Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Ministerie van Financien: Wijziging uitvoeringsregelingen

Datum nieuwsfeit: 22-12-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Financien

Titel: Wijziging diverse uitvoeringsregelingen per 1 januari 2000

M I N I S T E R I E V A N F I N A N C I E N

DIRECTORAAT-GENERAAL VOOR FISCALE ZAKEN

DIRECTIE WETGEVING DIRECTE BELASTINGEN

s-Gravenhage, 22 december 1999

NR. WDB 99/ 2210 M

ONDERWERP

Wijziging van enige Uitvoeringsregelingen

De Staatssecretaris van Financiën,

Voor zoveel nodig handelende in overeenstemming met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

Gelet op de artikelen 10, 11, 11c, 25a, 30b, 36, 46 en 64 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, de artikelen 11, 13, 15, 31 en 32b van de Wet op de loonbelasting 1964, de artikelen 6, 12 en 15a van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen, de artikelen 7 en19 van de Algemene Wet Rijksbelastingen 1994, artikel 26 van de Invorderingswet 1990 en artikel 9 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969;

Besluit:

Artikel I

De Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 19901 wordt als volgt gewijzigd.

A.1. In artikel 3b, derde lid, wordt het percentage dat de uitgaven van het fonds voor scholing in het voorafgaande kalenderjaar uitmaken van de totale uitgaven van het fonds vervangen door: het percentage dat de kosten en lasten van het fonds voor scholing in het voorafgaande kalenderjaar uitmaken van de totale kosten en lasten alsmede reserveringen van het fonds in dat jaar, met dien verstande dat kosten en lasten van het fonds die rechtstreeks worden doorbelast aan derden, buiten aanmerking blijven.

A.2. In het vierde lid vervalt: voor 1 april van het kalenderjaar.

B. Aan artikel 4a wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel d door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:


e. op of na 1 januari 2000: 3.

C.1. In artikel 6, eerste lid, onderdeel h, wordt de Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 1999 vervangen door: de Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 2000.

C.2. In het tweede lid, wordt de Regeling tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende meervoudig en ernstig lichamelijk gehandicapte kinderen vervangen door: de Regeling tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende gehandicapte kinderen 2000.

D.1. In artikel 8, tweede lid, wordt de tabel vervangen door:

reisafstand

meer dan

doch niet

bedrag per

meer dan

jaar


-

10 km


-

10 km

15

f 1140

15

20

1570

20

30

2680

30

40

3310

40

50

4320

50

60

4810

60

70

5340

70

80

5520

80


-

5600

D.2. In het tweede lid, onderdeel b, worden f 0,56 en f 5430 vervangen door respectievelijk f 0,58

en f 5600.

D.3. In het vijfde lid, onderdeel b, wordt f 5430 vervangen door: f 5600.

D.4. In het vijfde lid, onderdeel c, wordt f 5430 vervangen door: f 5600.

E. In artikel 9, eerste lid, wordt na Algemene Kinderbijslagwet ingevoegd:, behoudens de situaties waarin dat recht is uitgesloten ingevolge artikel 7b van de Algemene Kinderbijslagwet,.

F. Onder vernummering van artikel 10a tot artikel 10b wordt na artikel 10 ingevoegd:

Artikel 10a

De in artikel 46, achttiende lid, van de wet bedoelde extra uitgaven voor levensonderhoud van een tijdelijk bij ouders of verzorgers verblijvend gehandicapt kind als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 2°, van de wet, worden in aanmerking genomen indien dat kind gelet op zijn beperkingen aanspraak maakt op opname in een in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten of in de op die wet berustende bepalingen geregelde intramurale inrichting en daar doorgaans verblijft. De extra uitgaven worden gesteld op f 18 per dag van tijdelijk verblijf bij ouders of verzorgers, alsmede een bedrag per kilometer als bedoeld in artikel 14a van deze regeling, voor het vervoer per auto van het kind door de ouders of verzorgers over de reisafstand tussen de tijdelijke verblijfplaats en de plaats waar het kind doorgaans verblijft. De tijdelijke verblijfplaats is de plaats waar de ouders of verzorgers van het kind doorgaans verblijven.

G. In artikel 12, eerste lid, worden f 640, f 1280 en f 1600 vervangen door respectievelijk f 650, f 1300 en f 1625.

H.1. In artikel 14, eerste lid, wordt f 11 053 vervangen door: f 19 050. Voorts wordt de tabel vervangen door:

Onzuiver inkomen

Niet voor aftrek in aanmerking komend bedrag per jaar ter zake van

kinderopvang bij

meer dan

doch niet meer dan

opvang gedurende meer dan vijf uur per dag, niet zijnde buitenschoolse of naschoolse opvang

opvang gedurende vijf uur per dag of minder, niet zijnde naschoolse opvang, alsmede buitenschoolse opvang

naschoolse opvang

voor het

voor elk

voor het

voor elk

voor het

voor elk

eerste

volgend

eerste

volgend

eerste

volgend

kind

kind

kind

kind

kind

kind


-

f 44 800

f 336

f 336

f 224

f 224

f 168

f 168

f 44 800

51 200

1 541

1 440

1 027

960

771

720

51 200

57 600

2 747

1 660

1 831

1 107

1374

830

57 600

64 000

3 952

1 943

2 635

1 295

1976

972

64 000

70 400

5 158

2 226

3 439

1 484

2579

1113

70 400

76 800

6 363

2 510

4 242

1 673

3182

1255

76 800

83 200

7 569

2 816

5 046

1 877

3785

1408

83 200

89 600

8 774

3 125

5 849

2 083

4387

1563

89 600

96 000

9 980

3 393

6 653

2 262

4990

1697

96 000

102 400

11 185

3 661

7 457

2 441

5593

1831

102 400

108 800

12 391

3 928

8 261

2 619

6196

1964

108 800


-

13 596

4 092

9 064

2 728

6798

2046

H.2. In het vijfde lid wordt f 11 053 vervangen door: f 19 050

I. In artikel 14a wordt f 0,34 vervangen door: f 0,35.

J. In artikel 19 wordt na als bedoeld in artikel 1, onderdeel i, van de Regeling loonbelasting- en premietabellen 1990 ingevoegd: of het tarief voor uitkeringen ingevolge de Wet inkomensvoorziening kunstenaars als bedoeld in artikel 5a van die regeling.

Artikel II

De Uitvoeringsregeling loonbelasting 19902 wordt als volgt gewijzigd.

A.1. In artikel 6, eerste lid, wordt de tabel vervangen door:

Loon in geld (voor niet

Niet voor belastingvrije vergoeding in aanmerking

genoemde bedragen treedt

komend bedrag ter zake van kinderopvang

het naast lagere in de

gedurende meer dan vijf uur per dag, niet zijnde

plaats)

buitenschoolse of naschoolse opvang

Voor het eerste kind

Voor elk volgend kind

Per maand

Per week

Per dag

Per maand

Per week

Per dag

Per maand

Per week

Per dag


-


-


-

f 77,25

f 17,75

f 3,55

f 77,25

f 17,75

f 3,55

f 2670,00

f 616,25

f 123,25

151,15

35,00

7,00

90,00

20,75

4,15

3205,00

739,50

147,90

218,90

50,50

10,10

90,00

20,75

4,15

4275,00

986,50

197,30

354,40

81,75

16,35

105,15

24,25

4,85

5345,00

1233,50

246,70

477,85

110,25

22,05

142,65

33,00

6,60

6415,00

1480,50

296,10

595,25

137,25

27,45

178,40

41,25

8,25

7485,00

1727,25

345,45

718,75

165,75

33,15

216,00

49,75

9,95

8555,00

1974,25

394,85

841,15

194,00

38,80

253,25

58,50

11,70

9625,00

2221,25

444,25

849,75

196,00

39,20

255,75

59,00

11,80

Loon in geld (voor niet

Niet voor belastingvrije vergoeding in aanmerking

genoemde bedragen treedt

komend bedrag ter zake van kinderopvang gedurende

het naast lagere in de

vijf uur per dag of minder, niet zijnde naschoolse opvang,

plaats)

alsmede buitenschoolse opvang

Voor het eerste kind

Voor elk volgend kind

Per maand

Per week

Per dag

Per maand

Per week

Per dag

Per maand

Per week

Per dag


-


-


-

f 51,50

f 12,00

f 2,40

f 51,50

f 12,00

f 2,40

f 2670,00

f 616,25

f 123,25

100,80

23,25

4,65

60,00

13,75

2,75

3205,00

739,50

147,90

145,95

33,75

6,75

60,00

13,75

2,75

4275,00

986,50

197,30

236,30

54,50

10,90

70,10

16,25

3,25

5345,00

1233,50

246,70

318,55

73,50

14,70

95,10

22,00

4,40

6415,00

1480,50

296,10

396,85

91,50

18,30

118,95

27,50

5,50

7485,00

1727,25

345,45

479,15

110,50

22,10

144,00

33,25

6,65

8555,00

1974,25

394,85

560,80

129,50

25,90

168,85

39,00

7,80

9625,00

2221,25

444,25

566,50

130,75

26,15

170,50

39,25

7,85

Loon in geld (voor niet

Niet voor belastingvrije vergoeding in aanmerking

genoemde bedragen treedt

komend bedrag ter zake van naschoolse opvang

het naast lagere in de

plaats)

Voor het eerste kind

Voor elk volgend kind

Per maand

Per week

Per dag

Per maand

Per week

Per dag

Per maand

Per week

Per dag


-


-


-

f 38,65

f 9,00

f 1,80

f 38,65

f 9,00

f 1,80

f 2670,00

f 616,25

f 123,25

75,60

17,50

3,50

45,00

10,50

2,10

3205,00

739,50

147,90

109,45

25,25

5,05

45,00

10,50

2,10

4275,00

986,50

197,30

177,20

41,00

8,20

52,60

12,25

2,45

5345,00

1233,50

246,70

238,90

55,25

11,05

71,35

16,50

3,30

6415,00

1480,50

296,10

297,65

68,75

13,75

89,20

20,50

4,10

7485,00

1727,25

345,45

359,40

83,00

16,60

108,00

25,00

5,00

8555,00

1974,25

394,85

420,60

97,00

19,40

126,65

29,25

5,85

9625,00

2221,25

444,25

424,90

98,00

19,60

127,90

29,50

5,90

A.2. In het vierde lid wordt f 11 053, f 921,00, f 212,50 en f 42,50 vervangen door respectievelijk f 19 050, f 1 587,50, f 366,25 en f 73,25 .

B.1. In artikel 10, eerste lid, wordt de zinsnede indien geen stortingen worden verricht vervangen door: voorzover geen stortingen worden verricht.

B.2. In het tweede lid wordt de zinsnede en waarvoor geen stortingen bij derden worden verricht vervangen door: , voorzover geen stortingen bij derden worden verricht.

B.3. In het vierde lid, onderdeel b, wordt f 4440 vervangen door: f 4980.

C.1. De in artikel 11, eerste lid, opgenomen tabel, wordt vervangen door:

waarde van

per maand

per week

per dag

1o. kost en inwoning

f 529,00

f 122,00

f 24,40

2o. volle kost

261,00

60,00

12,00

3o. warme maaltijd

130,50

30,00

6,00

4o. koffiemaaltijd

65,25

15,00

3,00

5o. ontbijt

65,25

15,00

3,00

C.2. In het tweede lid wordt f 8,30 vervangen door:f 8,55.

C.3. Het vierde lid wordt vervangen door:


4. In afwijking van het eerste lid wordt de waarde van het in werktijd mee-eten van werknemers in de geestelijke en lichamelijke gezondheids- of welzijnszorg met de hen toevertrouwde patienten, pupillen of bewoners gesteld op nihil indien zij dit verplicht zijn op basis van de arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijk aanstelling op grond van opvoedkundige of therapeutische overwegingen of overwegingen van resocialiserende aard.

C.4. De in het zesde lid opgenomen tabel wordt vervangen door:

Waarde van huisvesting

per maand

per week

per dag


a. aan boord van binnenschepen -

andere dan vissersschepen - en

baggermaterieel:


1. voor de werknemer die met zijn

gezin aan boord woont


- van een schip van meer dan 2000

ton:

f 245,00

f 57,00

f 11,40


- van een schip van meer dan 500,

doch niet meer dan 2000 ton:

f 183,75

f 42,75

f 8,55


- van een ander schip of van

baggermaterieel:

f 122,50

f 28,50

f 5,70


2. voor de werknemer die aan

boord woont en geen gezin heeft:

f 100,00

f 23,00

f 4,60


b. aan boord van zeeschepen


- andere dan vissersschepen -

en op boorplatforms:


1. voor de werknemer die met zijn

gezin aan boord woont:

f 17,15


2. voor de werknemer die aan

boord woont en geen gezin heeft:


- voor een kapitein en voor een

officier:

f 8,10


- voor een andere werknemer:

f 4,05


c. aan boord van vissersschepen:

voor de werknemer die aan boord

woont en geen gezin heeft:

f 5,55


d. in pakwagens van kermis-

exploitanten:

voor de werknemer die in een pak-

wagen woont en geen gezin heeft:

f 100,00

f 23,00

f 4,60


e. voor de werknemer die niet is

aangeduid in de onderdelen a, b, c

en d:

nihil

nihil

nihil

C.5. In onderdeel a van het zevende lid worden f 27,50, f 6,25 en f 1,25 vervangen door respectievelijk f 29, f 6,75 en f 1,35.

C.6. In onderdeel b van het zevende lid worden f 56,50, f 13,00 en f 2,60 vervangen door respectievelijk f 54,50, f 12,50 en f 2,50.

C.7. In onderdeel c van het zevende lid worden f 31,25, f 7,25 en f 1,45 vervangen door respectievelijk f 30,25, f 7,00 en f 1,40.

C.8. In onderdeel d van het zevende lid worden f 18,50, f 4,25 en f 0,85 vervangen door respectievelijk f 19,50, f 4,50 en f 0,90.

C.9. In onderdeel e van het zevende lid worden f 10,75, f 2,50 en f 0,50 vervangen door respectievelijk f 12,00, f 2,75 en f 0,55.

C.10. In het negende lid worden f 64,25, f 14,75 en f 2,95 vervangen door respectievelijk f 65,50, f 15,00 en f 3,00.

C.11. In het tiende lid worden f 720, f 44,50, f 10,25, en f 2,05 vervangen door respectievelijk f 660,00, f 41,00, f 9,50 en f 1,90.

D. In artikel 14 wordt na het eerste lid, onder vernummering van het tweede en derde lid in respectievelijk derde en vierde lid, ingevoegd:


2. De waarde van het recht op vermindering tot maximaal 50% van de prijs van vervoerbewijzen voor het reizen per Nederlands openbaar vervoer in hoofdzaak buiten de ochtendspits (voordeelurenkaart) wordt gesteld op nihil indien niet aannemelijk is dat de voordeelurenkaart niet mede dient tot verwerving van het loon of voor woon-werkverkeer.

E.1. In artikel 17, tweede lid, wordt de tabel vervangen door:

reisafstand

meer dan

doch niet

bedrag per

bedrag per

meer dan

maand

week


-

10 km


-


-

10 km

15

f 95,00

f 21,96

15

20

130,84

30,20

20

30

223,36

51,56

30

40

275,84

63,68

40

50

360,00

83,08

50

60

400,84

92,52

60

70

445,00

102,72

70

80

460,00

106,16

80


-

466,68

107,72

E.2. In het tweede lid, onderdeel b, worden f 0,56, f 452,52 en f 104,44 vervangen door respectievelijk f 0,58, f 466,68 en f 107,72.

E.3. In het vijfde lid, onderdeel b, worden f 452,52 en f 104,44 vervangen door respectievelijk f 466,68 en f 107,72.

E.4. In het vijfde lid, onderdeel c, worden f 452,52 en f 104,44 vervangen door respectievelijk f 466,68 en f 107,72.

F. In artikel 24, eerste lid, vervalt: artikel 20a, derde lid, van de wet,.

G. Artikel 31a komt te luiden:

Artikel 31a. 1. De artikelen 23, 23a, 25, 27 en 31 zijn niet van toepassing ten aanzien van:


a. de werknemer die van de inhoudingsplichtige geen ander loon geniet dan de subsidie, bedoeld in artikel 2 van de Regeling compensatie inkomensachteruitgang ex-banenpoolers;


b. de werknemer die van de inhoudingsplichtige in het kalenderjaar geen ander loon geniet dan de premie, bedoeld in artikel 4, tweede lid, van het Besluit in- en doorstroombanen.


2. De belasting met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde loonbestanddelen wordt geheven naar tariefgroep 0.

H. In artikel 33 wordt artikel 7, eerste lid, onderdeel c, van het besluit vervangen door: artikel 7, eerste lid, onderdelen c en d, van het besluit.

I.1. In artikel 35a, onderdeel d, wordt de subsidie, bedoeld in artikel 2 vervangen door: subsidies als bedoeld in artikel
2.

I.2. Aan het artikel wordt, onder vervanging van de punt aan het slot door een puntkomma, toegevoegd:


e. premies als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van het Besluit in- en doorstroombanen.

J. In artikel 36, eerste lid, onderdeel d, wordt en door de inhoudingsplichtige in eigen beheer worden gehouden vervangen door: , voorzover deze door de inhoudingsplichtige in eigen beheer worden gehouden.

K. In artikel 36a, onderdeel e, worden f 1,30 en f 6,50 vervangen door respectievelijk f 1,20 en f 6,00.

L. Artikel 36b komt te luiden:

Artikel 36b. Ter bevordering van een goede uitvoering van hoofdstuk V van de wet wordt in afwijking van de artikelen 6 en 7 van de wet als inhoudingsplichtige aangewezen:


a. met betrekking tot subsidies, bedoeld in artikel 35a, onderdeel d, het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;


b. met betrekking tot premies, bedoeld in artikel 35a, onderdeel e, de gemeente die de premie verstrekt.

M. Het in bijlage A opgenomen model van de loonverdelingsverklaring artiesten wordt vervangen door het in bijlage I van deze regeling opgenomen model.

N. Het in bijlage B.1 opgenomen model van de loonbelastingverklaring wordt vervangen door het in bijlage II van deze regeling opgenomen model.

O. Het in bijlage D opgenomen model van de loonbelastingkaart wordt vervangen door het in bijlage III van deze regeling opgenomen model.

P. Het in bijlage E opgenomen model van de coderingslijst wordt vervangen door het in bijlage IV van deze regeling opgenomen model.

Q. Het in bijlage F opgenomen model van de loonbelastingkaart huispersoneel wordt vervangen door het in bijlage V van deze regeling opgenomen model.

Artikel III

De Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering3 wordt als volgt gewijzigd.
A. De in artikel 6, eerste lid, opgenomen tabel wordt vervangen door:

indien hij de

doch niet de

leeftijd heeft

leeftijd van

bereikt van

15 jaren

16 jaren:

f

9 385

16 jaren

17 jaren:

f

10 794

17 jaren

18 jaren:

f

12 360

18 jaren

19 jaren:

f

14 236

19 jaren

20 jaren:

f

16 427

20 jaren

21 jaren:

f

19 243

21 jaren

22 jaren:

f

22 685

22 jaren

23 jaren:

f

26 596

23 jaren

f

31 290

B.1. In artikel 9, eerste lid, wordt, onder verlettering van de onderdelen e, f en g in respectievelijk f, g en h, na onderdeel d een nieuw onderdeel e ingevoegd, luidende:


e. voor wie de inhoudingsplichtige subsidie ontvangt als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Wet sociale werkvoorziening;.

B.2. Het tot onderdeel h verletterde onderdeel g komt te luiden:

h. met wie de inhoudingsplichtige een dienstbetrekking is aangegaan in de zin van het Besluit in- en doorstroombanen.

B.3. In het derde lid wordt de onderdelen d, e of g vervangen door: de onderdelen d, f of h en wordt na gesubsidieerde arbeid ingevoegd: werkzaam is geweest.

B.4. Na het vierde lid wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:


5. In geval van overgang van een onderneming als bedoeld in artikel 662 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, overhandigt de inhoudingsplichtige bij het einde van de dienstbetrekking de verklaring langdurig werkloze aan de werknemer en behoudt hij zelf een kopie daarvan die hij bewaart bij de loonboekhouding. Bij toepassing van de vorige volzin is de afdrachtvermindering langdurig werklozen van toepassing gedurende de in artikel 8, tweede lid, van de wet genoemde termijn van ten hoogste 48 maanden, verminderd met de periode gedurende welke door de inhoudingsplichtige die de onderneming overdraagt, de verklaring langdurig werklozen is toegepast.

C. Artikel 10 komt te luiden:

Artikel 10. Met een langdurig werkloze voor wie een verklaring langdurig werkloze kan worden afgegeven, wordt tevens gelijkgesteld de werknemer of aanstaande werknemer die binnen drie maanden na beëindiging van werkzaamheden als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdelen d tot en met h, een niet onder die bepalingen vallende dienstbetrekking heeft aanvaard.

D.1. In artikel 12b, vierde lid, wordt het percentage dat de uitgaven van het fonds voor scholing in het voorafgaande kalenderjaar uitmaken van de totale uitgaven van het fonds vervangen door: het percentage dat de kosten en lasten van het fonds voor scholing in het voorafgaande kalenderjaar uitmaken van de totale kosten en lasten alsmede reserveringen van het fonds in dat jaar, met dien verstande dat kosten en lasten van het fonds die rechtstreeks worden doorbelast aan derden, buiten aanmerking blijven.

D.2. In het vijfde lid vervalt: voor 1 april van het kalenderjaar.

D.3. Na het zesde lid wordt toegevoegd:


7. Indien de in een loontijdvak betaalde kosten van scholing van de bij de inhoudingsplichtige werkzame personen betrekking hebben op een periode die langer is dan het desbetreffende loontijdvak, mag voor de toepassing van de afdrachtvermindering scholing de betaling tijdsevenredig aan de desbetreffende loontijdvakken worden toegerekend.

Artikel IV

De Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 19944 wordt als volgt gewijzigd.

A. Artikel 6, eerste lid, onderdeel b, vervalt. De onderdelen c en d worden geletterd b en c,.

B. In artikel 26, eerste lid, wordt , de grondwaterbelasting, de afvalstoffenbelasting, de brandstoffenbelasting, de belasting op uranium-235 en de regulerende energiebelasting vervangen door: alsmede de in artikel 1 van de Wet belastingen op milieugrondslag genoemde belastingen.

C. In artikel 28, tweede lid, onderdeel b, wordt artikel 1, tweede lid, onderdeel e, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990, het kalenderhalfjaar vervangen door: artikel 1, tweede lid, onderdeel f, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990, het kalenderjaar.

D. Bijlage LB106 vervalt.

Artikel V

De Uitvoeringsregeling Invorderingswet 19905 wordt als volgt gewijzigd.

A.1. In artikel 6, vierde lid, wordt artikel 26, negende lid, van de wet vervangen door: artikel 26, tiende lid, van de wet.

A.2. In artikel 6, tiende lid, wordt artikel 26, zevende lid, van de wet vervangen door: artikel 26, achtste lid, van de wet.

B.1. In artikel 6a, zesde lid, wordt artikel 26, zevende lid, van de wet vervangen door: artikel 26, achtste lid, van de wet.

B.2. In artikel 6a, achtste lid, wordt artikel 26, achtste lid, van de wet vervangen door: artikel 26, negende lid, van de wet.

C. In artikel 20 wordt grondwaterbelasting, afvalstoffenbelasting, brandstoffenbelasting, belasting op uranium-235, regulerende energiebelasting vervangen door: van de in artikel 1 van de Wet belastingen op milieugrondslag genoemde belastingen.

Artikel VI

In artikel 2 van de Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 19716 wordt 7 percent vervangen door: 6,5 percent.

Artikel VII

De Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving7 wordt als volgt gewijzigd.

A. In artikel 17 wordt de in artikel 13 gestelde termijn vervangen door: de in artikel 16 gestelde termijn.

B. In artikel 18a wordt op de voet van artikel 11, elfde lid, van de wet vervangen door: op de voet van artikel 11, twaalfde lid, van de wet.

C.De bij de Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving behorende bijlagen I, II en III worden vervangen door de bij deze regeling behorende bijlagen I, II en III.

Artikel VIII

Artikel II en artikel VII, onderdeel c, van de regeling van 24 december 1997, nr. WDB97/596M, Stcrt. 250, vervallen.

Artikel IX

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2000 met dien verstande dat de artikelen I, onderdeel F, II, onderdeel H, en III, onderdeel D.3., terugwerken tot en met 1 januari 1999 en de onderdelen A en B van artikel V, terugwerken tot en met 1 januari 1997.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlagen I tot en met V van de Regeling LB 1990 en de bijlagen I, II en III van de Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving, die ter inzage liggen bij de Afdeling Bibliotheek en Documentatie van de Centrale directie Voorlichting van het Ministerie van Financiën.

De Staatssecretaris van Financiën,

Toelichting

Een aantal van de in de artikelen I, II en III van deze regeling opgenomen wijzigingen van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990 (hierna: Regeling IB 1990), de Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990 (hierna: Regeling LB 1990) en de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering strekken ertoe de in de desbetreffende artikelen opgenomen bedragen te actualiseren per 1 januari 2000.

Het gaat daarbij om het volgende:

* artikel 4a Regeling IB 1990 (afwijking forfaitair rendement blooteigendom e.d.);

* artikel 8 Regeling IB 1990 (reiskostenaftrekforfait ter zake van openbaar vervoer);

* artikel 12 Regeling IB 1990 (buitengewone-lastenaftrek ter zake van kleding en beddengoed);

* artikel 14 Regeling IB 1990 (buitengewone-lastenaftrek ter zake van kinderopvang);

* artikel 14a Regeling IB 1990
(buitengewone-lastenaftrek/giftenaftrek ter zake van reizen;
* artikel 6 Regeling LB 1990 (vergoedingen ter zake van kinderopvang);

* artikel 10, vierde lid, onderdeel b, Regeling LB 1990 (maximumbedrag voor een aanspraak ingevolge een ziektekostenregeling);

* artikel 11, eerste lid, Regeling LB 1990 (waarderingsvoorschriften voor kost en inwoning en maaltijden);

* artikel 11, zesde lid, Regeling LB 1990 (waarderingsvoorschriften voor huisvesting aan boord van schepen en baggermaterieel, op boorplatforms en in pakwagens van kermisexploitanten);
* artikel 11, zevende lid, Regeling LB 1990 (waarderingsvoorschriften voor waarde van bewassing, energie en water);

* artikel 11, negende lid, Regeling LB 1990 (waarderingsvoorschriften voor de kleding van een in de onderneming van de ouder meewerkend kind);

* artikel 11, tiende lid, Regeling LB 1990 (waarderingsvoorschrift voor een in de woning ter beschikking gestelde telefoon);
* artikel 17 Regeling LB 1990 (reiskostenaftrekforfait ter zake van openbaar vervoer);

* artikel 36a, onderdeel e, Regeling LB 1990 (vergoedingen consumpties);

* artikel 6 van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering (aanpassing toetsbedragen ter zake van de inkomensevenredige berekening van de afdrachtvermindering, ingeval het loon niet per tijdseenheid wordt berekend).

Daarnaast zijn in de artikelen I, II en III enige andere wijzigingen opgenomen. Deze worden hierna in het kort aangeduid:
* artikel 6, eerste lid, onderdeel h, en tweede lid , Regeling IB 1990 (wijziging naam van de regeling waarnaar verwezen wordt);
* artikel 9, eerste lid, Regeling IB 1990 (wijziging buitengewone-lastenaftrek voor kinderen jonger dan 27 jaar in verband met de Wet beperking export uitkeringen);
* artikel 19 Regeling IB (buiten beschouwing laten uitkeringen ingevolge de Wet inkomensvoorziening kunstenaars bij beoordeling opleggen verplichte aanslag in de inkomstenbelasting)
* artikel 10, eerste en tweede lid, en artikel 36 Regeling LB 1990 (redactionele aanpassing met betrekking tot aanspraken die gedeeltelijk in eigen beheer worden gehouden);
* artikel 11, vierde, Regeling LB 1990 (technische wijziging);
* artikel 14 Regeling LB 1990 (nihilwaardering verstrekking voordeelurenkaart);

* artikel 31a, 35a, onderdeel e, en 36b Regeling LB 1990 (wijzigingen in verband met het onder de eindheffing brengen van uitstroompremies);

* artikel 33 Regeling LB 1990 (opnemen WIK-uitkeringen);
* artikel 35a, onderdeel d, Regeling LB 1990 (redactionele aanpassing).

Tenslotte worden de in de bijlagen A, B.1, D, E en F van de Regeling LB 1990 opgenomen modellen (respectievelijk de
loonverdelingsverklaring artiesten, de loonbelastingverklaring, de loonbelastingkaart, de coderingslijst en de loonbelastingkaart huispersoneel) vervangen door nieuwe modellen (artikel II, onderdelen M, N, O, P en Q).

In de onderhavige regeling zijn voorts in de artikelen I en II wijzigingen opgenomen die voortvloeien uit de Wet houdende wijziging van belastingwetten c.a. (belastingplan 2000). Het betreft de volgende wijzigingen:

* artikel 14, eerste en vijfde lid, Regeling IB 1990 (verhoging van het plafond van de aftrekbare uitgaven voor kinderopvang van 11 053 naar 19 050 voortvloeiend uit verhoging van het plafond in artikel 46, elfde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en invulling van 50 miljoen door verlaging van de drempels ter uitvoering van de motie de Graaf c.s.);

* artikel 6, vierde lid, Regeling IB 1990 (verruiming van het maximaal te vergoeden bedrag voor opvang bij de werknemer thuis van 11 053 naar 19 050 voortvloeiend uit verruiming van het bedrag in artikel 11, eerste lid, onderdeel n, van de Wet op de loonbelasting 1964)

Hierna worden de wijzigingen voor zover nodig nader toegelicht.

Artikel I, onderdelen A.1. en A. 2. (artikel 3b, derde en vierde lid, van de Regeling IB 1990)

De scholingsaftrek heeft betrekking op kosten en lasten die de belastingplichtige maakt voor scholing van in de onderneming werkzame personen. Met ingang van 1 januari 1999 worden ook bijdragen van een belastingplichtige aan zogenoemde scholingsfondsen, voorzover benut voor scholing, begrepen onder de kosten van scholing. Het derde tot en met vijfde lid van artikel 3b geven invulling aan de in artikel 11c, vijfde lid, van de wet opgenomen bevoegdheid om bij ministeriële regeling regels ter bevordering van een goede uitvoering hieromtrent te stellen. Het derde lid geeft een rekenregel teneinde te bepalen welk deel van de bijdrage van een belastingplichtige aan een fonds mag worden aangemerkt als door het fonds benut voor scholing. Aangesloten is bij de verhouding tussen de scholingsuitgaven van het fonds en de totale uitgaven van het fonds in het voorafgaande kalenderjaar. Dit leidt ertoe dat in het geval door een fonds van de totaal ontvangen bijdragen slechts een gering bedrag wordt besteed aan daadwerkelijke scholingsuitgaven, en dit tevens alle uitgaven van het fonds zijn (het restant van de bijdragen wordt gereserveerd), de afgedragen bijdragen toch voor 100% kwalificeren. Bij de totstandkoming van de regeling is echter niet beoogd om ook gereserveerde bedragen te laten kwalificeren. Een ander aspect is dat posten waarvan vaststaat dat ze op meerdere jaren betrekking hebben, bijvoorbeeld een forse investering door een fonds in computers, door de term uitgaven in één jaar in aanmerking worden genomen en op die wijze het percentage beïnvloeden. Om dit laatste te ondervangen, wordt uitgaven van het fonds vervangen door kosten en lasten. Het eerste punt -de reserveringen- wordt ondervangen door in de noemer van de rekenregel tevens eventuele reserveringen op te nemen. Voorts blijkt in de praktijk onduidelijkheid te bestaan over het in aanmerking nemen van uitgaven in situaties waarin een fonds in feite voor rekening van een derde projecten verzorgt. Dit doet zich bijvoorbeeld voor indien een fonds een bijdrage van bij voorbeeld de Europese Gemeenschap voor een algemeen scholingsproject voor werklozen ontvangt en deze bijdrage daarvoor ook aanwendt (dit kwalificeert niet als scholingskosten in de zin van de regeling). Met het oog op dergelijke situaties worden tot de kosten en lasten van het fonds niet gerekend kosten en lasten die in feite niet op het fonds drukken, bijvoorbeeld omdat deze rechtstreeks in rekening worden gebracht bij derden, of omdat daarvoor een subsidie wordt genoten.

Ingevolge het vierde lid wordt het in het derde lid bedoelde percentage voor 1 april van het kalenderjaar bekendgemaakt in de Staatscourant. Een belangrijke reden om de datum van 1 april in de regeling op te nemen, was dat voor de afdrachtvermindering scholing eveneens afdrachten aan scholingsfondsen in aanmerking kunnen worden genomen (artikel 15a, vierde lid, van de WVA en artikel 12b van de uitvoeringsregeling afdrachtvermindering). Nu in het afgelopen jaar is gebleken dat er in de non-profit sector op dit moment nog geen fondsen zijn die voor de regeling kwalificeren, is het niet meer noodzakelijk om voor 1 april te publiceren. Voorts is gebleken dat fondsen in de profit-sector die mogelijk wel kwalificeren voor de regeling niet in staat zijn om voor de genoemde datum de vereiste jaarstukken zoals de jaarafrekening van het voorafgaande kalenderjaar, te overleggen. Aangezien is gebleken dat de laatstgenoemde fondsen hiertoe pas in de loop van het derde kwartaal in staat zijn, is de datum van 1 april niet meer in de regeling opgenomen.

Artikel I, onderdelen C.1 en C.2. (artikel 6, eerste lid, onderdeel h, en tweede lid van de Regeling IB 1990)

De wijziging van artikel 6, eerste lid, onderdeel h, is van technische aard. De Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 1999 zal met ingang van 1 januari 2000 op een onderdeel worden aangepast en geschikt gemaakt voor het jaar 2000; daarbij zal de citeertitel wijzigen in de Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 2000.

Ook de wijziging van artikel 6, tweede lid, is van technische aard. De citeertitel van de Regeling tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende meervoudige en ernstig lichamelijk gehandicapte kinderen zal met ingang van 1-1-2000 wijzigen in de Regeling tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende gehandicapte kinderen 2000.

Artikel I, onderdeel E (artikel 9, eerste lid, van de Regeling IB 1990)

De wijziging van artikel 9, eerste lid, houdt verband met de wijziging van artikel 46, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de wet, in verband met de wijzigingen ingevolge de Wet beperking export uitkeringen. Ingevolge de Wet beperking export uitkeringen is een nieuw artikel 7b opgenomen in de Algemene Kinderbijslagwet. Dit artikel bewerkstelligt dat er geen recht op kinderbijslag bestaat of dat het recht eindigt indien de uitkeringsgerechtigde of diens kind buiten Nederland gaat wonen. Voor deze groep is ook het recht op de in artikel 46, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de wet opgenomen aftrek voor uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud van kinderen die jonger zijn dan 27 jaar uitgesloten. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar het voorstel van wet tot wijziging van enkele belastingwetten (technische aanpassingen).

Artikel I, onderdeel F (artikel 10a van de Uitvoeringsregeling IB 1990)

Het nieuwe artikel 10a van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1964 ziet op de uitwerking van de delegatiebepaling opgenomen in artikel 46, achttiende lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Deze uitwerking is in overleg met de Gehandicaptenraad en het Werkverband organisaties chronisch zieken tot stand gekomen. Artikel 10a regelt dat de extra uitgaven voor levensonderhoud van een tijdelijk bij ouders of verzorgers verblijvend gehandicapt kind in aanmerking worden genomen. Het moet gaan om een kind dat, gelet op zijn beperkingen, doorgaans in een intramurale inrichting verblijft. De extra uitgaven waar de ouders of verzorgers van een dergelijk kind mee kunnen worden geconfronteerd en die in natura aan het kind worden verstrekt, zijn ondergebracht in twee categorieën.

De eerste categorie ziet op algemene extra uitgaven. Omdat het een veelheid van verschillende veelal kleine uitgaven betreft, zijn deze uitgaven forfaitair bepaald op f 18 per dag van tijdelijk verblijf bij de ouders of verzorgers. Ook de dag waarop het kind wordt gehaald of gebracht en de dag waarop het kind teruggaat naar de intramurale inrichting, worden voor de toepassing van deze regeling als gehele dag in aanmerking genomen.

De tweede categorie ziet op de extra vervoerskosten per auto. Deze kunnen in aanmerking worden genomen omdat ouders of verzorgers in voorkomende gevallen extra kilometers rijden tussen hun woonplaats en de intramurale inrichting om het kind te kunnen halen en brengen. Voor het vervoer van het kind over de reisafstand tussen de woonplaats van de ouders of verzorgers en de plaats waar het kind doorgaans verblijft, kan een bedrag per kilometer in aanmerking worden genomen. Ook deze uitgaven zijn forfaitair bepaald. Voor het bedrag is aangesloten bij het in de sfeer van de buitengewonelasten- en giftenaftrek bekende forfaitair vastgestelde bedrag voor autokilometers. Omdat deze bepaling terugwerkt tot 1 januari 1999 betekent het dat over het jaar 1999 f 0,34 per kilometer in aanmerking kan worden genomen. Met ingang van 1 januari 2000 wordt dat f 0,35 per kilometer. Als de ouders of verzorgers in een weekend het kind ophalen en weer terugbrengen wordt de (enkele) reisafstand 4 maal afgelegd, zodat 4 maal de reisafstand in aanmerking wordt genomen. Andere (extra) vervoerskosten kunnen niet volgens deze regeling in aftrek worden gebracht. Volledigheidshalve zij opgemerkt dat uitgaven die ingevolge deze regeling in aanmerking worden genomen, indien de uitgaven daarvoor in aanmerking komen, niet tevens ingevolge artikel 46, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 in aanmerking kunnen worden genomen.

Artikel I, onderdeel J (artikel 19 van de Regeling IB90)

De wijziging van dit artikel strekt ertoe bij de beoordeling of een verplichte aanslag in de inkomstenbelasting moet worden opgelegd, naast de uitkeringen ingevolge de Algemene bijstandswet, ook de uitkeringen ingevolge de Wet inkomensvoorziening kunstenaars buiten beschouwing te laten.

Artikel II, onderdelen B.1 en B.2 (artikel 10, eerste en tweede lid, van de Regeling LB 1990)

Deze wijziging is bedoeld als verduidelijking met betrekking tot aanspraken die gedeeltelijk in eigen beheer worden gehouden. Dit kan zich bij voorbeeld voordoen bij gemeenten, waarbij de aanspraken ingevolge een ziektekostenregeling gedeeltelijk zijn ondergebracht bij de IZA en gedeeltelijk, met name voor wat betreft de zogenoemde 1%-regelingen, in eigen beheer worden gehouden. Met de wijziging wordt buiten twijfel gesteld dat de in deze bepaling geregelde waarderingsmethode van toepassing is voorzover de aanspraken in eigen beheer worden gehouden.

Artikel II, onderdeel C.3. (artikel 11, vierde lid, van de Regeling LB 1990)

De wijziging van het vierde lid betreft een wijziging van technische aard welke ertoe strekt een verschrijving te herstellen. Door de wijziging wordt de tekst van het vierde lid in overeenstemming gebracht met de tekst van de in het Besluit beloningen in natura opgenomen regeling voor therapeutisch mee-eten welke per 1 januari 1997 in artikel 11, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990 is opgenomen.

Artikel II, onderdeel D (artikel 14 van de Regeling LB 1990)

Het in het nieuwe tweede lid van artikel 14 opgenomen waarderingsvoorschrift strekt ertoe door de werkgever verstrekte voordeelurenkaarten op nihil te waarderen indien deze, afgezien van het woon-werkverkeer, mede ten behoeve van het werk worden gebruikt. In dergelijke gevallen bestaat er aanleiding om een lagere waarde dan de waarde in het economische verkeer in aanmerking te nemen. Een voor al die gevallen geldende waardering kan mede om doelmatigheidsredenen niet anders dan op nihil worden gesteld. Bijkomende voordelen van zeer ondergeschikte betekenis, zoals korting op de aanschafprijs van een dienstregeling of de toegangsprijs voor een museum, staan aan toepassing van dit waarderingsvoorschrift (nihilwaardering) niet in de weg. De nihilwaardering van de verstrekte voordeelurenkaart is echter niet van toepassing indien deze kaart uitsluitend is verstrekt ten behoeve van privégebruik door de werknemer en ten behoeve van het woon-werkverkeer. Het ligt voor de hand dat naast een onbelaste vergoeding voor woon-werkverkeer niet tevens een onbelaste voordeelurenkaart kan worden verstrekt voor ditzelfde woon-werkverkeer. Tevens is het vanzelfsprekend dat, indien een werknemer voor zakelijke reizen gebruik maakt van een voordeelurenkaart als bedoeld in dit waarderingsvoorschrift, de werkgever niet meer dan de gekorte aanschafprijs van het betreffende plaatsbewijs onbelast kan vergoeden. De formulering van de onderhavige bepaling is mede ontleend aan artikel 11, eerste lid, onderdelen u en v, van de Wet op de loonbelasting 1964.

Artikel II, onderdeel F (artikel 24 van de Regeling LB 1990)

De in dit onderdeel opgenomen wijziging betreft een wijziging van technische aard die verband houdt met het vervallen van artikel 20a, derde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 in verband met het afschaffen van het aparte tarief voor buitenlandse belastingplichtigen (Wet van 17 december 1998, Staatsblad 724). De in artikel 24 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990 opgenomen verwijzing naar artikel 20a, derde lid, van bedoelde wet komt hierdoor te vervallen.

Artikel II, onderdelen G, I.2 en L (artikel 31a, 35a, onderdeel e, en 36b van de Regeling LB 1990)

De onderhavige wijzigingen strekken ertoe de eenmalige uitstroompremie die wordt verstrekt aan de werknemer die vanuit een gesubsidieerde in- en doorstroombaan uitstroomt naar een reguliere niet-gesubsidieerde baan onder de eindheffing te brengen en in verband daarmee enkele aanpassingen te doen.

Aan een werknemer die meer dan twee jaar werkzaam is geweest in een zogenoemde in- en doorstroombaan (ID-baan) kan door de gemeente een uitstroompremie worden verstrekt op grond van artikel 4, tweede lid, van het Besluit in- en doorstroompremies. Een werknemer komt pas in aanmerking voor de premie, indien hij is uitgestroomd door het gaan verrichten van reguliere arbeid, die al tenminste een half jaar duurt in een of meerdere dienstverbanden en waarbij verwacht kan worden dat het verrichten van werkzaamheden enige continuïteit heeft. De premie is eenmalig en wordt ineens verstrekt. Om te voorkomen dat de stimulerende effecten van de uitstroompremie teniet worden gedaan door negatieve effecten op inkomensafhankelijke uitkeringen is in artikel 4 van voornoemd besluit tevens bepaald dat de over de premie verschuldigde loon- en inkomstenbelasting en de premie voor de volksverzekeringen voor rekening komen van de gemeente en dat de premie buiten beschouwing wordt gelaten bij de bepaling van de hoogte van inkomensafhankelijke publiekrechtelijke uitkeringen zoals huursubsidie. In verband hiermee wordt thans in artikel 35a, onderdeel e, de premie aangewezen als uitkering in de zin van artikel 31, tweede lid, onderdeel c, Wet loonbelasting 1964. Hierdoor wordt de over de uitstroompremie verschuldigde belasting en premie volksverzekeringen bij wijze van eindheffing geheven van de gemeente. Een en ander heeft tot gevolg dat de werknemer zelf geen belasting en premie volksverzekeringen verschuldigd is over de uitstroompremie en dat deze premie geen deel uitmaakt van zijn belastbaar inkomen. In verband hiermee hoeft de werknemer de uitstroompremie niet aan te geven bij zijn aangifte inkomstenbelasting. De uitstroompremie heeft zo ook geen invloed op de aanspraak op huursubsidie en andere van het belastbaar inkomen afhankelijke regelingen.

De uitstroompremie is als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking belast. Inhoudingsplichtige is de werkgever in de ID-baan. Dit kan de gemeente zijn, maar ook een andere instelling in de collectieve of non-profitsector. Vanuit een oogpunt van goede uitvoerbaarheid van de eindheffing is het van belang dat in alle gevallen de gemeente die de uitstroompremie verstrekt inhoudingsplichtige met betrekking tot die premie is. In verband hiermee is voor zoveel nodig in artikel 36b, in afwijking van artikel 6 en 7 van de wet, de gemeente die de premie verstrekt als inhoudingsplichtige aangewezen.

In artikel 31a is bepaald dat een aantal administratieve verplichtingen niet van toepassing zijn ten aanzien van de werknemer met betrekking tot de uitstroompremie. Dit houdt net als bij de in onderdeel a van dit artikel genoemde subsidie, verband met de wijze van heffing in de vorm van eindheffing. Voorts is in het tweede lid bepaald dat de werknemer voor de heffing over de in het eerste lid bedoelde loonbestanddelen dient te worden ingedeeld in tariefgroep 0. Hoewel dit ook reeds voorvloeit uit het eerste lid in combinatie met de toepassing van artikel 29, tweede lid, van de wet is teneinde ieder misverstand uit te sluiten uitdrukkelijk bepaald dat de heffing (bij wege van eindheffing) over de subsidie voor de ex-banenpoolers en over de uitstroompremie geschiedt naar tariefgroep 0.

Artikel II, onderdeel H (artikel 33 van de Regeling LB 1990)

De wijziging van artikel 33 bewerkstelligt dat de inhoudingsplichtige gemeente met betrekking tot uitkeringen volgens de Wet inkomensvoorziening kunstenaars geen loonbelastingverklaring behoeft uit te reiken en geen loonstaat behoeft bij te houden.

Artikel II, onderdeel J (artikel 36 van de Regeling LB 1990)

Deze wijziging hangt samen met de wijzigingen van artikel 10, eerste en tweede lid, van de Regeling LB 1990. Hierdoor wordt buiten twijfel gesteld dat de in deze bepaling geregelde eindheffing mede is bedoeld voorzover het eigen beheersgedeelten van aanspraken ingevolge een ziektekostenregeling betreft.

Artikel III, onderdeel B (artikel 9 van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering)

In de eerste plaats is nu formeel geregeld dat ook iemand die in het kader van de Wet sociale werkvoorziening (Wsw) begeleid werkt (de werknemer (of aanstaande werknemer) voor wie de inhoudingsplichtige subsidie ontvangt als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Wsw) voor de verklaring langdurig werkloze in aanmerking komt. Tot heden was dit alleen geregeld voor iemand die in een dienstbetrekking in de zin van artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van de Wsw werkzaam was. Dit was feitelijk niet zo beoogd. Tot heden was dit niet echt een probleem, omdat Wswers bij de aanvang van het begeleid werken arbeidsgehandicapte zullen zijn, waardoor ze op grond daarvan toch al in aanmerking komen voor de verklaring. Nu het aantal mensen dat in het kader van de Wsw begeleid werkt, toeneemt en de overstap (doorstroom) van een dienstbetrekking naar begeleid werken viceversa en binnen een dienstbetrekking of begeleid werken vaker aan de orde is, is het gewenst deze omissie thans te herstellen.

Voorts is artikel 9, eerste lid, onderdeel h (voorheen onderdeel g) gewijzigd aangezien de Regeling in- en doorstroombanen voor langdurig werklozen per 1 januari 2000 is vervangen door het Besluit in- en doorstroombanen.
Tenslotte is in het nieuwe vijfde lid geregeld dat, in geval van overgang van een onderneming als bedoeld in artikel 662 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, het recht op de afdrachtvermindering langdurig werklozen voor de werknemers gewoon doorloopt bij de nieuwe onderneming. In de praktijk zijn hieromtrent wel eens problemen ontstaan, omdat er bij overname van een onderneming of bij overgang van eenmansbedrijf naar een besloten vennootschap fiscaalrechtelijk gezien een nieuwe dienstbetrekking ontstaat. Bij een nieuwe dienstbetrekking eindigt dan het recht op de afdrachtvermindering langdurig werkloze. Een nieuw recht kan niet ontstaan aangezien er geen sprake meer is van langdurige werkloosheid. Om dit probleem op te lossen is aan artikel 9 van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering een vijfde lid toegevoegd. In het vervolg wordt in de hiervoor beschreven situatie de werknemer gelijkgesteld aan een langdurig werkloze. Voorts wordt de termijn van de verklaring (zijnde 48 maanden) verminderd met de periode van de vorige dienstbetrekking. Tenslotte is bepaald dat de inhoudingsplichtige aan het eind van de dienstbetrekking de verklaring overhandigt aan de werknemer en zelf een kopie behoudt in zijn administratie.

Artikel III, onderdeel C (artikel 10 van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering)

In artikel 10 is de verwijzing naar het Tijdelijk besluit subsidiering experimenten activering van uitkeringsgelden en de Regeling extra werkgelegenheid voor langdurig werklozen 1997, 1998 en 1999 vervallen, omdat deze regelingen zijn ingetrokken. De overige wijzigingen van artikel 10 zijn een gevolg van de in artikel 9 aangebrachte wijzigingen.

Artikel III, onderdelen D.1. en D.2. (artikel 12b, vierde en vijfde lid, van de Regeling WVA 1990)

Ingevolge artikel 15a, vierde lid, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen kunnen bijdragen van de inhoudingsplichtige aan zogenoemde scholingsfondsen, voorzover benut voor scholing, kwalificeren als kosten van scholing. In artikel 12b, vierde lid, van de Regeling WVA is opgenomen hoe wordt bepaald welk deel van de bijdrage aan een fonds mag worden aangemerkt als door het fonds benut voor scholing. Aangesloten is bij de verhouding tussen de scholingsuitgaven van het fonds en de totale uitgaven van het fonds in het voorafgaande kalenderjaar. Dit leidt ertoe dat in het geval door een fonds van de totaal ontvangen bijdragen slechts een gering bedrag wordt besteed aan daadwerkelijke scholingsuitgaven, en dit tevens alle uitgaven van het fonds zijn (het restant van de bijdragen wordt gereserveerd), de afgedragen bijdragen toch voor 100% kwalificeren. Bij de totstandkoming van de regeling is echter niet beoogd om ook gereserveerde bedragen te laten kwalificeren. Een ander aspect is dat posten waarvan vaststaat dat ze op meerdere jaren betrekking hebben, bijvoorbeeld een forse investering door een fonds in computers, door de term uitgaven in één jaar in aanmerking worden genomen en op die wijze het percentage beïnvloeden. Om dit laatste te ondervangen, wordt uitgaven van het fonds vervangen door kosten en lasten. Het eerste punt - de reserveringen - wordt ondervangen door in de noemer van de rekenregel tevens eventuele reserveringen op te nemen. Voorts blijkt in de praktijk onduidelijkheid te bestaan over het in aanmerking nemen van uitgaven in situaties waarin een fonds in feite voor rekening van een derde projecten verzorgt. Dit doet zich bijvoorbeeld voor indien een fonds een bijdrage van bijvoorbeeld de Europese Gemeenschap voor een algemeen scholingsproject voor werklozen ontvangt en deze bijdrage daarvoor ook aanwendt (dit kwalificeert niet als scholingskosten in de zin van de regeling). Met het oog op dergelijke situaties worden tot de kosten en lasten van het fonds niet gerekend kosten en lasten die in feite niet op het fonds drukken, bijvoorbeeld omdat deze rechtstreeks in rekening worden gebracht bij derden, of omdat daarvoor een subsidie wordt genoten.

Ingevolge het vijfde lid wordt het in het vierde lid bedoelde percentage voor 1 april van het kalenderjaar bekendgemaakt in de Staatscourant. Met het oog op de uitvoering is bij de totstandkoming van deze regeling per 1 januari 1999, bij de afdrachtvermindering scholing voor de non profit-sector deze datum van 1 april opgenomen. Dezelfde datum is ook voor de scholingsaftrek in de profit-sector gehanteerd. Het afgelopen jaar is echter gebleken dat fondsen in de profit-sector niet in staat zijn om voor de genoemde datum de vereiste jaarstukken, zoals de jaarafrekening van het voorafgaande kalenderjaar, te overleggen. De laatstgenoemde fondsen zijn hiertoe pas in de loop van het derde kwartaal in staat. Om deze fondsen hierin tegemoet te komen is besloten de datum van 1 april voor de profit-sector te laten vervallen. In het afgelopen jaar is voorts gebleken dat er in de non-profit sector nog geen fondsen zijn die voor de regeling kwalificeren. Aangezien de noodzaak om voor 1 april te publiceren hierdoor op dit moment niet meer aanwezig is, is thans besloten ook voor de non-profit sector, in navolging van de regeling voor de profit-sector, de datum van 1 april te laten vervallen.

Artikel III, onderdeel D.3. (artikel 12b, zevende lid, van de Regeling WVA 1990)

De in dit onderdeel opgenomen wijziging biedt de mogelijkheid voor de toepassing van de afdrachtvermindering scholing de voor scholing vooruitbetaalde kosten toe te rekenen aan de desbetreffende loontijdvakken. Deze wijziging werkt terug tot en met 1 januari 1999.

Artikel IV, onderdelen A, C en D (artikelen 6 en 28 van de Regeling AWR 1994)

De wijzigingen, opgenomen in de onderdelen A, C en D, zien op een administratieve lastenverlichting voor inhoudingsplichtigen met betrekking tot huispersoneel. Door voor deze inhoudingsplichtigen het aangiftetijdvak te verlengen van een half jaar tot een jaar hoeft een dergelijke inhoudingsplichtige jaarlijks slechts eenmaal aangifte te doen in plaats van tweemaal. Voorts kan als gevolg hiervan de loonbelastingkaart huispersoneel sterk worden vereenvoudigd en kan het aparte aangiftebiljet voor de loonbelasting en premie ter zake van huispersoneel komen te vervallen. Met ingang van 1 januari 2000 wordt door inhoudingsplichtigen met betrekking tot huispersoneel aangifte gedaan volgens het aangiftebiljet voor bedrijfspersoneel.

Onderdeel A heeft tot gevolg dat met betrekking tot huispersoneel geen apart aangiftebiljet loonbelasting en premie wordt vastgesteld. De wijziging, opgenomen in onderdeel C, ziet enerzijds op het herstel van een onjuiste verwijzing naar de Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990 en anderzijds op een verlenging van het tijdvak waarover de loonbelasting ter zake van huispersoneel moet worden betaald van een kalenderhalfjaar naar een kalenderjaar.

Onderdeel D strekt ertoe het in de bijlage bij de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1964 opgenomen aangiftebiljet LB106 te doen vervallen.

Artikel IV, onderdeel B (artikel 26 van de Uitvoeringsregeling AWR 1994)

In onderdeel B wordt artikel 26, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 gewijzigd. Deze wijziging heeft tot gevolg dat het tijdvak waarover de belasting op leidingwater moet worden betaald, evenals voor bijvoorbeeld de overige belastingen op milieugrondslag, een kalendermaand is. Voorts is van de gelegenheid gebruik gemaakt om in het onderhavige artikel een zogenoemde dynamische verwijzing naar artikel 1 van de Wet belastingen op milieugrondslag op te nemen. Deze dynamische verwijzing komt in plaats van het opsommen van alle afzonderlijke belastingen op milieugrondslag.

Artikel V, onderdelen A en B (artikelen 6 en 6a van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990)

De onderdelen A en B zien op de aanpassing van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 aan de vernummering van een aantal leden van artikel 26 van de Invorderingswet 1990, ingevolge de wet die voortvloeit uit het wetsvoorstel houdende wijziging van enkele belastingwetten (technische aanpassingen), (kamerstukken II 1999-2000, 26 852), te weten de Wet van 16 december 1999, Stb. 556.

Artikel V, onderdeel C (artikel 20 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990)

De wijziging, opgenomen in onderdeel C, hangt samen met de introductie van een belasting op leidingwater. Deze aanpassing van artikel 20 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 maakt het mogelijk dat degene die de belasting op leidingwater is verschuldigd, voor kwijtschelding van de verschuldigde belasting in aanmerking kan komen. Voorts is van de gelegenheid gebruik gemaakt om in het onderhavige artikel een zogenoemde dynamische verwijzing naar artikel 1 van de Wet belastingen op milieugrondslag op te nemen. Deze dynamische verwijzing komt in plaats van het opsommen van alle afzonderlijke belastingen op milieugrondslag.

Artikel VI (artikel 2 van Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971)

Ingevolge artikel 9, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 wordt bij het bepalen van de winst bij de in artikel 2, eerste lid, onderdeel f, van die wet bedoelde ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen een door de Minister van Financiën te bepalen redelijke rente over het gehele vermogen aan het begin van het jaar als fictieve kosten in aftrek gebracht. Het percentage van deze redelijke rente is het laatst vastgesteld bij beschikking van 20 december 1996, Stcrt. 248, en bedraagt sindsdien 7. Voor de jaren tot en met 1999 werd het percentage berekend aan de hand van het gemiddelde van het effectieve beursrendement van openbare staatsleningen en de tarieven van de onderhandse leningen aan nutsbedrijven gedurende de laatste 15 jaar. Dit gemiddelde percentage werd vervolgens naar beneden afgerond op gehele procentpunten. Met ingang van 1999 zijn de tarieven van de onderhandse leningen aan nutsbedrijven niet langer openbaar beschikbaar. Om die reden worden deze tarieven niet langer meegenomen in de berekening van het percentage van de redelijke rente. Het onafgeronde percentage komt daardoor ongeveer 0,2 procentpunt lager te liggen. Aan de andere kant vindt voortaan de afronding op een meer nauwkeurige wijze plaats, namelijk op halve procentpunten, in plaats van op hele. Ook vindt de afronding niet langer altijd naar beneden plaats. Door de renteontwikkelingen van de laatste jaren wordt het percentage met inachtneming van de gewijzigde berekeningsmethode met ingang van 1 januari 2000 gewijzigd in 6,5.

Artikel VII (artikel 17 en 18a van Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving)

De aanpassing van artikel 18a betreft een vernummering die voortvloeit uit het onderbrengen van het energie-advies in de energie-investeringsaftrek. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om een omissie in artikel 17 te herstellen.

Voor verschillende vormen van willekeurige afschrijving is een aanmelding bij de belastingdienst ingevolge artikel 10, zevende lid, juncto elfde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 vereist. Artikel VII van deze regeling voorziet in de vervanging van de meldingsformulieren voor de willekeurige afschrijving immateriële activa, voor de willekeurige afschrijving op milieu-investeringen alsmede voor de willekeurige afschrijving op arbo-investeringen. Aanleiding voor de vervanging is de nieuwe naam van het bureau van de belastingdienst in Breda, namelijk Bureau Investeringsregelingen en willekeurige afschrijving (IRWA) en enkele wijzigingen in de vraagstelling op de formulieren.

Artikel VIII (Artikel II en artikel VII, onderdeel C, van de regeling van 24 december 1997, nr. WDB97/596M, Stcrt. 250)

Aangezien er een wettelijke voorziening is getroffen om de lokale lastenverlichting van f 100 met ingang van 1 januari 2000 te kunnen voortzetten, blijven de artikelen 229d, tweede lid, en 255a van de Gemeentewet van belang. Derhalve vervallen de artikelen II en VII, onderdeel c, van de regeling 24 december 1997, nr. WDB97/596M, Stcrt. 250, waarbij de verwijzing in artikel 14 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 naar de eerdergenoemde artikelen van de Gemeentewet met ingang van 1 januari 2000 zou komen te vervallen.

Artikel IX (inwerkingtredingbepaling)

In artikel IX is de inwerkingtreding van deze regeling geregeld. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2000. Voor artikel V, onderdelen A en B, is een uitzondering gemaakt. Deze onderdelen werken terug tot en met 1 januari 1997. Hiermee wordt bereikt dat de aanpassingen, opgenomen in die onderdelen, evenals de wijziging van artikel 26 van de Invorderingswet 1990 ingevolge de wet van 16 december 1999, Stb. 556, die voortvloeit uit het wetsvoorstel houdende wijziging van enkele belastingwetten (technische aanpassingen), (kamerstukken II 1999-2000, 26 852), toepassing kunnen vinden ter zake van aanslagen die verschuldigd zijn als gevolg van belastbare feiten in de zin van de Successiewet 1956 die hebben plaatsgevonden op of na 1 januari 1997.

Omdat de uitwerking van de delegatiebevoegdheid van artikel 46, achttiende lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 in de loop van 1999 gestalte heeft gekregen, is ervoor gekozen deze uitwerking reeds over het kalenderjaar 1999 van toepassing te laten zijn.

De Staatssecretaris van Financiën,

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie