Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Financien: Fiscale positie van grensarbeiders

Datum nieuwsfeit: 15-12-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Financien

Titel: Fiscale positie van grensarbeiders



Directie Internationale Fiscale Zaken

de Voorzitter van de vaste Commissie

voor Financiën uit de Tweede Kamer der

Staten-Generaal

Postbus 20018

2500 EA 'S-GRAVENHAGE

Uw brief van/kenmerk

Ons kenmerk

Den Haag

IFZ 1999-02183 U3

15 december 1999

Onderwerp

Fiscale positie van grensarbeiders

Bij brief van 20 september 1999 heeft de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, mede namens mij, een notitie over de sociale verzekeringspositie van grensarbeiders aangeboden aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Tweede Kamer, vergaderjaar 1999-2000, 26 834, nr. 1). Bij brief van 13 oktober 1999, kenmerk 58-99-SZW, heeft de griffier van de vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid uit de Tweede Kamer der Staten-Generaal verzocht te bevorderen dat ik deze notitie voorzie van een fiscale paragraaf. In dat kader is uw Commissie verzocht deel te nemen aan de behandeling van deze notitie. Aan het verzoek van de vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid ben ik graag tegemoet gekomen. Een afschrift van de brief die ik naar aanleiding daarvan aan de Voorzitter van die Commissie heb gezonden, doe ik u hierbij toekomen.

de Staatsecretaris van Financiën,

de Voorzitter van de vaste Commissie

voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid

uit de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Postbus 20018

2500 EA 'S-GRAVENHAGE

Uw brief van/kenmerk

Ons kenmerk

Den Haag

IFZ 1999-02183 U1

15 december 1999

Onderwerp

Fiscale positie van grensarbeiders

Bij brief van 20 september 1999 heeft de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid u een notitie over de
socialeverzekeringspositie van grensarbeiders (kamerstukken II 1999/2000,

26 834, nr . 1) doen toekomen. Naar aanleiding van uw brief van 13 oktober 1999, kenmerk 58-99-SZW, heeft hij mij bij brief van 29 oktober 1999, kenmerk SV/GSV/99/64990, verzocht om aan deze notitie een paragraaf over de fiscale positie van grensarbeiders toe te voegen. Aan dit verzoek kom ik graag tegemoet.

Vooropgesteld moet worden dat ik reeds bij brief van 13 augustus 1997, nr. AFP97/207, aan de voorzitter van de vaste Commissie voor Financiën uit de Tweede Kamer der Staten-Generaal een inventarisatie heb doen toekomen van de problematiek op fiscaal gebied waar grensarbeiders1 onder de huidige belastingverdragen met België (Trb. 1970,192) en Duitsland (Trb. 1959, 85 en 1960, 107) mee te maken hebben. Een kopie daarvan heb ik als bijlage 1 bij deze brief gevoegd. Voorts ben ik op deze problematiek ingegaan in § 4.3.4. van de notitie Uitgangspunten van het beleid op het terrein van het internationaal fiscaal (verdragen)recht (kamerstukken II 1997/1998,

25 087, nr. 4) alsmede in § 2.4.3. van de nota Belastingen in de 21e eeuw, een verkenning (kamerstukken II 1997/1998, 25 810, nr. 2). Hetgeen in deze stukken over de problematiek van grensarbeiders is opgemerkt, geldt nog steeds als leidraad. Wel is inmiddels een aantal ontwikkelingen te melden. In dat kader verwijs ik naar het concept nieuwe belastingverdrag tussen Nederland en België, waarover op 10 november jl. overeenstemming is bereikt en waarover ik de Voorzitter van de vaste Commissie voor Financiën uit de Tweede Kamer der Staten-Generaal bij brief van 19 november 1999, nr. IFZ 1999-2285M, heb geïnformeerd. Een kopie daarvan heb ik als bijlage 2 bij deze brief gevoegd.

In de kern is de complexiteit van de problematiek van grensarbeiders terug te voeren tot de omstandigheid dat zij aan twee rechtsstelsels zijn onderworpen. Daardoor is een onverkorte vergelijking vanuit een oogpunt van gelijke fiscale behandeling van grensarbeiders ten opzichte van mensen die in één land wonen en werken vrijwel altijd een moeilijke en soms arbitraire aangelegenheid omdat de omstandigheden die worden vergeleken niet hetzelfde zijn. En als die vergelijking toch wordt gemaakt, rijst onmiddellijk de vraag met wie de grensarbeider dan vergeleken moeten worden, met de buurman die niet alleen in hetzelfde land woont als de grensarbeider maar daarin ook werkt, of met de collega op de werkvloer die niet alleen in hetzelfde land werkt als de grensarbeider maar daarin ook woont? Tegen deze achtergrond heb ik in mijn brief van 13 augustus 1997 een inventarisatie gemaakt van de knelpunten die zich bij grensarbeiders voordoen op het terrein van de verhouding tussen belasting- en premieheffing, de compensatie voor de regulerende energieheffing en het vergelden van fiscale aftrekposten. Ik volsta in dit kader slechts met te wijzen op de inkomenseffecten die zich voor kunnen doen in de situatie waarin de belastingheffing over arbeidsinkomen van grensarbeiders aan het ene land en de premieheffing daarover aan het andere land is toegewezen. De belangrijkste categorie van grens-arbeiders waarin deze situatie zich voordoet is de categorie die valt onder de werking van het derde lid van artikel 15 van het huidige belastingverdrag tussen Nederlands en België. Ingevolge die bepaling is de belastingheffing over het arbeidsinkomen van grensarbeiders, in afwijking van de hoofdregel dat de belastingheffing over arbeidsinkomen wordt toegewezen aan de Staat waar men werkt, toegewezen aan de Staat waar zij wonen (de grensarbeidersregeling). Daarentegen zijn die grensarbeiders bij wijze van hoofdregel sociaal verzekerd in de Staat waar zij werken. In dit verband kan worden gesproken van een discoördinatie tussen belasting- en premieheffing. De jaarlijkse verschuiving tussen de belasting- en premiepercentages, zowel in Nederland als in België, zorgt telkenmale voor grote commotie. De grensarbeiders zelf spreken van het jaarlijkse tombola-effect. Vanwege dit, in het algemeen als het meest knellend ervaren, effect verkeren Belgische grensarbeiders thans in een relatieve nadeelpositie, omdat zij ter zake van hun arbeidsinkomen zijn onderworpen aan de ten opzichte van de Belgische sociale verzekeringspremies relatief hoge Nederlandse premies en aan de ten opzichte van de Nederlandse belastingtarieven relatief hoge Belgische belastingtarieven; de Nederlandse grensarbeiders verkeren daarentegen thans in een relatieve voordeelpositie, omdat zij ter zake van hun arbeidsinkomen zijn onderworpen aan de ten opzichte van de Nederlandse sociale verzekeringspremies relatief lage Belgische premies en aan de ten opzichte van de Belgische belastingtarieven relatief lage Nederlandse belastingtarieven. Voor het overige verwijs ik kortheidshalve naar de brief van 13 augustus 1997.

In § 4.3.4. van de notitie Uitgangspunten van het beleid op het terrein van het internationale fiscale (verdragen)recht heb ik vervolgens, op basis van het uitgangspunt van het zoveel als mogelijk bereiken van gelijkheid tussen individuele belastingplichtigen en het zo veel mogelijk voorkomen van sfeerovergang, uiteengezet welke mogelijke oplossingen voor vorenbedoelde knelpunten denkbaar zijn. In dat verband is opgemerkt dat zo veel als mogelijk gelijkheid tussen de grensarbeider en zijn buurman wordt verkregen door middel van een uitsluitende woonstaat-heffing voor de belasting- en premieheffing over het arbeidsinkomen. Een belangrijk voordeel van deze oplossing is dat de grensarbeider, zoals zijn buurman, naar de maatstaven van zijn woonstaat aftrekposten fiscaal geldend kan maken. Belangrijke nadelen zijn daarentegen dat die oplossing de gelijkheid van de grensarbeider met zijn collega op de werkvloer volledig uitholt en werkgevers in een vrijwel onmogelijke positie plaatst. Dit laatste omdat werknemers van dezelfde onderneming dan aan verschillende sociale stelsels onderworpen zouden zijn, hetgeen onmiskenbaar gevolgen heeft voor CAO-afspraken. Overigens is een belangrijk obstakel om een dergelijke oplossing te realiseren dat de bepalingen van Verordening (EEG) nr. 1408/71 dwingend voorschrijven dat de grensarbeider is aangewezen op het sociale stelsel van de werkstaat en daarmee onderworpen is aan de premieheffing van die staat. In dit kader merk ik nog op dat een uitsluitende woonstaatheffing voor de belastingheffing alleen geen soelaas kan bieden. Zoals hiervóór is aangegeven, ontstaat daardoor discoördinatie tussen belasting- en premieheffing, hetgeen in het algemeen als het meest knellende effect wordt ervaren.

Voorts is in § 4.3.4. van de onderhavige notitie opgemerkt dat zo veel mogelijk gelijkheid tussen de grensarbeider en zijn collega op de werkvloer wordt verkregen door middel van een werkstaatheffing voor de belasting- en premieheffing over het arbeidsinkomen. Het belangrijkste voordeel van deze oplossing is dat coördinatie tussen belasting- en premieheffing bestaat. Ik heb voor deze oplossing dan ook mijn voorkeur uitgesproken. Een belangrijk knelpunt dat uit die oplossing voortvloeit is echter dat de grensarbeider, behoudens de aftrekposten die hij ingevolge het door het Hof van Justitie der Europese Gemeenschappen op 14 februari 1995 in de zaak

C-279/93 (Schumacker) gewezen arrest in de werkstaat kan vergelden, in zijn woonstaat aftrekposten fiscaal niet (direct) kan vergelden2, waardoor de gelijkheid van de grensarbeider met zijn buurman wordt uitgehold.

In § 2.4.3. van de nota Belastingen in de 21e eeuw, een verkenning heb ik de grensarbeiders-problematiek vervolgens in een Europees kader geplaatst. Naar mijn oordeel is dat ook het niveau waarop deze problematiek uiteindelijk tot een oplossing gebracht zou moeten worden. Het ideaalbeeld zou daarbij zijn een oplossing die erin resulteert dat grensarbeiders - in lijn met de systematiek van Verordening (EEG) nr. 1408/71 - slechts te maken hebben met één fiscaal stelsel. Idealiter zouden dat het belasting- en sociale stelsel van de woonstaat van de grensarbeider zijn. Enigszins minder ideaal, maar wel ruim voldoende soelaas biedende, zou een regeling betreffen die per definitie discoördinatie tussen belasting- en premieheffing uitsluit. Te denken valt in dat kader aan een regeling waarbij de aanwijsregels van Verordening (EEG) nr. 1408/71 te allen tijde bepalend zijn voor de toewijzing van de belastingheffing over arbeidsinkomen, aangevuld met flankerende maatregelen om de gelijkheid van de grensarbeider met zijn buurman te waarborgen. In beide gevallen zou het dan aan de overheden van de betrokken Lidstaten zijn om, uitgaande van de veronderstelling dat zowel de woon- als de werkstaat de facto aanspraak kan maken op de belastingopbrengst ter zake van grensoverschrijdende arbeid, onderling afspraken te maken over de verdeling van de belastingopbrengsten die uit de grensoverschrijdende arbeid worden verkregen (revenue-sharing op macro-economisch niveau). Op die wijze zouden de budgettaire consequenties niet langer op het niveau van de individuele belanghebbenden worden opgelost, maar op het niveau van de overheden zelf. Het realiseren van een en ander, dat naar mijn vaste overtuiging uitsluitend op Europees niveau realiseerbaar zou zijn, is een langdurig en moeizaam traject3. De ontwikkeling van de daarvoor noodzakelijke nieuwe concepten vergt tijd en de gedachtevorming daarover in de verschillende Lidstaten loopt tot op heden - als gevolg van het uiteenlopen van de fiscale stelsels en de veelheid aan niet-fiscale factoren die daarbij een rol kunnen spelen - niet synchroon.

Het vorenstaande laat evenwel onverlet dat onderwijl tussenstappen moeten worden gezet. In de relatie met België zijn die in het concept nieuwe belastingverdrag inmiddels gezet en wel op een zodanige manier dat tot op grote hoogte het streven naar gelijke behandeling van de grensarbeider zowel ten opzichte van zijn collega op de werkvloer als ten opzichte van zijn buurman wordt gerealiseerd. In de eerste plaats is in dat concept nieuwe belastingverdrag niet langer een grensarbeidersregeling opgenomen. Dat betekent dat ook op grensarbeiders in de zin van het derde lid van artikel 15 van het huidige belastingverdrag tussen Nederland en België de hoofdregel dat de belastingheffing over hun arbeidsinkomen is toegewezen aan de Staat waar zij werken van toepassing is. Daarmee wordt in de meeste gevallen van grensarbeid coördinatie tussen belasting-

en premieheffing gerealiseerd. In combinatie met een in het nieuwe belastingverdrag opgenomen bepaling die de gevolgen van het hiervóór genoemde Schumacker-arrest regelt, wordt daarmee bovendien op het moment van uitbetaling van het salaris een zo groot mogelijke gelijkheid op de werkvloer verkregen, hetgeen vanuit het oogpunt van gelijke arbeidsvoorwaarden van belang is.

Teneinde vervolgens te verzekeren dat een Nederlandse grensarbeider (op te vatten als degene die in Nederland woont en in België werkt) fiscaal niet nadeliger af is dan zijn in Nederland werkende buurman, die overigens in gelijke omstandigheden verkeert, is vervolgens een regeling opgenomen die er toe leidt dat aftrekposten zoals hypotheekrente, persoonlijke verplichtingen en giften voor hem de facto effect sorteren. Daartoe wordt, voor zoveel nodig, de in België betaalde belasting en met de premie voor de volksverzekeringen vergelijkbare Belgische premie sociale zekerheid beschouwd als Nederlandse loonheffing.

Bovendien is een regeling opgenomen die voorziet in compensatie van het nadeel dat degenen die op het moment van inwerkingtreding van het nieuwe belastingverdrag Nederlands grensarbeider zijn in de zin van het derde lid van artikel 15 van het huidige belastingverdrag tussen Nederland en België als gevolg van de wijziging van de heffingsbevoegdheid over hun arbeidsinkomen overigens mochten lijden. Daartoe zal door de Belastingdienst jaarlijks een schaduwberekening worden gemaakt van de belasting en premie die verschuldigd zouden zijn geweest als de grensarbeiders-regeling zou zijn gehandhaafd. Wanneer de som van deze schaduwberekening lager is dan de som van de belasting en premie die onder de nieuwe situatie verschuldigd is, dan wordt het verschil gecompenseerd. Vanaf het moment waarop dit verschil nihil bedraagt dan wel vanaf het moment waarop de desbetreffende grensarbeider van dienstbetrekking verandert (ook al is dat in België), wordt niet langer compensatie verleend.

Ten slotte is in het concept nieuwe belastingverdrag de revenue-sharing op macro-economisch niveau uitgewerkt. Zoals hiervóór is opgemerkt, betreft de revenue-sharing op macro-ecomisch niveau een afspraak tussen de overheden (Nederland en België) over de verdeling van de belastingopbrengsten die uit grensoverschrijdende arbeid worden verkregen.

Het huidige belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland bevat geen sprecifieke grens-arbeidersregeling en is voor grensarbeiders de hoofdregel dat de belastingheffing over arbeidsinkomen wordt toegewezen aan de Staat waar men werkt van toepassing. Discoördinatie tussen belasting- en premieheffing doet zich in die verhouding derhalve veelal niet voor. Wel doet zich in die verhouding, zoals hiervóór is opgemerkt, het knelpunt voor dat een grensarbeider, behoudens de aftrekposten die hij ingevolge het Schumacker-arrest in de werkstaat kan vergelden, in zijn woonstaat aftrekposten fiscaal niet (direct) kan vergelden. Thans worden besprekingen gevoerd over de herziening van dit belastingverdrag; deze zijn evenwel nog niet afgerond. Wel kan ik daarover opmerken dat daarbij van Nederlandse zijde met het oog op het ongedaan maken van het vorenbedoelde knelpunt wordt ingezet op eenzelfde resultaat als met België is overeenge-komen.

Ten slotte is het wetsvoorstel Wet inkomstenbelasting 2001 (Belastingherziening 2001) (Tweede Kamer, vergaderjaar 1998-1999, 26 727, nrs. 1-2) nog van belang voor de grensarbeiderspro-blematiek. In de eerste plaats, en dit in aanvulling op hetgeen in de notitie van Staatssecretaris Hoogervorst op blz. 12 onder het kopje Nederlandse belastingheffing over Belgische en Duitse kinderbijslag is opgemerkt, doordat het daarin voorgestelde artikel 3.5.5 er mede toe strekt Belgische en Duitse kinderbijslag niet langer aan Nederlandse belastingheffing te onderwerpen. In de tweede plaats vanwege het daarin voorgestelde artikel 2.2.3 waarin voor buitenlandse belasting-plichtigen, zoals Belgische en Duitse grensarbeiders, de mogelijkheid wordt geboden om te opteren voor binnenlandse belastingplicht4. Zoals is vermeld in de Memorie van Toelichting bij dit wetsvoorstel voorziet deze keuzeregeling voor buitenlandse belastingplichtigen in veel gevallen in een ruimere mogelijkheid tot het vergelden van aftrekposten dan de bestaande regelingen.

de Staatsecretaris van Financiën,

W.A. Vermeend

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie