Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Brief EZ voortgangsrapportage duurzame energie

Datum nieuwsfeit: 16-12-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal


26800xiii.040 brief min ez over de voortgangsrapportage duurzame energ ie in uitvoering

Gemaakt: 24-12-1999 tijd: 13:1


6


26800 XIII Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het ministerie van Economische Zaken (XIII) voor het jaar 2000

nr. 40 Brief van de minister van Economische Zaken

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 16 december 1999

Zoals door mij toegezegd, bied ik hierbij de antwoorden aan op die vragen die zijn gesteld tijdens het algemeen overleg op 18 november jl. over de Voortgangsrapportage 1999 `Duurzame energie in uitvoering' waaraan ik niet ben toegekomen tijdens het overleg (26800-XIII,nr.
39).

Ik neem tevens de gelegenheid om terug te komen op een onderwerp waarover ik wel heb gesproken tijdens het algemeen overleg, namelijk grootschalige waterkracht in relatie tot de definitie van duurzame energie.

Bij het formuleren van definities van duurzame energie moet steeds het doel daarvan in ogenschouw genomen worden. Gaat het om het bepalen van het ambitie- en realisatie-niveau, dan dient een intrinsiek juiste definitie gehanteerd te worden, zoals dat gebeurd is in paragraaf 2.1 van `Duurzame energie in uitvoering'. Volgens deze benadering is het gerechtvaardigd om ook grootschalige waterkracht als duurzame energie te beschouwen, het gaat immers om een vorm van hernieuwbare energie.

Indien het daarentegen gaat om het ontwerpen van stimuleringsmaatregelen, zoals bijvoorbeeld een fiscale faciliteit of een EU-richtlijn, dan is het doelmatig om een instrumentele definitie te kiezen, dat wil zeggen een zodanige definitie dat alleen die vormen van duurzame energie gestimuleerd worden die een dergelijke stimulans daadwerkelijk nodig hebben om tot verdere ontwikkeling te komen. Om deze reden is in het kader van de Regulerende energiebelasting bepaald dat grootschalige waterkracht niet in aanmerking komt voor doorsluizing van REB-gelden. Ook in het kader van de EU-richtlijn over duurzame elektriciteit moeten we ervoor waken dat grootschalige waterkracht een onnodige stimulans krijgt die ook nog eens ten koste kan gaan van

andere, thans nog minder rendabele vormen van duurzame energie. In dit licht moeten mijn opmerkingen tijdens het overleg over grootschalige waterkracht begrepen worden.


1 Wordt de doelstelling van 10% overeenkomstig verlaagd in verband met de gewijzigde definitie van duurzame energie of worden de geschrapte opties alsnog meegenomen in de berekening van de definitie van duurzame energie?

Noch het één, noch het ander: zoals ook in het Energierapport is verwoord, blijft de doelstelling van 10% ondanks de opschoning van de definitie gehandhaafd.


2 Wanneer wordt het besluit genomen om duurzame warmte in de REB-wetgeving op te nemen? Nog in 1999? Welke conclusie verbindt het kabinet aan de passage van `Duurzame energie in uitvoering' waarin staat dat een vergelijkbare REB-faciliteit voor duurzame warmte als thans bestaat voor duurzame elektriciteit en gas een aanzienlijke stimulans voor deze duurzame energietoepassing zou betekenen?

Bij tweede nota van wijziging van het Belastingplan 2000 is voorgesteld om artikel 36o (dat de doorsluis van geïnde belastingen naar de producenten van duurzame energie regelt) zodanig te wijzigen dat met ingang van 2000 ook producenten van duurzame warmte een vergelijkbare vergoeding krijgen voor de geproduceerde hoeveelheid warmte voorzover deze afkomstig is uit 100% biomassa-installaties. Aan de Europese Commissie is toestemming gevraagd voor deze wijziging.


3 Als iemand een windmolen wil plaatsen, moet hij in overleg treden met het energiedistributiebedrijf om de elektriciteit aangesloten te krijgen op het net. Dat ziet

hem echter eerder als concurrent dan als klant en zit niet echt te springen om er alles aan te doen om dat zo snel mogelijk voor elkaar te krijgen. De monopoliepositie van de
elektriciteitsdistributiebedrijven dicteert de markt en frustreert de ontwikkeling van windenergie.

Door de nieuwe Elektriciteitswet is een scheiding aangebracht tussen het netwerkbedrijf, dat verantwoordelijk is voor netaansluiting van windturbines, en het energieleverantiebedrijf. Aan een mogelijke belangentegenstelling rond de netaansluiting en de monopoliepositie van de elektriciteitsdistributiebedrijven daarbij is daarmee een eind gemaakt.


4 Windturbines die niet vallen onder NEN-norm 6096 komen niet in aanmerking voor de VAMIL en EIA. Dat betreft met name de kleinere windmolens. Dat is jammer want met kleinere windturbines is er veel minder horizonvervuiling dan met grotere. De regelgeving moet derhalve worden aangepast.

De desbetreffende norm kent criteria voor personele veiligheid, kwaliteitsbewaking en eisen voor de veiligheid en betrouwbaarheid van de windturbine. De norm geldt voor fabrieksmatige, massa-geproduceerde elektriciteitsproducerende windturbines die aan het elektriciteitsnet gekoppeld zijn met een horizontale as en een rotoroppervlakte van meer dan 40 m2. Om alleen kwalitatief goede en veilige windturbines fiscaal te stimuleren, is aansluiting gezocht bij deze norm.

Ik zal bezien of en zo ja hoe de regelgeving aangepast moet c.q. kan worden om ook kleinere windmolens onder de fiscale stimulering te brengen.


5 Duurzame energie achter de meter komt niet in aanmerking voor stimuleringsregelingen. Waarom kan iemand met een zonneboiler op zijn dak niet van alle regelingen gebruikmaken? Ook bij de industrie zijn bepaalde projecten achter de meter tot stand gekomen. Daar moet nog eens goed naar gekeken worden.

In de eerste plaats zij opgemerkt dat verhoging van de REB altijd leidt tot een verbetering van de concurrentiepositie van duurzame energie-opties die bij energiegebruikers `achter de meter' geïnstalleerd worden omdat het fossiele alternatief duurder wordt. Het gaat daarbij om toepassingen als zonneboilers en andere zon-thermische apparatuur, warmtepompen, koude- en warmte-opslag en zon-pv. Aangezien warmtepompen hulpenergie behoeven waarmee omgevingswarmte opgekrikt wordt, is het positieve REB-effect hierbij beperkt omdat die hulpenergie (elektriciteit of gas) immers met REB beheven wordt.

In de tweede plaats is er specifiek voor zonneboilers een aparte EZ-subsidieregeling en wordt bezien op welke wijze ook andere marktrijpe duurzame energie-opties met toepassing in de woningbouw gestimuleerd kunnen worden.

Tenslotte geldt voor duurzame energie-opties in de industrie dat volop geprofiteerd kan worden van de EIA en VAMIL.


6 Waarom wordt er geen aandacht besteed aan het feit dat elektriciteit uit WKK gebruikt kan worden voor het op gang brengen van warmtepompen?

De combinatie van WKK met elektrische warmtepompen is inderdaad een goede mogelijkheid op wijkniveau. Dergelijke projecten worden overwogen op VINEX-locaties, maar keuze valt toch vaak op maatregelen op woningniveau. Thans werkt EZ aan de voorbereiding aan een convenant met diverse marktpartijen met betrekking tot warmtepompen in de woningbouw. Het is de bedoeling dat in dit kader de combinatie WKK/WP de nodige aandacht krijgt.


7 Betreft het extra geld dat wordt ingezet voor stimulering van zonnestroom, voor energie uit biomassa en voor warmtepompen research en development of ook toepassing?

Het extra geld wordt niet besteed aan onderzoek, maar aan de stimulering van demonstratie- en voorbeeldprojecten ter versnelling van de toepassing van de genoemde opties.


8 Europa koerst aan op verhandelbaarheid van certificaten, maar het kabinet niet. Wat is hiervan de reden?

Dit is een misverstand: zowel in `Duurzame energie in uitvoering' als in het Energierapport is gesteld dat gewerkt wordt aan een systeem van verhandelbare duurzame energie-certificaten.


9 Hoe denkt de minister over een verplichting voor producenten om een bepaald percentage van de geleverde energie met duurzame bronnen op te wekken?

In de Elektriciteitswet en ontwerp-Gaswet is een mogelijke duurzame energie-verplichting welbewust neergelegd bij de afnemers. In een geliberaliseerde energiemarkt met in beginsel onbeperkte im- en exportmogelijkheden, is het praktisch en juridisch onmogelijk om producenten een duurzame energie-verplichting op te leggen. Dergelijke bezwaren gelden niet ten aanzien van een verplichting bij afnemers. Zoals in het Energierapport is vermeld, acht ik het thans niet opportuun om een dergelijke verplichting te effectueren.


10 Wat vindt de minister van een verplichting voor de rijksgebouwen om
10% duurzame energie toe te passen? Waarom zou het ministerie van EZ geen voorbeeldproject kunnen zijn, bijvoorbeeld bij de toepassing van zonnepanelen?

Energieafnemers (en voor rijksgebouwen is dat niet anders) kunnen in principe op 3 manieren een bijdrage leveren aan de toepassing van duurzame energie:

? zelf duurzame energie opwekken;

? anderen in de gelegenheid stellen om op eigen gebouwen en terreinen duurzame energie op te wekken;

? duurzame energie af te nemen van duurzame energie-leveranciers.

Ik ben van mening dat per departement bezien moet worden wat de optimale mix is van maatregelen. Zoals in `Duurzame energie in uitvoering' is vermeld, zijn thans al bijna alle departementen afnemer van groene stroom. Zoals in het Energierapport is vermeld, heeft EZ besloten om voor het kerndepartement over te gaan op 100% groene stroom. Onder leiding van de Rijksgebouwen Dienst zijn diverse duurzame energie-toepassingen op rijksgebouwen uitgevoerd, en nieuwe projecten zijn in voorbereiding. EZ heeft daarvoor in 1999 additioneel f 2 mln. beschikbaar gesteld. Tevens is inmiddels gestart met de voorbereiding van een haalbaarheidsonderzoek van zon-pv op alle hoofdgebouwen van de Haagse ministeries. Een dergelijke maatwerk-benadering acht ik beter dan een uniforme verplichting.


11 In hoeverre is het mogelijk om zowel aan de plaatsing als aan de fabricage van zonnepanelen een forse impuls te geven? Misschien kan een wettelijke verplichting een geweldige stimulans zijn?

Met de extra gelden uit de Duurzame energie-impuls wordt al een flinke extra stimulering van de toepassing van zonnepanelen voorzien. In het kader van de besprekingen over de verlenging van het zon-pv-convenant zal bezien worden op welke wijze de stimulering de komende jaren vorm en inhoud moet krijgen. Een wettelijke verplichting voor zon-pv beschouw ik niet als een zinvolle route: via de EPN wordt het aan de bouwers van woningen en gebouwen overgelaten welke energiebesparings- en duurzame energie-maatregelen worden getroffen om de norm te realiseren. Deze systematiek vormt een welkome prikkel voor alle producenten en leveranciers om te (blijven) werken aan de verbetering van de prijs/prestatie-verhouding van hun producten.


12 Het beleid is geconcentreerd op een duurzaamheidsdoelstelling van
10%. Kan daardoor het preventiebeleid in gevaar gebracht worden? Warmtepompen bijvoorbeeld hebben veel meer te maken met het warmtebeleid dan met duurzame energie. Als die uit de definitie gehaald worden, zou een ontwikkeling worden gefrustreerd die voor energiebesparing wel heel belangrijk is. Waarom wil Nederland het er dan uithalen?

Het energiebeleid is zowel gericht op een ambitieuze energiebesparingdoelstelling als op de 10%-duurzaamheidsdoelstelling. Door de vormgeving van het beleid, waarin eigen verantwoordelijkheid vrijwilligheid en convenanten alsmede doelvoorschriften centraal staan, vrees ik niet dat het duurzame energiebeleid ten koste gaat van het energiebesparingsbeleid.

Warmtepompen in de gebouwde omgeving (woningen, utiliteitsbouw agrarische sector) benutten omgevingswarmte, en zijn derhalve integraal onderdeel van het duurzame energie-beleid. Warmtepompen in de industrie daarentegen maken gebruik van restwarmte waaraan fossiele energie ten grondslag ligt. Om deze reden is deze toepassing in `Duurzame energie in uitvoering' van het duurzame energie-domein overgebracht naar het domein van energiebesparing. Daarmee wordt deze optie op geen enkele wijze gefrustreerd: alle bestaande stimuleringsmaatregelen (EIA, VAMIL, Novem-activiteiten) blijven voor deze toepassing gehandhaafd.


13 Hoe wordt het passief gebruik van zonne-energie gewaardeerd ten opzichte van zonnepanelen en hoe zit dat subsidie-technisch dan wel fiscaal-technisch?

In de EPN wordt de energieopbrengst van het passief gebruik van zonne-energie (door bijvoorbeeld een goede zon-oriëntatie) en zonnepanelen passend gewaardeerd.

Voor zon-gericht bouwen (verkavelen én ontwerpen) bestaan geen subsidie- of fiscale faciliteiten omdat niet gebleken is dat de kosten hiervan een knelpunt zouden zijn. Het is veeleer een optie die op wijkniveau met de gepaste prioriteit van bestuurders en bouwers aandacht moet krijgen. Mogelijke oververhitting in de zomer is daarbij een aandachtspunt


14 Toen met de elektriciteitsproducenten de afspraak is gemaakt over een 10%-duurzaamheidsdoelsteling, werd ervan uitgegaan dat die ook kon worden ingevuld met biomassa en afvalverwerking. Nu schijnt die definitie te wijzigen. Wat betekent dat voor die afspraak?

In het MAP 2000 van de energiedistributiebedrijven en de daarover gemaakte afspraken tussen Rijk en EnergieNed is de energie-opwekking door de afvalverbrandingbedrijven buiten beschouwing gebleven. De resultaatsverplichting van de energiedistributiebedrijven, die onder meer inhoudt dat in 2000 3,2% van de elektriciteitsafzet wordt gedekt door duurzame bronnen, wordt derhalve niet beïnvloed door de aanscherping van de definitie. Energieopwekking uit biomassa was en blijft wel onderdeel van de activiteiten in het kader van het MAP, en wordt ook niet geraakt door de aanscherping van de definitie.


15 Zou het niet beter zijn om te wachten met aanpassing van definities totdat daarover in Europees verband afspraken gemaakt zijn?

Juist het feit dat in Europees verband afspraken gemaakt (moeten) worden over de definitie van duurzame energie, noopte tot het nog eens goed nadenken over de Nederlandse inzet in de besprekingen daarover.


16 Bij de verwerking van kippenmest zou heel veel fossiele brandstof bespaard kunnen worden, mits het maar onder de groene label van de biomassa zou vallen. Is dit nu wel of niet mogelijk?

Zowel in de oude als in de nieuwe definitie wordt kippenmest als biomassa beschouwd. Indien kippenmest wordt benut als brandstof en de daarmee opgewekte energie wordt via een energiebedrijf aan derden geleverd, dan kan daarover REB worden doorgesluisd.


17 Wat is de mening van de regering over de motie-Van Middelkoop over windenergie in het licht van de Energienota?

Zoals minister Pronk reeds heeft verwoord tijdens de behandeling van de VROM-begroting 2000, bij gelegenheid waarvan deze motie is gediend, beschouwt het kabinet de motie als ondersteuning van het beleid zoals geformuleerd in het Energierapport.


18 Zijn de elektriciteitsbedrijven wel het meest geëigend om voorlichting te geven over energiebesparing en duurzame energie?

Het is goed voorstelbaar dat energieleverantiebedrijven ook indien ze geen nutstaken meer verrichten voorlichting over energiebesparing geven aan hun klanten bij wijze van service en klantenbinding. Met betrekking tot duurzame energie ligt dit nog meer voor de hand, aangezien de inkoop, opwekking en afzet van duurzame energie geheel past in een commerciële oriëntatie.


19 Hoe worden de resterende MAP-gelden besteed?

Het ligt in de rede dat de resterende MAP-gelden besteed worden voor het bereiken van de doelstellingen op het gebied van energiebesparing en duurzame energie zoals deze geformuleerd in het MAP 2000. Door de introductie van de positieve prikkels voor huishoudens kan een verschuiving ten gunste van duurzame energie-toepassingen optreden. Hierover vindt overleg plaats met EnergieNed.


20 Is er een gekwantificeerde verwachting wat de regulerende energiebelasting kan opleveren voor de marktpenetratie van duurzame energie-opties?

In het Energierapport is verwoord dat het bijzonder moeilijk is om de op grond van wetenschappelijk onderzoek veronderstelde effecten van de REB op het energieverbruik op korte termijn in de praktijk vast te stellen. Voor het stimulerend effect van de REB op de marktpenetratie van duurzame energie ligt dat niet anders: er zijn immers tegelijkertijd verschillende instrumenten in werking (REB, VAMIL, EIA, subsidieregelingen van rijk, gemeenten en energiebedrijven, wettelijke vereisten als EPN).


21 Wat zijn de plannen van de minister voor een versnelde aanscherping van de energieprestatienorm?

Per 1 januari 2000 wordt de EPN voor woningbouw aangescherpt van 1,2 naar 1,0. Verdere aanscherping is afhankelijk van de uitkomsten van onderzoek. EZ en VROM zijn momenteel het onderzoeksplan aan het opstellen, de Staatssecretaris van VROM is immers primair verantwoordelijk voor de EPN. Ik verwacht op termijn een verdere aanscherping gezien de goede resultaten in de diverse demonstratie-projecten.

Minister van Economische Zaken

A. Jorritsma-Lebbink

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie