Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Tweede Kamer: verslag overleg duurzame energie

Datum nieuwsfeit: 15-12-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal


26800xiii.039 vao duurzame energie

Gemaakt: 22-12-1999 tijd: 13:47


26800 XIII Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het ministerie van Economische Zaken (XIII) voor het jaar 2000

nr. 39 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 15 december 1999

De vaste commissie voor Economische Zaken<1> heeft op 18 november 1999 overleg gevoerd met minister Jorritsma-Lebbink van Economische Zaken over:


- de voortgangsrapportage 1999 "Duurzame energie in uitvoering" (EZ-99-461);


- het advies van de Algemene Energieraad "Duurzame energie" (EZ-99-296).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissie

Mevrouw De Boer (PvdA) herinnerde aan de doelstelling ten aanzien van de duurzame energie: 10% in 2020, waarvan 3% bereikt moet zijn in 2000 en 7% in 2007. Zij constateerde dat de doelstelling om 7% te bereiken in 2007 verschoven is naar 5% in 2010. Dat betekent dus dat in de periode 2010-2020 een groeipercentage van 25 per jaar gehaald moet worden. In de jaren negentig was het groeipercentage gemiddeld 8. Alle zeilen moeten worden bijgezet om het gestelde doel te bereiken.

Het is toe te juichen dat van de 38 actiepunten van het programma "Duurzame energie in opmars" van 1997 er inmiddels 32 uitgevoerd zijn c.q. worden en dat de absolute bijdrage van duurzame energie gestegen is van 19 PJ (Peta Joule) in 1994 naar 34 PJ in 1998. Tevens is het positief dat ter stimulering van DE (duurzame energie) in het regeerakkoord 80 mln. extra is uitgetrokken voor de periode 1999-2002. Dat geld zal vooral besteed worden aan marktintroductie van zonnepanelen, demonstratieprojecten voor energie uit biomassa en introductie van warmtepompen in de woningbouw. Het is ook gunstig dat door de duurzame-energie-impuls uit het regeerakkoord een hoger aandeel DE in de ECM-subsidie en in het programma economie, ecologie en technologie wordt gerealiseerd. De jaarlijkse bijdrage gaat omhoog van 111 mln. naar 166 mln. De voortgangsrapportage geeft echter aanleiding tot ongerustheid. Het lijkt alsof de lange opsomming van beleidspunten al in evenwicht is met de gestelde doelstellingen. Met name frappant is de passage op bladzijde 10: "Het jaar 2000 is daarbij een eerste ijkpunt: conform de Derde energienota moet de bijdrage van duurzame energie dan 3% van het energieverbruik in Nederland zijn. In het eerste energierapport dat in het najaar van 1999 zal verschijnen, zal worden aangegeven in welke mate verwacht mag worden dat deze doelstellingen gerealiseerd worden met het thans in stelling gebrachte instrumentarium." Het energierapport rept echter niet meer over die doelstelling. Het is ook niet reëel om te geloven dat die doelstelling op heel korte termijn gehaald wordt, laat staan in 2000. Mevrouw De Boer miste dan ook een sense of urgency in het rapport.

Er wordt een aantal nieuwe beleidspunten genoemd. De vraag is niet het probleem. Uit onderzoek blijkt immers dat 40% van de bedrijven en huishoudens die nu nog geen groene energie afnemen, hiertoe wel bereid zijn. Het zou daarbij gaan om honderdduizenden huishoudens en tienduizenden bedrijven. De knelpunten liggen vooral aan de aanbodkant. Er wordt te weinig aangeboden. Vraag en aanbod kunnen en moeten gelijktijdig gestimuleerd worden. Dan is er geen sprake van een prijsopdrijvend effect.

Hoewel meerjarenafspraken (MJA's), convenanten en andere vrijwillige afspraken zeker een groot nut hebben, lijken meer verplichtende maatregelen voor de hand te liggen. De motie-Crone zal dan ook gerealiseerd moeten worden. Daarin wordt het kabinet verzocht om het in de Elektriciteitswet wettelijk verplicht te stellen minimumaandeel duurzame energie met ingang van 2001 ten uitvoer te brengen. Is de minister bereid dat te doen als de Kamer meent dat de in het energierapport voorgestelde aanpak ontoereikend is?

Hoe staat de minister tegenover de benadering waarin het minimumaandeel wordt onderverdeeld in soorten duurzame energie? Op die manier kan bijvoorbeeld windenergie extra gestimuleerd worden. De sprong naar de doelstelling zou gemaakt kunnen worden via aanvullend beleid. Het is niet reëel te veronderstellen dat de doelstelling eerder gehaald kan worden door import van duurzame energie. Andere landen zullen hun duurzame energie niet willen exporteren. Geen enkel Europees land voldoet immers reeds aan de klimaatverplichtingen.

De extra inspanningen moeten volgens het kabinet bestaan uit stimulering van zowel de vraag als het aanbod. Er worden zes voorstellen gedaan om bestuurlijke knelpunten weg te nemen, zoals een aanwijzing windparken van ten minste 50 MW (megawatt), wetgeving om gemeenten zo nodig te dwingen ruimte voor windenergie te creëren en een windenergieproject nearshore van 100 MW in anticipatie op andere vergelijkbare projecten.

Mevrouw De Boer steunde de minister van harte in haar voornemen een aanwijzing te creëren. Als daarvoor echter eerst gewacht moet worden op de verandering van het Structuurschema elektriciteitsvoorzieningen en de verkenning op de nieuwe mogelijkheden van de Wet op de ruimtelijke ordening haar neerslag moet vinden in nieuwe wetgeving, kost dat minstens twee jaar. Een PKB kost immers heel veel tijd. Er ligt echter al een plan voor een windpark van 100 MW in het Rotterdamse havengebied, dat bovendien opgenomen is in het bestemmingsplan. Maar Rijkswaterstaat wil geen molens aan de slufter en wil dat het gerealiseerd wordt in het havengebied, terwijl het havenbedrijf geen molens in het havengebied wil hebben. Is het geen taak van het ministerie van EZ om deze zaak vlot te trekken?

De wettelijke instrumenten om gemeenten te dwingen tot het creëren van ruimte voor de plaatsing van windmolens moeten echter nog ontwikkeld worden. Er moet gezocht worden naar mogelijkheden om een en ander te versnellen. Gemeenten zouden bijvoorbeeld aan hun verplichtingen kunnen voldoen door de plaatsingsverplichtingen over te dragen aan gemeenten die daarvoor de mogelijkheden hebben. Dat hoeft niet gepaard te gaan met een planologische verplichting. Een en ander is uitgewerkt in de nota van de PvdA "Energie voor wind". Kunnen zowel de minister als de commissieleden daarop reageren?

Op de lange termijn ligt de toekomst van windenergie op zee. Een park nearshore van 100 MW is derhalve een hele goede stap. In "Windenergie buitengaats" van de NOVEM (Nederlandse onderneming voor energie en milieu) wordt een planningsschema voor een en ander aangegeven. Dat blijkt echter niet gehaald te worden. Kan de minister de oorzaken daarvan aangeven?

Het is verstandig als er wederom tussendoelstellingen geformuleerd worden voor 2002 en 2005. De tussendoelstellingen uit het derde energierapport zijn immers niet haalbaar. Het is buitengewoon noodzakelijk de vinger aan de pols te houden.

Als de burgers niet duidelijk gemaakt kan worden dat het geld dat zij uitgeven aan groene stroom daadwerkelijk en voor 100% gebruikt wordt om groene stroom te realiseren, is er een probleem. Hoe wordt gecontroleerd of dit inderdaad het geval is? Bestaat bijvoorbeeld de verplichting om een en ander in de jaarverslaglegging heel duidelijk en specifiek weer te geven?

Zowel bij burgers als bedrijven bestaat een groot draagvlak voor de ontwikkeling van duurzame energie. Kleine bedrijven komen vaak met interessante initiatieven. Deze moeten heel serieus worden beschouwd. Die kunnen zeer de moeite waard zijn.

De heer Van den Akker (CDA) merkte op dat in de Derde energienota gesproken wordt over een doelstelling van 7% in 2007 en in de Klimaatnota over 5% in 2010, terwijl in beide gevallen de uitgangsdoelstelling 3% is en de einddoelstelling 10% in 2020. Welke doelstelling is juist?

Volgens de Klimaatnota is het aandeel duurzame energie per 1 januari
1999 slechts 1,5%. Toch is de doelstelling 3% voor het jaar 2000 en dat is nog slechts vijf weken weg. Kan de minister het werkelijke percentage aangeven?

Het is buitengewoon belangrijk, ook in Europees verband dat er een heldere en consistente definitie van duurzame energie komt. De definitie is aan verandering onderhevig geweest. Zo worden kunstoffracties in afval en industriële warmtepompen niet meer erkend als duurzame energie. Het wordt daardoor lastiger om de doelstelling van 10% in het jaar 2020 te halen. Wordt hierbij VNO-NCW gevolgd, die vindt dat de doelstelling van 10% overeenkomstig verlaagd moet worden of worden de geschrapte opties alsnog meegenomen in de berekening van de definitie van duurzame energie? De definities moeten niet steeds veranderd worden.

Duurzame warmte zal een integraal onderdeel moeten zijn van duurzame energie. Wanneer wordt het besluit genomen om duurzame warmte in REB-wetgeving op te nemen? Nog in 1999? De energievraag wordt voor 80% tot 85% bepaald door de vraag naar warmte. Derhalve moet duurzame warmte in de energiedefinities worden opgenomen. Pas als dat gebeurt, zal er sprake kunnen zijn van terugsluizing van regulerende energiebelasting (REB) naar de producent van een groenlabelcertificaat en zal investeren in duurzame warmte aantrekkelijk worden. De huidige regelgeving ondersteunt de duurzaamheidsdoelstelling niet. De heer Van den Akker pleitte voor een wijziging van de motie-Crone c.s. zodat er niet alleen over stroom gesproken wordt maar ook over warmte.

De ontwikkeling van windenergie wordt bemoeilijkt door veel procedures en regelgeving. Er is veel tegenwerking door de gemeenten. Terecht kondigt de minister maatregelen in dezen aan. Soms gaat het om zeer grote windmolens, hoger dan 100 meter. De heer Van den Akker pleitte voor convenanten tussen Rijk, provincies en gemeenten, maar niet voor het opleggen van regels van bovenaf. Op die manier kan veel ellende worden voorkomen.

Als iemand een windmolen wil plaatsen, moet hij in overleg treden met het energiedistributiebedrijf om de elektriciteit aangesloten te krijgen op het net. Dat ziet hem echter eerder als concurrent dan als klant en zit niet echt te springen om er alles aan te doen om dat zo snel mogelijk voor elkaar te krijgen.

Ook het systeem van de terugleververgoedingen is medeoorzaak van het slecht tot ontwikkeling komen van windenergie. Als iemand een windmolen heeft en elektriciteit teruglevert aan het net, ontvangt hij daarvoor een bepaald tarief, samengesteld uit de prijs voor elektriciteit, groen label en REB. Het gaat daarbij om langlopende contracten tegen een vaste prijs. Als de overheid een en ander aantrekkelijker maakt, zal degene die elektriciteit door middel van windmolens opwekt daarvan echter niet profiteren, in tegenstelling tot het elektriciteitsdistributiebedrijf. Het zijn communicerende vaten omdat er een vaste prijs is afgesproken. De monopoliepositie van de elektriciteitsdistributiebedrijven dicteert de markt en frustreert de ontwikkeling van windenergie.

Windturbines die niet vallen onder NEN-norm 6096 komen niet in aanmerking voor de VAMIL (regeling willekeurige afschrijving milieu-investeringen) en ook niet voor EIA (de
energie-investeringsaftrek). Dat betreft met name de kleinere windmolens. Dat is jammer want met kleinere windturbines is er veel minder horizonvervuiling dan met grotere. De regelgeving moet derhalve worden aangepast.

Een laatste tekortkoming in de wetgeving betreft het feit dat windenergie die bijvoorbeeld naar Duitsland wordt geëxporteerd niet ten goede komt aan de CO2-doelstelling voor Nederland. Dit kan ook een reden zijn waarom duurzame energie moeilijk van de grond komt.

Duurzame energie achter de meter komt ook niet in aanmerking voor stimuleringsregelingen. Waarom kan iemand met een zonneboiler op zijn dak niet van alle regelingen gebruikmaken? Misschien kan gedacht worden aan een andere OZB (onroerendzaakbelasting). Ook bij de industrie zijn bepaalde projecten achter de meter totstandgekomen. Daar moet nog eens goed naar gekeken worden.

WKK (warmtekrachtkoppeling) wordt bepaald door de warmtevraag, terwijl de afzet van elektriciteit in de daluren heel laag is. Dat past dus niet op elkaar. Waarom wordt er bijvoorbeeld geen aandacht besteed aan het feit dat elektriciteit gebruikt kan worden voor het op gang brengen van warmtepompen? De daarbij gegenereerde warmte kan worden opgeslagen. Dat zou een interessante optie kunnen zijn bij Vinex-locaties.

In een voorlopige reactie op de nota "Energie voor de wind" stelde de heer Van den Akker dat buitengewoon voorzichtig moet worden omgegaan met het opleggen van regels van bovenaf.

Mevrouw Augusteijn-Esser (D66) meende dat er veel meer voortvarend beleid nodig is om de doelstellingen voor duurzame energie te realiseren. Vraag en aanbod moeten beide worden gestimuleerd. Er moet veel sterker ingezet worden op duurzame energie. Daarbij passen financiële stimulansen voor plaatsing, teruglevering en toepassing.

De oude definitie voor duurzame energie scheelt maar liefst 0,7% met de nieuwe definitie. De nieuwe definitie is beter, maar hoe kunnen de doelstellingen van 3% in 2000 en 5% in 2010 gerealiseerd worden? Het staat ook niet in het energierapport. Misschien moeten er tot 2020 meer meetpunten worden ingebouwd, meer toetsbare tussendoelstellingen.

Het is goed dat er 80 mln. extra wordt uitgetrokken. Het geld wordt ingezet voor stimulering van zonnestroom, voor energie uit biomassa en voor warmtepompen. Betreft dat research en development of ook toepassing? Is het bedrag van 22 mln. voor versnelling alleen bestemd voor onderzoek en niet voor toepassing? Mevrouw Augusteijn verwees in dit verband naar het KPMG-rapport en stelde langzamerhand veel te voelen voor een verplichting bij de bouw van bedrijven en woningen. Op die manier kan werkelijk gestimuleerd worden.

Is het echt waar dat de vraag naar groene stroom veel groter is dan het aanbod? Hoeveel elektriciteitsbedrijven hebben aangegeven niet aan de vraag te kunnen voldoen?

Energiebesparing is heel belangrijk. Als meer bespaart wordt op fossiele brandstoffen komt er meer ruimte voor duurzame energie.

Europa koerst aan op verhandelbaarheid van certificaten, maar het kabinet niet. Wat is hiervan de reden?

Hoe denkt de minister over een verplichting voor producenten om een bepaald percentage van de geleverde energie met duurzame bronnen op te wekken? En wat vindt zij van een verplichting voor de rijksgebouwen om
10% duurzame energie toe te passen? Waarom zou het ministerie van EZ geen voorbeeldproject kunnen zijn, bijvoorbeeld bij de toepassing van zonnepanelen? Zonnepanelen kunnen voor een kwart van de huidige kosten gerealiseerd worden, mits zij op grote schaal worden toegepast en industrieel geproduceerd worden. Vraag en aanbod moeten op elkaar worden afgestemd, dan wordt de prijs vanzelf lager.

Het is zeer belangrijk dat voortgang wordt geboekt op het terrein van de windenergie. De doelstelling moet gehaald kunnen worden. Er moet een veel betere besluitvorming komen ten aanzien van de ruimtelijke ordening. Het is juist dat wordt bekeken of niet geregeld kan worden dat ook op het land voldoende windmolens worden geplaatst en de provincies aan hun verplichtingen voldoen. Duitsland heeft alle gemeenten verzocht de bestemmingsplannen te wijzigen en structureel ruimte te bieden aan duurzame energie. Het plan van de PvdA vormt een goede aanzet om een en ander te regelen.

Het stoorde mevrouw Augusteijn dat het niet mogelijk is om op de Maasvlakte een park op te richten. Er zijn ook berichten dat op bedrijventerreinen vaak woningen staan die ook werkelijk bewoond worden. Daar kunnen geen windmolens geplaatst kunnen worden omdat er problemen zijn met de afstand van de windmolen tot de woning.

Er zijn veel moties ingediend over zonne-energie. Nu moet concrete actie worden genomen. In hoeverre is het mogelijk om zowel aan de plaatsing als aan de fabricage van zonnepanelen een forse impuls te geven? Misschien kan een wettelijke verplichting een geweldige stimulans zijn?

De heer Klein Molekamp (VVD) refereerde aan de ladder van Lansink: afvalpreventie, afvalhergebruik, afvalverbranding en in noodgevallen storten. Die ladder heeft gewerkt bij het afvalbeleid, maar hoe zit het met energie? Aan de ene kant wordt gesproken over energiebesparing en aan de andere kant over het opwekken van duurzame energie. Het is best mogelijk dat iemand die heel veel energie heeft bespaard, niet bereid is om zonnepanelen neer te zetten, terwijl iemand die heel veel zonnepanelen heeft neergezet geen zin heeft te investeren in energiebesparing. Ziet de minister hierin ook een bepaalde ladder: de ladder van Jorritsma?

Op bladzijde 24 van de nota wordt gesproken over een onderzoek door KEMA. Daaruit blijkt dat een vergelijkbare REB-faciliteit voor duurzame warmte als thans bestaat voor duurzame elektriciteit en gas, een aanzienlijke stimulans voor deze duurzame-energietoepassing zou betekenen. Welke conclusie verbindt het kabinet aan die passage?

Het beleid is geconcentreerd op een duurzaamheidsdoelstelling van 10%. Kan daardoor het preventiebeleid in gevaar gebracht worden? Warmtepompen bijvoorbeeld hebben veel meer te maken met het warmtebeleid dan met duurzame energie. Als die uit de definitie gehaald worden, zou een ontwikkeling worden gefrustreerd die voor energiebesparing wel heel belangrijk is. In Duitsland en Oostenrijk wordt het wel als duurzaam beschouwd. Waarom wil Nederland het er dan uithalen? De heer Duineveld stelt dat meer passief gebruik moet worden gemaakt van zonne-energie. Hoe wordt zo'n element gewaardeerd ten opzichte van zonnepanelen en hoe zit dat subsidietechnisch dan wel fiscaal-technisch? Elke gulden kan immers maar een keer worden uitgegeven.

Toen met de elektriciteitsproducenten de afspraak is gemaakt over een
10% duurzaamheidsdoelstelling, werd ervan uitgegaan dat die ook kon worden ingevuld met biomassa en afvalverwerking. Nu schijnt die definitie te wijzigen. Wat betekent dat voor die afspraak? Zou het niet beter zijn om te wachten met aanpassing van definities totdat daarover in Europees verband afspraken gemaakt zijn? Bij de verwerking van kippenmest bijvoorbeeld zou heel veel fossiele brandstof bespaard kunnen worden, mits het maar onder de groene label van de biomassa zou vallen. Is dit nu wel of niet mogelijk?

De heer Klein Molekamp meende dat een goede marktpush vaak efficiënter werkt dan technologiesubsidies.

Bij de Klimaatnota is een motie ingediend over de vertaling van de energiedoelstelling naar provinciaal en gemeentelijk beleid. De gedachte van verhandelbare windrechten sluit daarbij aan. Wat is de mening van de regering in dezen en hoe ziet zij de motie-Van Middelkoop over windenergie in het licht van de Energienota?

Bij de discussie over boringen in de Waddenzee zijn alle milieurisico's in kaart gebracht. Waar zijn de milieurisico's groter: bij de windparken langs de Waddenzee of bij zeer milieuverantwoord boren? Niet alle alternatieven kunnen worden afgewezen. Er zou ook gekeken moeten worden naar de kleinschalige windturbines.

In de nota wordt nogal sceptisch gedaan over de besteding van de groene-energiegelden in het buitenland. Maar er wordt toch gewerkt aan een systeem van internationale verhandelbaarheid van duurzame energie? Bij de behandeling van de Klimaatnota is de indruk gewekt dat een emissieontwikkeling in Europa werd gezien als een ondersteuning van het beleid.

Ten slotte vroeg de heer Klein Molenkamp zich af, of de elektriciteitsbedrijven wel het meest geëigend zijn om voorlichting over energiebesparing en duurzame energie te geven. En hoe worden de resterende MAP-gelden besteed?

De heer Van Middelkoop (GPV) sprak waardering uit voor de analyses, de inzichten, enzovoorts. De bedoelingen zijn prima, maar het valt niet te ontkennen: de molens malen langzaam!

Terecht wordt gesteld dat de inzet van fiscale instrumenten essentieel is voor de marktpenetratie van duurzame-energieopties. Is er een gekwantificeerde verwachting wat de regulerende energiebelasting kan opleveren?

Hij deelde de mening van de AER (de Algemene Energieraad) dat het van belang is dat er een scherpe afbakening van definities komt, zodat ook voor de lange termijn duidelijk is waarover het gaat en waaraan men gebonden is. Er moet ook een goed inzicht komen in nationale opties. Het is belangrijk te differentiëren per energiebron en daaraan taakstellingen te verbinden.

Er moet een beslissing worden genomen of er een wettelijke verplichting moet komen met betrekking tot een minimum aandeel duurzame energie. Maar wat gebeurt er dan precies?

In de nota wordt gesteld dat het opmerkelijk is dat er Nederlandse initiatieven zijn om met Nederlandse groene-energiegelden in het buitenland duurzame energievermogen te realiseren zonder dat er daadwerkelijk sprake is van levering van elektriciteit. Hoe sympathiek deze initiatieven ook mogen lijken, het kabinet kan hierover niet enthousiast zijn. De Nederlandse energievoorziening wordt hiervan niet schoner, betrouwbaarder enzovoorts. Kan de minister dit uitleggen?

Wat windenergie betreft, dienen de argumenten van horizonvervuiling gerelativeerd dienen te worden. De nota van de PvdA is zeker de moeite waard. Er wordt een legitieme en interessante optie van windhandel geboden. De uitvoeringsstructuur zou echter een probleem kunnen zijn. Ergens moeten windvraag en windaanbod bij elkaar komen. Dat zou bij EZ of bij VNG of IPO kunnen worden ondergebracht. Er moet een soort windbeurs komen. Als het idee van de PvdA wordt omhelsd, zal er toch stagnatie optreden bij de uitvoering.

Mevrouw Vos (GroenLinks) maakte zich zorgen over de realisatie van de doelstelling: 3% in 2000. Zal er nog een forse eindspurt worden ingezet om dat te bereiken? In de Derde energienota wordt gesproken over 7% in 2007. Het is alleszins noodzakelijk dat die doelstelling gerealiseerd wordt. In de Uitvoeringsnota klimaatbeleid wordt echter gesproken over 5% in 2010. Een dergelijke vertraging is geen goede zaak. Het is niet acceptabel als op die manier de doelen van duurzame energie naar achter worden geschoven. Eigenlijk zou in 2010 al 10% van het energiegebruik in Nederland geleverd moeten worden door energie uit duurzame bronnen! Bij gebrek aan succes van beleid worden de doelstellingen eerder neerwaarts bijgesteld dan dat het beleid wordt aangescherpt. Het zit vast op twee kernpunten. Dat betreft allereerst de verplichte afname van duurzame energie. De wet biedt daartoe een mogelijkheid. De motie-Crone c.s. vraagt de regering die mogelijkheid dan ook te gebruiken. Uit het energierapport blijkt echter dat de minister daarin geen heil ziet. Zij wil wel bij de randvoorwaarden verplichtingen stellen maar niet ten aanzien van de afname van duurzame energie. Die verplichting is echter absoluut noodzakelijk om de aanbodmarkt fors op te jagen.

Het tweede knelpunt vormt de ecotaks. Die zou ook moeten gelden voor grootverbruikers. Bovendien moet de heffing op het gebruik van het net worden ingevoerd. Kortom, de financiële prikkels moeten beter worden.

Bij de definitie van duurzame energie zitten enkele problemen. Het is goed dat de minister een aantal vormen eruit heeft gehaald. Ten aanzien van de import van duurzame energie had mevrouw Vos echter nog zorgen. Het kan toch niet zo zijn dat bijvoorbeeld grootschalig waterkracht wordt geïmporteerd en dat dit allemaal op de Nederlandse duurzame-energierekening wordt geschreven. Op die manier wordt er in Nederland zelf weinig vooruitgang geboekt. Nederland moet 10% realiseren en kan in Europa op dit terrein een voortrekkersrol vervullen opdat ook daar meer duurzaam wordt gecreëerd.

Mevrouw Vos vroeg naar de plannen van de minister voor een versnelde aanscherping van de energieprestatienorm. Zeker als het gaat om de toepassing van zonne-energie en zonneboilers is dat absoluut nodig en gewenst. Juist op het gebied van de zonneboilers worden bij utiliteitsbouw worden heel veel kansen gemist. Het gaat om een betaalbare techniek die overal toegepast kan worden en toch gebeurt het niet. Ook moet er een versnelde invoering van een verplichte energieprestatiekeuring plaatsvinden waarmee toepassing van bijvoorbeeld zonneboilers in bestaande bouw versneld kan worden.

Zij sloot zich aan bij de opmerkingen over de zonne-PV. Het is echt belangrijk om de ideeën uit het KPMG-rapport toe te passen. Bij een deel van de nieuwbouw moet verplicht zonne-PV worden toegepast. Daarmee wordt het immers goedkoper en beter toepasbaar.

Het is duidelijk dat bij windenergie de doelen niet gehaald worden. Mevrouw Vos ondersteunde graag de ideeën die in de nota van de PvdA zijn neergelegd. Het is een belangrijke stap vooruit. Dat geldt ook voor het voornemen van de minister om te komen tot verplichte aanwijzing van windparken. De vraag is echter of een en ander op korte termijn tot voldoende resultaat leidt.

Mevrouw Vos refereerde aan de grote vertragingen die optreden bij de uitvoering van windparken offshore en nearshore. In november 1997 is reeds een studie hierover aangeboden. De MER-procedures nemen echter zeer veel tijd in beslag. Subsidieregelingen komen langzaam tot stand. Er ligt een subsidietender bij de Europese Unie ter goedkeuring. Die laat echter op zich wachten. Zij had de indruk dat de regering onvoldoende druk uitoefent. Kan de minister aangeven wat er precies aan de hand is? Is er een coördinatieprobleem tussen de diverse ministeries? Is het mogelijk dat in 2001 begonnen wordt met de bouw van een offshoreproject? Deze kans mag niet gemist worden.

Ten slotte wees mevrouw Vos op het grote belang van de ontwikkeling van duurzame warmte. Groene certificaten gaan ook over duurzame warmte.

Antwoord van de regering

De minister stelde dat het hier gaat om een tussenrapportage en nam aan dat dit onderwerp uitgebreid hernomen wordt bij de behandeling van het energierapport. Iedereen is geïnteresseerd in duurzame energie. Dat is heel goed. Bovendien is iedereen bezorgd en ook dat is goed! Het gaat met name om de vraag of het wel snel genoeg en goed gebeurt.

Waarom gaat het niet zo vlot? Voor een deel is dat te wijten aan niet-uitontwikkelde technologie. Zeker bij zonne-PV is sprake van een groot prijsverschil ten opzichte van fossiele energie, maar gelukkig wordt bij andere soorten duurzame energie dat prijsverschil steeds kleiner. Er zijn ook bestuurlijke knelpunten. Daaroverheen komt nog eens de liberalisering, die de concurrentie in nadelige zin kan beïnvloeden. Bovendien willen de energiedistributiebedrijven niet meer via de markttoeslag nutsachtige activiteiten verrichten. Dat is ook de reden waarom nu geprobeerd wordt een aantal andere instrumenten in te zetten teneinde de doelstellingen wel degelijk te halen, zoals blijkt uit de Energienota. Die doelstellingen zijn er niet voor niets. De doelstelling van 3% in 2000 wordt niet geheel gehaald. Die doelstelling is nog gebaseerd op de oude definitie. In 1998 was 1,8% gerealiseerd. Maar ook op basis van de oude definitie, zou het percentage van 3 niet bereikt zijn in 2000, tenzij alle windmolens die nog in procedure zijn ook werkelijk geplaatst zouden zijn. Er ligt buitengewoon veel klaar op de plank dat helaas niet kan worden weggezet vanwege planologische en bestuurlijke knelpunten.

De definitie is veranderd. Er is nu 1,1% gerealiseerd, 0,7% minder vanwege het feit dat er energie in zat van een fossiele oorsprong. Nederland heeft die definitie overigens zelf veranderd op aandringen van onder meer de milieubewegingen. Als het in Europa zou komen tot groencertficatenhandel, komt die discussie wederom op Europees niveau aan de orde. Dan zal er een Europese definitie moeten komen. Nu loopt die erg uiteen van land tot land. Zweden bijvoorbeeld zal zeer eraan hechten dat waterkracht wel degelijk gerekend wordt tot zijn groene-energievoorziening. Dat wordt internationaal echter heel lastig. Nederland rekent grootschalige waterkracht niet tot de definitie van duurzame energie.

De tussendoelstelling van 5% in 2010 houdt door die herdefiniëring wel degelijk een versteviging in. Er zijn heel veel projecten in voorbereiding mede vanwege de beleidsintensiveringen van de afgelopen jaren. Bij het regeerakkoord en ook daarvoor zijn behoorlijk wat middelen beschikbaar gekomen waardoor projecten nu in voorbereiding zijn, zoals die van het CO2-reductieplan.

In de aanvaarde motie-Crone wordt verzocht om verplichtstelling als een soort maatregel om liberalisering en het streven naar duurzaamheid met elkaar in evenwicht te brengen. Daarop zal worden teruggekomen in het energierapport. De vraag is natuurlijk of een verplichting het adequate antwoord is om de achterblijvende groei van duurzame energie te bestrijden. Met andere woorden: brengt dit de doelstelling voor
2010 en 2020 dichterbij? Het bureau Intromarkt heeft in opdracht van het ministerie van EZ een marktonderzoek gedaan. Daaruit blijkt dat het absoluut niet schort aan de vraag. Men is bereid het af te nemen tegen de huidige verschillen in prijs, terwijl de verschillen volgend jaar kleiner worden, want dan gaat de REB omhoog en wordt het prijsverschil met windenergie nog kleiner dan vandaag de dag. Vervolgens blijkt uit het Ecofiz-onderzoek dat ook gedaan is ten behoeve van het energierapport dat met name het aanbod zeer achterblijft bij hetgeen technisch mogelijk is. De belangrijkste oorzaken zijn de plaatsingsproblematiek van windturbines en emissie-eisen bij de biomassacentrales. Die zijn in 1997 onderkend in de nota "Duurzame energie in opmars". Er is een aantal initiatieven genomen waarvan de komende jaren de vruchten geplukt kunnen worden. Andere vormen van duurzame energie zijn helaas nog niet uitontwikkeld en daarom nog te duur of soms concurrerend met besparingsmaatregelen om het fossiele energiegebruik te beperken, zoals de zonneboiler of de warmtepomp.

Het uiteindelijke doel is dat zo zuinig mogelijk wordt omgegaan met fossiele energie. Daarvoor zijn twee instrumenten: energiebesparing en duurzame energie. Naarmate duurzame energie nog niet voldoende uitontwikkeld is en er sprake is van een zeer groot prijsverschil met fossiele energie, zal besparing een veel kosteneffectiever antwoord zijn om het gebruik van fossiele energie te verminderen dan duurzame energie. Dat geldt echter niet voor alle opties. Wind kan al wel heel interessant zijn. Daarbij wordt de aandacht misschien iets minder op besparing gericht, maar er wordt geen fossiele energie gebruikt. Het is dus anders dan bij de ladder van Lansink. Daar wordt nadrukkelijk gezegd: eerst dit, dan dat en dan dat! Via de EPN (de energieprestatienorm) kan ook gecorrigeerd worden.

Het verplichte aandeel richt zich geheel op de vraag. De minister meende dat daar zeker de komende jaren nog niet het belangrijkste knelpunt ligt en kon niet overzien of dat op de langere termijn een probleem wordt. Als nu vraag sterk gestimuleerd wordt, zal dat leiden tot hogere prijzen als het aanbod achterblijft. Sommige energiebedrijven zijn op dit moment voorzichtig met het aanbieden van groene energie, soms omdat zij die niet aangeleverd kunnen krijgen. EZ heeft besloten om 100% groene energie af te nemen. Als alle ministeries daartoe besluiten, zal het energiebedrijf waarschijnlijk een probleem krijgen met de levering. Als de vraag verplicht wordt en er slechts heel duur geleverd kan worden, zal het draagvlak buitengewoon snel verdwijnen.

De minister wilde geen keuze maken tussen de verschillende vormen van duurzame energie. Het zou bizar zijn als de duurdere vormen wel worden ontwikkeld, terwijl de goedkope vormen vanwege planologische problemen niet gerealiseerd kunnen worden. Natuurlijk moeten eerst de bestuurlijke knelpunten worden opgelost. Het rapport van de PvdA is daartoe een goede aanzet. De minister meende dat hetgeen daarin voorgesteld wordt echter een wetswijziging vraagt. Een gemeente een verplichting opleggen kan namelijk niet zonder een wettelijke maatregel. Een en ander zal samen met VROM nader bekeken worden. Het is immers veel meer een planologisch probleem dan een energieprobleem. Het heeft echter de voorkeur als het opleggen van een wettelijke verplichting niet nodig zou zijn. Misschien zijn convenanten een mogelijkheid. Zij vreesde echter dat het niet zonder die verplichting kan. De minister wilde proberen om vóór de behandeling van het energierapport een schriftelijke reactie te geven op de nota van de PvdA "Energie voor de wind".

Misschien is er inderdaad iets te ruimhartig omgegaan met het plaatsen van solitaire molens. Er zijn inderdaad hele lelijke objecten gebouwd, waardoor het draagvlak voor windenergie erg klein is geworden. Er zijn echter esthetisch buitengewoon verantwoorde oplossingen voorhanden die in de toekomst interessante toeristische objecten kunnen worden.

Waarom duurt het realiseren van windparken nearshore en offshore zo lang? Er is een pilotproject voor nearshore. Daarbij wordt bekeken wordt of het offshore ook op die manier gerealiseerd kan worden. Het gaat daarbij om eenmalig 100 MW binnen de twaalfmijlszone. Daarbij hoort een normale procedure. Helaas gelden voor windenergie precies dezelfde procedures als voor een vliegveldje of welk ander grootschalig project dan ook. De vertraging ten opzichte van de planning is tot nu toe buitengewoon gering. Dat is uitzonderlijk in het kader van de normale voortgang van planologische procedures. Over ongeveer twee maanden wordt de ontwerp-PKB gepubliceerd met de keuze voor de locatie en de MER. Daarna volgen inspraak en bestuurlijk overleg. De definitieve locatiekeuze hangt natuurlijk van veel factoren af, maar hopelijk kan die in de zomer van 2000 gemaakt worden. De subsidieregeling ligt voor in Brussel. Brussel loopt helaas niet harder ook al staat Nederland er voortdurend op de stoep. Daar wordt de normale procedure gevolgd. Er ligt 60 mln. klaar via het CO2-reductieplan. Inbedrijfsname in 2002-2003 is nog steeds in beeld.

Voor het realiseren van windparken offshore moeten de bestuurlijke juridische belemmeringen vanaf 2002 zijn opgeheven. Dit is opgenomen in het energierapport. Hier wreekt zich het feit dat recentelijk naar aanleiding van de zendmast op interim-basis een vergunningstelsel opgesteld is voor alles wat men op zee wil gaan doen. Het stelsel met betrekking tot het wettelijk regelen van de exclusieve economische zone wordt nu verbeterd en uitgebouwd. Dat zal een en ander mogelijk lelijk in de wielen rijden. Verkeer en Waterstaat trekt dit project. Er wordt bekeken of verdere regulering op zee nog nodig is. Denkbaar is dat voor windenergie besloten wordt tot het aanwijzen van plaatsingsgebieden, bijvoorbeeld in het Structuurschema elektriciteitsvoorziening en dat vraagt dan wederom een PKB-procedure. Het is dus allemaal niet zo simpel! Natuurlijk zal geprobeerd worden voor windenergie uitzonderingen te creëren. Precedentwerking moet echter worden voorkomen. Het doel is om samen met Verkeer en Waterstaat en Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer een en ander vorm te geven. Ook het plan voor een windpark op de Maasvlakte wordt in dat overleg meegenomen. Overigens vindt regelmatig overleg plaats met het havenbedrijf. De minister zegde toe nogmaals te proberen deze zaak zo snel mogelijk vlot te trekken. De manier waarop het nu gaat, is inderdaad onaanvaardbaar.

De controle op de groene stroom is zeer belangrijk voor het draagvlak. Dat gebeurt nu nog vrijwillig. In het energierapport wordt de introductie van een certificatensysteem aangekondigd. Dat moet in 2001 gebeurd zijn. Op die manier is er een wettelijke systeem. De producent kan de certificaten verkopen en uiteindelijk zal de klant het certificaat in handen krijgen en weet dan zeker dat hij groene energie geleverd krijgt. Een en ander wordt gecontroleerd door de rijksoverheid.

Natuurlijk is het de bedoeling dat de Nederlandse energievraag gedekt wordt door duurzame energie. Als er Nederlands geld gestoken wordt in buitenlandse projecten zonder dat er sprake is van levering, dan is dat mondiaal prima voor het CO2-beleid, maar de Nederlandse energievoorziening wordt er niet duurzamer van. CO2-credits zijn nog niet geregeld, dus dat is lastig. Maar een windenergiepark net over de grens in Duitsland dat uitsluitend energie levert aan Nederland, draagt wel bij aan de Nederlandse duurzame-energievoorziening. Die situatie wordt ook niet anders als zo'n windpark in Denemarken ligt. Het is bovendien niet mogelijk te verplichten dat alle windenergie die in Nederland wordt opgewekt, ook in Nederland wordt uitgeleverd, noch kunnen afnemers verboden worden om duurzame energie op een andere plek te kopen dan in Nederland. Duurzame energie wordt vrij en de handel daarin dus ook. Het mooiste zou een Europees certificatensysteem zijn. Dan kan degene die het afneemt ook ervan profiteren en is het gemakkelijk te tellen. Het is goed om reeds op nationaal niveau met een dergelijk systeem te starten.

Het is inderdaad juist dat bij een vaste prijs de REB niet doorwerkt. Een vaste prijs biedt echter ook bescherming als de elektriciteitsprijs naar beneden gaat. Als de vaste prijs voldoende is om te investeren, dan is er toch geen probleem? Het zal anders worden als de certificaten er zijn. Voor een producent van windenergie is een vaste prijs veel interessanter als stimuleringsmiddel. Hij gaat dan niet op en neer met de marktprijzen.

De minister zegde toe de resterende vragen schriftelijk te zullen beantwoorden.

De voorzitter van de commissie,

Biesheuvel

De griffier van de commissie,

Tielens-Tripels


1 Samenstelling:

Leden: Blaauw (VVD), Biesheuvel (CDA), voorzitter, Witteveen-Hevinga (PvdA), Leers (CDA), Voûte-Droste (VVD), ondervoorzitter, Rabbae (GroenLinks), Hessing (VVD), Giskes (D66), Marijnissen (SP), Crone (PvdA), Van Dijke (RPF), M.B. Vos (GroenLinks), Van Zuijlen (PvdA), Augusteijn-Esser (D66), Hofstra (VVD), Van Walsem (D66), Wagenaar (PvdA), Stroeken (CDA), De Boer (PvdA), Van den Akker (CDA), Geluk (VVD), Verburg (CDA), Bos (PvdA), Blok (VVD), Hindriks (PvdA)

Plv. leden: Verbugt (VVD), Atsma (CDA), Kalsbeek (PvdA), Wijn (CDA), Klein Molekamp (VVD), Vendrik (GroenLinks), Kamp (VVD), Van den Berg (SGP), Poppe (SP), Kuijper (PvdA), Van Middelkoop (GPV), Van der Steenhoven (GroenLinks), Schoenmakers (PvdA), Bakker (D66), Van Baalen (VVD), Schimmel (D66), Herrebrugh (PvdA), Van der Hoeven (CDA), Smits (PvdA), De Haan (CDA), Van Beek (VVD), Schreijer-Pierik (CDA), Koenders (PvdA), Udo (VVD), Hamer (PvdA)

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie