoverschrijdende lucht- en waterverontreiniging zijn prioriteiten op dit gebied.


III. Ondersteuning van versterkte samenwerking tussen de EU en Oekraïne in de context van de uitbreiding van de Unie

Na afloop van het huidige uitbreidingsproces zullen sommige toekomstige EU-lidstaten een buitengrens delen met Oekraïne. De EU wenst ertoe bij te dragen dat de Unie en Oekraïne beide profijt hebben van dat proces. In dat verband stelt de EU voor de samenwerking met Oekraïne te versterken en daarbij bijzondere aandacht te schenken aan samenwerking op het gebied van justitie en binnenlandse zaken. De EU stimuleert daarnaast de deelneming van Oekraïne aan regionale, Europese en mondiale structuren.

De EU zou op de volgende gebieden de samenwerking met Oekraïne kunnen versterken:

III.i. Ondersteuning van de integratie van Oekraïne in de Europese en de mondiale economie


32. De EU steunt Oekraïne en roept het land op zijn inspanningen te verdubbelen om aan de eisen van het WTO-lidmaatschap te voldoen. De EU moedigt Oekraïne aan om ten volle te profiteren van de door de PSO geboden mogelijkheden om de handel en investeringen over en weer te vergemakkelijken. De EU zal ook bestuderen hoe, behalve door toetreding tot de Wereldhandelsorganisatie (WTO), de nodige voorwaarden kunnen worden geschapen om in de toekomst een vrijhandelszone EU-Oekraïne tot stand te brengen, waarvan sprake is in de PSO.


33. Ter bevordering van een gunstig investeringsklimaat in Oekraïne moedigt de EU Oekraïne aan om verdere bilaterale overeenkomsten inzake de bescherming van investeringen met de EU-lidstaten te sluiten en te ratificeren, teneinde directe investeringen uit het buitenland te stimuleren. Voorts moedigt de EU de plaatselijke, regionale en nationale Oekraïnse autoriteiten aan de mogelijkheden van de nieuwe wet inzake overheidsconcessies te benutten om investeringen in de publieke infrastructuren en diensten aan te trekken.

III.ii. Samenwerking op het gebied van justitie en binnenlandse zaken


34. De EU en Oekraïne hebben een gemeenschappelijk belang bij de ontwikkeling van samenwerking ter bestrijding van illegale immigratie en mensensmokkel. De EU en Oekraïne hebben er ook een gemeenschappelijk belang bij hun samenwerking te ontwikkelen op het gebied van grensbeveiliging en de bestrijding van gemeenschappelijke bedreigingen, zoals georganiseerde criminaliteit, het witwassen van geld en illegale wapen- en drugshandel.


35. Met het oog op het huidige EU-uitbreidingsproces zal de EU een intensievere dialoog met Oekraïne proberen te voeren over de aanpassing van het Oekraïnse visumbeleid aan dat van de EU door vaststelling van visumvereisten die aan de EG-regelgeving beantwoorden, en invoering van reisdocumenten die voldoende onvervalsbaar zijn.

III.iii. Regionale en grensoverschrijdende samenwerking met de omringende landen


36. De EU moedigt de ontwikkeling en versterking aan van regionale en grensoverschrijdende samenwerkingsinitiatieven waarbij Oekraïne en zijn buurlanden betrokken zijn. In dat verband zal de EU meer nadruk leggen op onderwerpen met betrekking tot grensbeheer.



37. Wat betreft de ontwikkeling van infrastructuurnetwerken, met name op het gebied van vervoer, telecommunicatie, elektriciteit en energiepijpleidingen, besteedt de EU via TACIS speciale aandacht aan regionale initiatieven, zoals INOGATE (grensoverschrijdend olie- en gasvervoer naar Europa) en TRACECA (Transportcorridor Europa-Kaukasus-Centraal-Azië), om de economische samenwerking in de regio te verbeteren. De EU zal nagaan welke mogelijkheden er zijn voor een verbinding van de Oekraïnse vervoerssystemen (weg en spoor) met de trans-Europese netwerken, en zal streven naar een wederzijds bevredigende oplossing van vervoersproblemen. Daarbij zal in het bijzonder worden gezorgd voor nauwere coòrdinatie met andere donoren en met internationale financiële instellingen, en zal de betrokkenheid van de particuliere sector worden bevorderd, hetgeen essentieel zal zijn voor het welslagen van deze onderneming.

INSTRUMENTEN EN MIDDELEN

Algemene bepalingen


38. Deze gemeenschappelijke strategie wordt uitgevoerd volgens de toepasselijke procedures van de Verdragen. De Raad en de Commissie zien overeenkomstig de in de artikelen 3 en 13 van het Verdrag betreffende de Europese Unie omschreven verantwoordelijkheden toe op de eenheid, de samenhang en de doeltreffendheid van het optreden van de Unie ter uitvoering van deze gemeenschappelijke strategie.


39. De EU draagt bij tot de verwezenlijking van de genoemde doelstellingen van deze gemeenschappelijke strategie door gebruik te maken van alle terzake dienende instrumenten en middelen waarover de Unie, de Gemeenschap en de lidstaten beschikken.


40. Overeenkomstig de artikelen 18 en 26 van het Verdrag betreffende de Europese Unie staat de secretaris-generaal van de Raad, hoge vertegenwoordiger voor het Gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid (GBVB), de Raad en het voorzitterschap bij, in het kader van zijn verplichtingen uit hoofde van de Verdragen, bij de uitvoering van deze gemeenschappelijke strategie met betrekking tot de doelstellingen en initiatieven die onder het GBVB vallen. De Commissie zal volledig bij de werkzaamheden worden betrokken overeenkomstig de artikelen 18 en 27 van het Verdrag betreffende de Europese Unie.

De Raad, de Commissie en de lidstaten


41. De Raad, de Commissie en de lidstaten:


- evalueren overeenkomstig hun bevoegdheden en vermogens de bestaande acties, programma's, instrumenten en beleidsmaatregelen, teneinde ervoor te zorgen dat ze stroken met de onderhavige strategie, waarbij wordt uitgegaan van de voornaamste doelstellingen in deel II, en naar behoren rekening wordt gehouden met de specifieke initiatieven in deel III;


- maken volledig en passend gebruik van de bestaande instrumenten en middelen, met name de PSO, en alle terzake dienende programma's van de EU en de lidstaten, en maken daartoe een indicatieve inventaris van de middelen van de Unie, de Gemeenschap en de lidstaten op met behulp waarvan deze gemeenschappelijke strategie zal worden uitgevoerd, en houden deze inventaris bij.


Coòrdinatie


42. De lidstaten leveren extra inspanningen om hun acties ten aanzien van Oekraïne te coòrdineren, onder meer bij regionale en internationale organisaties zoals de Raad van Europa, de VN, de OVSE, de OESO en de internationale financiële instellingen; tevens wordt gezorgd voor coòrdinatie met de Gemeenschap, waar deze over bevoegdheden beschikt.


43. De coòrdinatie tussen de lidstaten en de Commissie moet ook worden geconsolideerd, onder meer via geregeld overleg tussen hun respectieve vertegenwoordigers in Oekraïne.


44. De Raad, de Commissie en de lidstaten streven naar een effectievere samenwerking met regionale en internationale organisaties, en zullen met andere gelijkgestemde landen trachten de doelstellingen van de strategie te verwezenlijken.


45. De EU zal de kandidaat-lidstaten in het door de Europese Raad van Luxemburg in december 1997 ingeluide toetredingsproces verzoeken zich bij deze gemeenschappelijke strategie aan te sluiten.

Uitvoering en herziening


46. De Raad:


- zorgt ervoor dat elk aantredend voorzitterschap in het kader van zijn algemene programma aan de Raad een werkplan voorlegt voor de uitvoering van deze gemeenschappelijke strategie, dat is gebaseerd op de voornaamste doelstellingen in deel II, en naar behoren rekening houdt met de specifieke initiatieven in deel III;


- beziet en evalueert het optreden van de EU uit hoofde van deze strategie, en brengt minstens eenmaal per jaar verslag uit aan de Europese Raad over de vorderingen met de verwezenlijking van de doelstellingen;


- houdt de situatie in Oekraïne en de stand van de samenwerking van Oekraïne bij de uitvoering van deze strategie in het oog, onder meer door middel van periodieke rapporten van de missiehoofden, en geeft in zijn verslag aan de Europese Raad een oordeel daarover;


- doet indien nodig aanbevelingen aan de Europese Raad voor wijzigingen in de delen II en III van deze strategie.



47. De Commissie zal, binnen het kader van haar bevoegdheden, een bijdrage leveren tot bovengenoemde werkzaamheden.

Samenwerking met Oekraïne


48. De EU en haar lidstaten zullen nauw met Oekraïne samenwerken om deze gemeenschappelijke strategie uit te voeren, met name via de PSO en de instellingen daarvan.

Specifieke initiatieven


49. De EU streeft de in deel III van deze gemeenschappelijke strategie genoemde gemeenschappelijke initiatieven na, die gebaseerd zijn op de in deel II geïdentificeerde hoofddoelstellingen. Deze initiatieven worden zonodig aangepast, en sluiten niet uit dat er gedurende de looptijd van deze gemeenschappelijke strategie nieuwe initiatieven kunnen worden genomen. De Raad, de Commissie en de lidstaten zullen, overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden en hoedanigheden, de verwezenlijking van deze specifieke initiatieven steunen en nastreven.

DEEL III

SPECIFIEKE INITIATIEVEN

De volgende specifieke initiatieven worden nagestreefd, zonder dat daarmee eventueel nieuwe initiatieven worden uitgesloten:

Consolidering van de democratie, de rechtsstaat en de openbare instellingen in Oekraïne


50. De EU zal zich ervoor beijveren de democratie, behoorlijk bestuur, de mensenrechten en de rechtsstaat in Oekraïne aan te moedigen door:


- Oekraïne te steunen in zijn inspanningen om zijn internationale verplichtingen inzake democratie en mensenrechten na te komen overeenkomstig de conclusies van de Europese Raad van Dublin, in het bijzonder met betrekking tot de afschaffing van de doodstraf, en de bevordering van behoorlijk bestuur, van een efficiënt en doeltreffend rechtssysteem en een democratisch lokaal bestuur, onder andere in samenwerking met de Raad van Europa en de OVSE;


- een geregelde dialoog tussen de ombudsmaninstanties van de EU-lidstaten en Oekraïne in te stellen om de rol van deze instanties in Oekraïne te versterken;


- Oekraïne aan te moedigen de relevante internationale instrumenten op het gebied van de mensenrechten te ondertekenen, te bekrachtigen en uit te voeren, met name het tweede Facultatief Protocol bij het VN-Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en het zesde Aanvullend Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, alsmede het VN-Verdrag betreffende de status van vluchtelingen;


- de samenwerking tussen journalisten en de relevante autoriteiten te versterken, om bij te dragen tot de ontwikkeling van vrije media. De Commissie zal in samenwerking met delidstaten de mogelijkheid onderzoeken om bijstand te verlenen voor de uitzending van een programma als Euronews via de Oekraïnse televisie. Er zal voor juni 2000 met de werkzaamheden worden begonnen.


Ondersteuning van het economische overgangsproces in Oekraïne


51. De EU zal Oekraïne helpen het economische hervormingsproces vooruit te helpen door het effect van economische beleidsadviezen te vergroten, onder meer via een passende dialoog op hoog niveau, in het kader van de PSO, teneinde de ontwikkeling van een moderne, liberale markteconomie te bevorderen.


52. De EU is bereid technische bijstand te verlenen ter ondersteuning van het proces van economische en sociale hervormingen van Oekraïne, mits Oekraïne maatregelen neemt om de nodige voorwaarden voor zulke hervormingen te scheppen. De EU zal de mogelijkheid onderzoeken om technische bijstand aan Oekraïne te verlenen voor:


- ondersteuning van de ontwikkeling van een transparant en stabiel wetgevings-, regelgevings- en institutioneel kader in Oekraïne om de economische bedrijvigheid aan te zwengelen en binnenlandse en buitenlandse investeringen te bevorderen. De Commissie zal in samenwerking met de lidstaten en andere bevoegde instanties voor december 2000 een verslag over dit initiatief opstellen;


- de bevordering van een geleidelijke aanpassing van de Oekraïnse wetgeving aan die van de EU en van de uitvoering daarvan, met name op het gebied van mededingingsbeleid, financiële diensten, normen en certificering, begrotingsbeleid, evenals werkgelegenheid en intellectuele eigendomsrechten. De Commissie wordt verzocht hiertoe voor juni 2000 passende voorstellen te doen;


- ondersteuning van de ontwikkeling van het stelsel van de gezondheidszorg, met name bewustwording en voorlichting op het gebied van de volksgezondheid, om de verspreiding van besmettelijke ziektes te beperken. De Commissie zal in samenwerking met de lidstaten en andere bevoegde instanties voor juni 2001 een verslag over dit initiatief opstellen.


53. De lidstaten zullen bezien hoe zij Oekraïne kunnen bijstaan in:


- de ondersteuning van de ontwikkeling van een doelgericht socialezekerheidsstelsel, met speciale aandacht voor de sociale bijstand en pensioenstelsels;


- de ondersteuning van de sociale dialoog en de aanvaarding en uitvoering van de arbeidsnormen van de Internationale Arbeidsorganisatie, met name van de zeven fundamentele arbeidsnormen. Wat de bekrachtiging en uitvoering van wetgeving op het gebied van de werkgelegenheid betreft, zal bijzondere aandacht worden besteed aan gendergelijkwaardigheid.

Samenwerking ter versterking van de stabiliteit en de veiligheid in Europa


54. De EU zal bezien hoe, in het kader van de bestaande dialoog zoals die bij de PSO is ingesteld, meer continuïteit, flexibiliteit en inhoud aan de samenwerking met Oekraïne op het gebied van de stabiliteit en veiligheid in Europa kan worden gegeven, en hoe die meer operationeel en doeltreffend kan worden gemaakt, door:


- de mogelijkheden te bestuderen om geregelde trojka-dialoogvergaderingen op het niveau van deskundigen met Oekraïne in te stellen in de marge van de GBVB-Groepen voor ontwapening, non-proliferatie en export van conventionele wapens, met als doel de eerste vergaderingen in de loop van 2000/eerste helft van 2000 te organiseren. De dialoog in die groepen zal ten doel hebben op de volgende gebieden samenwerking tussen de EU en Oekraïne tot stand te brengen: non-proliferatie van massavernietigingswapens, waaronderbegrepen chemische wapens en handvuurwapens en lichte wapens op basis van het gemeenschappelijk optreden inzake handvuurwapens en lichte wapens (1999/34/GBVB);



- de mogelijkheid te overwegen om de dialoog tussen de EU en Oekraïne te intensiveren om verantwoordelijkheid en transparantie in de overdracht van conventionele wapens te bevorderen, waarbij in voorkomend geval de EU-gedragscode ten volle gebruikt zal worden;


- de mogelijkheden te onderzoeken voor een nauwere samenwerking bij conflictpreventie en crisisbeheersing, onder andere in het kader van de desbetreffende internationale organisaties, zoals de Verenigde Naties en de OVSE, en bij het streven naar een politieke regeling voor conflicten in de regio. Periodieke vergaderingen tussen Oekraïne en de Trojka van de Groep OVSE zouden daartoe bijdragen. Een van de doelstellingen zou zijn, met Oekraïne samen te werken om op het gebied van het buitenlandse beleid gezamenlijke initiatieven te ontwikkelen voor conflictpreventie en crisisbeheersing met betrekking tot specifieke derde landen en regio's, met name in aan de Oekraïne grenzende gebieden.


55. De EU zal reeds in 2000 de volgende specifieke initiatieven nemen met betrekking tot de versterking van de veiligheid en de stabiliteit in Europa:


- zij zal overwegen om de deelneming van Oekraïne te vergemakkelijken wanneer de EU gebruik maakt van de West-Europese Unie voor opdrachten die binnen het bestek van de Petersbergtaken vallen;


- zij zal bezien hoe zij Oekraïne kan bijstaan bij het nakomen van de verplichtingen van het Verdrag inzake het verbod van het gebruik, de aanleg van voorraden, de productie en de overdracht van anti-personeelmijnen en inzake de vernietiging van deze wapens;


- zij zal bezien hoe samenwerking tussen de EU en Oekraïne op gang kan worden gebracht ter preventie van de handel in handvuurwapens, die een bron van instabiliteit voor Oekraïne en andere staten in de regio vormt. De EU zou, nadat de situatie en de behoeften in de regio zijn geïdentificeerd en geanalyseerd, een gemeenschappelijk optreden op dit gebied kunnen opstellen, teneinde:


1) de controlecapaciteit van de politie en/of de plaatselijke douanediensten te versterken;


2) deze specifieke vorm van criminaliteit aan te pakken door middel van bijzondere opleidingscursussen;


3) de uitwisseling van informatie tussen de lidstaten van de EU en Europol te bevorderen om de analyse van de criminele activiteit op het gebied van handvuurwapens te verbeteren.

Samenwerking op het gebied van milieu, energie en nucleaire veiligheid


56. De Gemeenschap is bereid de inspanningen te ondersteunen van de speciale Task Force die is opgericht om de Oekraïnse autoriteiten bij te staan in hun inspanningen om de energiesector te hervormen.


57. De steun van de Gemeenschap voor het actieplan van de G7 omvat een bijdrage aan de financiering van de kortetermijnmaatregelen ter verbetering van de veiligheid van Tsjernobyl vóór sluiting, via de door de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling beheerde rekening "nucleaire veiligheid", de ontmanteling, het opvangen van de sociale gevolgen van de sluiting, het bijdragen aan het Shelter Implementation Plan, en deelneming in de financiering van vervangende capaciteit overeenkomstig eerdere toezeggingen ter compensatie van het energieverlies van Oekraïne, mits alle nodige procedures inzake de vereiste voortvarendheid bevredigend kunnen worden afgesloten, waaronder de vaststelling van een overeengekomen standpunt betreffende de conditionaliteit van de lening en de bewoordingen van de lenings- en garantieovereenkomst en mits Oekraïne zijn toezegging nakomt om het memorandum van overeenstemming van 1995 uit te voeren.



58. De EU zal trachten Oekraïne te steunen in zijn inspanningen om de negatieve gevolgen voor de volksgezondheid van de milieusituatie in Oekraïne te beperken - met name wat betreft de kwaliteit van drinkwater, de behandeling van afvalwater, de afvalinzameling en
-verwijdering en de luchtverontreiniging. De EU zal institutionele hervormingen in de nutsbedrijven die verantwoordelijk zijn voor milieudiensten, andere technische bijstandprojecten en milieu-investeringen, ondersteunen.


59. De volgende "Milieu voor Europa"-conferentie wordt in september
2002 in Kiev gehouden en zal een gelegenheid bieden om het bewustzijn voor milieuvraagstukken in Oekraïne te vergroten. De lidstaten en de Commissie zullen de mogelijkheid overwegen om technische bijstand/steun aan het ministerie van Milieubescherming en Nucleaire Veiligheid te bieden voor de voorbereiding en planning van de conferentie.

Steun voor de integratie van Oekraïne in de Europese economie en de wereldeconomie


60. De EU blijft bereid om de inspanningen van Oekraïne verder te steunen en die steun waar nodig op te voeren opdat Oekraïne voldoet aan de eisen van het WTO-lidmaatschap. Bijzondere aandacht zal worden geschonken aan het opheffen van belemmeringen voor handel en investeringen in Oekraïne, te beginnen met de afschaffing van handelsmaatregelen die niet verenigbaar zijn met de PSO en de WTO.


61. De EU zal onderzoeken welke omstandigheden, naast het WTO-lidmaatschap, in de toekomst kunnen leiden tot de instelling van een vrijhandelszone EU-Oekraïne, als bedoeld in artikel 4 van de PSO. De lopende gezamenlijke economische uitvoerbaarheidsstudie van de vrijhandelsruimte zal belangrijke gegevens opleveren om de situatie te evalueren.


62. De Commissie zal onderzoeken hoe de investeringsdialoog met Oekraïne kan worden geïntensiveerd in het kader van het Subcomité voor handel en investeringen van de PSO, en zal voor juni 2000 verslag uitbrengen aan de Raad.

Samenwerking op het gebied van justitie en binnenlandse zaken


63. Gezien het huidige uitbreidingsproces van de EU, en rekening houdend met de positie van Oekraïne als belangrijk doorreisland voor de grensoverschrijdende stromen van een breed scala van illegale activiteiten, hebben de EU en Oekraïne er bijzonder veel belang bij de samenwerking op het gebied van justitie en binnenlandse zaken op te voeren. De EU stelt voor de inspanningen toe te spitsen op:


- de beoordeling van de omvang van de illegale immigratie via Oekraïne. De lidstaten zullen, in samenwerking met de Commissie, vóór eind 2000 een "SWOT"-analyse (analyse van de sterke punten, de zwakke punten, de kansen en de bedreigingen) van de bestaande mechanismen uitvoeren om deze problemen te bestrijden; daar waar zwakke punten worden geconstateerd, zal de EU maatregelen overwegen om die te verhelpen;


- door verbetering van de samenwerking inzake de overname van eigen onderdanen, staatlozen en onderdanen van derde landen, met inbegrip van de sluiting van een overnameovereenkomst;


- door ondersteuning van de volledige toepassing van het Verdrag van Genève, inclusief het recht om asiel te verzoeken en eerbiediging van de beginselen van non-refoulement;



- door de instelling van een regelmatige dialoog tussen de justitiële autoriteiten van de lidstaten en Oekraïne in burgerlijke en strafzaken, onder andere door Oekraïne aan te sporen om belangrijke verdragen, zoals de Overeenkomst van de Verenigde Naties ter bestrijding van grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit te ondertekenen, te ratificeren en toe te passen;


- door Oekraïne praktische hulp aan te bieden bij de toepassing van zijn wetgeving op het witwassen van geld, zodra deze van kracht wordt;


- door het opzetten van samenwerking tussen de wetshandhavingsinstanties van de lidstaten van de EU, Europol en de Oekraïnse handhavingsautoriteiten.


64. In Kiev zal een informeel netwerk worden opgezet dat bestaat uit de ambassades van de lidstaten van de EU, de Commissie en vertegenwoordigers van relevante internationale organisaties, teneinde de uitwisseling en analyse van informatie op het gebied van justitie en binnenlandse zaken te verbeteren. Door overleg in het kader van de PSO tussen de lidstaten, de Commissie, met inbegrip van de verbindingsfunctionarissen in Kiev, en de bevoegde Oekraïnse instanties zal het mogelijk zijn om een nauwkeurige analyse te maken van wat Oekraïne op dit gebied nodig heeft. Voor eind 2000 zal er een verslag aan de Raad worden voorgelegd.

Regionale en grensoverschrijdende samenwerking met nabuurlanden


65. De EU zal streven naar stimulering van de ontwikkeling en versterking van regionale en grensoverschrijdende samenwerkingsinitiatieven waarbij Oekraïne en zijn buurlanden betrokken zijn, door:


- gericht gebruik te maken van bestaande grensoverschrijdende samenwerking, regionale en bilaterale programma's. In dit verband zal bijzondere aandacht worden geschonken aan grensoverschrijdende vraagstukken, met inbegrip van de technische modernisering van de grensposten aan de grenzen van Oekraïne met Hongarije, Polen, Roemenië en Slowakije;


- verdere ontwikkeling van de Tacis-programma's die gericht zijn op verbetering van de ontwikkeling van infrastructuurnetwerken, zoals INOGATE en TRACECA teneinde de economische samenwerking in de regio te verbeteren.

Samenwerking op het gebied van cultuur, jumelage en uitwisseling


66. De EU zal nauwere banden tussen overheidsinstellingen, de civiele maatschappij en de NGO's van de Unie en van Oekraïne steunen door:


- bevordering van onderwijs- en wetenschappelijke uitwisselingsprogramma's tussen scholen, universiteiten en onderzoeksinstituten, waarbij ook naar behoren aandacht wordt besteed aan het Centrum voor wetenschap en technologie in Oekraïne;


- de bevordering van jumelageprogramma's tussen nationale, regionale en lokale overheden alsook beroepsverenigingen, vakbonden, niet-gouvernementele organisaties en de media.


De Commissie en de lidstaten zullen hun programma's coòrdineren. De Commissie zal de mogelijkheid bestuderen om communautaire programma's voor dit doel in te zetten (Tacis, Tempus en Democracy). Ook zal gebruik worden gemaakt van de bilaterale instrumenten van de lidstaten.

Aan de hand van een inventaris van de bestaande instrumenten (die moet worden opgemaakt door de Commissie samen met het secretariaat-generaal van de Raad) en een onderzoeksmissie in Oekraïne zal de Commissie de Raad vóór juni 2000 verslag uitbrengen, en vervolgens voorstellen voor eventuele actie voorleggen.

DEEL IV

Geldigheidsduur


67. Deze gemeenschappelijke strategie is van toepassing vanaf de datum van bekendmaking en geldt voor een eerste periode van vier jaar. Zij kan op aanbeveling van de Raad worden verlengd, getoetst en zo nodig aangepast door de Europese Raad.

Bekendmaking


68. Deze gemeenschappelijke strategie wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad.

Gedaan te Helsinki,

voor de Europese Raad

de Voorzitter

_______________


Verklaring van de Europese Raad

over de gemeenschappelijke strategie ten aanzien van Oekraïne

De Raad besluit met een gekwalificeerde meerderheid van stemmen, wanneer hij op basis van de gemeenschappelijke strategie gemeenschappelijke optredens, gemeenschappelijke standpunten of andere besluiten vaststelt die binnen de werkingssfeer van titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie (Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid) vallen.

Voor de aanneming van buiten de werkingssfeer van titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie vallende besluiten blijven de passende besluitvormingsprocedures van toepassing waarin door de relevante verdragsbepalingen, inclusief het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie wordt voorzien.

_______________


BIJLAGE VI

AAN DE EUROPESE RAAD VAN HELSINKI VOORGELEGDE DOCUMENTEN

? Overzichtsdocument van de Commissie inzake de uitbreiding

(12053/99)

? Verslag inzake de Europese Conferentie

(13764/99)

? Efficiënte instellingen na de uitbreiding: Opties voor de Intergouvernementele Conferentie - verslag van het voorzitterschap

(13636/99)

? Een doeltreffende Raad voor een uitgebreide Unie: richtsnoeren voor de hervorming en optionele aanbevelingen

(13863/99)

? Verslag van het voorzitterschap over de versterking van het gemeenschappelijk Europees beleid inzake veiligheid en defensie - niet-militaire crisisbeheersing van de Europese Unie

(13619/1/99 REV 1)

? Verslag van het voorzitterschap over de uitvoering van de gemeenschappelijke strategie ten aanzien van Rusland

(13860/99)

? Gemeenschappelijke strategie ten aanzien van Oekraïne

(13523/1/99 REV 1 + REV 2 (en) + 13871/99)

? Stabiliteitspact voor Zuidoost-Europa: verslag betreffende de acties van de EU ter ondersteuning van het stabiliteitspact voor Zuidoost-Europa

(13814/99)

? Verslag van het voorzitterschap "versterking van het optreden van de Europese Unie op het gebied van de mensenrechten"

(13557/99)

? Verslag van de Raad (ECOFIN) over de coòrdinatie van het economisch beleid: herziening van het instrumentarium en ervaring met fase 3 van de EMU

(13123/1/99 REV 1)

? Verslag van de Raad (ECOFIN) over versterkte samenwerking inzake het belastingbeleid

(13140/1/99 REV 1)

? Verslag van de Raad (ECOFIN) over de fraudebestrijding

(13329/1/99 REV 1)

? Gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid

(13607/99 + ADD 1)

? Verslag van de Raad over de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid voor 2000

(13606/99)

? Aanbeveling van de Commissie voor aanbevelingen van de Raad inzake de tenuitvoerlegging van het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten

(10994/99)


? Aanbevelingen van de Raad inzake de uitvoering van het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten

(13608/99)

? Mededeling van de Commissie "Voorstel voor richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten voor 2000"

(10992/99)

? Verslag van de Raad van Helsinki over de strategie voor de integratie van milieuaspecten en duurzame ontwikkeling in het energiebeleid

(13773/99)

? Verslag van de Raad over vervoer en milieu

(11717/99)

? Verslag van de Raad Interne Markt aan de Europese Raad van Helsinki over de integratie van milieubescherming en duurzame ontwikkeling in het internemarktbeleid

(13622/99)

? Verslag van de Raad over de integratie van duurzame ontwikkeling in het industriebeleid van de Europese Unie

(13549/1/99 REV 1)

? Verslag van de Raad Strategie voor de integratie van milieuoverwegingen en duurzame ontwikkeling in het gemeenschappelijk landbouwbeleid, als bepaald door de Raad Landbouw

(13078/99)

? Integratie van het milieu in het ontwikkelingsbeleid van de Gemeenschap

(13644/99)

? Verslag van de Commissie over de integratie van milieuoverwegingen en duurzame ontwikkeling in het beleid van de Gemeenschap

(13572/99)

? Gecoòrdineerd verslag van de Commissie betreffende milieu-indicatoren

(13573/99)

? Mededeling van de Commissie over de algemene beoordeling van het
5e milieuprogramma

(13598/99)

? Verslag van de Commissie aan de Europese Raad: "De wetgeving verbeteren, 1999", inclusief subsidiariteit"

(13725/99)

? Verslag over de voltooiing en evaluatie van het actieplan ter bestrijding van de georganiseerde criminaliteit

(9917/3/99 REV 3 + REV 4 (s))

? Actieplan van de Europese Unie voor een gemeenschappelijk optreden ten aanzien van de Russische federatie ter bestrijding van de georganiseerde criminaliteit - Basisbeginselen

(13009/1/99 REV 1)

? Drugsstrategie van de Europese Unie (2000-2004)

(12555/3/99 REV 3)

? Verslag van de Commissie betreffende het behoud van de bestaande sportstructuren en de handhaving van de sociale functie van sport in de Gemeenschap


reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie