Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Verslag algemeen overleg evaluatie winkeltijdenwet

Datum nieuwsfeit: 17-12-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal


26800xiii.041 vao over de evaluatie winkeltijdenwet
Gemaakt: 24-12-1999 tijd: 12:


26800 XIII Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het ministerie van Economische Zaken (XIII) voor het jaar 2000

nr. 41 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 17 december 1999

De vaste commissie voor Economische Zaken<1> heeft op 18 november 1999 overleg gevoerd met minister Jorritsma-Lebbink van Economische Zaken over de evaluatie van de Winkeltijdenwet (26200-XIII, nr. 54).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissie

De heer Van Walsem (D66) constateerde dat zich sinds de invoering van de wet geen calamiteiten hebben voorgedaan en dat vrijwel iedereen erg tevreden is over deze wet.

Van verschillende kanten is de winkelopenstelling op zondag uit een oogpunt van het trekken van toeristen bepleit. Hoe oordeelt de minister hierover? Wat is haar mening over de klacht dat werkgevers te weinig rekening houden met mensen die gewetensbezwaren hebben tegen het op zondag werken?

Uit onderzoek blijkt dat 62% van de consumenten gebruik maakt van de uitgebreide openingstijden op de avond en de zondag en dat de werkgelegenheid met ongeveer 7.000 banen is toegenomen. Weliswaar betreft het deeltijdbanen, maar er blijkt ook sprake te zijn van doorstroming naar voltijdbanen.

Hij was van mening dat rust aan het winkeltijdenfront gewenst is en dat het huidige regime gehandhaafd moet worden.

Het was hem uit de uitkomsten van de evaluatie gebleken dat er een lichte tendens is naar grootschaligheid, maar hij vond niet dat onherstelbare dingen op dit vlak gebeuren.

Mevrouw Van Zuijlen (PvdA) meende dat de resultaten van de evaluatie wat gerelativeerd moeten worden, omdat andere onderzoeken tot andere resultaten kunnen leiden. Als politica nam zij in algemene zin onderzoeken niet zo serieus, omdat haar bekend was dat iedereen zijn eigen onderzoeksresultaat kan krijgen.

Zij beoordeelde het positief dat de verruiming van de winkeltijden heeft geleid tot flexibilisering. Zorg is vooral geuit ten aanzien van het werken op zondag. Er is een zwaardere last op de sociale partners komen te liggen om dit punt goed te regelen in de onderhandelingen over CAO's, maar zij had niet de indruk dat deze last te zwaar was.

Zij meende dat de plannen van Rotterdam niet tot rampzalige ontwikkelingen zullen leiden en ging ervan uit dat het gemeentebestuur verstandige afwegingen maakt. Passen deze plannen binnen de huidige wet?

Wat de positie van de gewetensbezwaarden betreft, blijkt vooral in de detailhandel slecht overleg te worden gevoerd. Is de minister bereid een gesprek hierover te voeren met MKB Nederland?

Gebleken is dat de winkels gemiddeld acht zondagen per jaar open zijn, terwijl het er twaalf zouden mogen zijn. Van misbruik leek haar derhalve geen sprake te zijn. Al voordat de wet van kracht was, golden toeristische regimes, terwijl hooguit in de grote steden enige uitbreiding heeft plaatsgehad. Dat leek haar niet meer te zijn dan een trend. Toen zij het desbetreffende amendement opstelde, wist mevrouw Van Zuijlen dat daarin de beleidsvrijheid lag voor gemeenten om op een ruime manier gebruik te maken van het toeristische regime. Daarvan is in zeer bescheiden mate gebruik gemaakt.

Zij had al meermalen aangedrongen op een verbetering van de dienstverlening door de overheid op minder traditionele tijdstippen. Tot welke resultaten hebben de gesprekken van de bewindslieden van Economische Zaken en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties met de VNG geleid?

De heer Blok (VVD) was blij met de overwegend positieve uitkomsten van de evaluatie. Schadelijke effecten zijn uitgebleven, het is beter mogelijk gebleken in te spelen op de gewijzigde voorkeuren van consumenten en het is ook beter mogelijk gebleken in te spelen op de gewijzigde gezinssamenstelling in Nederland. Hij ging ervan uit dat met het oog op voortschrijdende ontwikkelingen meer maatregelen genomen moeten worden.

De Internethandel kent geen openingstijden. Het zou heel wrang zijn via internet op ieder tijdstip producten te kunnen bestellen, terwijl de detailhandel door wettelijke beperkingen niet in staat wordt gesteld daarop te reageren. Hij riep de lagere overheden op, meer flexibiliteit te tonen qua openingstijden van de gemeentehuizen en wees erop dat de opening op zaterdag een breed geuite wens is.

De VVD-fractie had eerder aandacht gevraagd voor de positie van achterstandswijken. Zij vond het een interessante optie na te gaan of de zondagsopenstelling die nu mogelijk is in toeristische gebieden kan worden verruimd naar wijken met een zwakke sociaal-economische structuur. Op veel fronten is actie nodig, waarbij de Winkeltijdenwet een extra kans kan bieden voor het ondernemerschap in dergelijke wijken. Het gaat vaak om wijken, gelegen tegen stadscentra welke ruime zondagsopenstellingstijden kennen; wijken, die een sterk multiculturele bevolking hebben waardoor er een zeer gevarieerd en daardoor aantrekkelijk winkelaanbod is; en wijken, die een bevolking hebben die van nature weinig binding heeft met de zondag en daarom met enige verbazing aankijkt tegen het verbod om winkels op zondag te openen. Naar de mening van de heer Blok zou voor allochtonen en autochtonen de mogelijkheid moeten bestaan hun winkel op zondag open te hebben, hetgeen niets te maken heeft met een relativering van de Nederlandse cultuur.

De heer Wijn (CDA) was van oordeel dat dit onderwerp niet alleen moet worden besproken in de vaste commissie voor EZ, maar ook in die voor SZW en voor OCW. Per slot van rekening gaat het in de samenleving om meer dan alleen statistieken en economische getallen. Voor het CDA gaat de Winkeltijdenwet een stap te ver en is flexibilisering nodig. Hij vond het een goede ontwikkeling dat gezinnen arbeid en zorg veel meer gelijk over de partners verdelen. Deze combinatie creëert enige behoefte aan winkeltijden die afwijken van de reguliere werktijden.

De gemiddelde openstelling blijkt tot acht uur 's avonds te zijn en niet tot tien uur, wat volgens de wet mogelijk is. Dit geeft aan dat de wet erg ruim is. Uit de evaluatie blijkt dat 62% van de consumenten redelijk tevreden is. De prijs die de consument ervoor betaalt, zoals de verdere afkalving van speciaalzaken ten voordele van het grootwinkelbedrijf, is echter niet onderzocht. Hij vond het gehouden onderzoek eenzijdig, omdat de baten wel en de lasten niet in ogenschouw zijn genomen.

Van de consumenten is slechts 9% voor uitbreiding van de zondagsopenstelling, vindt de helft het huidige gemiddelde van acht zondagen per jaar prima en wil bijna 39% het aantal koopzondagen verminderen. Het CDA vindt het aantal van twaalf ook te veel. Voor het CDA is de zondag een bijzondere dag. In de eerste plaats uit religieus oogpunt: er zit een ritme in de schepping. In de tweede plaats uit universeel oogpunt: de zondag heeft een zeer belangrijke functie als rustdag. Het is goed als men na een drukke werkweek tijd heeft, aan zichzelf en anderen toe te komen. Daarbij is het ritme van groot belang. Individuele rust gedijt alleen in collectieve rust, samenleven doe je niet alleen. Juist in een steeds complexere en jachtigere maatschappij is er behoefte aan een collectief rustpunt. Er wordt steeds minder in teamverband gesport. Vrijwilligerswerk door jongeren neemt hand over hand af en steeds vaker worden arbeidstijden als reden daarvoor aangewezen. Binnen gezinnen wordt meer en meer de agenda getrokken om elkaar nog te kunnen zien. In het onderwijs komt gezamenlijk ontbijten bijna niet meer voor. Voor veel mensen vormen regelmaat en een geordende dagindeling binnen het gezin een voorwaarde om een behoorlijk leven te kunnen leiden. Er is sprake van een verlies aan geborgenheid. Onder scholieren is meer en meer sprake van een materialistische cultuur. Twaalf- tot veertienjarigen verdienen in winkels gemiddeld f.60 in de week. Bij Albert Heijn werken veel kinderen van twaalf en dertien jaar. De heer Wijn wilde niet zeggen dat dit allemaal het gevolg is van de Winkeltijdenwet, maar wel dat er sprake is van een trend die wordt bevestigd en versterkt door deze wet. In het CDA-verkiezingsprogramma is het aantal zondagen waarop de winkels open mogen zijn gemaximeerd op twaalf. De CDA-achterban heeft gezegd dat dit aantal sterk moet worden verminderd en de heer Blok was het daarmee eens. Dit wil echter niet zeggen dat het aantal moet worden bepaald op nul.

De minister heeft gezegd: zo is het mooi genoeg geweest. Dit lijkt positief, maar is ook een afleidingsmanoeuvre. Er is een trend gezet en die mag niet leiden tot ernstige ontsporingen. KPMG heeft geconcludeerd dat de langetermijntrend in de detailhandel door deze verruiming wordt versneld en versterkt: het grootwinkelbedrijf boekt marktwinst ten koste van de speciaalzaken, ook door de opgeschroefde huurprijzen en het feit dat ondernemers soms alleen een huurcontract krijgen van vastgoedbeheerders als zij op zondag opengaan. De MKB-detaillist is dus het haasje.

De uitbreiding van het aantal personen dat werkzaam is in supermarkten blijkt in relatie tot de totale werkgelegenheid in de detailhandel ongeveer 1% te zijn. Daarbij gaat het om een gemiddelde arbeidsduur van achtenhalf uur per week. De contracten vallen niet onder een CAO en worden door de vakbonden bestempeld als pulpcontracten. Er is weinig of geen zeggenschap over roosters en werk- en rusttijden, de zondag wordt er doorheen gedrukt en dit heeft een toename van de werkdruk voor het vaste personeel tot gevolg. Het CNV heeft duidelijke aanwijzingen dat de bereidheid om op zondag te werken een selectiecriterium is geworden. In CAO's worden toeslagen voor de avonduren en de zaterdagmiddag afgeschaft. De heer Wijn vreesde dat binnen een paar jaar de toeslag voor de zondag ook wordt afgeschaft, waarmee de zondag een gewone dag wordt. Er zijn 150.000 vacatures in de detailhandel. Is het gezien het geschetste zo gek dat het niet in trek is, daarin te werken?

Een gemeentebestuur kan delen van de gemeente aanwijzen als toeristisch gebied, hetgeen impliceert dat de winkels alle zondagen per jaar open mogen zijn. Officieel kan een toeristisch regime worden ingesteld, indien de aantrekkingskracht van het toerisme geheel of nagenoeg geheel is gelegen buiten de verkoopactiviteiten die door de ontheffing van de zondagssluiting mogelijk worden gemaakt. De praktijk lijkt de zaak om te draaien. De toeristische functie wordt gecreëerd door de winkelopenstelling.


- In Utrecht-Zuid is toestemming gegeven voor 38 zondagen; geen toeristische omgeving en 26 keer vanwege feestdagen lijkt niet aan de orde. Wie controleert dat? Wie geeft opdracht aan de controleurs? Hoe werkt de handhaving in de praktijk?


- In Den Haag is sprake van 52 koopzondagen per jaar in een steeds groter wordend gebied. Is dit de wens van de consument? Nee, er is sprake van een ordinaire deal tussen het grootwinkelbedrijf dat de claim wegens overlast van de tramaanleg inruilt tegen een zondagopenstelling.


- In Rotterdam wordt het aantal koopzondagen uitgebreid. Voorgesteld wordt de winkels af en toe tot drie uur 's nachts open te laten zijn.

Dit zijn voorbeelden van glijdende schalen die wijzen in de richting van een 24-uurseconomie. Deze voorbeelden en het argument van de minister dat het gaat om funshopping geven aan dat het toeristische regime ruimhartig wordt ingesteld. Dat was niet de intentie van de CDA-fractie toen zij instemde met het amendement-Van Zuijlen. Het CDA is voor een strikt regime. Het toerisme moet geënt zijn op het winkelgebied, het toerisme moet permanent en niet incidenteel van aard zijn en het toeristische karakter dient van voldoende belang te zijn om openstelling te rechtvaardigen. De heer Wijn verzocht de minister de gang van zaken in de praktijk en de bij gemeenten aanhangige voorstellen via een onderzoek in kaart te brengen en de Kamer om een uitspraak te vragen. Naar de mening van de CDA-fractie behoeft de instelling van een toeristisch regime per geval de goedkeuring van de minister van EZ.

Het lijkt erop dat elk aanbod zijn eigen vraag schept en dat het grootwinkelbedrijf bewust het aanbod creëert door open te gaan op zondagen of door prijsstunten op zondagen en aldus het midden- en kleinbedrijf buitenspel zet. De belangrijkste reden voor veel winkeliers om hun winkels op zondag open te stellen is het volgen van de concurrentie en niet de wens van de klant. De belangrijkste reden voor gemeenten om ruimere openingstijden te kiezen, is ook het volgen van de concurrentie. Het is een uitbreidende olievlek. Gelukkig zijn er steeds meer signalen tegen de trend waarin alleen het economische de norm lijkt te worden. Meer dan 800.000 handtekeningen zijn ingezameld, de kerken voeren actie, evenals de vakbonden en gedeelten van werkgeversorganisaties.

Het was hem bekend dat minister Jorritsma een groot fan is van Paul de Leeuw. Hij hoopte dat zij ook een fan is van het liedje "Zondag" op de nieuwste CD van Paul de Leeuw. Daarin staat onder meer:

Je was het je geen ogenblik bewust

Het was de dag der dagen

Zonder jakkeren en jagen

De wereld was een hele dag op rust

Er is geen zondag meer

Er is alleen lawaai en snelverkeer

En alles racet en haast

Er is klandizie en parkeerbeheer

Er is geen zondag meer

En alles wat ik zie

Dat is de 24-uurseconomie

Ik wil de zondag terug

Precies al vroeger met de warenhuizen dicht

Want ik wil eens per week de eeuwigheid op zicht.

De heer De Wit (SP) vond dat de tevredenheid van de minister over de verruimde winkeltijden is gebaseerd op een selectieve benadering van de werkelijkheid. Opvallend is dat de uitbundige economische groei van de laatste jaren en de effecten daarvan op de omzet niet worden vermeld in de evaluatie. Het is zeer de vraag of de gestegen omzetten zijn toe te schrijven aan de gewijzigde winkeltijden. De modedetailhandel realiseert een omzetstijging, terwijl in die sector nagenoeg geen gebruik wordt gemaakt van de verruimde openstelling.

In de evaluatie wordt toegegeven dat de trend naar grootschaligheid enigszins is versterkt, maar dat er geen grote verschuiving is opgetreden. Wellicht is die trend gedempt door de economische groei. De SP-fractie is niet blij met deze trend. Het verdwijnen van de kleine winkels is niet goed voor het winkelaanbod en de leefbaarheid van de wijken. Vooral oudere mensen, van wie er steeds meer komen, missen de winkel op de hoek.

FNV en CNV zeggen dat de werkgelegenheid in jaren niet of nauwelijks is gestegen. De banenmotor waarover de minister spreekt, betreft baantjes die worden ingenomen door studenten en scholieren. Supermarktwerkgevers geven toe dat meer dan de helft van het personeel inmiddels bestaat uit goedkope jongeren met een arbeidsovereenkomst van minder dan twaalf uur per week en volgens de FNV zit meer dan de helft van de werknemers exact op het minimumloon. Betrokkenen zijn vaak in dienst op oproepbasis en vrijwel rechteloos. Zij verdringen de vaste krachten, hetgeen tot uiting komt in de stijging van de werkloosheid in de detailhandel.

Door deze ontwikkeling staan de arbeidsvoorwaarden voortdurend onder druk. De nog overgebleven vaste krachten in de winkelsector hebben vaak een dagtaak aan het telkens opnieuw inwerken van flexkrachten. De toeslagen voor het werken in de avonduren, op zaterdag en op zondag staan ter discussie. De werkgevers willen ervan af en de bonden vrezen dat zij die slag zullen verliezen. Daarmee worden de werknemers twee keer gestraft: én vaker werken op onaangename uren én afbraak van hun arbeidsvoorwaarden.

Meer dan 50% van de werknemers in de detailhandel wil niet op zondag werken en helemaal niet op feestdagen. De heer De Wit bepleitte een beperking van het aantal winkelopenstellingen op zondag tot acht. Hij merkte op dat de detailhandel voor 98% bestaat uit zelfstandige ondernemers die de zondagsrust uit sociale of religieuze overwegingen als een waardevol en groot goed ervaren.

Uit de evaluatie blijkt dat steeds meer vooral grote gemeenten zichzelf als toeristische attractie zien. Naar de mening van de SP-fractie is een grondig onderzoek op zijn plaats. Het lijkt erop dat het feit dat elke zondag de winkels open zijn als een toeristische attractie wordt gezien. Dit is echter niet de bedoeling van de wet. Om oneigenlijk gebruik te voorkomen, zou de normstelling van het toeristisch regime moeten worden aangescherpt. Hoe kijkt de minister daartegenaan?

De indruk wordt gewekt alsof 72% van de huishoudens gebruik maakt van de verruimde openstellingstijden. De grootste groep hiervan bestaat uit tweeverdieners die niet beiden fulltime werken. Voor hen is het dus helemaal niet nodig, de winkels tot 22.00 uur open te houden. Met een beperkte verruiming komt men al een heel eind.

Als de regering zich opwerpt als belangenbehartiger van de moderne consument wordt iets te gemakkelijk vergeten dat de Winkeltijdenwet destijds in het regeerakkoord van Paars I is gekomen na een zware lobby van het grootwinkelbedrijf, Shell en Bovag. Vervolgens hebben de Kamerleden hun afweging gemaakt. Daaruit blijkt wie het best gelobbyd hebben. De belangen van genoemde bedrijven wegen kennelijk zwaarder dan die van de kleine winkelier en de werknemer. Bovendien had de voormalige minister van EZ, Wijers, de 24-uurseconomie voor ogen. De breekijzers daarvoor waren de Winkeltijdenwet en de uitholling van de arbeidstijden. Sinds die tijd staan de toeslagen voor het werken op onaangename uren, op zaterdag en op zondag ook in andere bedrijfstakken voortdurend ter discussie.

De heer De Wit wilde zeker niet gaan in de richting van een
24-uurseconomie, omdat zoiets nadelige effecten heeft op sociale verbanden en het verenigingsleven. Hij pleitte voor het volgen van het SER-advies uit 1995, voor een beperking van de avondopenstelling tot
20.00 uur door de week en 18.00 uur op zaterdag, en voor een beperking van het aantal koopzondagen tot acht. Verder moet heel nadrukkelijk worden gekeken naar toepassing van het toeristische regime en moet worden bezien of er niet veel duidelijker criteria moeten komen. Hij vroeg aandacht voor de positie van de gewetensbezwaarden en had weinig fiducie in verdere flexibilisering. Degenen die willen opkomen voor de benarde positie van de consument komen op deze manier ook aan hun trekken.

De heer Van Dijke (RPF) merkte, mede sprekend namens de fractie van het GPV, op dat blijkens de evaluatie wordt voorondersteld dat in een markteconomie de behoeften van de consument het uitgangspunt vormen voor alle economische activiteiten. Hij zou graag hebben gezien dat "de behoeften van de consument" nader waren gedefinieerd. De markt schept voor een belangrijk deel zelf de behoeften, waarvan de waarde sterk moet worden gerelativeerd. Bedoelde vooronderstelling achtte hij een onacceptabele versmalling van het afwegingskader.

Naar zijn mening waren de woorden van de heer Van Walsem over de trend naar grootschaligheid in strijd met diens motie, erop gericht om de kleine winkelier meer ruimte te gunnen. Wat staat de heer Van Walsem voor ogen? Vindt de regering de trend naar grootschaligheid gewenst? Zo nee, wat wordt dan gedaan om zulks tegen te gaan?

Uit de brief van de minister blijkt dat nog maar 20% van de huishoudens kostwinnersgezinnen zijn en dat het aantal tweeverdieners sterk is toegenomen. De heer Van Dijke wees erop dat het leeuwendeel van de tweeverdieners bestaat uit kostwinnersgezinnen plus een kleine, aanvullende deeltijdbaan en dat beperkingen om binnen de begrensde openingstijden inkopen te doen derhalve niet bestaan. Voor de groeiende groep eenpersoonshuishoudens zou de verruiming tot 20.00 uur ruim voldoende zijn geweest. Het feit dat de zondagopenstelling voornamelijk wordt gebruikt voor funshopping geeft aan dat van een noodzaak tot zondagopenstelling helemaal geen sprake is.

De minister wijst elke suggestie dat de ruimere winkeltijden de komst van een 24-uurseconomie stimuleren van de hand. Niemand beweert dat de Winkeltijdenwet de 24-uurseconomie brengt, maar wel wordt beweerd dat deze wet mede daartoe bijdraagt. Het feit dat de activiteiten buiten de traditionele winkeltijden zijn toegenomen is daarvan een onderbouwing. De fracties van RPF en GPV vinden het belangrijk dat de zondag een dag van collectieve rust, bezinning, kerkgang en ontspanning kan zijn. Dit is heilzaam voor de samenleving. De Winkeltijdenwet maakt dit alleen maar moeilijker en daarom moet de zondagopenstelling ongedaan worden gemaakt.

De minister heeft gemeld dat werken op zondag op weerstand stuitte bij het personeel, maar dat goede afspraken over werkroosters deze weerstand hebben overwonnen. Waaruit leidt de minister dit af? Is zij er zich van bewust dat die afspraken zich vaak vertalen in het vertrek van mensen die op zondag niet willen werken of indiensttreding belemmeren? Een belangrijke minderheid van de samenleving wordt op deze wijze het werken in de detailhandel onmogelijk gemaakt. De minister lost dit probleem op door te verwijzen naar de verantwoordelijkheid van de sociale partners. Zij wast haar handen in onschuld en gaat voorbij aan de toezeggingen die door haar voorganger op dit punt zijn gedaan.

In de evaluatie wordt niet ingegaan op het feit dat vastgoedondernemers potentiële ondernemers in de winkelcentra openingstijden voorschrijven. Ondernemers die bezwaar hebben tegen openstelling op zondag worden categoraal uitgesloten van participatie in het winkelbedrijf. Waarom gaat de minister hieraan voorbij? Werknemers hebben met betrekking tot het aantal uren dat zij werken enige bescherming van de Arbeidstijdenwet, maar de kleine middenstander wordt geheel aan zijn lot overgelaten. Kennelijk verstaat het kabinet dit onder het werken aan de kwaliteit van de samenleving. Wil de minister dit toelichten?

Gedeelten van industrieterreinen zijn aangewezen als toeristisch gebied. Toetst de minister dergelijke aanwijzingen? Welke criteria worden gehanteerd? Of vindt zij het allemaal wel best?

De heer Van Dijke vond het opmerkelijk dat in het evaluatierapport zo goed als niets staat over de positie van de werknemers. Hij nodigde de minister uit daar nader onderzoek naar te doen en de Kamer over de bevindingen te berichten

Met de Winkeltijdenwet heeft de detailhandel als het ware de openingstijden herontdekt als concurrentiemiddel, staat in de brief. Dat "herontdekt" duidt erop dat dit eertijds de praktijk was die door te grote beperkingen de detaillist zou zijn ontnomen. Dit achtte hij geschiedvervalsing. De Winkelsluitingswet beoogde aan de destijds bestaande concurrentiemogelijkheden kaders te bieden vanuit sociale motieven. De minister gaat eraan voorbij dat die herontdekking leidt tot winkeltijden waarnaar niemand terugverlangt. De minister suggereert dat de detaillist de vrijheid heeft om van deze concurrentiemogelijkheid gebruik te maken, terwijl deze vrijheid in de praktijk niet bestaat. Het is de vrijheid van degenen die zitten in een stadion: als de voorsten gaan staan, moeten de anderen ook gaan staan, willen zij wat zien.

De heer Van Dijke was van mening dat de zondagsopenstelling in de Winkeltijdenwet van de baan moet. De consequenties voor de kleine middenstander moet helder worden onderzocht, zowel qua arbeidstijden als qua mogelijkheden om zich te onttrekken aan de bepalingen die vorderen om op zondag open te zijn. De consequenties voor de werknemers in de detailhandel moeten worden onderzocht en in kaart gebracht. Afhankelijk van de uitkomst van dat onderzoek moet aanpassing van de Winkeltijdenwet op dit punt allerminst worden uitgesloten. Daarom pleitte hij ervoor vaker te evalueren, met name om de langetermijntrend in beeld te krijgen.

De heer Van der Staaij (SGP) constateerde dat het KPMG-rapport al op
23 juni 1998 bij de Kamer lag, terwijl de minister pas op 20 augustus
1999 het kabinetsstandpunt meedeelde. Wat is de oorzaak van deze trage procedure?

De minister gaat voorbij aan de negatieve effecten van de verruimde winkeltijden, kijkt met tevredenheid terug op de eerste jaren en zegt velen te kennen die het heerlijk vinden op zondag te kunnen winkelen in plaats van voor dichte luiken te staan. Het kabinetsstandpunt over de evaluatie is doortrokken van geloof in de zegeningen van economische groei en consumptief gedrag en stelt de SGP-fractie dan ook teleur. De economische argumentatie staat voorop en de individuele vrijheid om te consumeren staat centraal. Weinig aandacht wordt besteed aan het belang van collectieve waarden die een begrenzing moeten vormen van de individuele vrijheid. Met de schaarse tijd moet veel voorzichtiger worden omgegaan. Deze tijd moet niet aan de trend van economisering prijs worden gegeven.

Hij had ernstige bezwaren tegen de zondagopenstelling van winkels en vond dat deze afgeschaft moet worden. Voor hem was de zondag een paleis in de tijd, een dag die niet alleen een belangrijke godsdienstige functie heeft, maar die ook een sociale functie vervult. De spirituele waarde van de zondag mag niet worden onderschat, evenmin als het belang voor de samenleving. Het was hem opgevallen dat in allerlei commentaren zorg is geuit over de commercialisering van de zondag en dat de behoefte aan een collectief rustmoment breed wordt gedeeld.

De heer Van der Staaij vond dat te gemakkelijk voorbij is gegaan aan het manifest van de gezamenlijke kerken en de 800.000 handtekeningen tegen de 24-uurseconomie. Is er geen sprake van een faciliëring van een ontwikkeling naar de 24-uurseconomie? Heeft de verruiming van de winkeltijden in dit opzicht geen olievlekwerking? Raakt de mens het ritme van de zevende dag als rustdag en het ritme van dag en nacht niet steeds meer kwijt? Telt elk uur van het etmaal niet steeds meer als economisch uur?

De minister is zeer positief over de verruiming van de winkeltijden als banenmotor. Dat betreft veelal banen van een dag in de week. In hoeverre is er sprake van een reële, kwalitatieve banengroei?

In het KPMG-rapport wordt geconstateerd dat het verruimde winkeltijdenregime aan de kleine zelfstandige voldoende bestaanskans biedt. Commentaren van RMU en CNV schetsen een ander beeld. Wat is de mening van de minister hierover? Is de kleine zelfstandige bij de evaluatie wel serieus in beeld geweest? De Winkelsluitingswet beoogde ook de ondernemer tegen lange werktijden te beschermen. Van de Winkeltijdenwet gaat nauwelijks een beschermende werking uit. Wie komt er nog op voor de belangen van de kleine ondernemer?

Hij vond de triomfalistische toonzetting van de brief misplaatst. De vrijheid van de consument leidt tot gebondenheid van de ondernemer. De sociale gevolgen van de verruimde winkeltijden worden onderschat.

Uit een commentaar van FNV Bondgenoten blijkt dat, hoewel in verschillende CAO's is geregeld dat het werken op zondag in beginsel vrijwillig geschiedt, in de praktijk veelal weinig van vrijwilligheid sprake blijkt te zijn, terwijl de zeggenschap over werk- en rusttijden eerder afgenomen dan toegenomen is. Wat is de mening van de minister hierover?

De conclusie dat de verruimde winkeltijden geen bijzonder effect hebben op het verenigingsleven blijkt te zijn gebaseerd op een rapport, opgesteld in opdracht van NOC*NSF en beperkt zich tot de sport. Waarom wordt dit rapport als representatief beschouwd voor het totale verenigingsleven?

Volgens een RMU-rapport eist 27% van de bedrijven die op zondag actief zijn van sollicitanten dat zij op zondag werken, denkt nog eens 23% dit in de toekomst te doen en geeft 24% aan geen overleg gepleegd te hebben met ondernemingsraad, personeelsvertegenwoordiging of individuele werknemers over de inzet van werknemers op zondag. Wat is de reactie van de minister hierop?

Exploitanten van winkelcentra eisen in toenemende mate van winkeliers dat zij hun deuren op zondagen openen. Vooral in nieuwe winkelcentra wordt met standaardcontracten gewerkt waarin staat dat alle winkels dezelfde openingstijden moeten aanhouden. Hoe kan in dit geval het belang van de individuele winkelier worden beschermd? Is hierbij geen sprake van indirecte discriminatie uit een oogpunt van godsdienstige overtuiging?

Ten aanzien van het toeristische regime blijkt de regeling onduidelijk te zijn. De minister heeft gezegd: van misbruik is geen sprake. Wat verstaat zij onder "misbruik"? Is een sterk toenemend gebruik al geen teken aan de wand? Het gaat om een ontheffing en die kan alleen maar serieus worden genomen als in incidentele gevallen invulling eraan wordt gegeven.

De heer Rabbae (GroenLinks) merkte op dat zijn fractie destijds alles afwegende voor de Winkeltijdenwet heeft gestemd. Gezien de ontwikkelingen kon hij zich niet voorstellen dat het evaluatierapport de werkelijke positie van de kleine ondernemers schetst. Die ontwikkelingen gaan ten koste van de leefbaarheid van delen van dorpen en steden.

De zondag is de zuurstof van de samenleving. Wat zich in binnensteden op zondagen voordoet, achtte hij een slechte ontwikkeling. Is het de rijksoverheid mogelijk om, als de lokale democratie daartegen niet wil optreden, te interveniëren? Hij verzocht de minister na te gaan hoe de VNG hierover denkt. Aangezien hij verwachtte dat deze trend niet is tegen te houden, legde hij zich neer bij een winkelopenstelling op acht zondagen per jaar. Daarbij zou de winkelopenstelling niet beperkt moeten blijven tot de binnensteden, maar zich ook moeten kunnen uitstrekken tot achterstandswijken.

Het antwoord van de minister

De minister constateerde dat een aantal woordvoerders een principieel betoog hebben gehouden over de Winkeltijdenwet, terwijl zulks nu niet aan de orde is. Op de agenda staat de evaluatie van de effecten van de verruiming van de winkeltijden.

De evaluatie voldeed aan haar verwachtingen. Gebleken is dat door de verruiming van de winkeltijden gezinnen iets meer ruimte hebben voor hun inkopen. Wellicht is het een trend in de maatschappij om niet meer gezamenlijk te kunnen ontbijten. De Winkeltijdenwet heeft de mogelijkheid opgeleverd, samen 's avonds boodschappen te doen en vervolgens samen te dineren. De bedoeling van de wet was om de consument beter te bedienen. Gezien het gebruik dat wordt gemaakt van de verruimde mogelijkheden is dit door de consument goed ontvangen.

Er zijn zo'n 11.000 nieuwe banen gecreëerd in de detailhandel, waarvan zo'n 7.000 samenhangen met de verruiming van de winkeltijden. De rest heeft te maken met de economische groei. Volgens de CBS-cijfers stijgt de geregistreerde werkloosheid in de detailhandel niet.

Er is een impuls tot vernieuwing opgetreden. Er worden andere producten aangeboden. Er heeft geen kaalslag onder kleine winkels plaatsgevonden. De 24-uurseconomie is er bepaald niet door ontstaan en ook niet bevorderd. Er blijkt enige groei te zijn in onregelmatigheid. In 1992 was het aantal regelmatige banen in alle sectoren van de economie in Nederland 52%. In 1998 was dat 50%. Wat het weekend aangaat, is er geen groei te constateren. Voor de avond geldt een groei van 2%. Dit begon al in 1993, dus niet pas nadat de winkeltijden zijn verruimd.

De bedoeling was om de behoefte van de consument aan passende openingstijden van winkels centraal te stellen. De Winkeltijdenwet houdt in dat grenzen worden gesteld aan die openingstijden. De Winkelsluitingswet die daarvoor gold, was gebaseerd op de behoefte van een andersoortig gezin, een gezin dat nu nauwelijks meer bestaat. Sommige consumenten kiezen niet meer alleen op grond van productassortiment, maar ook op grond van winkeltijden. Dit geeft een extra vorm van concurrentie, hetgeen inhoudt dat de winkelier gestimuleerd wordt om nog scherper op de behoeften van zijn klanten te letten, waardoor de klant nog meer koning is geworden. In feite ondersteunt de nieuwe Winkeltijdenwet het moderne gezin. Dit was ook het oordeel van de Emancipatieraad.

De minister vond het een interessante optie om gemeenten in de gelegenheid te stellen, achterstandswijken aan te wijzen als gebieden waarin hetzelfde regime geldt als in toeristische gebieden. Het betreft de bevoegdheid van de lokale democratie. Zij wilde nagaan of een en ander zodanig geformuleerd kan worden dat helder is dat de gemeenten daarvoor kunnen kiezen en hoorde daarover graag de mening van de verschillende fracties. Zij zou met minister Van Boxtel via de VNG bezien of de gemeenten hieraan behoefte hebben en of zoiets uitvoerbaar is, waarna de Kamer van het resultaat op de hoogte wordt gesteld. Als op deze manier erin geslaagd kan worden, achterstandswijken op te krikken, kan niemand daartegen zijn.

Te vaak wordt gesuggereerd dat een groot aantal steden misbruik maakt van de toerismebepaling. Deze bepaling is uit de Winkelsluitingswet overgenomen in de Winkeltijdenwet. Veel van de gemeenten die van deze bepaling gebruik maken, deden dit al voor 1995. Slechts een paar doen dit sinds 1995. Dit zijn wat grotere gemeente. Hiermee samenhangt het groeiende stadstoerisme, het soort toerisme waarvoor veel beleid ontwikkeld is. De minister had het volste vertrouwen in het werk van de gemeenteraad. Dat is ook de plek waar de toetsing thuishoort. Indien een gemeenteraad een besluit op dit punt neemt, kunnen belanghebbenden of hun vertegenwoordigers die bezwaren hebben tegen de manier waarop de criteria zijn gehanteerd naar de rechter stappen. Zij vond die criteria heel helder en constateerde dat nog nooit iemand bij de rechter hierover een zaak aanhangig had gemaakt.

In de wet is vastgelegd dat de toeristische aantrekkingskracht niet uit de openstelling van de winkels voort mag komen. Er moet dus al sprake zijn van toerisme. De winkelopenstelling kan daarbij ondersteunend zijn.

Zij weersprak dat in Den Haag sprake is van een inruil van de claim wegens overlast door de aanleg van een tramtunnel tegen zondagopenstelling van winkels. Bovendien is het toeristische gebied van Den Haag veel groter dan dit tunnelgebied. Het desbetreffende voorstel moet nog door de gemeenteraad worden behandeld en zij ging ervan uit dat die zal bezien of er sprake is van ondersteuning van de toeristische functie.

In Rotterdam gaat het om een zeer incidentele nachtopenstelling en op zondag om een openstelling van 10.00 uur tot 20.00 uur. Dit past binnen de gemeentelijke beleidsvrijheid. Zij ging ervan uit dat hiermee heel verstandig wordt omgegaan.

De minister kon zich voorstellen dat als gevolg van de grote aantallen toeristen die Amsterdam op zondag bezoeken veel Amsterdammers de stad op zondag verlaten, maar vond dit typisch een zorg voor de lokale democratie.

Normaal gesproken, zou iemand die gewetensbezwaren heeft tegen het op zondag werken gehoor moeten kunnen vinden bij zijn werkgever. Bedacht moet worden dat het overgrote deel van de winkels op zondag niet open is. In de foodsector is het percentage winkels dat op zondag open is vrijwel nul. In de non-foodsector is bij de kledingzaken sprake van een omzetverhoging. Veel van deze zaken zijn op zondag open, 38% niet. Bij wit- en bruingoed is 68% op zondag dicht en bij bouwmarkten bijna alle winkels gesloten. Van gewetensbezwaarden kan verwacht worden dat zij zoeken naar een werkgever die op zondag de zaak niet open heeft. Voor werknemers die al bij zo'n zaak werken, ligt het natuurlijk anders. In een krappe arbeidsmarkt hebben werknemers iets meer mogelijkheden om de zondagsrust af te dwingen bij hun werkgever, maar een gewetensbezwaarde kan een winkelier niet het recht ontnemen, zijn winkel op zondag te openen. De minister was bereid MKB Nederland te verzoeken de branches erop opmerkzaam te maken dat werkgevers zich fatsoenlijk horen te gedragen ten opzichte van hun werknemers met gewetensbezwaren. Gewetensbezwaarden kunnen zich beroepen op het Burgerlijk Wetboek, maar problemen in deze sfeer zouden binnen de normale arbeidsverhoudingen opgelost moeten worden. Voorzover het gaat om personen die geen gewetensbezwaren hebben om op zondag te werken, maar toch niet op zondag willen werken, is er sprake van een kwestie die thuishoort in het overleg tussen werkgever en werknemer.

De heer De Wit (SP) wees erop dat het RMU-rapport aangeeft dat 32% van de werknemers in de winkelbranche gewetensbezwaren heeft tegen het werken op zondag en vroeg of de minister dit een aanzienlijk percentage vindt.

Mevrouw Van Zuijlen (PvdA) merkte op dat er op zichzelf weinig gewetensbezwaren zijn dat slechts een klein percentage van de winkels op zondag opengaat, dat maar eenderde deel van betrokkenen bezwaren heeft tegen het werken op zondag en dat de minister heeft toegezegd dat zij over de positie van deze gewetensbezwaarden met MKB Nederland gaat praten. Wat wil men nog meer?

De minister voegde daaraan toe dat dit niet over de Winkeltijdenwet gaat, maar over de Arbeidstijdenwet. Indien er sprake is van normale arbeidsverhoudingen hoort met gewetensbezwaren rekening te worden gehouden. Wanneer dat niet wordt gerespecteerd, kan een beroep worden gedaan op het BW. Zij was bereid via MKB Nederland het signaal aan de detailhandel te geven dat men problemen in de normale arbeidsrelatie hoort op te lossen en zegde toe de Kamer over het resultaat te rapporteren. Tevens wilde zij bezien hoe groot dit probleem werkelijk is en zei de RMU daarbij te betrekken.

De concurrentie zal toenemen als gevolg van Internet, ofschoon velen gewoon willen winkelen en producten in hun handen willen houden. De minister hoopte dat de zich nogal terughoudend opstellende detailhandel op korte termijn goed nadenkt over wat Internet voor die handel kan betekenen. In Amerika blijken kleine winkels het gehele land als markt te krijgen.

Wat het overheidsloket betreft, zijn wat resultaten geboekt. Een flink aantal gemeenten heeft een avondopenstelling voor de afgifte van paspoorten en dergelijke, maar in dit opzicht is nog veel te verbeteren. Er loopt nog een project om tot betere toegankelijkheid van de overheidsdiensten te komen, waarbij onder meer gedacht kan worden aan elektronische toegankelijkheid. Minister Van Boxtel tracht via uitvoerig overleg stimulansen te bieden, maar gemeenten en provincies zijn wat dit betreft autonoom.

Het evaluatierapport laat zien dat er al heel lang voor de inwerkingtreding van de Winkeltijdenwet sprake was van schaalvergroting. Deze wet heeft gezorgd voor een lichte versnelling maar niet voor een schokgolf.

Collectieve regelingen over openingstijden in winkelcentra en dergelijke mogen niet worden opgelegd, omdat zoiets in strijd is met de Mededingingswet. Dergelijke regelingen kunnen worden voorgelegd aan en getoetst door de NMA. De minister was nog geen geval bekend van een potentiële winkelier die met zo'n regeling was geconfronteerd, maar indien het zover komt, was zij ervan overtuigd dat die regeling onderuit wordt gehaald.

Zij merkte op dat volgens de Arbeidstijdenwet twaalfjarigen niet mogen werken en dat, indien dit toch gebeurt de werkgever een fikse boete krijgt. Dertien- en veertienjarigen mogen wel op zaterdag werken, maar niet op zondag, en dan onder een aantal zeer beperkende voorwaarden die in de Arbeidstijdenwet zijn opgenomen.

Het mogelijk verdwijnen van loontoeslagen is een zaak van sociale partners. Het blijkt in deze tijd dat werkgevers om aantrekkelijk te willen blijven juist toeslagen geven, ook aan jongeren.

Haar uitspraak dat goede afspraken over de werktijden de weerstand tegen het werken op zondag wegneemt, is gebaseerd op een KPMG-onderzoek en een onderzoek van het hoofdbedrijfschap detailhandel, waaraan ook de vakbonden hebben meegewerkt, onder het personeel. Dat de FNV daar andere opvattingen over heeft, doet daaraan niets af.

Telkens laait de discussie over de 24-uurseconomie weer op. Daarbij gaat het om najagen van een spook. Met groot respect had de minister ervan kennis genomen dat 800.000 handtekeningen zijn opgehaald, maar die waren gericht tegen de 24-uurseconomie die niet bestaat en die er naar haar mening nooit zal komen. Daartegenover staan 4,3 miljoen andersdenkenden, mensen die blijkbaar graag af en toe op zondag winkelen. Zij begreep niet waar de suggestie vandaan komt dat de rijksoverheid tot doel heeft de 24-uurseconomie te bevorderen.

De heer Van der Staaij (SGP) wees erop dat in de nota elektronische snelweg staat: Een belangrijk doel is dynamiek, gericht op het flexibeler maken van de economie, onder andere door stappen ter facilitatie van de 24-uurseconomie.

De minister merkte op dat langs de elektronische snelweg internationaal 24 uur gewerkt kan worden, dat wil zeggen: acht uur in Nederland aan de ontwikkeling van een product, vervolgens acht uur in de VS (want dat is ongeveer het tijdsverschil) en daarna acht uur in Australië (want dat komt daar weer acht uur achteraan), waarna Nederland weer aan de beurt is. Dat is een geheel andersoortige
24-uurseconomie, namelijk de elektronische 24-uurseconomie en die heeft geen invloed op de sociale omstandigheden in een land.

Zij releveerde dat altijd al veel mensen op zondag hebben moeten werken: in ziekenhuizen, in de horeca en in de commerciële dienstverlening. Zij geloofde niet dat de meeste mensen de zondag als rustdag geheel willen weggooien en merkte op dat, als de meeste mensen dat niet willen, het niet gebeurt.

Voorzover haar bekend, was er van werkgeverskant geen enkele aandrang om het geven van toeslagen voor zondagsarbeid teniet te doen. In de discussie over de mogelijke vierdaagse werkweek is van werkgeverskant hoogstens de suggestie gedaan om van de zaterdag een normale werkdag te maken. Zij vreesde dat op dit punt dreigingen worden geopperd die maatschappelijke helemaal niet aan de orde zijn.

De minister stelde dat NOC*NSF een zwaar wetenschappelijk onderzoek heeft laten verrichten door de Katholieke universiteit Brabant naar de invloed van de verruiming van de winkeltijden op het verenigingsleven. Op dit terrein bestaan verder nauwelijks gedegen onderzoeksrapporten. Voorzover die er zijn, geven zij aan dat er sprake is van een teruglopende belangstelling in het algemeen, een trend die weinig te maken heeft met de verruimde winkeltijden. Bovendien sluiten de winkels over het algemeen om acht uur 's avonds en is dat de tijd waarop het verenigingsleven door de bank genomen begint.

De voorzitter van de commissie,

Biesheuvel

De griffier van de commissie,

Tielens-Tripels


1 Samenstelling:

Leden: Blaauw (VVD), Biesheuvel (CDA), voorzitter, Witteveen-Hevinga (PvdA), Leers (CDA), Voûte-Droste (VVD), ondervoorzitter, Rabbae (GroenLinks), Hessing (VVD), Giskes (D66), Marijnissen (SP), Crone (PvdA), Van Dijke (RPF), M.B. Vos (GroenLinks), Van Zuijlen (PvdA), Augusteijn-Esser (D66), Hofstra (VVD), Van Walsem (D66), Wagenaar (PvdA), Stroeken (CDA), De Boer (PvdA), Van den Akker (CDA), Geluk (VVD), Verburg (CDA), Bos (PvdA), Blok (VVD), Hindriks (PvdA)

Plv. leden: Verbugt (VVD), Atsma (CDA), Kalsbeek (PvdA), Wijn (CDA), Klein Molekamp (VVD), Vendrik (GroenLinks), Kamp (VVD), Van den Berg (SGP), Poppe (SP), Kuijper (PvdA), Van Middelkoop (GPV), Van der Steenhoven (GroenLinks), Schoenmakers (PvdA), Bakker (D66), Van Baalen (VVD), Schimmel (D66), Herrebrugh (PvdA), Van der Hoeven (CDA), Smits (PvdA), De Haan (CDA), Van Beek (VVD), Schreijer-Pierik (CDA), Koenders (PvdA), Udo (VVD), Hamer (PvdA)

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie