Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Vitamine Informatie Bulletin november

Datum nieuwsfeit: 30-11-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten

Vitamine Informatie Bulletin

Het Vitamine Informatie Bureau geeft enkele keren per jaar het Vitamine Informatie Bulletin uit. Hierin staan nieuws en actuele wetenswaardigheden over vitamines en andere (micro)voedingsstoffen. De informatie is afkomstig van wetenschappelijke vakbladen, proefschriften en congressen. Het bulletin is bedoeld voor journalisten, die de artikelen kunnen publiceren of in uitzendingen verwerken. Daarnaast wordt het bulletin vaak ook gewaardeerd door beroepsgroepen als huisartsen, diëtisten, voedingskundigen, fabrikanten van vitaminesupplementen of (verrijkte) voedingsmiddelen en andere (voorlichtende) instanties. Deze beroepsgroepen kunnen een gratis abonnement op het bulletin krijgen.

Hieronder vindt u het laatste bulletin (november 1999). Het volgende bulletin zal verschijnen in maart/april 2000.

Inhoud:

* Zwangere vrouwen gebruiken vaker foliumzuur
* Binnenkort symposium Vitamine Informatie Bureau Zijn vitamines belangrijk tegen hart- en vaatziekten?

* Verrijking in VS effectief tegen tekorten foliumzuur
* Prakken is gezond!

* De belangrijkste feiten op een rij N-3 vetzuren: essentieel voor de gezondheid

Zwangere vrouwen gebruiken vaker foliumzuur

Steeds meer zwangere vrouwen blijken foliumzuursupplementen te gebruiken om de kans op een aangeboren afwijking te verkleinen. In 1994 gebruikte nog geen 10% een supplement met deze B-vitamine, inmiddels is dat meer dan 60%. Echter, slechts 36% van de zwangere vrouwen gebruikte foliumzuur in de gehele geadviseerde periode, namelijk minimaal 4 weken vóór tot minimaal 8 weken ná conceptie. Dit blijkt uit een onderzoek van de Universiteit Groningen onder 453 zwangere vrouwen in Noord-Nederland.

grafiek

Sinds 1993 adviseert de Gezondheidsraad een foliumzuursupplement te gebruiken aan vrouwen die zwanger willen worden. De kans op een aangeboren afwijking door een zogenoemd neurale-buisdefect zoals een 'open ruggetje' wordt hierdoor meer dan gehalveerd. Eind 1995 is het Voedingscentrum een nationale campagne gestart om dit advies onder de aandacht te brengen. Uit het genoemde onderzoek blijkt dat zowel in de periode vóórafgaand aan deze campagne als in de periode erna het gebruik van foliumzuursupplementen is toegenomen. De media lijken daarvoor verantwoordelijk, aangezien kranten en tijdschriften als belangrijkste informatiebron worden genoemd.

Het is nog niet onderzocht of er inderdaad minder baby's met 'open ruggetjes' in Nederland worden geboren nu zwangere vrouwen op grotere schaal foliumzuursupplementen gebruiken. In Engeland, waar het foliumzuur advies sinds 1992 geldt, is daar recent wel onderzoek naar gedaan. Sinds de jaren 70 blijkt het aantal aangeboren afwijkingen al vanzelf te dalen door onbekende oorzaak. Sinds 1992 is er geen sterkere daling gevonden in het aantal aangeboren afwijkingen, ondanks de toename in foliumzuur gebruik onder zwangere vrouwen. Een mogelijke verklaring is het lage foliumzuur gebruik in Engeland; ongeveer 30% van de zwangere vrouwen start in Engeland met een foliumzuursupplement nog voordat ze zwanger zijn. Het is de vraag of dit percentage nog hoger kan. In Engeland is namelijk slechts ongeveer 60% van de zwangerschappen gepland. Een geplande zwangerschap is uiteraard een voorwaarde om vóór de conceptie al met foliumzuur te kunnen beginnen.

In Nederland, waar circa 85% van de zwangerschappen gepland is, zou er mogelijk nog wel ruimte voor verhoging van het supplementgebruik zijn. In het Groningse onderzoek was de helft van de zwangere vrouwen die geen foliumzuursupplementen hadden gebruikt, van plan dit een eventuele volgende keer wel te doen.

(Bronnen: The Lancet 1999, volume 353, H.E.K. De Walle et al, Periconceptional folic acid intake in the northern Netherlands, pagina 1187; British Medical Journal 1999, volume 319, R.A. Kadir et al, Neural tube defects and periconceptional folic acid in England and Wales: retrospective study, pagina 92-93)

Binnenkort symposium Vitamine Informatie Bureau Zijn vitamines belangrijk tegen hart- en vaatziekten?

Hart- en vaatziekten vormen nog steeds de belangrijkste doodsoorzaak in Nederland, en zullen ook in het nieuwe millennium veel aandacht vragen. Algemeen bekend is dat roken, een hoge bloeddruk, een hoog cholesterolgehalte, een voeding met veel verzadigd vet, en een inactieve leefstijl de kans op het krijgen van hart- en vaatziekten verhogen. Maar de laatste jaren komen er steeds meer aanwijzingen dat bepaalde stoffen uit de voeding, zoals zekere vitamines en vetzuren, een beschermend effect kunnen hebben op de ontwikkeling van hart- en vaatziekten. Reden voor het Vitamine Informatie Bureau om over dit thema op donderdag 10 februari 2000 een symposium te organiseren in samenwerking met de Nederlandse Hartstichting (NHS), de Nederlandse Vereniging van Diëtisten (NVD) en de Nederlandse Vereniging voor Voedingsleer en Levensmiddelentechnologie (NVVL). De Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV) heeft het programma van het symposium geaccrediteerd.

Uit grote bevolkingsonderzoeken blijkt telkens weer dat mensen met een voedingspatroon, bestaande uit veel groente en fruit, veel graanproducten en af en toe vis, minder kans hebben op hart- en vaatziekten dan mensen met een minder gezond voedingspatroon. Gedacht wordt dat bepaalde vitamines en vetzuren voor deze beschermende werking mede verantwoordelijk zijn. Tijdens het symposium 'Vitamines en Hart- en Vaatziekten' zullen diverse artsen, diëtisten en gezondheidsonderzoekers de meest recente ontwikkelingen toelichten.

Zo zitten er in groenten en fruit veel antioxidanten zoals vitamine C, E en carotenoïden. Deze antioxidanten kunnen zogenoemde vrije radicalen wegvangen. Dit is gunstig, omdat vrije radicalen bijvoorbeeld kunnen reageren met cholesterol. Het op deze manier gevormde 'geoxideerde' cholesterol kan zich gemakkelijk vastzetten aan de wand van bloedvaten, waardoor die sneller dichtslibben. Onderzoek richt zich op de vraag of extra antioxidanten uit supplementen en verrijkte voeding hiertegen kunnen beschermen. Groenten en graanproducten zijn verder rijk aan foliumzuur, één van de B-vitamines. Samen met vitamine B6 en B12 zorgt foliumzuur ervoor dat het gehalte aan homocysteïne in het bloed laag blijft. Een te hoog homocysteïne gehalte wordt beschouwd als een nieuwe risicofactor voor hart- en vaatziekten. Men vermoedt dat homocysteïne een schadelijke stof is, die de bloedvaten kan beschadigen en bloedstolsels kan vormen. Dit vergroot de kans op hart- en vaatziekten. Inmiddels is bekend dat extra foliumzuur een verhoogd gehalte aan homocysteïne kan verlagen. Of de kans op hart- en vaatziekten hierdoor ook daadwerkelijk wordt verlaagd, zal lopend onderzoek moeten uitwijzen.

Vis is de enige belangrijke voedingsbron van bepaalde meervoudig onverzadigde vetzuren, de zogenoemde n-3 lange-keten vetzuren. In tegenstelling tot verzadigde vetzuren zijn deze n-3 vetzuren juist goed voor de gezondheid. Er wordt gedacht dat ze een gunstig effect hebben op hartritmestoornissen, één van de belangrijkste oorzaken van het plotseling overlijden van patiënten met hartziekten. Ook zouden ze gunstig kunnen zijn tegen een verhoogde bloeddruk. Het lichaam kan deze n-3 lange-keten vetzuren weliswaar zelf aanmaken uit alfa-linoleenzuur, een essentieel vetzuur dat vooral in groenten en noten zit, maar het is nog sterk de vraag of dit de behoefte van het lichaam volledig dekt.

Tijdens het symposium 'Vitamines en Hart- en Vaatziekten' komt ook aan bod hoe de resultaten uit wetenschappelijk onderzoek vertaald kunnen worden naar de praktijk van arts, diëtist en voedingsvoorlichter.

(Bron: Folder over het symposium 'Vitamines en Hart- en Vaatziekten', georganiseerd door het Vitamine Informatie Bureau van TNO Voeding in samenwerking met de Nederlandse Hartstichting, de Nederlandse Vereniging van Diëtisten en de Nederlandse Vereniging voor Voedingsleer en Levensmiddelentechnologie op 10 februari 2000 in Ede)

Verrijking in VS effectief tegen tekorten foliumzuur

Verrijking van bepaalde voedingsmiddelen met foliumzuur - sinds januari 1998 verplicht in de Verenigde Staten - blijkt effectief om tekorten aan deze B-vitamine tegen te gaan. Dit is de conclusie van een Amerikaans onderzoek onder enkele honderden mannen van middelbare leeftijd. Vóór de verplichte verrijking had 22% van deze mannen een laag gehalte aan foliumzuur in het lichaam, ná de verplichte verrijking was dat nog maar 2%.

In de Verenigde Staten is het toevoegen van foliumzuur aan meel, rijst en pasta sinds januari 1998 verplicht. De oorspronkelijke reden voor deze maatregel is het verhogen van de foliumzuur inneming van vrouwen in de vruchtbare leeftijd. Extra foliumzuur verkleint namelijk de kans op een baby met een aangeboren afwijking zoals een 'open ruggetje'. Dat ook andere groepen in de bevolking door de verplichte verrijking gemiddeld zo'n 100 microgram extra foliumzuur binnenkrijgen wordt op dit moment niet als een probleem gezien. Er zijn namelijk aanwijzingen dat extra foliumzuur de kans op hart- en vaatziekten zou kunnen verkleinen.

In tegenstelling tot de Verenigde Staten is foliumzuurverrijking van voedingsmiddelen in Nederland juist verboden omdat een bestaand tekort aan vitamine B12 - wat kan resulteren in schade aan de zenuwen - onopgemerkt zou kunnen blijven als iemand een grote hoeveelheid foliumzuur (meer dan 1 mg) neemt. Maar inmiddels zijn er moderne technieken om een vitamine B12 tekort te meten, waarbij dit probleem niet optreedt. Gezien de potentiële gezondheidseffecten van foliumzuur heroverweegt de Gezondheidsraad momenteel dit verbod op foliumzuurverrijking.

Supplementen met foliumzuur zijn wel toegestaan in Nederland. Deze worden officieel geadviseerd aan vrouwen die zwanger willen worden om de kans op een baby met een aangeboren afwijking te verkleinen. De geadviseerde hoeveelheid extra foliumzuur (400 microgram) is hoger dan wat een normale voeding bevat (200-300 microgram). Bovendien wordt 'natuurlijk' foliumzuur uit de voeding minder goed opgenomen dan 'synthetisch' foliumzuur uit supplementen of verrijkte voedingsmiddelen.

Toch is het wel mogelijk om het foliumzuurgehalte in het lichaam te verhogen door veel foliumzuur rijke voedingsmiddelen te eten, zo blijkt uit een recent Nederlands proefschrift. Het is echter de vraag of dat in de praktijk haalbaar is, want naast een normale voeding moet iemand heel wat groente en fruit die rijk is aan foliumzuur extra eten: zo'n 350 gram spinazie, broccoli, spruitjes, boontjes of erwtjes, 1 stuk citrusfruit en 1 glas sinaasappelsap per dag. De extra foliumzuur die dit oplevert (circa 350 microgram), heeft bijna hetzelfde effect op het foliumzuurgehalte in het lichaam als een foliumzuursupplement van 250 microgram.

(Bronnen: The New England Journal of Medicine 1999, volume 340, J.P.F. Selhub et al, The effect of folic acid fortification on plasma folate and total homocysteine concentrations, pagina 1449-1454; Proefschrift van I.A. Brouwer, Folic acid, folate and homocysteine: human intervention studies, Katholieke Universiteit Nijmegen, 1 juli 1999)

Prakken is gezond!

De Hollandse stamppot is zo gek nog niet. Verhitten en prakken van groente zorgt er namelijk voor dat bepaalde voedingsstoffen, carotenoïden genoemd, beter worden opgenomen in het lichaam. Het zou gunstig zijn voor de gezondheid, want mogelijk kunnen carotenoïden de kans op ziektes als kanker, hart- en vaatziekten en oogziekten verkleinen. Dit blijkt uit een recent Nederlands proefschrift.

In groenten en fruit zitten wel 50 verschillende carotenoïden, met bèta-caroteen als meest bekende. Zonder deze stoffen zou ons voedsel niet zo gekleurd zijn; bèta-caroteen maakt een wortel bijvoorbeeld oranje en lycopeen maakt een tomaat rood.

Deze voedingsstoffen worden echter niet gemakkelijk opgenomen in het lichaam omdat ze in voedingsmiddelen vaak gebonden zitten aan andere stoffen. Tijdens de spijsvertering moeten ze eerst worden vrijgemaakt en worden opgelost in voedingsvet voordat ze samen met dit vet kunnen worden opgenomen. Dit lukt niet altijd helemaal, waardoor een groot deel van de carotenoïden het lichaam weer verlaat via de ontlasting.

In het proefschrift is onderzocht of bewerking van groente een gunstig effect heeft op de opname van verschillende carotenoïden. Bewerkingen die voor veel vitamines ongunstig zijn, blijken voor de opname van carotenoïden juist gunstig te zijn: prakken, snijden, pureren en verhitten. Zo wordt lycopeen veel beter opgenomen uit tomatenpuree dan uit verse tomaten. Als spinazie gesneden wordt, dan blijkt de opname van het carotenoïd luteïne beter.

De hoeveelheid vet in de maaltijd blijkt ook van invloed op de opname van carotenoïden in het lichaam. Voor de opname van bèta-caroteen is een kleine hoeveelheid vet van zo'n 3 gram voldoende, terwijl de opname van luteïne beter is in aanwezigheid van een grotere hoeveelheid voedingsvet (36 gram).

In het proefschrift werd verder duidelijk dat er grote verschillen bestaan tussen groenten onderling. Broccoli en erwtjes bevatten bijvoorbeeld tien keer minder bèta-caroteen dan spinazie. Maar de opname ervan is zoveel beter, dat uiteindelijk meer bèta-caroteen uit broccoli en erwtjes ten goede komt aan het lichaam dan uit spinazie. Uit supplementen wordt bèta-caroteen helemaal goed opgenomen. Vergeleken met groenten komt ongeveer tien keer zoveel van de bèta-caroteen uit supplementen ten goede aan het lichaam. Dit komt omdat bèta-caroteen in supplementen al in vrije vorm aanwezig is.

De laatste jaren is uit grote bevolkingsonderzoeken gebleken dat een hoge consumptie van groenten en fruit samenhangt met een lager risico op het krijgen van ziektes als kanker, hart- en vaatziekten en bepaalde oogziekten. Er wordt gedacht dat deze chronische ziekten, die meestal op latere leeftijd voorkomen, ontstaan doordat het lichaam teveel wordt blootgesteld aan zogenoemde vrije radicalen, die de cellen van het lichaam kunnen beschadigen. Deze vrije radicalen kunnen uit de omgeving komen, zoals luchtvervuiling, sigarettenrook of teveel zonlicht, maar ook van binnenuit in het lichaam tijdens de normale stofwisselingsprocessen. Antioxidanten, zoals bijvoorbeeld carotenoïden, in groenten en fruit kunnen vrije radicalen onschadelijk maken en zouden daarmee mogelijk de gunstige effecten van een hoge groente- en fruitconsumptie kunnen verklaren.

(Bron: Proefschrift van K.H. van het Hof, Dietary factors that affect carotenoid bioavailability, Landbouwuniversiteit Wageningen, 4 juni 1999)

De belangrijkste feiten op een rij N-3 vetzuren: essentieel voor de gezondheid

Er is voldoende wetenschappelijk bewijs dat vetzuren uit vis gunstig kunnen zijn voor de gezondheid, vooral voor mensen met een verhoogd risico op hart- en vaatziekten en voor zwangere vrouwen en baby's. Het is daarom verstandig om ten minste een maal per week vis te eten. De vettere vissoorten hebben de voorkeur omdat ze rijk zijn aan de gunstige 'lange-keten n-3 vetzuren', welke gezien worden als de werkzame bestanddelen. Mensen die helemaal geen vis eten zouden een vergelijkbare hoeveelheid van deze n-3 vetzuren binnen moeten krijgen via andere bronnen, zoals voedingssupplementen. Het gaat dan om 200 mg per dag. Dit zijn de conclusies van een publicatie in het wetenschappelijk tijdschrift 'European Journal of Clinical Nutrition' over een Europese workshop die in Nederland is georganiseerd.

In onze voeding zijn twee vetzuren essentieel: linolzuur (n-6 vetzuur) en alfa-linoleenzuur (n-3 vetzuur). We kunnen deze vetzuren niet zelf in het lichaam maken en moeten ze dus via de voeding binnen krijgen. Linolzuur komt voornamelijk voor in zonnebloemolie en dieetmargarine. De belangrijkste bronnen van alfa-linoleenzuur zijn groene groenten, noten en bepaalde olie, zoals soja-, raapzaad en lijnzaadolie.

In principe kan het lichaam uit linolzuur en alfa-linoleenzuur andere belangrijke vetzuren maken, de zogenoemde lange-keten vetzuren. Deze vetzuren zijn onmisbaar voor het optimaal functioneren van cellen, weefsels en organen. Echter, de vorming van vooral de n-3 lange-keten vetzuren EPA (eicosapentaeenzuur) en DHA (docosahexaeenzuur of cervonzuur) uit alfa-linoleenzuur verloopt moeizaam. Het is dan ook de vraag of het lichaam zelf voldoende kan voorzien in de behoefte aan deze vetzuren. Vette vis zoals haring, makreel en zalm, is de enige belangrijke voedingsbron van deze n-3 lange-keten vetzuren.

Uit verschillende onderzoeken is gebleken dat door wekelijks vis eten, het risico van hart- en vaatziekten met fatale afloop met 40% zou kunnen dalen. Er zijn aanwijzingen dat de gunstige werking van n-3 lange-keten vetzuren op het vetgehalte in het bloed, op een hoge bloeddruk en op hartritmestoornissen hiervoor verantwoordelijk is. Grotere hoeveelheden vis lijk

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie