Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

ER: Identificatie, registratie en etikettering rundvlees

Datum nieuwsfeit: 15-12-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten

Verslag Europese Raad - LANDBOUW 15-11-1999

Press Release: Brussels (15-11-1999) - Press: 345 - Nr: 12917/99
_________________________________________________________________

PERSMEDEDELING

Onderwerp :

2218e zitting van de Raad


- LANDBOUW -

Brussel, 15 november 1999

Voorzitter :

de heer Kalevi HEMILÄ

Minister van Landbouw van de Republiek Finland

LANDBOUW EN MILIEU

In aansluiting op het verzoek van de Europese Raad van Cardiff in juni 1998 en de conclusies van Wenen van december 1998 stemde de Landbouwraad in met het verslag aan de Europese Raad van Helsinki (10-11 december 1999) over de integratie van milieuoverwegingen en duurzame ontwikkeling in het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Het verslag is opgenomen in de bijlage.

IDENTIFICATIE EN REGISTRATIE VAN RUNDEREN EN ETIKETTERING VAN RUNDVLEES EN RUNDVLEESPRODUCTEN

De Raad luisterde naar een toelichting door Commissielid FISCHLER bij twee voorstellen tot wijziging van de identificatie- en registratieregeling voor runderen en inzake de etikettering van rundvlees en rundvleesproducten (Verordening (EG) nr. 820/97). De rechtsgrondslag voor deze twee voorstellen is artikel 152 van het Verdrag en de medebeslissingsprocedure met het Europees Parlement moet worden gevolgd.

De Raad nam nota van de toelichting door de Commissie en van het voornemen van het voorzitterschap om aan deze voorstellen grote prioriteit te geven, vooral het voorstel dat vóór eind 1999 moet worden goedgekeurd om de vrijwillige etiketteringsmaatregel te verlengen die bij Verordening (EG) nr. 820/97 is aangenomen. De Raad droeg het Speciaal Comité Landbouw op dat voorstel te behandelen, zodat de Raad in december een besluit kan nemen.

Het eerste voorstel is bedoeld om een nieuwe identificatie- en registratieregeling voor runderen en voor de etikettering van rundvlees in te stellen, en de huidige regeling, ingevoerd bij Verordening (EG) nr. 820/97, in te trekken. Aangezien de huidige regeling slechts tot en met 31 december 1999 van toepassing is, wordt met het tweede voorstel beoogd de geldigheid ervan met een jaar te verlengen tot de nieuwe regeling is ingevoerd.

De regeling is gebaseerd op het idee van de traceerbaarheid van dieren en hun vlees, om zo de vleesproductieketen beter te controleren, teneinde het vertrouwen van de consumenten in de kwaliteit van het rundvlees te herstellen. Aan sommige eisen van openbaar belang zal dan ook eveneens worden tegemoet gekomen, vooral de bescherming van de volksgezondheid en de diergezondheid.

VOORLICHTINGS- EN AFZETBEVORDERINGSACTIES VOOR LANDBOUWPRODUCTEN IN DERDE LANDEN

Op basis van een compromis van het voorzitterschap, dat door de Commissie werd gesteund, bereikte de Raad een politiek akkoord over de ontwerp-verordening inzake voorlichting- en afzetbevorderingsacties voor landbouwproducten in derde landen. De Raad zal deze verordening op een volgende zitting formeel aannemen, nadat de tekst door de juristen/vertalers is bijgewerkt.

De verordening zal de Europese landbouw- en voedselsector helpen om zich aan te passen aan de dalende uitvoerrestituties, door middel van een groter concurrentievermogen, waarbij de nadruk meer komt te liggen op de kwaliteit en de veiligheid van de producten.

De geplande maatregelen omvatten promotie- en reclameacties, deelname aan internationaal belangrijke evenementen, beurzen of tentoonstellingen, informatiecampagnes, de studie van nieuwe markten en handelsbezoeken op hoog niveau.

Met uitzondering van bepaalde specifieke maatregelen (informatie over de kwaliteits- en etiketteringsregelingen van de Gemeenschap, bezoeken en studies) die voor 100% door de EG worden gefinancierd, dienen de overige maatregelen gedeeltelijk door de Gemeenschap te worden gefinancierd tot maximaal 50% van de totale kosten. De bijdrage van de lidstaten bedraagt maximaal 20% van de kosten en het saldo is ten laste van de organisatie die het initiatief neemt.

VEZELVLAS EN HENNEP

Commissielid FISCHLER legde de Raad de voorstellen voor tot hervorming van de sector vezelvlas en hennep.

De Raad nam nota van deze toelichting en van de inleidende opmerkingen van een aantal lidstaten, en droeg het Speciaal Comité Landbouw op de voorstellen uitvoerig te bespreken en zo spoedig mogelijk bij de Raad verslag uit te brengen. Voorts besloot hij het Europees Parlement, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's te verzoeken om advies over deze voorstellen.

De voorstellen omvatten twee hoofdbestanddelen.

Het eerste is de gelijkschakeling van de steun aan de telers van vezelvlas en hennep met de areaalsteun voor de producenten van olievlas, die geleidelijk op het niveau van de areaalbetalingen voor graangewassen in 2002/2003 zal worden gebracht. Een van de voorwaarden voor die steunverlening zal zijn dat een verkoopscontract moet worden gesloten met erkende eerste verwerkers.

Het tweede hoofdbestanddeel is de invoering van bijkomende steunregelingen voor erkende verwerkers via steun voor de verwerking van stro van vezelvlas en hennep die voor de vezels geteeld worden. De steun voor de verwerking van vezelvlas- en hennepstro tot vezel zal worden toegekend op basis van de door erkende eerste verwerkers geproduceerde hoeveelheid vezel. Verschillende steunbedragen zullen worden toegekend voor lange vlasvezels en voor korte vlasvezels of hennepvezels. De steun voor korte vlasvezels en hennepvezels zou tot vijf jaar beperkt worden, de tijd die nodig is om een beter evenwicht te bereiken tussen de nieuwe producten en de mogelijke afzetmarkten ervoor.

Om de uitgaven te beperken, voorziet de regeling eveneens in een stabilisatiemechanisme voor de gegarandeerde nationale hoeveelheden (GNH's). Bovendien is het de bedoeling om specifiek voor hennep de in aanmerking komende rassen te beperken tot de rassen met een zeer laag gehalte psychotrope stoffen en de productiearealen te beperken door een voorafgaande vergunning van de lidstaten te eisen.

De nieuwe regeling zou van toepassing zijn vanaf het verkoopseizoen 2000/2001, dat start op 1 juli 2000. Om de landbouwers op de hoogte te brengen van de bepalingen die voor de betrokken sector van toepassing zijn, zal de Commissie in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen een mededeling aan de producenten en de eerste verwerkers van vezelvlas en hennep bekendmaken vóór de nieuwe regelgeving van kracht wordt.

BANANEN

De Raad luisterde naar een uiteenzetting door Commissielid FISCHLER over de stand van zaken in het bananengeschil en over het recente voorstel om de huidige EG-bananenregeling te wijzigen.

Daarop volgde een korte gedachtewisseling, met algemene eerste opmerkingen van verschillende delegaties.

Tot besluit droeg de Raad het Speciaal Comité Landbouw op dit voorstel snel te behandelen en zo spoedig mogelijk verslag uit te brengen, met dien verstande dat het Comité van artikel 133 verantwoordelijk is voor het onderzoek van de handelsbeleidsaspecten van het voorstel.

Zoals bekend behelst het voorstel een aanpak in twee fasen: in de eerste fase zou een overgangsstelsel van tariefcontingenten het volgende inhouden:


- behoud van de twee bestaande tariefcontingenten op het huidige totale niveau van 2,553 miljoen ton met hetzelfde recht als vandaag, namelijk 75 euro/ton;

- opening van een derde tariefcontingent van 850.000 ton dat open zou staan voor alle leveranciers met een maximumpreferentie van 275 euro/ton voor ACS-bananen; dat contingent zou worden verdeeld door middel van een "striking price system" ( 1).

In een tweede fase, uiterlijk vanaf 1 januari 2006, zou een zuiver tariefstelsel automatisch van kracht worden; het niveau van het forfaitaire tarief zou moeten worden vastgesteld via onderhandelingen op grond van artikel XXVIII van de GATT. Aan de ACS-leveranciers zou een passende tariefpreferentie worden gegeven, die door de huidige WTO-ontheffing mogelijk wordt gemaakt.

GENETISCHE HULPBRONNEN IN DE LANDBOUW

Na een debat dat op initiatief van het voorzitterschap werd gehouden, gaf de Raad de politieke beleidslijnen aan voor de organisatie van het toekomstige werk ter ondersteuning van de onderhandelingspositie van de EU en tot uitvoering van de richtsnoeren voor de herziening van de Internationale Verbintenis inzake plantaardige genetische hulpbronnen in het kader van de Commissie genetische hulpbronnen voor voedsel en landbouw van de FAO. In dit verband gaf de Raad de FAO-Coördinatiegroep de opdracht om al het voorbereidende werk af te maken en vóór eind februari 2000 verslag uit te brengen aan het Comité van permanente vertegenwoordigers en de Landbouwraad. Wegens de complexiteit en het belang van het onderwerp zal de samenstelling van deze groep van het meest geschikte niveau zijn.

Tevens bekeek de Raad de stand van zaken in verband met de uitvoering van het werkprogramma in het kader van Verordening (EG) nr. 1467/94 inzake de instandhouding, de karakterisering, de verzameling en het gebruik van genetische hulpbronnen in de landbouw. De Raad nam er nota van dat de Commissie ernaar streeft zo spoedig mogelijk contracten te sluiten zodat alle in behandeling zijnde projecten kunnen worden gefinancierd en uitgevoerd.

NATIONALE STEUN AAN KLEINE PRODUCENTEN IN OOSTENRIJK

Minister MOLTERER legde de Raad een verzoek van Oostenrijk voor om een beslissing te nemen over de verenigbaarheid met de gemeenschappelijke markt van een nationale steun die uit hoofde van de "bijzondere richtlijn van de minister van Land- en Bosbouw betreffende toekenning van compenserende vergoedingen in probleemgebieden en nationale steun" tot en met 31 december 2004 wordt verleend aan kleine producenten die daar in 1993 op grond van de nationale wetgeving recht op hadden.

De Raad nam nota van dat verzoek en verzocht het Speciaal Comité landbouw het te bespreken zodat de Raad tijdens een volgende zitting, indien mogelijk op 14-15 december 1999, een beslissing kan nemen.

DIOXINE

De Raad nam nota van de informatie die Commissielid BYRNE verstrekte over de recente ontwikkelingen in verband met de dioxinecrisis, alsook van de vooruitgang bij het uitvoeren van de verschillende aspecten van het regelgevingsprogramma van de Commissie dat tijdens de zitting in juli werd aangekondigd. De Raad nam meer bepaald nota van het voornemen van de Commissie om binnenkort voorstellen bij de Raad in te dienen tot wijziging van de bestaande regelgeving inzake controles, traceerbaarheid en ongewenste stoffen, die volgens de toe te passen procedure moeten worden aangenomen. De Raad noteerde eveneens dat de Commissie voornemens is voorstellen in te dienen bij het Permanent Comité voor diervoeders van de Commissie inzake het verbod op het gebruik van bepaalde oliën en vetten in diervoeders en inzake voorlopige maximumgehalten voor bepaalde oliën, vetten, beendermeel en vismeel.

Los van het dioxineprobleem stelde de Commissie de Raad ten slotte in kennis van de werkzaamheden betreffende het probleem van slib in diervoeders, inzonderheid mogelijke wijzigingen van de desbetreffende beschikking van de Commissie, om elke dubbelzinnigheid op te heffen.

BIJLAGE

STRATEGIE VOOR DE INTEGRATIE VAN MILIEUOVERWEGINGEN EN DUURZAME ONTWIKKELING IN HET GEMEENSCHAPPELIJK LANDBOUWBELEID,

ALS BEPAALD DOOR DE RAAD LANDBOUW


1. ACHTERGROND

In juni 1998 verzocht de Europese Raad te Cardiff de Raden Landbouw, Energie en Vervoer te rapporteren over hun strategieën voor de integratie van milieuoverwegingen en duurzame ontwikkeling. In november 1998 stelde de Raad Landbouw een verslag voor de Europese Raad op, waarin:
het belang van integratie wordt onderstreept, de inspanningen van het GLB op dit terrein in de afgelopen jaren en in het kader van de Agenda 2000-onderhandelingen worden benadrukt,
wordt uiteengezet dat het Europees landbouwmodel, dat multifunctionaliteit en concurrentievermogen van de sector combineert, als basis moet dienen voor de verdere besprekingen, wordt benadrukt dat de pas gestarte WTO-onderhandelingen van groot belang zijn voor de EU-strategie,
de lidstaten wordt verzocht steun te geven aan de OESO-werkzaamheden met betrekking tot landbouw/milieu-indicatoren, die mogelijkerwijs ook als basis kunnen dienen voor Europese indicatoren.
De Europese Raad van Wenen van december 1998 toonde zich in zijn conclusies ingenomen met de eerste verslagen van de Raden Vervoer, Energie en Landbouw en verzocht hun de werkzaamheden voort te zetten, opdat aan de Europese Raad van Helsinki in december 1999 alomvattende strategieën in deze sectoren kunnen worden voorgelegd, met inbegrip van een tijdschema voor verdere maatregelen en een reeks indicatoren.
In 1997 bracht de Commissie een document uit, getiteld "Landbouw en milieu", waarin een zeer grondig en alomvattend overzicht wordt gegeven van het verband tussen landbouw en milieu. In januari 1999 legde de Commissie een mededeling voor, getiteld "Wegen die naar een duurzame landbouw leiden", die een goed uitgangspunt vormt voor de verdere integratie van milieuoverwegingen en duurzame ontwikkeling in de landbouwsector. In juli 1999 bracht de Commissie onder de titel "Landbouw, milieu, plattelandsontwikkeling: feiten en cijfers" een publicatie uit over het functionele verband tussen landbouw en milieu, waarin nadrukkelijk de aandacht wordt gevestigd op het beschikbare cijfermateriaal hierover.
In mei 1999 kwam de Commissie met een mededeling over de voorbereiding van de uitvoering van het Protocol van Kyoto. Deze mededeling bevat belangrijke elementen voor verdere werkzaamheden in de Gemeenschap met het oog op de uitvoering van het Protocol van Kyoto. Voorts dient gewezen te worden op de mededelingen omtrent de strategie inzake biologische diversiteit, de herziening van het vijfde milieuactieprogramma en het verslag betreffende de uitvoering van de nitratenrichtlijn.
In december 1998 keurde de Raad Landbouw de resolutie inzake een bosbouwstrategie voor de Europese Unie goed. Deze strategie is een goed voorbeeld van een integratieproces waarbij de verantwoordelijkheid voor het bosbouwbeleid bij de lidstaten berust, en de noodzaak van betere onderlinge afstemming, communicatie en samenwerking op alle beleidsterreinen die de bosbouwsector raken, een wezenlijk element vormt.
2. VERSTERKING VAN DE INTEGRATIE VAN MILIEUOVERWEGINGEN EN DUURZAME ONTWIKKELING IN HET GEMEENSCHAPPELIJK LANDBOUWBELEID (GLB)
Bepalend voor de integratiestrategie is de uitkomst van de GLB-hervorming in het kader van Agenda 2000. De overeengekomen hervorming bevat een aantal positieve elementen voor het milieu. Zij versterkt bestaande milieumaatregelen en schept tevens nieuwe. De hervorming is een belangrijke stap in de richting van een betere integratie van milieuaspecten en duurzame ontwikkeling in de landbouw.
De Raad

·
onderkent de multifunctionele rol van de landbouw, die zich uitstrekt van de productie van voedsel en hernieuwbare grondstoffen tot het rentmeesterschap van het agrarische landschap en de bescherming van het milieu. Ook draagt de landbouw onmiskenbaar bij tot de levensvatbaarheid van plattelandsgebieden; ·
is zich ervan bewust dat de richtlijnen inzake preventie en bestrijding van verontreiniging (IPPC) (96/61/EG), milieueffectbeoordeling (97/11/EG), vogels (79/409/EEG), habitat (92/43/EEG), grondwater (80/68/EEG), oppervlaktewater (75/440/EEG), drinkwater (80/778/EG), waterkwaliteit (76/160/EEG, 76/464/EEG, 78/659/EEG, 79/923/EEG, 86/280/EEG) en nitraten (91/676/EEG) van belang zijn voor de landbouw; ·
onderkent dat het GLB rekening dient te houden met internationale verplichtingen inzake biodiversiteit, klimaatverandering, het Verdrag ter bestrijding van woestijnvorming, de pan-Europese strategie voor de biologische en landschappelijke diversiteit, en het geplande VN-ECE-protocol tegen verzuring en eutrofiëring; ·
erkent de verscheidenheid aan situaties in verschillende gebieden van de Gemeenschap en de behoefte aan gedifferentieerde maatregelen en gecoördineerde actie op mondiaal, communautair, interregionaal, nationaal, regionaal en lokaal niveau; ·
is zich ervan bewust dat de Gemeenschap zich thans geplaatst ziet voor twee uitdagingen - de uitbreiding en de WTO-onderhandelingen
- waarin milieuaspecten een belangrijke rol spelen; ·
benadrukt dat het van essentieel belang is voor de toekomst van de Europese landbouw om ervoor te zorgen dat de door de Europese Unie en de lidstaten getroffen milieumaatregelen terdege rekening houden met de eis van handhaving van het concurrentievermogen van de Europese landbouwers ten opzichte van andere handelspartners en voldoen aan de gerechtvaardigde verwachtingen van de samenleving. De EU dient een leidende rol te vervullen in het wereldwijde proces ter verbetering van het milieu.


3. ALGEMENE DOELSTELLINGEN

Integratie van milieubeschermings- en duurzaamheidsvereisten in het beleid voor individuele sectoren is een sleutelelement voor succesvolle sociaal-economische ontwikkeling alsmede verbetering en uitvoering van het milieubeleid. De bevordering van een harmonische, evenwichtige en duurzame ontwikkeling van de economische bedrijvigheid is een hoofddoelstelling van het EU-beleid, zoals vermeld in artikel 2 van het Verdrag ( 2). Artikel 6 van het Verdrag ( 3) bepaalt, als overkoepelende doelstelling, welke ook van toepassing is op het GLB, dat de eisen inzake milieubescherming geïntegreerd moeten worden in de omschrijving en uitvoering van het beleid en het optreden van de Gemeenschap, als bedoeld in artikel 3 ( 4), in het bijzonder met het oog op het bevorderen van duurzame ontwikkeling. Wil het GLB aan deze doelstelling voldoen, dan dient de rol van landbouwers bij het beheer van natuurlijke hulpbronnen en landschapsbehoud versterkt te worden.
Belangrijk is dat er een evenwicht wordt gevonden tussen enerzijds het gebruik van grond en natuurlijke hulpbronnen voor landbouwproductie en anderzijds de maatschappelijke behoeften en waarden op het gebied van bescherming van het milieu en het culturele erfgoed. Duurzame landbouw vraagt om een zodanig beheer van de natuurlijke hulpbronnen, dat de voordelen daarvan ook in de toekomst beschikbaar zullen zijn. Daarbij dient de instandhouding van het algehele evenwicht en de totale waarde van het natuurlijke kapitaal voor ogen te worden gehouden, alsook de noodzaak van een concurrerende landbouw. Ook dienen de uitgangspunten voor de korte, middellange en lange termijn opnieuw te worden gedefinieerd, teneinde daarin de werkelijke sociaal-economische kosten en baten van consumptie en instandhouding te verdisconteren. De aard van de grond en van het grondgebruik zijn belangrijke aspecten bij duurzame landbouw. De bescherming van landschappen, habitats en biologische diversiteit, met inbegrip van genetische hulpbronnen van voedsel en landbouw, vormt een belangrijk uitgangspunt. Ook de kwaliteit van water en lucht is van belang.
Landbouw kan zowel gunstige als ongunstige effecten op het milieu hebben. Beide aspecten dienen in aanmerking te worden genomen, als men het verband tussen landbouw en milieu in zijn geheel wil begrijpen. De gevolgen van landbouwactiviteiten, zowel de positieve als de negatieve, verschillen naar gelang van de plaatselijke omstandigheden, en deze omstandigheden moeten daarom in aanmerking worden genomen bij het meten van de effecten. In gebieden die als gevolg van intensief grondgebruik met ernstige milieuproblemen te kampen hebben, dienen de agrarische bedrijfspraktijken een grotere duurzaamheid te krijgen. Bij het vaststellen van de milieugevolgen van het GLB moeten deze nauwkeurig worden onderscheiden van milieueffecten die voortvloeien uit de dynamiek van de ontwikkeling van de landbouwsector.
De doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid zijn neergelegd in artikel 33 van het Verdrag:

·
de productiviteit van de landbouw te doen toenemen door de technische vooruitgang te bevorderen en door zowel de rationele ontwikkeling van de landbouwproductie als een optimaal gebruik van de productiefactoren, met name de arbeidskrachten, te verzekeren, ·
aldus de landbouwbevolking een redelijke levensstandaard te verzekeren, met name door de verhoging van het hoofdelijk inkomen van hen die in de landbouw werkzaam zijn,
·
de markten te stabiliseren,
·
de voorziening veilig te stellen,
·
redelijke prijzen bij de levering aan verbruikers te verzekeren.

In combinatie met de bijdrage die de landbouw levert tot de levensvatbaarheid van de plattelandsgebieden, omvatten deze doelstellingen belangrijke economische en sociale aspecten van de duurzaamheidsbenadering. De landbouw levert een belangrijke bijdrage aan de instandhouding van de werkgelegenheid in plattelandsgebieden en in de algehele voedings- en niet-voedingsproductieketen.

Uitgangspunt voor de milieustrategie in de landbouwsector is het handhaven en bevorderen van het Europees landbouwmodel: de Europese landbouw moet een economische sector zijn met een veelzijdig, duurzaam en concurrerend karakter, en moet zich uitstrekken tot het gehele grondgebied van Europa, met inbegrip van regio's die specifieke problemen kennen. De landbouw moet bijdragen tot instandhouding van het platteland, natuurbehoud en verbetering van de levensvatbaarheid van het platteland, en moet rekening houden met de wensen en eisen van de consument met betrekking tot voedselkwaliteit en -veiligheid, milieubescherming en waarborging van het dierenwelzijn.

Integratie van het milieu in het GLB begint met de erkenning, dat een referentieniveau van goede agrarische praktijken, dat afhankelijk is van plaatselijke omstandigheden, in acht dient te worden genomen in alle landbouwgebieden van de EU. Algemeen beginsel is dat milieudiensten van landbouwers die verder gaan dan het referentieniveau van goede agrarische praktijken, behoorlijk moeten worden beloond. Bepaalde methoden van landbouwproductie, bijvoorbeeld biologische landbouw, geïntegreerde productie, traditionele bedrijfsvoering met een lage behoefte aan productiemiddelen van buiten en typische locale productievormen, leveren een combinatie van gunstige milieutechnische, sociale en economische effecten.


4. SPECIFIEKE DOELSTELLINGEN

Water

De door de landbouw veroorzaakte vervuiling van zowel het grondwater als het oppervlaktewater moet via gerichte maatregelen verder worden teruggedrongen. De vervuiling moet ten minste worden teruggebracht tot een niveau dat verenigbaar is met duurzaamheid. Uitspoeling van nitraat en fosfaten, afkomstig van de landbouw, moet op plaatsen waar dit tot eutrofiëring en hogere nitraatconcentraties in het drinkwater leidt, worden verminderd door een beter gebruik van nutriënten en de toepassing daarvan te beperken tot de werkelijke behoefte van de gewassen. In bepaalde gebieden van de EU blijft bevloeiing noodzakelijk voor de landbouwproductie. Waar negatieve milieueffecten optreden, wordt dit doorgaans veroorzaakt door onjuist watergebruik voor irrigatie (bijv. verzilting, binnendringing van zeewater, watertekort). Bevloeiing dient te geschieden volgens goede agrarische praktijken.

Landbouwchemicaliën

Naast de EU-regelgeving ter bewaking van de maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelen in landbouwproducten en maatregelen ter vermindering van de milieurisico's van bestrijdingsmiddelengebruik (waterverontreiniging, aantasting van de biologische diversiteit enz.) zouden verdere maatregelen voor gevoelige gebieden moeten worden uitgewerkt.
Gewasbeschermingsmiddelen en biociden zouden alleen wanneer zij nodig zijn mogen worden gebruikt volgens de beginselen van goede gewasbeschermingspraktijken.
De milieurisico's, verbonden aan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en biociden, moeten verder worden teruggedrongen, en waakzaamheid blijft geboden om erop toe te zien dat het gebruik ervan geen gezondheidsrisico's met zich meebrengt.

Genetisch gemodificeerde organismen

Het voorzorgsbeginsel moet nauwgezet in acht worden genomen bij de procedures voor goedkeuring van genetisch gemodificeerde organismen (GGO). De risico's en de voordelen worden hoofdzakelijk bepaald door de specifieke eigenschappen. Het gevaar van nadelige gevolgen voor de gezondheid van mens en dier en voor het milieu moet van geval tot geval wetenschappelijk worden vastgesteld.

Grondgebruik en bodem

De schadelijke fysische, chemische en biologische druk van de landbouw op de bodem moet worden verminderd tot ten minste een niveau dat verenigbaar is met duurzaamheid.

Teneinde de bodemkwaliteit in stand te houden zouden bepaalde landbouwsystemen, zoals oordeelkundige beweiding en de aanwezigheid van heggen en bomen, moeten worden bevorderd. Tevens kunnen beschermingsmaatregelen tegen erosie en brandgevaar alsmede bebossing in belangrijke mate bijdragen tot vermindering van de bodemerosie.

Klimaatverandering en luchtkwaliteit

Als reactie op de klimaatverandering dient te worden gestreefd naar verdere vermindering van de uitstoot van methaan en andere broeikasgassen, overeenkomstig de doelstellingen van het Klimaatverdrag en het Protocol van Kyoto. Bij methaan zou de nadruk moeten komen te liggen op het beheer van stalmest, de emissies van herkauwers en de ontwikkeling en toepassing van nieuwe, rendabele technologieën, bijvoorbeeld voedermaatregelen en methaanreactoren, zoals voorgesteld in de strategie voor de reductie van methaanuitstoot. Teneinde de uitstoot van distikstofoxide (N2O) aan te pakken, dienen de inspanningen voor een beter stikstofverbruik door gewassen uit kunstmest en mest te worden voortgezet.

Hoge ammoniakemissies veroorzaken bodem- en waterverzuring en eutrofiëring, en dragen bij tot de schade die zure regen toebrengt aan de bossen. De landbouw dient gericht te zijn op terugdringing van de ammoniakemissies door ontwikkeling van goede agrarische praktijken, toepassing van beproefde en rendabele technieken en zo nodig vermindering van het aantal dieren in gebieden met een hoge veedichtheid.

De investeringsprogramma's voor de totstandbrenging van behandelingsinstallaties om emissies te verminderen of afvoergassen terug te winnen, moeten worden aangemoedigd voor zover zij rendabel zijn, waarbij er voor moet worden gewaakt dat dit zelf negatieve milieueffecten teweegbrengt.

Volgens de resolutie inzake een Europese bosbouwstrategie kan de rol van de bossen als putten en reservoirs voor koolstof binnen de Unie het best gewaarborgd worden door een duurzaam bosbeheer, hetgeen kan worden bereikt door bescherming en verbetering van de bestaande koolstofreservoirs, vorming van nieuwe koolstofreservoirs en aanmoediging van het gebruik van biomassa en houtproducten.

Het gebruik van hernieuwbare energie uit biomassa en biobrandstoffen, die bijdragen tot het bestrijden van de klimaatverandering, dient te worden bevorderd. Voorts zou ook de niet-voedingsproductie moeten worden vergroot, omdat die over de gehele lijn een positief effect heeft op de broeikasgassenbalans. Tevens moet erop worden toegezien dat de betrokken productiemethoden op hun beurt niet andere negatieve milieueffecten hebben.

Landschap en biologische diversiteit

De landschappen en de biologische diversiteit lopen sterk uiteen in de verschillende gebieden van de EU. De agrarische praktijken hebben een cultuurlandschap en habitats voor wilde dieren en planten doen ontstaan en in stand helpen houden die afhankelijk zijn van de landbouw. De verdere ontwikkeling van het Europees landschap zal in belangrijke mate afhangen van de rentabiliteit van het gebruik van landbouwgrond. Vooral in marginale gebieden kan het opgeven en marginaliseren van het landgebruik leiden tot ongewenste veranderingen in het landschap en de biologische diversiteit. Daarbij zij echter opgemerkt dat intensivering van de landbouw hetzelfde effect kan hebben.

Het resultaat van de wisselwerking tussen de biofysische kenmerken van het landschap en de landbouw, die samen het cultuurlandschap vormen, moet door middel van programma's in stand worden gehouden. Er moet vooral worden ingegrepen in de delen van landbouwgebieden die bedreigd worden door het opgeven van de landbouw of door veranderingen die kunnen leiden tot een landgebruik dat vanuit milieuoogpunt minder gunstig is. Compenserende vergoedingen in probleemgebieden moeten worden gezien als een belangrijk middel voor de instandhouding van het agrarische landschap.

Met het oog op natuurbehoud zijn belangrijke habitats opgespoord, aangewezen en behouden - een beleid dat dient te worden voortgezet - ter bescherming van de flora en fauna die aan traditionele landbouwomgevingen zijn aangepast. In verband met het voorgenomen netwerk van gebieden voor natuurbehoud, Natura 2000, dat momenteel in geheel Europa wordt geharmoniseerd, dient ook de toepassing van goede agrarische praktijken en milieumaatregelen in de landbouw die een heilzaam effect op natuurbehoud hebben te worden bevorderd. De totstandbrenging van een geïntegreerd beleid voor plattelandsontwikkeling in het kader van de Agenda 2000-hervorming van het GLB zal een belangrijk instrument vormen om een meer milieuverantwoorde wijze van bedrijfsvoering te stimuleren.

In veel gebieden bieden open landschappen met natuurlijke en semi-natuurlijke elementen die door landbouwactiviteiten tot stand zijn gebracht een grote rijkdom aan biologische diversiteit, die moet worden beschermd en in stand gehouden.

Bijzondere, gerichte maatregelen zijn nodig voor probleemgebieden, in het bijzonder in de meest marginale gebieden, waar de landbouwactiviteiten anders zouden verdwijnen en de grond niet meer zou worden gebruikt, met alle negatieve gevolgen vandien voor de natuurlijke omgeving en het natuurlijke landschap.

Het beschermen van nog bestaande natuurlijke of semi-natuurlijke agrarische ecosystemen en andere gebieden met een grote natuurwaarde (door deze geheel of gedeeltelijk niet te gebruiken of door hun oppervlakte te vergroten) is een complementaire taak voor het natuurbehoud. Traditionele agrarische methoden en karakteristieke locale productievormen dragen bij tot de bescherming van bepaalde bestaande natuurlijke of semi-natuurlijke ecosystemen.

Genetische rijkdommen voor voedsel en landbouw, met name genetisch materiaal van gewassen en inheemse dieren, moeten worden bewaard, bijvoorbeeld door milieumaatregelen in de landbouw en door het opzetten en ondersteunen van genenbanken. Evaluatie van en onderzoek naar die rijkdommen dienen te worden bevorderd met het oog op het duurzame gebruik ervan.

Dierenwelzijn

Ethische productiemethoden en dierenwelzijn dienen te worden bevorderd als elementen van duurzame landbouw.

Teneinde een te grote veebezetting te vermijden en een beter beeld te krijgen van de veedichtheid in verschillende gebieden zou waar nodig de registratie van landbouwhuisdieren moeten worden verbeterd.

Bossen

In de bosbouwsector moeten de lidstaten de evenwichtige en gecoördineerde uitvoering van de resolutie inzake een bosbouwstrategie voor de Europese Unie bespoedigen parallel aan de follow-up van de resultaten van de ministeriële conferenties over de bescherming van Europese bossen (Straatsburg, Helsinki en Lissabon) en die van het Intergouvernementele Bossenforum van de VN.

Uitbreiding

Bij het uitbreidingsproces moet ruime aandacht moeten worden besteed aan milieuaspecten, teneinde mogelijke negatieve gevolgen van de toetreding voor het milieu te beperken. Het is van zeer groot belang te zorgen voor een permanente positieve ontwikkeling van het agrarische milieu in de kandidaat-lidstaten.

WTO

Er dient op gewezen te worden, dat de resultaten van de volgende WTO-onderhandelingsronde een juist evenwicht moeten opleveren tussen handelskwesties en andere aspecten (bijv. milieubescherming, de veiligheid en kwaliteit van voedsel en dierenwelzijn), die veelal verband houden met de multifunctionele rol van de landbouw of een antwoord moeten geven op de gerechtvaardigde bezorgdheid van de landbouwsector en de consument.

BEGINSELEN

Als algemeen uitgangspunt geldt dat de landbouwers als onderdeel van de steunregelingen aan het referentieniveau van goede agrarische praktijken moeten voldoen, doch dat extra milieuzorg die verder gaat dan het referentieniveau en de naleving van de milieuwetgeving door de maatschappij behoorlijk dient te worden vergoed, bijv. via milieumaatregelen in de landbouw.

Bij het ontwerpen van maatregelen en regelingen moet het subsidiariteitsbeginsel in acht worden genomen, zodat recht kan worden gedaan aan de diversiteit van de Europese landbouw. De bevoegdheid tot besluitvorming inzake en uitvoering van milieumaatregelen in de landbouw dient in de eerste plaats op nationaal of regionaal niveau te berusten.
De integratie van milieuoverwegingen in landbouwbeleid moet verenigbaar met zijn met het beginsel dat de vervuiler betaalt. Dit beginsel impliceert dat landbouwers de kosten van naleving van de normen dragen tot een bepaald referentieniveau van goede agrarische praktijken in het betrokken gebied. In het algemeen moeten landbouwers boven dat niveau betaald worden voor milieudiensten die zij met eigen middelen of productiefactoren geleverd hebben. In gebieden met ernstige milieuproblemen kan tijdelijk ingrijpen van regeringswege, in overeenstemming met het Verdrag, evenwel geboden zijn teneinde de duurzaamheid te verbeteren en op het referentieniveau te brengen. Duurzaam economisch gedrag is tevens afhankelijk van een zeker niveau van betrouwbaarheid en voorspelbaarheid van het beleid, waardoor onnodige onzekerheid ten aanzien van het langetermijnrendement op gedane investeringen kan worden vermeden. Juiste toepassing van het voorzorgsbeginsel draagt ertoe bij dat onherstelbare schade wordt voorkomen.
Het geïntegreerde plattelandsbeleid dient verder ontwikkeld en verdiept te worden door rekening te houden met de sociale en economische aspecten daarvan, door samenwerking en overleg aan te moedigen tussen de verschillende actoren (milieuautoriteiten, niet-gouvernementele organisaties, landbouworganisaties en overheidsorganen) in het streven naar duurzaamheid, en door op nationaal niveau maatregelen te nemen. Het beleid inzake plattelandsontwikkeling - de tweede pijler van het GLB - tracht een samenhangend en duurzaam kader voor de toekomst van plattelandsgebieden te ontwikkelen dat gericht is op herstel en vergroting van het concurrentievermogen en daardoor bijdraagt aan het behoud van werkgelegenheid.


6. MILIEUMAATREGELEN IN HET KADER VAN DE GLB-HERVORMING 1999 (AGENDA 2000)

Een van de prioriteiten van de Europese Commissie bij het uitwerken van de voorstellen voor de GLB-hervorming was ervoor te zorgen dat de Europese landbouw milieubewuster wordt.
De door de Commissie in Agenda 2000 voorgestelde politieke en financiële richtsnoeren zijn tijdens de Europese Raad van Berlijn in maart 1999 door de staatshoofden en regeringsleiders goedgekeurd. De overeenstemming over Agenda 2000 stelt de Europese Unie thans in staat de uitdagingen van de komende periode aan te nemen en zich met succes op de toekomstige uitbreiding voor te bereiden.
De integratie van milieuaspecten in het GLB is niet geheel nieuw. De GLB-hervorming van 1992 bevatte specifieke maatregelen om een minder intensieve productie aan te moedigen en de runder- en schapensector in de gelegenheid te stellen, passende milieubeschermingsmaatregelen toe te passen. Deze hervorming ging vergezeld van milieumaatregelen op landbouwgebied en bebossingsmaatregelen, die beide een specifieke milieudoelstelling dienen. De GLB-hervorming in het kader van Agenda 2000 verdiept en verbreedt de hervorming van 1992 door een verdere verschuiving van prijssteun naar rechtstreekse betalingen. Tevens wordt een coherent plattelandsbeleid ontwikkeld om dit proces te begeleiden. Met het Europese landbouwmodel als grondslag wil de GLB-hervorming waarborgen dat de Europese landbouw in geheel Europa, ook in regio's met specifieke problemen, multifunctioneel en duurzaam, alsmede op wereldniveau concurrerend is. De GLB-hervorming in het kader van Agenda 2000 biedt een groot aantal mogelijkheden om de milieudoelstellingen van de landbouw te verwezenlijken. De GLB-hervorming is een essentieel onderdeel van het standpunt van de Europese Unie voor de komende multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Wereldhandelsorganisatie (WTO). De hervorming is tevens een duidelijk signaal aan de EU-handelspartners dat de EU veel waarde hecht aan het Europees landbouwmodel.
Het GLB blijft een communautaire beleidstak terwijl daarnaast een substantiële trend bestaat naar meer subsidiariteit bij de uitvoering van een aantal beleidsmaatregelen via nationale en regionale wetgeving.
De GLB-hervorming in het kader van Agenda 2000 omvat de hervorming van de gemeenschappelijke marktordeningen (GMO) voor rundvlees, melk, akkerbouwgewassen en wijn, alsmede de hervorming van het plattelandsontwikkelingsbeleid en de financiering van het GLB. Een ander belangrijk onderdeel van de hervorming is een nieuwe verordening inzake gemeenschappelijke voorschriften voor directe steunregelingen in het kader van het GLB (horizontale regelgeving).

De GLB-hervorming in het kader van Agenda 2000 vormt de basis voor het communautaire beleid, gericht op de bescherming van het landbouwmilieu. De hervorming bevat milieudoelstellingen en voorziet in maatregelen om die te verwezenlijken. Het GLB kan echter niet alle milieuproblemen oplossen die verband houden met de landbouw. Er bestaat behoefte aan aanvullend milieubeleid, dat de integratie van milieueisen in het GLB aanvult. Dit beleid wordt normaliter via algemene milieuwetgeving toegepast en verwijst in sommige gevallen naar internationale milieuverdragen.

Het merendeel van de maatregelen in het kader van Agenda 2000 zal worden uitgevoerd in het jaar 2000, waarmee tevens het tijdschema is vastgesteld voor de nationale programma's en maatregelen.

Verordening gemeenschappelijke voorschriften (Raadsverordening (EG) nr. 1259/1999)

De verordening gemeenschappelijke voorschriften introduceert milieubeschermingseisen in samenhang met steunbetalingen in het kader van de gemeenschappelijke marktordening. De lidstaten moeten de milieumaatregelen nemen die zij passend achten gezien de specifieke situatie wat de gebruikte landbouwgrond of de productie betreft en waarin mogelijke milieueffecten zijn verdisconteerd (artikel 3). Deze maatregelen kunnen omvatten:


- steun als tegenprestatie voor verbintenissen in het kader van milieumaatregelen in de landbouw,


- dwingende algemene milieueisen,


- specifieke milieueisen om voor rechtstreekse betalingen in aanmerking te komen.

De lidstaten stellen sancties vast die passen bij en in verhouding staan tot de ernst van de ecologische gevolgen van het niet naleven van de milieueisen. Zij kunnen bepalen dat de uit de betrokken steunregelingen voortvloeiende voordelen worden verlaagd of eventueel ingetrokken indien niet aan deze milieueisen wordt voldaan. De ingehouden steun kan worden

overgeheveld naar de maatregelen inzake vervroegde uittreding, probleemgebieden en gebieden met specifieke beperkingen op milieugebied, milieumaatregelen in de landbouw en bebossing van de programma's voor plattelandsontwikkeling.

Steunaanpassingen naar gelang van de omstandigheden, als bepaald in de verordening gemeenschappelijke voorschriften, bieden de lidstaten de mogelijkheid de vrijkomende bedragen over te hevelen naar plattelandsontwikkelingsprogramma's.

Plattelandsontwikkeling (Raadsverordening (EG) nr. 1257/1999)

Het beleid inzake plattelandsontwikkeling begeleidt en completeert de andere instrumenten van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en draagt bij tot het bereiken van de doelstellingen van dit beleid zoals omschreven in artikel 33, lid 1, van het Verdrag.

Met de hervorming wordt in het GLB een duidelijke pijler voor plattelandsontwikkeling tot stand gebracht waarbij zorg voor het milieu een centrale plaats inneemt, en worden in de nationale of regionale programma's belangrijke onderdelen met een gunstig milieueffect opgenomen. Deze milieuonderdelen omvatten maatregelen op het gebied van opleiding, milieuzorg in de landbouw, probleemgebieden en bebossing.

Het nieuwe beleid erkent plattelandsontwikkeling als een integrerend deel van het GLB en een kernelement van het multifunctionele karakter van de Europese landbouw. Enerzijds wordt erkend dat de landbouw een aantal belangrijke taken vervult, waaronder het behoud van de waarden van landelijke gebieden, en anderzijds dat het creëren van alternatieve inkomstenbronnen wezenlijk deel moet uitmaken van het beleid inzake plattelandsontwikkeling.

Door de voorbereiding van de ontwikkelingsplannen op nationaal en lokaal niveau wordt de beleidsintegratie ondersteund. Deze plannen zijn een nuttig platform voor samenwerking tussen de betrokken autoriteiten en plaatselijke gemeenschappen, alsmede voor het beoordelen van de verwachte economische, milieutechnische, maatschappelijke en culturele effecten.

Als voorwaarde voor de toepassing van maatregelen inzake plattelandsontwikkeling geldt dat met deze maatregelen minimumnormen inzake milieu, hygiëne en dierenwelzijn in acht worden genomen of zullen worden bereikt. Voor activiteiten die verder gaan dan de minimumnormen worden normaliter milieumaatregelen in de landbouw toegepast.

Een aantal maatregelen in het kader van de verordening inzake plattelandsontwikkeling kan worden gericht op bevordering van de biologische landbouw, de biologische diversiteit, het landschap, watersystemen en de bestrijding van de klimaatverandering (bijvoorbeeld investeringen, opleiding, milieumaatregelen in de landbouw, verwerking en afzet).

a) Milieumaatregelen in de landbouw
Milieumaatregelen in de landbouw vormen een verplicht onderdeel van alle plannen voor plattelandsontwikkeling die in de lidstaten worden uitgevoerd (artikel 43, lid 2). De komende jaren moet aan milieumaatregelen in de landbouw een voorname rol worden toebedeeld, teneinde de duurzame ontwikkeling van plattelandsgebieden te ondersteunen en aan de toenemende vraag van de samenleving naar dienstverlening op milieugebied te voldoen. Door milieumaatregelen in de landbouw worden landbouwers gestimuleerd om de samenleving in haar geheel diensten te bewijzen door de introductie, verdere toepassing of verbetering van landbouwmethoden die verenigbaar zijn met de toegenomen noodzaak van bescherming en verbetering van het milieu, biodiversiteit, de natuurlijke hulpbronnen, de bodem, alsmede de genetische verscheidenheid, en om het landschaps- en natuurbeheer in stand te houden.
De milieumaatregelen in de landbouw voorzien in betaling van steun aan landbouwers die vrijwillig verbintenissen aangaan om diensten te bewijzen ter bescherming van het milieu en voor de instandhouding van het landschap. Steun wordt uitsluitend toegekend voor maatregelen die verder gaan dan de toepassing van de gebruikelijke goede landbouwmethoden (artikel 23, lid 2), hetgeen betekent dat de landbouwer de minimummilieueisen reeds in acht neemt.
Het is belangrijk de juiste toepassing van gerichte milieumaatregelen in de landbouw op het gehele grondgebied van de lidstaten te bevorderen. Het landbouwareaal waarvoor krachtens de EG-verordening verbintenissen op het gebied van milieumaatregelen in de landbouw zijn aangegaan, en de voordelen voor het milieu moeten in de toekomst worden vergroot.

b) Compenserende vergoedingen in probleemgebieden en gebieden met specifieke beperkingen op milieugebied

De hoofddoelstellingen van de compenserende vergoedingen voor de probleemgebieden blijven na de hervorming grotendeels ongewijzigd, te weten de voortzetting van het agrarische landgebruik waarborgen en daarmee bijdragen tot de instandhouding van een vitale plattelandsgemeenschap, het landelijk gebied in stand houden, alsmede duurzame landbouwsystemen waarin met name rekening wordt gehouden met milieubeschermingsbelangen, in stand houden en bevorderen (artikel 13, sub a)). In gebieden met specifieke beperkingen op milieugebied kunnen compenserende vergoedingen worden gegeven om te waarborgen dat aan de milieueisen wordt voldaan en om de landbouw in die gebieden veilig te stellen (artikel 13, sub b)). Alle compenserende vergoedingen worden toegekend op basis van areaal, zodat een eventuele tendens tot overmatige veebezetting vanwege vergoeding per dier wordt voorkomen (artikel 14, lid 2).

c) Duurzaam beheer van de bossen en duurzame ontwikkeling van de bosbouw

Na de hervorming zal de steun voor bossen bijdragen tot de instandhouding en de ontwikkeling van de economische, ecologische, maatschappelijke en culturele functies van bossen in plattelandsgebieden.
De maatregelen in de bosbouwsector omvatten: maatregelen ter bescherming van de bossen, in het bijzonder wat betreft bosbranden (artikelen 29 en 32), bebossing aangepast aan de plaatselijke omstandigheden, verenigbaar met het milieu (artikelen 30 en 31), investeringen in bossen, gericht op het substantieel verbeteren van hun economische, ecologische en maatschappelijke waarde (artikel 30), instandhouding en verbetering van de ecologische waarde van de bosgebieden, herstel van beschadigde bossen en het waarborgen van de beschermende functie van bossen, in het bijzonder bossen waarvan de beschermende en ecologische functies niet enkel uit exploitatie-inkomsten kunnen worden verzekerd (artikel 32).
Bebossing van landbouwgrond stimuleert vormen van landschapsbeheer die beter verenigbaar zijn met het milieu, zodat het broeikaseffect wordt tegengegaan en kooldioxide wordt geabsorbeerd.

Overige

Investeringen (artikel 5)

In het kader van de investeringssteun zal een aantal investeringsdoelstellingen betrekking hebben op instandhouding en verbetering van het natuurlijk milieu, hygiënische omstandigheden en normen voor dierenwelzijn.

Jonge landbouwers (artikel 8, lid 1)

Naleving van de voorschriften betreffende milieu-, hygiëne- en dierenwelzijnnormen worden eveneens vermeld als voorwaarden voor vestigingssteun aan jonge landbouwers.

Beroepsopleiding (artikel 9)

Beroepsopleiding bereidt de landbouwers voor op een kwalitatieve heroriëntering van de productie, de toepassing van productiemethoden die verenigbaar zijn met landschapsbehoud en landschapsverbetering, milieubescherming, hygiënische normen en dierenwelzijn, en op het verwerven van de vaardigheden die hen in staat moeten stellen om een economisch levensvatbaar landbouwbedrijf te beheren (artikel 9).

Verbetering van de verwerking en de afzet (artikel 26, lid 1)

Vereisten ten aanzien van milieu, hygiëne en dierenwelzijn maken deel uit van de voorwaarden voor steun ter verbetering van de verwerking en afzet van landbouwproducten.

Bevordering van de aanpassing en ontwikkeling van plattelandsgebieden (artikel 33 Verordening nr. 1257/99)

Overeenkomstig artikel 33 wordt steun bijvoorbeeld toegekend voor grondverbetering, dorpsvernieuwing en -ontwikkeling en de bescherming en instandhouding van het landelijke erfgoed, het waterbeheer in de landbouw en milieubehoud in samenhang met land- en bosbouw en landschapsbeheer, en met verbetering van het welzijn van dieren.

Gemeenschappelijke marktordeningen (GMO's)

De laatste hervorming van de GMO's in 1992 hield in zekere mate rekening met de milieuaspecten van de landbouw. Verwacht werd dat de druk van de landbouwactiviteiten op het milieu zou afnemen door de prijsvermindering van een aantal belangrijke producten. Dit zou dan vooral resulteren in minder intensief gebruik van bestrijdingsmiddelen en kunstmest in de akkerbouwsector en in een afname van de door de veehouderij veroorzaakte emissies (methaan, ammoniak, nitraten).

De marktordeningen voorzien in versterkte extensiveringsmaatregelen voor rundvlees, braakleggingsverplichtingen in de graansector en in een aantal nieuwe milieumogelijkheden in de nationale begrotingen voor de rundvlees- en melksector.

a) Productie van akkerbouwgewassen (Raadsverordening (EG) nr. 1251/1999)

In de akkerbouwsector moeten de lidstaten de nodige maatregelen nemen om de relevante milieueisen onder de aandacht van de landbouwers te brengen (artikel 8, lid 3).

Met betrekking tot braaklegging zij opgemerkt dat voor de verplichte braaklegging een basispercentage van 10% is vastgesteld voor de periode van 2000/2001 tot 2006/2007 (artikel 6, lid 1). Vrijwillige braaklegging wordt gehandhaafd, maar het systeem wordt verbeterd, vooral om beter rekening te kunnen houden met milieuoverwegingen. De lidstaten staan landbouwers toe tot ten minste 10% braak te leggen van het areaal dat met akkerbouwgewassen is ingezaaid (artikel 6, lid 5).

Braaklegging kan gunstig zijn voor het milieu. Braaklegging kan echter negatieve gevolgen hebben als een goed beheer ontbreekt. Waar braaklegging is toegestaan, dienen de lidstaten derhalve milieumaatregelen te nemen die beantwoorden aan de specifieke situatie van de braakgelegde grond (artikel 6, lid 2).

b) Rundvleesproductie (Raadsverordening (EG) nr. 1254/1999)

In de rundvleessector wordt het totale aantal dieren waarvoor de speciale premie en de zoogkoeienpremie kan worden verkregen, verder beperkt tot twee grootvee-eenheden (GVE) per hectare voederareaal per kalenderjaar (artikel 12, lid 1).

Om de extensivering van de productie zodanig te bevorderen dat de milieudoeleinden efficiënter kunnen worden nagestreefd, kan een aanvullend bedrag worden toegekend aan producenten die aan strenge en verantwoorde eisen inzake veebezetting voldoen. Het extensiveringsbedrag verschilt per geval en is afhankelijk van de veebezetting van het landbouwbedrijf (artikel 13). Het veebezettingsgetal wordt berekend op basis van het totale aantal volwassen runderen, schapen en geiten (artikel 12, lid 2). Een van de doelstellingen van deze maatregel is om de door de rundvleesproductie veroorzaakte emissies terug te dringen. Deze maatregel levert zowel marktvoordelen als milieuvoordelen op, terwijl tegelijkertijd het imago van de rundvleesproductie wordt verbeterd.

In het kader van de regeling voor rundvlees wordt een bepaald bedrag van de totale middelen ter beschikking gesteld van de lidstaten om de sector te ondersteunen via rechtstreekse betalingen op basis van bijzondere behoeften (artikelen 14 - 18). Deze bedragen kunnen ook worden toegekend in de vorm van areaalbetalingen, waardoor er voor de landbouwers minder reden is tot overmatige veebezetting. Volgens de rundvleesverordening moeten de lidstaten in een aantal gevallen een specifiek veebezettingsgetal vaststellen, rekening houdend met de gevolgen van het betrokken productietype voor het milieu, de milieugevoeligheid van het areaal dat voor rundveehouderij wordt gebruikt en de maatregelen die zijn genomen om de toestand van dat areaal uit milieuoogpunt te stabiliseren of te verbeteren (artikel 15, lid 3).

c) Melkproductie (Raadsverordening (EG) nr. 1255/1999)

In het kader van de melkverordening wordt een substantieel gedeelte van de totale middelen ter beschikking van de lidstaten gesteld om de betrokken sector te ondersteunen via rechtstreekse betalingen op basis van bijzondere behoeften. De bepalingen voor toekenning van de steun komen overeen met die voor de rundvleessector.
d) Wijnbouw

In de wijnbouwsector moet bij het beheer van de stopzettingspremie rekening worden gehouden met een evenwicht tussen productie en milieu in het bewuste gebied. Het beheer van de stopzettingspremie wordt overgelaten aan de lidstaten, die de gebieden kunnen aanwijzen waar de premie kan worden toegekend. Gedetailleerde voorschriften voor de toepassing van de stopzettingspremie zullen worden vastgesteld in de uitvoeringsverordening, die thans in voorbereiding is. Deze voorschriften kunnen onder meer milieuoverwegingen bevatten (artikel 10).


7. TOEZICHT EN EVALUATIE

Teneinde de duurzame ontwikkeling van de landbouw te waarborgen moet ook worden voorzien in adequate toezicht-, rapportage- en evaluatieverplichtingen. Er bestaan verscheidene mechanismen om de milieueffecten van de landbouw en andere sectoren te meten, zoals beoordeling, toezicht, evaluatie en gegevensverzameling. Bij toezichthoudende werkzaamheden zouden de bestaande informatiesystemen - voor zover beschikbaar - moeten worden gebruikt en verder worden ontwikkeld. In het vijfde milieuactieprogramma van de Gemeenschap wordt de nadruk gelegd op periodieke rapportage en op het genereren van vergelijkbare gegevens.
Indicatoren
Het gebruik van indicatoren is één van de graadmeters van het effect van de betrokken beleidstakken op de economische, sociale en milieufuncties van de landbouw. Indicatoren, zoals de landbouw/milieu-indicatoren (AEI's) die thans ontwikkeld worden in het kader van de OESO, zijn gekwantificeerde informatie, die alleen een aantal verbanden tussen landbouw en milieu aangeven. Indicatoren moeten zoveel mogelijk worden afgeleid uit beschikbare gegevens en rekening houden met regionale verschillen. Het is belangrijk dat de indicatoren ook de multifunctionaliteit van de landbouw en de duurzame ontwikkeling ervan bestrijken. Na zijn bijeenkomst te Cardiff in juni 1998 heeft de Europese Raad verzocht om een regelmatige voortgangsrapportage over de uitvoering van milieu-integratiestrategieën op basis van indicatoren. Op verzoek van de Raad is de Commissie begonnen met het ontwikkelen van milieu-indicatoren. Ook wordt gewerkt aan de ontwikkeling van landbouw/milieu-indicatoren. Bij de ontwikkeling van landbouw/milieu- en andere indicatoren moet ten volle gebruik worden gemaakt van de ervaring van internationale organisaties, zoals de OESO, en worden voortgebouwd op de activiteiten in de lidstaten.
Criteria en indicatoren voor duurzaam bosbeheer zijn op Europese schaal ontwikkeld. Bij de ontwikkeling van criteria en indicatoren voor duurzame landbouw zou hiervan profijt kunnen worden getrokken.
Er moet worden voorzien in periodieke rapportage en het genereren van vergelijkbare gegevens over de belangrijkste agrarische parameters, met inbegrip van verschillende typen landbouwmethoden, productiesystemen en niveaus van kunstmest- en bestrijdingsmiddelengebruik. Er moeten indicatoren worden ontwikkeld om zowel de positieve als de negatieve gevolgen van de landbouw te meten. Een wezenlijk vereiste voor bruikbare indicatoren is dat er bij het ontwikkelen daarvan voldoende rekening wordt gehouden met regionale differentiatie. Dit is noodzakelijk in verband met regionale verschillen in de milieusituatie (bodemtype, klimaat, hydrogeologische situatie, biologische diversiteit, lengte van het groeiseizoen) en met de plaatsspecifieke effecten van verschillende typen landbouwproductiesystemen en -structuren (veebezetting, soort gewassen, opbrengst, vruchtwisseling, etc.).

CONCLUSIES

De Raad stemt in met het volgende:

(1) Duurzame landbouw zorgt ervoor dat de natuurlijke hulpbronnen van de landbouw productief blijven en de landbouwproductie in de toekomst concurrerend kan zijn en dat landbouwactiviteiten worden uitgeoefend in het kader van de bevordering van een gunstig milieueffect.

(2) De landbouw heeft een bredere functie dan enkel het produceren van voedsel en niet-voedingsproducten. De landbouw is multifunctioneel en heeft duidelijk gevolgen voor het milieu en het landschap. Bovendien is landbouw van fundamenteel belang voor de vitaliteit van plattelandsgebieden.

(3) Goede agrarische praktijken moeten verder worden ontwikkeld en in acht worden genomen in alle gebieden van de EU.

(4) De landbouw speelt een belangrijke rol door bij te dragen tot de instandhouding van de werkgelegenheid, zowel op het platteland als in de gehele productieketen van voedings- en niet-voedingsproducten.

(5) Het Europees landbouwmodel, dat is goedgekeurd tijdens de Europese Raad van Luxemburg in december 1997, vormt de hoeksteen van de integratiestrategie.

(6) De hervorming in het kader van Agenda 2000 is een belangrijke stap op weg naar een verdergaande milieu-integratie en duurzame ontwikkeling in het GLB.

(7) Er staat een scala van maatregelen ter beschikking voor de verbetering van het milieu in de landbouwsector. De GLB-hervorming in het kader van Agenda 2000 biedt talrijke mogelijkheden voor het beoefenen van duurzame landbouw. Het is aan de lidstaten om deze nieuwe middelen nu aan te wenden, om ervoor te zorgen dat duurzame ontwikkeling werkelijkheid wordt in de Europese landbouw.

(8) Enerzijds moeten de landbouwers ervan worden overtuigd dat zij meer gebruik moeten maken van duurzame landbouwmethoden, en anderzijds moet de maatschappij ervan worden overtuigd dat landbouw steeds meer een activiteit is die zorg draagt voor het plattelandsmilieu en de maatschappij waardevolle diensten levert.

(9) De landbouw moet rekening houden met de groeiende bezorgdheid van de consument over de voedselveiligheid en de kwaliteit van voedsel en milieu; bijgevolg moeten productiemethoden die op deze doelstellingen zijn gericht, waaronder ook biologische productie, worden bevorderd.

(10) De economische, milieutechnische, sociale en culturele diensten die worden verleend door de landbouwers, moeten worden erkend; de landbouwers moeten een behoorlijke vergoeding voor die diensten krijgen. Speciaal wanneer landbouwers diensten verlenen ten behoeve van het milieu die verder gaan dan het referentieniveau van goede agrarische praktijken en milieuwetgeving, moeten zij een behoorlijke vergoeding krijgen, bijvoorbeeld via milieumaatregelen in de landbouw die op vrijwillige basis worden uitgevoerd.

(11) Tijdens het uitbreidingsproces moet verzekerd worden dat het plattelandsmilieu en de duurzame landbouw in de toetredende staten zich op positieve wijze ontwikkelen.

(12) Bij de komende WTO-onderhandelingsronde moet in het onderhandelingsresultaat een juist evenwicht worden gevonden tussen handels- en niet-handelskwesties. Dit geldt in het bijzonder voor de multifunctionele rol van de landbouw, met inbegrip van milieubescherming, voedselveiligheid en -kwaliteit en het welzijn van dieren. Een grote uitdaging van de komende WTO-ronde is, te verzekeren dat de Europese duurzame landbouw verdedigd en bevorderd wordt.

(13) Indicatoren voor milieu en duurzame ontwikkeling die een instrument bieden om periodiek de efficiëntie te meten van de maatregelen in het kader van deze integratiestrategie, moeten verder worden ontwikkeld.

(14) Een fundamentele langetermijndoelstelling van het beleid is samenhang te bewerkstelligen tussen het landbouwbeleid en het milieubeleid. De vooruitgang moet op gezette tijden worden geëvalueerd. Het gebruik van indicatoren moet eveneens regelmatig worden bijgesteld. Hoewel de meeste milieumaatregelen in de landbouwsector langetermijnmaatregelen zijn waarvan het effect pas na enige tijd kan worden waargenomen, is op dit gebied een constante en ononderbroken inspanning vereist.

ZONDER DEBAT AANGENOMEN PUNTEN

(Besluiten die vergezeld gaan van verklaringen die de Raad voor het publiek beschikbaar heeft gesteld, zijn aangegeven met een asterisk; deze verklaringen zijn verkrijgbaar bij de Persdienst.)

LANDBOUW

Mond- en klauwzeer *

De Raad nam een beschikking aan tot wijziging van Beschikking 91/666/EEG betreffende de vorming van communautaire reserves van mond- en klauwzeervaccins. Met de wijziging wordt beoogd de procedures te verbeteren voor de aanwijzing van antigeen- en vaccinbanken om onmiddellijk te kunnen reageren wanneer het nodig zou blijken de communautaire reserves van mond- en klauwzeerantigeen waarmee in noodgevallen zeer snel vaccins kunnen worden aangemaakt, te verspreiden over of op te slaan in verschillende plaatsen.

Invoer van pluimvee, broedeieren en vlees van pluimvee *

De Raad nam twee richtlijnen aan tot wijziging van de veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer en de invoer uit derde landen van pluimvee en broedeieren (Richtlijn 90/539/EEG) en van vers vlees van pluimvee (Richtlijn 91/494/EEG). Deze wijzigingen zijn bedoeld als vereenvoudiging en versterking van de veterinairrechtelijke garanties voor het handelsverkeer in pluimvee en vlees van pluimvee, aangezien zij met name garanties voor de gezondheidscontrole bieden die ten minste gelijkwaardig zijn aan de garanties die worden geëist van communautaire producenten.

Overeenkomst tussen de Gemeenschap en Nieuw-Zeeland

De Raad nam een wijziging aan van Besluit 97/132/EG van 17 december 1996 betreffende de sluiting van de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en Nieuw-Zeeland inzake sanitaire maatregelen voor de handel in levende dieren en dierlijke producten.

Deze overeenkomst is nog niet van kracht geworden, omdat in de bijlagen enkele technische wijzigingen moeten worden aangebracht vooraleer zij in de praktijk kan worden toegepast. De wijziging voorziet in een procedure om de bijlagen te wijzigen (afgestemd op de procedure die is afgesproken voor de overeenkomst met de Verenigde Staten van Amerika) en voert andere wijzigingen in verband met administratieve aangelegenheden in.

Statistische enquêtes inzake de fruitproductie

De Raad nam een wijziging aan van Richtlijn 76/625/EEG betreffende de door de lidstaten te houden statistische enquêtes, teneinde het productiepotentieel van bepaalde soorten fruitbomen vast te stellen.

Door deze wijziging wordt de verzameling en jaarlijkse indiening van de gegevens over de rooiingen en nieuwe aanplantingen voor de lidstaat facultatief, en dus ook de jaarlijkse verslagen die de Commissie aan de Raad moet voorleggen, aangezien deze gegevens niet langer als onmisbaar worden beschouwd om de potentiële ontwikkeling op middellange termijn van de communautaire productie te bepalen.

Mengvoeders en voedermiddelen

De Raad nam een gemeenschappelijk standpunt aan met het oog op de aanneming van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 79/373/EEG betreffende de handel in mengvoeders en Richtlijn 96/25/EG betreffende het verkeer van voedermiddelen. Het gemeenschappelijk standpunt wordt nu aan het Europees Parlement voorgelegd voor een tweede lezing in het kader van de medebeslissingsprocedure.

Richtlijn 79/373/EEG heeft betrekking op de handel in mengvoeders. Hoofddoel van de voorgestelde wijziging van de richtlijn is de maatregel te vervolledigen door onderstaande bepalingen op te nemen:


- er wordt een bepaling opgenomen dat op het etiket of in het geleidedocument bij mengvoeders, ofwel het erkenningsnummer van het bedrijf (zoals gedefinieerd in de bestaande communautaire regelgeving), ofwel het registratienummer, al naargelang het geval, moet worden vermeld;

- er wordt in Richtlijn 79/373/EEG een verwijzing opgenomen naar de wijziging in Richtlijn 96/25/EG die voorziet in een lijst van verboden ingrediënten in voedermiddelen en die van toepassing zal zijn op het verkeer en het gebruik van dergelijke voedermiddelen.

In Richtlijn 96/25/EG wordt het verkeer van voedermiddelen binnen de Gemeenschap geregeld. Een van de doelstellingen van de voorgestelde wijziging van de richtlijn is een zodanige uitbreiding van de werkingssfeer dat zowel het verkeer als het gebruik van voedermiddelen worden bestreken. Dit betekent dat de bepalingen betreffende het in het verkeer brengen van voedermiddelen van toepassing moeten zijn op alle producten die worden gebruikt als voeder, met inbegrip van de producten die rechtstreeks door veehouders worden gebruikt zonder eerst in het verkeer te worden gebracht. Meer in het bijzonder zullen de regels betreffende de veiligheid van voedermiddelen nu van toepassing worden op alle producten die als voeder worden gebruikt en ook van toepassing zijn op het niveau van het landbouwbedrijf.

Een andere doelstelling van de wijziging is opvulling van de huidige hiaten in de communautaire wetgeving.


- Ten eerste geldt de in Beschikking 91/516/EEG van de Commissie genoemde lijst van ingrediënten die niet mogen worden gebruikt bij de bereiding van mengvoeders momenteel uitsluitend voor de handel in mengvoeders en moet deze lijst daarom worden ingetrokken. Teneinde de reikwijdte van de toepassing uit te breiden moet de ingetrokken lijst in Richtlijn 96/25/EG worden vervangen door een negatieve lijst van verboden ingrediënten, die geldt voor het verkeer en het rechtstreeks gebruik van alle voedermiddelen, met inbegrip van mengvoeders.

- Ten tweede moet in de bepalingen van Richtlijn 96/25/EG die betrekking hebben op de veiligheid van voedermiddelen worden gesteld dat voedermiddelen geen gevaar mogen vormen voor het milieu.

- Ten derde wordt met deze wijziging beoogd te zorgen voor de traceerbaarheid van uit dierlijk afval samengesteld voedermateriaal zoals omschreven in Richtlijn 90/667/EEG. Opdat dergelijke voedermiddelen vanaf het moment dat zij in het verkeer worden gebracht tot aan het eindgebruik kunnen worden getraceerd, moet het productie-etiket informatie bevatten waarmee de producenten makkelijk kunnen worden geïdentificeerd (d.w.z. naast de naam en het adres van het bedrijf, ook het erkenningsnummer van het bedrijf en het referentienummer van de partij).

Controles op het gebied van diervoeding

De Raad nam een gemeenschappelijk standpunt aan met het oog op de aanneming van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad houdende wijziging van Richtlijn 95/53/EG tot vaststelling van de beginselen inzake de organisatie van de officiële controles op het gebied van diervoeding. Het gemeenschappelijk standpunt wordt aan het Europees Parlement voorgelegd voor een tweede lezing in het kader van de medebeslissingsprocedure.

In Richtlijn 95/53/EG zijn de beginselen vastgesteld op basis waarvan de lidstaten officiële controles moeten uitvoeren op het gebied van diervoeding. De richtlijn heeft zowel betrekking op producten van oorsprong uit de Gemeenschap als op producten uit derde landen. De richtlijn is in mei 1998 van kracht geworden.

Met dit voorstel wordt beoogd Richtlijn 95/53/EG te wijzigen, teneinde te voorzien in:


- een rechtsgrondslag voor de eventuele toekomstige aanneming van toepassingsmaatregelen met het oog op de instelling van een betrouwbare, geharmoniseerde procedure voor de controle van de documenten, voor de overeenstemmingscontrole en voor de fysieke controle, van alle uit derde landen geïmporteerde producten;
- controlemaatregelen voor uit derde landen geïmporteerde producten, in het geval dat zich een gevaar voor de volksgezondheid voordoet, met inbegrip van bepalingen waarmee, indien nodig, ter plaatse in derde landen met toestemming van deze landen, controles kunnen worden uitgevoerd;
- in de Gemeenschap toe te passen controlemaatregelen ter waarborging van de uniforme uitvoering van het bepaalde in deze richtlijn;

- een systeem dat naast de algemene programma's waarin reeds door deze richtlijn wordt voorzien, indien noodzakelijk, de mogelijkheid van specifieke controleprogramma's biedt.

Overeenkomst tussen de EG en Denemarken/Faeröer - Protocol inzake veterinaire vraagstukken

De Raad nam een besluit aan betreffende de sluiting van een protocol inzake veterinaire vraagstukken, als aanvulling op de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap enerzijds en de regering van Denemarken en de landsregering van de Faeröer anderzijds.

Met dit protocol verbinden de Faeröer zich ertoe de veterinaire wetgeving van de Gemeenschap toe te passen onder meer op de volgende gebieden: bestrijdingsmaatregelen/melding van ziekten, diergezondheid en beschermingsmaatregelen inzake diergezondheidsproducten, voorschriften voor het in de handel brengen, hormonen, residuen, BST, zoönosen, dierlijke afvallen, diervoeders met medicinale werking, controle, identificatie van de dieren, wederzijdse bijstand en welzijn van dieren.


________________________

Footnotes:

( 1)
Het tarief zou voor alle handelaren die een bod hebben uitgebracht, worden bepaald op het niveau van het laagste aanvaarde bod in een aanbesteding.

( 2)
Zoals gewijzigd bij het Verdrag van Amsterdam.

( 3)
Zoals gewijzigd bij het Verdrag van Amsterdam.

( 4)
Zoals gewijzigd bij het Verdrag van Amsterdam.

_________________________________________________________________

nl/agricult/12917.NL9.html

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie