Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Brief Volksgezondheid over eindrapport Wet op de jeugdzorg

Datum nieuwsfeit: 16-12-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal


00000000.160 brief sts vws rapport van de adviescommissie wet op de je ugdzorg

Gemaakt: 20-12-1999 tijd: 11:41

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

t

Blad


6

Kenmerk

DBO-CB-U-2029832

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Postbus 20350


2500 EJ DEN HAAG

Telefoon (070) 340 79 11

Fax (070) 340 78 34

Bezoekadres:

Parnassusplein 5


2511 VX DEN HAAG

Correspondentie uitsluitend richten aan het postadres met vermelding van de datum en het kenmerk van deze brief

Internetadres:

www.minvws.nl

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal


16 december 1999


1. Inleiding

Bijgaand treft u aan het eindrapport van de Adviescommissie Wet op de jeugdzorg, getiteld `Van antwoord naar vraag; een nieuw zicht op jeugdzorg'. Het rapport is ons heden door de voorzitter van de commissie, drs. I. Günther, aangeboden.

De Adviescommissie had tot taak te adviseren over het bestuurlijk kader van de Wet op de jeugdzorg. In het Regeerakkoord is het voornemen van een dergelijke wet verwoord, met het oog op een eenduidige sturing en financiering van de jeugdzorg.

Het Regeerakkoord stelt:

«Er komt een nieuwe wet op de Jeugdzorg met een eenduidige aansturing en financiering (VWS-deel, Jeugd-GGZ-AWBZ-deel, Justitie-deel). Alle met het proces Regie in de jeugdzorg geboekte vooruitgang (beleidsinformatie, zorgprogrammering, kwaliteitsbeleid, Bureaus jeugdzorg / eenduidige toegang) wordt in deze wetgeving verankerd. Het Bureau Jeugdzorg, zijnde één loket voor de jeugdhulpverlening, wordt een onafhankelijke rechtspersoon, onder één gezag met één financiering.»

Het rapport levert naar onze mening waardevolle bouwstenen op voor de besluitvorming over de toekomstige Wet op de jeugdzorg. Medio 1999 ontvingen wij reeds het eindadvies «Toegang tot de jeugdzorg» van de projectgroep Toegang. Nu ook het rapport van de Adviescommissie Wet op de jeugdzorg (hierna: de Adviescommissie) is ontvangen gaat de discussie over de toekomstige wet een nieuwe fase in.

De adviezen die er nu liggen vullen elkaar gedeeltelijk aan. In het bijzonder wat betreft de uitgangspunten en de inhoudelijke visie op de jeugdzorg biedt het advies van de Adviescommissie belangwekkend aanvullend materiaal. Met name wat betreft de functies van het Bureau Jeugdzorg komt de Adviescommissie tot andere conclusies dan de Projectgroep Toegang.

Deze brief begeleidt het rapport van de Adviescommissie. Achtereenvolgens komen aan de orde: de visie op jeugdzorg (par. 2), de vraagsturing in de jeugdzorg (par. 3) en het plan van aanpak om te komen tot een inhoudelijk beleidskader voor de Wet op de jeugdzorg (par. 4) voor de zomer van 2000.

Met deze wet wordt het vernieuwingsproces dat in 1994 met het Regeringsstandpunt Regie in de jeugdzorg is ingezet verankerd. De versterking en verankering van het beleid van Regie in de jeugdzorg zullen tegelijkertijd worden voortgezet. De vernieuwingen in het veld, zoals de Bureaus Jeugdzorg en de inrichting van een meer flexibel en programmatisch aanbod, zullen - via onder meer de meerjarenafspraken en de instelling van het Landelijk Programma-management Jeugdzorg (LPJ) - verder moeten worden geïmplementeerd met de extra middelen (f
110 miljoen) die het kabinet daarvoor beschikbaar heeft gesteld.


2. Visie op jeugdzorg


2.1. De jeugdige centraal

De Adviescommissie heeft aanbevelingen over de nieuwe Wet op de jeugdzorg gedaan vanuit inhoudelijke overwegingen over jeugd en jeugdzorg. Onder jeugdzorg verstaat de commissie alle functies die betrekking hebben op het bieden van ondersteuning en hulp aan jeugdigen, ouders en hun sociale omgeving en van bescherming van jeugdigen voor zover deze functies het domein van opvoeding en ontwikkeling betreffen. Indien de vraag naar zorg voor jeugdigen wordt gedefinieerd als `opvoedings- en opgroeivraag' kan, naar het oordeel van de commissie, de leeftijd van de jeugdige niet (langer) als onderscheidend criterium voor de jeugdzorg dienen. Zij stelt dan ook voor om geen leeftijdsgrens in de wet op te nemen. Evenals de Adviescommissie onderkennen wij dat het hanteren van leeftijdsgrenzen arbitrair kan zijn en kan leiden tot overgangsproblematiek. De voor- en nadelen van het wel of niet opnemen van een leeftijdsgrens en de daaruit voortvloeiende consequenties verdienen naar onze mening dan ook nadere bestudering.

Op basis van de bovengenoemde definitie van de jeugdzorg formuleert de Adviescommissie haar visie inzake opvoeden en opgroeien. Zij sluit hierbij aan bij de vigerende wetgeving en verdragen, in het bijzonder het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind. Aansluiten bij het verdrag betekent aldus de commissie onder meer dat de zorg voor het kind zo veel mogelijk binnen het gezin, of een `gezinsvervangende constructie' geboden moet worden. Pas als dat niet mogelijk is, resteert verblijf in een residentiële leefgroep.

Met de Adviescommissie zijn wij van mening dat in de (Wet op de) jeugdzorg de jeugdige (met een hulpvraag) en diens ouders centraal moeten staan, zodat hulp op maat kan worden geboden. Hierbij wordt uitgegaan van het kind als subject van rechten, zoals neergelegd in het Verdrag inzake de rechten van het kind. Ingevolge dit verdrag hebben kinderen recht op speciale zorg en (wettelijke) bescherming. De primaire verantwoordelijkheid voor de gezonde en evenwichtige ontwikkeling van het kind legt het verdrag bij de ouders van het kind. De ouders hebben in beginsel het recht hun kinderen naar eigen inzichten te verzorgen en op te voeden. Het kind heeft - daarmee samenhangend - het recht op een liefdevolle verzorging en opvoeding, bij voorkeur in het gezin van zijn ouders.

Op de overheid rust ingevolge dit verdrag de verplichting ieder kind te verzekeren van de bescherming en zorg die nodig zijn voor zijn of haar ontwikkeling . Het verstrekken van bescherming en zorg betekent ons inziens in de eerste plaats dat de overheid de ouders als primaire verantwoordelijken moet ondersteunen in hun verzorgende en opvoedende taak ten opzichte van hun kinderen. Dit houdt onder meer in dat zij door adequate ondersteunende opvoedingsvoorzieningen op diverse maatschappelijke terreinen het mogelijk moet maken dat ouders hun verplichtingen ten opzichte van hun kinderen nakomen.

Wanneer ouders deze verplichting echter niet (meer) naar behoren vervullen, waardoor schade wordt of dreigt te worden berokkend aan het kind, moet de overheid maatregelen nemen om de bescherming van het kind mogelijk te maken, zo nodig met het uitlokken van een gerechtelijke beslissing. Indien ouders aan hun opvoedingsverantwoordelijkheid geen of onvoldoende inhoud (kunnen) geven, heeft de overheid ervoor in te staan dat de rechten en belangen van het kind alsnog worden gewaarborgd.


2. 2 Typering van de vraag

Bij het formuleren van haar visie op jeugdzorg maakt de Adviescommissie onderscheid tussen drie typen van vragen, namelijk vragen naar opvoedings- en opgroeihulp, bescherming en geneeskundige zorg. Het accent dat de commissie legt op opvoedings- en opgroeihulp en daarbinnen op vraagsturing en `empowerment' onderschrijven wij. Dit laatste betekent dat de opgroeiende jeugdige met zijn behoeften centraal moet staan. De jeugdige moet geen passief object van zorg zijn, maar, zoveel als mogelijk medebepaler van de zorg.

Het tweede type zorgvraag richt zich op bescherming van de jeugdige. Evenals de Adviescommissie zijn wij van oordeel dat bescherming van de jeugdige noodzakelijk is bij voor het kind schadelijke of bedreigende opvoedingssituaties. Bij de toepassing van
kinderbeschermingsmaatregelen dient gewaarborgd te zijn dat de rechten van betrokkenen (opvoeders en kinderen) gerespecteerd blijven. Deze noodzakelijke waarborgen zullen ons inziens ook in de Wet op de jeugdzorg een plaats moeten krijgen. Redenerend vanuit het principe dat de pedagogische invalshoek bij bescherming centraal moet staan in de jeugdzorg maakt de Adviescommissie vervolgens een duidelijk onderscheid tussen civielrechtelijke en strafrechtelijke plaatsingen. De Adviescommissie adviseert daarbij om de plaatsingen in een residentiële setting via de strafrechter buiten de jeugdzorg te laten vallen. Er van uitgaande dat ook bij deze plaatsingen van jeugdigen de pedagogische invalshoek een belangrijke rol speelt, zoals de Adviescommissie overigens ook onderkent, stellen wij voor de voorgestelde scheidingslijn tussen de civiele en de strafrechtelijke plaatsingen in de justitiële jeugdinrichtingen nader te bezien.

Het derde type zorgvraag betreft de vraag naar geneeskundige zorg. Bij jeugdigen die problematisch functioneren en waarbij somatisch-biologische stoornissen een belangrijke determinant zijn, is specifieke gezondheidszorg noodzakelijk, aldus de Adviescommissie. Wij onderschrijven dit standpunt. Jeugdzorg en (jeugd)gezondheidszorg zullen daarbij nauw moeten samenwerken. De scheidslijn die de commissie vervolgens al doorredenerend trekt tussen de jeugdafdelingen van de Riagg (een onderdeel van de ambulante Jeugd-GGZ) en de overige voorzieningen voor de Jeugd-GGZ onderschrijven wij niet. In de gehele Jeugd-GGZ is sprake van geneeskundige zorg (naast andere vormen van zorg). De samenhang tussen de Jeugd-GGZ en andere sectoren van jeugdzorg krijgt in de praktijk op een aantal plaatsen al gestalte in verschillende vormen van intensieve samenwerking. Deze ontwikkelingen zijn het vertrekpunt voor het in de nieuwe wet verankeren van de genoemde samenhang tussen Jeugd-GGZ en de andere sectoren van jeugdzorg.


3. Vraaggestuurde jeugdzorg

De Adviescommissie noemt een aantal ankerpunten, die naar haar oordeel bepalend dienen te zijn voor de nieuwe Wet op de jeugdzorg, namelijk het accent op het versterken van de voorliggende algemene voorzieningen (de faciliterende en ondersteunende rol van de jeugdzorg), het versterken van de pedagogische intensieve thuishulp, alsmede randvoorwaarden ten aanzien van professionele en institutionele kwaliteit.

Daarnaast worden vraagsturing en een modulair geordend aanbod als belangrijke ankerpunten genoemd. Deze punten, die wij van harte onderschrijven, zijn essentieel voor de inrichting van het stelsel van verantwoordelijkheden en bevoegdheden in de keten van hulpvraag tot hulpverlening. Daarmee wordt in de sturing het aanbodgerichte denken vervangen door vraagsturing. Een ontwikkeling die ook op andere terreinen, zoals zorg en onderwijs, in gang is gezet.


3.1 Jeugdzorgketen

Vraagsturing is voor ons een centraal element voor het toekomstige kader van de Wet op de jeugdzorg. In de jeugdzorgketen dient de hulpvraag van de jeugdige en zijn opvoeders het uitgangspunt te zijn. Dit impliceert naar onze mening een heldere ordening van de keten van hulpvraag tot en met hulpaanbod.

De eerste stap in deze keten is het verduidelijken van de hulpvraag. In het kader van Regie in de jeugdzorg zijn daartoe de Bureaus Jeugdzorg ontwikkeld, waarin worden onderscheiden: aanmelding, screening, diagnostiek, indicatiestelling, zorgtoewijzing en plaatsing, en casemanagement.

Vanuit het perspectief van de hulpvrager gaat het er uiteindelijk om dat de geïndiceerde zorg ook wordt geboden. Om dit proces goed te laten verlopen en zo min mogelijk belastend te laten zijn leggen de Projectgroep Toegang alsmede de Adviescommissie in dit verband een accent op casemanagement. Dit casemanagement heeft verschillende functies. Het is een vorm van directe ondersteuning en begeleiding die door de verschillende fasen van de toeleiding en de zorgverlening heen loopt. Daarmee is het een middel om de samenhang en de continuïteit te bewaken en te bewerkstelligen ten dienste van een adequate bejegening van de jeugdige.

De Adviescommissie stelt voor het aanbod modulair op te bouwen. Instellingsgrenzen zijn ondergeschikt aan het belang van cliënten bij een goed gecoördineerde zorg. Ook door de Projectgroep Zorgprogrammering worden voorstellen ontwikkeld en beproefd met betrekking tot modulair aanbod en zorgprogramma's. Deze ervaringen zullen wij betrekken bij het formuleren van het toekomstig kader van de Wet op de jeugdzorg.

Het centraal stellen van de vraag in de jeugdzorg moet er ook toe leiden dat de jeugdzorg toegankelijk is voor vragen om opvoedings- en opgroeihulp die zich manifesteren in algemene voorzieningen, zoals het onderwijs, de jeugdgezondheidszorg, de (jeugd)politie, het algemeen maatschappelijk werk, jeugd- en jongerenwerk, sportverenigingen, etc. In dat kader past het accent dat de Adviescommissie legt op het versterken van wat zij noemt de `voorliggende voorzieningen'. Tevens onderschrijven wij met de Adviescommissie ook het belang van de samenhang van het aanbod van de jeugdzorg in enge zin met het aanbod dat algemene voorzieningen aan jeugdigen leveren. Van verbetering van de afstemming en samenwerking met deze voorzieningen kan een vernieuwende impuls uitgaan. De noodzaak van die samenhang tussen de verschillende voorzieningen en sectoren waar jeugdigen gebruik van maken staat ook centraal in de gezamenlijke visie op jeugdbeleid, «Jeugdbeleid in Ba(l)ans» die het Kabinet, IPO en VNG op 1 december jl. in het overhedenoverleg in het kader van het Bestuursakkoord-nieuwe-stijl hebben vastgesteld.


3.2 Actoren in de jeugdzorgketen

Uit bovenstaande beschrijving van de jeugdzorgketen blijkt dat veel verschillende actoren met veel rollen actief zijn: de Bureaus Jeugdzorg, die verantwoordelijk zijn voor de toegang tot de geïndiceerde jeugdzorg en de licht ambulante hulpverlening, de Multifunctionele Organisaties voor jeugdhulpverlening (MFO's), de landelijke voorzieningen voor jeugdhulpverlening, de justitiële jeugdinrichtingen, de (Gezins)voogdij-instellingen, de Raad voor de Kinderbescherming, de kinderrechters, de Advies- en Meldpunten Kindermishandeling (AMK's), de intra- en extramurale Jeugd-GGZ, enz.

Het willen samenvoegen, zoals de Adviescommissie doet, van de huidige Bureaus Jeugdzorg met de geïndiceerde jeugdzorg (met uitzondering van verblijf en verzorging) vinden wij in het advies een onvoldoende onderbouwde stellingname. Tevens rijst de vraag hoe deze concentratie zich verhoudt met het accent op een vraaggestuurd aanbod van zorg en het voorstel van de Adviescommissie om met een inkoopmodel te werken. Ook zou het voorstel van de Adviescommissie inzake samenvoeging tot hernieuwde reorganisaties leiden die afwijken van de lopende reorganisaties die nu in het kader van de Regie in de jeugdzorg worden doorgevoerd. Dit is volgens ons niet gewenst. Wel is het ons inziens noodzakelijk na te denken over hoe in plaats van via hernieuwde reorganisaties via mogelijke andere koppelingen de samenhang kan worden bereikt.


3.3. Bevoegdheden en verantwoordelijkheden

Zoals eerder gezegd impliceert het centraal stellen van de hulpvraag in de hulpverleningsketen een herdefiniering van bevoegdheden en verantwoordelijkheden (zowel inhoudelijk als bestuurlijk) en een bezinning op daarbij passende instrumenten (o.m. financiering).

De Adviescommissie reikt op dit terrein een reeks van aanbevelingen aan:

ordening van functies naar lokaal, regionaal en landelijk niveau;

een verdeling van verantwoordelijkheden;

een functiegerichte financiering;

een financieringsregeling naar analogie van de AWBZ.

Daarmee heeft de Adviescommissie in belangrijke mate de agenda, met name in relatie tot de bevoegdheidsverdeling, voor de komende periode geformuleerd. Op basis van de in deze brief gegeven eerste reactie zal deze agenda in de komende maanden worden uitgewerkt in een Beleidskader Wet op de jeugdzorg.


4. Plan van aanpak

Met de genoemde adviezen voorhanden en de ontwikkelingen, zoals die zich de afgelopen vier jaren in de praktijk hebben voltrokken, is het mogelijk medio volgend jaar de contouren van de Wet op de Jeugdzorg te presenteren. De voorhanden zijnde adviezen en onze reactie daarop bieden voldoende stof om deze contouren in een dialoog met de betrokken partijen in het veld en met andere overheden uit te werken. In een gezamenlijk project van onze ministeries zal de ontwikkeling van deze contouren ter hand worden genomen.

In het project wordt een drietal fasen onderscheiden.

In de eerste fase staat het toetsen van de adviezen en van onze eerste reactie daarop met de veldpartijen en de mede-overheden voorop. In een aantal sessies op zowel landelijk als regionaal niveau moet helder worden of de voorgestane visie op de jeugdzorg en de oplossingsrichting adequaat zijn voor het te formuleren bestuurlijke kader. Deze eerste fase moet eind februari 2000 worden afgerond.

In de tweede fase moet het resultaat van deze eerste fase leiden tot het formuleren van een concept-beleidskader voor de Wet op de jeugdzorg dat eind april 2000 beschikbaar moet zijn. Dit concept-beleidskader zal uiteraard onderwerp van gesprek zijn in de reguliere beleidsoverleggen, maar ook zal worden bezien of terugkoppeling kan plaatsvinden naar de in de eerste fase betrokken partijen in de regio.

In de derde fase moet besluitvorming in juni 2000 resulteren in een definitief beleidskader, waarin zowel de contouren van de Wet op de jeugdzorg als een uitvoeringsstrategie voor de effectuering van de in de wet voorgenomen veranderingen worden geschetst. Het is dan mogelijk met uw Kamer medio van dat jaar van gedachten te wisselen.

Uiteraard zal van meet af aan gedurende dit proces met de andere ministeries die bij de jeugdzorg zijn betrokken overleg worden gevoerd.

Met het advies `Van antwoord naar vraag; een nieuw zicht op jeugdzorg.» en eerdere adviezen van de Projectgroep Toegang en de Projectgroep Zorgprogrammering zijn onomkeerbare stappen gezet op weg naar de Wet op de jeugdzorg onder het motto: «met het oog op de toekomst».

De Staatssecretaris van De Minister van Justitie,

Volksgezondheid, Welzijn en Sport, A.H. Korthals

A.M. Vliegenthart


1

Bijlage is niet elektronisch beschikbaar

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie