Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Tweede Kamer: maatregelen in de Wtz

Datum nieuwsfeit: 22-12-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal


26800xvi.065 brief min vws over maatregelen in de wtz
Gemaakt: 29-12-1999 tijd: 13:58


7


26800 XVI

Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) voor het jaar 2000

nr. 65 Brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

De Voorzitter van de Tweede Kamer

der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 22 december 1999

In mijn brief van 3 februari 1999 (26200-XVI, nr. 53) heb ik u geïnformeerd dat het kabinet in de loop van dit jaar nader zou bezien of de doelsteIlingen van het regeerakkoord met betrekking tot de maatregelen in de Wtz op andere wijze zouden kunnen worden gerealiseerd. Met deze brief informeer ik u omtrent de resultaten van dit onderzoek.


1. Inleiding

In het Regeerakkoord 1998 is over de Wtz het volgende opgenomen:

«Doordat het tekort in de Wtz volledig wordt omgeslagen over alle particulier verzekerden jonger dan 65 jaar lopen de ziektekostenverzekeraars bij deze verzekering thans geen enkel risico, zodat er ook geen prikkel is tot kostenbeheersing. Om deze situatie te beëindigen worden twee maatregelen genomen:

? Sluiting van de Wtz voor nieuwe 65-jarigen. Voor deze categorie zal een nieuwe Zfw-inkomensgrens voor bejaarden worden vastgesteld, die materieel overeenkomt met de loongrens voor werknemers;

? De omslagregeling Wtz zal worden beperkt tot verevening van de kosten boven een bedrag van tenminste f 10.000,--«

Hieronder zal ter informatie uitvoeriger worden ingegaan op de mogelijkheden die overwogen zijn met betrekking tot risicodragendheid in de Wtz 1998. Het gaat om de volgende maatregelen, die hierna worden toegelicht:

? omvormen van de Wtz 1998 tot sociale verzekering (bron: rapport in het kader van het Project Marktwerking, deregulering en wetgevingskwaliteit; MDW-werkgroep Risico in de WTZ, maart 1998)

? invoeren van risicodragendheid (bron: rapport in het kader van het Project Marktwerking, deregulering en wetgevingskwaliteit; MDW-werkgroep Risico in de WTZ, maart 1998)

? afsluiten Wtz 1998 voor groepen personen (bron: rapport «Beperking van de kring van verzekerden WTZ» van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, juni 1998)

? afsluiten Wtz 1998 voor groepen personen met gelijktijdige verhoging van de opt-in-grens (bron: Regeerakkoord 1998)

ad a. Omvormen van de Wtz 1998 tot sociale verzekering

De gedachte die hierbij een rol heeft gespeeld is dat binnen de sociale verzekering reeds sprake is van een zekere vorm van risicodragendheid vanwege de al bestaande budgettering in de ziekenfondsverzekering. Een dergelijke vorm van budgettering binnen de sociale ziektekosten-verzekering kent niet de Europeesrechtelijke bezwaren die gelden ten aanzien van de WTZ als particuliere ziektekostenverzekering.

Binnen het kader van sociale zekerheid is het in Europeesrechtelijk verband wel mogelijk voor de nationale wetgever om regels te stellen over acceptatie, dekkingsomvang en premiestelling van sociale ziektekostenverzekeringen. Voor particuliere verzekeringen is dit niet toegestaan.

Aan de omvorming van de Wtz 1998 tot een sociale verzekering is een aanzienlijk aantal consequenties verbonden, die vooral verband houden met het speciale karakter van de sociale verzekeringen in Europeesrechtelijk verband. Bij een eventuele omvorming van de Wtz
1998 tot sociale ziektekostenverzekering dient te worden voldaan aan de relevante bepalingen van onder meer de ILO-verdragen en de EU-verordeningen. Concreet betekent dit het volgende:

? De Nederlandse wetgever moet aantonen dat de invoering van risicodragendheid geen afbreuk doet aan de kenmerken van een sociale verzekering. Deze zijn de wettelijke grondslag, de gegarandeerde toegang en de solidariteit (iedereen betaalt mee). De wettelijke grondslag en de gegarandeerde toegang blijven bij invoering van risicodragendheid onaangetast. Aangetoond moet worden dat de solidariteit gehandhaafd blijft. Voor de Wtz 1998 wil dat zeggen dat nog steeds alle verzekerden meebetalen voor de slechtere risico's.

? Er zal aannemelijk moeten worden gemaakt dat de Nederlandse overheid de Wtz 1998 niet langer als een particuliere ziektekostenverzekering ziet, maar redelijkerwijs wil omvormen tot een sociale ziektekostenverzekering.

? Indien de Wtz 1998 wordt omgevormd tot een sociale verzekering, zal bij de invulling en uitvoering van de wet tevens moeten worden voldaan aan de bepalingen inzake de sociale verordeningen. Een daarvan is de (EU)-Verordening 1408/71 die verzekeraars verplicht over te gaan tot vergoeding, naar de in dat land geldende bepalingen van de sociale ziektekostenverzekering, van de kosten die een Wtz-verzekerde in het buitenland (binnen EU en overige verdragslanden) maakt. De afrekening van deze kosten geschiedt niet op basis van werkelijke uitgaven, maar op basis van een vast bedrag. Dat bedrag wordt bepaald door de gemiddelde kosten in het betreffende buitenland van aldaar sociaal verzekerden.

? Ook voor de overheid heeft de omvorming van de Wtz 1998 tot een sociale verzekering gevolgen. Indien de Wtz 1998 tot sociale ziektekostenverzekering wordt omgevormd worden niet alleen (zoals thans al het geval is) de wettelijke omslagbijdragen tot de collectieve lastendruk gerekend, maar ook de premies. Bovendien heeft het financiële resultaat van de Wtz 1998 dan waarschijnlijk ook invloed op het EMU-tekort. De overheid zal daarnaast een garantie moeten geven voor mogelijke insolventies van verzekeraars.

? Op grond van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 is het (particuliere ziektekosten)verzekeraars niet toegestaan andere activiteiten uit te voeren dan waarvoor die verzekeraar van de Verzekeringskamer vergunning heeft gekregen (dit verbod berust op de Tweede Schaderichtlijn). Dit zogenoemde verbod op nevenactiviteiten betekent dat particuliere ziektekostenverzekeraars geen sociale verzekeringen mogen uitvoeren.

De Verzekeringskamer heeft voor de uitvoering van de AWBZ door de particuliere ziektekostenverzekeraars een uitzondering gemaakt. Het staat echter niet bij voorbaat vast dat ook voor de uitvoering van de Wtz 1998 als sociale verzekering een dergelijke regeling zal (kunnen) worden getroffen. Er is immers een wezenlijk verschil tussen uitvoering van de AWBZ, die risicoloos is, en uitvoering van een risicodragende WTZ. In de visie van de MDW-werkgroep WTZ zou over dit aspect aan de Verzekeringskamer advies moeten worden gevraagd.

? Verder kan de uitvoering van een sociale ziektekostenverzekering slechts worden opgedragen aan toegelaten rechtspersonen met de rechtsvorm onderlinge waarborgmaatschappij of stichting (geen winstoogmerk). Niet alle particuliere ziektekostenverzekeraars voeren de ziektekostenverzekering uit in de rechtsvorm onderlinge waarborgmaatschappij of stichting. Mogelijk kunnen ziektekostenverzekeraars relatief eenvoudig aan dit vormvereiste voldoen door een dochteronderneming met de vereiste rechtsvorm op te richten. Verzekeraars richten thans vaak een aparte rechtspersoon op voor het uitvoeren van de ziekenfondswet.

? De uitvoering van de Wtz 1998 stelt daarnaast andere eisen aan de particuliere ziektekostenverzekeraars:

? verzekeraars zullen moeten worden aangemerkt als uitvoeringsorgaan voor de sociale ziektekostenverzekering;

? verzekerden moeten invloed hebben op het bestuur van de verzekeraar;

? verzekeraars komen voor de uitvoering van de sociale ziektekostenverzekering onder toezicht van het College voor Zorgverzekeringen (CVZ) te staan.

De bovengenoemde aspecten zijn systematisch, uitvoeringstechnisch en praktisch zodanig bezwaarlijk dat dit voorstel op dit moment niet verder is uitgewerkt.

ad b. Invoeren van risicodragendheid

De MDW-werkgroep WTZ heeft de mogelijkheden voor risicodragendheid in de WTZ neergelegd in zijn rapport «Risico in de WTZ» van maart 1998 (Kamerstukken II, 1997-1998, 24 036, nr. 88). De voorstellen van de MDW-werkgroep WTZ, komen ten algemene neer op maatregelen gericht op vergoeding van slechts een deel van de door verzekeraars voor de uitvoering van de WTZ gemaakte kosten, invoering van verschillende vormen van budgettering in de WTZ, eventueel aangevuld met vergoeding van hoge kosten. De werkgroep heeft deze voorstellen uitgewerkt in een drietal basisvarianten voor het invoeren van risicodragendheid in de WTZ. Uitgaande van de door de werkgroep gehanteerde randvoorwaarden en criteria scoorde de variant waarbij vergoeding op basis van gezondheidsrisico wordt gecombineerd met een vergoeding van een deel van de gemaakte kosten, het beste. Voorts moest naar het oordeel van de werkgroep bij de politiek/bestuurlijke afweging worden stilgestaan bij de aan invoering van risicodragendheid verbonden risico's en onzekerheden.

In het in bijlage 12 van het rapport opgenomen memorandum van de landsadvocaat van


16 februari 1998, inhoudende enkele juridische aspecten van risicodragendheid in de WTZ, wordt aangegeven dat er aanmerkelijke risico's zijn verbonden aan de invoering van risicodragendheid in de WTZ en dat deze risicodragendheid een gerede kans loopt in strijd te zijn met het Europese gemeenschapsrecht. Dit vindt zijn grondslag in de Derde richtlijn schadeverzekering (Richtlijn 92/49/EEG), die overheidsingrijpen ter zake van acceptatie, dekkingsomvang of premiestelling verbiedt, wanneer het financiële risico daarvan bij de particuliere schadeverzekeraar wordt gelegd.

ad c. Afsluiten van de Wtz 1998 door beperking van de kring van verzekerden

Mede in verband met het risico van strijdigheid met de hierboven genoemde Europeesrechtelijke regelgeving, en de relatief beperkte groep personen die het betreft, is onderzocht of naast de in het rapport van de MDW-werkgroep WTZ genoemde mogelijkheden, juridisch minder risicovolle alternatieven te bedenken zijn om de omslagbijdrage in de WTZ beheersbaar te houden. Daarbij is met name gekeken naar mogelijkheden om de kring van verzekerden te beperken.

Het onderzoek heeft zich daarbij gericht op de groep verzekerden die de 65-jarige leeftijd bereikt. In eerste instantie is daarbij onderzocht of de Wtz 1998 voor alle personen die 65 jaar worden, kan worden afgesloten. Dat wil zeggen dat alle particulier verzekerden die de leeftijd van 65 jaar bereiken, permanent de toegang tot de Wtz 1998 wordt ontnomen.

Aan de Verzekeringskamer is gevraagd de gevolgen daarvan te berekenen. De Verzekerings-kamer heeft de uitkomsten van zijn berekeningen kenbaar gemaakt en daarbij verschillende theoretisch denkbare situaties onderscheiden. De meest realistische situaties gaan uit van een zekere mix van actuariële en leeftijdsafhankelijke premiestelling, waarbij voor de benodigde vergrijzingsvoorziening rekening wordt gehouden met een opbouwperiode. Hoe ouder het verzekerdenbestand van een verzekeraar is, des te korter is de duur van de opbouwperiode. Tevens is er van uitgegaan dat de premies van de betrokken verzekerden, die een maatschappijpolis behouden, worden opgetrokken tot het niveau van de Wtz-maximumpremie. Dan nog zou de maatregel leiden tot verhoging van de vereiste voorziening met tientallen procenten van het premievolume op maatschappijpolissen voor verzekeraars met een

`jonge' verzekerdenportefeuille, met meer dan 100% voor verzekeraars met een `doorsnee' portefeuille en met meer dan 400% voor verzekeraars met een `oude' verzekerdenportefeuille. Het premievolume van maatschappijpolissen bedraagt voor de totale particuliere markt circa

? 4,2 miljard.

Uit deze gegevens is de conclusie getrokken dat deze maatregel zou leiden tot onevenredig zware en niet aanvaardbare financiële consequenties op het terrein van reservevorming en premie-ontwikkeling, zodat volledige afsluiting van de Wtz 1998, zoals in het regeerakkoord is aangekondigd, -niet langer kon worden overwogen.

ad d. Leeftijdsgerelateerde afsluiting van de Wtz 1998 in samenhang met verhoging van de opt-in grens voor personen ouder dan 65 jaar in de Ziekenfondswet.

Een alternatief voor de volledige afsluiting bestaat erin de Wtz 1998 niet permanent af te sluiten, maar de leeftijdsgrens voor acceptatie voor de Wtz 1998 te verhogen door de Wtz 1998 af te sluiten voor nieuwe 65-jarigen, totdat zij de leeftijd van 70 jaar bereiken. Bij de leeftijdscategorie 65-70 jaar is het maximumpremie-niveau van de Wtz
1998 gemiddeld kostendekkend. Personen die reeds zijn geaccepteerd voor een Wtz-verzekering blijven Wtz-verzekerd. Hierbij is niet relevant of men jonger dan wel ouder is dan 65 jaar.

De particulier verzekerden die de leeftijd van 65 jaar bereiken, blijven aangewezen op de maatschappijpolis die zij hadden voordat zij de leeftijd van 65 jaar bereikten, Eerst bij het bereiken van de
70-jarige leeftijd kunnen zij worden ingeschreven op een Wtz-verzekering en kunnen hun schaden en premies worden ondergebracht in de Wtz-omslagregeling. Een dergelijke maatregel komt overeen met het in het regeerakkoord neergelegde voornemen de Wtz 1998 af te sluiten voor nieuwe 65-jarigen en zal vijf jaar na inwerkingtreding volledig effectief zijn (wanneer de eerste van de Wtz 1998 uit te zonderen 65-plussers de 70-jarige leeftijd bereiken). Ook met deze maatregel wordt bereikt dat de particuliere verzekeraars, in tegenstelling tot de huidige situatie, volledig risico-dragend worden voor de schadelast van nieuwe verzekerden, zij het in de leeftijdscategorie 65 tot 70 jaar. Dit risico wordt stapsgewijs gedurende vijf jaar opgebouwd. Per jaar bereiken naar schatting circa
25.000 particulier verzekerden de leeftijd van 65 jaar. Na vijf jaar zal, bij gelijkblijvende omstandigheden, derhalve een situatie worden bereikt waarin het Wtz-verzekerdenbestand met circa 125.000 minder is toegenomen, dan wanneer deze maatregel niet zou zijn getroffen.

De maatregel heeft gevolgen voor de voorzieningen die particuliere verzekeraars verplicht zijn aan te houden, in het bijzonder voor de actuariële voorziening, respectievelijk de vergrijzings-voorziening. Het vereiste niveau van deze voorzieningen zal namelijk stijgen en dit zal op zijn beurt kunnen leiden tot premiestijgingen. Deze premiestijgingen zijn echter van aanzienlijk geringere omvang dan bij permanent afsluiten het geval zal zijn. Het risico dat verzekeraars lopen, is immers aanzien-lijk beperkter vanwege de mogelijkheid dat bij het bereiken van de 70-jarige leeftijd de verzekerden alsnog kiezen voor de Wtz-verzekering en de daar-aan gekoppelde omslagre-geling. Als gevolg hiervan zullen ook de bestaande markt-verhoudingen aanzienlijk minder worden verstoord dan het geval zou zijn bij een permanente afsluiting. Op grond van voorstellen die het kabinet in 1997 en, opnieuw, in 1998 heeft ontvan-gen van Zorgverzekeraars Nederland, kan worden vastgesteld dat deze maatregel in grote lijnen de steun heeft van Zorgverzekeraars Nederland.

De afsluiting van de Wtz 1998 voor personen van 65 tot 70 jaar impliceert niet alleen het afsluiten van de zelfstandige acceptatiegrond voor personen die 65 jaar worden, maar tevens het afsluiten van alle andere in het besluit Categorieën van verzekerden Wtz 1998 genoemde acceptatiegronden voor Wtz-verzekering voor personen van 65 jaar of ouder. Op deze manier wordt bewerkstelligd dat niemand die 65 jaar wordt, nog tot de Wtz 1998 wordt toegelaten.

Op het moment dat iemand de 70-jarige leeftijd bereikt, geldt het bereiken van deze leeftijd weer als een zelfstandige acceptatiegrond. Voor categorieën van personen die na het bereiken van de 65-jarige leeftijd, als gevolg van de maatregel de Wtz-verzekering af te sluiten, geen toegang meer hebben tot de Wtz 1998 en die wegens de in de Zfw opgenomen voorwaarde dat de opt-in regeling alleen openstaat voor personen die voorafgaand aan de ziekenfondsverzekering particulier verzekerd zijn geweest, niet kunnen in-opten, zou in de Zfw deze voorwaarde moeten worden geschrapt. Dit om te voorkomen dat deze groepen zouden kunnen worden geconfronteerd met aanzienlijke premiestijgingen of zich in het geheel niet kunnen verzekeren, omdat zij geen particuliere verzekering meer kunnen afsluiten. De beperkte groep personen die het betreft, gedacht kan worden aan ontwikkelingswerkers of missionarissen die terugkeren in Nederland, kan dan alsnog in-opten in de Zfw.

Ook van deze variant is -vanwege de problemen rond de reservevorming- afgezien. Ik noem daarbij ook nog dat deze variant weliswaar leidt tot een vermindering van het aantal in de Wtz 1998 opgenomen personen, maar dat de schadelast niet evenredig afneemt gezien de omstandigheid dat de meeste kosten zich veelal vanaf de leeftijd van 70 jaar voordoen.

ad d'. Verhoging van de opt-in grens voor personen ouder dan 65 jaar in de Ziekenfondswet.

In het regeerakkoord is de verhoging van de opt-in grens voor personen ouder dan 65 jaar aangekondigd in relatie tot de afsluiting van de Wtz
1998.

In relatie tot de hierbovengenoemde maatregel werd een verbeterde toegang tot de Wtz 1998


-door verhoging van de inkomensgrens- noodzakelijk geacht in verband met de positie van de groep verzekerden die ten gevolge van die maatregel geen aanspraak meer zouden kunnen maken op de Wtz-verzekering. Deze verzekerden behouden na het bereiken van de
65-jarige leeftijd hun maatschappijpolis. De verhoging van de opt-in grens voor verzekerden van 65 jaar en ouder betekent dat zij een door henzelf vast te stellen moment eenmalig kunnen kiezen voor overgang naar de zieken-fonds-verze-kering, indien hun inkomen ligt beneden de Zfw-inkomensgrens voor personen van 65 jaar of ouder. -Deze grens ligt thans (in 1999) op een bedrag van ? 40.900,- (gezamenlijk belastbaar inkomen). Deze inkomensgrens ligt beduidend onder de materieel vergelijkbare loongrens voor werknemers, terwijl het -anders dan bij de individueel te bepalen loongrens- bovendien gaat om gezamenlijk belastbaar inkomen.

Volgens opgave van de Belasting-dienst heeft circa de helft van de thans Wtz-verzekerde ouderen een inkomen beneden de grens van ?
68.900,-. Dit bedrag, dat overeenkomt met 107% van de loongrens voor werknemers in de Zfw, is gebaseerd op gegevens uit het EIM-rapport inzake "Inventarisatie van beslissingen bij een overgang naar een ziekenfondsverzekering op basis van een fiscaal inkomensbegrip." (VPZ/V 981543; op 29 april 1998 verzonden aan de Voorzitter van de Vaste Commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport; pagina 60) en komt (afgerond) materieel met de loongrens voor werknemers overeen. Door de inkomensgrens te verhogen komt de mogelijkheid om ziekenfondsverzekerd te worden binnen het bereik van een grotere groep particulier verzekerde 65-plussers dan thans het geval is. Het resultaat is het leeglopen van de Wtz waardoor het risicovrije ondernemen in de ziektekostenverzekering afneemt. Aan deze variant kleeft echter het bezwaar dat de marktverdeling tussen ziekenfonds-verzekering en particuliere verzekering gewijzigd wordt ten nadele van de particuliere verzekering. Dit nadeel zou kunnen worden ondervangen door een compensatiemechanisme zoals dat is toegepast bij de ziekenfondsverzekering van zelfstandigen. Dat wil zeggen dat de extra instroom in de ziekenfondsverzekering gecompenseerd wordt door een al dan niet structurele wijziging van de loon/inkomensgrens van de ziekenfondsverzekering.

Het kabinet heeft afgezien van nadere uitwerking van deze variant.


3. Concluderend

Bij schrijven van 3 februari 1999 is aan u medegedeeld dat het kabinet in de loop van dit jaar nader zou bezien of de doelsteIlingen van het regeerakkoord met betrekking tot de maatregelen in de Wtz op andere wijze zouden kunnen worden gerealiseerd.

Uit het bovenstaande blijkt dat er geen nieuwe mogelijkheden resteren om de doelstellingen van het regeerakkoord om de particuliere ziektekostenverzekeraars financieel risico te laten lopen over (een deel van) de schadelast van personen van 65 jaar of ouder die verzekerd zijn ingevolge de Wtz 1998, te bewerkstelligen.

Alle hierbovengenoemde maatregelen, met uitzondering van de verhoging van de opt-in grens, blijken op juridische bezwaren of bezwaren van verzekeringstechnische aard te stuiten.

Indien deze bezwaren gehandhaafd blijven, resteert alleen nog de onder d'. genoemde mogelijkheid als zelfstandige maatregel. Een verhoging van de inkomensgrens zal er toe leiden dat een groter aantal personen van 65 jaar of ouder uit de Wtz-verzekering gaat en overgaat naar de Zfw-verzekering. Daarmee zou op een andere wijze invulling kunnen worden gegeven gegeven aan de impliciete wens de kosten in de Wtz 1998 terug te dringen. -Dit zou evenwel tot grote verschuivingen van personen tussen de particuliere sector en de ziekenfondsverzekering kunnen leiden.

Een gelukkige omstandigheid in dezen is dat de ontwikkelingen van de Wtz-omslagregeling de laatste jaren gunstig zijn. Werd in 1998, bij de indiening van het wetsvoorstel wijziging Wtz nog verwacht dat de omslagbijdrage in de jaren 1999 en 2000 zou oplopen tot respectievelijk ? 495,- en ? 515,-; de praktijk laat zien dat de omslagbijdragen voor die jaren aanzienlijk lager konden worden vastgesteld namelijk op ? 408,- in 1999 en ? 396,- in 2000 (voor verzekerden van 20 t/m 64 jaar). Dit is mede een gevolg van een gunstige schadelastontwikkeling. Tegelijkertijd is wel al meer dan 2/3 deel van het tekort 1998, dat als gevolg van de opheffing van de naijling in de jaren 1999, 2000 en 2001 door middel van een tijdelijke opslag op de omslagbijdrage zou worden gefinancierd, gedekt. Bovendien is de voorziening die de Suo moet aanhouden in geval van beëindiging van de Wtz ultimo 2000 al op een niveau van ? 170 miljoen.

De totale uitgaven in de Wtz 1998 belopen circa ? 2,5 miljard, dat is ongeveer een kwart van de totale particuliere ziektekosten. Hiervan komt de helft (? 1,25 miljard) tot uitdrukking in het Wtz-omslagtekort, en daarmee in de Wtz-omslagbijdrage, die in 2000 ?
396,- zal bedragen (voor 20 t/m 64-jarigen).

Naar de mening van het kabinet blijft het dan ook van belang dat ook voor deze groep verzekerden tot risicodragendheid van verzekeraars kan worden gekomen. Een oplossing voor deze problematiek zal daarom moeten worden gevonden in het kader van meer algemene maatregelen rond het stelsel van ziektekostenverzekeringen, waarnaar het kabinet overeenkomstig de afspraken in het Regeerakkoord een verkenning uitvoert.

Ik vertrouw u hiermede afdoende te hebben geïnformeerd.

De Minister van Volksgezondheid,

Welzijn en Sport,

E. Borst-Eilers

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie