Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Scheidende rector KUN geridderd

Datum nieuwsfeit: 20-12-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten

Katholieke Universiteit Nijmegen

Bron: Dienst Communicatie, tel. (024) 361 22 30 Aanmaakdatum: 20 december 1999

Dienst Communicatie

PERS & VOORLICHTING Persbericht

SCHEIDENDE RECTOR GERIDDERD

Bij zijn afscheid als rector magnificus van de KU Nijmegen, is prof. dr. T.J.M. van Els (63) benoemd tot ridder in de Orde van Oranje Nassau. De versierselen zijn hem uitgereikt door de Burgemeester van Nijmegen, mr. E. d'Hondt tijdens de rectoraatsoverdracht maandag 20 december in concertgebouw De Vereeniging te Nijmegen.

Prof. Van Els is sinds 1965 in dienst van de KU Nijmegen, waar hij ook Engelse taal- en letterkunde studeerde. Hij promoveerde in 1972 cum laude op het proefschrift The Kassel MS of Bede's Historica eccelesiastica Gentis Anglorum and its Old English Material.

In 1981 werd prof. Van Els benoemd tot hoogleraar aan de Faculteit der Letteren met de leeropdracht 'Toegepaste taalwetenschap, in het bijzonder het leren en onderwijzen van moderne vreemde talen'. In 1994 werd hij rector magnificus van de KU en hij is daarmee de langst zittende rector uit de Nijmeegse universitaire geschiedenis.

Prof. Van Els had en heeft zitting in tal van nationale en internationale commissies op zijn vakgebied. Zo is hij voorzitter van de VSNU-stuurgroep Internationalisering en voorzitter van de coördinatiegroep Convenant Letteren en voorzitter van het bestuur van het Expertisecentrum Nederlands. In zijn ambtsperiode heeft prof. Van Els zich ondermeer sterk gemaakt voor het academisch gehalte van de universiteit.

Voor nadere informatie zie ook persberichten: pv99-72, pb99-136, pb99-136a.

BIJLAGE:
Rede Universiteit - ook nu, uitgesproken door prof. prof. dr. T.J.M. van Els bij diens afscheid als Rector Magnificus van de Katholieke Universiteit Nijmegen op 20 december 1999


Universiteit - ook nu

T.J.M. van Els
In de voorbereiding op vandaag * komt mij al enige weken steeds weer hetzelfde beeld voor ogen. Het is een beeld uit een sketch van Koot en Bie:

Temidden van een keur aan prachtig verpakte cadeaus, doet Kees van Kooten met brede gebaren verslag van het door hem ontdekte, jongste gat in de markt. Het was in die dagen 'en vogue' om op de vraag 'wat wil je voor je verjaardag' een tikkeltje blasé te antwoorden: 'Ach, doe mij maar niks...'. En dat bleek gouden handel voor Van Kooten. 'Niks' verkocht hij in alle mogelijke soorten en maten, meer of minder fraai verpakt.

'Beetje merkwaardig beeld om zes jaar rectoraat mee te besluiten', zult u zeggen. En dat is het misschien ook wel, maar voor mij is het treffend. Wat ik u vanmiddag wil bieden is 'niets', dat wil zeggen 'niets nieuws'. Niets nieuws dat toch de moeite waard is om het u, bij wijze van geschenk, aan te bieden. En daarom þ minstens als gebaar - veelzeggend.

Eenheid van onderwijs en onderzoek

Ik vertel u niets nieuws als ik u zeg dat ik hecht aan de idee van de universiteit als eenheid van onderwijs en onderzoek. 'Ad unum vertere' is etymologisch de herkomst van het woord 'universiteit', en dat betekent zoveel als 'tot één maken'. 'Tot één maken', bijeen brengen. Dat geldt niet alleen voor de verschillende disciplines, zoals de gebruikelijke uitleg wil, maar ook voor de twee soorten activiteiten daarbinnen: onderzoek en onderwijs.

De grote Amerikaanse dichter T.S. Eliot þ winnaar van de Nobelprijs voor literatuur in 1948 þ dichtte omstreeks mijn geboortejaar de volgende onvergetelijke regels: (1)

'Time present and time past
Are both perhaps present in time future, And time future contained in time past.'

Het is niet ongebruikelijk om - min of meer in overeenstemming met wat deze regels zeggen - het eigene van de universiteit en haar onderwijs te beargumenteren vanuit het verleden. Haast vanzelf valt dan de naam van Wilhelm von Humboldt (1767 - 1835) die aan het begin van de vorige eeuw opperde (2) dat de essentie van de academische opleiding ligt in haar voeding vanuit het wetenschappelijk onderzoek. 'Eenheid van onderwijs en onderzoek' werd voor velen de karakteristiek bij uitstek van de universiteit en Von Humboldt de onbetwistbare apostel van de, voor alle tijden gegeven, échte universiteit.

Maar T.S. Eliots regels mogen dan de onlosmakelijke verwevenheid tussen verleden, heden en toekomst benoemen, ze zijn geen pleidooi voor een onveranderlijkheid der tijden. Integendeel, de verwevenheid is er een van een zich steeds vernieuwende beweging. Wie zich verdiept in de geschiedenis van de universiteit en het denken daarover, ontdekt dat velen ten tijde van en volgend na Von Humboldt helemaal niet zo overtuigd waren van de noodzaak van de eenheid van onderwijs en onderzoek. (3)
De argumentatie voor de universiteit van déze tijd is niet te vinden in het verleden, maar moet gezocht worden in het heden.

Bij de opening van dit academisch jaar hebben we betoogd - en aangetoond - dat er ook in deze tijd behoefte bestaat aan hogere opleidingen waarin academisch denk- en werkniveau wordt bijgebracht. Tegelijk hebben we gesteld dat dat academisch denk- en werkniveau alleen ontstaat door een directe betrokkenheid van het studieprogramma en van degenen die dat doceren op wetenschappelijk onderzoek. (4) Daarin verschilt het universitaire onderwijs van het hoger beroepsonderwijs (hbo).

De eenheid van de universiteit wordt hier beargumenteerd vanuit het perspectief van het onderwijs, dat de directe nabijheid van het onderzoek nodig heeft. Maar is het ook mogelijk die argumentatie te complementeren vanuit het perspectief van het onderzoek? Zouden we mogen stellen dat het onderzoek en de onderzoeker zelf gebaat zijn bij een nauwe betrokkenheid bij academisch onderwijs? Er zijn voldoende uitspraken van onderzoekers die wijzen op het grote belang dat het onderwijs voor hen heeft. In een recente discussienota staat: 'Topwetenschappers geven aan dat zij het werken in een omgeving met jonge, scherpe, kritische en nog te vormen geesten een belangrijke arbeidsvoorwaarde vinden.' En daaropvolgend: 'In overeenstemming hiermee is de bevinding dat de kwaliteit van wetenschappelijk onderzoek dat in een onderwijsomgeving is ingebed, superieur is aan die van onderzoek verricht in een omgeving los van wetenschappelijk onderwijs.' (5)

Empirische evidentie die dit soort stellingen staaft is er helaas te weinig. (6) Maar aan uitspraken van onderzoekers zelf is geen gebrek. Sommigen beschouwen het geven van onderwijs aan beginnende studenten als de ultieme test of het inzicht in de materie bij henzelf voor de volle honderd procent is bereikt. Zo zou de beroemde natuurkundige Enrico Fermi tegen zijn student George Steiner hebben gezegd: 'Als ik het jou niet uit kan leggen, dan snap ik het zelf niet'. (7) Voor anderen telt de creatieve stimulans die uitgaat van het contact met jonge, ambitieuze en intelligente onderzoekers die men in opleiding heeft. Juist de open confrontatie met de aanstormende opvolgers zet aan tot grensverleggende ontwikkelingen en wetenschappelijke topprestaties. (8)

Eenheid van onderwijs en onderzoek is - samengevat - ook in deze tijd de kenmerkende karakteristiek van de universiteit. Voor het bereiken van academisch denk- en werkniveau in de opleidingen is de nabijheid van onderzoek een absolute noodzaak. (9) Grensverleggende onderzoekers
- zoveel mogelijk de echte top - zijn van essentieel belang voor goed academisch onderwijs. Veel wijst er op dat de universiteit met haar overvloed aan jong en wetenschappelijk ambitieus talent in studenten en promovendi de ideale omgeving biedt voor grensverleggend onderzoek van hoog niveau.

Consequenties voor het onderzoek

Wat de 'lotsverbondenheid' van onderwijs en onderzoek betekent voor de universitaire opleidingen hebben wij aan het begin van dit academisch jaar toegelicht. (10) Wat de consequenties kunnen zijn voor het universitaire onderzoek wil ik nu aan de orde stellen aan de hand van twee thema's: 'contractonderzoek' en 'academische vrijheid'.

Contractonderzoek
Wie een onderzoekscontract afsluit met een externe partij, levert een onderzoeksproduct tegen betaling. De vragende en betalende partij bepaalt de aard en de kwaliteitseisen van het product. Bijna zonder uitzondering zal het gaan om de beantwoording van een concrete vraag of om de oplossing voor een acuut probleem. 'Korte-termijngerichtheid' en 'instrumentele benadering' karakteriseren dit type toegepast onderzoek. (11) Werkelijk vernieuwend, speculatief en exploratief onderzoek dat grensverleggend en fundamenteel is, zal als zodanig nauwelijks ooit het beoogd eindproduct zijn van een contract met een externe partij. (12)

Grensverleggend onderzoek vindt in Nederland enkel plaats aan universiteiten en aan para-universitaire instituten. Het wetenschappelijke corps dat het onderwijs verzorgt, hoort zelf - althans voor een belangrijk deel - bij de uitvoering van grensverleggend onderzoek betrokken te zijn. Het eerste betekent dat volledige afhankelijkheid van contractonderzoek voor universiteiten ondenkbaar is; de eerste en de tweede geldstroom samen moeten de voor grensverleggend onderzoek benodigde ruimte verschaffen. Het tweede betekent dat leden van het wetenschappelijke corps niet volledig in beslag genomen mogen zijn met het werven van onderzoeksgelden, al gaat het daarbij - ook - om tweede-geldstroommiddelen, of met het beheren en organiseren van andermans onderzoek.

Nu zelfs de Minister van Onderwijs als verantwoordelijke voor het wetenschapsbeleid constateert dat universitaire onderzoekers 'onvoldoende creatieve ruimte' krijgen en gebukt gaan onder een te grote beheerslast, (13) is het zaak om, binnen en buiten de universiteiten, kritisch om te gaan met de voortdurende drang ook voor het onderzoek nog meer de markt op te zoeken. (14)

Overwoekering van de universiteit door contractonderzoek met een sterk toegepast karakter is ongewenst. Waarmee niet gezegd is dat onderzoeksactiviteiten van dat type niet ook een essentiële rol kunnen vervullen. Vaak vinden onderzoekers in die activiteiten de aanzet tot fundamentele vraagstellingen. (15) Soms ontlenen ze er gewoonweg veel genoegen aan. Misschien mogen we stellen dat het werken aan praktische vraagstellingen onderzoekers scherp en 'in training' houdt voor het eigenlijke werk. Zoals de eerder geciteerde T.S. Eliot zijn dichterlijke vaardigheden oefende door het schrijven van versjes voor kinderen. In 1939 resulteerde dat in een bundel met gedichten over katten. Aardig daaraan is - nu we het toch hebben over toegepast onderzoek - dat het gaat over 'practical cats' en dat één ervan, genaamd Bustopher Jones, alle kenmerken heeft van de gehaaide wetenschapper die op de markt zijn weg heeft leren vinden. Ik citeer de openingsverzen:

'Bustopher Jones is not skin and bones-
In fact, he's remarkably fat.
He doesn't haunt pubs - he has eight or nine clubs, For he's the St.James's Street Cat! He's the Cat we all greet as he walks down the street In his coat of fastidious black:
No commonplace mousers have such well-cut trousers Or such an impeccable back.
In the whole of St.James's the smartest of names is The name of this Brummell of cats; And we're all of us proud to be nodded or bowed to By Bustopher Jones in white spats!'

Academische vrijheid
De ware wetenschappers zijn geen 'practical cats' zoals Bustopher Jones. Ze zijn eerder 'Old Possums' als Eliot zelf. In het werk voor de praktijk houden ze zich een beetje van de domme, en met dit soort 'vingeroefeningen' wenden ze ernst voor. (16) Op hen slaat de volgende opdracht of bede: 'To scientists pure and simple, let they never be of any use to anyone.' (17) Ook in hun gedrag lijken zij niet zo op die Bustopher Jones, maar uiten zich eerder misschien als Einstein die als hij echt wou nadenken zei: 'I will a little think''. (18)

Maar deze onderzoekers hebben wel ruimte nodig. 'Gedreven onderzoekers vragen om een maximale vrijheid om zich aan hun wetenschappelijke hartstochten te kunnen overgeven', zei Van Vught onlangs, 'het is immers hun missie echt 'nieuwsgierige mensen' te zijn'. En daar ontstaat dan vaak een probleem en een grote spanning. Waar de academie niet kan bestaan zonder haar vrijheid - creativiteit laat zich immers niet dwingen - (19) en moeilijk ontkomt aan de neiging zich te isoleren in een ivoren toren, eist de maatschappij verantwoording voor de besteding van de gelden en dwingt ze de universiteiten prioriteiten te stellen en keuzen te maken. (20)

De Wet Modernisering Universitaire Bestuursorganisatie (MUB) heeft in dit spanningsveld op ingrijpende wijze de bestuurlijke verhoudingen gewijzigd. In het integraal management model wordt de maximale vrijheid die de gedreven onderzoeker nodig lijkt te hebben voor het uitoefenen van zijn wetenschappelijke hartstocht, sterk beknot. De academische vrijheid is, volgens velen, min of meer ondergesneeuwd onder de toedeling van bureaucratische bevoegdheden aan de eindverantwoordelijke manager. En wanneer Brouwer, voorzitter van het college van bestuur van de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen, al zegt dat 'naast roken, drinken en onveilig vrijen' ook het hebben van een manager een bedreiging voor de gezondheid is (21), hoe benauwend moet dan de recente universitaire bestuurshervorming niet zijn voor de academische vrijheid?

Slot

Mijn aantreden zes jaar geleden als rector magnificus viel samen met de invoering van een MUBse bestuursstructuur aan deze universiteit. Ik heb vol overtuiging aan de uitwerking daarvan meegewerkt en maatregelen in de geest daarvan getroffen. En de universiteit is daar beter van geworden.

Nu, bij het afsluiten van mijn rectoraatsperiode, wil ik, met De Ridder, (22) waarschuwen voor de in deze bestuurstructuur vervatte mogelijkheid dat de 'de bureaucratisering bepalend gaat worden voor de arbeidsverhoudingen in de universiteit' en daardoor 'de academische vrijheid en de daaraan verbonden academische verantwoordelijkheid van de wetenschappelijke staf gereduceerd wordt tot een geestdodend minimum'. En ik doe dat niet omdat ik nu weer afdaal van de bestuurlijke top - de nieuwe Ivoren (of is het 'IJzeren'?) Toren- naar de rangen van de wetenschappers. Wil de universiteit als eenheid van onderwijs en onderzoek haar opdracht waarmaken, dan moet zij de academische vrijheid van de gedreven onderzoeker en de daaraan verbonden verantwoordelijkheden koesteren. Zonder een zekere eigenzinnigheid in de uitvoering van de principes van de MUB-managementstructuur zal dat niet lukken. En, om tot slot een uitspraak van mezelf te parafraseren, (23) we moeten voldoende zelfbewust zijn om de juistheid van een door onszelf uitgezette koers niet af te meten aan het aantal schouderklopjes dat we er van het maatschappelijke veld voor mogen incasseren.

Met het benadrukken van het academisch gehalte van de universiteit heb ik, denk ik, op gepaste wijze het moment ingeleid waarop ik het rectoraat mag overdragen aan mijn opvolger, de hoogleraar Blom uit de faculteit der natuurwetenschappen, wiskunde en informatica. Hij is een man van groot wetenschappelijk en persoonlijk gezag, die ook bestuurlijk zijn sporen in alle opzichten verdiend heeft, in diverse functies van gewicht binnen en buiten onze universiteit. Zijn bijzondere combinatie van wetenschappelijke en bestuurlijke kwaliteiten zal hem het juiste gevoel geven voor de ruimte die in een modern georganiseerde universiteit aan academische vrijheid en aan fundamenteel georiënteerde onderzoekers moet worden gelaten, en maakt hem, derhalve, bij uitstek geschikt om in het college van bestuur als rector magnificus aan deze universiteit mede leiding te geven. Ik wens hem daarbij wijsheid, sterkte en Gods zegen toe. Met het omhangen van de rectorsketen bekleed ik u, collega Blom, met de hoogste academische waardigheid die wij kennen, en roep u daarbij toe: 'Salve, Rector Magnifice, iterumque Salve!'.

Nijmegen, 20 november 1999


* Ik wil hier al diegenen bedanken die over de inhoud van deze rede met mij van gedachten hebben gewisseld. In het bijzonder dank ik Inez Uerz, die op een zeer speciale wijze de tekst bewerkt heeft.

Noten

(1) uit: Four Quartets. Burnt Norton, London (Faber and Faber), 1959, p.13

(2) "Antrag auf Einrichtung der Universität Berlin", notitie, 1809; zie ook: dr. H.A.E. Zwart, De morele opdracht van de universiteit, Nijmegen (KUN), 1999, p.9

(3) zie o.a. Zwart (1999, pp.14 e.v.). De ook als verdediger van de echte universiteit veelvuldig geciteerde John Henry Newman blijkt in zijn The Idea of a University (1852) juist een tegenstander te zijn van het bij elkaar brengen van onderwijs en onderzoek in één instelling.

(4) zie Prof.Dr. T.J.M. van Els, "De vraag naar de kern: de kern van de oplossing?", Rede bij opening academisch jaar 1999-2000, Nijmegen (KUN), 1999

(5) uit een vertrouwelijke discussienota van de VSNU ("Toekomstscenario's voor universitair onderwijs"), najaar 1999

(6) het zou bijvoorbeeld aardig zijn te kunnen beschikken over een analyse van de kenmerken van de context waarin Nobelprijs-winnaars hun wetenschappelijk onderzoek hebben uitgevoerd. Of van de prestaties -en de opvattingen terzake- van wetenschappers in landen zoals Frankrijk waar in essentie onderwijs en onderzoek in gescheiden instituties zijn ondergebracht.

(7) George Steiner, De toekomst van de universiteit, Nijmegen (Nijmegen University Press), 1997, p.19. Veel eerder had zich Von Humboldt op vergelijkbare wijze uitgelaten, zie Zwart 1999, pp.11-12.

(8) zie het interview met Prof.Dr. A. Lagendijk, dat opgenomen is in Dr. V.C.M. Timmerhuis, Ruimte voor vernieuwing. Ervaringen binnen de technische en natuurwetenschappen, Den Haag (ATW), 1999, pp.43-50. Opmerkingen van soortgelijke strekking maakte Prof.Dr. W.J.M. Levelt, directeur van het Max Planck Institut für Psychololinguistik te Nijmegen, tegenover mij. Levelt zei ook het gevoel te hebben dat instituten die alleen een onderzoekstaak hebben zonder enig contact met promovendi, uiteindelijk geen wetenschappelijke top-prestaties meer leveren.

(9) dit stelt ook de Minister van Onderwijs vast in Wie oogsten wil, moet zaaien. Wetenschapsbudget 2000, Zoetermeer (OCenW), 1999, p.12

(10) zie Van Els (1999); zie ook de rede die Prof.Dr.mr. C.J.M. Schuyt uitsprak bij de opening van het academisch jaar 1998-1999, onder de titel "Op academisch niveau: scholing en vorming in een gedifferentieerd stelsel van hoger en wetenschappelijk onderwijs".

(11) zie Wetenschapsbudget 2000 (1999), p.11. Dat de betalende partij ook wel eens de publikatie van haar niet welgevallige uitkomsten wil tegenhouden en daarmee de 'vrijheid van wetenschap' direct bedreigt, is een schaduwzijde van contractonderzoek waarvoor we de ogen niet mogen sluiten. Het ontbreekt ons aan de ruimte om daarop hier in te gaan. Men zie André J.F. Köbben, Henk Tromp, De onwelkome boodschap, of hoe de vrijheid van wetenschap bedreigd wordt, Amsterdam (Jan Mets), 1999.

(12) idem, p.12

(13) idem, pp. 2 en 14

(14) tegen het licht van deze zorg is het toch wat bevreemdend dat bij het zoeken van een bestemming van het recent ingestelde Vernieuwingsfonds in eerste instantie toch weer gedacht wordt aan het scheppen van mogelijkheden voor jong en nieuw talent.

(15) zie o.a. André Köbben, "Is Max Webers 'Wetenschap als beroep' nog actueel?", in: Willemen, Kees, Gerard Heijnen, Guus Termeer (red.), Het heilig vuur. De kern van het universitaire bestaan, Groningen (Wolters Noordhoff), 1998:184-194, p.188

(16) T.S. Eliot, Old Possum's Book of Practical Cats, London (Faber and Faber), 1940. Aangenomen mag worden dat er in de 'old possum' van de titel verwijzingen zitten naar '(o)possum' (buidelrat), naar de uitdrukking 'to play possum' (zich van de domme houden) en misschien ook naar het Latijnse 'possum' (ik kan).

(17) uitspraak van de Delftse hoogleraar Albert Jan Kluyver, geciteerd door Prof.Dr.Ir. G.D. Vogels, Het Laatste Woord, afscheidscollege, Nijmegen (KUN), 1999, p.8

(18) uitspraak van Albert Einstein, geciteerd door Prof.Dr. FransA. van Vught, Nieuwsgierige Mensen, Rede uitgesproken bij opening academisch jaar 1999-2000, Enschede (UT), 1999, p.10

(19) zie Ko de Ridder, "Academische vrijheid en de universitaire bestuursorganisatie", in: Willemen e.a. (red.), 1998:204-218, p.206

(20) zie Van Vught 1999, p.14. In dit verband wordt er vaak op gewezen dat veel grote ontdekkingen bij toeval zijn gedaan; 'serendipity' (:'de gave om geweldige ontdekkingen bij toeval te kunnen doen') is een begrip dat in deze context past. Verder is het zo dat echte vernieuwing een lange adem vergt en ook moeilijk planbaar is; zie Timmerhuis 1999, p.7.

(21) zie O.G. Brouwer, "Zijn de instellingen voor hoger onderwijs geëquipeerd voor de volgende eeuw?", in: Willems, J.M.H.M., M.J.A. Mirande, J.A.A.M. Bevers, J.F.M.C. Aarts (red.), De toekomst verbeeld. Wenskaarten voor het Hoger Onderwijs, Nijmegen (IOWO), 1997:41-54, p.50

(22) zie De Ridder 1998, pp.216-217; De Ridder wijst er, overigens, ook op dat de introductie van de MUB door de universiteiten, ook door hoogleraren, met enthousiasme is begroet.

(23) zie Van Els 1998, p.5

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie