Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

PvdA over invoering tweede fase en het studiehuis

Datum nieuwsfeit: 16-12-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Partij van de Arbeid

16 december 1999

BIJDRAGE VAN SHARON DIJKSMA (PVDA) AAN HET DEBAT OVER DE INVOERING VAN DE PROFIELEN TWEEDE FASE EN HET STUDIEHUIS

 

 

Voor de Partij van de Arbeid vormt onderwijs mede een instrument om maatschappelijke ongelijkheid te bestrijden. Willem Frederik Hermans heeft in 1978 geschreven over "De vijanden van lagere volksklassen" en daarmee bedoelde hij mensen die onderwijs bepleiten dat vooral aansluit bij het het kind en niet biedt wat mensen in hun latere leven nodig hebben. Met een verwijzing naar Hermans' woorden heb ik tijdens het plenaire debat over de invoering van de wet op de Tweede Fase de bijdrage van de Partij van de Arbeid-fractie geopend. Met deze opvattingen uit de jaren zeventig over kansen voor (arbeiders)kinderen in het onderwijs slaat Hermans postuum nog altijd de spijker op zijn kop.

 

Bij al het rumoer over invoering van de vernieuwing van de bovenbouw voor Havo en VWO lijken velen alweer vergeten te zijn waar het ons eigenlijk om te doen was. Jongeren hebben een groot belang bij onderwijs dat inhoudelijk bij de tijd is en om dat te kunnen garanderen zullen de inhouden van vakken af en toe moeten worden aangepast. Daarnaast is de overgang van het voortgezet naar het hoger onderwijs nog altijd een dramatisch groot probleem. Ruim de helft van de havisten redt het niet op het HBO en iets meer dan de helft van de VWO-ers behaalt pas na zeven jaar studeren zijn of haar bul.

Er was en blijft dus alle reden om de invoering van de Tweede Fase zeer serieus gestalte te geven.

Deze week hebben we kennis kunnen nemen van de bevindingen van de onderwijsinspectie, het PMVO en Codename Future aangaande de werkdruk in het gloednieuwe studiehuis en de mogelijke overladenheid van het programma.

Een aantal zaken vallen daarin op:

1. de door leerlingen en leraren geconstateerde problemen kunnen in het algemeen worden gekenmerkt als overgangsproblemen.

2. scholen die hun zaken goed organiseren, veel onderling overleggen en er een vorm van regie t.a.v. de invoering van de Tweede Fase op schoolniveau op na houden hebben minder problemen dan scholen die dat niet doen en

3. er doet zich een aantal didactische problemen voor, hetgeen we overigens ook al in de basisvorming zien.

Een combinatie van deze en enkele andere factoren leidt al met al tot een studielast die in ieder geval door veel leerlingen als zwaar of te zwaar wordt ervaren. De mate waarin leerlingen de studielast ook werkelijk als probleem ervaren, verschilt per school en per leraar. In de woorden van de inspectie gaat het hierbij vooral om piekbelastingen die kunnen optreden op momenten dat leerlingen op dezelfde momenten voor veel verschillende vakken extra opdrachten tegelijkertijd moeten uitvoeren. Daarmee wil ik in ieder geval onderstrepen dat het debat dat wij nu voeren niet op basis van een natte vinger in de lucht wordt gevoerd, maar haar grond vindt in de onderliggende rapporten die ons ten aanzien van klachten over de studielast zijn aangereikt.

Het feit dat scholen en leerlingen zulke uiteenlopende ervaringen hebben maakt het overigens lastig om eenduidige oplossingen te bieden. Daarom is mijn fractie het eens met het uitgangspunt dat hoe dan ook de scholen zelf binnen de gegeven ruimte moeten beoordelen of en hoeveel ze tegemoet willen komen aan de door haar leerlingen en leraren gevoelde problemen. De tijd van de centralistische overheid die tot in details voor scholen beslist is echt voorbij, zeker omdat diezelfde scholen in het verleden altijd hebben geroepen hun eigen maatwerk te willen en kunnen bepalen.

Daarnaast staat voor de PvdA voorop dat het bieden van meer ruimte aan scholen om binnen het bestaande programma keuzes te maken de inhoud en het niveau van het onderwijs niet mag aantasten. Maatregelen die dat zouden bewerkstelligen, zoals het onverkort schrappen van 25% van de lesstof, achten wij echt onverantwoord omdat het fundament van de vernieuwing erdoor wordt aangetast. Het adagium "steen door de ruit, vakken eruit!" vindt bij mijn fractie dan ook geen gehoor.

De voorstellen van de staatssecretaris voldoen wel aan de uitgangspunten zoals ik deze net heb geformuleerd. Ze zijn om te beginnen tijdelijk (en met tijdelijk bedoelen we tijdelijk en niet iets anders) en daarnaast hoeven scholen zich er niks van aan te trekken als dat niet nodig is. Het is dus geen rem op reeds ingezette ontwikkelingen die goed verlopen maar wel een uitlaatklep voor hen die tijdelijk in problemen verkeren. De stapel met mail en faxen die ik gisteren als reactie op de voorstellen heb mogen ontvangen concentreert zich dan ook voornamelijk op de voorstellen m.b.t. tot ANW en de moderne vreemde talen. Veel pas omgeschoolde leraren zijn zeer enthousiast over het vak ANW en zij zijn bang dat al hun inspanning nu voor niets is geweest. In de brieven reppen zij over "het feit dat het vak zal verdwijnen. Nu is dat volgens mij beslist niet het geval want het blijft voor het VWO een verlicht maar verplicht vak in het algemeen deel en nogmaals: scholen hoeven zich niets aan te trekken van voorstellen die hen niet bevallen! Maar kan de staatssecretaris ondertussen wel ingaan op de kritiek die is verwoord t.a.v. haar voorstellen m.b.t. ANW?

Eenzelfde angst heerst voor wat betreft de voorstellen met betrekking tot de moderne vreemde talen. Kan de staatssecretaris nog eens aangeven waarom zij ervoor heeft gekozen om scholen de ruimte aan te bieden om binnen de vastgestelde uren voor talen keuzes te maken?

En wanneer zal zij met het onderwijsveld gaan overleggen over de nu gedane voorstellen?

Ik kom nu toe aan mijn voorlaatste punt; de positie van het PMVO.

Nu de invoering van de Tweede Fase is ingezet raakt de rol van het procesmanagement langzamerhand uitgespeeld. Om verkwisting van kwaliteit en kennis tegen te gaan stelt de staatssecretaris de Kamer voor om de zaak langzaam maar zeker af te bouwen, zodat haar departement aan het einde van het bestaan van het PMVO de zaak vlekkeloos kan overnemen. Mijn fractie steunt deze uitgekiende exitstrategie van de staatssecretaris.

Het PMVO heeft in de afgelopen jaren veel en goed werk geleverd om de invoering van het studiehuis en de profielen te begeleiden. Natuurlijk heeft men daarbij vaak vooraan in de vuurlinie gestaan en de nodige klappen opgevangen die her en der zijn uitgedeeld. Ik wil niet zeggen dat alles altijd goed is gegaan en je merkt ook zeker dat het op afstand functioneren van een departement de verantwoordelijke bewindspersoon of het PMVO zelf soms in een lastige positie heeft gebracht. Maar ik denk dat het wel goed is om vandaag uit te spreken dat het procesmanagement wat mijn fractie betreft de Kamer geen cruciale informatie over het studiehuis heeft onthouden toen zij besloot om een in haar opdracht vervaardigd stuk over de kerndoelen basisvorming niet openbaar te maken. Laat die storm in dat glas water nu maar snel overwaaien!

Tenslotte, voorzitter, de schoolboeken.

Begin december stuurde staatssecretaris Adelmund een notitie naar de Kamer waarin zij haar bevindingen weergeeft ten aanzien van de prijs van schoolboeken. In deze notitie geeft de staatssecretaris aan dat zij er vanaf ziet de Nederlandse Mededingingsautoriteit te vragen de onderlinge concurrentiepositie en kartelvorming van Nederlandse schoolboekenuitgevers onder de loep te nemen. Daarbij verwijst zij onder meer naar de toegestane verticale prijsbinding waar de verkoop van boeken aan onderhevig is. De verticale prijsbinding die voortvloeit uit een ontheffing op de Mededingingswet leidt ertoe dat er in zekere zin sprake zou zijn van toegestane concurrentiebeperkende afspraken en kartelvorming. Er zijn - aldus de staatssecretaris- geen aanwijzingen dat er ook in andere opzichten sprake zou zijn van concurrentiebeperkende afspraken. Kortom: geen grond voor een klacht.

Mijn fractie vindt het jammer dat de staatssecretaris afziet van het indienen van een klacht, maar heeft tegelijkertijd begrip voor haar positie. Als staatssecretaris van Onderwijs moet zij op verschillende momenten met dezelfde uitgevers om tafel zitten en afspraken maken over leermethodes en het moment waarop deze dienen te verschijnen. Wanneer er twijfel heerst over de fundering van een dergelijke klacht is een diplomatieke koers niet helemaal uit de lucht gegegrepen. Toch zit de deur naar een dergelijk onderzoek niet dicht. De vereniging Ouders&Coo heeft al eens laten doorschemeren het een en ander van plan te zijn en tot vreugde van mijn fractie heeft Prof. Heertje nu besloten om als een olifant door de porseleinkast heen te denderen en zijn eigen economie-boek via Internet uit te geven.

Ook de door de PvdA zo gewenste discussie over het loslaten van de vaste prijs voor schoolboeken zal in het komend jaar nader worden onderzocht. Terecht stelt de staatssecretaris dat de prijsbinding voornamelijk is beargumenteerd vanuit het algemene boek en dat er wezenlijke verschillen bestaan met de sector van het educatieve boek. Uit een overzicht van het eerder genoemde Ouders&Coo blijkt dat diverse omringende landen geen last hebben van vaste prijzen voor schoolboeken. Een land als Denemarken kent zelfs een uitzondering op de vaste boekenprijzen voor schoolboeken en dat land is toch vergelijkbaar met Nederland? Graag een reactie van de staatssecretaris, want ik zou menen dat dit voorbeeld en enkele andere in de beloofde evaluatie een rol zou moeten spelen. Kunnen wij er overigens op rekenen dat die evaluatie er voor de zomer 2000 zal zijn? Het lijkt me wenselijk dat de Kamer voor het nieuwe schooljaar in 2000 start enig zicht heeft op de mogelijkheden of onmogelijkheden van dit voorstel.

Laat in ieder geval duidelijk zijn, dat een stijging van de kosten van schoolboeken, indien deze reëel en onvermijdelijk zou blijken niet zonder meer kan worden afgewenteld op de ouders, maar in ieder geval voor de minder draagkrachtigen moet worden gecompenseerd in de Wet Tegemoetkoming Studiekosten.

Ik wil mijn verhaal graag eindigen met een positieve noot: het te laat verschijnen van de schoolboeken was voor velen een doorn in het oog. Ik ben blij te zien dat het onderwijsveld en de educatieve uitgeverijen over dit thema een convenant hebben afgesloten hetgeen er hopelijk toe zal leiden dat we zoiets niet weer hoeven mee te maken.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie