Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

CDA-voorstel Structuur Uitvoering Werk en Inkomen (SUWI)

Datum nieuwsfeit: 22-12-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
CDA

CDA-voorstel Structuur Uitvoering Werk en Inkomen (SUWI)

VOORWOORD

In deze notitie schetst de CDA-Tweede Kamerfractie haar visie op de vormgeving van de structuur voor de uitvoering van werk en inkomen, de zogenaamde SUWI-discussie. Deze discussie is in een impasse gekomen door het conflict tussen het kabinet en de sociale partners. Vanuit eigen uitgangspunten en gedachtengoed komt de CDA-fractie in deze notitie tot een voorstel dat mogelijk een uitweg kan bieden uit dit conflict.

Dat is echter niet het voornaamste doel van deze notitie. Voorop staat de wens dat een werknemer die, door ziekte of werkloosheid, niet meer aan het arbeidsproces kan deelnemen voortvarend en zorgvuldig weer aan de slag wordt geholpen. In de visie van het CDA is voor het slagen daarvan de medeverantwoordelijkheid van direct-betrokkenen: werknemer en werkgever, van groot belag. Naast het reïntegratie-aspect vormt dat het tweede criterium van ons model.
Een derde criterium zoals het kabinet zich dat ook in de SUWI-operatie ten doel heeft gesteld vormt de eenvoud en de klantvriendelijkheid van het model voor de werknemer.

Naast deze criteria heeft het CDA in alle debatten over de uitvoering van werk en inkomen zich altijd op het standpunt gesteld dat de structuur de inhoud moet volgen.
Dit betekent dan ook dat er een onderscheid wordt gemaakt tussen voorzieningen (ABW) en verzekeringen (WAO en WW).

In de betrokken samenleving die de christen-democratie zich ten doel stelt speelt het begrip verantwoordelijkheid een centrale rol. Vanuit die visie levert het CDA haar eigen bijdrage aan deze discussie. Verantwoordelijkheid, niet als doel op zich, maar als middel tot een beter resultaat.

Den Haag, 22 december 1999

Gerda Verburg,
Woordvoerder Arbeidsmarktbeleid CDA Tweede-Kamerfractie.

I. VOORGESCHIEDENIS

Het huidige conflict van het kabinet met sociale partners concentreert zich op de betrokkenheid en verantwoordelijkheid van sociale partners voor de werknemersverzekeringen. Toegespitst op de WAO volgt een korte beschrijving van de ontwikkelingen in uitvoering en inhoud in de laatste jaren, zodat er lijnen getrokken kunnen worden naar het heden.

WAO
Zolang als de WAO bestaat is er discussie over het volume (het aantal uitkeringsgerechtigden). Vanaf 1967 is het aantal WAO-ers gestaag gestegen, hoewel er enkele dips waren. In de jaren tachtig was er een kleine dip in de groei, vanwege de nieuwe VUT regelingen en de verlaging van de uitkeringen tot 70%. In de jaren negentig was er stagnatie in de groei vanwege de ingrepen in hoogte en duur. De overheid voelde zich steeds genoodzaakt in te grijpen in zowel de polisvoorwaarden (de inhoud) van de WAO als in de wijze van uitvoering. Maar ook nu stijgt het aantal WAO-ers weer. De ingrepen hebben geen duurzaam effect op de instroom in de WAO gehad.

Uitvoering WAO
Tot voor kort werd de WAO uitgevoerd door bedrijfsverenigingen en gefinancierd uit werknemerspremies. Begin jaren negentig kwam de commissie Buurmeijer tot de conclusie dat er te weinig nadruk op preventie en reïntegratie lag bij de uitvoering van de WAO. In de OSV 95 (Organisatiewet Sociale Verzekeringen 1995) werd gevolg gegeven aan een van de aanbevelingen van de commissie Buurmeijer door de bestuurlijke relatie tussen bedrijfsverenigingen en uitvoering te vervangen door een contractuele relatie (opdrachtgever opdrachtnemer). Door fusies ontstonden nieuwe uitvoeringsinstellingen (uvis). Een van de doelstellingen was dat door concurrentie op termijn tussen de uitvoeringsinstellingen de uitvoering doelmatiger en efficiënter zou worden. Tevens werd in de OSV 95 het onafhankelijk toezicht geregeld (door het Ctsv). De bedrijfsverenigingen gingen contracten aan die liepen tot 1 januari 2000.

Onder het eerste kabinet Kok werd de OSV 95 snel vervangen door de OSV 97. Daarin werden de bedrijfsverenigingen opgeheven en werd het opdrachtgeverschap overgenomen door een orgaan: het Lisv onder voorzitterschap van Buurmeijer. Het Lisv moest toezien op kostenontwikkeling van de uitvoering en voorbereidingen treffen voor een open markt van uitvoeringsinstellingen. De huidige situatie in de uitvoering werknemersverzekeringen is dus een overgangsfase. De huidige private uvis (private ZBOs) voeren de claimbeoordeling, premie-inning en uitkeringsverzorging uit.
Met de OSV 97 is de decentrale, sectorale verantwoordelijkheid van sociale partners voor de uitvoering van de werknemersverzekeringen vervangen door en beperkt tot een bestuurlijke
medeverantwoordelijkheid op centraal niveau.

Inhoud ZW en WAO
Het eerste kabinet Kok heeft het nodige gewijzigd in de inhoud van de ZW en WAO. Het derde kabinet Lubbers had al het financiële risico voor de eerste zes weken ziekte bij de werkgever neergelegd. Voor kleine bedrijven gold een periode van twee weken. Tevens kregen werkgevers de verplichting zich aan te sluiten bij een private Arbodienst voor verzuimbeleid en arbeidsomstandighedenbeleid. Nog voordat deze wijzigingen goed geëvalueerd waren, voerde het eerste kabinet Kok de WULBZ in. De Ziektewet werd geprivatiseerd: werkgevers werden gedurende het eerste ziektejaar volledig financieel verantwoordelijk voor de loondoorbetaling. Veel werkgevers hebben dit risico herverzekerd bij een commerciële verzekeraar.

Verder werd door het eerste kabinet Kok de WAO gewijzigd (PEMBA). De premie werd een werkgeverspremie. Verder is de WAO-premie gedifferentieerd afhankelijk van hoeveel werknemers er vanuit een onderneming de WAO instromen.
De mogelijkheid van opting-out werd geïntroduceerd: Werkgevers kunnen gedurende de eerste vijf jaar van de WAO-uitkering van een (ex-) werknemer de uitkeringen zelf financieren. Van dit laatste lijken steeds meer werkgevers gebruik te maken o.a. via herverzekering bij commerciële verzekeraars. De financiele prikkels zijn voor het risico van ziekte en arbeidsongeschiktheid op het niveau van het individuele bedrijf gelegd, een jaar ziekte en vijf jaar WAO. Niet is naar een antwoord gezocht op de vraag naar de mate waarin werkgevers het risico kunnen en willen beinvloeden en of er voldoende wederzijdse verplichtingen bestaan die werkgever en werknemer stimuleren instroom in de WAO te voorkomen.

Tweede kabinet Kok
In het regeerakkoord van het eerste kabinet Kok was een herbezinning aangekondigd op het stelsel van sociale zekerheid. Dit was noodzakelijk vanwege de noodzaak de OSV te herzien en ook vanwege de wijzigingen die voorzien waren in de inhoud van de werknemersverzekeringen. Deze discussie heeft nooit plaatsgevonden. Wel is in het voorjaar 1998 een adviesaanvraag over de uitvoering sociale verzekeringen naar de SER gestuurd met het oog op een nieuw regeeraccoord. In het regeeraccoord is uiteindelijk op een belangrijk punt het SER-advies niet gevolgd. De claimbeoordeling zou in de visie van de SER uitgevoerd moeten blijven door de uitvoeringsinstellingen (in een juridisch afgezonderd deel), beheerst door publieke regelgeving, zodat integrale gevalsbehandeling gewaarborgd zou zijn. Het kabinet stelde voor de claimbeoordeling bij de CWIs onder te brengen. In het Kamerdebat in juni 1999 was een van de belangrijkste kritiekpunten dan ook dat er een knip in de gevalsbehandeling zou optreden.
Vervolgens hebben de bewindspersonen in hun voorstel van november 1999 gekozen voor een nationalisatie van de private uitvoering. De huidige private uitvoering zou vervangen worden door uitvoering door een overheidsorgaan.

Resumerend
In het overzicht van de ontwikkelingen in de uitvoering en inhoud van de werknemersverzekeringen vallen een aantal zaken op:

Het financiële risico voor het eerste ziektejaar en de eerste vijf jaar van de WAO is bij de individuele werkgever neergelegd. De werkgever kan dit evt. herverzekeren bij een commerciële verzekeraar.

In de uitvoering van de werknemersverzekeringen is de verantwoordelijkheid van sociale partners langzamerhand teruggedrongen.

Hoewel vanaf begin jaren negentig is toegewerkt naar een open markt van uitvoeringsinstellingen voor de werknemersverzekeringen stelt het kabinet nu voor de uvis te nationaliseren.

De ingrepen in de WAO werken niet. Het aantal WAO-ers stijgt opnieuw en er komen werknemers in de WAO bij wie herstel mogelijk is.

II. KABINETSVOORSTEL

De Centra voor Werk en Inkomen (CWI's)
De Centra voor Werk en Inkomen, die centraal worden aangestuurd door het LIWI (zie hierna), fungeren als aanbieder van de publieke diensten voor arbeidsbemiddeling. Het CWI verzorgt daarnaast de administratieve en kwalificerende 'intake' van werkzoekenden, waarbij de afstand tot de arbeidsmarkt (fase-indeling) wordt bepaald, een reïntegratie-advies voor de cliënt wordt opgesteld en de gegevens worden verzameld die nodig zijn voor de aanvraag van een uitkering.
De cliënten worden na de 'intake' met een reïntegratie-advies overgedragen aan het UWV (WAO en WW) of de gemeente (ABW). Uit een oogpunt van optimale dienstverlening aan de klant en een effectieve en efficiënte bedrijfsvoering is het wenselijk dat CWI's, gemeenten en UWV zo goed mogelijk met elkaar samenwerken en hun werkprocessen op elkaar afstemmen.
Dat voorkomt het risico van dubbel werk en onzorgvuldige overdracht tussen organisaties. Dit kan het best gerealiseerd worden door gemeenschappelijke huisvesting in een bedrijfsverzamelgebouw. Ook private organisaties die op dit terrein actief zijn, zoals uitzendbureaus en reïntegratiebedrijven/arbodiensten kunnen zich hier vestigen. Het LIWI krijgt tot taak om met het UWV en de betrokken gemeente(s) te overleggen over de totstandkoming van bedrijfsverzamelgebouwen.
Iemand die een aanvraag voor een WAO-uitkering doet, gaat dus eerst naar het CWI, vervolgens naar de UWV. Voor de reintegratie moet hij bij het reintegratiebedrijf van de werkgever zijn. Onduidelijk is nog hoe vaak een verzekerde het CWI of de UWV moet bezoeken voor de uitkeringsaanvraag rond is.

Landelijk Instituut voor Werk en Inkomen (LIWI) Het LIWI zal worden vormgegeven als een zelfstandig bestuursorgaan (ZBO). Dit orgaan krijgt bij wet een aantal taken toegekend. Primair is het LIWI verantwoordelijk voor de landelijke, professionele aansturing van de Centra voor Werk en Inkomen (CWI's). De aansturing van de CWI's is een taak van de hoofddirectie van het LIWI. Daarnaast is het LIWI verantwoordelijk voor de uitvoering van "overige wettelijke taken", zoals ontslagtaken, Wet Arbeid Vreemdelingen en de wet SAMEN, die nu nog door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie worden uitgevoerd. Arbeidsvoorziening was een tripartiet bestuurd orgaan, het LIWI wordt eigenlijk een overheidsorgaan dat direct door de overheid wordt aangestuurd.

Het Uitvoeringsorgaan Werknemersverzekeringen (UWV) Het UWV verzorgt de uitvoering van de werknemersverzekeringen, dat wil zeggen de premie-inning, de claimbeoordeling en de uitkeringsverzorging. Daarnaast wordt het UWV verantwoordelijk voor de reïntegratie van al degenen die geen eigen werkgever (meer) hebben. De feitelijke reïntegratie wordt uitbesteed aan private reïntegratiebedrijven.
Het zal het UWV worden toegestaan om, rekening houdend met het kader "Markt en Overheid", ook bovenwettelijke uitkeringen te verzorgen en bovenwettelijke premies te innen. Dit kan mits sociale partners daarom verzoeken en de regelingen een semi-collectief karakter hebben en aansluiten op de wettelijke regelingen. Daarmee concurreert het UWV met o.a. commerciele verzekeraars.
Het UWV wordt een publieke ZBO.

Resumerend

Het kabinet maakt van loongerelateerde verzekeringen een publieke taak. Daarmee wordt het angel-saskische model in toenemende mate in Nederland geintroduceerd. We zien aan de ene kant dat het financiële risico op het niveau van het individuele bedrijf neergelegd worden, die vervolgens weer herverzekerd worden bij een commerciële verzekeraar, en aan de andere kant een nationalisering van de uitvoering van de werknemersverzekeringen op de leest van de Bijstandsvoorziening.

Ook zien we dat dit nieuwe overheidsorgaan tevens bovenwettelijke aanvullingen mag uitvoeren. Hiermee wordt deze staats-uvi een concurrent van commerciële verzekeraars.

Dit paarse model heeft de structuur en
verantwoordelijkheidsverdeling van het enge staat - markt schema en is het afscheid van de inkomenswaarborg/ verzekerings-model van sociale partners naar het Rijnlandse model.

Verder is het duidelijk dat er geen oplossing geboden wordt voor de zorgwekkende ontwikkelingen in de WAO. Een fundamentele analyse van de verantwoordelijkheids-verdeling is er namelijk niet gemaakt. Het blijft een dogmatische benadering van enerzijds publieke taken en anderzijds private taken.

III PROBLEEMSTELLING

CWIs.
Arbeid en inkomen moeten dichterbij elkaar gebracht worden. Hiertoe zou het traject van samenwerking tussen werk en inkomen (SWI) vanaf de basis moeten worden vormgegeven. Daarnaast moest het werk van de commissie Buurmeyer worden afgerond door meer marktwerking in de sociale zekerheid te bevorderen, oa door meer uvis toe te laten. Dit was een van de kerndoelstellingen van het regeeraccoord van het kabinet Kok 1.
Maar waar het traject van Samenwerking werk en inkomen, (SWI) reeds in 1995 full swing van start ging, lag de advies- aanvraag voor het meer marktwerking in de sociale zekerheid pas in april 1998 bij de SER.

De praktijk laat nu zien dat reeds van onderop - ontstane samenwerkende instanties zich aan terugtrekken zijn. Waar nu sprake is van inrichting en vormgeving van werkprocessen op basis van wederzijdse verantwoordelijkheid van samenwerkende instanties, valt bij centrale aansturing die samenwerking weg. Dit bemoeilijkt eveneens de mogelijkheid om te komen tot een bedrijfsverzamelgebouw waarin instanties samenwerken op een wijze die past bij de eigen omgeving. (in den Haag kan een andere opzet de voorkeur hebben dan in Heerhugowaard). Het SWI proces is nog lang niet uitgekristalliseerd en nu reeds trekt het kabinet het project weer over de kop. Tevens is een probleem dat de CWIs zich niet in elke gemeente bevindt.

Werknemersverzekeringen
Het doel van de werknemersverzekeringen is het risico van werkloosheid en ziekte zo goed mogelijk op te vangen. Dat betekent twee dingen: gederfd inkomen moet worden vervangen door een uitkering en de werkloosheid- resp. ziekteperiode moet worden geminimaliseerd. Voorop staat tenslotte dat de reïntegratie zo vroeg en voortvarend mogelijk moet zijn. Wanneer aan beide zaken wordt voldaan, is dit de beste waarborg voor een vervangend inkomen. Toch leert de recente geschiedenis dat een veronachtzaming van het volume uiteindelijk ingrijpen in hoogte en duur van de uitkering noodzakelijk maakt. Financiële prikkels sporen echter niet met de
verantwoordelijkheidsverdeling en blijken ook niet te hebben gewerkt.

Verzekerde aanspraak
De aard van het risico is niet alleen het beroepsrisico. Alle ziekte-oorzaken vallen onder de WAO- aanspraak, zodat er sprake is van een 24-uursdekking.
Op die manier wordt de werkgever geacht mee te betalen voor gevolgen die buiten de invloedsfeer van het werk liggen. Daarom was de (oude) premie-verdeling tussen de werkgever en de werknemer van ieder de helft zo gek nog niet. Met de maatregelen van het kabinet Kok is dat spoor verlaten.

Eigen risico en draagkracht
De werkgever heeft een eigen risico in het eerste jaar ter grootte van 70% van het laatst verdiende loon. De eerste vijf jaar van de WAO loopt dit eigen risico door.
De risico verdeling tussen de werkgever en de werknemersverzekering roept bij de kleine bedrijven vragen op. De ene wao-er op 5 medewerkers maakt wel verschil met een bedrijf van 25 medewerkers. Willen werkgever en werknemer optimaal gezamenlijk verantwoordelijkheid kunnen dragen voor de reïntegratie, dan vraagt dat om een redelijke en billelijke verdeling van risico en kosten. Een verantwoordelijke samenleving kenmerkt zich naast het leggen en dragen van verantwoordelijkheid waar het beste kan worden gedragen, door het herstel van de band tussen betalen, beslissen en genieten. Afwentelen van de verantwoordelijkheid op de collectiviteit wordt hiermee onverantwoordelijk gedrag. Nog steeds krijgen meer dan een miljoen mensen een uitkering wegens werkloosheid of arbeidsongeschiktheid. De volgende omstandigheden dragen hiertoe bij:
a. In het ziekte-traject geldt wel een formeel kader van toezicht door de Uvi op het ziekteverloop in de eerste 52 weken, maar een actieve herstelperiode ontbreekt;

b. Ondernemingen kunnen bij reorganisaties de wettelijke verplichting van een Sociaal plan via Arbvo ontwijken door een conflict te simuleren en ontslag via de rechter te regelen. De WW betaalt de afvloeiing en het bedrijf raakt op een goedkope manier van zijn oude, minder productieve werknemers af.

IV CDA VOORSTEL

Gespreide verantwoordelijkheid.
Uitgangspunt voor de inhoud en de uitvoering van het ziekte- en werkloosheidsrisico is de gespreide verantwoordelijkheid. Het CDA ziet als hoofdlijn in de verantwoordelijkheidsverdeling:
a. werknemersverzekeringen en reïntegratie: sociale partners
b. sociale werkvoorziening, WIW, bijstand en basisdienstverlening: overheid

Voor de lastenverdeling van de werknemersverzekeringen volgt het CDA de verantwoordelijkheidsverdeling van het Nederlandse pensioenmodel, eerder het cappuccinomodel genoemd. Het opdrachtgeverschap van de werknemers-verzekeringen met bijbehorende herstelperiode voor de uitvoering ligt bij de sociale partners. De overheid ondersteunt de taken van de sociale partners door een wettelijk kader. Dit wettelijk kader maakt het mogelijk dat alle werknemers zonder selectie verzekerd zijn. Verder kunnen binnen een wettelijk kader te grote verschillen in beroepsrisico worden vereffend.
Op lokaal- en regionaal niveau komen de sociale voorzieningen bijeen; Bijstand, Wet Sociale Werkvoorziening, WIW en de Centra voor Werk en Inkomen .

CWI
Het vormen van een CWI is voor het CDA geen doel op zich. De cliënt, of dat nu de opdrachtgever of de werkzoekende is, staat centraal. Datzelfde geldt voor het bevorderen van een bedrijfsverzamelgebouw. Het is een middel.
Doel van de arbeidsvoorziening is vraag en aanbod op de arbeidsmarkt soepel en duurzaam bij elkaar te brengen.
De werknemersverzekeringen blijven in de voorstellen van het CDA hun verzekeringskarakter behouden. De uitvoering van de werknemersverzekering gaat derhalve niet over in het stelsel Centra voor Werk en Inkomen voor de sociale voorzieningen als de Bijstand. Voor wat betreft de Bijstand gaat het CDA wel accoord met het voorstel van het kabinet.

LIWI en Raad voor het arbeidsmarktbeleid
Het LIWI is in de voorstellen van het kabinet een nieuw overheidsorgaan. Deze ZBO wordt verantwoordelijk voor de basisdienstverlening en de uitvoering van de overige wettelijke taken, zoals de Wet arbeid vreemdelingen, de ESF-projecten, de Wet SAMEN en de ontslagvergunningen.
De arbeidsvoorziening (CBA), zoals dat nu bestaat, is een private ZBO, waarvan de sociale partners in het bestuur zitten. Dat wordt opgeheven. Het kabinet wil wel een Raad voor het arbeidsmarktbeleid in het leven roepen, waarin sociale partners en gemeenten zijn vertegenwoordigd. Het CDA ziet meer in het vormgeven van een LIWI waarin ook sociale partners en gemeenten participeren. In dit LIWI vindt advisering plaats over het te voeren arbeidsmarktbeleid. De middelen-coördinatie maakt hiervan deel uit, evenals de overige wettelijke taken, die worden overgenomen door het Arbvo.

Arbeidsmarktbeleid heeft zowel een regionaal als een sectoraal gezicht. Het CDA vindt het van cruciaal belang dat zowel regionaal als sectoraal advisering wordt verstrekt. Hiervoor zijn sterk geëquipeerde sectorraden en regionale platforms nodig die zich in het bijzonder richten op het ontwikkelen van arbeidsmarktbeleid op de middelange en langere termijn. In combinatie met een actief- en effectief scholingsinstrumentarium, zal dit moeten leiden tot het wegwerken van een tekort aan werknemers waar dat bestaat en voorkomen dat op termijn nieuwe tekorten ontstaan of groeien. Deze regio- en sectorraden hebben ook een belangrijke rol in de advisering van het LIWI.

Arbodiensten/reïntegratiebedrijven.
De werkgevers en werknemers moeten volgens het CDA (bipartiet) opdrachtgever zijn van arbodiensten/reïntegratiebedrijven voor preventie en reïntegratie van zieke en arbeidsgehandicapte werknemers. Het opdrachtgeverschap ligt op hetzelfde niveau als waarop de premies worden verevend.
De werkgever blijft maximaal 2 jaar (eerste ziektejaren) verantwoordelijk voor reïntegratie van de zieke/arbeidsgehandicapte werknemer. Bedrijven kunnen ook besluiten - in cao-verband of anderszins - collectieve contracten af te sluiten met arbodiensten/reïntegratiebedrijven.

Voor werknemers die werkloos worden, is de opdrachtnemer van het bedrijf(stak) de instantie waar zij terecht kunnen voor bemiddeling en de aanvraag van een uitkering.
Zieke werknemers hebben in de eerste plaats te maken met de eigen werkgever als het gaat om begeleiding en reïntegratie. Bij het CWI vindt voor werkzoekende zonder een ww-uitkering de 'intake' plaats die bestaat uit een bepaling van de afstand tot de arbeidsmarkt (fase-indeling), het opstellen van een reïntegratie-advies voor de cliënt en het verzamelen van gegevens die nodig zijn voor het recht op een bijstandsuitkering. Deze gegevens worden doorgestuurd naar de gemeente. Cliënten die direct bemiddelbaar zijn -fase 1 - worden door het CWI ondersteund bij het zoeken naar werk. Cliënten in fase 2, 3 of 4 worden verwezen naar de gemeente (bijstandsgerechtigden, niet-uitkeringsgerechtigden) voor een reïntegratietraject. In het kader van de sluitende aanpak worden de gemeenten verplicht om aan iedereen die in fase 2, 3 of 4 wordt ingedeeld een reïntegratietraject aan te bieden. De cliënt zelf speelt bij de reïntegratie de hoofdrol. Hij of zij heeft recht op een adequate begeleiding door het reïntegratiebedrijf dat wordt ingeschakeld en de plicht om aan reïntegratie mee te werken. In een reïntegratietrajectplan worden de rechten en plichten van de cliënt en het reïntegratiebedrijf duidelijk vastgelegd.

Werknemersverzekeringen
Het CDA wil de bepaling van de premies in dezelfde context plaatsen als de loonvorming. In de benadering van het CDA past dat de voordelen die worden behaald bij volumebeheersing worden teruggegeven aan degenen die het voordeel hebben bewerkstelligd. Belangrijk is dat de resultaten van het volumebeleid onderdeel blijven van het loonbeleid. Hoe lager de premies, hoe meer ruimte in het bruto-netto traject en gelegenheid om bij gematigde loonontwikkeling toch met het beschikbare inkomen er goed uit te springen. Zo is het ook mogelijk dat sociale partners een deel van de ruimte besteden aan het herstel van de WAO-uitkering tot 70% van het laatstverdiende loon. De sociale partners dragen het risico voor werkloosheid en ziekte gedurende de periode waarin de werknemers nog een band met het bedrijf verondersteld worden te hebben. De risicos (eigen risico werkgever) gedurende die periode kunnen privaat worden verzekerd tegen een gedifferentieerde premie.

Toegelaten pensioenfondsen en verzekeraars
De uitvoerders van de WW en WAO zijn wat het CDA betreft private instellingen en geen publieke UWV, zoals het kabinet voorstelt. De uitvoering en claimbeoordeling vinden plaats onder publieke regelgeving en onafhankelijk toezicht. De onafhankelijkheid van de claimbeoordeling wordt bepaald door de regelgeving en niet door de aard van de organisatie. Binnen een wettelijk kader vindt het toezicht op deze taak plaats door het CTSV.
Bedrijven die een geëigende administratieve organisatie hebben kunnen als toegelaten instelling dingen naar de contracten van de opdrachtgever. Het CDA denkt daarbij in het bijzonder aan de pensioenfondsen. Daarmee zijn namelijk drie doelen gediend: de medeverantwoordelijkheid van sociale partners - die in de besturen van de pensioenfondsen zitten -, de eenvoud voor de werknemer en het gebruik maken van reeds bestaande administratieve ervaring. Het verschijnsel van uitvoering van wettelijke regelingen door private verzekeraars, onder regie van de overheid, is ook niet nieuw. De ziekenfondsen en particuliere ziekte-kostenverzekeraars voeren op dezelfde wijze de AWBZ en de Ziekenfondswet uit. Dit voorstel sluit ook aan op het concept van de maatschappelijke onderneming dat het CDA op tal van terreinen aan het uitwerken is. Een maatschappelijke onderneming is een private organisatie die werkt ten gunste van een maatschappelijk doel. De rechtsvorm is die van een vereniging of stichting. Gerealiseerde winst wordt aangewend ten gunste van het maatschappelijk doel en niet uitgekeerd aan aandeelhouders. Kortom, een maatschappelijke onderneming heeft geen share-, maar stakeholders.

De gedwongen winkelnering in de uitvoering van de werknemersverzekeringen wordt wat het CDA betreft afgeschaft. Private uitvoerders worden onderworpen aan een erkenningsregeling, waarin kwaliteitseisen zullen worden gesteld aan de herstelplannen en aan de uitkeringsverzorging. Tevens is er sprake van een concessie voor een bepaalde tijd.
Cruciaal is dat de herstelplannen onderdeel gaan uitmaken van de arbeidsovereenkomst en de reïntegratieplannen tijdens de ziekte-periode in de vorm van een contract worden afgesloten. Dit is niet hetzelfde als het huidige reïntegratieplan. Dat is slechts een voorschrift in de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering. Wat het CDA wil is een aanvulling op de arbeidsovereenkomst (dus regelen via het Burgerlijk Wetboek). Rechten en plichten van werkgever en werknemer liggen in deze aanvulling op de arbeidsovereenkomst vast en krijgen zo een doorwerking in het herstelplan. Pas als alles geprobeerd is en geen herstel en terugkeer naar betaald werk mogelijk zijn, komt de WAO in zicht.
De periode van de loondoorbetalingverplichting voor de werkgever tot 70% wordt verlengd tot twee jaar. Echter alleen het eerste halfjaar ziekte is er een volledig risico voor de werkgever. Van een half jaar ziekte tot twee jaar wordt het risico gedempt door sectorale risicoverevening d.m.v. invoering van een wettelijke basisuitkering (ziekengeld) van 70% van het minimumloon (aan de werkgever).

Het is van belang dat de uitvoering van de verzekering en de reïntegratie per cliënt zolang mogelijk in één hand blijft. Per cliënt moet er een case manager zijn . Deze is op de hoogte van de achtergronden en de (on)mogelijkheden van de werkloze/zieke. Van groot belang is voorts dat het Herstelplan de vorm krijgt van een contract dat wederzijds de rechten en plichten bevat. Het niet nakomen van het contract kan tot sancties leiden. De case-manager moet hiertoe over de benodigde beleidsvrijheid beschikken, al zal hij zijn beslissing altijd intercollegiaal toetsen. Daarom moeten uitkeringsverstrekking en reïntegratie in één hand liggen. Bij verzaking door de case manager moet de cliënt de mogelijkheid hebben zich bij een ander reïntegratiebedrijf te melden.

Claimbeoordeling
De claimbeoordeling kan in geval van ziekte worden uitgevoerd door de toegelaten uitvoerder van de wettelijke verzekering. Het gevaar bestaat dat in geval de uitvoering is geprivatiseerd de verzekeraar zal gaan concurreren op de hoogte van de toetredingsdrempel. Dit gevaar kan worden voorkomen indien het opdrachtgeverschap voor de herstelfase wordt gelegd op het niveau van de onderneming resp. de CAO en tevens het niveau waarop de premies worden verevend (gedifferentieerd) zo dicht mogelijk ligt bij het niveau van het opdrachtgeverschap. De herstel-inspanningen zullen dan zodanig zijn dat de claimbeoordeling voor de toegang tot de WAO alleen die langdurig zieke werknemers waarbij reïntegratie op korte termijn niet mogelijk lijkt. De beoordeling wordt bij de uitvoerder gelegd. Het is te verwachten dat in een dergelijk systeem het aantal werknemers dat de wettelijke verzekering bereikt (na twee jaar ziekte) beperkt zal zijn. De keuring moet serieus worden genomen, waarbij intercollegiale toetsing normaal is. Bovendien zullen uitvoerders in dezen behoedzaam opereren, want voor hen dreigt het gevaar van reputatieverlies, met als gevolg het missen van vervolgcontracten.

De claimbeoordeling in geval van werkloosheid dient te worden aangescherpt.
Het komt nog steeds voor dat de WW wordt gebruikt als alternatieve afvloeiingsroute, als afwenteling van reorganisatiekosten op de gemeenschap.

Ook Arbo-diensten vervullen hun functie niet altijd naar behoren, omdat na 13 weken reeds de uvi moet worden ingeschakeld en vervolgens de route richting WAO wordt ingezet. Werkgevers hebben weinig belang bij een goed Arbo-contract. De systeemovergang verziekt de reïntegratie.
Dus verdient het aanbeveling de eigen risicoperiode bij ziekte te verlengen tot minstens twee jaar. Voor het verzekeren van de risicos gedurende deze twee jaar zijn geen uvis of iets dergelijks nodig, dat kan worden overgelaten aan de particuliere markt van Arbo-diensten en (geprivatiseerde) reïntegratiebedrijven.

Opdrachtgeverschap
Het CDA stelt een bipartiet opdrachtgeverschap voor van werkgever en werknemer samen. Dit vindt plaats op het niveau van de sector, danwel de CAO. Voor bedrijven met meer dan 100 werknemers is een eigen opdrachtgeverschap mogelijk. Ook de contracten met arbodiensten komen onder bipartiet opdrachtgeverschap.
Ook wanneer de uitvoering en de claimbeoordeling zijn ondergebracht bij pensioenfondsen moet directe invloed van werkgever en werknemer op de reïntegratie mogelijk blijven. Dit betekent dat aanbesteding voor reïntegratie op meerdere wijzen kan plaatsvinden.

Informatie
Het beschikbaar zijn van informatie moet dienstig zijn aan de mogelijkheden van een goed toezicht. Het toezicht moet qua intensiteit variëren met het publieke karakter van de uitgevoerde taak. Het zal bijvoorbeeld in de eigen risicoperiode minder straf behoeven te zijn als in de periode daarna, wanneer de wettelijke verzekeringen actueel zijn. Het CDA vindt dat het cliënt volg en communicatiestelsel (CVCS) voor alle spelers op het reïntegratie- en sociale-zekerheidsveld de automatiseringsstandaard moet vormen. Dit is ook een noodzakelijke voorwaarde wil er sprake zijn van eerlijke concurrentie. Dossieroverdracht vormt anders een onneembare barrière.

Klantvriendelijkheid voor werknemers
De cliënt wordt serieus genomen. Allereerst wordt voorkomen dat hij of zij te snel in de WW of de WAO terechtkomt. Daarna wordt de volle medewerking gevraagd in de herstelfase. Dit zal een proces van wederzijdse rechten en plichten moeten zijn. Het herstelplan is een aanvullend contract op de arbeidsovereenkomst tussen de werkgever en werknemer, waarin de wederzijdse rechten en plichten worden vastgelegd. Bij niet nakoming kan de cliënt in beroep gaan en eventueel een persoonsgebonden budget bedingen waarmee hij de boer op kan gaan om zich elders te laten bemiddelen. Bij niet nakoming door de cliënt zal overgang naar de ABW het gevolg zijn.


BIJLAGE Deel uit WAO Herstelplan van het CDA- maart 1999

Perspectief op herstel - concrete voorstellen


2.1 Herstelplan langdurig zieken
Activiteiten ten behoeve van herstel en terugkeer van langdurig zieken dienen zo snel mogelijk plaats te vinden. De nadruk ligt daarbij op het herstelplan dat werkgever en werknemer samen in overleg maken en uitvoeren met de Arbo-dienst. Dit is niet hetzelfde als het huidige reïntegratieplan. Dat is slechts een voorschrift in de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering. Wat wij willen is een aanvulling op de arbeidsovereenkomst (dus regelen via het Burgerlijk Wetboek). Rechten en plichten van werkgever en werknemer liggen in deze aanvulling op de arbeidsovereenkomst vast en krijgen zo een doorwerking in het herstelplan. Pas als alles geprobeerd is en geen herstel en terugkeer naar betaald werk mogelijk zijn, komt de WAO in zicht.

Wat kan er allemaal in een herstelplan staan: scholing, aanpassing werkplek of functie, bemiddeling naar ander werk (extern of intern) en extra kosten behandelingen. Ook kan men gedurende de herstelperiode andere deskundigen inschakelen, bijvoorbeeld arbeidsmarktdeskundigen. De kosten van het herstelplan kan de werkgever declareren. De aanpak van het herstelplan binnen het verzuimbeleid kan bij CAO-onderhandelingen aan de orde komen.

De Arbo-dienst wordt nu ingeschakeld en betaald door de werkgever. Op de werkgever rust de plicht mee te werken aan de activiteiten gericht op herstel van de werknemer die door de Arbo-dienst ondernomen worden. Voor de werknemer zijn de activiteiten in het herstelplan werkzaamheden als uitvloeisel van de arbeidsovereenkomst. De Arbo-dienst werkt in de arbeidsorganisaties en hier moet dus de deskundigheid terechtkomen voor het herstel.

Bij de certificering van Arbo-diensten moeten ook eisen voor dit totaalpakket gesteld worden.


2.2 Financiële verantwoordelijkheid werkgever in langere herstelperiode
Op dit moment heeft de werkgever de verplichting om het loon door te betalen tot 70% gedurende het eerste ziektejaar. Dit is voor het midden- en kleinbedrijf een lange periode. Gekoppeld met de PEMBA-differentiatie van vijf jaar is het gehele risico in totaliteit te hoog. Hierbij speelt wel een rol dat werknemers er belang bij hebben niet te snel een WAO-etiket opgeplakt te krijgen.

Dit brengt ons tot het volgende voorstel. Eerst tijdens de verzuimperiode alles doen voor herstel binnen de arbeidsovereenkomst, dan pas komt de WAO in zicht voor wie geen herstel mogelijk is.

De periode van de loondoorbetalingverplichting voor de werkgever tot 70% wordt verlengd tot twee jaar. Echter alleen het eerste halfjaar ziekte is er een volledig risico voor de werkgever. Van een half jaar ziekte tot twee jaar wordt het risico gedempt door sectorale risicoverevening d.m.v. invoering van een wettelijke basisuitkering (ziekengeld) van 70% van het minimumloon (aan de werkgever).


2.3. Betrokkenheid werkgevers en werknemers De kansen om in de WAO terecht te komen zijn per sector verschillend. Dit betekent dat algemene maatregelen niet voldoende zijn. Wij constateren dat preventie, reïntegratie en arbeidsomstandigheden aan steeds meer onderhandelingstafels een rol spelen. Per sector of arbeidsorganisatie zijn gerichte maatregelen nodig. Dit kan bij CAO of via sectorraden opgepakt worden. Binnen de arbeidsorganisatie zal het nieuwe instrument van het herstelplan onderdeel zijn van het verzuimbeleid. Werkdruk, leefdruk en arbeidsomstandigheden zijn belangrijke factoren bij de kans op langdurige arbeidsongeschiktheid. Als dit decentrale instrument van het herstelplan succesvol is, komt een herstel van de WAO als inkomensverzekering met een uitkering van 70% van het laatstverdiende loon weer in beeld.

In lijn met het cappuccinomodel zijn werkgevers- en werknemersorganisaties in het vervolgtraject na twee jaar ziekteverzuim medeverantwoordelijkheid blijven houden voor de uitvoering van de arbeidsongeschiktheidsregelingen. Daardoor komen de CWI's niet in aanmerking voor de uitvoering van de werknemersverzekeringen.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie