|
Tweede Kamer der Staten Generaal
26673000.004 verslag adoptie door personen van hetzelfde geslacht
Gemaakt: 29-12-1999 tijd: 14:13
26 673 Wijziging van Boek 1van het Burgerlijk Wetboek (adoptie door
personen van hetzelfde geslacht)
nr. 4 Verslag
Vastgesteld 23 december 1999
De vaste commissie voor Justitie 1), belast met het voorbereidend
onderzoek van dit voorstel van wet tot wijziging, brengt als volgt
verslag van haar bevindingen.
Onder het voorbehoud dat de regering de gestelde vragen en gemaakte
opmerkingen tijdig zal hebben beantwoord, acht de commissie de
openbare beraadslaging over dit voorstel van wet voldoende voorbereid.
INHOUD
I Algemeen
II Memorie van toelichting
Algemeen
Inleiding
Werkingssfeer van het wetsvoorstel
Nieuwe voorwaarde voor adoptie
Verhouding tot bestaande voorwaarden voor adoptie
Verhouding tot gezamenlijk gezag
Sterke en zwakke adoptie
Gevolgen voor het internationaal privaatrecht
III Artikelsgewijze toelichting
I Algemeen
De leden van de PvdA-fractie hebben met instemming kennis genomen van
het wetsvoorstel waarbij adoptie door personen van hetzelfde geslacht
mogelijk wordt gemaakt.
De leden van de VVD-fractie hebben met instemming kennis genomen van
het voorliggende wetsvoorstel. De kwestie van adoptie door personen
van gelijk geslacht dient volgens deze leden te worden benaderd vanuit
het belang van het kind. De samenlevingsvorm waarin het kind opgroeit
behoort daaraan ondergeschikt te zijn. Ook in geval van homoseksueel
ouderschap kan de bescherming van het kind gediend worden met het
creëren van hechte familierechtelijke betrekkingen tussen het kind en
zijn niet-biologische ouder. In dat geval dienen de familiefeiten
invulling aan het recht te geven.
Met enigszins gemengde gevoelens hebben de leden van de CDA-fractie
kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel. Deze leden stellen
voorop dat voor hen het belang van het kind voorop staat. Zij
beschouwen adoptie als een maatregel van kinderbescherming, en bezien
het wetsvoorstel daarom vanuit die invalshoek.
De leden van de CDA-fractie hebben bedenkingen bij dit wetsvoorstel.
Naar hun mening dreigt adoptie te veel te worden bezien vanuit de wens
van volwassenen. Deze leden vragen de regering waarom dit wetsvoorstel
nodig is. Deze leden wijzen er in dit verband op dat de regering zelf
de twijfel over de noodzaak van dit wetsvoorstel aanwakkert met de
volgende opmerking op pagina 8 van de memorie van toelichting: «Gelet
op het feit dat er in Nederland sinds de invoering van het gezamenlijk
gezag een adequaat alternatief beschikbaar is voor adoptie teneinde
het gezinsleven van het kind met zijn feitelijke verzorgers/opvoerders
juridisch te beschermen, kan gesteld worden dat adoptie in veel
gevallen niet strikt noodzakelijk meer is». Had een langere periode
van ervaring opdoen met de nieuwe regelgeving omtrent gezag en voogdij
niet voor de hand gelegen, zo vragen genoemde leden. Of was de
afspraak in het regeerakkoord over de invoering van dit wetsvoorstel
van zwaarwegender belang dan het opdoen van ervaring met de nieuwe
wetgeving, zo vragen de leden van de CDA-fractie.
De leden van de fractie van D66 hebben hoofdzakelijk met instemming
kennis genomen van het wetsvoorstel, ook al hebben zij op onderdelen
ervan kritiek. Zij zijn positief over het wetsvoorstel, omdat het in
het belang van een kind kan zijn geadopteerd te kunnen worden door een
of twee homoseksuele ouders. Voor de leden van de D66-fractie is het
belang van het kind doorslaggevend in de vraag of iemand mag
adopteren. De leden van de D66-fractie verwerpt de soms gehoorde
stelling dat de verruimde adoptiemogelijkheid een voor homoseksuelen
emancipatoir karakter heeft. Dat is voor hen niet aan de orde. Het
gaat deze leden om het belang van het kind dat met de door de regering
voorgestelde adoptiemogelijkheid gebaat kan zijn.
De leden van de fractie van GroenLinks zijn verheugd over de stap die
eindelijk is gezet door de regering om het discriminatoire effect van
enige bepalingen in het familierecht ten aanzien van homoseksuelen en
lesbiënnes op te heffen. Het wetsvoorstel vervult de lang gekoesterde
wens van personen van hetzelfde geslacht om ten opzichte van de
kinderen die zij opvoeden, de juridische positie van ouder te
verwerven. Hoewel sinds enkele jaren de mogelijkheid van gezamenlijk
gezag openstaat, biedt adoptie een sterkere rechtspositie omdat bij
adoptie de fictie van ouderschap wordt aangenomen, met alle gevolgen
van dien.
De leden van de SP-fractie hebben met belangstelling kennis genomen
van dit wetsvoorstel en onderschrijven het juridisch vastleggen van
adoptie door personen van hetzelfde geslacht.
Het kost de leden van de fracties van GPV en RPF grote moeite begrip
op te brengen voor het onderhavige wetsvoorstel. Zij hebben als het
gaat om de familierechtelijke verhouding tussen ouders en kinderen
principiële en praktische bezwaren tegen het op één lijn stellen van
relaties tussen personen van verschillend en van hetzelfde geslacht.
Deze relaties zijn immers juist op dit punt zodanig verschillend, dat
het gelijkheidsbeginsel alleen al daarom niet aan de orde kan zijn.
Daarnaast zien zij niet in welk zwaarwegend belang ertoe zou nopen aan
de bezwaren tegen adoptie door personen van hetzelfde geslacht voorbij
te gaan.
II Memorie van toelichting Algemeen De leden van de CDA-fractie vragen
de regering toe te lichten van wie de wens afkomstig is geweest om de
wetgeving inzake adoptie te wijzigen. Is de aanzet hiertoe een verzoek
van de kinderbescherming geweest of van organisaties en/of instanties
die de belangen van homoseksuelen behartigen, zo vragen deze leden.
Indien de kinderbescherming hierom heeft verzocht, kan de regering dan
toelichten welke motieven zij hiervoor heeft aangevoerd, zo vragen
genoemde leden. Vindt de regering, wanneer het verzoek vanuit de
belangenorganisaties afkomstig is, dat het belang van gelijke
behandeling van homo- en heteroparen prevaleert boven de primaire
doelstelling van adoptie, namelijk het dienen van het belang van het
kind? Kortom, vindt de regering de wens tot gelijke behandeling van
volwassenen, in het belang van die volwassenen, wel een goed argument
voor het veranderen van de adoptiewetgeving waarin toch het belang van
het kind de eerste doelstelling moet zijn, zo vragen de leden van de
CDA-fractie. De leden van de CDA-fractie spreken hun verbazing uit
over het feit dat dit wetsvoorstel aan de Kamer is voorgelegd tegen
het uitdrukkelijke advies van de Raad van State in. Deze leden vragen
de regering toe te lichten welke zwaarwegende argumenten zij heeft
gehad om dit advies van de Raad van State naast zich neer te leggen.
Welke waarde hecht de regering eigenlijk aan het advies van de Raad
van State, zo vragen genoemde leden. De leden van de CDA-fractie
vragen de regering meer concreet in te gaan op het advies van de Raad
van State. Uit de reactie van de Raad van State maken de leden van de
CDA-fractie op (zie 26 673 B, pagina 1) dat deze zich eveneens
afvraagt waarom het nog noodzakelijk is om naast de uitgebreide
gezagsregeling adoptie mogelijk te maken om juridische bescherming te
bieden aan kinderen die opgroeien binnen een relatie van twee personen
van hetzelfde geslacht. De Raad van State is van oordeel dat de
verschillen tussen adoptie en gezag vooral van emotionele aard zijn.
De regering geeft dit in haar reactie toe. De juridische aspecten die
de regering noemt (het verschil in positie ouder bij omgangsregelingen
en de toestemming bij het huwelijk van een minderjarig kind) kunnen
naar de mening van de leden van de CDA-fractie op geen enkele manier
een zo ver gaande vorm van wijziging van het afstammingrecht
rechtvaardigen. Kan de regering toelichten waarom zij dit blijkbaar
wel nodig acht, zo vragen deze leden.
De Raad van State wijst in haar advies op het feit dat in het nieuwe
afstammingsrecht een groter belang wordt toegekend aan de biologische
band tussen ouders en kind dan aan een juridische die gebaseerd is op
een fictie van ouderschap. Voorliggend wetsvoorstel sluit volgens de
Raad van State niet aan bij dit inzicht. De leden van de CDA-fractie
vragen of de regering, behalve toelichten dat de in het
afstammingsrecht opgenomen regeling van de erkenning veel minder
nadruk legt op de biologische band, uiteen kan zetten of aan de
biologische band (de jure, rangordelijk) een grotere waarde dient te
worden toegekend dan aan de juridische en waarom zulks het geval moet
zijn.
De leden van de CDA-fractie vragen hoe de regering oordeelt over de
opmerkingen die door de Raad van State over de gevolgen voor het
afstammingsrecht zijn gemaakt (kamerstuk 26 673 B, pagina 2). De Raad
van State verklaart dat zij het wetsvoorstel in tegenspraak vindt met
de recente ontwikkelingen in het afstammingsrecht omdat het
wetsvoorstel meer nadruk lijkt te leggen op het juridisch, fictief
gecreëerde ouderschap dan op het natuurlijk, biologisch ouderschap.
Deelt de regering de mening van de Raad van State dat ook de Commissie
Kortmann geen argumenten heeft aangedragen om het afstammingsrecht
ingrijpend te wijzigen, zo vragen de leden van de CDA-fractie. Zo ja,
waarom wel? Zo nee, waarom niet, zo vragen deze leden.
De leden van de CDA-fractie vragen de regering toe te lichten hoe de
vorderingen zijn met betrekking tot de voorbereiding van de
wetsvoorstellen die beogen het gezamenlijk gezag van rechtswege te
laten ontstaan bij de geboorte van het kind binnen het geregistreerde
partnerschap en erfrechtelijk gevolgen aan het gezag te verbinden.
De Raad van State wenst meer duidelijkheid over de vraag of
draagmoederschap zal toenemen als gevolg van de mogelijkheid van
adoptie door paren van gelijk geslacht. Voor de CDA-fractie is dit een
belangrijk punt waar de regering niet zomaar om heen kan stappen. In
de petitie die door het COC aan de Tweede Kamer is aangeboden in
verband met dit wetsvoorstel, wordt het voorbeeld van de donorouder
centraal gesteld als argument voor invoering van adoptie voor paren
van gelijk geslacht. De leden van de CDA-fractie sluiten dan ook niet
uit dat dit wetsvoorstel wel degelijk zal bijdragen aan een toename
van het aantal donorouderschappen.
De leden van de CDA-fractie wijzen er op dat adoptie in de eerste
plaats bedoeld is voor kinderen die door omstandigheden niet door hun
oorspronkelijke ouders kunnen worden opgevoed, hoewel dat de voorkeur
zou hebben. Aangezien de oorspronkelijke ouders geen opvoeding kunnen
bieden, wordt het kind als maatregel van de kinderbescherming elders
geplaatst. Dat is iets heel anders dan dat een kind ter wereld wordt
gebracht met het uitsluitende doel het via adoptie door een ander paar
te laten opvoeden. Is de regering niet van mening dat dit onderscheid
in de wet tot uitdrukking zou moeten komen, zo vragen deze leden.
De regering onderbouwt niet de stelling dat er geen toename zal zijn
van het aantal donorouderschappen. De leden van de CDA-fractie vragen
de regering dit alsnog te doen. Ook vragen deze leden de regering toe
te lichten hoeveel kinderen thans jaarlijks via donorouders worden
geboren en welk percentage daarvan thans door paren van verschillend
geslacht en welk door paren van gelijk geslacht wordt opgevoed. Is de
regering het op zich eens met de stelling van de Raad van State dat
het een zeer ongewenste ontwikkeling zou zijn indien draagmoederschap
zal worden gestimuleerd als vorm van hulpverlening bij ongewenste
kinderloosheid? (26 673B, blz 2). Kan de regering toelichten of en zo
ja, hoe zij alsnog het voorstel van wet denkt te kunnen wijzigen zodat
dit zwaarwegende bezwaar van de Raad van State wordt weggenomen, zo
vragen deze leden.
De leden van de CDA-fractie vragen in hoeverre de regering bij de
totstandkoming van dit wetsvoorstel rekening heeft gehouden met de
standpunten van organisaties die zich ook met deze materie hebben
beziggehouden, zoals de Gezinsraad, de Emancipatieraad en de Raad voor
het Jeugdbeleid.
De leden van de CDA-fractie merken op dat 20 à 30 000 kinderen
opgroeien binnen relaties van paren van gelijk geslacht. Kan de
regering aangeven in hoeveel van deze gevallen adoptie een
mogelijkheid zal worden? Tegenover de vele positieve ervaringen
hiermee, staat de opinie van deskundigen die wijzen op de bezwaren
tegen adoptie door paren van hetzelfde geslacht. De leden van de
CDA-fractie wijzen bijvoorbeeld op het artikel van Prof. Hoksbergen in
het dagblad Trouw van 8 november 1997. Hierin stelt hij onder meer:
«Er is voor een adoptiekind geen enkel belang aanwijsbaar om nu juist
bij een homopaar op te groeien. Deze kinderen kennen al een negatieve
uitzondering in hun leven, waar ze ook niet om hebben gevraagd: ze
zijn afgestaan door hun biologische ouders. Welk belang bestaat er
voor adoptiekinderen om in een tweede uitzonderingspositie te worden
geplaatst? Het gaat hier echt alleen om het recht van volwassenen.» De
leden van de CDA-fractie vragen de regering op deze uitspraak te
reageren. Moet het gegeven dat deskundigen het nog niet eens zijn over
de gevolgen van adoptie door paren van gelijk geslacht niet leiden tot
extra terughoudendheid, zo vragen deze leden.
De leden van de D66-fractie zijn verheugd dat de regering de motie
Dittrich/van der Burgh, die na een hoofdelijke stemming met een royale
meerderheid door de Tweede Kamer werd aanvaard en die opriep een
wettelijke regeling te maken, door middel van dit wetsvoorstel
uitvoert. Na aanvaarding van de betreffende motie (en de motie Van der
Burgh/Dittrich, waarin de regering verzocht werd het burgerlijk
huwelijk open te stellen voor paren van gelijk geslacht) werd de
commissie Kortmann ingesteld, die de regering adviseerde een
wettelijke regeling te maken. In het regeerakkoord 1998 hebben de
fracties van PVDA, VVD en D66 afgesproken dat er snel een wettelijke
regeling moest komen om de mogelijkheid te openen van adoptie door
personen van hetzelfde geslacht. Het voorliggende wetsvoorstel
ontmoette ernstige kritiek van de Raad van State. In haar
eindconclusie gaf de Raad van State de regering zelfs in overweging
het wetsvoorstel niet aan de Tweede Kamer te zenden. De leden van de
fractie van D66 veroorloven zich op deze plaats op te merken dat zij
niet van de inhoudelijke kritiek van de Raad van State onder de indruk
zijn. Zij steunen de regering in haar argumentatie om toch het
onderhavige wetsvoorstel in te dienen.
De leden van de D66-fractie zullen zich ervoor beijveren dat het
wetsvoorstel degelijk, maar ook snel in de Tweede Kamer wordt
behandeld. In het regeerakkoord 1998 is afgesproken dat de regering
voor 1 januari 1999 een wetsvoorstel ter zake in zou dienen. Het
onderhavige wetsvoorstel is van 8 juli 1999. Waarom is er een
vertraging van een half jaar opgetreden, zo vragen deze leden.
De leden van de D66-fractie constateren dat de regering opmerkt dat er
in het afstammingsrecht een duidelijke band tussen biologisch en
juridisch ouderschap bestaat. Houdt de regering hier wel voldoende
rekening met de ficties, die in het afstammingsrecht tot nu toe door
de wetgever in stand worden gehouden? De leden van de D66-fractie
leggen de regering een aantal casusposities voor, waaruit blijkt dat
er een kloof bestaat tussen de werkelijkheid en de juridische gevolgen
van het door de wetgever in stand gehouden systeem.
Een man en een vrouw zijn getrouwd. De vrouw raakt zwanger van haar
minnaar en baart het kind. Haar echtgenoot wordt van rechtswege als
juridische ouder aangemerkt, terwijl hij de biologische vader niet is.
Een ongetrouwde vrouw baart een kind. Het kind wordt erkend door een
man, die niet de biologische vader is. Toch wordt de erkenner van
rechtswege de juridische ouder. Ook hier wijkt dus het biologisch
ouderschap af van de juridische werkelijkheid.
Een vrouw is zwanger van haar minnaar terwijl zij getrouwd is. Haar
echtgenoot overlijdt, waarna zij haar kind baart. Haar overleden
echtgenoot is juridisch de ouder van het kind.
De leden van de D66-fractie vragen of de regering wil reageren op deze
voorbeelden. Is het wel zo logisch om het afstammingsrecht in tact te
laten en alleen de adoptiebepalingen aan te passen, zo vragen deze
leden. Of is het gelet op de voortschrijdende techniek met betrekking
tot voortplantingstechnieken niet voor de hand liggend het
afstammingsrecht fundamenteel aan te passen, zo vragen genoemde leden.
De leden van de D66-fractie vragen de regering te regeren op het
voorstel van de Nederlandse Gezinsraad dat het in beginsel mogelijk
moet worden dat een kind in juridisch opzicht tot meer dan 2
volwassenen in een ouder-kindrelatie komt te staan.
Hoewel het voorliggende wetsvoorstel een grote en belangrijke stap is in de
richting van gelijke behandeling van paren van verschillend geslacht en
paren van gelijk geslacht, zouden de leden van de fractie van GroenLinks het
op prijs stellen indien de regering nader zou ingaan op de resterende
verschillen in juridische mogelijkheden ten aanzien van ouderschap. Hoewel
de regering stelt dat het afstammingsrecht uitgaat van bloedverwantschap,
gaan alle rechtsfiguren slechts uit van de fictie van afstamming, wat
heteroparen de mogelijkheid biedt het juridisch ouderschap af te stemmen op
het sociaal ouderschap. De leden van de fractie van GroenLinks vragen of het
opheffen van het onderscheid naar sekse of seksuele voorkeur niet zou
impliceren dat ook deze rechtsfiguren worden opengesteld. Waarom zou een
instrument als erkenning, wat van elke man (ook als hij daar feitelijk niet
toe in staat zou zijn) een vader maakt, niet gehanteerd kunnen worden door
de vriendin van de moeder of de vriend van de vader, zo vragen deze leden.
Deze mogelijkheid zou de minste overheidsbemoeienis opleveren en daardoor de
grootste voorkeur verdienen. Een volledige gelijke behandeling zou voorts
betekenen dat kinderen die binnen het opengestelde huwelijk worden geboren,
in het familieleven van beide echtgenoten worden opgenomen. Hoe staat de
regering hier tegenover, zo vragen de leden van de fractie van GroenLinks.
De leden van de SP-fractie hebben bezwaar tegen de afstammingsrechtelijke
gevolgen in het huwelijk van homosexuele partners. De door de regering
voorgestelde regeling leidt tot ongelijkheden tussen kinderen die duurzaam
verzorgd en opgevoed worden door een homopaar in vergelijking tot een
heteropaar.
In dit wetsvoorstel wenst de regering de afstammingsrechtelijke betrekkingen
van het kind met de sociale ouders te regelen via het adoptierecht. Dit
leidt tot rechtsongelijkheid van homoparen ten opzichte van heteroparen. In
de memorie van toelichting (blz. 2) noemt de regering de premisse waarop men
zich baseert: `het gaat in het adoptierecht om juridisch ouderschap, dat -
uitzonderingen daargelaten - niet is gebaseerd op biologische ouderschap,
terwijl er in het afstammingsrecht een duidelijke band tussen biologisch en
juridisch ouderschap bestaat.'
De leden van de SP- fractie constateren dat, indien dit wetsvoorstel
ongewijzigd wordt aangenomen, het zal leiden tot een ongelijke rechtspositie
voor homoparen:
Verkrijging van het juridisch ouderschap: dit ontstaat bij een homopaar door
een gerechtelijke uitspraak, bij een heteropaar van rechtswege door het
huwelijk of erkenning.
De voorwaarden bij een homopaar tot het verkrijgen van het juridisch
ouderschap: zij moeten om een adoptieverzoek te kunnen doen ten minste drie
jaar samenwonen en één jaar het kind verzorgd hebben. Aan heteroparen worden
qua tijd geen enkele vereisten gesteld.
Positie van oorspronkelijke biologische ouder(s) (donor): bij adoptie door
een homopaar wordt getoetst aan het belang van het kind en aan de eis dat
het kind niets meer te verwachten heeft van zijn biologische ouder. In het
geval van heteroparen is er geen rechterlijke toetsing aan welke voorwaarde
dan ook en wordt ervan uitgegaan dat kinderen geboren binnen de relatie
voortgekomen zijn uit beide partners. Bij het homopaar krijgt de
oorspronkelijke biologische ouder een zelfstandige positie in de procedure;
bij een heteropaar heeft de oorspronkelijke biologische ouder geen enkele
positie of aanspraak. Wat is de visie van de regering op de geconstateerde
verschillen in behandeling tussen homo- en heteroparen, zo vragen de leden
van de SP-fractie.
In navolging van de Raad van State wijzen de leden van de fracties van GPV
en RPF erop, dat het wetsvoorstel, ondanks het feit dat in de memorie van
toelichting ook de verschillen tussen afstammings- en adoptierecht worden
genoemd, een zeer ingrijpende wijziging van het afstamminsgsrecht behelst.
Hoofdregel van dit recht is, dat biologisch en juridisch ouderschap
samenvallen. Daarvan kan in speciale gevallen worden afgeweken. Daarvoor
zullen dan sterke aan de concrete situatie ontleende argumenten moeten
worden aangevoerd. Als het gaat om adoptie kunnen deze argumenten alleen
gelegen zijn in het belang van het kind. Immers, dit belang is bij adoptie
altijd doorslaggevend. Adoptie is geen alternatieve vorm van gezinsvorming.
De leden van de fracties van GPV en RPF constateren dat tot nu toe de
wetgever er altijd van is uitgegaan - en elders in de wereld wordt er nog
steeds van uitgegaan - dat het in het belang van het kind is dat het wordt
opgevoed door zijn natuurlijke ouders of, als dit niet mogelijk is, door een
ander echtpaar. Dat dit algemeen zo gezien wordt, is niet vreemd, omdat dit
aansluit bij de natuurlijke ontwikkeling sedert de schepping van de mens.
Kinderen worden geboren uit een relatie tussen een man en een vrouw. Dat
schept onderlinge banden, rechten en plichten, die belangrijke voorwaarden
vormen voor de opvoeding en voor een leven in gezins- en familieverband.
De leden van de fracties van GPV en RPF beseffen, dat er omstandigheden
kunnen zijn waardoor van deze norm moet worden afgeweken. Maar is het dan
niet juist in het belang van het kind, dat de nieuwe opvoedingssituatie zo
nauw mogelijk aansluit bij de normale, zo vragen deze leden.
De leden van de fracties van GPV en RPF zijn van mening, dat de Raad van
State terecht een relatie legt met het verschijnsel draagmoederschap. Het
wetsvoorstel maakt het mogelijk dat twee mannen samen een kind adopteren.
Als de hiervoor noodzakelijke derde persoon een draagmoeder is zou de
mogelijkheid van adoptie door de vader en zijn mannelijke partner neerkomen
op het honoreren van het draagmoederschap. In het nader rapport wordt op
deze opmerking van de Raad van State ontwijkend geantwoord. Staat de
regering nog steeds op het standpunt, dat draagmoederschap, ook al is het
als zodanig niet strafbaar gesteld, principieel verwerpelijk is, zo vragen
genoemde leden. Deelt zij het standpunt, dat de wetgever dan het mogelijke
moet doen om draagmoederschap in ieder geval niet te belonen, zo vragen
genoemde leden. Zou dan niet tenminste moeten worden bepaald, dat van
adoptie geen sprake kan zijn als het gaat om een kind dat door een
draagmoeder is afgestaan, zo vragen de leden van de fracties van GPV en RPF.
De leden van de fracties van GPV en RPF zijn van mening, dat er ook een
relatie ligt tussen dit wetsvoorstel en de voornemens van de regering met
betrekking tot de anonimiteit van de donor. De ervaring leert, dat veel
adoptiefkinderen vroeg of laat informatie willen over hun biologische
ouders. Zij hebben daar soms veel voor over. Naar mate de medische en
genetische wetenschap zich verder ontwikkelt krijgen zij ook in toenemende
mate een gezondheids- en verzekeringsbelang bij dergelijke informatie. Tegen
die achtergrond kan de anonimiteit van de donor steeds meer in strijd komen
met het belang van het kind. Is het dan niet onjuist en inconsequent adoptie
van een kind verwekt met semen van een onbekende donor mogelijk te maken en
zelfs gemakkelijker te maken dan in het geval de persoon van de donor bekend
is, zo vragen de leden van de fracties van GPV en RPF.
De leden van de fracties van GPV en RPF kunnen zich niet aan de indruk
onttrekken, dat het belangrijkste motief van het wetsvoorstel niet ligt in
het belang van een groep kinderen, voor wie geen andere goede mogelijkheden
bestaan, maar in de uitdrukkelijke wens om ook ten aanzien van adoptie
verschillende leefvormen gelijk te behandelen. De samenhang met het
wetsvoorstel openstelling van het huwelijk wijst ook in deze richting. Moet
een dergelijke wens - indien al legitiem - niet altijd ondergeschikt zijn
aan het belang van het kind, zo vragen deze leden.
De leden van de fractie van GPV en RPF ontlenen hun indruk mede aan het
feit, dat de keuze die de Nederlandse regering op dit punt wil maken in het
buitenland op geen enkele steun kan rekenen. Als de mogelijkheid van adoptie
door personen van hetzelfde geslacht in het belang van het kind zou zijn,
zou dit dan nog nergens elders zijn onderkend, zo vragen deze leden. Deze
leden willen niet verhelen, dat zij weinig waardering kunnen opbrengen voor
de uitspraak in de memorie van toelichting en in het nader rapport, dat de
rechtsontwikkeling in het buitenland ten aanzien van deze adoptievorm niet
zover is voortgeschreden als in Nederland. Heeft de regering zich misschien
ook afgevraagd of het niet zozeer een kwestie is van voortschrijdende
rechtsontwikkeling als wel van een dreigende ontsporing, waardoor Nederland
zich internationaal isoleert, zo vragen genoemde leden.
De leden van de SGP-fractie zien een nauwe samenhang tussen het onderhavige
wetsvoorstel en wetsvoorstel 26672. Dientengevolge treffen een aantal van de
principiële bedenkingen, geuit naar aanleiding van wetsvoorstel 26672, ook
het onderhavige wetsvoorstel. Positief vinden deze leden dat in het
wetsvoorstel niet is gekozen voor een herziening van het afstammingsrecht.
Ficties in het afstammingsrecht moeten volgens deze leden zoveel mogelijk
worden voorkomen. Nu is gekozen voor verruiming van de adoptiemogelijkheden
zodanig dat ook personen van gelijk geslacht in staat worden gesteld een
kind te adopteren, wordt de vraag opgeroepen of zulks wenselijk is in het
belang van het kind. Daarom stellen zij de vraag of de regering beschikt
over resultaten van onderzoek waaruit blijkt dat het niet schadelijk is voor
de ontwikkeling van een kind (tot de volwassenheid) indien het door personen
van gelijk geslacht wordt grootgebracht.
In de voorgestelde tekst van artikel 227, derde lid, wordt als
voorwaarde gesteld dat het kind niets meer van zijn ouder of ouders
heeft te verwachten. De leden van de SGP-fractie verbinden hieraan de
vraag of deze voorwaarde er niet toe zal bijdragen - en mogelijk ook
als zodanig is bedoeld om in het algemeen de adoptiefiguur terug te
dringen en meer in het bijzonder ertoe strekt om het aantal
stiefouderadopties te doen afnemen.
De leden van de SGP-fractie stellen nog de vraag of de voorwaarde dat
`het kind nu en in de toekomst niets meer te verwachten heeft van zijn
oorspronkelijke ouders' er toe zal/kan leiden dat twee vrouwen die met
behulp van donorinseminatie van een bekende donor een kind krijgen,
niet kunnen adopteren, terwijl adoptie wel mogelijk zou zijn indien
het een onbekende donor betreft. Welke rol speelt in deze
onderscheiden situaties het wetsvoorstel Donorgegevens kunstmatige
inseminatie, zo vragen deze leden. Naar aanleiding van de voor adoptie
geldende termijnen van samenleving en verzorging, die in dit
wetsvoorstel niet worden gewijzigd, stellen deze leden de vraag of hun
informatie juist is dat het in de praktijk nu al zo is dat er bij
anonieme kunstmatige inseminatie bij heteroparen vrijwel nooit wordt
geadopteerd maar erkend bij of vóór de geboorte.
Werkingssfeer van het wetsvoorstel In de toelichting wordt van
regeringszijde aangegeven dat het aantal adoptieverzoeken, ook door
personen van verschillend geslacht, beperkt zal blijven. De leden van
de PvdA-fractie vernemen graag van de regering waar zij dit standpunt
op baseert.
De memorie van toelichting meldt dat het wetsvoorstel betrekking heeft
op adoptie van kinderen in Nederland. De leden van de VVD-fractie
verzoeken de regering nader uiteen te zetten welke kinderen hij
precies op het oog heeft. Gaat het om kinderen van Nederlandse
nationaliteit of ook kinderen die hier te lande legaal verblijven? De
leden van de VVD-fractie zijn ermee bekend dat de praktijk van
interlandelijke adoptie een sterke voorkeur laat zien voor adoptie
door paren van verschillend geslacht. Het lijkt deze leden
onverstandig op voorhand uit te sluiten dat de huidige internationale
verhoudingen zich zullen wijzigen. Deze leden willen daarom vernemen
in hoeverre interlandelijke adoptie door personen van hetzelfde
geslacht in beginsel op grond van dit wetvoorstel mogelijk blijft.
Gaat de regering ervan uit dat interlandelijke adoptie door personen
van hetzelfde geslacht onmogelijk blijft zolang de Wet Opneming
Buitenlandse Kinderen ter Adoptie niet wordt gewijzigd?
Met betrekking tot het Haags Adoptieverdrag van 1993 meldt de regering
dat de mogelijkheid van erkenning van adopties door personen van
gelijk geslacht niet is opgenomen. De leden van de VVD-fractie wijzen
de regering erop dat daarmee niet vast staat dat deze mogelijkheid ook
is uitgesloten. Staatssecretaris Schmitz heeft toegezegd de Tweede
Kamer op de hoogte te zullen blijven houden van standpunten van landen
van herkomst van adoptiefkinderen omtrent adoptie door twee personen
van hetzelfde geslacht. Kan de regering deze toezegging gestand doen,
zo vragen deze leden.
De leden van de VVD-fractie hebben kennis genomen van de begrote
kosten ad 6,5 mln. als gevolg van het mogelijk maken van adoptie door
personen van hetzelfde geslacht. Zij vragen de regering hoe zij deze
kosten gaat financieren.
De leden van de CDA-fractie constateren dat de Raad van State erop
wijst dat geen ander land adoptie door een paar van gelijk geslacht
zal erkennen. Is dit niet een overweging die adoptie uit een oogpunt
van het belang van het kind zeer onwenselijk maakt, zo vragen deze
leden.
De leden van de CDA-fractie vragen hoe de regering oordeelt over het
uitdrukkelijk advies van de Raad van State om het afstammingrecht niet
te wijzigen omdat het wetsvoorstel afwijkt van alle rechtsstelsels in
de onze omringende landen en de in Nederland uitgesproken adopties
door personen van hetzelfde geslacht in het buitenland niet zullen
worden erkend. Kan de regering alsnog duidelijkheid verschaffen over
de wijze waarop het buitenland op een eventuele aanname van het
wetsvoorstel zal reageren, zo vragen deze leden. Is naar het oordeel
van de regering de vrees van de Raad van State gegrond dat onze
buurlanden wellicht geen kinderen meer ter adoptie door Nederlandse
ouders zullen afstaan wanneer het wetsvoorstel doorgang zal vinden
(Kamerstuk 26 673 B, pagina 2), zo vragen de leden van de CDA-fractie.
In de memorie van toelichting lezen de leden van de CDA-fractie op
pagina 2 en 3 de volgende passage: «Het wetsvoorstel beoogt primair
adoptie mogelijk te maken door personen van hetzelfde geslacht. De
adoptie waar het om zal gaan bij personen van hetzelfde geslacht
betreft waarschijnlijk vooral adoptie door de vrouwelijke partner van
de moeder van het kind dan wel de adoptie door de mannelijke partner
van de vader van een kind». Kan de regering uitleggen wat in deze met
het woordje «waarschijnlijk» wordt bedoeld. Heeft de regering deze
stelling niet nader onderzocht? Zo neen, is zij alsnog bereid dit
verder te onderzoeken, zo vragen deze leden. Kan de regering een
percentage noemen, zo vragen deze leden.
De leden van de CDA-fractie vragen de regering of de regeling van
gezamenlijk gezag erkenning en bescherming door internationale
verdragen (bijvoorbeeld middels het EVRM) kent. Op grond van
wetsvoorstel 26 672 (wet openstelling huwelijk) zal gezamenlijk gezag
van rechtswege ontstaan wanneer een kind wordt geboren binnen een
geregistreerd partnerschap van twee vrouwen of binnen een huwelijk van
twee personen van hetzelfde geslacht. Binnen een relatie van twee
mannen kan geen kind worden geboren. Houdt dit niet een ongelijke
behandeling in van verschillende paren van gelijk geslacht, zo vragen
deze leden. De leden van de CDA-fractie vragen de regering hoe binnen
de bestaande en de voorgestelde wetgeving met deze ongelijkheid wordt
omgegaan.
In de memorie van toelichting wordt op pagina 3 gesproken over de
kosten van de aanpassing van het geautomatiseerde systeem van de
burgerlijke stand. Deze werden door de regering aanvankelijk op 2 mln.
geschat. In kamerstuk 26 673 A, pagina 1, worden echter de bedragen
van 3,5 mln. voor het GBA (gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens) -systeem en 10 mln. voor het geautomatiseerde
systeem genoemd. De leden van de CDA-fractie hebben de volgende
vragen. Waarop zijn deze schattingen gebaseerd? Hoe zijn de
verschillen tussen de schattingen te verklaren? Kan de regering de
leden van de CDA-fractie de garantie geven dat de laatstgenoemde
schattingen correct zijn?
De leden van de D66-fractie constateren dat de regering beperkt de
reikwijdte van het wetsvoorstel tot adoptie van kinderen in Nederland.
Is de regering bereid om landen, van waaruit regelmatig kinderen
worden geadopteerd van informatie te voorzien over de Nederlandse
situatie en zienswijze dat het in het kennelijk belang van een kind
kan zijn om geadopteerd te worden door ouders van hetzelfde geslacht,
zo vragen deze leden. Is de regering bereid die zienswijze ook in
allerlei internationale fora uit te dragen, zo vragen genoemde leden.
Wanneer denkt de regering dat interlandelijke adoptie door Nederlandse
homoseksuele ouders tot de mogelijkheden kan gaan behoren, zo vragen
de leden van de fractie van D66.
De leden van de fractie van GroenLinks hadden het mooier en ook
consistenter gevonden indien ook de mogelijkheid van interlandelijke
adoptie door personen van hetzelfde geslacht zou zijn gecreëerd. De
leden van de fractie van GroenLinks hebben moeite met de motivering
dat de meeste landen van herkomst weinig voelen voor adoptie door
personen van hetzelfde geslacht. Het opnemen van de mogelijkheid in
het verdrag verplicht geen enkel land van herkomst om mee te werken
aan adoptie door personen van hetzelfde geslacht. Wel zou het een
signaal kunnen zijn naar andere landen dat een personen van hetzelfde
geslacht even geschikt zijn om kinderen te adopteren dan personen van
verschillend geslacht. De leden van de fractie van GroenLinks vinden
het daarom een gemiste kans en vragen daarom aan de regering nog eens
duidelijker te beargumenteren waarom er niet voor gekozen is. Het is
toch niet zo dat de landen van herkomst aan geen enkele adoptie meer
willen meewerken als deze mogelijkheid ook wordt opgenomen, zo vragen
deze leden.
Het aantal adopties van Nederlandse kinderen is beperkt, zo
constateren de leden van de fracties van GPV en RPF. De regering
verwacht dat dit na de voorgestelde wetswijziging zo zal blijven. Deze
leden willen hierop graag een nadere toelichting. Moet uit de
verwachting van de regering worden afgeleid, dat zij veronderstelt dat
van de mogelijkheid tot adoptie door twee personen van hetzelfde
geslacht slechts een minimaal gebruik zal worden gemaakt, zo vragen
deze leden. Zo ja, dan klemt de vraag te meer waarom deze ingrijpende
inbreuk op het geldende afstammingsrecht wordt voorgesteld. Of zal het
per saldo beperkte aantal adopties een gevolg zijn van een dalend
aantal adopties door echtparen vanwege het feit dat nu een nieuwe
voorwaarde voor adoptie wordt voorgesteld, zo vragen genoemde leden.
Indien dat laatste het geval is rijst de vraag of de regering dan
meent dat tot nu toe adoptie heeft plaatsgevonden terwijl geenszins
vaststond dat het kind van zijn oorspronkelijke ouders niets meer te
verwachten had, zo vragen de leden van de fracties van GPV en RPF.
Welke relevantie moet in dit verband worden toegekend aan regelmatig
terugkerende berichten dat enkele tienduizenden kinderen momenteel
zouden worden opgevoed door twee personen van hetzelfde geslacht, zo
vragen de leden van de fracties van GPV en RPF. Betreft dit dan voor
het overgrote deel situaties waarin niet wordt voldaan aan de
vereisten voor adoptie, zo vragen deze leden. Of moet worden verwacht,
dat bij het in werking treden van deze wet sprake zal zijn van een
inhaaleffect, zo vragen genoemde leden.
De leden van de fracties van GPV en RPF vinden het terecht, dat voor
interlandelijke adoptie de eis van adoptie door een echtpaar
gehandhaafd blijft. Kan de regering ook meedelen wat de inhoudelijke
argumenten van de betrokken landen zijn om een sterke voorkeur uit te
spreken voor adoptie door een echtpaar, zo vragen deze leden. Wat
vindt de regering van deze argumenten, zo vragen genoemde leden. Is
het niet inconsequent bij interlandelijke adoptie wel rekening te
houden met de rechtsopvattingen in andere landen maar daaraan voorbij
te gaan bij adoptie van Nederlandse kinderen, zo vragen de leden van
de fracties van GPV en RPF. Harmonisatie van burgerlijk recht is in
een samenleving met vervagende grenzen toch meer voor de hand liggend
dan het scheppen van nieuwe belangrijke verschillen, zo vragen deze
leden.
De leden van de SGP-fractie constateren dat de interlandelijke adoptie
door gelijkgeslachtelijke paren wordt niet voorgesteld, mede gelet op
de sterke voorkeur die in herkomstlanden bestaat voor interlandelijke
adoptie door een echtpaar (= een paar van ongelijk geslacht). Deze
leden gaan er overigens van uit dat ook ingeval naar Nederlands recht
onverhoopt wel een ruimere mogelijkheid worden geboden, een vanuit het
herkomstland geuite wens voor verzorging door een echtpaar van
ongelijk geslacht ten volle zal worden gerespecteerd. Bij de leden van
de SGP-fractie is ongerustheid blijven bestaan over de vraag of de
landen die thans kinderen ter adoptie afstaan hun standpunt ten
aanzien van het ter adoptie afstaan van kinderen aan Nederlandse
ouders zullen heroverwegen wanneer het onderhavige wetsvoorstel
doorgang zou vinden. Kan de regering hierover thans meer duidelijkheid
bieden, zo vragen deze leden.
Eveneens op pagina 3 van de memorie van toelichting wordt medegedeeld
dat het niet aangewezen is om interlandelijke adoptie door twee
personen van hetzelfde geslacht te `bevorderen'. De leden van de
SGP-fractie verbinden aan dit woordgebruik de vraag wat met het woord
`bevorderen' wordt bedoeld. Wordt hier iets anders bedoeld dan `in
beginsel toestaan', z o vragen deze leden. Wat is naar het oordeel van
de regering de verklaring voor het feit dat de adoptieregels in het
Burgerlijk Wetboek geen eisen stellen aan de herkomst van de te
adopteren kinderen, zo vragen deze leden. Op welke grond gaat zij er
van uit dat interlandelijke adoptie door paren van gelijk geslacht
onmogelijk is en blijft zolang de Wet opneming buitenlandse kinderen
ter adoptie niet is gewijzigd, zo vragen deze leden.
Nieuwe voorwaarde voor adoptie
Bij de uitleg van het fenomeen belang van het kind en de vraag of ouders nog
wel inhoud kunnen geven aan het ouderschap worden in de memorie van
toelichting enkele voorbeelden gegeven. Deze voorbeelden leiden volgens de
leden van de PvdA-fractie tot onduidelijkheid. Indien een ouder een summiere
omgangsregeling heeft met haar of zijn kind betekent dit dat het kind niets
meer van de ouder te verwachten heeft zonder dat de omgang wordt
geblokkeerd. Betekent dit dat de regering van mening is dat een kind niets
te verwachten heeft van de ouder die het kind één keer per maand bezoekt? De
leden van de PvdA-fractie ontvangen van de regering graag een nadere
afbakening van het criterium wanneer een kind wel al dan niet nog iets te
verwachten heeft van haar of zijn ouder(s)?
In de memorie van toelichting wordt in dit verband ook gesproken over de
situatie wanneer een kind bijvoorbeeld is verwekt met semen van een bekende
van de moeder en/of van haar partner. Om duidelijkheid te krijgen over de
intenties van de donor kan deze door de rechter worden opgeroepen. De
rechter kan dan vaststellen of het kind van de donor als ouder werkelijk
niets te verwachten heeft. De leden van de PvdA-fractie zijn van mening dat
moeilijk gezegd kan worden dat een kind van de `donorvader' nog iets kan
verwachten in zijn kwaliteit als ouder. Is de regering deze mening
toegedaan, zo vragen deze leden. Graag vernemen de leden van de PvdA-fractie
in hoeverre een (bekende) donor binnen de juridische term ouder valt.
Tevens vernemen de leden van de PvdA-fractie graag van de regering onder
welke omstandigheden de (voormalige) partner van de moeder alsmede de
bekende donor door de rechter kunnen worden opgeroepen om ter zake van de
voorgenomen adoptie te worden gehoord.
De leden van de VVD-fractie waarderen het positief dat gelijkelijk in
gevallen van éénpersoonsadoptie, waarbij de echtgenoot of levensgezel
van de ouder het kind adopteert, als bij twee personen adopties een
samenlevingstermijn van tenminste drie jaar en een opvoeding en
verzorgingstermijn van tenminste één jaar wordt vereist. Een
belangrijk verschil blijft echter bestaan met betrekking tot de
erkenning van kinderen die staande een hetero- of homoseksuele relatie
worden geboren. Bij een heterorelatie kan door eenvoudige erkenning
het ouderschap ontstaan ongeacht de biologische band. Bij een kind die
staande een homorelatie wordt geboren is dat niet mogelijk. Dat kan in
het nadeel van het kind zijn, omdat het immers niet direct gehecht
wordt aan de familielijn van beide ouders. De leden van de VVD-fractie
overwegen of ook in dit geval een met betrekking tot erkenning
vergelijkbare maatregel mogelijk zou zijn, bijvoorbeeld indien de
donor op voorhand tot uitdrukking heeft gebracht geen
familierechtelijke verhouding met het kind na te streven. Hoe staat de
regering daar tegenover, zo vragen deze leden.
Aan de vereisten voor adoptie worden nieuwe voorwaarden gesteld,
inhoudende dat het kind van zijn oorspronkelijke ouders niets meer te
verwachten heeft. De leden van de VVD-fractie verzoeken de regering
meer uitgebreid in feitelijke zin te beschrijven wanneer dit criterium
aan de orde is. Heeft dit criterium betrekking op zowel de emotionele
als de materiële verwachting, zo vragen deze leden. Zij verzoeken de
regering te heroverwegen of zij alsnog bereid is om aan het criterium
de woorden «of zal krijgen» toe te voegen. Deze leden veronderstellen
dat de rechter bij uitbreiding van dit criterium meer gedwongen zal
worden het toekomstperspectief tussen het kind en de oorspronkelijke
ouder in de overwegingen te betrekken. De regering heeft in dit
verband opgemerkt dat als gevolg van de nieuwe strengere
adoptievoorwaarden het aantal adoptieverzoeken beperkt zal blijven. De
leden van de VVD-fractie verzoeken de regering uiteen te zetten waarom
hij eventueel beoogt zowel hetero- als de homoadopties te beperken.
De leden van de VVD-fractie hebben moeite met de relatie die de
regering legt tussen een beperkt omgangsrecht en de mogelijkheid tot
adoptie. Deze leden kunnen zich voorstellen dat de niet verzorgende
ouder na veel moeite een summiere omgangsregeling heeft verworven. Dat
hoeft echter niet te betekenen dat van betrokkene als ouder weinig te
verwachten valt. Vaak is hem de mogelijkheid ontnomen aan het
ouderschap invulling te geven. Er zou juist veel meer van hem verwacht
kunnen worden als hij de kans krijgt. Hoe staat de regering tegenover
deze casuïstiek, zo vragen deze leden. Is dan adoptie mogelijk, zo
vragen deze leden.
De leden van de CDA-fractie constateren dat de regering als nieuwe eis
aan adoptie hebben toegevoegd dat vast moet staan dat het kind niets
meer van zijn ouder of ouders te verwachten heeft. Deze leden stellen
voorop dat zij waardering hebben voor het feit dat de regering hiermee
het bijzondere karakter van adoptie tot uitdrukking willen brengen.
Het is echter een buitengewoon moeilijk criterium, en de regering is
er naar de mening van de leden van de CDA-fractie vooralsnog
onvoldoende in geslaagd helder te maken hoe dit criterium in de
praktijk vorm zal krijgen.
Allereerst vragen de leden van de CDA-fractie of het kind van beide
biologische ouders niets meer te verwachten dient te hebben om voor
adoptie in aanmerking te komen, of dat het de bedoeling is dat adoptie
ook mogelijk is wanneer het kind één ouder heeft waarvan het niets
meer te verwachten heeft, maar nog wel beschikt over de andere
biologische ouder waarbij het kan opgroeien. In beginsel is adoptie
toch een maatregel voor het geval geen van de oorspronkelijke ouders
het kind kan opvoeden?
De regering spreekt in de memorie van toelichting uit dat de donor
ouder «onder omstandigheden» door de rechter opgeroepen moet kunnen
worden om te worden gehoord ter zake van de voorgestelde adoptie.
Welke zijn deze omstandigheden, zo vragen de leden van de CDA-fractie.
Wat bedoelt de regering met de woorden «voorzover voorzienbaar» in de
zin «Het gaat erom dat het kind nu en in de toekomst, voor zover
voorzienbaar, niets meer te verwachten heeft van zijn ouder(s).», zo
vragen de leden van de CDA-fractie. Welke criteria gelden hier als
maatstaf om de te voorziene omstandigheden te beoordelen», zo vragen
deze leden (26 673, nr 3, p. 4). Vervolgens stelt de regering dat
adoptie slechts kan indien «vaststaat» dat het kind ten aanzien van
zijn oorspronkelijke ouders niets meer te verwachten heeft. Dit wijkt
af van het hierboven gemelde ruimere criterium. Moet hier onder
«ouders» ook «ouder» worden verstaan, of gaat het echt om beide
ouders, zo vragen genoemde leden. Het begrip «vaststaan» klinkt heel
stellig. Het gaat naar de mening van de leden van de CDA-fractie
alleen op in het geval van een anonieme donor.
Ten aanzien van de adoptievoorwaarde dat een kind «niets meer van zijn
ouder of ouders te verwachten heeft» vragen de leden van de
CDA-fractie de regering of hier feitelijk wel sprake van kan zijn
wanneer een zaaddonor of een draagmoeder verklaart afstand van een
kind te willen doen, terwijl zij - bijvoorbeeld - zelf kinderen
opvoeden en in zodanige psychische, fysieke en materiële
omstandigheden verkeren dat er voor hem of haar geen reële beletselen
zijn om het kind, waarvan zij afstand willen doen, op te voeden. Kan
de regering toelichten wat zij hiervan vindt, zo vragen deze leden.
Deelt de regering niet met de leden van de CDA-fractie de zorg dat
zaaddonoren en draagmoeders er voor zullen kiezen de rechtbank
onwaarheden te vertellen - namelijk dat van hen niet te verwachten is
- om afstand te kunnen doen van een kind teneinde adoptie door
adoptiefouders mogelijk te maken, zo vragen deze leden. De
vergelijking met «de grote leugen» uit de tijd dat er nog strengere
regels golden om een huwelijk te kunnen ontbinden, dringt zich hier
op. De leden van de CDA-fractie vragen wat de regering hiervan vindt
en hoe zij denkt een dergelijke situatie te kunnen voorkomen. Acht de
regering de verklaring van een biologische ouder dat zijn of haar doel
was het fungeren als donor-ouder voldoende om aan te nemen dat van die
ouder «niets meer te verwachten is», zo vragen deze leden. Zo ja, hoe
verhoudt zich dit tot de feitelijk constatering dat donorouders soms
toch de wens hebben hun biologische kind op te kunnen voeden, zo
vragen genoemde leden. Met betrekking hiertoe willen de leden van de
CDA-fractie de regering de volgende casus voorleggen. Wat is rechtens
indien een donor-ouder voor de rechtbank verklaart dat er wél iets van
hem of haar te verwachten is, en de feitelijke omstandigheden dat
inderdaad toelaten. Kan deze donorouder de adoptie daarmee voorkomen,
ondanks een eerdere afspraak met de beoogde adoptief-ouders, zo vragen
deze leden.
De leden van de CDA-fractie vragen de regering of de voorgestelde
inkorting van de door de Commissie Kortmann gehanteerde tekst «niets
meer te verwachten heeft of zal krijgen» tot «niets meer te verwachten
heeft» wel bijdraagt tot een zorgvuldiger formulering van de wet. Is
het wel juist dat de toevoeging «of zal krijgen» overbodig is, zo
vragen deze leden. «Niets te verwachten hebben» kan immers, bij een
enge interpretatie, worden uitgelegd als een omschrijving van een
toestand die zich op enig moment voordoet, terwijl «zullen krijgen»
nadrukkelijk ook naar mogelijke veranderingen in de toekomst verwijst.
Hebben de leden van de CDA-fractie de memorie van toelichting goed
begrepen wanneer zij in de veronderstelling zijn dat de verwekking van
een kind door een anonieme donor, volgens de regering, een criterium
is op grond waarvan een rechter kan besluiten tot adoptie door de
levensgezel van de moeder van het kind omdat de biologische vader niet
valt aan te wijzen? Is de regering niet met de leden van de
CDA-fractie van mening dat dit een stimulerende werking op het anoniem
donorschap kan hebben? Zou zij zulks wenselijk achten, zo vragen deze
leden. Wordt hiermee het criterium «Niets meer te verwachten hebben
van de oorspronkelijke ouder» geen `self-fulfilling prophecy'? Is de
regering niet met de CDA-fractie van mening dat adoptie op deze wijze
een middel wordt om ongewenste kinderloosheid te bestrijden in plaats
van een maatregel van kinderbescherming en is dit volgens de regering
in het kennelijk belang van kinderen? Acht de regering het verwekken
van kinderen door of bij anonieme derden in kennelijk belang van
kinderen en acht zij adoptie derhalve gerechtvaardigd, zo vragen deze
leden. Welk belang, zo vragen de leden van de CDA-fractie zich bezorgd
af, weegt voor de regering het zwaarst: het belang van kinderen of het
belang van ongewenst kinderloze volwassenen? Krijgt adoptie, door de
interpretatie die de regering er blijkbaar aan geeft, niet een geheel
andere functie dan waarvoor zij oorspronkelijk door de wetgever is
bedoeld, zo vragen deze leden.
Wordt door het wetsvoorstel niet veroorzaakt dat er kinderen geboren
zullen gaan worden die geen enkel recht kunnen laten gelden op het
kennen van één van hun beide of beide biologische ouders en hun
genetische herkomst, zo vragen de leden van de CDA-fractie.
Hoe beoordeelt de regering de mening van de leden van de CDA-fractie
om anoniem donorschap te verbieden vanwege de psychische problemen die
als gevolg daarvan voor adoptiefkinderen zijn te verwachten (zie
bijvoorbeeld het tv-programma «Spoorloos»)?
Welke inzichten heeft de regering op dit laatste punt uit onderzoek
verkregen, zo vragen deze leden.
Op pagina 5 van de memorie van toelichting staat de volgende passage:
«Is er twijfel over het antwoord op de vraag of aan de gestelde
voorwaarde wordt voldaan, dan zal naar mijn oordeel de rechter de
oorspronkelijke ouder het voordeel van de twijfel moeten geven». Is
dit alleen de mening van de regering of blijkt dit ondubbelzinnig uit
de wettekst, zo vragen de leden van de CDA-fractie. Indien dit laatste
niet het geval is, zou de tekst dan niet in die zin moeten worden
aangepast, zo vragen deze leden. De regering zegt op pagina 5 van de
memorie van toelichting dat adoptie en omgangsregelingen met de
oorspronkelijke ouders elkaar niet per definitie behoeven uit te
sluiten. Zij acht dit niet per definitie in strijd met het criterium:
«niets meer te verwachten hebben van de oorspronkelijke ouder(s)».
Waar ligt precies de grens, zo vragen de leden van de CDA-fractie. Bij
welke omgangsregeling heeft een kind, volgens de regering niets meer
van de ouder, waarmee hij die omgangsregeling heeft, te verwachten en
wanneer is de omgangsregeling van een dergelijke aard dat «het niets
meer te verwachten hebben van» niet meer opgaat. Is de regering niet
met de leden van de CDA-fractie van mening dat uit iedere
omgangsregeling tussen ouder en kind per definitie blijkt dat het kind
dus nog iets van die ouder heeft te verwachten en adoptie in
dergelijke gevallen derhalve niet opportuun is, zo vragen deze leden.
Zeer gereserveerd staan de leden van de fractie van D66 tegenover de
nieuwe voorwaarde voor adoptie, die de regering introduceert, te weten
dat het te adopteren kind niets meer van zijn oorspronkelijke ouder of
ouders te verwachten heeft. Naar de mening van de D66-fractie roept
dit vereiste vele vragen op. Wanneer heeft een kind niets meer te
verwachten van zijn ouder(s), zo vragen deze leden. Wordt de rechter
niet met een veel te vage omschrijving opgezadeld, zo vragen deze
leden. Bestaat niet het grote gevaar dat er rechtsongelijkheid gaat
ontstaan, omdat elke rechter zijn eigen normen zal aanleggen om de
toetsing aan dit vereiste in te kleuren, zo vragen de leden van de
D66-fractie. Creëert de regering door introductie van dit vereiste
niet het gevaar dat het in het belang van de adoptief ouder(s) is te
verzwijgen wie de biologische ouder is om te voorkomen dat deze als
belanghebbende in de adoptieprocedure zal worden gehoord, zo vragen
deze leden. Bevordert de regering met dit vereiste niet de vraag naar
anonieme zaaddonoren met alle nadelige gevolgen van dien voor het kind
en diens gezondheid, zo vragen deze leden. De leden van de D66-fractie
merken hier op dat zij zeer gereserveerd staan tegen de mogelijkheid
van kunstmatige inseminatie met zaad van een anonieme donor. Zij menen
dat dit niet in het belang van het kind is en zullen dit standpunt ter
gelegenheid van andere wetsvoorstellen uitdragen.
De regering beperkt de voorwaarde tot de ouder/kindrelatie. De leden
van de D66-fractie vragen of dit betekent dat wanneer vaststaat dat
het kind niets meer van de ouders te verwachten heeft, maar wel van de
grootouders, de adoptie toch doorgang kan vinden.
De regering vindt dat een bekende donor als belanghebbende in de
adoptieprocedure moet worden gehoord. De leden van de fractie van D66
vragen of de moeder van het kind kan worden verplicht door de rechter
om te laten weten wie de donor is Hoe wordt gecontroleerd of de moeder
de waarheid spreekt, wanneer zij beweert dat het kind verwekt is door
een onbekende man, zo vragen deze leden. Wordt niet een nieuwe «grote
leugen» in het familierecht geïntroduceerd met dit vereiste, zo vragen
de leden van de D66-fractie de regering. Vindt de regering dat een
kind iets van zijn jonge vader te verwachten heeft, wanneer deze aan
de rechter aangeeft nu niets voor het kind te kunnen betekenen, maar
na een gemaakte wereldreis over een jaar of meer wel denkt invulling
te willen/zullen/kunnen geven aan het ouderschap door dan
waarschijnlijk een uitgebreide omgangsregeling te zullen nastreven, zo
vragen deze leden.
Hoewel de leden van de fractie van GroenLinks het belang van
familieleven met de biologische ouders niet onderschatten, vinden zij
dat de regering met de invulling van de voorwaarde dat het kind niets
meer van zijn oorspronkelijke ouders heeft te verwachten, te ver is
doorgeschoten. De regering maakt geen onderscheid tussen een
biologische ouder die op een eerder moment een vorm van familieleven
met het kind heeft gekend en een donor, die zijn zaad beschikbaar
heeft gesteld om gezinsvorming mogelijk te maken voor anderen.
Wat bedoelt de regering precies met de definitie «oorspronkelijke
ouder», zo vragen deze leden. De leden van de fractie van GroenLinks
vragen of de uitleg van de regering werkelijk de bedoeling is geweest
van de Commissie Kortmann, nu de rechtszekerheid hiermee nodeloos
wordt aangetast. Beseft de regering dat ze met dit ruime criterium
misschien een averechts effect zal bereiken, namelijk de toevlucht van
wensouders naar de anonieme donor. Alleen bij deze zijn de wensouders
er absoluut zeker van dat er geen belemmering is bij de adoptie.
Beschouwt de regering de zogenaamde `loket b' donor van de spermabank,
waarvan enige persoonsgegevens zijn geregistreerd, als anoniem of als
bekend, zo vragen deze leden. Bij een bekende donor, die volgens de
regering aanspraak zou kunnen maken op familieleden, is het niet
uitgesloten dat hij in de periode tussen zijn donatie en de adoptie,
die pas een jaar na de geboorte kan plaatsvinden, een verlangen
ontwikkelt om een relatie met het kind te ontwikkelen, ondanks andere
afspraken met de wensouders. De wensouders worden zo volledig
afhankelijk van de houding die de donor zal gaan aannemen bij de
adoptie. De leden betwijfelen of zulks in het belang van het kind is,
omdat zijn belang het meest gediend zal zijn bij het juridisch
ouderschap van zijn opvoeders. Wel kan het kind er baat bij hebben dat
de donor bekend is, zodat er in een later stadium wel contact zou
kunnen worden gelegd. De ervaring van kinderen van anonieme donoren
leert immers dat kinderen het als een gemis kunnen gaan ervaren dat
zij op geen enkele wijze hun `roots' kunnen leren kennen. De regering
wil toch niet voor niets stimuleren dat ook donoren via de spermabank
nog traceerbaar zijn. Met het toekennen van zo'n sterke rechtspositie
aan de bekende donor stimuleert de regering vrouwen echter geenszins
om zich met een bekende donor in te laten. De leden van de fractie van
GroenLinks vragen de regering of zij het risico van dit onbedoeld
effect van de voorgestelde voorwaarde onderschrijft. Zo ja, op welke
wijze denkt zij dit riciso te verkleinen, zo vragen deze leden.
De regering geeft aan dat bepalend zal zijn of de oorspronkelijke
ouder invulling wil of kan geven aan het begrip ouderschap. Ze doelt
niet op feitelijk contact, maar op het dragen van verantwoordelijkheid
met betrekking tot verzorging, opvoeding of uitoefening van het gezag.
De leden van GroenLinks achten de formulering van het begrip
ouderschap een juiste, omdat ze het belang van het kind centraal
stelt. Het zijn eigenschappen die niet per se gekoppeld zijn aan
afstamming of juridisch ouderschap. De leden vragen de regering waarom
zij de koppeling zo nauw legt met de afstamming, dat zelfs een
verwekker die verder niet betrokken is (geweest) bij het kind, de
keuze krijgt of hij familieleven zou willen opbouwen met het kind, en
daarmee tegelijkertijd het familieleven van de opvoeder blokkeert. Het
is de vraag of een dergelijke praktijk wel strookt met het belang van
het kind, die toch het meest gediend is bij een volwaardig ouderschap
van degenen die hem verzorgen en opvoeden.
Feitelijk contact of het kennen van de verwekker kan van vitaal belang
zijn, maar dat is van een heel andere aard dan ouderschap tussen de
verwekker en het kind. Zou de regering de invulling van de voorwaarde
niet beter zodanig formuleren dat het voornamelijk betrekking heeft op
situaties waarin al sprake is geweest van ouderschap, althans waar de
intentie van ouderschap evident bij beide ouders aanwezig is geweest,
zo vragen de leden van de fractie van GroenLinks.
Acht de regering het niet verstandiger om de voorwaarde, zoals
overgenomen van de Commissie Kortmann nader in te vullen, zodat de
rechter meer houvast heeft bij de toetsing? De leden van de fractie
van GroenLinks vinden de ruimte die het voorliggende wetsvoorstel open
laat voor interpretatie, onverantwoord groot. Juist doordat de
regering het onderscheid maakt tussen een anonieme donor en een
bekende donor, geeft ze aan dat de rechter een breed scala aan
adoptieverzoeken grondig zal moeten toetsen aan de voorwaarde. Niet
duidelijk is hoe de rechter de belangen van aspirant-adoptiefouders
moet wegen tegenover de biologische ouder die familieleven wil. Zouden
hun belangen en visie niet zwaar moeten wegen bij de rechterlijke
toetsing, zo vragen deze leden. In hoeverre acht de regering de wens
en visie van de ouder die het kind tevens verzorgt en opvoedt, van
belang of eventueel doorslaggevend, zo vragen deze leden.
En moet de wens van de biologische ouder als recht worden gezien, of
dient de rechter ook te beoordelen of een adequate invulling van het
gewenste ouderschap wel mogelijk is en in het belang van het kind is,
zo vragen deze leden. Als dat zo is, zou de regering hiervoor een
toetsingskader willen creëren, zo vragen genoemde leden. En als dat
niet zo is, heeft de regering dan nog wel het belang van het kind voor
ogen? Tenslotte betekent het serieus nemen van de wil van de
biologische ouder dat de verzorger/opvoeder niet het juridisch
ouderschap kan uitoefenen.
De leden van de fractie van GroenLinks vragen of een verklaring van de
donor waarbij hij afstand doet van elke aanspraak op familieleven,
niet voldoende zou kunnen zijn om een adoptieverzoek te kunnen
behandelen zonder toetsing aan artikel 227 lid 3. Dit zou voor de
aspirant-adoptiefouders het grote voordeel hebben dat zij al bij de
donatie in de zekerheid verkeren dat zij in aanmerking komen voor
adoptie. Gelet op de lange tijd die tussen de donatie en de
behandeling van het adoptieverzoek kan verstrijken, zou dit de rust en
rechtszekerheid ten goede kunnen komen. Hoe beoordeelt de regering een
dergelijke afstandsverklaring, zodat de rechter kan handelen als ware
de biologische ouder een anonieme donor, zo willen deze leden weten.
Zou dit niet eveneens een oplossing kunnen zijn indien een vader en
zijn partner met hulp van een draagmoeder een kind hebben gekregen, zo
vragen deze leden.
De leden van de fractie van GroenLinks zijn het overigens eens met de
eisen die de regering stelt aan de invulling van het ouderschap,
waardoor een periodieke omgang tussen ouder en kind niet in de weg
hoeft te staan aan adoptie. Dan zou een voortzetting van de omgang
voor de biologische ouder en het kind in beider belang zijn. Wel gaan
ze er van uit dat individuele omstandigheden bij een beoordeling
zullen worden betrokken. Indien bijvoorbeeld een biologische ouder wel
steeds om uitgebreider contact heeft verzocht, maar de verzorgende
ouder hieraan niet heeft meegewerkt, zou de conclusie dat er geen
sprake is van ouderschap niet zo snel getrokken kunnen worden.
De leden van de SP-fractie vragen wat de regering vindt van de visie,
indien er toch voor een regeling via het adoptierecht zou worden
gekozen, om het gestelde criterium; `dat het kind niets meer van zijn
oorspronkelijke ouder(s) te verwachten heeft' te laten vervallen.
Argumenten hiervoor zijn volgens de SP-fractie:
1: na het laten vervallen van dit criterium homoparen juridisch
ouderschap kunnen verkrijgen uitsluitend door rechterlijke toetsing
van de familiesituatie waarin het kind wordt opgevoed.
2: de in het wetsvoorstel genoemde rechterlijke toetsing bevat een
`futurologische component' naar de deelname van de biologische ouder
in de opvoeding van het kind in de toekomst. Dit aspect is
hypothetisch van inhoud maar leidt tot rechtsonzekerheid voor het
kind, waardoor één van de sociale ouders rechtens geen zeggenschap
krijgt over het kind.
3: dat door dit criterium averechtse aspecten te verwachten zijn op de
bestaande tendens onder lesbische moeders om juist in het belang van
het kind een bekende donor te kiezen. Met de introductie van een voor
betrokkenen hoge drempel voor adoptie is de kans aanzienlijk om te
kiezen voor een onbekende donor waarover de rechter de toekomstige
perspectieven van zijn inbreng voor het kind kan verwaarlozen. Graag
vernemen de leden van de SP-fractie een reactie van de regering op
deze visie.
Het is de leden van de fracties van GPV en RPF niet duidelijk waarom
nu wordt voorgesteld een nieuwe voorwaarde voor adoptie toe te voegen.
Waaruit is de noodzaak of wenselijkheid daarvan gebleken, zo vragen
deze leden. Zou de regering dit ook hebben voorgesteld als zij niet
tegelijk adoptie voor twee personen van hetzelfde geslacht mogelijk
had willen maken, zo vragen genoemde leden. Een onbevredigende
consequentie is, dat hierdoor inseminatie door een anonieme donor
bevorderd wordt, omdat dan gemakkelijker tot adoptie kan worden
besloten.
De leden van de fracties van GPV en RPF vinden het getuigen van
tweeslachtigheid dat de regering de mogelijkheid wil handhaven dat na
adoptie een omgangsregeling met een van de oorspronkelijke ouders
blijft bestaan. Als een kind van zijn biologische ouder als ouder
niets meer te verwachten heeft en daarom door andere personen wordt
geadopteerd, wat is dan de rechtsgrond om de biologische ouder nog een
omgangsrecht toe te staan, zo vragen deze leden. Is het in het belang
van het kind als daardoor zijn identificatie met de nieuwe ouders
wordt bemoeilijkt, zo vragen genoemde leden.
De leden van de SGP-fractie willen de regering een casus met enige
vragen voorleggen naar aanleiding van het nader rapport (26673 B, punt
2c), waar de staatssecretaris meedeelt dat hij de verwachting van de
Raad van State, dat door invoering van adoptie door personen van
hetzelfde geslacht, het draagmoederschap zal worden gestimuleerd, niet
deelt.
Genoemde leden verwijzen naar het geval, beschreven in de NRC van 28
oktober 1999 (overgenomen in het Nederlands Juristenblad van 2
november 1999, aflevering 40, p. 1916). Daarbij laten zij buiten
beschouwing het in de casus voorkomende commerciële aspect van het
draagmoederschap en aannemende dat het om twee Nederlandse mannen gaat
die, na de openstelling van het huwelijk, als gehuwd worden beschouwd.
De leden van de SGP-fractie hebben met betrekking tot de casus de
volgende vragen. Geldt het geboren kind volgens het Nederlandse recht
als een buitenlands kind? Is er sprake van biologisch ouderschap van
tenminste één van de mannen? Zou adoptie volgens de regels van het
wetsvoorstel mogelijk en noodzakelijk zijn om het gezag over het kind
te krijgen? Zo neen, wat zou dan de gezagssituatie in Nederland zijn
als de wetsvoorstellen 26672 en 26673 kracht van wet zouden hebben, zo
vragen de leden van de SGP-fractie.
Verhouding tot bestaande voorwaarden voor adoptie
Inzake adoptie en gezamenlijk gezag of voogdij is het de leden van de
CDA-fractie onvoldoende duidelijk of aan adoptie steeds een periode
van gezamenlijk gezag vooraf zal gaan, of dat dit slechts het geval is
indien het kind wordt geboren binnen een geregistreerd partnerschap of
huwelijk van twee vrouwen. Wanneer beide partners `ouder' heten te
zijn, hoe wordt dan de derde (niet het kind verzorgende) ouder
genoemd, zo vragen deze leden.
De leden van de fractie van D66 vragen waaruit blijkt dat adoptie
slechts betrekking heeft op minderjarigen. Kan ook een meerderjarige
geadopteerd worden, zo vragen deze leden. Zo nee, waarom eigenlijk
niet? Waarom zou Nederland niet de meerderjarigenadoptie invoeren,
zoals in de onze omringende landen Duitsland en Frankrijk mogelijk is,
zo vragen genoemde leden. De leden van de fractie van D66 voelen hier
veel voor en vragen de regering op dit punt nader in te gaan.
Vraagtekens plaatsen de leden van de D66-fractie bij de twee
voorwaarden dat twee adoptanten, die geen van beiden ouder van het
kind zijn, het kind gezamenlijk gedurende een jaar moeten hebben
verzorgd en opgevoed alsmede dat zij voor de indiening van het
adoptieverzoek drie jaar moeten hebben samengeleefd. Wil de regering
nog eens puntsgewijs toelichten, waarom deze voorwaarden gesteld
worden. Kan het niet in het kennelijk belang van het kind zijn indien
wel geadopteerd kan worden zonder dat aan beide voorwaarden is
voldaan, zo vragen de leden van de fractie van D66. Vallen deze
vereisten niet onredelijk zwaar uit bij twee duo-moeders, van wie de
ene het kind baart, zo vragen deze leden. Waarom zou de andere moeder,
met wie zij samenwoont het kind eerst een jaar moeten verzorgen en
drie jaar met de andere moeder moeten hebben samengeleefd, wil zij tot
eenouderadoptie kunnen overgaan, zo vragen genoemde leden. Een man,
die met een vrouw samenleeft, die een kind baart (bijvoorbeeld na
kunstmatige bevruchting) hoeft het kind alleen maar te erkennen en is
de juridische ouder. Waarom wordt er bij twee duo-moeders dan anders
geoordeeld, zo vragen deze leden. Is het verschil te rechtvaardigen in
het belang van het kind, zo vragen deze leden. Waarom wordt de
mogelijkheid van erkenning niet ook voor duomoeders in de beschreven
situatie mogelijk gemaakt, zo vragen de leden van de D66-fractie de
regering.
In grote lijnen kunnen de leden van de fractie van GroenLinks zich
vinden in de redenering dat een verzoek van de oorspronkelijke ouder
die een adoptieverzoek tegenspreekt, daarmee nog niet aangeeft dat hij
of zij de familierechtelijke relatie wenst te behouden. Met de
redenering echter dat indien de oorspronkelijke ouder aangeeft niet
meer de familierechtelijke relatie te willen behouden, dat nog niet
betekent dat het kind geen familieleven van hem of haar meer te
verwachten heeft, hebben de leden van de fractie van GroenLinks wel
meer moeite. Hoewel het begrijpelijk en lovenswaardig is dat de
regering mensen in een bepaalde situatie wil beschermen tegen
zichzelf, vragen deze leden of dit in de praktijk wel werkbaar is. Het
zou betekenen dat de rechter niet meer af kan gaan op verklaringen,
maar eerst moet onderzoeken of de persoon wel in staat is om de
consequenties van een dergelijke verklaring te overzien. Hoe ziet de
regering dat voor zich, zo vragen deze leden. Kan de regering niet
beter de procedure omgeven met meer waarborgen ter voorkoming van
dergelijke situaties, zo vragen genoemde leden.
De leden van de fractie van GroenLinks vragen of het niet voldoende is
om bij de eenpersoonsadoptie door de partner van de ouder, de eis te
stellen dat er een samenlevingsverband is van minimaal drie jaar,
hetgeen de bestendigheid van de relatie bevestigt en daarnaast te
toetsen of het kind nog familieleven heeft te verwachten van zijn
oorspronkelijke ouder, waardoor mogelijke familiebanden niet worden
doorgesneden. Deze twee eisen waarborgen naar de mening van de leden
van de fractie van GroenLinks een zorgvuldige totstandkoming van het
juridisch ouderschap. Wat voegt naar de mening van de regering de eis
van één jaar verzorging toe aan de bovengenoemde voorwaarden, zo
vragen deze leden. Leidt deze eis niet tot een nodeloze inmenging in
het gezinsleven, zo vragen genoemde leden. Leidt het niet tevens tot
een ongerechtvaardigd onderscheid ten opzichte van hetero-relaties,
waar erkenning als een eenvoudige handeling leidt tot juridisch
ouderschap, en wat zelfs al vóór de geboorte mogelijk is, zo vragen
deze leden.
Verhouding tot gezamenlijk gezag
De leden van de VVD-fractie constateren dat een belangrijk
rechtsgevolg van gezamenlijk ouderschap binnen het heterohuwelijk is
dat de ouders van rechtswege het gezag c.q. het ouderschap over het
kind uitoefenen. Binnen een huwelijk van partners van hetzelfde
geslacht zal gezamenlijk gezag c.q. ouderschap alleen bestaan in geval
van adoptie of bij separate verwerving van gezamenlijk gezag. De
Commissie Kortmann heeft dienaangaande voorgesteld om bij de geboorte
van een kind binnen een geregistreerd partnerschap of huwelijk van
twee vrouwen van rechtswege het gezamenlijk gezag c.q. het ouderschap
te doen bestaan vanaf het moment van geboorte. In hoeverre
onderschrijft de regering dit uitgangspunt, zo vragen genoemde leden.
Indien dat het geval is, wanneer is hij van plan met een afzonderlijk
wetsvoorstel te komen, zo vragen genoemde leden.
De leden van de VVD-fractie staan eveneens niet onwelwillend ten
opzichte van de gedachte dat voor kinderen die worden geboren binnen
een huwelijk van twee personen van hetzelfde geslacht, dezelfde
afstammingsrechtelijke gevolgen dienen te gelden als voor kinderen die
worden geboren binnen een huwelijk van twee personen van verschillend
geslacht. In dit verband wijzen zij ook op Prof. S. Wortmann, die
heeft geopperd dat het nog niet zo gek zou zijn dat vanaf de geboorte
van het kind, de vrouwelijke geregistreerde partner eveneens als ouder
zou gelden (NJB 1998, afl. 32). Tevens moet hierbij overwogen worden
dat de verwantschap tussen ouders en kinderen in veel gevallen het
verlies van liefde tussen beide ouders kan compenseren, in die zin dat
ouders - ook na het opbreken van hun hetero- of homorelatie - gehouden
worden elkanders band met het kind in dezelfde mate te respecteren.
Deze kwestie heeft vele facetten. De leden van de VVD-fractie
verzoeken de regering deze problematiek nader uit te diepen.
Daarnaast vragen de leden van de VVD-fractie aandacht voor het
volgende. Ondanks het groeiende belang van sociaal ouderschap ten
opzichte van biologisch ouderschap, blijft het evident dat
bloedverwantschap van grote betekenis is. Zij verwijzen naar mogelijke
identiteitsproblemen van adoptiefkinderen die niet weten wie hun
biologische ouder is. Met het oog hierop kiezen veel adoptiefouders
voor semen van een bekende donor. Daarnaast komt het voor dat men
zaad- of eicellen van familieleden voor inseminatie gebruikt, met als
doel de kinderen zoveel mogelijk familiaire kenmerken van beide ouders
te geven. Door velen is de vrees geuit dat deze praktijk tot stilstand
zal komen ten gevolge van het criterium of van de oorspronkelijke
ouder nog iets te verwachten valt. Bij een bekende donor is de kans
daarop groter. Hoe staat de regering tegenover deze mogelijke
effecten, zo vragen de leden van de VVD-fractie.
Op pagina 7 van de memorie van toelichting lezen de leden van de
CDA-fractie de volgende passage: «Verkorting van drie jaar tot
één jaar van de opvoedings- en verzorgingstermijn bij
stiefouderadopties is te rechtvaardigen, omdat voor deze categorie
tegelijkertijd de samenlevingstermijn van drie jaar wordt
ingevoerd». Is de regering niet met de CDA-fractie van mening
dat hier op een onzuivere wijze wordt geargumenteerd, zo vragen deze
leden. Het opvoeden van kinderen is toch immers heel iets anders dan
het samenleven van twee volwassenen, zo vragen de leden van de
CDA-fractie. Kan de regering toelichten op grond van welke argumenten
een verkorting van de bedoelde opvoedings- en verzorgingtermijn wel
kan worden gerechtvaardigd, zo vragen deze leden. Welke conclusies
trekt de regering wanneer zulke argumenten mochten ontbreken, zo
vragen genoemde leden.
De leden van de fractie van D66 vragen hoe vaak er sinds 1 januari
1998 gebruik is gemaakt van de mogelijkheid door een stiefouder om het
gezamenlijk gezag met de andere ouder te verkrijgen. In de toekomst
zullen er ook erfrechtelijke gevolgen verbonden zijn aan gezamenlijk
gezag. Vervallen deze weer, wanneer aan het gezamenlijk gezag door de
meerderjarigheid van het kind een einde komt of omdat de ouders met
het gezamenlijk gezag zich tot de rechter wenden om het te beëindigen,
zo vragen deze leden.
De leden van de fractie van GroenLinks zijn bijzonder ingenomen met de
uitbreiding van de reikwijdte van het gezamenlijk gezag, waardoor dit
uitgroeit tot een goed alternatief indien adoptie niet tot de
mogelijkheden behoort. Zij hebben wel de indruk dat er van een
volledige gelijkwaardigheid geen sprake is, wat hen doet twijfelen aan
de veronderstelling dat de behoefte aan adoptie hierdoor zou
verminderen. Wordt met het verbinden van erfrechtelijke consequenties
aan het gezamenlijk gezag het kind ook opgenomen in de familie van de
ouders, zo vragen de leden van de fractie van GroenLinks. Zo nee, wat
zijn in dit opzicht nog de resterende verschillen met ouderschap, zo
vragen deze leden. Waarom is er voor gekozen om het gezamenlijk gezag
altijd te laten eindigen bij meerderjarigheid, zo vragen deze leden.
De leden van de fractie van GroenLinks vragen of het juist is dat de
wijziging dat gezamenlijk gezag van rechtswege ontstaat binnen een
huwelijk of geregistreerd partnerschap, alleen werking heeft bij een
relatie tussen twee vrouwen. Bij een relatie tussen twee mannen is er
bij de geboorte immers al een moeder. Neemt de regering hier ook de
suggestie over van de Commissie Kortmann om met een aantekening in het
gezagsregister te volstaan, zo vragen deze leden.
De leden van de fracties van GPV en RPF hebben kennis genomen van het
overzicht van verschillen tussen gezamenlijk gezag en ouderschap op
grond van afstamming of adoptie. Over het algemeen zien zij de
verschillen als logisch teneinde recht te doen aan het eigen karakter
van het afstammingsrecht. Zij zien dan ook niet in waarom twee van
deze verschillen zouden moeten worden weggenomen. Kan de regering dit
toelichten, zo vragen deze leden.
Sterke en zwakke adoptie
De leden van de CDA-fractie hebben behoefte aan een nadere toelichting
op het standpunt van de regering met betrekking tot dat de zwakke
adoptie (memorie van toelichting, pagina 8 en 9). Blijkbaar kennen
Frankrijk en Duitsland wel zwakke adoptie. De leden van de CDA-fractie
hebben de volgende vragen. Is het niet verstandig om met de
Nederlandse wetgeving aansluiting te zoeken bij deze landen, zo vragen
deze leden. Zou een betere aansluiting bij de Franse en Duitse
wetgeving niet de internationale acceptatie van de Nederlandse
wetgeving inzake adoptie sterk kunnen bevorderen, zo vragen genoemde
leden. De leden van de CDA-fractie of er, behalve Frankrijk en
Duitsland, ook nog andere landen van de Europese Unie zijn waar zwakke
adoptie bestaat. Zo ja welke landen zijn dat en ziet de regering
mogelijkheden om met het wetsvoorstel aansluiting te zoeken bij deze
systemen, zo vragen deze leden. Ziet de regering tevens mogelijkheden
om zwakke adoptie en gezamenlijk gezag of voogdij binnen Europees
verband te bespreken, zodat hieruit een uniforme Europese regelgeving
kan volgen, zo vragen deze leden.
De regering geeft aan dat het onduidelijk is of landen die op dit
moment kinderen ter adoptie afstaan hun standpunt ten aanzien van
Nederland in meer algemene zin zullen heroverwegen. Is de regering
voornemens hier onderzoek naar te verrichten, zo vragen deze leden.
Tijdens het plenair debat over het rapport van de commissie Kortmann
heeft het D66-kamerlid Dittrich de zogenaamde zwakke adoptie aan de
orde gesteld. Uit onderzoek blijkt dat deze adoptievorm in de onze
omringende landen (Duitsland, Frankrijk) voorkomt. De leden van de
D66-fractie vragen wat precies de verschillen zijn tussen de zwakke
minderjarigenadoptievorm uit Frankrijk en Duitsland en de gezamenlijk
gezagconstructie in Nederland. Welke verschillen blijven er bestaan,
nadat in Nederland het wetsvoorstel, dat thans nog in de maak is en
dat meer juridische gevolgen verbindt aan gezamenlijk gezag, kracht
van wet heeft gekregen, zo vragen deze leden.
De leden van de fractie van GroenLinks onderschrijven de stelling van
de regering dat het creëren van de mogelijkheid van zwakke adoptie
voornamelijk zal leiden tot verwarring en niets essentiëels toevoegt,
nu het zoveel overeenkomsten vertoont met de figuur van gezamenlijk
gezag.
Gevolgen voor het internationaal privaatrecht
De in onderhavig wetsvoorstel bedoelde adopties hebben betrekking op
kinderen met gewone verblijfplaats in Nederland. De leden van de
PvdA-fractie vragen of de in Nederland uitgesproken adopties door
personen van gelijk geslacht in het buitenland zullen worden erkend.
In de memorie van toelichting wordt door de regering aangekondigd dat
zij binnen de relevante internationale verdragsorganisaties de
aandacht zal vestigen op adoptie door personen van gelijk geslacht. De
leden van de PvdA-fractie verzoeken de regering om met voortvarendheid
deze toezegging ter hand te nemen. Dit laatste ook met name in
Europees verband. Daarnaast vernemen deze leden graag van de regering
in hoeverre zij rekening houden met de vraag wat de consequenties zijn
van dit wetsvoorstel voor de Nederlandse Antillen, zo vragen genoemde
leden.
Mede in dit verband verzoeken de leden van de PvdA-fractie de regering
om zo spoedig mogelijk te beginnen met het ontwerpen van
wijzigingsvoorstellen waarbij de huidige regelgeving in het
internationaal privaatrecht wordt aangepast aan het onderhavige
wetsvoorstel. De leden van de PvdA-fractie vernemen graag van de
regering waarom zij nog steeds van mening is dat interlandelijke
adoptie door personen van hetzelfde geslacht uitgesloten is. Hoe gaat
de regering in deze context om met de recente rechtelijke uitspraak
uit de Canadese provincie Alberta (zie ANP-nieuws van 29/11/1999)
waarbij twee homoseksueel paren zijn toegestaan kinderen te adopteren,
zo vragen deze leden.
De leden van de VVD-fractie verzoeken de regering nader aandacht te
besteden aan de internationaal privaatrechtelijke aspecten van adoptie
door paren van hetzelfde geslacht. Hoe is de stand van zaken indien
het geadopteerde kind in het buitenland wenst te huwen c.q. een
familierechtelijke relatie aangaat. Wat zijn de gevolgen voor het
erfrecht met betrekking tot bezittingen van de adoptiefouders in het
buitenland c.q. als de adoptief ouders na een verblijf van enige jaren
in het buitenland overlijden, zo vragen deze leden.
De regering stelt in de memorie van toelichting op bladzijde 9 dat
«Problemen in verband met toepassing van buitenlands materieel
recht, dat adoptie door personen van gelijk geslacht niet kent, zich
in beginsel niet zullen voordoen». Kan de regering de leden van
de CDA-fractie garanderen dat dat ook niet zal gebeuren wanneer
kinderen zich met hun twee adoptievaders of - moeders in het
buitenland zullen gaan vestigen of met hen in het buitenland op reis
zijn? Zo ja, op grond waarvan kan zij die garantie geven, zo vragen
deze leden. Zo nee, in welke landen verwacht de regering dat er zich
problemen zullen gaan voordoen en kan zij dan aangeven wat de aard van
die problemen zal zijn, zo vragen genoemde leden. Overweegt de
regering -mochten er zich problemen voor kunnen doen- om ten behoeve
van de adoptiefouders van gelijk geslacht een informatiecampagne te
starten, zo vragen genoemde leden. Kan zij al aangeven wanneer met een
dergelijke campagne kan worden begonnen en hoe deze er in grote lijnen
komt uit te zien, zo vragen de leden van de CDA-fractie.
Uit berichten in de media hebben de leden van de CDA-fractie begrepen
dat onlangs twee Britse homoseksuele mannen in Amerika een kind hebben
mogen adopteren dat bij een Amerikaanse draagmoeder was verwekt The
Daily Telegraph, 15 december 1999. Het wetsvoorstel beoogt alleen
adoptie van Nederlandse kinderen door twee personen van gelijk
geslacht mogelijk te maken en in de memorie van toelichting (pagina 3)
wordt uitdrukkelijk gesteld dat interlandelijke adoptie door twee
personen van hetzelfde geslacht, gelet op de huidige internationale
verhoudingen, niet is aangewezen om te worden bevorderd. Is het
uitgangspunt van het wetsvoorstel, gezien het genoemde voorbeeld, nu
reeds achterhaald, zo vragen deze leden. Hoe denkt de regering straks,
op grond van het huidige wetsvoorstel, op te treden, wanneer paren van
hetzelfde geslacht kinderen wensen te adopteren uit landen waar de
wetgeving van die landen zich niet tegen een dergelijke adoptie
verzetten, zo vragen de leden van de CDA-fractie. Welke gevolgen zal
dat hebben voor de rechtsgang in Nederland, zo vragen deze leden. Hoe
kan de Nederlandse rechter, bijvoorbeeld, gaan toetsen of een kind
inderdaad niets meer te verwachten heeft van een buitenlandse
zaaddonor of draagmoeder, zo vragen deze leden. Denkt de regering dat
het altijd mogelijk zal zijn om die draagmoeders en zaaddonoren voor
de rechtbank te horen, zo vragen genoemde leden.
De leden van de CDA-fractie vragen de regering of zij kan toelichten
op grond van welke Amerikaanse en Britse wetgeving de adoptie in het
genoemde voorbeeld plaats kon vinden. Op welke punten verschilt de
bedoelde Amerikaanse en Britse wetgeving van het door de regering
ingediende wetsvoorstel en op welke punten is er sprake van
overéénstemming, zo vragen deze leden. Hebben de Britse en Amerikaanse
wetgeving als voorbeeld gediend voor het wetsvoorstel, zo vragen
genoemde leden. Wordt door het wetsvoorstel het in principe ook
mogelijk dat twee broers, twee zussen, of andere duurzame tweerelaties
kinderen kunnen gaan adopteren, zo vragen de leden van de CDA-fractie.
De Raad van State wenst duidelijkheid over de vraag wat landen waar
adoptie-kinderen vandaan komen zullen doen na aanneming van dit
wetsvoorstel. De leden van de CDA-fractie vragen of de regering
inmiddels al landen die daarvoor in aanmerking komen op de hoogte
heeft gesteld van dit wetsvoorstel. Zo ja, wat is de reactie? Zo neen,
is de regering bereid dit tijdig voor de plenaire behandeling in de
Tweede Kamer te doen, zodat tijdig bekend is of dit wetsvoorstel
consequenties zal hebben, zo vragen deze leden.
De leden van de fracties van GPV en RPF vinden dat de regering wel erg
luchthartig omgaat met het te verwachten uitblijven van internationale
erkenning van in Nederland uitgesproken adopties door personen van
gelijk geslacht. Brengt de Nederlandse positie ten aanzien van het
Haags Adoptieverdrag niet met zich mee, dat Nederland zich sterk
behoort in te spannen om de doelstelling van het verdrag in praktijk
te brengen, zo vragen de leden van de fracties van GPV en RPF. Hoe is
daarmee te verenigen dat Nederland adoptiemogelijkheden creëert
waarvan bij voorbaat bekend is dat de andere verdragsstaten ze niet
zullen erkennen, zo vragen deze leden. De leden van de fractie van GPV
en RPF vragen of daarover tevoren overleg is gevoerd binnen de Haagse
Conferentie voor Internationaal Privaatrecht en de Raad van Europa. Zo
ja, wat waren de resultaten hiervan, zo vragen deze leden.
Wat is de praktische waarde van de mededeling dat Nederland in
internationale gremia de aandacht op deze kwestie zal vestigen met het
oog op de bevordering van de (diverse) mogelijkheden van erkenning van
adopties in het buitenland, zo vragen de leden van de fractie van GPV
en RPF. Zijn er aanwijzingen dat voldoende andere landen eraan willen
meewerken deze (door Nederland zelf veroorzaakte) kwestie op te
lossen, zo vragen deze leden.
Artikelsgewijze toelichting Onderdeel A In de artikelsgewijze
toelichting wordt in artikel I, onderdeel A de achternaam van het
adoptiefkind geregeld. Om de verschillende aspecten te ondervangen
wordt een geheel nieuwe tekst voor het derde lid van artikel 5
voorgesteld. Naar de mening van de leden van de PvdA-fractie wordt in
de eerste volzin van het artikellid geen rekening gehouden met de
openstelling van het huwelijk voor paren van gelijk geslacht. Kan de
regering aan deze leden nader toelichten of er een reden is om tot
deze `ongelijkheid' te komen. Daarnaast is in de eerste volzin een
basisregel voorgesteld die ten faveure is van de achternaam van de
vader. Is de regering van mening dat de bepalingen uit de eerste
volzin zodanig kunnen worden aangepast dat zij een zogenaamd
seksneutraal karakter krijgen zoals daar in de tweede volzin sprake
van is.
Een onderdeel van het wetsvoorstel ziet toe op aanpassing van het op 1
januari 1998 ingevoerde naamrecht. De leden van de VVD-fractie vragen
de regering of de voorlaatste volzin van artikel 5, lid 3 helderder
kan worden geformuleerd. Met name is verwarrend dat de mogelijkheid
wordt geboden dat het kind de «geslachtsnamen» zal hebben van de
echtgenoot of levensgezel. Wat wordt daarmee bedoeld, zo vragen deze
leden.
Onderdeel B
Artikel 204 bepaalt dat erkenning van het kind nietig is wanneer het
reeds in familierechtelijke betrekking tot twee personen staat. De
leden van de CDA-fractie vragen welke implicaties dit heeft voor
gerechtelijke vaststelling van het vaderschap of moederschap. Wanneer
door middel van genetisch onderzoek kan worden vastgesteld dat een
geadopteerd kind beschikt over een in leven zijnde biologische ouder,
in hoeverre kan het dan rechten ontlenen aan deze verwantschap, zo
vragen deze leden. Heeft het kind recht op het kennen van de
genetische herkomst, zo vragen genoemde leden. Zo nee, waarom niet?
Acht de regering dit al dan niet wenselijk, zo vragen de leden van de
CDA-fractie.
De regering stelt: «Een en ander heeft tot onder meer tot gevolg dat
wanneer een kind geadopteerd is door de vrouwelijke partner van de
moeder, het kind niet kan worden erkend door zijn verwekker». Hoe
verhoudt zich dit tot het criterium: «niets meer te verwachten hebben
van», zo vragen de leden van de CDA-fractie. Is de regering niet met
de CDA-fractie van mening dat een biologische vader die zijn kind niet
als het zijne mag erkennen het, in juridische zin, feitelijk
onmogelijk wordt gemaakt om nog duidelijk te maken dat zijn kind
wellicht nog wel iets van hem heeft te verwachten, zo vragen deze
leden. Hoe verdraagt zich deze uitspraak met het door de regering
geuite standpunt dat in gevallen van twijfel de oorspronkelijke ouder
het voordeel van de twijfel behoort te krijgen (memorie van
toelichting, pagina 5), zo vragen genoemde leden. Wordt met deze
stellingname van de regering niet bij voorbaat het belang van de
adoptiemoeder, om niet geconfronteerd te willen worden met de
biologische vader van het kind, gesteld boven het mogelijk belang van
het kind om, mede, door zijn biologische vader te worden opgevoed, zo
vragen de leden van de CDA-fractie.
Is het niet juist dat het oorspronkelijke criterium van de Commissie
Kortmann, het «niets meer te verwachten hebben of zullen krijgen»,
zich verzet tegen een embargo op de erkenning door de biologische
vader van een kind, wanneer dat kind door de vrouwelijke partner van
de biologische moeder is geadopteerd, zo vragen de leden van de
CDA-fractie. Is dit voor de regering een reden geweest om het
criterium van de commissie Kortmann in te korten tot: «niets meer te
verwachten hebben», zo vragen deze leden.
Is de regering voorts niet met de leden van de CDA-fractie van mening
dat het niet mogen erkennen van een kind door de biologische vader van
dat kind ernstige gevolgen voor het afstammingsrecht heeft, zo vragen
deze leden. Is de regering niet met de CDA-fractie van oordeel dat op
deze wijze bewust, zonder dat er sprake is van noodsituaties waarin
moet worden gehandeld om kinderen te beschermen, biologische
onwaarheden worden gecreëerd? Wat vindt de regering daarvan bezien
vanuit het standpunt dat een overheid wetgeving behoort te creëren
waarmee eerlijkheid wordt bevorderd, zo vragen deze leden.
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering kan toelichten wat
de gevolgen voor het afstammingsrecht zullen zijn, wanneer zij haar
standpunt in deze niet wijzigt. Wat vindt de regering, in deze, van de
uitspraak van Prof. Mr. S.F.M. Wortmann, wanneer deze in haar oratie
rede het volgende zegt: «Het recht geeft aandacht en bescherming aan
de situatie van het kind dat geboren is en/of wordt verzorgd in een
homoseksuele tweerelatie. Die bescherming kan niet dezelfde vorm en
inhoud hebben als de bescherming die kinderen hebben die binnen een
heteroseksuele tweerelatie worden geboren vanwege het feitelijke
gegeven dat het kind niet kan afstammen van de beide volwassenen die
het verzorgen en opvoeden. Er is hoe dan ook iemand van het andere
geslacht nodig. Met de op biologische verwantschap gebaseerde
aanspraken van de derde persoon ten aanzien van het kind zal rekening
gehouden behoren te worden. Het kind mag ook in juridisch opzicht niet
de dupe zijn van de keuzes die volwassenen gemaakt hebben, ook al
zouden we die keuzes onjuist achten S.F.M. Wortmann: Als een eigen
kind».
De leden van de fractie van GroenLinks constateren dat onderdeel f van
artikel 204 erkenning nietig maakt als het kind tot twee personen in
familierechtelijke betrekking staat. Zou het niet ook de voorkeur
verdienen ook artikel 205 zo uit te breiden, dat erkenning ook kan
worden vernietigd indien lid 1 sub c van toepassing is, terwijl de
erkenner wel de biologische vader is, zo vragen deze leden. Met name
als erkenning door de donor nooit de intentie is geweest en de twee
samenlevende personen slechts met de donor hebben samengewerkt om een
kind te kunnen krijgen en opvoeden, zou zo'n onrechtmatige handeling
toch ongedaan gemaakt kunnen worden, zo vragen genoemde leden.
Artikel 227 Mede naar aanleiding van een verzoek van de Raad van State
heeft de regering in de memorie van toelichting aan de hand van
voorbeelden aandacht geschonken aan de vraag hoe de rechter kan
beoordelen of een ouder in de toekomst als ouder nog iets aan het kind
te bieden zal hebben. De leden van de PvdA-fractie zijn van mening dat
deze voorbeelden tot verwarring hebben geleid. Kan de regering, aan de
hand van voorbeelden, een eenduidiger beeld scheppen wanneer het gaat
om de rechterlijke beoordeling van de inhoud van het fenomeen dat een
kind al dan niet meer iets te verwachten heeft van zijn
oorspronkelijke ouders, zo vragen deze leden. De regering zegt in de
memorie van toelichting de commissie Kortmann te ondersteunen in haar
voorstel om bij geboorte van een kind binnen een geregistreerd
partnerschap of huwelijk van twee vrouwen van rechtswege gezamenlijk
gezag te laten ontstaan vanaf het moment van de geboorte. De regering
is voornemens om dit in een afzonderlijk wetsvoorstel te regelen. De
leden van deze fractie nemen aan dat dit wetsvoorstel spoedig zal
worden ingediend zodat laatstgenoemd en onderhavig wetsvoorstel beiden
op 1 januari 2001 in werking kunnen treden. Onderdeel D Met betrekking
tot de voorwaarde genoemd in artikel 227 lid 3 vragen de leden van de
fractie van GroenLinks of de regering bereid is over deze voorwaarde
nadere criteria uit te werken. Zo ja, aan welke criteria denkt zij, zo
vragen deze leden.
Onderdeel E
In artikel 228, eerste lid onder f, lezen de leden van de CDA-fractie
dat één adoptant tenminste drie aaneengesloten jaren voor een kind
moet hebben gezorgd, terwijl bij adoptie door twee personen een
verzorgingstermijn van één jaar volstaat. Kan de regering dit verschil
in termijnen toelichten, zo vragen deze leden. Kan uit dit verschil in
termijnen worden opgemaakt dat de regering van oordeel is dat adoptie
door één persoon minder wenselijk is dan door twee personen, zo vragen
genoemde leden.
Onderdeel F
De leden van de CDA-fractie constateren dat ten aanzien van artikel
229 in het wetsvoorstel wordt voorgesteld om de oorspronkelijke tekst
te vervangen door: «echtgenoot of levensgezel van die ouder». Waarom
wordt hier niet ook van de «echtgenote» gesproken, zo vragen deze
leden.
Artikel II
Met betrekking tot de overgangsbepalingen in artikel II van het
wetsvoorstel merken de leden van de CDA-fractie op dat de huidige
wetgeving van toepassing blijft voor reeds lopende adoptiezaken. Is
dit, niet merkwaardig gezien het feit dat er naar een gelijke
behandeling van duurzame hetero- en homorelaties wordt gestreefd, zo
vragen deze leden. Wanneer de regering werkelijk van oordeel is dat de
huidige wetgeving paren van hetzelfde geslacht achterstelt bij paren
van ongelijk geslacht, waarom kiest de regering dan niet voor een
invoering waarbij de wetswijziging ook voor lopende zaken geldt, zo
vragen de leden van de CDA-fractie.
De voorzitter van de commissie,
Van Heemst
De griffier voor dit verslag,
Atkins
1) Samenstelling:
Leden
Van de Camp (CDA)
Biesheuvel (CDA)
Swildens-Rozendaal (PvdA)
Scheltema-de Nie (D66)
Kalsbeek-Jasperse (PvdA)
Zijlstra (PvdA)
Apostolou (PvdA)
Middel (PvdA)
Van Heemst (PvdA), voorzitter
Dittrich (D66), ondervoorzitter
Rabbae (GL)
Rouvoet (RPF)
Van Oven (PvdA)
O.P.G. Vos (VVD)
Van Wijmen (CDA)
Patijn (VVD)
De Wit (SP)
Ross-van Dorp (CDA)
Niederer (VVD)
Nicolaï (VVD)
Halsema (GL)
Weekers (VVD)
Van der Staaij (SGP)
Wijn (CDA)
Brood (VVD)
Plv. leden
Balkenende (CDA)
Verhagen (CDA)
Wagenaar (PvdA)
Van Vliet (D66)
Arib (PvdA)
Duijkers (PvdA)
Kuijper (PvdA)
Albayrak (PvdA)
Barth (PvdA)
Hoekema (D66)
Karimi (GL)
Schutte (GPV)
Santi (PvdA)
Van den Doel (VVD)
Rietkerk (CDA)
Rijpstra (VVD)
Marijnissen (SP)
Buijs (CDA)
Van Baalen (VVD)
Van Blerck-Woerdman (VVD)
Oedayraj Singh Varma (GL)
De Vries (VVD)
Van Walsem (D66)
Eurlings (CDA)
Kamp (VVD)
Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal
|