Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Brief SZW inzake arbeidsomstandigheden

Datum nieuwsfeit: 21-12-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal


25883000.008 brief sts szw over arbo

Gemaakt: 23-12-1999 tijd: 14:30


9


25883 Arbeidsomstandigheden

nr. 8 Brief van de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 21 december 1999


1. Inleiding

In juli 1997 publiceerde de Commissie Arbeidsomstandigheden van de Sociaal-Economische Raad het Advies over de tweedelijnsonderzoeks- en adviesinfrastructuur inzake Arbeidsomstandigheden (kortweg: tweedelijnsinfrastructuur). Er werden diverse knelpunten gesignaleerd in de organisatie en structuur van de tweedelijnsinfrastructuur. In het advies stelde de Commissie dat de overheid een primaire verantwoordelijkheid heeft voor de ontwikkeling en instandhouding van een tweedelijnsinfrastructuur, zowel qua aansturing als qua financiering. Tevens stelde zij voor een Platform op te richten voor afstemming en coördinatie binnen de tweedelijns.

Bij brief van 5 februari 1998 (TK 25 883, nr. 1) heeft mijn voorganger zijn visie gegeven op het advies van de Commissie en initiatieven geformuleerd ter bevordering van het functioneren van de tweedelijnsinfrastructuur. In deze brief zal ik, voortbordurend op die brief, enkele uitgangspunten voor mijn beleid voor de tweedelijnsinfrastructuur neerzetten. Ook geef ik enkele recente beleidsontwikkelingen aan die naar verwachting een effect zullen hebben op de tweedelijnsinfrastructuur. Vervolgens komt in deze brief de voortgang aan de orde met betrekking tot de initiatieven die in de brief van 5 februari 1998 zijn vermeld en met de Vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid zijn besproken (Algemeen Overleg, 1 april 1998). Tenslotte zal ik de voortgang van de afzonderlijke activiteiten in onderlinge samenhang concluderend beschouwen.

Uitgangspunten

Preventie van (mede) door arbeid veroorzaakte aandoeningen, alsmede reïntegratie in het arbeidsproces van zieke of tijdelijk arbeidsongeschikte werknemers zijn primaire doelen van het arbeidsomstandighedenbeleid. Om deze doelen te realiseren is mijn beleid gericht op versterking van de verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers voor het arbeids-omstandighedenbeleid. Een sterkere rol dus voor sociale partners, daartoe ook financieel geprikkeld en met meer ruimte voor maatwerk voor het arbobeleid in hun onderneming. Deze beleidsinzet is o.a. terug te vinden in de nieuwe Arbowet met een grotere nadruk op het systematisch door de werkgever zelf, in overleg met de werknemers, verbeteren van de arbeidsomstandigheden.

Belangrijke randvoorwaarde voor deze aanpak is dat kennis over arbeidsomstandigheden in hoge mate toegankelijk is voor werkgevers en werknemers. Arbodiensten fungeren in de kennisinfrastructuur in feite als eerstelijnsvoorziening voor werkgevers en werknemers. Ter ondersteuning van arbodiensten en ter verdere ondersteuning van werkgevers en werk-nemers voor meer gespecialiseerde kennis moet er ook een toegankelijke tweedelijns-kennisinfrastructuur zijn. Toegankelijk zowel met betrekking tot de infrastructuur ter facilitering van deze kennis, als in financiële zin.

Het begrip `tweedelijnskennisinfrastructuur' is niet eenvoudig af te bakenen. Zoals mijn voorganger meldde gaat het om het geheel aan voorzieningen om kennis op het gebied van arbeidsomstandigheden in de breedste zin te ontwikkelen, te verzamelen, toepasbaar te maken en over te dragen. Activiteiten die in de tweedelijns plaatsvinden zijn onderzoek, advisering, instrumentontwikkeling, normalisatie en certificatie, monitoring, opleiding en training. De activiteiten worden uitgevoerd door een groot aantal instituten en organisaties.

Bij het overheidsbeleid voor de tweedelijnskennisinfrastructuur arbeidsomstandigheden hanteer ik drie uitgangspunten. Het eerste uitgangspunt is de bevordering van markt-conforme ontwikkelingen, waarbij financiële prikkels ingebouwd worden. Het tweede is de vergroting van de betrokkenheid van alle partijen die belang hebben bij een goed werkende tweedelijnsinfrastructuur. Het derde uitgangspunt is dat de overheid medeverantwoordelijk is voor die situaties, waarin de markt tekort schiet in het creëren van noodzakelijke basisvoorzieningen - en daar voorwaarden moet scheppen.

Een belangrijke ontwikkeling is de in het Regeerakkoord afgesproken inzet van extra financiële middelen voor verbetering van arbeidsomstandigheden. Deze zijn bestemd voor het afsluiten van convenanten met hoge risicobedrijfstakken ter vermindering van arbeidsrisico's, de versterking van de arboinfrastructuur en de bevordering van de samenwerking tussen arbodienstverlening en gezondheidszorg. Op al deze terreinen doen zich ontwikkelingen voor die ook voor de tweedelijns van betekenis zijn en het belang daarvan accentueren. De combinatie van meer aandacht en meer middelen voor het arbeidsomstandighedenbeleid kan bijvoorbeeld van invloed zijn op de tweedelijns-infrastructuur, door een mogelijke toename van de behoefte bij branches aan ondersteuning door de tweedelijns. Groei dus, met marktwerking als uitgangspunt. Daardoor groeit ook het belang van afstemming binnen de tweedelijns, opdat het stelsel effectief is.

Vanuit de hierboven beschreven uitgangspunten zijn en worden rond de tweedelijnsinfra-structuur talrijke activiteiten verricht en initiatieven ontplooid. Deze brief rapporteert hierover.


3. Rapportage initiatieven


3.1. Nederlands Focal Point

Mijn voorganger heeft al melding gemaakt van de oprichting van het Europees Agentschap voor de Veiligheid en Gezondheid op het Werk en het daaraan gekoppelde netwerk van nationale Focal Points. Met deze organisatiestructuur wordt beoogd de ontsluiting van informatie over veiligheid en gezondheid op het werk in een nationale en Europese context te bevorderen. Het Focal Point vindt zijn wettelijke basis in Raadsverordening (EG) nr. 2062/94 van de Raad.

Inmiddels is het Nederlandse Focal Point (NL-FP) tripartiet ingericht, wat betekent dat deze functie gezamenlijk wordt gedragen door werknemers, werkgevers en overheid. Om de verzameling van informatie op het gebied van arbeid en arbeidsomstandigheden te bevorderen heeft het NL-FP het Nederlands Informatie Netwerk Arbeidsomstandigheden (NINA) opgericht, waarin kennis- en informatieproducerende organisaties kunnen plaatsnemen. Deze organisaties leveren informatie aan voor de internetsite van het NL-FP. Hierdoor ontstaat in Nederland een centrale, laagdrempelige en gaandeweg bredere voorziening met actuele arbokennis en -informatie. De website van het NL-FP (nl.osha.eu.int) is op 14 oktober 1999 formeel in gebruik genomen. Uit het grote aantal bezoekers blijkt dat daarmee in een duidelijke behoefte wordt voorzien.

Het NL-FP heeft een meerjarenstrategie voor de periode 1999 - 2002 vastgesteld. Daarin wordt de ambitie verwoord om prominent bij te dragen aan het bereiken van een situatie waarin een optimale doorstroom van kennis en informatie over arbeidsomstandigheden wordt gerealiseerd, zowel in een nationale als Europese context. Het bureau van het NL-FP heeft de ambitie geuit dat de internetsite van het NL-FP `de arbosite van Nederland' moet worden en blijven. Zowel voor geïnteresseerde gebruikers, werknemers, werkgevers en arboprofessionals, als voor andere partijen die steeds meer met arbeidsomstandigheden te maken hebben, zoals de zorgsector.

Ter financiering van de activiteiten in verband met het NL-FP en het Platform Arbokennisinfrastructuur heeft het Ministerie van SZW voor de periode 1999-2002 per 400.000 gulden vrijgemaakt. Omdat het hier een structurele activiteit betreft wordt hiervoor ook in de jaren daarna geld gereserveerd.


3.2. Platform

Naar aanleiding van advies van de SER-Commissie Arbeidsomstandigheden heeft SZW een studie laten uitvoeren met als doel het in kaart brengen van het draagvlak voor en de mogelijke taken van een platformfunctie. De resultaten, vervat in het rapport Platform
Arbokennisinfrastructuur, heb ik u in augustus 1999 aangeboden (ARBO/AIS/99 48719).

Het rapport biedt voldoende aanknopingspunten om een start te kunnen maken met de invulling van een Platform. Hiertoe is in november jl. op initiatief van SZW een voorbereidingsgroep ingesteld, met als belangrijkste doel het komen tot een gezamenlijk instellingsdocument voor een Platform. In de voorbereidingsgroep zijn naast SZW verschillende betrokkenen bij de arbokennisinfrastructuur vertegenwoordigd, zoals werkgevers en werknemers, kennisinstituten en arbodiensten. In deze groep wordt o.m. gesproken over de concrete taken, organisatie, positionering, ondersteuning en financiering van een Platform. De volgende contouren laten zich thans schetsen:


1) De belangrijkste taken van het platform zullen zijn het versterken en bevorderen van de afstemming van vraag naar kennis en kennisaanbod en de doorstroming en ontsluiting van arbokennis in Nederland.


2) Het Platform zal op operationeel niveau zo gepositioneerd worden dat optimaal gebruik gemaakt kan worden van kennis en knowhow beschikbaar bij het Nederlandse Focal Point voor Arbeidsomstandigheden. Gezamenlijke belangen van het Focal Point en het Platform liggen o.a. op het gebied van het internet, NINA en een Bibliotheek- en Documentatie- (Bidoc) functie (zie paragraaf 3.4). Gezien de toch ook verschillende doelstellingen en de Europese wettelijke basis van het Focal Point zal echter op organisatorisch niveau voorlopig een duidelijke scheiding gehandhaafd worden.


3) De voorbereidingsgroep wordt voorgezeten door SZW. Voor het Platform zelf ligt het in de rede om een onafhankelijke voorzitter aan te trekken.


4) Het is de bedoeling dat SZW zorgdraagt voor financiële middelen ter facilitering van het Platform.

Met het publiceren van het instellingsdocument wordt de voorbereidingsgroep opgeheven en het Platform formeel geïnstalleerd. Naar verwachting kan dit in de eerste helft van 2000 worden gerealiseerd.


3.3. Onderzoek ter versterking van de kennisinfrastructuur

In de brief van 5 februari 1998 werd aangekondigd dat jaarlijks een budget beschikbaar zal worden gesteld voor onderzoek dat leidt tot uitbreiding en verspeiding van arbokennis binnen de kennisinfrastructuur rond arbeidsomstandigheden. Hiertoe is een raamovereenkomst met TNO Arbeid afgesloten voor de periode tot en met
2000. Daarna zal dit budget via een open inschrijvingsprocedure worden aanbesteed. Het betreft een bedrag van f 600.000,-- per jaar.

In dit kader is o.a. een aanzet gegeven voor de ontwikkeling van het Netwerk Optimalisering Repeterende Arbeid (NORA). Dit is een netwerk van deskundigen binnen arbodiensten, universiteiten en onderzoeksinstituten dat beoogt de kennisuitwisseling op het gebied van RSI tussen de eerstelijns (arbodiensten) en de tweedelijnsinfrastructuur te bevorderen. De mogelijkheden worden onderzocht om ook de start te faciliteren van een soortgelijk netwerk rondom werkdruk.

Ook op andere wijze wordt bijgedragen aan onderzoek dat mede leidt tot instandhouding en versterking van de tweedelijnskennisinfrastructuur. Zo is SZW opdrachtgever voor onderzoek ter beantwoording van beleidsvragen op het gebied van arbeidsomstandigheden. In 1999 is in dit kader bijvoorbeeld onderzoek in gang gezet naar agressie en sexuele intimidatie op de werkplek en de onderbouwing van gezondheidskundige advieswaarden m.b.t. blootstelling aan chemische stoffen op de werkplek. Het financieel beslag bedroeg in 1999 circa
2,5 miljoen gulden. Het betreft hier geen structurele bijdrage; een en ander is afhankelijk van jaarlijkse behoefte en prioritering.

Daarnaast worden vanwege het Ministerie van OCenW voor het beleidsterrein van SZW beschikbaar gestelde
TNO-doelfinancieringsgelden voor een belangrijk deel gebruikt voor programma's die bijdragen aan versterking van de kennisinfrastructuur rond arbeidsomstandigheden. Ter illustratie: bij TNO Voeding wordt in een meerjarenprogramma Arbeidsmilieu (1999-2002) specifieke expertise ontwikkeld op het gebied van de arbeidstoxicologische risicobeoordeling van beroepsmatige blootstelling aan toxische stoffen. Van deze expertise wordt vervolgens door overheid en bedrijfsleven gebruik gemaakt door opdrachten aan TNO Voeding te verstrekken voor het uitvoeren van o.a. stofspecifieke risicobeoordelingen van toxische stoffen.


3.4. Subsidiëren bibliotheek- en documentatiefunctie

In 1998 is aangekondigd dat overwogen werd een meerjarige relatie met NIA'TNO (thans: TNO Arbeid) aan te gaan, onder voorbehoud van overeenstemming over activiteiten en over de relatie tussen openbaarheid van informatie en marktactiviteiten. Ik kan u melden dat deze verbintenis voor de periode 1999-2002 met TNO Arbeid is aangegaan. De financiering van SZW is bestemd voor het realiseren en onderhouden van een toegankelijke infrastructuur, in de vorm van Bibliotheek- en informatiecentrum TNO Arbeid (Bidoc). Daar kunnen arbodiensten, leden van ondernemingsraden, medewerkers van vakbonden, werkgeversorganisaties en brancheorganisaties terecht voor specifieke kennis en informatie. De financiering stelt de bibliotheek in staat de volgende activiteiten te ondernemen:

? selecteren en bewaren van vastgelegde kennis en (documentaire) informatie op het terrein van arbeidsomstandigheden;

? toegankelijk maken van deze vastgelegde kennis en (documentaire) informatie middels een documentatiesysteem.

Vanzelfsprekend wordt gestreefd naar een koppeling met de gemelde ontwikkeling van de website van het NL-FP. Deze website beoogt immers te fungeren als een centrale laagdrempelige voorziening met actuele arbokennis en informatie.

De subsidie voor deze activiteiten bedraagt in de periode 1999-2002 een bedrag van 1,2 miljoen gulden per jaar.


3.5. Kwaliteitsbevordering Arbodiensten

Voor de kwaliteitsbevordering van de arbodienstverlening is ondersteuning voorzien van een subsidieprogramma van de gezamenlijke arbodiensten, op basis van cofinanciering door SZW en de arbodiensten. Binnen de Branche Organisatie Arbodiensten (BOA) is zo'n gezamenlijk programma echter in 1999 niet goed van de grond gekomen. De redenen voor het nog niet van de grond komen van de samenwerking op dit gebied zijn de financieel beperkte armslag van de nog jonge branche en de wil van de diensten om op kwaliteit te concurreren. Dit laatste is uiteraard positief te beoordelen. Het is gelukkig niet zo dat kwaliteitsontwikkeling bij arbodiensten volledig afhankelijk is van het beoogde gezamen-lijke programma. In de tweedelijnsinfrastructuur worden diverse andere initiatieven ontplooid die tot een generieke kwaliteitsbevordering zullen leiden. Over een aantal daarvan wordt elders in deze brief gerapporteerd. Voorts zullen de nodige inspanningen worden verricht om voor het jaar 2000 en daarna te komen tot een meer substantiële invulling van dit programma.

Waar de opzet van een gezamenlijk kwaliteitsprogramma niet goed van de grond is gekomen, heeft de BOA wel twee andere interessante initiatieven in gang gezet, die financieel mede worden ondersteund door het Ministerie van SZW. Er is een begin gemaakt met de oprichting van een Stichting Expertisecentrum Reïntegratie (STECR) en er zijn initiatieven genomen voor het tot stand brengen van een verzuimstatistiek.

De STECR heeft als doel het verbeteren van de effectiviteit van reïntegratie. Het uitgangspunt is om de bij arbodiensten aanwezige kennis op het gebied van reïntegratie te bundelen, te verdiepen en toegankelijk te maken. Een belangrijke pijler van de STECR als kenniscentrum zal het uitwisselen van succesvolle aanpakken zijn (best practices). In de begroting van de BOA zijn voor de komende jaren middelen gereserveerd voor de STECR. Daarnaast zal iedere arbodienst afzonderlijk meebetalen, evenredig aan het gebruik dat gemaakt wordt van diensten van de STECR. Ter bevordering van dit marktinitiatief stel ik, zoals opgemerkt, subsidiegelden beschikbaar. Mijn verwachting is dat hiermee ook bijgedragen wordt aan een algemene kwaliteitsbevordering van de arbodienstverlening. Op termijn wil ik deze subsidie verlagen en de bijdragen vanuit de markt laten oplopen. De STECR zal naar verwachting formeel van start gaan op het congres Arbeid 2000 in juni 2000.

Door de BOA worden initiatieven ontplooid om samen met het CBS te komen tot een verzuimstatistiek waarin ook informatie over de verzuimduur is opgenomen. Ik acht dit initiatief een grote stap voorwaarts, gezien de grote behoefte aan goede en uitgebreide verzuimgegevens. Het Ministerie van SZW zal het proces van het tot stand brengen van deze verzuimstatistiek ondersteunen. De betrokkenheid van het CBS maakt het mogelijk verzuimstatistieken te koppelen aan ook bij het CBS aanwezige sociaal economische gegevens. Op het niveau van de individuele arbodienst zal het ontwikkelen van een verzuimstatistiek mogelijkheden bieden tot benchmarking. Ook dat kan kwaliteitsbevorderend werken.


3.6. Cofinanciering

Mijn voorganger heeft aangekondigd de mogelijkheden van andere financieringsvormen, zoals cofinanciering en fondsvorming te verkennen om de betrokkenheid van andere partijen te stimuleren en mede vorm te geven.

Het principe van cofinanciering zal in belangrijke mate worden gehanteerd bij de besteding van de gelden, die in het kader van de beleidsintensivering arbeidsomstandigheden beschikbaar zijn. Zo is in het kader van het sluiten van arboconvenanten mijn streven er nadrukkelijk op gericht om tot een gezamenlijke financiering van projecten te komen, waarbij vanuit de bedrijfstakken dus ook financieel wordt bijgedragen aan de projecten. Dit is ook verwoord in de betreffende subsidieregelingen.

Stimuleren van cofinanciering op projectniveau heeft naar mijn mening een grotere kans van slagen, en daarom ook duidelijk meerwaarde, ten opzichte van fondsvorming. Ingeval van cofinanciering op projectniveau is immers voor alle betrokken partijen duidelijk sprake van concrete belangen bij de uitvoering van het project in kwestie. Bij fondsvorming is een dergelijk belang veelal minder direct aanwezig. Fondsvorming is derhalve minder stimulerend en effectief.


3.7. Monitoring en signalering

In de brief van 5 februari 1998 werd het belang benadrukt van een systeem van monitoring. Arbomonitoring is essentieel om te kunnen bepalen wat de effecten van het arbeids-omstandighedenbeleid zijn. Daarom is jaarlijks een budget van 450.000 gulden beschikbaar gesteld voor monitoring.

Arbomonitoring is gericht op het verzamelen van representatieve informatie over risicovolle werksituaties (arborisico's), de effecten daarvan op de gezondheid van werknemers (arbo-effecten) en over de maatregelen die genomen worden om deze risico's te beperken (arbo-inspanningen). Het CBS verzamelt kwantitatieve informatie over de arborisico's onder van een steekproef van werknemers. De Arbeidsinspectie onderzoekt in een steekproef van bedrijven de activiteiten ter terugdringing en beheersing van de risico's in die bedrijven. Informatie over arbo-effecten wordt afgeleid uit diverse kanalen; waar het beroepsziekten betreft, wordt signalering verzorgd door het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (arbodiensten moeten gevallen van beroepsziekte melden bij het NCvB, zie verder paragraaf
3.8). Over de ontwikkelingen op het terrein van de arbeidsomstandigheden wordt jaarlijks gerapporteerd in de door het ministerie uitgegeven Arbobalans die onlangs aan uw Kamer is aangeboden (ARBO/ATB/99 71697).

In het kader van de arboconvenanten is de monitoring door de Arbeidsinspectie in bedrijven geïntensiveerd. De inspanningen zijn gericht op het verzamelen van representatieve informatie over de arbeidsomstandigheden in de als `hoogrisicobedrijfstak' aangeduide bedrijfstakken. Tenslotte is er de monitoring op het niveau van de convenanten zelf waarbij de resultaten van de afspraken uit elk convenant door externe onderzoeksbureaus gemonitord en geëvalueerd worden.

Meer in algemene en kwalitatieve zin worden ontwikkelingen met betrekking tot arbeidsomstandigheden weergegeven in het `Trendrapport arbeid en gezondheid'. Dit rapport bevat onder andere de uitkomsten van onderzoek dat TNO Arbeid uitvoert in het kader van de doelfinancieringsprogramma's op het beleidsterrein van SZW. Het signaleert maatschappelijke ontwikkelingen en probeert die te relateren aan arbeidsomstandigheden. Daarmee kan het rapport mijns inziens een belangrijke bijdrage leveren aan kennisver-betering binnen de arboinfrastructuur.


3.8. Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (NCvB)

Het NCvB is met steun van het Ministerie van SZW opgericht om te bevorderen dat in Nederland meer aandacht ontstaat voor herkenning, erkenning en preventie van beroeps-ziekten. In het Algemeen Overleg dat in april 1998 met de Kamer is gevoerd over de tweedelijnskennisinfrastructuur kwam een breed gedragen wens naar voren om het NCvB structureel te ondersteunen. Op dit punt hebben zich de volgende ontwikkelingen voorgedaan.

Per 1 november 1999 zijn arbodiensten verplicht om beroepsziekten aan het NCvB te melden. De verplichting is in de plaats gekomen van de verplichting van werkgevers om beroepsziekten aan de Arbeidsinspectie te melden. Naar verwachting zal van deze wijziging een drempelverlagende werking tot het melden van beroepsziekten uitgaan. Meer informatie over het voorkomen van beroepsziekten in Nederland kan belangrijke inzichten verschaffen over de relatie tussen arbeid en gezondheid en over de mogelijkheden tot interventie en preventie.

Mede na discussie met uw Kamer over de asbestproblematiek is toegezegd dat jaarlijks een rapport wordt opgesteld over trends in aard en omvang van bestaande en nieuwe beroeps-ziekten. Het NCvB stelt daartoe jaarlijks een signaleringsrapport op. Het eerste exemplaar is als bijlage bij de Arbobalans recent aan uw Kamer aangeboden.

Gelet op de aanvullende werkzaamheden die voortvloeien uit de aanwijzing van het NCvB als meldpunt voor beroepsziekten is aan het NCvB is een subsidie toegekend van 1,5 miljoen gulden per jaar voor de periode 1999 - 2002.

Het NCvB zal ook een structureel samenwerkingsverband aangaan met de kenniscentra voor arbeidsrelevante aandoeningen, die onlangs voor een viertal (groepen van) aandoeningen door de Minister van VWS, in afstemming met mij, zijn aangewezen. In het plan Structurele Aanpak van Wachttijden in de Zorg is een aantal acties op het gebied van arbo/curatieve samenwerking geformuleerd die ook tot versterking van de tweedelijnsarbokennisinfra-structuur zullen leiden, zoals de beoogde oprichting van het bureau Richtlijnontwikkeling voor bedrijfsartsen.


3.9. Aandacht voor arbeidsomstandigheden in de curricula van het onderwijs

In de brief uit 1998 is gemeld dat aandacht voor arbeidsomstandigheden in de curricula van het beroepsonderwijs noodzakelijk is voor een effectief bronbeleid. Instromende mede-werkers met een goede kennis van arbeidsomstandigheden zouden dan een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan het herkennen, voorkomen en verminderen van arbeidsrisico's. Het in kaart brengen van de feitelijke aandacht voor het thema arbeidsomstandigheden in het beroepsonderwijs is een essentiële eerste stap in de richting van mogelijk verder beleid op dit terrein.

In het verleden is integratie van arbeidsomstandigheden in de curricula (arbointegratie) van het beroepsonderwijs meerdere malen door SZW aan de orde gesteld. In 1993 is de invoering van de Wet Educatie en Beroepsonderwijs (WEB) door het Ministerie van OCenW aangegrepen om arbointegratie te bevorderen. De Landelijke Organen Beroeps-onderwijs werden op dat moment namelijk genoodzaakt hun kwalificatiestructuren te herzien, met de mogelijkheid om nieuwe elementen in te brengen. Gedurende enkele jaren is SZW in een gezamenlijk project met de COLO (Vereniging Landelijke Organen Beroeps-onderwijs) en TNO Arbeid, actief betrokken geweest bij de advisering van Landelijke Organen Beroepsonderwijs. Bij de afsluiting van dit project in 1997 kon geconcludeerd worden dat arbointegratie in de kwalificatiestructuren al een eind op weg was.

Om duidelijkheid te krijgen over de actuele stand van zaken op dit punt is contact gezocht met het Ministerie OCenW en de COLO. Hoewel het thema Arbeidsomstandigheden nog niet binnen elke beroepsspecifieke kwalificatie van elk Landelijk Orgaan Beroepsonderwijs terug te vinden is, kan geconcludeerd worden dat het thema in het algemeen een duidelijke plaats gekregen heeft in het beroepsonderwijs. Dit is mede te danken aan de sociale partners uit de betreffende branches. Zij bepalen namelijk per branche afzonderlijk mede de inhoud van de kwalificatiestructuren van elk individueel Landelijk Orgaan Beroepsonderwijs. Bij de verdere arbointegratie kunnen daarom ook de arboconvenanten mogelijk een rol spelen. In de convenantssfeer zouden nadere branchespecifieke inventarisaties plaats kunnen vinden die vervolgens mogelijk zouden kunnen leiden tot het formuleren van aanvullende kwalificaties binnen specifieke Landelijke Organen. Een belangrijk punt in dit kader is vanzelfsprekend of daarvoor bij sociale partners draagvlak aanwezig is.

Overigens meen ik dat arbointegratie niet beperkt zou moeten zijn tot het beroepsonderwijs. Ook structurele aandacht voor arbeidsomstandigheden binnen HBO en WO zou een belangrijke bijdrage aan effectief bronbeleid kunnen leveren. Hierbij denk ik bijvoorbeeld aan meer aandacht voor het arbovriendelijk ontwerpen van arbeidsmiddelen. Daarom zal ik, zo mogelijk in 2000 maar in ieder geval in 2001, laten inventariseren wat de aandacht voor arbeidsomstandigheden in de curricula van HBO en WO is, om vervolgens gerichte beleidsmatige initiatieven te kunnen ontwikkelen.


3.10. Normalisatie en Certificatie

Sinds lange tijd draagt SZW bij aan de kosten van het Nederlands Normalisatie Instituut, tegenwoordig met een bedrag van 400.000 gulden per jaar. Ik zie normalisatie als een belangrijke schakel in de tweedelijnskennisinfrastructuur. Op het terrein van de normalisatie doet zich een aantal ontwikkelingen voor.

Ten eerste kan gewezen worden op verslag van de Europese Commissie getiteld: Efficiëntie en transparantie bij de Europese normalisatie in het kader van de nieuwe benadering (COM(1998) 291 - 8759/98 ECO 186) en de resolutie betreffende de rol van normalisatie in Europa die mede naar aanleiding daarvan is aangenomen op de Interne Markt Raad van 28 oktober 1999. Daarin verzoekt de Raad, mede tegen de achtergrond van de verwachting dat met de toenemende mondialisering van markten internationale normen steeds belangrijker worden, overheden in de lidstaten tijdig passende bijdragen te leveren aan het normalisatie-proces, in het bijzonder wanneer normalisatie dient ter ondersteuning van communautair beleid of het openbaar belang.

Ten tweede valt, waar het meer bijzonder de rol van normalisatie betreft op het terrein van de veiligheid en gezondheid op het werk, een extra impuls voor normalisatie niet uit te sluiten vanwege de sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam versterkte rol van sociale partners bij de beleidsontwikkeling op dit terrein.

Deze ontwikkelingen roepen vragen op naar de rol van de overheid en sociale partners bij normalisatie op het gebied van arbeidsomstandigheden, ook in relatie tot de
tweedelijns-kenniinfrastructuur. Ik zal mij daarover beraden, mede aan de hand van nog te starten extern onderzoek naar de mogelijke en wenselijke positionering van betrokkenen.

Ook van certificatie mag een belangrijke bijdrage aan de tweedelijnskennisinfrastructuur verwacht worden. Het beleid van de afgelopen jaren, dat zich kenmerkt door het onderbrengen en samenvoegen van een certificatieregeling bij Centrale Colleges van Deskundigen in zogeheten beheersstichtingen, zal worden voortgezet.


4. Conclusies

Samenvattend ben ik van mening dat op een groot aantal deelgebieden binnen de tweedelijnsinfrastructuur goede voortgang is gemaakt.

Ten aanzien van de structuur zijn enkele interessante nieuwe initiatieven te melden. Het expertisecentrum Reïntegratie en het bureau Richtlijnontwikkeling voor bedrijfsartsen staan in de startblokken. Ook anderszins heeft de kwaliteit van de arbodienstverlening mijn volle aandacht, bijvoorbeeld in het kader van de arboconvenanten. De positie van het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten is verder verstevigd. De aanwijzing van kenniscentra voor arbeidsrelevante aandoeningen zal naar verwachting leiden tot meer aandacht voor de relatie tussen arbeid en gezondheid binnen de reguliere curatieve gezondheidszorg.

Ten aanzien van de werking van de informatievoorziening en kennisuitwisseling over arbeidsomstandigheden in Nederland zijn eveneens structurele verbeteringen te melden, zoals de publicatie van de Arbobalans, het signaleringsrapport beroepsziekten en de formele start van de website van het Nederlandse Focal Point. Tezamen met de Bidoc-functie van TNO Arbeid liggen hier goede mogelijkheden om vraag en aanbod effectief bij elkaar te brengen en te houden. Om de afstemming tussen de verschillende partijen te bevorderen is voorts gestart met de voorbereiding van de inrichting van het Platform arbeidsomstandig-heden. Dit zal zich de komende jaren moeten bewijzen.

De komende jaren zal ik mijn beleid ten aanzien van de tweedelijnskennisinfrastructuur arbeidsomstandigheden continueren conform de lijnen en uitgangspunten van deze brief. Over twee jaar informeer ik uw Kamer wederom over de voortgang van alle initiatieven.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken

en Werkgelegenheid,

J.F. Hoogervorst

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie