Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Kamervragen en antwoord kabinet over rapport illegale arbeid

Datum nieuwsfeit: 22-12-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal


26617000.003 lijst vr-antw n.a.v. rapport alg. rekenkamer inzake aanpa k illegale arbeid

Gemaakt: 5-1-2000 tijd: 12:58


12


26 617 Aanpak illegale arbeid

Nr. 3 Lijst van vragen en antwoorden

Vastgesteld 22 december 1999

De commissie voor de Rijksuitgaven 1) heeft een aantal vragen aan de Algemene Rekenkamer voorgelegd over het rapport inzake aanpak illegale arbeid.

De Algemene Rekenkamer heeft deze vragen beantwoord bij brief van 17 december 1999.

Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van commissie,

Van Walsem

De griffier van de commissie,

Van der Windt

Vraag 1

Onlangs heeft de minister aangekondigd illegale arbeid hard aan te willen pakken, vooral nu deze vorm van arbeid toeneemt. Welke verklaringen kunnen genoemd worden voor deze toename en welke actie heeft de minister sindsdien ondernomen om tot de harde aanpak te komen? Hoe oordeelt de minister in dit verband over het voorstel van het MKB om de boetes te verhogen voor het in dienst hebben illegalen? Is de minister in gesprek met de werkgevers die deze vorm van arbeid, onder vaak slechte arbeidsomstandigheden, laten uitvoeren en het economisch voordeel hebben?

Antwoord 1

De toename van illegale arbeid

De toename van illegale arbeid kan verklaard worden door een aantal, met elkaar samenhangende, factoren. Het financiële belang bij illegale arbeid is groot. Enerzijds geldt dit voor de werkgever, die een relatief goedkope werknemer tewerkstelt en hierdoor goedkoper kan produceren. Anderzijds geldt dit ook voor de organisatoren van de arbeid, dat wil zeggen voor degenen die de vreemdelingen plaatsen bij werkgevers. Vooral voor deze groep is het gewin aanzienlijk, met name in de huidige situatie waarin krapte op de arbeidsmarkt bestaat. De toename van illegale arbeid is dan ook vooral te verklaren door het toenemend aantal vreemdelingen dat door deze organisatoren wordt bemiddeld.

Het hard aanpakken van illegale tewerkstelling is echter geen afdoende middel om de hiermee gepaard gaande en toenemende ontwrichting van het maatschappelijk verkeer tegen te gaan. Het betreft dan openbare orde problematiek zoals mensensmokkel, uitbuiting, belasting- en premiefraude door werkgevers en werknemers, en zware criminaliteit.

Deze openbare orde problematiek noodzaakt tot een intensievere samenwerking tussen politie, justitie en bijzondere opsporingsdiensten.

Maatregelen

Ter intensivering van de bestrijding van de illegale tewerkstelling vanuit mijn ministerie zal ik in 2000 meer capaciteit van de Arbeidsinspectie inzetten, met name ten aanzien van de bestrijding van de georganiseerde illegale tewerkstelling. Strafrechtelijke veroordeling van de organisatoren (waarbij het kan gaan om boetebedragen van enkele tonnen) kan een groot preventief uitstralingseffect hebben. Ook wordt op deze wijze een duidelijk signaal afgegeven aan werkgevers, die daarnaast overigens zelfstandig strafbaar zijn.

Met het oog op die intensivering is onlangs een tiental nieuwe inspecteurs bij de Arbeidsinspectie ingestroomd, en wordt momenteel geworven voor nog eens een tiental inspecteurs. Op redelijk korte termijn wordt hierdoor de pakkans vergroot.

Ook zijn voor 2000 de structurele samenwerkingsafspraken met andere opsporings-organisaties vernieuwd, om zodoende de handhavingscapaciteit zo efficiënt mogelijk te benutten.

Het verhogen van de boetes

Het verhogen van de boetes voor de illegale tewerkstelling is anderhalf jaar geleden onderwerp van gesprek geweest tussen de Arbeidsinspectie en het Openbaar Ministerie (OM). Het OM is geen voorstander van het verhogen van de boetes, omdat de richtlijnen in dit kader voldoende ruimte bieden. De bedragen genoemd in de richtlijnen lopen uiteen van f 2.000,-- voor een overtreding, waarbij sprake is van belasting- en premieafdracht en normale arbeidsomstandigheden en -voorwaarden, tot f 5.000,-- voor een overtreding waarbij sprake is van uitbuiting van de werknemer en geen belastingen en premies worden afgedragen. Voor rechtspersonen kunnen deze bedragen worden verdubbeld. In het geval van recidive zal de eis tussen de f 4.000,-- en de f 10.000,-- kunnen liggen. Het maximale boetebedrag bedraagt op grond van de Wet op de economische delicten f
25.000,--.

Met het OM is afgesproken dat de Arbeidsinspectie op korte termijn waar mogelijk voordeelberekeningen zal gaan opnemen in processen-verbaal. Het OM zal daardoor een beter beeld krijgen van het financiële gewin, en zal hier de strafeis beter op af kunnen stemmen.

Daarnaast zal ik laten inventariseren wat de mogelijkheden zijn met betrekking tot de invoering van de bestuurlijke boete op dit terrein.

Ik ben niet in gesprek met individuele werkgevers waartegen een strafrechtelijk onderzoek is ingesteld. Wel vindt overleg plaats met werkgeversorganisaties, bijvoorbeeld om te bezien welke initiatieven de sector zelf kan nemen. Waar nodig en mogelijk kan mijn ministerie daarbij ondersteuning bieden.

Vraag 2

Is het waar dat de meest recente cijfers over de omvang van het verschijnsel illegale arbeid (NEI) zes jaar oud zijn en is het dus waar dat aan de wens, zoals die in de Kabinetsnota Bestrijding illegale tewerkstelling (1994) is neergelegd, nog niet tegemoet is gekomen? Is de minister bereid - zo nodig - een onderzoek te starten naar de omvang van het verschijnsel illegale arbeid, nu het huidige sturingsmodel dit soort gegevens nog niet kan leveren? (blz. 5)

Antwoord 2

Ik heb in het cyclisch sturingsmodel van de Arbeidsinspectie, waar marktverkenning, risicoanalyse en effectmeting deel van uitmaken, opgenomen dat eens in de vijf jaar extern onderzoek naar de aard en omvang van illegale tewerkstelling zal worden verricht. Een opdracht daartoe is in voorbereiding en zal een dezer dagen worden verleend. Aldus zal nog dit jaar een aanvang worden gemaakt met een onderzoek naar de omvang en verschijningsvormen van illegale tewerkstelling. Het onderzoek zal een wetenschappelijke actualisering bieden van het beeld dat in 1992-1993 door het NEI is geschetst. Naar verwachting zal het externe onderzoek voor de zomer van 2000 zijn afgerond.

In 1998 is overigens een tussentijdse scan gemaakt, waarvan ook in het Rekenkamerrapport melding wordt gemaakt.

Vraag 3

Heeft de minister de indruk dat hij voldoende informatie heeft om inzicht te hebben in de risico's en effecten van de handhaving van de Wet arbeid vreemdelingen teneinde goede politieke sturing te kunnen geven, dit mede in het licht van de onlangs in de Kamer behandelde evaluatie Wet arbeid vreemdelingen, en zo ja, wat zijn concreet die risico's en effecten van de Wet arbeid vreemdelingen? (blz. 5)

Antwoord 3

Uit de evaluatie van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) blijkt dat in de praktijk de gestelde doelen worden bereikt. Zoals uit mijn reactie aan de Algemene Rekenkamer ook blijkt, acht ik de diverse rapportagevormen voldoende om op hoofdlijnen prioriteiten te kunnen stellen. In de toekomst zullen, als gevolg van de vervolmaking van het cyclisch sturingsmodel van de Arbeidsinspectie, de risico's en effecten in toenemende mate meetbaar kunnen worden gemaakt, waardoor de prioritering systematischer zal kunnen worden onderbouwd.

De vraag welke de risico's en effecten van de Wet arbeid vreemdelingen zijn, valt niet in algemene zin te beantwoorden. Het cyclisch model dat aan de marktverkenning, de risicoanalyse en effectmeting ten grondslag ligt, voorziet zowel in het periodiek actualiseren van het kwalitatieve beeld van de spreiding van illegale tewerkstelling in alle sectoren van de Nederlandse arbeidsmarkt als in het inschatten van het effect van het optreden van de Arbeidsinspectie.

Vraag 4

In welke sector en met welk percentage is er sprake van een toename van het aantal illegale werknemers? (blz. 5)

Antwoord 4

De Arbeidsinspectie richt zijn activiteiten niet op een a-selecte groep van werkgevers waaraan landelijk representatieve resultaten kunnen worden ontleend. De Arbeidsinspectie concentreert zich op de sectoren waar illegale tewerkstelling aanwezig wordt verondersteld. Bijzondere aandachtsgebieden daarbij vormen de controle van bekende recidivisten en de bestrijding van de georganiseerde vormen van illegale tewerkstelling. Hierdoor geeft een vergelijking van bijvoorbeeld het aantal opgemaakte processen-verbaal tussen opvolgende jaren onvoldoende inzicht in de ontwikkeling van de omvang van illegale tewerkstelling.

Allerlei signalen wijzen er echter op dat de omvang van de illegale arbeid - mede als gevolg van groeiende krapte op de arbeidsmarkt - zeker niet afneemt. De bekende problemen medio dit jaar in het zuiden van Nederland en de ontwikkelingen in het Westland, die geleid hebben tot de oprichting van het Westland Interventieteam, zijn hier getuige van. Het eerdergenoemd onderzoek (vraag 2) zal in 2000 een geactualiseerde raming van het verschijnsel illegale tewerkstelling opleveren.

Vraag 5

Voelt de minister zich aangesproken door de aanbeveling dat hij het initiatief zou moeten nemen om de samenwerking met andere instanties te koppelen aan heldere afspraken over ieders inzet en de aanbeveling dat er eisen zouden moeten worden gesteld aan de beleid- en verantwoordingsinformatie van de Arbeidsinspectie, dit mede in het licht van uitspraken van de minister om illegale arbeid hard aan te willen pakken? (blz. 6)

Antwoord 5

Hoewel ik de conclusies van de Algemene Rekenkamer onderschrijf, zeker voor zover zij de jaren 1996 en 1997 betreffen, hecht ik eraan vast te stellen dat ik al vóór de start van het onderzoek, en ook tijdens het onderzoek zelf, ontwikkelingen in gang heb gezet, waarvan de resultaten nog niet zichtbaar waren tijdens het onderzoek. Zo is in
1996 een convenant afgesloten met de Belastingdienst en de Uvi's om de gegevensuitwisseling structureel te regelen. Naar aanleiding van de evaluatie van dat convenant is inmiddels een nieuw convenant opgesteld, met als doel de effectiviteit ervan te vergroten. Ten behoeve van de effectmeting zal ik de convenantspartners verzoeken meetbare doelstellingen te formuleren en deze periodiek te bespreken. Ik laat mij door de Arbeidsinspectie met regelmaat informeren over de vorderingen.

De Arbeidsinspectie stemt met de directie Arbeidsmarkt af in welke sectoren handhavingsprojecten gaan plaatsvinden. Vervolgens maakt de Arbeidsinspectie jaarlijks, ten behoeve van de planning voor het volgend onderzoeksjaar, concrete afspraken met de Vreemdelingendiensten over de capaciteitsinzet van beide organisaties. In specifieke sectoren wordt intensief samengewerkt met andere bijzondere opsporingsdiensten, op basis van duidelijke afspraken gemaakt over inzet en planning. Ten behoeve van de onderzoeken in de tuinbouw zijn eveneens verregaande samenwerkingsafspraken gemaakt, uitmondend in de oprichting van het Westland Interventie Team.

Ik ben met de Algemene Rekenkamer van oordeel dat de informatievoorziening beter vorm gegeven kan worden dan ten tijde van het onderzoek het geval was. De Algemene Rekenkamer houdt naar mijn mening echter onvoldoende rekening met de aard van de problematiek: het zicht op illegale praktijken is per definitie beperkt. Het cyclische sturingsmodel dat sinds twee jaar in ontwikkeling is, zal ertoe leiden dat ik in toenemende mate, op basis van objectieve gegevens, een keuze kan maken ten aanzien van prioriteit van onderzoeken en in te zetten capaciteit. Door de toepassing van dit model zullen ook steeds beter de trends en ontwikkelingen op het terrein van illegale arbeid zichtbaar worden.

Tot slot wijs ik er nog op dat de taskforce
`beleidsinformatievoorziening' van mijn ministerie een advies voorbereidt waarin wordt gedefinieerd welke informatie met welke periodiciteit voor interne en externe verantwoording en aansturing wenselijk is. Ik heb u daarover geïnformeerd met mijn brief van 17 november 1999, kenmerk A&O/RAI/1999/72228. Na afronding van de werkzaamheden van de taskforce (in 2001) zal implementatie van dit informatievoorzieningsmodel plaatsvinden. Voor de stand van zaken betreffende de verbeterpunten en ontwikkelingen verwijs ik u naar het antwoord op de vragen 6 en 7.

Vraag 6

Kan de minister ingaan op alle ontwikkelingen die vóór en tijdens het onderzoek in gang zijn gezet, inclusief het hernieuwde overleg met het Openbaar Ministerie en of daar al tot overeenstemming is gekomen over de te volgen aanpak? Zo ja, wat zijn de concrete afspraken met het Openbaar Ministerie?

Antwoord 6

Ontwikkelingen

In het onderstaande worden de ontwikkelingen weergegeven die voor en tijdens het onderzoek van de Algemene Rekenkamer in gang zijn gezet, met daarbij de planning voor de benodigde acties.

a. marktverkenningsonderzoek

Een dezer dagen wordt aan een extern bureau opdracht verleend om een marktverkenningsonderzoek te verrichten. Het onderzoek zal naar verwachting halverwege 2000 zijn afgerond. In 1998 heeft de Arbeidsinspectie zelf een marktverkenningsonderzoek verricht.

b. risicoanalyse

In september 1999 is een werkgroep gestart die zich buigt over enerzijds de noodzakelijke beleidsinformatie, anderzijds over de risicoanalyse. Deze werkgroep zal gedurende 2000 de risicoanalyse gaan vullen, opdat het eind 2000 volledig operationeel zal zijn en de bestaande methodiek van risicoanalyse zal vervangen.

c. effectmeting

In het voorjaar van 2000 zal een aantal externe onderzoeksbureaus worden gevraagd

om een offerte voor het onderzoek `instrumenten ten behoeve van effectmeting' in te dienen.

d. bewaking/sturing aan de hand van meetbare doelstellingen

In overleg met de Belastingdienst en de Uvi's wil ik meetbare doelstellingen (streefgetallen) koppelen aan het convenant. De bereikte resultaten kunnen vervolgens hieraan afgemeten worden. In geautomatiseerde systemen zullen voorzieningen worden getroffen om inzicht te verkrijgen in de opbrengsten van het convenant. Resultaten zullen worden gespiegeld aan de gestelde streefgetallen en waar nodig zal bijsturing plaatsvinden.

e. verhoging strafmaat

Naar aanleiding van het overleg met het OM over mogelijke verhoging van de strafeis, zal de Arbeidsinspectie op korte termijn starten met het zoveel als mogelijk opnemen van een voordeelberekening in processen-verbaal.

f. toepassing handhavingstoets

Wijzigingen in wet- en regelgeving worden standaard getoetst op handhaafbaarheid en uitvoerbaarheid.

Overleg met het Openbaar Ministerie

Er bestaat geen verschil in opvatting tussen het OM en mijn ministerie over de te volgen handhavingsaanpak. In het handhavingsarrangement Wet arbeid vreemdelingen, dat reeds in 1992 is opgesteld (ten behoeve van de toenmalige Wet arbeid buitenlandse werknemers) en in 1995 met de invoering van de Wav is vernieuwd, zijn de kaders voor het handhavingsbeleid opgenomen. In bijzondere gevallen of hele specifieke onderzoeken worden separaat afspraken met het OM gemaakt ten aanzien van de opsporing en de vervolging.

Sinds 1998 vindt maandelijks overleg plaats tussen het OM en mijn ministerie. Ook voor die tijd vond geregeld overleg plaats. Dit heeft echter enige tijd stilgelegen in verband met de herstructurering van het OM. In dit overleg worden onder meer vraagpunten met betrekking tot specifieke opsporingsprojecten besproken en wordt het handhavingsbeleid van de Arbeidsinspectie in dergelijke projecten met het OM afgestemd.

Vraag 7

Kan de minister nader ingaan op zijn voornemen om de coördinatie tussen de directie Arbeidsmarkt en de Arbeidsinspectie nog eens te bezien en om gesignaleerde verbeterpunten aan te pakken? (blz. 7)

Antwoord 7

Coördinatie en sturing;

Het rapport van de Rekenkamer heeft mij aanleiding gegeven om de coördinatie tussen de directie Arbeidsmarkt en de Arbeidsinspectie nog eens te bezien en waar nodig te verbeteren. Ik heb daarbij uitdrukkelijk aangetekend dat ik daarbij niet wil tornen aan de uitgangspunten van de herinrichting van mijn ministerie in 1994/1995 op het punt van de scheiding van verantwoordelijkheden tussen beleid (directie Arbeidsmarkt) en handhaving (Arbeidsinspectie), waarbij het handhavingsbeleid (de keuzes met betrekking tot de feitelijke handhavingsactiviteiten) als een verantwoordelijkheid van de Arbeidsinspectie is aangemerkt. Tegen de achtergrond van deze scheiding van verantwoordelijkheden zal, in aanvulling op de hiervoor in mijn antwoord op vraag 6 verwoorde maatregelen, het bestaande overleg tussen de directie Arbeidsmarkt en de Arbeidsinspectie (o.a. inzake de capaciteitsinzet) verder worden geïntensiveerd, alsmede het overleg tussen de directie Arbeidsmarkt, de Arbeidsinspectie en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.

Verbeterpunten

Naar aanleiding van de aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer zijn de volgende trajecten in gang gezet, of zullen binnen de aangegeven termijn in gang worden gezet.

a. totstandbrenging jaaranalyse

De resultaten van de taskforce Beleidsinformatievoorziening, wiens werkzaamheden heel 2000 zullen beslaan, zullen dienen als input voor de jaarlijks op te stellen analyse van de handhaving op Wav/fraudeterrein.

b. model planning en prioriteitsstelling

Begin 2000 zal een projectgroep worden gestart die zich richt op de heroverweging van het bestaande model planning- en prioriteitsstelling.

c. kwantitatieve bewaking en rationele basis inzet in samenwerking

Bij alle landelijke handhavingsprojecten die in het jaar 2000 starten, wordt benadrukt dat de overweging tot het aangaan van een samenwerkingsverband mede gebaseerd moet zijn op een doelmatigheidsoverweging. Achteraf wordt nagegaan of de samenwerking een meerwaarde heeft gehad en aan welke voorwaarden eventuele verdere samenwerking moet voldoen. Tevens wordt gestimuleerd dat in branches waarin gedurende een reeks van jaren projecten plaatsvinden, meetbare doelstellingen worden geformuleerd. Daardoor kan worden vastgesteld of de mate van wetsnaleving stijgt als gevolg van het inspecteren door de Arbeidsinspectie en of op een zeker moment een zodanig nalevingsniveau is bereikt, dat specifieke aandacht voor de betreffende branche niet meer noodzakelijk is.

Vraag 8

Wat is het oordeel van de minister over het nawoord in het rapport Aanpak illegale arbeid, waarin de Algemene Rekenkamer reageert op zijn reactie, dit mede in het licht van recente uitspraken van de minister om illegale arbeid hard aan te willen pakken? (blz. 7)

Antwoord 8

Het verheugt mij dat de Algemene Rekenkamer het met mij eens is dat het gehanteerde sturingsmodel een systematische aanpak mogelijk maakt en dat het geschikt is om signalen en ontwikkelingen uit de regio's van de Arbeidsinspectie te verwerken. Momenteel wordt dit systeem vooral wordt gevuld door expertbeoordelingen. Op de korte en middellange termijn zullen meer objectieve gegevens, onder meer uit handhavingsprojecten en uit marktverkenningsonderzoek, worden verkregen. Ik schat in dat in 2001, voor zover dat gelet op de aard van de problematiek mogelijk is, een duidelijker beeld verkregen kan worden van risico's, inzet en effecten. Dit neemt niet weg dat ik de huidige beschikbare informatie voldoende acht om op hoofdlijnen prioriteiten te kunnen stellen.

Uit de beantwoording van onderhavige vragen blijkt dat veel trajecten ter verbetering dan wel ter vervolmaking van de werkwijze reeds in gang zijn gezet.

Een bijzonder traject dat is ingezet, mede met het oog op hardere aanpak van overtreders, is het in overleg met het Openbaar Ministerie herhaald bezoeken van notoire wetsovertreders in een bepaalde sector. Indien uit evaluatie blijkt dat deze aanpak een groter effect op de branche heeft dan de gebruikelijke, zal deze aanpak ook in andere branches en regio's worden toegepast.

Het oordeel van de Algemene Rekenkamer betreffende ongewenste verschillen in regionale werkwijze onderschrijf ik niet. De regionale verschillen die er zijn in de aanpak van illegale tewerkstelling vloeien grotendeels voort uit verschillen in werkwijze van de verschillende samenwerkingspartners, zoals het Openbaar Ministerie en de Vreemdelingendienst. Daarnaast is er voldoende landelijke sturing en overleg tussen de regio's onderling om ongewenste verschillen in werkwijze te voorkomen.

Vraag 9

De Rekenkamer stelt dat de minister noch de Tweede Kamer een samenhangend inzicht heeft in de doelmatigheid van de bestrijding van de illegale arbeid. Op welke wijze wilt u bereiken dat de benodigde verantwoordings- en beleidsinformatie beschikbaar komt? Wanneer wilt u dat deze informatie beschikbaar is? Wanneer wilt u de Kamer een samenhangend inzicht geven in de doelmatigheid van de bestrijding van de illegale arbeid? (blz. 7)

antwoord 9

Zoals reeds uit antwoorden op de vragen 2, 3, 4, 5, 6 en 8 blijkt, moet een systematiek van marktverkenning, risico-analyse en effectmeting tevens een samenhangend inzicht in de doelmatigheid van de bestrijding van illegale arbeid verschaffen. Momenteel wordt gewerkt aan vernieuwing van de methode voor het verzamelen, analyseren en rapporteren ten behoeve van verantwoordings- en beleidsinformatie. In 2000 zullen de eerste resultaten van deze methodiek beschikbaar komen. Ik zal u deze toezenden.

Vraag 10

In hoeverre en met welk percentage is de handel in de tuinbouw door koppelbazen toe- of afgenomen in vergelijking met voorgaande jaren? (blz. 11)

Antwoord 10

De Arbeidsinspectie voert bijna dagelijks controles uit in de tuinbouwsector. Bij deze controles worden verschillende vormen van illegale tewerkstelling vastgesteld, waaronder het aanbieden van personeel door koppelbazen. Desondanks lijkt het beeld dat er sprake zou zijn van een toename van koppelbaaspraktijken te kloppen. Dit kan evenwel op dit moment niet met cijfermateriaal worden onderbouwd. Naast de controles van de Arbeidsinspectie zullen ook andere activiteiten, zoals het verzamelen en analyseren van nog ter beschikking komende gegevens, op termijn meer inzicht verschaffen in de omvang van deze problematiek.

Vraag 11

Hoeveel asielzoekers hebben in 1998 gebruik gemaakt van de verruimde mogelijkheid om tijdelijk te werken? (blz. 12)

Antwoord 11

In 1998 zijn 1.597 tewerkstellingsvergunningen afgegeven voor werkzaamheden te verrichten door asielzoekers en vvtv'ers (houders van een voorlopige vergunning tot verblijf). Ter informatie, in de eerste drie kwartalen van 1999 zijn er voor deze categorieën werkenden 3.226 twv's afgegeven.

Vraag 12

Binnen welke termijn zal een voorstel tot wijziging van de Vreemdelingenwet bij de Kamer worden ingediend, waarin wordt geregeld dat de kosten van uitzetting van illegaal verblijvende vreemdelingen verhaald kunnen worden op de werkgever die hem illegaal te werk heeft gesteld, teneinde het economisch voordeel te bestrijden? (blz. 12)

Antwoord 12

Over het opnemen van dit voorstel in de nieuwe Vreemdelingenwet heeft overleg plaatsgevonden met het ministerie van Justitie, over de vraag in hoeverre dit voorstel daadwerkelijk het beoogde effect kan hebben. In het kader van een eerste uitwerking van dit voorstel is gebleken dat het verhaal van de uitzettingskosten toch altijd evenredig dient te zijn aan het verwijt dat een werkgever kan worden gemaakt. Er is sprake van onevenredigheid indien de uitzettingskosten altijd zonder meer ten volle worden verhaald op de werkgever die laatstelijk de vreemdeling illegaal heeft tewerkgesteld.

Hoewel niet kan worden ontkend dat tewerkstelling een zekere ondersteuning zal hebben gevormd voor (de voortzetting van) het illegale verblijf, is het van het concrete geval afhankelijk of dit (totale) illegale verblijf aan één werkgever kan worden toegerekend. Dit zal b.v. nauwelijks het geval zijn indien sprake is van een kortdurende tewerkstelling, welke is voorafgegaan door een jarenlang illegaal verblijf en illegale tewerkstelling bij andere werkgevers.

Ongeacht of de rechtsgrond voor het verhaal van de uitzettingskosten op die werkgever aangemerkt wordt als een schadeloosstelling voor de staat voor de kosten die zijn voortgevloeid uit onrechtmatig handelen door de werkgever, dan wel aangemerkt wordt als een bijkomende straf, in beide benaderingen zal er evenredigheid moeten zijn tussen de gedraging van de werkgever en de mate waarin de kosten van uitzetting van de vreemdeling op de werkgever verhaald kunnen worden. Bij bezwaren van de werkgever tegen de hoogte van de kosten die verhaald worden, zal uiteindelijk de rechter - gelet op de verplichtingen die voor Nederland voortvloeien uit art. 6 EVRM - moeten uitmaken òf en zo ja in welke mate verhaal passend is. In aanmerking nemende dat verwacht mag worden dat elke werkgever zal aangeven dat de duur van de illegale tewerkstelling uiterst beperkt was - en de werkelijke duur van de tewerkstelling doorgaans niet is aan te tonen - moet er rekening mee worden gehouden dat in de praktijk de door de rechter toegestane hoogte van het verhaal in de regel ook beperkt zal zijn. Dit impliceert dat de veronderstelde afschrikkende werking van de verhaalsmogelijkheid feitelijk gering is, terwijl de uitvoeringslasten en belasting van de rechterlijke macht aanzienlijk zullen zijn. Mede tegen de achtergrond hiervan is in overleg met de Staatssecretaris van Justitie besloten niet in de bedoelde verhaalsmogelijk-heid te voorzien.

Vraag 13

Acht u het voor de beleidsbepaling en beleidsuitvoering van belang dat actuele, op gedegen onderzoek gebaseerde, informatie beschikbaar komt over het aantal personen dat illegaal in Nederland verblijft en het aantal personen dat illegaal werkzaamheden verricht?

Zo ja, bent u bereid het benodigde onderzoek of de benodigde onderzoeken te laten verrichten? Wanneer kunnen de onderzoeksresultaten beschikbaar zijn?

Zo nee, hoe kunt u ooit een samenhangend inzicht krijgen in het verschijnsel illegale arbeid indien u zelfs niet beschikt over de basisinformatie, te weten het aantal personen dat illegaal in Nederland verblijft? (blz. 12-14)

Antwoord 13

Ik acht het voor beleidsbepaling en beleidsuitvoering wenselijk om ongeveer eens in de vijf jaar door een extern bureau een marktverkenningsonderzoek te laten uitvoeren, waarin een kwalitatief en kwantitatief beeld wordt gegeven van ontwikkelingen op het terrein van illegale tewerkstelling. Voor onderzoek naar het aantal personen dat illegaal in Nederland verblijft, verwijs ik u naar mijn ambtgenoot van Justitie. Ik richt mij op het verkrijgen van actuele gegevens betreffende illegale tewerkstelling.

Op basis van het marktverkenningsonderzoek kan de aanwezige kennis over illegale tewerkstelling die als gevolg van handhavingsactiviteiten aanwezig is, worden getoetst en herijkt. Zoals blijkt uit mijn antwoord op vraag 4, zal ik binnenkort een opdracht tot uitvoering van een dergelijk onderzoek verstrekken. Ik verwacht eind 2000 te kunnen rapporteren over de bevindingen van dit onderzoek.

Inzicht in de omvang van illegale tewerkstelling is via meerdere wegen te krijgen, waarvan een schatting op basis van illegaal verblijf er één van is. Een andere mogelijkheid is bijvoorbeeld op basis van controles te komen tot een macroschatting, waarbij de representativiteit van de onderzochte groep gewaarborgd moet worden. Bij de keuze tussen de offertes voor het onderzoek speelt de voorgestelde onderzoeksopzet een grote rol.

Vraag 14

Hoeveel tewerkstellingsvergunningen zijn door Arbeidsvoorziening in
1998 versterkt? Hoe verhoudt dat aantal zich met aantal verstrekte vergunningen in voorgaande jaren? (blz. 13)

Antwoord 14

In 1998 zijn door Arbeidsvoorziening 15.181
tewerkstellingsvergunningen verstrekt. In 1997 waren dat er 11.065 en in 1996 9.501. De groei van het aantal in 1998 ten opzichte van 1997 is onder meer te verklaren door het aantal afgegeven tewerkstellingen voor werkzaamheden door asielzoekers/vvtv'ers, voor musici, en door de toegenomen behoefte aan informatici.

Vraag 15

Waarom maakt de directie Arbeidsmarkt geen gebruik van de mogelijkheid de Arbeidsinspectie te verzoeken om monitoronderzoek te doen naar de effecten van het beleid ter bestrijding van illegale tewerkstelling? (blz. 13)

Antwoord 15

De opmerking van de Algemene Rekenkamer dat de directie Arbeidsmarkt geen gebruik maakt van de mogelijkheid om de Arbeidsinspectie te verzoeken om monitoronderzoek naar (de effecten van) beleid ter bestrijding van illegale tewerkstelling te verrichten, berust op de constatering dat de directie Arbeidsmarkt, overigens na voorafgaand overleg met de Arbeidsinspectie, geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om voorafgaande aan een onderzoeksjaar een specifiek monitoronderzoek vast te leggen. Naast deze vooraf ingevulde onderzoekscapaciteit beschikt de Arbeidsinspectie ook over capaciteit om op ad hoc-basis op verzoek van een beleidsdirectie monitoronderzoek te verrichten. Van deze laatste mogelijkheid heeft de directie Arbeidsmarkt vanaf de inwerkingtreding van de Wet arbeid vreemdelingen steevast gebruik gemaakt. Zo heeft de directie Arbeidsmarkt jaarlijks de personeelsvoorziening in de tuinbouw, meer in het bijzonder de omvang en de verschijningsvormen van illegale tewerkstelling in de tuinbouw, door de Arbeidsinspectie doen monitoren (de zogenaamde asperge-monitor). Ook bij de inwerkingtreding van de regeling die erin voorziet dat asielzoekers gedurende een bepaalde periode naar hun aard kortdurende werkzaamheden mogen verrichten, heeft de directie Arbeidsmarkt de Arbeidsinspectie een monitoronderzoek naar de effecten van deze nieuwe regeling laten verrichten. Naast ad-hoc-onderzoeken door de Arbeidsinspectie heeft de directie Arbeidsmarktbeleid, mede tegen de achtergrond van de verdere ontwikkeling van het beleid ter bestrijding van illegale arbeid, de Wet arbeid vreemdelingen door een extern onderzoeksbureau doen evalueren en (tezamen met het Ministerie van Justitie) in het kader van de Organisation for Economic Co-operation and Development (OECD) een breed internationaal vergelijkend onderzoek naar de bestrijding van illegale tewerkstelling geëntameerd.

Vraag 16

Wanneer kan de Kamer het internationaal vergelijkend onderzoek naar de aanpak van illegale tewerkstelling tegemoet zien? (pag. 13)

Antwoord 16

Het internationaal vergelijkend onderzoek waarop de Algemene Rekenkamer doelt betreft een onderzoek dat de Organisation for Economic Co-operation and Development (OECD), op initiatief van Nederland (ministeries van SZW en Justitie), verricht. Vanaf 1995 heeft de OECD een aantal landenrapporten doen verschijnen, waarin het beleid in diverse OECD-landen met betrekking tot het voorkomen en bestrijden van illegale arbeid wordt beschreven. Daarnaast heeft de OECD middels een questionnaire de bij de OECD aangesloten landen bevraagd over de effecten van de bestrijding van illegale tewerkstelling. Gelet op het feit dat de antwoorden uiterst vertrouwelijke opsporingsgegevens van de diverse landen bevatten heeft de OECD besloten om de uitkomsten van deze questionnaire niet te publiceren. Over deze uitkomsten is van de zijde van de OECD overigens wel in algemene zin mondeling verslag gedaan tijdens het `Seminar on Preventing and Combating the Employment of Foreigners in an Irregular Situation', dat op 22 en 23 april 1999 in

Den Haag heeft plaatsgevonden. De resultaten van dit seminar zal de OECD in boekvorm doen verschijnen. Zodra het verslag van dit zogenaamde «The Hague Seminar» beschikbaar is, zal ik exemplaren daarvan aan de Kamer doen toekomen.

Overigens is met dit seminar het onderzoek naar het voorkomen en bestrijden van illegale tewerkstelling niet afgerond. Dit onderzoek zal ook de komende jaren worden voortgezet en jaarlijks op de agenda van de Working Party on Migration van de OECD worden geplaatst.

Vraag 17

Hoeveel formatieplaatsen zijn er thans bij de directie Arbeidsmarkt gereserveerd ter bestrijding van illegale tewerkstelling? (blz. 14)

Antwoord 17

Op dit moment is, exclusief managementscapaciteit, voor het beleid ter bestrijding van illegale tewerkstelling 0,8 formatieplaats bij de directie Arbeidsmarkt gereserveerd.

Overigens dient onderscheid te worden gemaakt tussen formele reservering van personele capaciteit en feitelijke inzet daarvan. Er is voor gekozen om de inzet van personeel voor het onderhavige beleidsterrein flexibel te doen zijn, waarbij de formele reservering van personele capaciteit als een absolute ondergrens geldt. Zo was in het jaar 1998 en de jaren daarvoor de gemiddelde feitelijke inzet van personeel 1 à 1,5 fte; thans zijn feitelijk 2 medewerkers fulltime op het onderhavige beleidsterrein werkzaam en is een derde medewerker standby voor het verrichten van ad-hoc werkzaamheden. Bezien wordt of dit tot een structurele aanpassing van de formatie moet leiden.

Vraag 18

Is het aantal inspecteurs van de Arbeidsinspectie inmiddels uitgebreid? Zo ja met hoeveel formatieplaatsen? (blz. 14)

Antwoord 18

Het aantal inspecteurs van de Arbeidsinspectie is de afgelopen jaren gestaag uitgebreid; in 1997 waren er 52 inspecteurs op Wav/fraudegebied, in 1998 waren er 68 en met ingang van 1 november
1999 zijn er 75 inspecteurs op genoemd werkterrein. De relatief geringe groei in het laatste jaar is te verklaren door de uitstroom van een aantal inspecteurs (nieuwe werkkring, pensionering).

Voor het voorjaar van 2000 en het begin van 2001 staat gepland om in totaal nog eens een twintigtal inspecteurs te laten instromen. Het streven is om in 2001 over ongeveer 100 fte's inspectiecapaciteit ten behoeve van fraudetaken te beschikken.

Vraag 19

De meest recente kabinetsnota is niet actueel meer, zo gaat de nota nog uit van de loonconfectie als gevoelige sector. Mede door de succesvolle aanpak van de Arbeidsinspectie behoort de loonconfectie inmiddels tot de minst gevoelige sectoren, de horeca echter inmiddels tot de meest. Wordt het huidige beleid gehinderd door de achterhaalde kabinetsnota? Vindt de minister het nodig dat er een nieuwe kabinetsnota wordt gemaakt? (blz. 18)

Antwoord 19

De kabinetsnota `Bestrijding illegale tewerkstelling' schetst het beleid gericht op de voorkoming en bestrijding van illegale tewerkstelling. Daarnaast werd in de nota de beleidskoers voor de jaren na 1994 uitgestippeld. De toen uitgezette koers is mijns inziens nog steeds goed navolgbaar. Wel is er sprake van een accentverschuiving. Naast de sectorale aanpak vindt steeds meer onderzoek plaats naar de organisatoren van de illegale arbeid. Ook binnen de sectorale controles vindt accentverschuiving plaats. Zoals in de vraag wordt opgemerkt, is de loonconfectie inmiddels één van de minder gevoelige sectoren geworden. Ten behoeve van de controles in deze sector wordt dan ook minder capaciteit ingezet. Hoewel de aandacht in de loop der jaren binnen de te onderzoeken sectoren is verschoven, zijn de beleidsuitgangspunten nog steeds valide en is mijns inziens geen sprake van een achterhaalde nota. Ik zie dan ook geen reden om op korte termijn een nieuwe, gelijksoortige nota, te laten maken.

Vraag 20

Kent de minister de inhoud van het nieuwe convenant tussen Arbeidsinspectie, Belastingdienst en Uitvoeringsinstellingen? Zijn daarin duidelijker afspraken gemaakt en is daarin sprake van meer meetbare doelstellingen, waardoor de samenwerking voor alle partijen vruchtbaarder zal zijn dan op basis van het oude convenant van 1996? (blz. 20)

Antwoord 20

Ik ken de inhoud van het nieuwe convenant, dat overigens nog door het College van Procureurs-Generaal moet worden vastgesteld. Het convenant voorziet in een effectievere wijze van gegevensuitwisseling en stimuleert intensievere samenwerking tussen Arbeidsinspectie, Belastingdienst en Lisv/Uvi's. Een vruchtbaarder samenwerking voor alle partijen is niet alleen het doel van het convenant, maar ook nadrukkelijk de reden om het convenant te verbeteren. Binnen een jaar na implementatie van het nieuwe convenant, zal ik de opbrengsten evalueren. Tevens zal ik bij alle betrokken partijen in het extern overleg rondom het convenant erop aandringen meetbare doelstellingen te formuleren en deze periodiek te bespreken.


1) Samenstelling:

Leden

Rosenmöller (GL)

Van Zijl (PvdA)

Hillen (CDA)

Witteveen-Hevinga (PvdA), ondervoorzitter

Van Heemst (PvdA)

Hessing (VVD)

Giskes (D66)

Marijnissen (SP)

Crone (PvdA)

Van Dijke (RPF)

Bakker (D66)

Van Walsem (D66), voorzitter

Th.A.M. Meijer (CDA)

De Haan (CDA)

Wagenaar (PvdA)

Van den Akker (CDA)

Van Beek (VVD)

Duijkers (PvdA)

Verburg (CDA)

Vendrik (GL)

Remak (VVD)

Weekers (VVD)

Kuijper (PvdA)

Udo (VVD)

Blok (VVD)

Plv. leden

Harrewijn (GL)

Van Zuijlen (PvdA)

Ross-van Dorp (CDA)

Koenders (PvdA)

Bos (PvdA)

Voûte-Droste (VVD)

Lambrechts (D66)

Kant (SP)

Feenstra (PvdA)

Schutte (GPV)

Van der Vlies (SGP)

Schimmel (D66)

Stroeken (CDA)

Wijn (CDA)

Hindriks (PvdA)

Rietkerk (CDA)

O.P.G. Vos (VVD)

Hamer (PvdA)

Reitsma (CDA)

Rabbae (GL)

Van Blerck-Woerdman (VVD)

Geluk (VVD)

Smits (PvdA)

De Vries (VVD)

Balemans (VVD)

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie