Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Verslag overleg evaluatie opsporingsmethoden

Datum nieuwsfeit: 15-12-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal


26269000.023 vao over evaluatie opsporingsmethoden
Gemaakt: 24-12-1999 tijd: 11:58


26269 Uitvoering aanbevelingen enquetecommissie opsporingsmethoden

nr. 23 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 15 december 1999

De vaste commissies voor Justitie<1> en voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties<2> hebben op 10 november 1999 overleg gevoerd met minister Korthals van Justitie en minister Peper van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over:


- het rapport van de tijdelijke commissie evaluatie opsporingsmethoden, met uitzondering van hoofdstuk 5 (26269, nrs. 4 en
5);


- de brief van de ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 31 augustus 1999 met het kabinetsstandpunt inzake het rapport "Opsporing in Uitvoering" van de tijdelijke commissie evaluatie opsporingsmethoden (26269, nr. 14);

de antwoorden op vragen van de vaste commissies voor Justitie en voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties inzake het rapport van de tijdelijke commissie evaluatie opsporingsmethodes (26269, nr. 15).

Van dit overleg brengen de commissies bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissies

De heer Van Oven (PvdA) had begrepen dat het kabinet een aantal aanbevelingen van de TCEO (tijdelijke commissie evaluatie opsporingsmethoden) heeft overgenomen, enkele zonder erg veel commentaar en sommige met verwijzing naar implementatie- en evaluatietrajecten en richtlijnen, waardoor er zijns inziens een integraal overzicht ontbreekt van hetgeen de Kamer nog mag verwachten. Hij zou zo'n overzicht op prijs stellen om te kunnen vaststellen hoe het met de uitvoering staat.

Inzake de afbakening van de begrippen "infiltrant" en "informant" stelt de commissie dat van een informant bepaalde hand- en spandiensten moeten kunnen worden gevraagd die hem vervolgens niet aangerekend zouden mogen worden, hetgeen moet worden vastgelegd in de overeenkomst die volgens de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden (Wet BOB) met iedere informant dient te worden gesloten. Echter, in de praktijk zal het snel gebeuren dat informanten door hun criminele "medespelers" wier gedrag zij geacht worden na te gaan, worden geacht ook strafbare feiten te plegen. De minister erkent dat en zegt daarbij dat de informanten daarvoor geen vrijwaring mogen verwachten. De heer Van Oven vroeg zich af of dat nu wel zo'n realistische opstelling is, al erkent hij dat dit niet alleen van de betrokken officier van Justitie zal afhangen, maar ook van het gepleegde strafbare feit. Hij vond het vreemd dat de informant in dat geval volgens de minister als medeverdachte zal worden aangemerkt, terwijl de commissie dat nu juist wilde voorkomen, onder andere door het beter regelen en omschrijven van die hand- en spandiensten. De minister stelt voor om een en ander in een richtlijn te regelen, maar kan hij iets meer zeggen over de wijze waarop hij denkt aan dat probleem tegemoet te komen?

Volgens de TCEO is pseudo-koop moeilijk van infiltratie te onderscheiden en roept die het probleem op van de "oneigenlijke keuze". Zij stelt daarom voor, de regeling voor infiltratie ook te laten gelden voor pseudo-koop en -dienstverlening. Volgens de minister is daarvoor wetswijziging noodzakelijk, maar is wijziging van het CTC-instellingsbesluit (centrale toetsingscommissie) en de CTC-regeling niet voldoende?

Inzake het doorlaten doet de commissie de verstrekkende aanbeveling van een richtlijn, maar ook die kan weer multi-interpretabele begrippen bevatten. De minister denkt dat de in de wet voorziene uitgebreide toetsing vooraf, met inbegrip van beoordeling door het college van PG's en de minister van Justitie. al voldoende moet zijn. Vraagpunt daarbij is of de leden van het college van PG's gedurende 24 uur in een piketdienst bereikbaar moeten zijn. Als daartegen bezwaar zou zijn, is dat dan geen praktisch bezwaar en wordt dat toch niet meer uitgegaan van de uitzonderingssituatie, zoals oorspronkelijk was bedoeld?

De TCEO beveelt in aanbeveling 28 een fundamentele bezinning aan op de organisatie van landelijke en bovenregionale opsporing. Voor zover de heer Van Oven begreep werd daarmee niet gedoeld op een discussie over het bestel op zich, maar wel op de criteria op grond waarvan opsporingsorganisaties taken kunnen worden toebedeeld en er een betere afstemming kan plaatsvinden. Het kabinet wijst dat in feite af met de verwijzing naar de grote hoeveelheid trajecten die al bezig zijn. Maar, was de constatering van de commissie niet dat met name de verdeling van taken over de verschillende opsporingsorganisaties niet altijd even duidelijk is? De heer Van Oven verzocht dan ook een integrale visie op de door de TCEO geconstateerde knelpunten.

Hij wees voorts op de brief van de minister van Justitie d.d. 4 november jl. over sturing en sturingsmogelijkheden van de informatiehuishuishouding en het AO over het rapport van de ARK. Met die brief is volgens zijn fractie hierover zeker nog niet het laatste woord gesproken, want ook daarin staat geen totaalvisie. Zij dringt derhalve met de TCEO aan op een onderzoek, zoals gevraagd in aanbeveling 39.

De internationale samenwerking heeft volgens de TCEO ook niet geweldig veel aandacht gekregen, terwijl er op dat punt toch sprake is van enkele forse problemen. Zo is de vraag welk regime er nu geldt voor buitenlandse ambtenaren die op Nederlands territoir werkzaam zijn en omgekeerd. Het kabinetsstandpunt wekt de indruk dat in die gevallen de internationale verdragen gelden plus de Nederlandse wetgeving. Dat zou inhouden dat buitenlandse opsporingsambtenaren zich in Nederland aan de Nederlandse regels moeten houden en Nederlandse opsporingsambtenaren in het buitenland tenminste aan de Nederlandse regels. Naar de mening van de heer Van Oven was dat een combinatie van een territorialiteits- en een personaliteitsbeginsel, die consequent doorgevoerd -- dus als allen landen zich daaraan zouden houden -- tot onmogelijke situaties zou kunnen leiden en zou er van rechtshulp niet veel terechtkomen, tenzij ervan wordt uitgegaan dat de Nederlandse regelgeving altijd strenger is dan die in het buitenland. Echter, dat levert uiteindelijk toch geen behoorlijk resultaat op, want ook in het internationale rechtshulpverkeer zal reciprociteit een vereiste zijn. Bovendien heeft de TCEO geconstateerd dat nogal wat internationale verplichtingen in de praktijk als obstakels worden ervaren en dat er problemen zijn met de prioriteitstelling in het kader van rechtshulponderzoeken. Ook wees de heer Van Oven op de meer recente ontwikkelingen als gevolg van het Verdrag van Amsterdam en het actieplan van Wenen van de EU, waarin wordt aangedrongen op een studie naar mogelijk gemeenschappelijke opsporingsmethoden waaruit ook nog de nodige consequenties kunnen voortvloeien. Bovendien heeft Nederland nog een rechtsvergelijkend onderzoek aangekondigd. Wanneer mogen de resultaten daarvan worden verwacht? De PvdA-fractie zag graag een alomvattende notitie over de internationale samenwerking op opsporingsgebied.

De minister toont enig begrip voor de bezwaren van de TCEO voor de nogal kwetsbare dubbelfunctie van CID-officier en zaaksofficier, maar wil die vooralsnog niet onmogelijk maken met het argument dat intercollegiale toetsing voldoende waarborgen biedt. Kan hij dat nader adstrueren en waaruit zou die intercollegiale toetsing van één persoon dan moeten bestaan?

Ten slotte wees de heer Van Oven op aanbeveling 54 inzake een meer actieve houding van het college van PG's inzake normering in de organisatie van de opsporingsmethoden. Hij memoreerde de teleurstellende conclusie van de TCEO dat het college van PG's te weinig had gedaan om de implementatie van de genomen maatregelen te volgen. Kan de minister aangegeven op welke wijze het college van PG's daarin verbetering heeft aangebracht dan wel zal aanbrengen?

Volgens de heer Nicolaï (VVD) was het veranderingsproces nog lang niet afgerond en was op een groot aantal punten nog verbetering noodzakelijk, c.q. wenselijk. De TCEO heeft een groot aantal aanbevelingen gedaan en de wijze waarop het kabinet daarop heeft gereageerd, stemde zijn fractie tot tevredenheid. Een groot aantal aanbevelingen is (grotendeels) overgenomen of in procedure gezet, maar waar mogelijk zou dat in reguliere processen een plaats moeten vinden, bijvoorbeeld het implementatietraject van de Wet BOB. Bij de voortgangsrapportages kan dan worden bezien in hoeverre de aanbevelingen zijn dan wel worden geïmplementeerd.

Hij hechtte eraan op te merken dat niet alleen aandacht moet worden besteed aan het feit dat er bij opsporingsactiviteiten over de schreef wordt gegaan, maar ook dat ervoor moet worden gezorgd dat men daarbij niet minder doet dan mag. Het gaat immers om ernstige vormen van criminaliteit en dat is wellicht even onwenselijk als meer doen dan mag. Hoe kijkt het kabinet in dit licht gezien tegen het geheel van maatregelen aan en hoe interpreteert het signalen die in ieder geval de VVD-fractie opvangt dat bij politie en justitie de grens eerder naar beneden wordt bijgesteld omdat men bang is iets te doen dat als "over de schreef" beschouwd zou kunnen worden?

Was overigens de indruk juist dat het kabinet het waar het kan verdergaande verfijning van de opsporingsregels minder in normering maar eerder in verantwoording zoekt, opdat het mogelijk is later de gang van het proces te achterhalen en de al dan niet rechtmatigheid ervan te beoordelen? Heeft ook het kabinet niet de indruk dat er nog manco's zijn in de scholing waardoor politie en justitie lang niet altijd gebruik maken van de ruimte die de huidige regelgeving al biedt?

Uit de stukken werd het de heer Nicolaï nog steeds niet duidelijk hoe de financiële kant van het expertisecentrum wordt geregeld. Zijn fractie hechtte er zeer aan dat een dergelijk centrum vanuit de praktijk werd gevoed. Overigens leek hem zo'n instituut heel geschikt om aan te duiden hoe binnen de regels toch heel creatief te werk kan worden gegaan.

Ziet de minister het verschil tussen een informant en infiltrant inderdaad zodanig dat een informant zich ingeval van strafbare daden, afgezien van de hand- en spandiensten, in principe niet kan verschuilen achter toestemming van politie en justitie en, zo ja, is dat dan hetzelfde verschil als de TCEO ziet, het dus wel of niet onder regie van politie en justitie opereren?

De TCEO stelt voor om hand- en spandiensten voor informanten wel mogelijk te maken. De reactie van de regering was nogal afhoudend. De heer Nicolaï betreurde dat, want hij had inmiddels signalen gekregen dat men dat in de praktijk daarom maar achterwege laat. Zou daar toch niet meer ruimte voor moeten worden geboden?

Waarom denkt het kabinet overigens dat het aangemerkt worden als infiltrant onder de Wet BOB minder snel mogelijk zal zijn?

Een keerzijde van het beter en verfijnder regelen kan een toenemende bureaucratisering zijn. Leiden al deze voorstellen in de ogen van de minister inderdaad daartoe? Hoe heeft hij dat aspect gewogen in de afweging van alle aanbevelingen?

De VVD-fractie onderschreef de opvatting van het kabinet dat het niet wenselijk is om op grond van de aanbevelingen van de TCEO het politiebestel weer ter discussie te stellen.

Wat haar betreft, zou de CID zich met name moeten richten op het verzamelen van informatie op grond van de informatiebehoefte van de recherche, dus hoofdzakelijk dienstverlenend. Het was de heer Nicolaï in dat licht bezien niet helemaal duidelijk hoe de minister de aansluiting op die behoefte beter wil regelen.

Met de heer Van Oven vroeg hij specifieke aandacht voor de internationale aspecten van de zware criminaliteitsbestrijding. De TCEO is op dat punt zeer beperkt gebleven, maar de reactie van de minister daarop eveneens. Hij betreurde dat zeer, want met name de zware criminaliteit is toch internationaal georganiseerd. Er bestaat grote onduidelijkheid over de toelaatbaarheid van buitenlandse opsporingsambtenaren tot Nederland bij de uitoefening van hun functie. Ook heeft hij begrepen dat informatie vaak moet worden doorgeschoven naar buitenlandse diensten. Zijn de regels in Nederland inderdaad strenger dan in het buitenland? Als de regels niet goed aansluiten, strenger of anders zijn, kan dat behoorlijke consequenties hebben voor een goede informatie-uitwisseling van de diensten in de verschillende landen. Hij sloot zich daarom van harte aan bij het verzoek van de heer Van Oven om een notitie hierover.

De heer Van de Camp (CDA) las in de slotbeschouwing van de reactie van de minister van Justitie dat 21 van de 63 aanbevelingen van de commissie-Kalsbeek worden meegenomen in het implementatietraject van de Wet BOB. Wat dit betreft, vond hij de start wel goed. Enkele andere aanbevelingen worden nog volmondiger door de minister overgenomen, zij het dat niet altijd wordt aangegeven op welke wijze. Ten aanzien van
32 aanbevelingen wilde hij daarover meer duidelijkheid verkrijgen.

In de reactie van de minister wordt melding gemaakt van een stuurgroep met maar liefst 9 werkgroepen, waaronder de werkgroep verfijning begrippenkader. Is dat nu de "rechtsopvolger" van de commissie-Van de Beek?

De CDA-fractie was zeer gecharmeerd van aanbeveling 3 inzake verlenging van de termijnen. De minister was echter wat terughoudender en in een recente brief van de Orde van advocaten werd daar ook al voor gewaarschuwd. Toch vroeg de heer Van de Camp zich af, of er geen onnodige bureaucratie ontstaat en of niet scherper moet worden aangeduid wat wel en wat niet moet?

Wat aanbeveling 5 betreft, bleef het hem onduidelijk wie uiteindelijk verantwoordelijk is voor jurisprudentie; het college van PG's of het expertisecentrum?

Hoe staat het overigens met het onderzoek naar de relatieve competentie en de wijziging die de CTEO in aanbeveling 8 voorstelt?

Hij stemde in met de reactie van de minister op aanbeveling 7 over de notificatieplicht, maar vroeg zich af, hoe die nu tot aan de evaluatie wordt opgepakt.

Aanbeveling 11 betreft de technische voorzieningen voor tappen van Internet en de incallregistratie van via buitenlandse providers bellende Nederlanders. De minister wijdt daar in zijn reactie enkele diepgravende beschouwingen aan, maar realisatie daarvan blijkt nogal wat tijd te vergen. Kan hij voor februari 2000 aangeven hoe hij deze aanbeveling denkt op te volgen?

Aanbeveling 12 gaat over het onderscheid tussen informant en infiltrant. Draait de minister in zijn reactie de toch wat ruimere interpretatie van de commissie-Kalsbeek niet de nek om, zeker door de informant die een strafbaar feit pleegt meteen als verdachte te kwalificeren? Voorts vroeg de heer Van de Camp zich af, of het sneller aanmerken van een informant die geen hand- en spandiensten mag verrichten (zie aanbeveling 14), in het kader van de opsporing wel zo'n verstandige ontwikkeling is.

Hoe staat het met de in aanbeveling 17 bepleite standaardovereenkomst tussen de informant en de opsporingsinstanties?

De TCEO acht een nadere studie geboden naar de vraag hoe geheimhouders moeten omgaan met criminele informatie, aanbeveling 18. Uit de reactie van de minister had de heer Van de Camp niet de indruk overgehouden dat hij deze aanbeveling overneemt.

Hij ondersteunde de minister in zijn reactie op aanbeveling 20 over het onderscheid tussen de infiltrant en de pseudo-koper.

In aanbeveling 21 wordt gepleit voor meer duidelijkheid op korte termijn over het verbod op doorlaten. Ook de CDA-fractie zou graag meer duidelijkheid verkrijgen over de plaatsbepaling daarvan in titel Va. De commissie suggereert namelijk ook die titel onder dat verbod te laten vallen, terwijl volgens de minister een richtlijn voldoet. Voorts zou zij graag geïnformeerd willen worden over de periode waarin niet tot in beslagname wordt overgegaan. Ten slotte herhaalde de heer Van de Camp nog eens dat zijn fractie geen behoefte heeft aan een
24-uurs piketdienst.

Wat is de reactie van de minister van BZK op de aanbevelingen 26 en
62? Hebben de onderhandelingen met het LSOP ertoe geleid dat kan worden voldaan aan de opleidingsbehoefte die de BOB met zich brengt?

De aanbevelingen 27, 28, 37 en 39 gaan over de (de)centrale recherche. Naar de mening van de heer Camp zit er nog al een verschil tussen het beginnen van een besteldiscussie, waaraan hij overigens geen behoefte heeft, en een adequate uiteenzetting van het verloop van de centrale resp. decentrale samenwerking. Zijns inziens gaat de minister wat al te gemakkelijk langs deze aanbevelingen heen. Hoe denkt hij deze aanbevelingen op te pakken?

De heer Van de Camp sloot zich vervolgens aan bij de opmerkingen van de heer Van Oven over aanbeveling 26 inzake de regels met betrekking tot de buitenlandse opsporingsorganisaties.

Uit een oogpunt van zuiverheid van opsporing vroeg hij zich voorts af, waarom de minister zo terughoudend reageert op aanbeveling 53 over het scheiden van de functies van CID- en zaaksofficier.

Is wat betreft aanbeveling 59 over het horen van de rechtmatigheidsgetuige inderdaad wetgeving noodzakelijk, of kan worden volstaan met een richtlijn?

Over aanbeveling 60 inzake de wettelijke basis voor de coördinerend rechter-commissaris zal de minister advies vragen aan de zittende magistratuur en het OM. Wanneer kan dat advies worden verwacht? Wat is overigens de opvatting van de minister over deze aanbeveling?

Volgens mevrouw Scheltema-de Nie (D66) was het veranderingsproces nog lang niet afgelopen maar was er inmiddels wel veel gebeurd. De Wet bijzondere opsporingsmethoden en de Wet politieregisters zullen per 1 februari a.s. in werking treden, maar voordat het zover is, er nog een aantal lastige vragen moeten worden beantwoord. Is pseudo-koop wel of niet infiltratie? Wat is precies het onderscheid tussen informant en infiltrant? Wat is de exacte betekenis van het verrichten van hand- en spandiensten? Op die punten was haar nog veel onduidelijk en zij vroeg zich af, of het wel mogelijk zal zijn die duidelijkheid tijdens het implementatietraject van de Wet BOB te verschaffen. Waarom werken aan en in dat implementatietraject overigens een stuurgroep, een projectgroep en negen werkgroepen? Hoe zit het met de afstemming?

Wat het expertisecentrum betreft, was ook haar nog onduidelijk waar nu precies de verantwoordelijkheden liggen voor met name de bundeling van de jurisprudentie.

Vermindering van de bureaucratie moet altijd worden nagestreefd. De TCEO had de idee dat de verlenging van de opsporingsbevoegdheden wel wat soberder zou kunnen. De minister heeft niet overtuigend beargumenteerd dat dit niet het geval is, inderdaad in tegenstelling tot de opvatting van de Orde van advocaten.

De notificatieplicht zal worden geëvalueerd, aanbeveling 7. Notificatie is van buitengewoon groot belang voor transparantie in de opsporing, maar er zijn uiteraard ook grenzen. Zo moet je tactische informatie bijvoorbeeld nooit prijsgeven. Maar hoe duidelijk zijn nu die grenzen? Art. 13 EVRM blijft wat dat betreft toch onduidelijk.

Aanbeveling 12 gaat over het onderscheid tussen informant en infiltrant en het verlenen van hand- en spandiensten. De grens zou volgens de commissie liggen bij het al dan niet begaan van strafbare feiten onder aansturing, maar is het juist, zoals de Orde van advocaten suggereert dat iedere informant in de praktijk toch een strafbaar feit begaat en dat dat dus een moeilijk onderscheidend criterium is?

Aanbeveling 18 stelt de vraag hoe geheimhouders, verplegend personeel, artsen, advocaten, om moeten gaan met criminele informatie. Aangezien daarbij hun veiligheid in het geding kan zijn, bepleitte mevrouw Scheltema met de TCEO een nadere studie daarnaar.

Op aanbeveling 19, deals met criminelen, zal inderdaad nog bij de BOB worden teruggekomen. Mede gelet op de antwoorden op de vragen van de heer Van Oven en mevrouw Halsema vroeg mevrouw Scheltema zich af, of het inderdaad juist is dat enkel en alleen het feit dat strafvermindering wordt overeengekomen maatgevend is voor het antwoord op de vraag of het nu om een predeal of een deal gaat.

De TCEO stelt voor pseudo-koop gelijk te trekken met infiltratie, de minister niet, de TCEO acht daarvoor wetswijziging noodzakelijk, de minister acht aanpassing van de richtlijn voldoende, maar mevrouw Scheltema was vooralsnog niet overtuigd van het gelijk van de minister.

Zij kon zich vooralsnog vinden in de huidige richtlijn die stelt dat acuut levensgevaar van de politiële infiltrant reden kan zijn voor doorlating. Ook had zij met voorgaande sprekers behoefte aan iets dergelijks als een 24-uurs piketdienst. Voorkomen moet toch worden dat in spoedeisende gevallen alleen de schriftelijke weg kan worden begaan? Wordt dit nog heroverwogen tijdens het implementatietraject?

Aanbeveling 23 gaat over de verhouding tussen het wetsvoorstel BOB en het wetsvoorstel inlichtingen en veiligheidsdiensten. De minister erkent dat onderscheid dat de criminele burgerinfiltrant in het kader van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten wel kan worden gebruikt, maar niet in het kader van bijzondere opsporingsmethoden. Voorts wijst hij op "andere frappante verschillen", maar welke zijn dat dan precies?

Aanbeveling 38 gaat over het landelijke rechercheteam en het financieel rechercheren. Deelt de minister de idee van de TCEO dat het financieel rechercheren een van de hoofdtaken van het LRT moet worden? Hoe zal dat worden bewerkstelligd en hoe is dan de relatie met de overige financiële opsporingsdiensten, zoals de FIOD en de ECD? Wordt immers niet overwogen deze bij het KLPD onder te brengen?

De TCEO constateerde in het kader van de buitenlandse opsporingsinstanties in aanbeveling 46 een "black box". Met voorgaande sprekers had mevrouw Scheltema behoefte aan meer zicht op het optreden van buitenlandse opsporingsambtenaren in Nederland, op het optreden van Nederlandse opsporingsambtenaren in het buitenland en daarnaast op de immuniteit van opsporingsambtenaren van internationale organisaties. Ook zij zag daarover dus graag een nadere notitie tegemoet.

Wat betreft aanbeveling 59 over de rechtmatigheidsgetuige, zegt de minister nadere regelgeving toe, maar wat vindt hij dan van de opvatting van de Orde van advocaten dat het aan de rechter moet worden overgelaten of zo'n getuige al dan niet ter zitting moet verschijnen?

Het beheer van de CID-registers (aanbeveling 65) moet volgens de TCEO naar de hoofdofficier van Justitie die er immers veel meer mee te maken heeft dan de korpsbeheerder. Volgens mevrouw Scheltema zou dat niet alleen in strijd zijn met de Wet politieregisters, maar zij vroeg zich ook af hoe zich dat verhoudt met het beheer van de politie in het algemeen. In beginsel vindt de fractie van D66 dat het beheer bij de korpsbeheerder moet blijven.

Mevrouw Halsema (GroenLinks) betreurde het dat bij de verschijning van het rapport alle aandacht is uitgegaan naar de bijzondere bevindingen en daardoor veel minder naar de algemene bevindingen van de TCEO, want het beeld van die algemene bevindingen was gelukkig veel positiever dan het beruchte hoofdstuk 5.

Het betreurde haar eveneens dat het kabinet voor de meeste aanbevelingen heeft gekozen voor procedureoplossingen. Zo'n 21 aanbevelingen worden meegenomen in het implementatietraject van de Wet BOB, maar houdt dat nu een overname van de aanbevelingen in of niet? Ook wordt verwezen naar de vele verbetertrajecten, maar wat die precies inhouden, is ook niet echt duidelijk geworden.

De aanbevelingen waren haars inziens onder te verdelen in drie onderdelen; normering, organisatie en toezicht. Wat de normering betreft, ging zij allereerst in op aanbeveling 12, de ruimte voor een informant voor hand- en spandiensten. Hoewel het voorstelbaar is een informant in de praktijk geen strafbare feiten te laten plegen, is het de vraag of met de uitbreiding met hand- en spandiensten de afbakening met infiltratie nog wel duidelijk blijft. Om dat te waarborgen, is het van belang dat die hand- en spandiensten in een overeenkomst uitputtend worden opgesomd. Het was haar niet duidelijk of de minister die laatste aanbeveling overneemt. Zo'n overeenkomst leek haar des temeer van belang omdat een informant doorgaans uit het criminele circuit afkomstig is. Op basis van zo'n overeenkomst zal dan duidelijk zijn wat wel of niet onder regie van politie en Justitie is gepleegd. Zij kon zich wel vinden in het onderscheidend criterium van wel of niet onder regie van Justitie en politie en ging er dan ook van uit dat de instructies aan de informant een fundamenteel ander karakter hebben dan die aan de infiltrant.

Aanbeveling 20 slaat op pseudo-koop als vorm van infiltratie. Volgens de minister hoeft deze definitie niet te worden aangepast in de wet, maar zegt hij dat niet omdat hij er niet zo'n behoefte aan heeft om opnieuw de wet te moeten aanpassen? Volgens mevrouw Halsema had dit argument de keerzijde dat er onduidelijkheid ontstaat die nu juist vermeden moet worden. De wet moet klaarheid verschaffen over alle normen en begrippen. Alle partijen moeten daar blind op kunnen varen.

Wat betreft het doorlaten, achtte zij het bekend dat haar fractie dat altijd al principieel heeft afgewezen. Een richtlijn voor de uitwerking van de uitzondering van doorlating van groot belang. Dat de minister niet de noodzaak van een spoedprocedure ziet omdat het verbod restrictief moet worden toegepast, kon mevrouw Halsema zich wel voorstellen, maar zij vond het dan wel vreemd dat de minister ook stelt dat de huidige toestemmingsprocedure snelle besluitvorming niet in de weg staat. Als er bijvoorbeeld binnen één uur en buiten kantoortijd moet worden gehandeld, zouden formele wegen niet kunnen worden bewandeld en zou de minister ook de consequentie moeten aanvaarden dat er in beslag wordt genomen.

In aanbeveling 28 inzake de organisatie van de opsporing stelt de TCEO een fundamentele herbezinning noodzakelijk te vinden op de landelijke en bovenregionale opsporing, de positie van de KMAR, de KLPD, LRT, kernteams, landelijk parket, etc. De minister geeft daarop een tweeledige reactie. In de eerste plaats stelt hij dat de concentratie van beheer van de KLPD bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties eigenlijk al voldoende waarborg zou moeten bieden. Dat antwoord verbaasde mevrouw Halsema enigszins, omdat toen verleden week plenair over de overdracht van de KLPD werd gesproken is gezegd dat dit voornamelijk een technische aangelegenheid is en dat de overdracht op zichzelf en de concentratie van het beheer bij het ministerie van Binnenlandse Zaken Koninkrijksrelaties onvoldoende kwalitatieve waarborgen boden voor verbetering van de werkwijze en de organisatie. Als de bewindslieden een fundamentele herbezinning niet nodig vinden, waarom zijn zij dan wel bereid om tegemoet te komen aan het verzoek van de Kamer en de TCEO om nog eens na te denken over de positie van de landelijke en bovenregionale opsporing? In de tweede plaats stelt de minister dat er verbetertrajecten in gang worden gezet. Wat wordt daarmee precies bedoeld?

Over de positie van de CID's is in het debat over het rapport van de commissie-Kalsbeek al uitvoerig aandacht besteed. Mevrouw Halsema was er nog steeds nieuwsgierig naar wat destijds precies de reden was van de voorzitter van de Raad van advies om opheffing van die raad te vragen, nadat deze eigenlijk al jaren niet meer functioneerde. Inmiddels blijkt dat de minister de raad een- of tweemaal om advies te hebben gevraagd. Gaat de raad nu dan wel daadwerkelijk functioneren?

In het plenaire debat over het rapport heeft GroenLinks gesteld dat de commissie nogal hard was in haar oordeel over het functioneren van de kernteams -- dat zij slechts incidenteel en minimaal samenwerken -- en dat zij het jammer vond dat daarover toch geen aanbeveling is gedaan. Is de nu door de minister voorgestelde regeling voldoende om de noodzakelijke verbindingen te kunnen leggen tussen de kernteams opdat zij beter en meer dan incidenteel gaan samenwerken?

In het interregnum bleek er onduidelijkheid over de richtlijnen en waren er ook nogal eens meningsverschillen, zeker niet alleen over onbelangrijke punten. Voor mevrouw Halsema was het nog steeds onduidelijk of er extra maatregelen zijn genomen om tot een betere werkverdeling te komen en heldere besluitvorming over het al dan niet inzetten van bijzondere opsporingsmethoden. Wat dat betreft vond zij de reactie van de regering op de aanbevelingen 54 en 62 nogal mager.

Verleden jaar heeft de GroenLinksfractie bij de behandeling van de Justitiebegroting een motie ingediend waarin werd gevraagd om buitenlandse opsporingsambtenaren die actief zijn op Nederland grondgebied te kunnen verplichten als getuige voor de rechter te verschijnen. Is die verplichting inmiddels als voorwaarde opgenomen bij grensoverschrijdende opsporing? Mevrouw Halsema zag graag een onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek naar het functioneren van buitenlandse opsporingsdiensten en hun ambtenaren op Nederland grondgebied.

Volgens de heer Van der Staaij (SGP) is het risico van uitvoering van de aanbevelingen in al lopende projecten dat het nogal fragmentarisch gebeurt, terwijl het toch zo goed is om een en ander in samenhang te bezien met de ontwikkeling van normering, opsporing en gezagsuitoefening. De regering stelt weliswaar dat gewaakt moet worden voor fragmentarische uitvoering, maar hoe denkt de minister de samenhang dan te kunnen bewaken?

Hij waardeerde het positief dat de minister werk wil maken van een expertisecentrum voor de ontwikkeling van opsporingsmethoden en de inbedding van nieuwe opsporingsmethoden in de praktijk, maar het leek hem daarbij wel van belang dat daadwerkelijk wordt gesnoeid in het woud van commissies, stuurgroepen, platforms enz. Innovatieve ontwikkelingen, zoals financieel en digitaal rechercheren, moeten nu eens echt een krachtige impuls krijgen. Wat zijn de ambities van de minister op dat punt? Opleiding en kennis zijn in dat verband ook van groot belang. Het expertisecentrum kan daarbij een nuttige functie vervullen, maar deelt de minister ook de opvatting van de commissie-Kalsbeek dat toename van middelen en personeel dan ook noodzakelijk is?

Aanbeveling 11 gaat over technische ontwikkelingen waardoor de politie soms op problemen stuit bij het tappen van telecommunicatie. De TCEO dringt aan op voorzieningen om die problemen het hoofd te kunnen bieden. De regering antwoordt ietwat vrijblijvend dat de politie voorstellen ontwikkelt om dat knelpunt op te lossen en dat de minister vervolgens zal bezien in hoeverre haar voorstellen kunnen worden gerealiseerd. Kan daarover iets meer worden meegedeeld? Hetzelfde geldt overigens voor aanbeveling 10.

Op het punt van de normering waren er voor de heer Van der Staaij nog wel enkele onduidelijkheden. De regering onderschrijft aanbeveling 8 om te komen tot een meer eenduidige uitwerking van de normering van het begrip "stelselmatig" bij de observatiebevoegdheid en zegt dat er een richtlijn komt, maar zal die ook meer duidelijkheid over het begrip "stelselmatig" geven? Hoe gaat het kabinet met andere woorden om met de Scylla van een vage norm die de rechtszekerheid bedreigt en de Charibdis van een te zeer gedetailleerde regeling die de flexibiliteit bedreigt?

In antwoord op vraag 29 geeft de regering aan dat rechterlijke maatregelen van onttrekking aan het verkeer ziet op vernietiging van goederen die schadelijk zijn voor de volksgezondheid en milieu, maar is daar ook een uitdrukkelijke controle op?

Wat de organisatie betreft, heeft de TCEO vastgesteld dat de landelijke opsporing tekenen van een lappendeken vertoont. Zij dringt daarom aan op een fundamentele bezinning op de organisatie van landelijke en bovenregionale opsporing. De regering wil die discussie over de organisatie blijkens haar reactie niet, maar wel over de te behalen resultaten, maar komen die niet onder druk te staan door onduidelijkheden en willekeur in taakverdeling en gebrekkige afstemming?

Hoe kijkt de minister overigens aan tegen ontwikkelingen op het gebied van bijzondere opsporingsdiensten? Begin 2000 zal het MIOT van start gaan, bestaande uit VROM-medewerkers, terwijl er ook sprake is van een kernteam milieu op convenantsbasis tussen VROM, Justitie en OM. Ook is gemeld dat het kabinet alle fraudebestrijders in de sociale zekerheid wil samenvoegen in een nationale sociale opsporingsdienst als onderdeel van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Hoe zit het dan met de samenwerking tussen de bijzondere opsporingsdiensten en het OM? Zo klaagt de CTSV, toezichthouder sociale verzekering, al jaren over gebrekkige afstemming met het OM. Worden die signalen ook bij Justitie opgepakt?

De reactie van de bewindslieden op aanbevelingen die de CID raken, riepen bij de heer Van der Staaij nog wel de nodige vragen op. Het leek hem van groot belang dat de taken en bevoegdheden van dit onderdeel heel helder zijn. De TCEO spreekt over een ontwikkeling van de CID naar een registrerende eenheid, maar hoe wordt dat ervaren door de CID's zelf? Waarom zou overigens de Wet BOB noodzaken tot een verandering van de CID naar een registrerende dienst, zoals de minister suggereert?

Naar aanleiding van de kritiek van de TCEO over gebrekkige regelgeving geeft de minister aan dat verandering van regelgeving in voorbereiding is, maar is dat overigens voldoende om de samenwerking tussen de tactische recherche en de CID te verbeteren? Wat zijn de verschillen tussen de huidige CID en de nieuwe EBRI's?

De minister geeft gehoor aan de aanbeveling van de TCEO om de herkenbaarheid van de CTC-uitspraken te vergroten. Hoeveel tijd zal de noodzakelijke bewerking gericht op anonimisering in beslag nemen?

Antwoord van de regering

Volgens de minister van Justitie was in de kabinetsreactie al duidelijk aangegeven langs welke lijnen op korte en op langere termijn de aanbevelingen van de commissie-Kalsbeek worden uitgevoerd. Na de voorbereidingen van de Wet BOB en de Wet politieregisters -- beide zullen per 1 februari 2000 in werking treden -- is een andere weg ingeslagen, namelijk die van de herinrichting van het opsporingsbedrijf. De grote reorganisatie is achter de rug en nu het stof neerdwarrelt is het nodig te bezien waar aansluitingen ontbreken en dwarsverbanden moeten worden aangelegd. Zijns inziens verdienden daarbij bijzondere aandacht het implementatietraject van de Wet BOB, de CID en de internationale rechtshulpverzoeken. In ieder geval zal de Kamer nog voor het plenaire debat over de Wet BOB een overzicht krijgen van alle activiteiten.

De Wet BOB op zich is niet voldoende voor alle veranderingen in de opsporing. Een uitvoerig implementatietraject is noodzakelijk, onder andere omvattende opleiding en vorming van politie- en justitiepersoneel, het opstellen van uitvoeringsregelingen, van nieuwe modelverordeningen en modelbevelen en een handleiding voor de toepassing van bijzondere opsporingsbevoegdheden en aanpassingen in de bedrijfsorganisatie.

Het opleidingstraject is in handen gegeven van het LSOP en de SSR. De eerste is gericht op specifieke doelgroepen. Ook worden kerndocenten opgeleid die politie en BOD'en en personeel van de marechaussee op operationeel niveau moeten opleiden. De SSR heeft inmiddels themadagen en tweedaagse verdiepingscursussen georganiseerd voor het OM. Vanaf september 1999 is de interne opleiding voor de
arrondissementsrechtbanken in de vorm van conferenties van start gegaan. Op 1 februari 2000 zal ook een vijftal uitvoeringsregelingen in werking treden: het besluit technische hulpmiddelen bijzondere opsporingsbevoegdheden, het besluit bewaren en vernietigen niet-gevoegde stukken, het samenwerkingsbesluit bijzondere opsporingsbevoegdheden, de regeling infiltratieteams en de regeling opnemen vertrouwelijke communicatie. Alle nieuwe modelvorderingen en modelbevelen die nodig zijn voor de Wet BOB en de wet Herziening GVO zijn inmiddels gereed. De BOB-functionaliteit in de geautomatiseerde bedrijfs- en processystemen die de werkprocessen van het OM en ZM (zittende magistratuur) ondersteunen, zoals Compas en ARC, zal op 1 februari 2000 beschikbaar zijn. Op dit moment wordt hard gewerkt aan het verder vormgeven van de handleiding bijzondere opsporingsbevoegdheden, primair bedoeld als handreiking aan uitvoerders in de praktijk, zoals politie, OM en ZM. Omdat de handleiding in de praktijk moet werken en derhalve in de praktijk ook draagvlak moet hebben, worden de uitvoerders intensief bij de totstandkoming ervan betrokken. Zij beslaat het gehele terrein van de Wet BOB en geeft per bijzondere bevoegdheid aan wat de reikwijdte ervan is, onder meer door een toelichting op de wettelijke regeling en het opnemen van voorbeelden en relevante jurisprudentie. Voorts worden per bevoegdheid de internationale context geschetst, procedurevoorschriften opgesomd en zijn de modelbevelen bijgevoegd. Naast de bijzondere opsporingsbevoegdheden zal de handleiding onder meer ook aandacht besteden aan de thema's afscherming, notificatie en beroepsgeheimhouders. De condities waaronder bijzondere opsporingsmethoden worden toegepast en de grenzen die daaraan worden gesteld, zullen in de vorm van aparte richtlijnen, aanwijzingen, in de handleiding worden opgenomen. Het betreft onder meer de onderwerpen verkennend onderzoek, getuigenbescherming, informanten, infiltranten, afscherming, doorlaten en gecontroleerde aflevering, stelselmatige observatie en schriftelijke verantwoording. Begin december zal de handleiding worden aangeboden aan de overlegvergadering met de PG's. Zo spoedig mogelijk daarna, naar verwachting in januari 2000, zal zij ter beschikking van het veld worden gesteld. De bewindsman zegde toe de handleiding eveneens aan de Kamer te doen toekomen. Hij kon zich overigens wel voorstellen dat men dat wat al te kort voor de inwerkingtreding van de BOB vindt, maar het veld is natuurlijk ook betrokken geweest bij de opstelling van de handleiding.

De stuurgroep implementatie nieuwe wetgeving, onder voorzitterschap van de DG rechtshandhaving, is belast met de beheersmatige aansturing van het opstellen van de handleiding. De feitelijke werkzaamheden worden uitgevoerd door zes werkgroepen bestaande uit professionals, specialisten vanuit het OM, de ZM, de politie, de bijzondere opsporingsdiensten en de ministeries van Justitie en BZK. De projectleider implementatie Wet BOB zorgt voor de organisatie, bewaakt de planning en de onderlinge samenhang en afstemming tussen de werkzaamheden van de verschillende werkgroepen. Daarnaast is er nog een klankbordgroep bestaande uit de leden van de werkgroepen die de notitie "De Wet BOB in de praktijk" hebben opgesteld. In de werkgroepen worden de volgende thema's uitgewerkt: 1. werkwijze CID en tactische recherche; 2. gevolgen van de wijziging voor het vastleggen en bewaken van de gegevens in de registers; 3. verfijning van het begrippenkader en een nadere uitwerking van het verbod op doorlaten, de "opvolger" van de werkgroep-Van Beek; 4. de administratieve organisatie; 5. de afscherming en 6. vervaardiging van de CID-regeling. Al met al was dat in grote lijnen het implementatietraject zoals de bewindsman zich dat voorstelde. Overigens voegde hij er nog aan toe dat er oorspronkelijk negen werkgroepen waren, maar dat drie daarvan al met hun werkzaamheden klaar zijn.

Overigens is het ministerie van Justitie een specifiek project gestart voor de bijzondere opsporingsdiensten, mede om daarin enige ordening aan te brengen. De rapportage daarover kan hopelijk voor het kerstreces tegemoet worden gezien. Er loopt op dit moment ook een onderzoek naar de Koninklijke marechaussee, maar hoever het daarmee staat, kon de bewindsman niet direct zeggen.

Wat het expertisecentrum betreft, in feite aanbeveling 1 van de TCEO, herhaalde hij de reactie van het kabinet, namelijk dat zal worden bezien hoe dat vorm kan worden gegeven. Daarbij zal zowel aandacht moeten worden geschonken aan de ontwikkeling van nieuwe opsporingsmethoden als aan de vertaling daarvan in de politiepraktijk. Meer in het bijzonder zal aandacht moeten worden besteed aan problemen die de ontwikkeling, implementatie en evaluatie van de toepassing van bijzondere opsporingsmethoden en de effectiviteit daarvan betreffen, evenals het juridische kader waarbinnen deze methoden kunnen worden toegepast. Centraal staan het organiseren van de ontwikkeling, de toetsing op rechtmatigheid en doelmatigheid en de implementatie van nieuwe opsporingsmethoden. Ook zal worden bezien hoe het best kan worden aangesloten op initiatieven die op deze terreinen al zijn of zullen worden genomen, zoals de oprichting van een kennisnet bij het LSOP en het toegankelijk maken en uitdragen van jurisprudentie in het kader van de implementatie van de Wet BOB van het landelijke parket. Daarnaast is nog een werkgroep ingesteld met vertegenwoordigers van het OM, politie en beide ministeries om tegen het licht van deze eerste aanbeveling voor het eind van dit jaar te adviseren over de taken van het expertisecentrum. Daarbij wordt eveneens betrokken de suggestie van de TCEO om instelling van het centrum gepaard te laten gaan met sanering van de overlegplatforms die zich met bepaalde aspecten van opsporingsmethoden bezighouden. De financiering van het centrum is ten dele in de begroting opgenomen en zal overigens met OM en politie moeten worden geregeld. Het centrum zal uiteraard onder de verantwoordelijkheid van het college van PG's worden gesteld, dus het OM.

De bewindsman ging voorts in op de wijziging van de wettelijke regeling relatieve competentie, aanbeveling 6. Uit overleg met het OM was hem inmiddels gebleken dat het hier voornamelijk om problemen gaat die zich in de regio's Oost- en Zuid-Nederland voordoen en die overwegend van organisatorische en praktische aard zijn. Bij het aanbrengen van zaken is gebleken dat niet alle rechtbanken in dezelfde mate berekend zijn op de behandeling van zaken van kernteams en dat er grote cultuurverschillen en verschillen in werkwijze tussen de rechtbanken bestaan. Thans wordt bezien in hoeverre deze praktische problemen door een betere samenwerking en afstemming tussen de rechtbanken kunnen worden opgelost. In het kader van het project versterking rechterlijke organisatie en de reeds eerder ingezette versterking van het rechter-commissariaat zal eveneens een structurele oplossing moeten worden bereikt. De bewindsman nam zich voor, de Kamer hierover in het eerstvolgende voorjaar nader te rapporteren.

Volgens de Wet BOB wint een informant in opdracht van politie en Justitie informatie in en neemt een infiltrant in opdracht van politie en Justitie deel aan een criminele groep. In de praktijk denkt men nog vaak in lijn met de "oude" begrippen, namelijk dat een informant die bij zijn werk voor de politie een strafbaar feit pleegt een infiltrant wordt. In de Wet BOB is dat anders geregeld. Vragen kunnen rijzen als de politie en/of Justitie iemand die al deel uitmaakt van een criminele groep als informant gaat inzetten. Immers, de informant kan zijn werk alleen maar goed doen zolang hij in die groep blijft. Toch hoeft hij dan niet als infiltrant te worden beschouwd. Deelname aan de groep is voor zijn eigen rekening. Hij kan zich er dan ook niet op beroepen dat hij een strafbaar feit heeft gepleegd in opdracht van politie en Justitie. Dat geldt overigens voor alle informanten die strafbare feiten plegen. Volgens de minister zijn er in het algemeen bezwaren tegen het als informant inzetten van personen die reeds deel uitmaken van een criminele groepering. Meestal zullen zij een aandeel hebben in de strafbare feiten waartegen het onderzoek zich richt. Als medeverdachten kunnen zij dan niet buiten beeld blijven, terwijl afscherming bij informanten juist zo belangrijk is ter voorkoming van repercussies uit het criminele milieu. Ook zal hun informatie minder betrouwbaar zijn omdat zij belanghebbenden zijn en als medeverdachten in een ietwat voordelige positie komen.

Een informant mag in opdracht van politie en Justitie strafbare feiten plegen zolang hij maar niet in opdracht van politie en justitie deelneemt aan een criminele groep waardoor hij immers infiltrant wordt. Dan ontstaat er strijd met het verbod op de criminele infiltrant. Informanten zijn immers over het algemeen crimineel. In dit licht gezien, moest de bewindsman dan ook opmerken dat het onderscheidend criterium dat in alle gevallen geldt een ander is dan dat wat de TCEO heeft aangedragen, zoals al is gesteld in het antwoord op de schriftelijke vragen 106 en 109. Dat onderscheidend criterium van art. 126w BOB houdt in dat bepalend is of de burger op verzoek van de opsporingsambtenaar of de officier van Justitie deelneemt of medewerking verleent aan een criminele groep van personen, dus niet het al dan niet op verzoek van politie en Justitie plegen van strafbare feiten. De informant die op verzoek van politie en Justitie een strafbaar feit pleegt, is daarmee nog geen infiltrant. De informant die op verzoek van politie en Justitie deelneemt aan een criminele groepering is wel een infiltrant. Het onderscheid tussen informant en infiltrant zou volgens de TCEO gezocht moeten worden in het onder regie van politie en Justitie plegen van strafbare feiten. Zoals aangegeven in het kabinetsstandpunt behoeft er in bepaalde gevallen geen bezwaar tegen te bestaan om een informant te verzoeken hand- en spandiensten te verlenen die wellicht, afhankelijk van de omstandigheden, kunnen resulteren in het plegen van strafbare feiten. De officier van Justitie moet afwegen of een strafbaar feit van een informant in de "hitte van de strijd" al dan niet voor vervolging in aanmerking komt. Daarbij kan hij belangen, waaronder de afscherming van de informant meewegen. Het opportuniteitsbeginsel is van toepassing. Moeilijker wordt het als de informant betrokken is bij het plegen van strafbare feiten waarover hij ook informatie moet verschaffen. Hij is dan sowieso al moeilijk af te schermen en bovendien heeft hij belang bij de afloop van het opsporingsonderzoek en is dus minder betrouwbaar.

Omdat het onderscheid tussen informant en infiltrant zo nauw luistert en de bewindsman begreep dat daarover tot op heden de nodige onduidelijkheid bestaat, zegde hij toe de Kamer nog eens schriftelijk uiteen te zetten waar de grenzen tussen informant en infiltrant lopen. Om enig misverstand te voorkomen, zegde hij eveneens toe zijn antwoord, voorzover dat op schrift staat, aan de Kamer te doen toekomen.

Voorts ging de bewindsman in op aanbeveling 20 inzake pseudo-koop als vorm van infiltratie. Het kabinet blijft op het standpunt staan dat pseudo-koop en pseudo-dienstverlening niet als een vorm van infiltratie mag worden opgevat. De wetgever heeft pseudo-koop immers volstrekt los van infiltratie geregeld. Indien de pseudo-koop en/of pseudo-dienstverlening plaatsvindt in het kader van een infiltratietraject, moet dat als onderdeel van de infiltratie worden gezien. In dat geval wordt dit in het bevel infiltratie opgenomen. Juist omdat zowel voor infiltratie als voor pseudo-koop of pseudo-dienstverlening voorzien moet zijn in een bevel leek de bewindsman angst voor oneigenlijke keuzes, bijvoorbeeld pseudo-koop i.p.v. infiltratie, ongegrond. De bevelen bieden de officier van Justitie de mogelijkheid zijn verantwoordelijkheid voor de keuze van het opsporingsmiddel optimaal gestalte te geven. Daarnaast kan de rechter achteraf aan de hand van de bevelen de afwegingen in een concreet geval reconstrueren. In het algemeen vond hij het ongewenst om te bepalen dat elke

pseudo-koop of -dienstverlening moet worden voorgelegd aan de CTC. Dat zou leiden tot meer bureaucratie, terwijl pseudo-koop en
-dienstverlening in beginsel methodes zijn die betrekkelijk eenvoudig en met betrekkelijk weinig risico's kunnen worden toegepast. Zijns inziens kon niet worden volstaan met wijziging van het Instellingsbesluit van de CTC maar is zou wetswijziging noodzakelijk zijn en hij zegde toe de Kamer nog eens schriftelijk zijn argumentatie daarvoor voor te leggen.

Hij stelde vervolgens dat er een richtlijn komt inzake het doorlaten en dat het college van PG's 24 uur per etmaal bereikbaar zal zijn voor uitzonderlijke spoedgevallen.

In de nieuwe CID-regeling zullen de taken, de te volgen procedures en de bevoegdheden van de CID worden opgenomen. Er moet een betere afstemming komen tussen de werkzaamheden van de CID en de tactische recherche. De rol en de functie van de CID moet gelet op de toekomst worden gewijzigd. Overeind blijft het belang van het vroegtijdig beschikbaar hebben van betrouwbare informatie. De vraag is dan hoe die noodzakelijke informatie kan worden verkregen en langs de lijnen van de Wet politieregisters kan worden vastgelegd. De bewindsman zag daarin een blijvende functie weggelegd voor de CID nieuwe stijl die het vergaren van informatie en het inwinnen van inlichtingen tot taak heeft, maar waarvan aard en karakter volstrekt anders zijn. Hem stond een nieuwe CID voor ogen die de kernfuncties vervult die voortvloeiden uit de bestaansgrond van de CID zoals die zich in de tachtiger jaren aandiende; naast het vergaren van inlichtingen ten behoeve van de directe opsporing ook zicht krijgen op de ontwikkeling van de criminaliteit in het bewakingsgebied, waarop analyses stoelen die mede richtinggevend zijn voor toekomstige recherche-inzet. Hij wist zich in deze taakopvatting van de CID nieuwe stijl gesteund door de raad van advies voor de CID. Gelet op deze taakvervulling achtte hij een nieuwe naam geboden en wel de Eenheid bijzondere recherche-informatie, EBRI.

In de discussie over aanbeveling 63 over de verantwoordelijkheid voor het beheer van de bijzondere politieregisters liepen naar de mening van de minister twee zaken door elkaar. Enerzijds gaat het om het beheer ervan en anderzijds om het toezicht erop. Ingevolge de algemene bepalingen van de Wet politieregisters is het algemene beheer toebedeeld aan de korpsbeheerder. Het OM speelt een belangrijke rol bij het invoeren en verwijderen van gegevens alsmede bij het houden van toezicht op de bijzondere registers. Het OM dient tezamen met de korpsbeheerder toe te zien op de rechtmatige opslag van de gegevens. Bij het OM ligt dan de nadruk op de strafrechtelijke toets. De korpsbeheerder heeft met name een rol bij een strikte naleving van de bewaartermijnen en de feitelijke juistheid van de gegevens. Voor een goede afstemming zal er over het toezicht een richtlijn voor het OM worden opgesteld.

De bewindsman gaf toe dat internationale samenwerking steeds belangrijker wordt door de toename van de grensoverschrijdende criminaliteit. Nationale wetgeving, zoals de Wet BOB, moet dan ook altijd daarop worden beoordeeld. Nederland informeert andere landen dan ook over de voorwaarden waaronder rechtshulp kan worden verleend. Indien het buitenland verzoekt om rechtshulp ten behoeve van een strafrechtelijk onderzoek, zal aan de hand van de verdragen en nationale wetgeving worden beoordeeld of daaraan kan worden voldaan. Opsporing door Nederlandse opsporingsdiensten ten behoeve van het buitenland is derhalve aan deze regelgeving onderworpen en vindt steeds plaats onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse justitiële autoriteit. Voor de buitenlandse opsporingsambtenaar in Nederland geldt in feite hetzelfde. Het spreekt overigens vanzelf dat ook deze procedures zullen worden betrokken bij de algemene evaluatie van de Wet BOB na drie jaar.

De bewindsman wees in dit verband nog op het rechtsvergelijkend onderzoek van prof. Tak dat zijns inziens meer inzicht zal geven in de positie van Nederland in de internationaal strafrechtelijke samenwerking dat naar verwachting omstreeks april 2000 zal zijn afgerond en dan uiteraard ook aan de Kamer zal worden voorgelegd. Voorts stelde hij zich voor te komen met een alomvattende notitie over de internationale uitwisseling en recherchesamenwerking.

Aanbieders van telecommunicatienetwerken en -diensten zijn volgens de Telecommunicatiewet verplicht hun netwerken en diensten aftapbaar te doen zijn. De daarmee gepaard gaande investeringen moeten zijzelf betalen. Tijdens de plenaire behandeling van deze wet is via de motie-Kamp besloten dat de internetserviceproviders tot augustus 2000 uitstel kunnen krijgen om aan die verplichting te voldoen. De inrichting van politietapkamers is overigens ook nog niet helemaal gereed.

Volgens de bewindsman had een aantal beroepsgroepen op grond van wettelijke regelingen geheimhoudingsverplichtingen die verder strekken dan de algemene verplichtingen uit hoofde van de privacywetgeving. De aard van de geheimhoudingsverplichting is nauw verbonden met het betreffende beroep. Inbreuk op die geheimhoudingsverplichtingen dient zorgvuldig te worden afgewogen.

Zowel in nationaal als Europees verband wordt de noodzaak gevoeld om met het oog op adequate criminaliteitsbestrijding ook over gegevens te kunnen beschikken die thans alleen zijn voorbehouden aan bepaalde beroepsgroepen die een geheimhoudingsplicht kennen. Zo heeft de Europese Commissie het Europees Parlement en de raad van ministers voorgesteld om tot aanpassing van de richtlijn witwassen uit 1991 over te gaan in die zin dat een aantal juridische beroepsgroepen met een geheimhoudingsplicht worden verplicht ongebruikelijke financiële transacties te melden. De bewindsman ondersteunde in ieder geval de strekking van dat voorstel en sloot niet uit dat in de Nederlandse situatie bepaalde beroepsgroepen voor bepaalde vormen van financiële en/of zakelijke dienstverlening een wettelijke meldplicht krijgen voor ongebruikelijke financiële transacties.

Het LRT had volgens de minister als complementaire activiteit, bijvoorbeeld de verrichtingen van andere teams, het ontwikkelen van bijzondere expertise op het gebied van financieel rechercheren om deze vorm van rechercheren binnen de opsporing in het algemeen dan ook binnen de andere recherchediensten, waaronder de kernteams op een hoger niveau te brengen. Een bijzonder onderdeel van deze complementaire taak is dat binnen het kernteamstelsel het LRT wordt belast met onderzoeken waarin georganiseerde criminele financiële facilitatoren het belangrijkste subject zijn. Het is inderdaad van belang om de inspanningen van andere teams op dit gebied steeds te relateren aan de inspanningen van het LRT. In alle geledingen wordt thans veel aandacht aan het financieel rechercheren besteed.

De werkgroep afscherming is in het kader van het opstellen van het handboek opsporingsbevoegdheden belast met de uitwerking van de notificatieplicht en richt zich daarbij op de afscherming van getuigen, van gegevens en van opsporingsmethoden. Eind november zal zij verslag uitbrengen. De plicht tot notificatie, dus het kennis geven aan betrokkenen dat een bijzonder opsporingsmiddel tegen hem is ingezet, bestaat slechts indien de betrokkene geïndividualiseerd kan worden en als het belang van het opsporingsonderzoek notificatie toelaat. Ook belangen van andere lopende onderzoeken kunnen tot uitstel van notificatie nopen. Het OM zal van geval tot geval beoordelen op welk moment notificatie kan geschieden. In de handleiding bijzondere opsporingsbevoegdheden zullen aanwijzingen worden gegeven hoe de notificatieplicht moet worden uitgevoerd.

Ten slotte zegde de minister toe ook de nog resterende meer technische vragen schriftelijk te zullen beantwoorden.

De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties sprak allereerst waardering uit voor het werk en het rapport van de commissie-Kalsbeek waaruit zijns inziens ook wel is gebleken dat in de opsporing in relatief korte tijd, zo'n twee jaar, veel ten positieve is veranderd, hetgeen ook wel iets zegt over het herstelvermogen van het justitieel en politieel systeem.

In de brief van 4 november jl. is het belang erkend van een samenhangende en aan elkaar gekoppelde informatiehuishouding, maar die moet toch kunnen worden bewerkstelligd zonder wezenlijke wijziging van het huidige politiebestel. Een groot deel van de criminaliteit speelt zich af binnen regio's en voor een effectieve bestrijding ervan is een goede samenwerking en communicatie tussen het regionale en bovenregionale bestel essentieel.

Wat betreft de bovenregionale voorzieningen is een commissie ingesteld onder leiding van de heer Brinkman, oud-fractievoorzitter van het CDA, die binnen enkele maanden met aanbevelingen moet komen voor verbetering van de structuur en samenwerking met de regionale voorzieningen. Voor de bijzondere opsporingsdiensten is het ministerie van Justitie met een specifiek project begonnen. Een zekere ordening daarin leek de bewindsman in ieder geval zeer wenselijk, maar van zijn collega van Justitie heeft hij zojuist gehoord dat de rapportage over die BOD'en voor het kerstreces kan worden verwacht.

In het kader van de opleiding wordt, zoals al door zijn collega van Justitie is aangegeven, grote aandacht besteed aan de kernteams, het financieel rechercheren en de basisopleiding recherche. Naar aanleiding van het rapport van de TCEO zijn de activiteiten van het LSOP geïnventariseerd en verbeterd.

Wat betreft de verhouding tussen de Wet BOB en de wet inlichtingen- en veiligheidsdiensten, achtte de bewindsman het duidelijk dat er een groot verschil bestaat tussen de zaken die onder beide wetten vallen. De IVD's zijn natuurlijk gericht op de bescherming van de nationale veiligheid, onder meer door het onderkennen van potentiële of echte bedreigingen van gewichtige belangen van de staat en het bevorderen dat deze dreigingen worden weggenomen. Dat kan onder andere door het informeren van zogenaamde belangendragers die op basis daarvan maatregelen kunnen nemen. Bovendien zijn hun activiteiten per definitie geheim -- daarom kon de bewindsman ook niet ingaan op de vraag van mevrouw Scheltema naar de frappante verschillen -- en daarom is er ook een heel andere autoriteit voor geregeld op grond waarvan niet alleen de minister van BZK, maar ook die van Justitie en vaak nog de minister-president hun instemming aan bijzondere acties moeten verlenen. Naar de mening van de minister zou de discussie daarover niet moeten wachten op de discussie die in het kader van de TCEO naar voren zijn gekomen. De activiteiten van politie en Justitie zijn strafvorderlijk gericht en gaat het met name om de opsporing van daders van strafbare feiten.

Nadere gedachtewisseling

De heer Van Oven (PvdA) had een antwoord gemist op de vragen over de dubbelfunctie van CID- en zaaksofficier, over het gezag van het college van PG's en over het horen van de rechtmatigheidsgetuige ter zitting.

De heer Van de Camp (CDA) had geen antwoord gekregen op zijn vraag over het wat gemakkelijker verlengen van de opsporingsbevoegdheden.

In aanbeveling 30 wordt gesproken over de informant uit de "bovenwereld". De minister is daar in de schriftelijke reactie niet op ingegaan, maar wellicht kan hij dat nog meenemen in het zojuist toegezegde schriftelijke antwoord.

In de richting van de minister van BZK vraagt hij ten slotte of de commissie-Brinkman zich nu richt op het project bovenregionale voorzieningen.

Mevrouw Scheltema-de Nie (D66) zou nog graag antwoord krijgen op haar vragen over de bureaucratie en de rechtmatigheidsgetuige.

Mevrouw Halsema (GroenLinks) had niets gehoord over mogelijkheden tot verbetering van de samenwerking tussen de kernteams en vrij weinig over mogelijkheden tot verbetering van de werkverdeling tussen het college van PG's en het ministerie van Justitie zelf.

De heer Van der Staaij (SGP) had geen antwoord gekregen op zijn vragen over de herkenbaarheid van de beslissingen en de toetsing van de CTC en de noodzakelijke bewerking gericht op anonimisering en de vraag hoe de organisatie van de CID op dit moment al in beweging is.

De minister van Justitie merkte op dat wanneer toepassing van een bijzondere opsporingsbevoegdheid is gekoppeld aan de afgifte van bevelen, er in ieder geval sprake moet zijn van drie basisbevelen; het bevel tot toepassing van de bevoegdheid, een verlengingsbevel en een wijzigings- of aanvullingsbevel dan wel een beëindigingsbevel. Het gaat om zo'n vijftien bevoegdheden waarbij de officier van Justitie beslist over de inzet en om vier bevoegdheden waartoe de rechter-commissaris machtiging moet verlenen. Het gaat in totaal dus om negentien maal drie verschillende bevelen. De praktijk zal moeten uitwijzen om hoeveel bevelen tot verlenging, wijziging of aanvulling het zal gaan en wat de consequenties daarvan zijn. Ook dit aspect zal worden meegenomen bij de evaluatie van de Wet BOB. De werklast van de wet voor de opsporingspraktijk wordt overigens zoveel mogelijk beperkt door alle modellen van de bevelen in de geautomatiseerde systemen op te nemen. Toetsing van verlengingen is in het algemeen niet zo arbeidsintensief, omdat bij de verlening van de bevoegdheid de noodzaak ervan al is getoetst en in beginsel kan worden volstaan met het nagaan of de redenen op grond waarvan de bevoegdheid is verleend, nog steeds gelden. Het systeem waarin regelmatig toetsing van de bijzondere opsporingsbevoegdheid plaatsvindt biedt de officier van Justitie de mogelijkheid in een concrete strafzaak zijn directe verantwoordelijkheid te nemen. Daarnaast maken de bevelen toepassing van bevoegdheden transparanter. Het gaat veelal om voor de burger sterk op zijn privacy ingrijpende bevoegdheden. Door die periodieke toetsing wordt in ieder geval gewaarborgd dat er zorgvuldig wordt gehandeld.

In de kleinere parketten is het mogelijk dat de functie van CID-officier van Justitie geen fulltime inzet vergt. Gelet op een doelmatige aanwending van middelen wordt deze CID-officier van Justitie dan tevens ingezet als zaaksofficier, alleen in uitzonderingsgevallen en na intercollegiale toetsing door de rechercheofficier van Justitie, ook in zware zaken.

Er vindt op dit moment onderzoek plaats naar de mogelijkheid om een eenmaal bij de rechter-commissaris gehoorde rechtmatigheidsgetuige niet nogmaals bij de rechter te doen horen. De bewindsman zegde toe de Kamer nog dit jaar over de resultaten van dat onderzoek te informeren.

Hij verklaarde zich voorts bereid om in overleg met het veld te bezien in hoeverre de ontwikkeling van de criminaliteit aanleiding geeft tot uitbreiding van de mogelijkheden om informanten uit de "bovenwereld' in te zetten. Voordien wilde hij ook de ontwikkeling van de CID'en tot EBRI's afronden.

Vervolgens ging hij in op vragen over het nemen van nadere beslissingen door het college van PG's omtrent de doorwerking van richtlijnen en regels over de opsporingsmethoden en de herziening van de procedures tot toewijzing van kernteamonderzoeken. In zijn reactie op deze aanbeveling 54 van de TCEO is hij daar al uitvoerig op ingegaan. Na de aanvaarding van de Wet BOB stond het toekomstig formeel wettelijke kader zo'n beetje vast. Op basis daarvan is op initiatief van het college van PG's een werkgroep belast met de uitwerking van het begrippenkader voor een aantal bijzondere opsporingsbevoegdheden, te weten de werkgroep-Van Beek. Het gaat in het bijzonder om de onderwerpen infiltratie, pseudo-koop en pseudo-dienstverlening, het stelselmatig inwinnen van informatie en observatie en het doorlaten. In de derde voortgangsrapportage IPEO is daarover bericht. Op basis hiervan vindt thans nadere invulling plaats in de handleiding die begin december gereed moet zijn. De bewindsman kon het dan ook niet eens zijn met het verwijt dat het college van PG's een niet actieve houding hebben, sterker nog, het college trekt de kar volledig!

Ten slotte zegde hij de heer Van der Staaij toe de vraag over de CTC schriftelijk te beantwoorden.

De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties merkte op dat de commissie-Brinkman zich inderdaad bezighoudt met het vraagstuk van de bovenregionale voorzieningen, in de executieve en facilitaire en in de beheersfeer.

Wat de samenwerking tussen de kernteams betreft, zegde hij toe de Kamer daarover schriftelijk te informeren.

De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie,

Van Heemst

De voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

De Cloe

De griffier van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

Coenen


1 Samenstelling:

Leden: Van de Camp (CDA), Biesheuvel (CDA), Swildens-Rozendaal (PvdA), Kalsbeek (PvdA), Scheltema-de Nie (D66), Zijlstra (PvdA), Apostolou (PvdA), Middel (PvdA), Van Heemst (PvdA), voorzitter, Dittrich (D66), ondervoorzitter, Rabbae (GroenLinks), Rouvoet (RPF), Van Oven (PvdA), O.P.G. Vos (VVD), Van Wijmen (CDA), Patijn (VVD), De Wit (SP), Ross-van Dorp (CDA), Niederer (VVD), Nicolaï (VVD), Halsema (GroenLinks), Weekers (VVD), Van der Staaij (SGP), Wijn (CDA), Brood (VVD)

Plv. leden: Balkenende (CDA), Verhagen (CDA), Wagenaar (PvdA), Arib (PvdA), Van Vliet (D66), Duijkers (PvdA), Kuijper (PvdA), Albayrak (PvdA), Barth (PvdA), Hoekema (D66), Karimi (GroenLinks), Schutte (GPV), Santi (PvdA), Van den Doel (VVD), Rietkerk (CDA), Rijpstra (VVD), Marijnissen (SP), Buijs (CDA), Van Baalen (VVD), Van Blerck-Woerdman (VVD), Oedayraj Singh Varma (GroenLinks), De Vries (VVD), Van Walsem (D66), Eurlings (CDA), Kamp (VVD)


2 Samenstelling:

Leden: Schutte (GPV), Te Veldhuis (VVD), ondervoorzitter, De Cloe (PvdA), voorzitter, Van den Berg (SGP), Van de Camp (CDA), Scheltema-de Nie (D66), Van der Hoeven (CDA), Van Heemst (PvdA), Noorman-den Uyl (PvdA), Oedayraj Singh Varma (GroenLinks), Dankers (CDA), Hoekema (D66), Rijpstra (VVD), Cornielje (VVD), O.P.G. Vos (VVD), Rehwinkel (PvdA), Luchtenveld (VVD), Wagenaar (PvdA), Rietkerk (CDA), De Boer (PvdA), Duijkers (PvdA), Verburg (CDA), Halsema (GroenLinks), Kant (SP), Balemans (VVD)

Plv. leden: Rouvoet (RPF), Van Beek (VVD), Zijlstra (PvdA), Ravestein (D66), Van Wijmen (CDA), Augusteijn-Esser (D66), Balkenende (CDA), Barth (PvdA), Gortzak (PvdA), Rabbae (GroenLinks), Wijn (CDA), Dittrich (D66), Cherribi (VVD), Nicolaï (VVD), Van den Doel (VVD), Van Oven (PvdA), Brood (VVD), Apostolou (PvdA), Eurlings (CDA), Kuijper (PvdA), Belinfante (PvdA), Mosterd (CDA), Van Gent (GroenLinks), Poppe (SP), Essers (VVD)

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie