Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Kamerbrief inzake wijziging algemene richtlijnen post

Datum nieuwsfeit: 24-12-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal


00000000.231 brief sts vw t.g.v. wijziigng van de algemene richtlijnen post

Gemaakt: 30-12-1999 tijd: 11:56


10

Aan

de voorzitter van de Tweede Kamer

der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 24 december 1999

Onderwerp

Wijziging van de algemene richtlijnen post.

Geachte voorzitter,

Hierbij deel ik u mede dat ik voornemens ben het Besluit algemene richtlijnen post (Barp) te wijzigen. Met deze wijziging wordt uitvoering gegeven aan artikel 5 van de Postwet en dient ter verdere implementatie van de postrichtlijn.

Ingevolge artikel 25, vierde lid, van de Postwet wordt een besluit houdende wijziging van voornoemd besluit niet eerder vastgesteld dan twee maanden nadat een ontwerp van dat besluit aan de beide Kamers der Staten-Generaal ter kennisneming is toegezonden. In verband hiermede treft u bijgaand aan een ontwerp besluit tot wijziging van het Besluit algemene richtlijnen post alsmede de bijbehorende toelichting.

Voor de inhoud van de wijzigingen verwijs ik u kortheidshalve naar de toelichting bij het ontwerp-besluit.

Over een ontwerp van dit besluit is overleg gevoerd met de houder van de concessie, zijnde de TNT Post Groep N.V. Voorts is een ontwerp van dit besluit voorgelegd aan het Permanent Overlegorgaan Post en Telecommunicatie (OPT). Het rapport van bevindingen van het OPT van 13 december 1999 is bijgevoegd. Tenslotte is het besluit in ontwerp voor een zogenoemde uitvoeringstoets voorgelegd aan de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit (het college). Bijgevoegd is de uitvoeringstoets van het college van 2 december 1999 en de daarbij behorende begeleidende brief van het

college. Tevens treft u nog aan een afschrift van mijn antwoord op de brief van het college.

Hoogachtend,

DE STAATSSECRETARIS VAN VERKEER EN WATERSTAAT,

drs J.M. de Vries

Ontwerp Barp d.d. 22 december 1999

Besluit, houdende wijziging van het Besluit algemene richtlijnen post in verband met richtlijn nr. 97/67/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 15 december 1997 betreffende gemeenschappelijke regels voor de ontwikkeling van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap en de verbetering van de kwaliteit van de dienst (PbEG 1998, L 15), het rapport `Markt en Overheid-toets op de postmarkt» (kamerstukken II 1999/00,24036,nr.....)en een aantal wetstechnische wijzigingen

DE STAATSSECRETARIS VAN VERKEER EN WATERSTAAT,

Gelet op richtlijn nr. 97/67/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 15 december 1997 betreffende gemeenschappelijke regels voor de ontwikkeling van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap en de verbetering van de kwaliteit van de dienst (PbEG 1998, L 15), alsmede op artikel 5 van de Postwet;

BESLUIT:

Artikel I

Het Besluit algemene richtlijnen post wordt gewijzigd als volgt.

A

§ 1 wordt gewijzigd als volgt.


1. In onderdeel b vervalt «(Stb. 1988, 522)».


2. Onderdeel e komt te luiden:

e. het postvervoer: het postvervoer, zoals omschreven bij en krachtens de artikelen 2 en 2a, jo artikel 1, van de wet; .


3. In onderdeel f wordt «het vervoer van postzendingen»

vervangen door: het postvervoer.


4. Onder vervanging van de punt aan het eind van onderdeel i door een puntkomma, worden na dit onderdeel drie nieuwe onderdelen ingevoegd, luidende:

j. drukwerken: bescheiden en schriftelijke mededelingen,

al dan niet verpakt, die door toepassing van druk- of andere vermenigvuldigingstechnieken in een aantal geheel met elkaar overeenstemmende exemplaren ter verspreiding zijn vervaardigd en waarin, behoudens de adressering, geen bijvoegingen, doorhalingen of aanduidingen zijn aangebracht,

k. postpakketten: geadresseerde verpakte zendingen die in elk geval zaken, niet zijnde brieven of drukwerken, bevatten,

l. richtlijn: richtlijn nr. 97/67/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 15 december 1997 betreffende gemeenschappelijke regels voor de ontwikkeling van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap en de verbetering van de kwaliteit van de dienst (PbEG 1998, L 15).

B

§ 2 wordt gewijzigd als volgt.


1. In onderdeel 2.1 wordt «het vervoer van postzendingen»

vervangen door: het postvervoer.


2. In onderdeel 2.2 komt subonderdeel a te luiden:

a. het postvervoer; .


3. In onderdeel 2.2 vervalt subonderdeel b.


4. In onderdeel 2.2 worden de subonderdelen c tot en met f

geletterd b tot en met e.


5. In onderdeel 2.3 wordt «het vervoer van brieven, drukwerken, goederen en andere voor postvervoer vatbare zendingen» vervangen door: het postvervoer.


6. Onderdeel 2.6 vervalt.


7. In onderdeel 2.7 wordt «het vervoer» vervangen door: het postvervoer.


8. In onderdeel 2.9 wordt «het vervoer van postzendingen» vervangen door: het postvervoer.


9. In onderdeel 2.10 wordt «het vervoer van postzendingen»

vervangen door: het postvervoer.


10. Onderdeel 2.17 komt te luiden:


2.17. Tenzij bijzondere omstandigheden hem zulks verhinderen, zal de houder van de concessie ten minste zes dagen per week, met uitzondering van de feestdagen: eerste kerstdag, eerste paasdag en eerste pinksterdag, eenmaal per dag overal in Nederland postzendingen ophalen uit de voor het publiek bestemde brievenbussen danwel uit andere daartoe bestemde inrichtingen en op alle dagen, niet zijnde zon- of feestdagen, overal in Nederland één postbestelling uitvoeren.


11. Onderdeel 2.18 komt te luiden:


2.18 De houder van de concessie zorgt ervoor dat brieven, die over-eenkomstig de daartoe gestelde voorwaarden aan hem worden aangeboden voor postvervoer binnen Neder-land met de standaard overnight service, per kalenderjaar in tenminste gemiddeld 95 % van de geval-len worden besteld op de dag, niet zijnde een zon- of officiële feestdag, volgen-de op de dag van aanbie-ding.


12. Na onderdeel 2.18 worden vier nieuwe onderdelen ingevoegd, luidende:


2.19 De houder van de concessie voldoet aan de in onderdeel 2.18 omschreven norm voor de kwaliteit van de bestelling van postver-voer van brieven binnen Nederland met de standaard overnight servi-ce, indien de kwaliteit van de bestelling van die brieven per kalenderjaar gemeten over:

a. losse brieven, gefran-keerd met een postzegel, die op voor het algemene publiek bestemde aanbiedingspunten zijn aangeboden, en

b. de partijenpost brieven tot en met 100 gram, die op daartoe bestemde aanbiedingspunten is aangeboden op grond van afzonderlij-ke overeenkomsten bedoeld in onderdeel 5.3,

een naar de onderlinge verhouding in stuksvolume van die ver-keers-tromen, over het desbetreffende kalenderjaar berekend, gewogen gemid-delde van tenmin-ste 95 % heeft.

De houder van de concessie is verplicht de vorenbedoelde metingen van de kwaliteit van de bestelling per kalenderjaar over elke maand, met uitzondering van de maand december, te laten uitvoeren door een onafhankelijke en daartoe deskundige in-stelling.


2.20 De houder van de concessie legt de algehele uitkomsten van die onder-zoeken over het desbetreffende kalen-derjaar, voorzien van een motivering en verge-zeld van een nauwkeu-rige omschrijving van de door de betrokken instel-ling toegepaste meet-syste-ma-tiek, voor 1 april van het daarop vol-gend jaar aan het college over.

Het college controleert aan de hand van de aan hem overgeleg-de gegevens de uitvoering door de houder van de concessie van de onderdelen 2.18 en de deugdelijkheid van de ter uit-voering van 2.19 verrichte metingen.

Het college maakt elk jaar zijn bevindingen van die controle bekend.


2.21 De houder van de concessie voldoet in het kader van het postvervoer ten aanzien van brieven en drukwerken van en naar een andere lidstaat van de Europese Unie of van en naar andere staten die partij zijn bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte aan de kwaliteitsnorm die in de bijlage van de richtlijn aan de overkomstduur wordt gesteld.


2.22. De houder van de concessie voldoet aan de in het

Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen geplaatste technische normen, bedoeld in artikel 20 van de richtlijn, voorzover de normen betrekking hebben op de dienstverlening, bedoeld in onderdeel 2.2., behoudens dat de houder van de concessie aan het college kan verzoeken een norm dan wel een onderdeel daarvan geen toepassing te geven, wanneer zulks naar het oordeel van de houder van de concessie noodzakelijk blijkt voor de belangen van de gebruikers van het postvervoer. Het college beslist binnen een maand of het instemt met het verzoek. Wanneer zulks noodzakelijk blijkt voor de belangen van de gebruikers van het postvervoer, geeft de houder van de concessie aan de toe te passen normen bekendheid door middel van een verwijzing in de algemene voorwaarden naar die normen en naar de vindplaats daarvan in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

C

§ 3 wordt gewijzigd als volgt.


1. In onderdeel 3.1, eerste volzin, wordt «het vervoer van

postzendingen» vervangen door: het postvervoer.


2. In onderdeel 3.2 wordt «het vervoer van postzendingen»

vervangen door: het postvervoer.


3. In onderdeel 3.3 wordt «het vervoer van postzendingen»

vervangen door: het postvervoer.

D

In onderdeel 4.1 wordt «het vervoer van postzendingen» vervangen door: het postvervoer.

E

§ 5 wordt gewijzigd als volgt:


1. Onderdeel 5.1. komt te luiden:


5.1. Ter zake van de tarieven die de houder van de concessie vaststelt voor het postvervoer binnen Nederland, gelden de volgende uitgangspunten:

a. in de tarieven voor de te onderscheiden categorieën van activiteiten, die zijn aangegeven in onderdeel 6.2, onder a en b, zijn tenminste de kosten verwerkt die overeenkomstig het toerekeningssysteem bedoeld in onderdeel 6.3,onder a, worden toegerekend aan de desbetreffende categorie;

b. de tarieven zijn transparant en niet discriminerend;

c. de tarieven zijn uniform, en

d. de tarieven zijn gepubliceerd door middel van ten minste terinzagelegging bij de dienstverleningspunten.


2. Onderdeel 5.2 wordt vernummerd tot 5.4


3. Na onderdeel 5.1 worden twee nieuwe onderdelen ingevoegd, luidende:


5.2. Onverminderd artikel 5.1, onder a en b, kan de houder van de concessie bij het vaststellen van de tarieven met betrekking tot het postvervoer binnen Nederland van brieven waarvoor de concessie bedoeld in artikel 2a van de wet is verleend, door middel van afzonderlijke overeenkomsten afwijken van het vereiste van uniformiteit in onderdeel
5.1, onder c. Voor afzonderlijke overeenkomsten geldt niet het publicatievereiste bedoeld in onderdeel 5.1, onder d, behoudens dat de houder van de concessie de gevallen bekend maakt waarin het aangaan van zodanige afzonderlijke overeenkomsten mogelijk is.


5.3 Onverminderd de akten van de Wereldpostunie is onderdeel 5.1 van overeenkomstige toepassing op de tarieven die de houder van de concessie vaststelt voor het postvervoer naar gebieden buiten Nederland met dien verstande dat:

a.het vereiste van uniformiteit in onderdeel 5.1,onder c, alleen geldt voor een land of een groep van landen;

b. door middel van afzonderlijke overeenkomsten kan worden afgeweken van het vereiste van uniformiteit als hiervoor bedoeld onder a. Het publicatievereiste bedoeld in onderdeel 5.1, onder d, geldt niet voor die afzonderlijke overeenkomsten behoudens dat de houder van de concessie de gevallen bekend maakt waarin het aangaan van zodanige afzonderlijke overeenkomsten mogelijk is.


4. Onderdeel 5.4,onder d, komt te luiden:

d. Voor de jaren 2000 tot en met 2002 geldt 1999 als basisjaar voor de gewogen tariefontwikkeling van de onder a, 1º en 2º lid genoemde pakketten (1 januari 1999 = 100). Voor de jaren 2000 tot en met 2002 geldt 1999 als basisjaar voor de ontwikkeling van de loonsom, gecorrigeerd voor de arbeidsduur (1 januari 1999 = 100);

F

De bijlage bij dit besluit komt te luiden:

Bijlage, behorende bij het Besluit algemene richtlijnen post.

De pakketten van diensten en de rekenregels, bedoeld in onderdeel 5.4 van het Besluit algemene richtlijnen post.

Omschrijving van de pakketten van diensten


1.1 Het totale pakket postdiensten

Het totale pakket omvat de volgende twee categorieën binnenlandse postzendingen en de postbussendienstverlening:

a zes soorten losse postzendingen:

brieven; drukwerken/monsters/briefkaarten/drukwerkkaarten; buspakjes; belpakjes; aangetekenden; zendingen met waardeaangifte en

b één soort partijenpostzending:

brieven tot 100 gram en

c postbussendienstverlening.


1.2 Het kleingebruikerspakket postdiensten

Het kleingebruikerspakket omvat het gedeelte van het totale pakket, dat afkomstig is van particuliere en klein zakelijke gebruikers, die uitsluitend tegen de algemeen geldende voorwaarden en tarieven van de post gebruik maken. Het kleingebruikerspakket omvat:

a zes soorten losse postzendingen:

brieven; drukwerken/monsters/briefkaarten/drukwerkkaarten; buspakjes; belpakjes; aangetekenden; zendingen met waardeaangifte en

b één soort partijenpostzending:

brieven tot 100 gram en

c postbussendienstverlening.


2. De rekenregels


2.1 Formule

De formule, bedoeld in onderdeel 5.2, onder c, van het Besluit algemene richtlijnen post, luidt:

waarbij voor CPBn geldt:

ay de ontwikkeling van de arbeidsduur in jaar y

ly de ontwikkeling van de loonsom in jaar y

Mjtn tariefmutatie van dienst j op enig moment t in jaar n ten opzichte van het basisjaar

Wj omzetaandeel behorende bij dienst j (omzet dienst j in het basisjaar, gedeeld door totale omzet van het pakket in het basisjaar)

n jaar n

N het aantal in een pakket opgenomen diensten

Bij de toepassing van de formule dient het bepaalde in onderdeel 2.2 in acht te worden genomen.


2.2 Het basistarief

Bij de toepassing van de in onderdeel 2.1 van deze bijlage opgenomen formule wordt uitgegaan van één tarief per soort postzending binnen de losse post en partijenpost: het zogenaamde basistarief.


-Voor de losse post is het basistarief steeds het tarief voor de eerste (lichtste) gewichtstrap;


-Voor partijenpost met staffeltarief wordt het basistarief berekend aan de hand van de tarieven voor de eerste (lichtste) gewichtstrap van de verschillende tarieflijnen, waarbij een weging plaatsvindt met het omzetaandeel per tarieflijn.


-Voor post met een lineair tarief is het basistarief per tarieflijn het ongewogen gemiddelde tarief binnen de gewichtsklasse 0 tot 20 gram. Het basistarief voor diensten met een lineair tarief wordt berekend door het gewogen gemiddelde te nemen van de basistarieven van de betreffende tarieflijnen, waarbij de weging plaatsvindt met het omzetaandeel per tarieflijn.

De berekening van het gemiddelde percentage tariefmutatie voor de hogere gewichten per soort postzending geschiedt als volgt:


- voor de losse post wordt het ongewogen gemiddelde genomen;


- voor de partijenpost met staffeltarief wordt dit percentage berekend door eerst per tarieflijn het ongewogen gemiddelde van de tariefmutaties van die tarieflijn te bepalen, waarna een weging van deze ongewogen gemiddelden plaats vindt met het omzetaandeel per tarieflijn, dat ook voor de berekening van het basistarief wordt gehanteerd;


- voor post met een lineair tarief wordt dit percentage berekend door eerst per tarieflijn het ongewogen gemiddelde van de tariefmutaties van die tarieflijn te bepalen, waarna een weging van deze ongewogen gemiddelden plaats vindt met het omzetaandeel per tarieflijn, dat ook voor de berekening van het basistarief wordt gehanteerd. De tariefmutaties worden uitgerekend voor een aantal representatieve ijkpunten, te weten 25, 35, 45, 55, 65, 75, 85 en 95 gram die samen het lineaire tarief vormen.

Indien het gemiddelde percentage tariefmutatie van de zwaardere gewichtstrappen hoger is dan de procentuele mutatie van het basistarief, dan wordt dit laatste percentage bij de toepassing van de formule vervangen door het betrokken percentage tariefmutatie van de zwaardere gewichtstrappen.

G

§ 6 komt te luiden:

§ 6 Financiële aspecten


6.1. De kosten van het postvervoer ten aanzien van

postzendingen die in hoofdzaak tekst bevatten, uitgevoerd in voor blinden bestemde tekens, zoals die naar aard en omvang op het moment van het van kracht worden van deze algemene richtlijnen worden verricht, zijn voor rekening van de houder van de concessie.


6.2. De houder van de concessie houdt de financiële

verantwoording gescheiden voor de volgende categorieën van activiteiten:

a. activiteiten van voorbehouden postvervoer bedoeld in artikel 2a van de wet;

b. overige activiteiten van postvervoer;

c. andere activiteiten dan bedoeld onder a en b.

Ter toetsing of aan vorenstaande richtlijn is voldaan, legt de houder van de concessie jaarlijks een verklaring van een onafhankelijke, door het college aan te wijzen, accountant voor aan het college.


6.3. Ter uitvoering van onderdeel 6.2. gelden de volgende richtlijnen:

a. de houder van de concessie stelt een toerekeningssysteem voor kosten en opbrengsten vast, dat voldoet aan artikel 14, derde lid, van de richtlijn en dat, in overeenstemming daarmee, beantwoordt aan de beginselen van marktconformiteit, proportionaliteit en integraliteit;

b. het in onderdeel a bedoelde toerekeningssysteem behoeft de goedkeuring van het college, dat daaraan voorschriften kan verbinden;

c. de houder van de concessie legt jaarlijks aan het college een verklaring over van de in onderdeel 6.2 bedoelde accountant over de toepassing van de met goedkeuring van het college tot stand gekomen toerekeningssysteem; van vorenbedoelde verklaring doet het college mededeling in de Staatscourant.

H

§ 7 wordt gewijzigd als volgt.


1. In onderdeel 7.1, onder a, vervallen de subonderdelen 1º en 2º.


2. De subonderdelen 3º tot en met 7º worden vernummerd tot

subonderdelen 1º tot en met 5º.


3. In onderdeel 7.1, onder c, wordt «5.2» telkens vervangen door: 5.4


4 In onderdeel 7.3 worden de volgende wijzigingen aangebracht:


1.De zinsnede «het uit de concessie behaalde rendement en de financiële resultaten, blijkend uit» wordt vervangen door: het behaalde rendement en de behaalde financiële resultaten uit het postvervoer, te onderscheiden naar de categorieën van activiteiten aangegeven in onderdeel 6.2, onder a en b, zoals deze zijn opgenomen in.


2. Na de eerste volzin wordt een zin ingevoegd, luidende: Een afschrift van de in de vorige volzin bedoelde informatie wordt door de houder van de concessie aan Onze Minister verstrekt.


5. In onderdeel 7.2 wordt «het vervoer van postzendingen»

vervangen door «het postvervoer» en wordt «het college» vervangen door: de minister .


6. Na onderdeel 7.5 wordt toegevoegd een nieuw onderdeel, luidende:


7.6. Op basis van de rapportage als bedoeld in § 7, onderdelen 7.1 tot en met 7.5, waarbij voor de eerste maal toepassing is gegeven aan de wijzigingen die dit besluit aanbrengt in het Besluit algemene richtlijnen post, evalueert de minister de resultaten van het tariefbeheersingssysteem, bedoeld in onderdeel 5.4, en toetst deze resultaten aan de vereisten van artikel 12 van de richtlijn.

I

§ 10 wordt gewijzigd als volgt.


1. Onder vernummering van onderdeel 10.3 tot onderdeel 10.4 wordt een nieuw onderdeel ingevoegd, luidende:


10.3. Een wijziging van artikel 14, derde lid, de bijlage bedoeld in artikel 18, of artikel 20 van de richtlijn gaat voor de toepassing van de onderdelen 6.3, 2.20 en 2.21 van dit besluit en geldt met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.


2. Onderdeel 10.4 (nieuw) komt te luiden:


10.4. Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit algemene

richtlijnen post.

Artikel II


1. De houder van de concessie geeft voor de eerste maal uitvoering aan de verplichtingen in de onderdelen 2.18 en 2.19 over het jaar 2001, en voor de eerste maal uitvoe-ring aan de verplichtingen in onderdeel
2.20 in het jaar 2002 voor 1 april van dat jaar.


2. Onderdeel 2.18 van het Besluit algemene richtlijnen post, zoals dit luidt tot de datum waarop het onderhavige wijzigingsbesluit in werking treedt, blijft van af die datum van kracht tot en met 31 december
2000.


3.De houder van de concessie is verplicht voor 1 april 2001 het college te informeren over de wijze waarop hij over de onder b. aangegeven periode van het jaar 2000 uitvoe-rin-g heeft gege-ven aan het onder b. bedoelde onder-deel 2.18, en aan het college de uitkom-sten over te leggen van de over die periode gehouden metingen over de over-komst-duur van het postver-voer van binnenland-se brie-ven met de standaard overnight service, vergezeld van een motivering daarvan en een nauwkeurige omschrijving van de toegepaste meetsystematiek.

Artikel III


1. De houder van de concessie legt een ontwerp van het toerekeningssysteem, bedoeld in onderdeel 6.3, onder a, binnen twee maanden na inwerkingtreding van dit besluit ter instemming voor aan het college.


2. De houder van de concessie legt voor de eerste maal na inwerkingtreding van dit besluit aan het college een rapportage als bedoeld in § 7, onderdelen 7.1 tot en met 7.5 over, waarbij toepassing is gegeven aan de wijzigingen die dit besluit aanbrengt in het Besluit algemene richtlijnen post, over het jaar 2001.


3.Voor het jaar 2000 blijft de houder van de concessie over de periode tot aan de datum van inwerkingtreding van dit besluit verplicht te voldoen aan het bepaalde in paragraaf 7, onderdelen 7.1 tot en met 7.5 van het Besluit algemene richtlijnen post, zoals dit luidt tot die datum, met in acht neming van de overige tekst van laatst bedoeld besluit, zoals dit luidt tot die datum.


4.Voor het jaar 2000 blijft de houder van de concessie over de periode vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit verplicht te voldoen aan het bepaalde in paragraaf 7, onderdelen 7.1 tot en met 7.5 van het Besluit algemene richtlijnen post, zoals dit luidt tot die datum, met inachtneming van de overige tekst van laatst bedoeld besluit, zoals dit luidt tot die datum, met dien verstande dat bij de toepassing van laatst bedoeld besluit het begrip 'vervoer van postzendingen' wordt gelezen als 'postvervoer' als omschreven bij en krachtens de artikelen 2 en 2a, juncto 1, van de wet zoals deze is gewijzigd bij de wet van 28 oktober 1999, Stb. 484.

Artikel IV

De tekst van het Besluit algemene richtlijnen post wordt in de Staatscourant geplaatst.

Artikel V

De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij besluit van de minister te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Van dit besluit wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

DE STAATSSECRETARIS VAN VERKEER EN WATERSTAAT,

Toelichting

I. Algemeen


1. Inleiding

Het onderhavige besluit strekt tot implementatie van richtlijn nr.
97/67/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 15 december 1997 betreffende gemeenschappelijke regels voor de ontwikkeling van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap en de verbetering van de kwaliteit van de dienst (PbEG 1998, L
15)(hierna: de richtlijn). Dit geschiedt op de grondslag van artikel 5 van de Postwet dat in verband met de implementatie van de richtlijn is gewijzigd bij de wet van tot wijziging van de Postwet en enige andere wetten in verband met de richtlijn en een aantal wetstechnische wijzigingen (Stb. ). Krachtens artikel 5 van de Postwet worden aan de houder van de concessie (TNT Post Groep N.V., hierna: TPG) algemene richtlijnen gegeven voor de uitvoering van het postvervoer, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Postwet. Deze richtlijnen die zijn neergelegd in het Besluit algemene richtlijnen post (hierna: Barp) bevatten onder meer kwaliteitseisen ten aanzien van de wijze en mate van dienstverlening en regels met betrekking tot de tarieven en financiële aspecten van het aan TPG opgedragen postvervoer.

Voor een volledige implementatie van de richtlijn dient het Barp op onder meer deze punten te worden aangepast (zie voor een toelichting op de richtlijn en een uiteenzetting over de bestaande regelgeving en de verhouding tot de richtlijn kamerstukken II 1998/99, 26 363, nr 3). Daartoe strekt het onderhavige besluit.

Tevens wordt in het Barp en de toelichting daarop invulling gegeven aan enkele aanbevelingen uit het rapport «Markt- en Overheidstoets op de postmarkt» overeenkomstig het door de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat ter zake ingenomen standpunt (Kamerstukken II
1999/00,....,nr...).

Ten slotte is nog een aantal wetstechnische wijzigingen onder meer in verband met de totstandkoming van de bovengenoemde wet doorgevoerd.


2. Overige algemene opmerkingen

Over een ontwerp van dit besluit is overleg gevoerd met de houder van de concessie.

Voorts is het besluit in ontwerp bij brief van 8 november 1999, nr.DGTP/99/3048/HW, met toepassing van artikel 11, tweede lid, onder a, van de Wet advies en overleg verkeer en waterstaat voorgelegd aan het Permanent overlegorgaan post en telecommunicatie (hierna: OPT). Naar aanleiding van de bespreking van het ontwerp door het OPT op 17 november 1999 zijn het ontwerp en de toelichting op een enkel punt aangepast. Op een aantal hoofdpunten dat is besproken door het OPT wordt hieronder nog het volgende opgemerkt.

Evenals bij de behandeling van het Postbesluit in het OPT heeft de vertegenwoordiger van DSMA nogmaals aandacht gevraagd voor de afbakening tussen brieven en drukwerken. Volgens DMSA komt het in de praktijk nog al eens voor dat op een aantal gelijkluidende schriftelijke mededelingen een persoonlijke boodschap wordt vermeld. Dit roept de vraag op of dergelijke mededelingen als brieven of als drukwerken in de zin van de postale regelgeving moeten worden aangemerkt. In de nota van toelichting op het Postbesluit is een reactie gegeven op hetgeen in het OPT bij de behandeling van het Postbesluit over dit onderwerp naar voren is gebracht. Kortheidshalve wordt hier naar verwezen.

Enkele leden van het OPT hebben een kanttekening geplaatst bij de rol van de minister terzake van de evaluatie van het tariefbeheersingssysteem waarbij een toets zal plaatsvinden aan de vereisten van de richtlijn. Zij zijn van oordeel dat deze evaluatie dient plaats te vinden door een onafhankelijk orgaan. In verband hiermee wordt het volgende opgemerkt. De regelgever heeft er voor gekozen om vooralsnog het huidige tariefbeheersingssysteem te handhaven. Dit systeem bevat normen die de houder van de concessie in acht dient te nemen bij het vaststellen van de hoogte van de tarieven. Uitgangspunt hierbij zijn de huidige tarieven die door de houder van de concessie worden gehanteerd. Binnen een bepaalde bandbreedte mag de houder van de concessie de tarieven verhogen. Het is de OPTA die toezicht houdt op de naleving van dit voorschrift door de houder van de concessie. Eerst als de resultaten van een geheel boekjaar bekend zijn op basis van de driedeling in de boekhouding en het nieuwe toerekeningssysteem van kosten en opbrengsten kan worden beoordeeld of het gekozen uitgangspunt en het tariefbeheersingssysteem voldoen aan de vereisten van de richtlijn en of een aanpassing nodig is van de gekozen systematiek. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van de regelgever te beoordelen of de regelgeving in overeenstemming is met de richtlijn. Daarom zal de minister tezijnertijd het tariefbeheersingssysteem evalueren.

Een aantal leden van het OPT pleiten ervoor om in het Barp voor de houder van de concessie een expliciet verbod op koppelverkoop en op ongeoorloofde kruissubsidie op te nemen. Hierover wordt allereerst het volgende opgemerkt.De noodzaak tot het opnemen van deze verboden in het huidige Barp kwam voort uit het ontbreken van adequate Nederlandse mededingingsregels als ook van een ontbreken van effectief mededingingstoezicht. Met de inwerkingtreding van de Mededingingingswet en in het leven roepen van de NMa is er een geheel nieuwe situatie ontstaan. Op grond van de Mededingingswet is koppelverkoop en ongeoorloofde kruissubsidie verboden als daarbij sprake is van misbruik van machtspositie. Op de naleving van dit verbod houdt de NMa toezicht. Ten aanzien van het toezicht op ongeoorloofde kruisubsidie kan het volgende worden opgemerkt. Met het oog op het voorkomen van ongeoorloofde kruissubsidie verplicht de richtlijn dat er een driedeling in de boekhouding wordt aangebracht. Ter uitvoering daarvan dient er een toerekeningssysteem van kosten en opbrengsten te worden opgesteld, dat er voor zorgt dat de kosten en opbrengsten op de juiste wijze worden toegerekend aan de te onderscheiden activiteiten te weten de voorbehouden activiteiten, de overige opgedragen activiteiten en de vrije marktactiviteiten. Dit toerekeningssysteem dient te worden goedgekeurd door de OPTA. Daarbij zal de OPTA er op toezien dat het systeem voldoende waarborgen bevat ter voorkoming van ongeoorloofde kruissubsidie. Jaarlijks dient een onafhankelijke accountant te verklaren dat het toerekeningssysteem op de juiste wijze is toegepast. Dit stelsel van regels geeft de best mogelijke garantie dat geen ongeoorloofde kruissubsidie kan plaatsvinden. Het verbod op ongeoorloofde kruissubsidie valt reeds onder het verbod op misbruik van machtspositie, dat is opgenomen in de algemene mededingingswetgeving. Daarvoor is dus geen sectorspecifieke regelgeving nodig en deze is ook niet gewenst. Het is van belang dat ter zake van de verschillende bedrijfssectoren in Nederland er zich een consistente en coherente jurisprudentielijn ontwikkelt ter zake van ongeoorloofde kruissubsidie. Daarom dient op de bevoegdheid van de NMa tot handhaving van dit verbod zo weinig mogelijk inbreuk te worden gemaakt door sectorspecifieke regelgeving. Dit is ook in lijn met de gekozen uitgangspunten in het rapport «Zicht op toezicht». Een vermoeden van ongeoorloofde kruissubsidie door de houder van de concessie zal moeten worden aangetoond. De NMa is bij uitstek de instantie in Nederland die bevoegd is dit te onderzoeken. De NMa zal daarbij zonodig informatie kunnen inwinnen bij de OPTA die toezicht houdt op het toerekeningssysteem van kosten en opbrengsten.

Voorts pleiten enkele leden van het OPT voor het ook opnemen in het gewijzigde Barp van een verbod op koppelverkoop. In het huidige Barp is een dergelijk verbod opgenomen. Hiervoor is reeds aangegeven dat de reden daarvoor destijds was gelegen in het ontbreken van adequate Nederlandse mededingingsregels als ook van een ontbreken van effectief medededingingstoezicht. Met de inwerkingtreding van de Mededingingingswet en in het leven roepen van de NMa is zoals gezegd een geheel nieuwe situatie ontstaan. Op grond van de Mededingingswet is koppelverkoop verboden als daarbij sprake is van misbruik van machtspositie. Op de naleving van dit verbod houdt de NMa toezicht.Er is derhalve geen reden om ter zake hiervan sectorspecifieke regels op te nemen.

Ook pleiten enkele leden van het OPT voor het opnemen in het Barp van een verbod op discriminatie ter zake van de toegang tot het netwerk van de houder van de concessie. Een dergelijk verbod op discriminatie wordt beheerst door het algemene mededingingsrecht. Indien de houder van de concessie aan TPG als vrije marktpartij faciliteiten verleend binnen zijn concessievervoersorganisatie dan zal de houder van de concessie, indien het daarbij gaat om essentiële faciliteiten, deze faciliteiten ook aan andere marktpartijen dienen te verstrekken op gelijke voorwaarden en tegen dezelfde tarieven. Ook voor dit onderwerp geldt dat er geen reden bestaat om hiertoe sectorspecifieke regels op te nemen. De NMa kan op basis van klachten maar ook uit eigen beweging onderzoek doen naar vermeende ongeoorloofde praktijken van de houder van de concessie.

Tevens is een ontwerp van dit besluit ingevolge artikel 5 van het Informatiestatuut Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit voor een zogenoemde uitvoeringstoets bij brief van 9 november 1999, nr.DGTP/MM/3056/99, voorgelegd aan de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit (hierna: het college).

De opmerkingen van het college (brief van 2 december 1999, nr. OPTA/EGM/99/8252)hebben aanleiding gegeven om het ontwerpbesluit en de toelichting op een aantal onderdelen aan te passen. Aan de hand van het artikelswijze commentaar van de OPTA wordt hieronder het volgende opgemerkt.

Het college is van oordeel dat met de gegeven definitie van postvervoer in het ontwerp besluit wordt afgeweken van de Postwet. Deze opvatting berust op een misverstand. De definitie in het Barp dient gelezen te worden als het postvervoer in de betekenis van de wet, en betreft dus alleen het postvervoer dat door de houder van de concessie in het kader van zijn opdracht wordt verzorgd. Wel is naar aanleiding van de opmerkingen van het college de definitie van `postvervoer' verduidelijkt.

Terzake van de in het Postbesluit omschreven omvang van de opdracht, met name met betrekking tot de dienst antwoordnummers, alsmede met betrekking tot de afbakening tussen brieven en drukwerk maakt het college nogmaals enige opmerkingen die ook reeds zijn gemaakt en beantwoord bij de uitvoeringstoets van de Postwet en het Postbesluit. Kortheidshalve wordt voor deze onderwerpen verwezen naar hetgeen daarover in de parlementaire stukken betreffende het Wetsvoorstel tot wijziging van de Postwet en in de ontwerp-nota van toelichting bij het ontwerp-Postbesluit bij die voorstellen is opgemerkt.

Met betrekking tot de paragraaf dienstverlening doet het college een aantal voorstellen die betrekking hebben op de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van de kwaliteit van de dienstverlening. Deze aanbevelingen van het college zijn in het Barp verwerkt.

In onderdeel 5.1 zijn de uitgangspunten opgenomen waaraan de tarieven dienen te voldoen. Het college merkt hierover op dat deze uitgangspunten niet alleen van toepassing zijn op het postvervoer binnen Nederland maar ook op het postvervoer naar gebieden buiten Nederland. Onderdeel 5.1 beperkt zich naar het oordeel van het college ten onrechte tot het postvervoer binnen Nederland. Hiervan zij opgemerkt dat het college over het hoofd heeft gezien dat onderdeel
5.1 van overeenkomstige toepassing is verklaard in onderdeel 5.3 op het postvervoer naar gebieden buiten Nederland. Ook leest het college onderdeel 5.1, onder a, zodanig dat dit onderdeel zich uitstrekt tot het vrije marktdeel, hetgeen verder strekt dan de richtlijn voorschrijft. Deze opmerking van het college is begrijpelijk, omdat in aan het college toegezonden ontwerp in onderdeel 5.1, onder a, een misslag voorkwam, namelijk dat bij verwijzing naar onderdeel 6.2 niet de specificatie van het gestelde van a en b van onderdeel 6.2 was opgenomen. Deze misslag is hersteld. Het ligt uiteraard niet in het voornemen van de regelgever om aan TPG terzake van zijn vrije marktactiviteiten sector specifieke regels te stellen betreffende de tarieven. De reikwijdte van dit onderdeel is dan ook beperkt tot het concessiedeel en de rest van de opdracht.

Voorts is het college terzake van dit onderdeel van oordeel dat de formulering van uitgangspunt a in strijd is met het in artikel 12 van de richtlijn genoemde beginsel van kostenoriëntatie per dienst. Het college beveelt aan de tekst van dit onderdeel in overeenstemming te brengen met de richtlijn en tevens te bepalen dat het college toezicht houdt op de tarieven ten aanzien van de kostenoriëntatie. Hierover wordt het volgende opgemerkt.

De interpretatie van het begrip kostenoriëntatie die het college geeft kan niet worden afgeleid uit de Postrichtlijn. Wel geeft overweging 26 van de richtlijn aan dat de tarieven van de universele dienst onder andere niet-discriminerend en kostengericht moeten zijn, teneinde een deugdelijk beheer van de universele diensten te waarborgen en concurrentievervalsing te voorkomen. In dit verband zij tevens verwezen naar de Mededeling van de Europese Commissie. Hieruit kan worden afgeleid dat de tarieven ten minste dienen te zijn gebaseerd op de gemiddelde totale kosten. Dit brengt met zich mee dat de directe kosten gedekt moeten zijn alsmede een passend deel van de gemeenschappelijke en overheadkosten van de exploitant. Met dit uitgangspunt wordt gewaarborgd dat de diensten niet onder de kostprijs worden aangeboden. Het doel hiervan is te voorkomen dat andere marktpartijen die diensten aanbieden in hetzelfde marktsegment door middel van «predatory pricing» van de markt worden geconcurreerd. De stelling van het college dat de wijze waarop in het Barp invulling wordt gegeven aan het beginsel van de kostenoriëntatie in strijd is met de richtlijn is dan ook niet juist. De opvatting van het college dat het bij het begrip kostenoriëntatie in de richtlijn zou gaan om de onderliggende kosten plus een redelijk rendement,is in ieder geval niet af te leiden uit de richtlijn,het daaraan ten grondslagliggende Groenboek en de geschiedenis van de totstandkoming van de richtlijn noch uit de Mededeling van de Commissie. Een aanwijzing voor deze opvatting is ook niet gebleken bij overleg van mijn ministerie met vertegenwoordigers van de Commissie over dit onderwerp. De opvatting van het college vindt ook geen enkele steun in de implementatie van de richtlijn in de ons omringende landen. Teneinde zeker te stellen dat kosten en opbrengsten zo nauwkeurig mogelijk worden toegerekend aan de te onderscheiden categorieën van activiteiten (voorbehouden, overige opgedragen en de "vrije" dienstverlening zijn in de richtlijn verplichte uitgangspunten voor een systeem van toerekening van kosten en opbrengsten opgenomen. Conform de aanbevelingen van de werkgroep Markt- en Overheidtoets op de postmarkt - onderschreven door de adviezen van de OPTA en de NMa terzake - worden aan de voorschriften nog enige boekhoudregels toegevoegd. Dit door TPG toe te passen toerekeningssysteem dient door de OPTA te worden goedgekeurd. Over de juiste toepassing van het systeem dient een accountantsverklaring te worden overlegd. Overigens wordt hiermee dezelfde systematiek gevolgd als in het bestaande Barp.

Ten aanzien van de overige opmerkingen van het college betreffende de voorgestelde toepassing van het begrip kostenoriëntatie merk ik het volgende op. Zoals ook tijdens de mondelinge behandeling van de wijziging van de Postwet in de Tweede kamer is aangegeven, wordt voor de toepassing van het beginsel van kostenoriëntatie van tarieven alleen een onderscheid tussen de voorbehouden en opgedragen dienst nodig geacht. Een verdere verfijning is niet zinvol. Bij de voorbehouden dienst gaat het immers alleen om brieven tot 100 gram. Voor het overgrote deel van de overige opgedragen diensten, de diensten van binnenlands vervoer, geldt dat overeenkomstig het voorstel voor het Postbesluit, het hierbij alleen gaat om diensten die betrekking hebben op postvervoer tegen enkelstukstarief. Het vervoer van partijenpost geschiedt veelal tegen kortingstarieven en valt daarmee buiten de opgedragen diensten. Hiermee wordt de omvang van de overige opgedragen diensten ten opzichte van totale pakket aan diensten van TPG zeer sterk ingeperkt. Het is dus weinig zinvol om in het overige opgedragen postvervoer uit het oogpunt van kostentoerekening nog een verder onderscheid aan te brengen. Daarbij geldt dat kruissubsidiëring binnen de onderscheiden diensten wegens de verplichting om de diensten in het gehele land tegen een uniform tarief aan te bieden, is toegestaan. Dit mag echter niet leiden tot predatory pricing.

Ten aanzien van de hoogte van de tarieven van de onder de opdracht vallende diensten van TPG wordt nog het volgende opgemerkt. Tot nu toe is een zogenoemd price-cap systeem gebruikt dat binnen de index van de loonsomontwikkeling TPG een beperkte ruimte geeft de tarieven vast te stellen. Dit systeem heeft tot nu toe uitstekend gewerkt. De posttarieven in ons land behoren in vergelijking tot andere Europese landen tot de laagste, zijn alleszins betaalbaar en de kwaliteit van de dienstverlening is goed.

Bij de behandeling van het wetsvoorstel tot Wijziging van de Postwet in de Tweede Kamer is van de zijde van de regering aangegeven dat dit price-cap systeem zal worden gecontinueerd (uiteraard aangepast aan de gewijzigde opgedragen dienstverlening) totdat met de invoering van de driedeling in de boekhouding in de komende jaren een duidelijk beeld ontstaat over de kosten en opbrengsten van de voorbehouden en de overige opgedragen dienste. Op basis van dit beeld zal worden bekeken of er in de toekomst het huidige systeem, al dan niet met aanpassingen, wordt gecontinueerd of dat op een andere systematiek moet worden overgestapt. In het Barp is - in lijn met het in de Kamer besprokene - aangegeven dat deze evaluatie in het jaar 2002 op basis van de gegevens van het eerste daaraan voorafgaande volle boekjaar (1 januari 2001 - 31 december 2001) zal geschieden. Het ligt daarbij overigens voor de hand dat de OPTA verzocht zal worden mee te werken aan en advies te geven over deze evaluatie.

In onderdeel 5.2 (nieuw) wordt aan de houder van de concessie de bevoegdheid toegekend terzake van het voorbehouden postvervoer van brieven binnen Nederland in afwijking van de uniforme tarieven bij afzonderlijke overeenkomst afwijkende tarieven overeen te komen. Het college beveelt, met een beroep op de tekst van de richtlijn, aan vorenstaande bevoegdheid toe te staan voor het gehele postvervoer. Ten aanzien van deze aanbeveling wordt het volgende opgemerkt. Zoals hiervoor is aangegeven heeft de houder van de concessie buiten het voorbehouden postvervoer binnen Nederland niet meer de mogelijkheid partijenpost tegen gereduceerde tarieven als opgedragen postvervoer te verrichten. Op dat postvervoer kan de aanbeveling van het college geen betrekking hebben. Zoals hiervoor verder is aangegeven behoudt de houder van de concessie voor uitvoering van postvervoer naar gebieden buiten Nederland, ook al is dit vervoer niet langer voorbehouden, wèl de bevoegdheid tot het vervoer van partijenpost tegen gereduceerde tarieven, alsook de bevoegdheid daarbij af te wijken van de daarvoor geldende uniforme openbare tarieven. Deze laatste bevoegdheid is verduidelijkt in het aangepaste onderdeel 5.3 (nieuw).

Voorts merkt het college nog op dat bij afwijkende tarieven in afzonderlijke overeenkomsten het beginsel van transparantie en non-discriminatie onverkort geldt. Dit zou naar het oordeel van het college met zich meebrengen dat de houder van de concessie verplicht is inzage te geven in zijn contracten met afwijkende tarieven door middel van het publiceren van de daarin afgesproken tarieven. Met het gestelde ten aanzien van non- discriminatie wordt ingestemd. De uitleg die het college geeft aan het vereiste van transparantie wordt echter niet gedeeld. Deze uitleg zou immers leiden tot de verplichting voor de houder van de concessie om bedrijfvertrouwelijke gegevens aan de concurrent kenbaar te maken. Dit kan nooit de bedoeling van de Europese regelgever zijn geweest. Wel moet duidelijk zijn wanneer de houder van de concessie overgaat tot individuele prijsafspraken. Daartoe is alsnog een voorziening getroffen in onderdeel 5.2.

Evenals het OPT beveelt ook het college aan het verbod op koppelverkoop en het verbod op kruissubsidie in het Barp op te nemen. Terzake van deze onderwerpen wordt verwezen naar hetgeen hierover bij de aanbevelingen die door het OPT zijn gemaakt, is opgemerkt.

Ter zake van het onderdeel 5.4, onder der d, vraagt het college zich af waarom geen rekening is gehouden met de verbetering van de productiviteit van het postbedrijf en beveelt aan dit alsnog te doen. Tevens beveelt het college aan bij de beschrijving van de twee pakketten rekening te houden met de vormen van dienstverlening in het ontwerp-Postbesluit.

Bij de behandeling van het wetsvoorstel tot Wijziging van de Postwet in de Tweede Kamer is van de zijde van de regering aangegeven dat het tariefsysteem in zijn huidige vorm vooralsnog zal worden gecontinueerd. De reden hiervoor is hiervoor reeds aangegeven in het antwoord op de opmerkingen van het college met betrekking tot de kostenoriëntatie in onderdeel 5.1. Aangezien het tariefbeheersingssysteem geen kortingsfactor kent met betrekking tot productiviteitsstijgingen is besloten een dergelijke korting op dit moment niet in het Barp op te nemen. Op basis van de uitkomsten van de voorziene evaluatie kan er reden zijn dit als nog te overwegen.

Ten aanzien van de beschrijving van de pakketten en de vormen van dienstverlening in het ontwerp-besluit wordt het volgende opgemerkt. Het huidige systeem zal zoals eerder opgemerkt worden gecontinueerd, dat geldt ook voor de pakketten die wel zijn aangepast voorzover dat noodzakelijk was als gevolg van wijzigingen in de opgedragen diensten. Een dienst als de uitreiking van gerechtelijk schrijven is niet in de pakketten opgenomen. Gezien de zeer geringe betekenis van deze dienst zou die bij een opneming in het tariefbeheersingssysteem niet leiden tot andere uitkomsten.

Het college beveelt aan een non-discriminatiebepaling op te nemen ten einde te verzekeren dat de concurrenten van TPG onder gelijke voorwaarden en tegen dezelfde tarieven als TPG (vrijemarkt) toegang krijgen tot het netwerk van de houder van de concessie. Deze verplichting zou naar de opvatting van het college ook voortvloeien uit de richtlijn. Daarbij wordt verwezen naar overweging 25 van de richtlijn.

Als antwoord op deze aanbeveling van het college wordt kortheidshalve verwezen naar hetgeen hierover is opgemerkt in antwoord op hetgeen het OPT hierover heeft aanbevolen. In aanvulling hierop wordt nog het volgende opgemerkt. De artikelen van de richtlijn bevatten geen voorschriften terzake van non-discriminatoire toegang tot het netwerk van de houders van de concessie. In de overweging wordt dit onderwerp slechts aangeroerd als een onderwerp dat wellicht in de toekomst nadere regeling behoeft. Het bevat geen verplichting om een dergelijke bepaling in specifieke regelgeving op te nemen. Overigens kan worden opgemerkt dat dit onderwerp deel heeft uitgemaakt van de beraadslagingen in de Tweede Kamer bij de behandeling van de Postwet. Dit heeft er toe geleid dat de houder van de concessie verplicht is toegang te verlenen tot de postbussen. Een verdergaande toegang tot het netwerk van de houder van de concessie achtte de Tweede Kamer op dit moment niet opportuun.

Het in onderdeel 7.6 opgenomen voorschrift dat de minister te zijnertijd het toerekeningssysteem evalueert acht het college in strijd met het vereiste in de richtlijn dat er sprake dient te zijn van een scheiding van functies tussen die van de regelgever enerzijds en die van de exploitant anderzijds. Terzake hiervan zij het volgende opgemerkt. De nationaal regelgevende instanties dienen juridisch onderscheiden en functioneel onafhankelijk te zijn van de exploitanten van postdiensten. De Nederlandse situatie voldoet hieraan. Voor de regelgevende en toezichthoudende taken zijn de minister respectievelijk de OPTA aangewezen, die juridisch en functioneel geheel onafhankelijk zijn van de exploitant TPG. Het feit dat de staat nog minderheidsaandeelhouder is van TPG doet hieraan niets af. Met het voorschrift dat de minister het tariefbeheersingssysteem evalueert gaat de minister niet op de stoel van de toezichthouder OPTA zitten. Het is de OPTA die toezicht houdt op de tarieven door middel van enerzijds het toerekeningssysteem van kosten en opbrengsten, onder de waarborg van een accountantsverklaring over zowel de juiste toepassing van dat systeem als over de juiste uitwerking daarvan in het financiële deel van de concessierapportage, en anderzijds door toezicht te houden op de juiste toepassing van het tariefbeheersingssysteem door de houder van de concessie. De evaluatie van het tariefbeheersingssysteem dient te worden gezien als een tussentijdse evaluatie van het Barp op een enkel onderdeel. Het is de taak van de minister om na te gaan of de gestelde voorschriften voldoen aan de beoogde doelstellingen. Deze evaluatie kan leiden tot een aanpassing van de regelgeving indien dat noodzakelijk mocht blijken bij gebleken onvolkomenheden. De minister treedt hier derhalve op vanuit zijn verantwoordelijkheid voor de regelgeving.

Ten slotte is het besluit in ontwerp ingevolge artikel 25,

tweede lid, van de Postwet bij brief van , nr. , ter kennisneming aan de beide kamers der Staten-Generaal toegezonden.

Artikelsgewijze toelichting

A

In onderdeel A zijn enkele wetstechnische wijzigingen aangebracht in paragraaf 1 van het Barp, in aansluiting op definities in de wet en het Postbesluit, terwijl voorts in verband met de uitvoering van de richtlijn in het Barp de officiële aanduiding daarvan is opgenomen in de begripsbepalingen.

B

Onderdeel B, onder 1 en 2, bevat wetstechnische wijzigingen. Onderdeel B, onder 3, strekt ertoe om onderdeel 2.2, subonderdeel b, te laten vervallen. Enerzijds is deze bepaling op zich een uitwerking van onderdeel 2.1 van het Barp, dat de houder van de concessie verplicht om een aan de eisen des tijds verantwoorde dienstverlening terzake van het postvervoer te verrichten. Anderzijds worden ter invulling van de richtlijn thans scherpere grenzen gesteld, waardoor in de Postwet juncto het Postbesluit de omvang van het opgedragen postvervoer, als ook van het monopolie daarbinnen, in tegenstelling tot de bestaande regeling nauwkeurig worden afgebakend. Daarmee ontvalt de noodzaak tot het instandhouden van dit onderdeel.

Onderdeel B, onder 4 en 5, bevat voorts een wetstechnische wijziging. Onderdeel B, onder 6, strekt ertoe om onderdeel 2.6 van het Barp te laten vervallen. Op grond van onderdeel 2.6 behoorde de houder van de concessie het zogeheten normaal versneld vervoer zoals dit door het Staatsbedrijf der PTT tot eind 1988 werd verricht, aan te bieden in het kader van de aan hem opgedragen dienstverlening. Dit normaal versneld vervoer maakt echter niet langer deel uit van de opgedragen dienstverlening. Zie voor een toelichting hierop de memorie van toelichting op het bovengenoemde wetsvoorstel (kamerstukken II 1998/99
26 363, nr. 3, blz. 5).

Onderdeel B, onder 7 tot en met 9, betreft vervolgens een aantal wetstechnische wijzigingen. Onderdeel B, onder 10, strekt tot implementatie van artikel 3, derde lid, van de richtlijn. In artikel
3, derde lid, van de richtlijn is onder meer bepaald dat de leveranciers van de universele dienst, behoudens uitzonderlijke omstandigheden of geografische situaties, ten minste vijf werkdagen per week de desbetreffende postzendingen dienen op te halen uit zogenoemde toegangspunten. Ter uitvoering van dat artikel is onderdeel
2.17 dat nog geen voorschrift terzake bevatte, aangepast. Daarbij is aansluiting gezocht bij de huidige praktijk van de houder van de concessie waarin zendingen die voor postvervoer worden aangeboden in voor het publiek bestemde brievenbussen en andere daartoe bestemde inrichtingen van de houder van de concessie elke dag, behalve op zaterdag en behalve op de navolgende feestdagen: eerste kerstdag, eerste paasdag en eerste pinksterdag, op een vast tijdstip worden gelicht. De tweede kerstdag, de tweede paasdag, en de tweede pinksterdag alsmede andere officiële feestdagen worden voor de uitvoering van buslichtingen beschouwd als een zondag zodat in de avond daarvan de buslichting plaatsvindt. Deze aanpassing brengt derhalve voor de houder van de concessie geen nieuwe verplichting mee.

Voorts verplicht de richtlijn tot het stellen van kwaliteitsnormen voor de overkomstduur van binnenlandse post. gehanteerd (artikelen 17,
18 en de bijlage).

Ook geeft de richtlijn voorschriften voor de wijze waarop op deze criteria controle moet worden uitgeoefend. Ter implementatie van deze verplichting en met betrekking tot de binnenlandse post is onderdeel
2.18 gewijzigd en zijn twee nieuwe onderdelen, de onderdelen 2.19 en
2.20 toegevoegd.

Ter toelichting op onderdeel 2.18 (gewijzigd) wordt allereerst het volgende opgemerkt.

In het huidige onderdeel 2.18 van het Barp is bepaald:

`De houder van de concessie zal binnenlandse brieven, die voldoen aan de daartoe gestelde voor-waarden,als regel bestellen op de dag, niet zijnde zon- of feestdag, vol-gende op de dag van terpostbezor-ging'.

Van de in deze bepaling neergelegde verplich-ting tot het bestellen van binnenlandse brieven 'als regel op de dag, niet zijnde zon- of feestdag, volgende op de dag van ter-postbe-zorging' is de normatieve reikwijdte van de woorden 'als regel' niet precies afge-ba-kend. Daarom wordt het gewenst geacht deze verplich-ting te preciseren ten behoeve van de uit-voering van de voor-schrif-ten van arti-kel 17 van de richt-lijn.

De richtlijn bepaalt ten aanzien van die kwaliteitsnormen voor binnenlandse post verder dat deze ver-enig-baar dienen te zijn met de kwalititeitsnor-men voor de over-komst-duur van grens-over-schrij-dende postdien-sten. Deze laatst-bedoel-de normen zijn neergelegd in de Bijlage bij de richt-lijn. Die Bijlage voor-ziet voor de snelste stan-daa-rdcate-gorie van grens-over-schrij-dende postdien-sten in geval van een overkomstduurs-er-vicekader van dag van verzending + 3 dagen in een kwali-teits-doelstelling van 85 % en in geval van een over-komst-duurs-ervi-cekader van de dag van verzen-ding
+ 5 dagen in een kwali-teits-doelstelling van 97 % . Geconstateerd moet worden dat de overkomstduurver-plich-ting in het huidige onderdeel 2.18 in elk geval verenigbaar is met vorenstaande kwaliteitsnormen voor grensoverschrijdende post-diensten.

Bij de behandeling in de Tweede Kamer van het Wetsvoor-stel tot wijziging van de Postwet is reeds aangegeven van de zijde van de regering dat voor de overkomstduur van binnen-landse brieven op de dag volgende op de dag van terpostbezor-ging, een bindende norm van een, over een kalen-derjaar te realiseren gemid-deld percen-tage van 95 % gewenst wordt geacht. Deze norm is in onder-deel 2.18 (gewijzigd) van het Barp neer-ge-legd. Met deze norm wordt beoogd, zoals hier-voor is aangege-ven, een precise-ring van de in het huidi-ge onderdeel 2.18 aangege-ven verplich-ting om 'als regel' een over-komst van binnenlandse brieven op de dag na aanbieding te realise-ren. Deze precisering sluit ook aan bij de bedrijfs-doel-stelling van de houder van de conces-sie voor de overkomst-duur van deze binnen-landse brie-ven.

Onderkend wordt dat deze gespecificeerde kwaliteits-norm van een, over een kalenderjaar genomen, gemiddeld percen-tage van 95 % voor de overkomstduur van binnenlandse brieven op de dag volgend op die van aanbieding, inter-natio-naal gezien en ook gelet op de in de Bijla-ge bij de richtlijn opgenomen kwali-teitsnor-men, aan de hoge kant is. Niettemin wordt deze norm, gelet op de geografi-sche ge-steldheid en omvang van ons land en op de hoge kwali-teit van het produktieproces van de houder van de conces-sie, voor deze als een haalbare norm aange-merkt.

De invoering van die kwaliteitsnorm is evenwel voor 2000 nog niet goed mogelijk. Dit houdt verband met de omstandigheid dat de metingen, die zullen moeten worden toege-past om een repre-sen-tatieve en betrouwbare toet-sing van de feite-lijke over-komst-duur aan die norm te realise-ren, een aanpassing van de thans door de houder van de conces-sie toege-paste wijze van meten nodig maakt. Daar komt bij dat het Europese Committee voor Standaardisatie, waaraan ingevolge artikel
20 van de richt-lijn taken kunnen worden opgedragen voor het ontwikkelen van tech-ni-sche standaar-den op postaal gebied, thans bezig is technische standaarden als bedoeld in de Richt-lijn van de Raad 83/189/EEG van 13 maart 1983 te ontwik-ke-len voor het meten van kwali-teits-normen voor de over-komst-duur van post. Het ligt in de verwach-ting dat deze stan-daarden in de loop van 2000 be-schik-baar komen en dan zullen worden gepu-bli-ceerd in het Publika-tieblad van de Euro-pese Gemeenschappen. Om deze redenen is besloten de in onderdeel 2.18 (gewijzigd) gepreci-seerde kwali-teitsnorm, de ver-plich-tin-gen in onder-deel 2.19 (nieuw) ten aan-zien van de wijze waarop aan die norm moet worden voldaan, en de verplich-tingen in onder-deel 2.20 (nieuw) ten aanzien van de informatie over de uit-voe-ring van de ver-plich-tingen van de onderdelen 2.18 en 2.19 aan het college van de OPTA, eerst voor het jaar 2001 voor de houder van de con-ces-sie in werking te doen tre-den.

Het vorenstaande brengt mee dat het huidige onderdeel 2.18 van het Barp nog bij wijze van overgangsregeling voor het jaar 2000 van kracht dient te blijven, gekoppeld aan de opne-ming van een tijdelijke regeling ten aanzien van de informatie over de naleving van het huidige onderdeel 2.18 over 2000 aan het college van de OPTA. Deze over-gangs-regeling is uitgewerkt in Artikel II van dit Besluit.

Het opnemen van een gepreciseerde kwaliteitsnorm voor postvervoer van binnenlandse brieven, heeft er voorts toe geleid in onderdeel 2.18 (nieuw) expliciet te maken, dat die kwaliteitsnorm geldt voor het post-ver-voer van bin-nen-landse brieven met de standaard overnight service. Dit is het servicekader dat PTT Post hanteert voor postzendingen die voor postvervoer zonder aanvullende diensten worden aangeboden voor bestelling op de dag na die van de aanbieding.

Zoals in onderdeel 2.18 (nieuw) is aangegeven betreft de gepreciseerde kwaliteitsnorm voor de overkomstduur van het postvervoer van binnenlandse brieven met de standaard overnight service een percentage dat voor dat vervoer gemid-deld over een kalen-derjaar moet worden gerea-li-seerd.

Deze norm betreft dus niet een te bereiken resultaat voor de over-komst-duur van individu-ele of afzonderlijke partij-en bin-nen-landse brieven. Dit laatste is ook niet mogelijk, gelet op de aard van het standaard postvervoer, dat nu eenmaal als produk-tieproces geheel is ingericht op de verwerking van zeer grote hoe-veel-heden ten vervoer aangeboden stukken, die tij-dens het produktieproces niet als afzonderlijk stuk worden geregi--

stre-erd. Deze aard van het produktieproces van het standaard postvervoer vormt ook de grond voor uitsluiting van aan-sprake-lijkheid voor postvervoer van niet-geregis-treerde post-zendin-gen in artikel 7 van de Postwet (zie hiervoor de MvT bij dit dit wetsartikel). De invoering van de kwali-teitsnorm in arti-kel
2.18 is dan ook geen reden om veran-dering aan te brengen, in de aan-spra-kelijkheid-suitsluiting van de houder van de conces-sie voor niet-geregistreerde post-zendin-gen in arti-kel 7 van de Postwet.

In onderdeel 2.19 (nieuw) wordt geregeld op welke wijze de houder van de concessie aan de in onderdeel 2.18 gestelde kwaliteitsnorm voor de overkomstduur van postvervoer van binnenlandse brieven met de standaard overnight service dient te voldoen.

Meting van de feite-lijke overkomst-duur van binnenlandse brie-ven over een kalen-derjaar van het over dat jaar te reali-se-ren gemiddelde percentage van 95 % is op betrouwbare en prak-ti-sche wijze als volgt moge-lijk. De overkomstduur zal over elke maand (met uitzondering van de maand december) via represen-tatieve steekproe-ven uit twee ver-schil-len-de stro-men binnenlandse brieven, welke ieder een belangrijk deel uitmaken van het stan-daard overnight vervoer van bin-nen-landse brie-ven, worden gemeten. De ene te meten stroom betreft de losse bin-nenlandse brieven aangeboden op voor het algemene publiek bestemde aanbiedingspunten; deze stroom brieven kent door zijn grote indi-vidue-le ver-schei-den-heid aan frankering, lees-baar-heid, gewicht en afmetin-gen de moei-lijkste pro-duk-tie-tech-nische verwer-kings-condi-ties. De andere stroom betreft de grote par-tijenpost binnenlandse brieven; deze stroom brieven kent door de gelijke frankering, de goede lees-baar-heid en de homo-gene afmetingen per partij duide-lijk minder moei-lijke produk-tie-tech-nische condi-ties. Aangezien partijenpost brieven slechts mogelijk is binnen de grenzen van het voorbehouden postvervoer van brieven, is voor de bedoelde partijenpost een maximum gewicht per brief van ten hoogste
100 gram bepaald.

Zoals hiervoor is aangegeven, zullen de metingen elke maand, behalve in december, plaats vinden. De reden van deze uitzon-dering is, dat in december vanwege de dan te vervoeren kerst- en nieuw-jaars-post een zeer grote extra poststrooom door het pro-duktie-proces van de houder van de conces-sie gaat (de laat-ste jaren ging het gemiddeld om ca.
200 miljoen extra stuks), waardoor in die maand in de bestel-tijden voor alle post vertragingen kunnen op-tre-den. Omdat het hier gaat om een onderdeel van het post-vervoer waarmee voorzien wordt in een duidelijke maat-schappe-lijke behoefte en de gevolgen daarvan voor het pro-duk-tieproces van de houder van de concessie speci-fiek zijn voor de maand decem-ber, is het redelijk daar-mee reke-ning te houden en de over-komstduur in de maand decem-ber niet op te nemen in de ver-plichting van de houder van de concessie in onderdeel 2.19.

Om uit de meting van de gemid-delde over-komst-duur per kalender-jaar van ieder van beide vervoers-stromen de juiste gewogen gemid-delde kwali-teitsscore voor de gereali-seerde over-komstduur per kalen-der-jaar voor het totaal van beide stromen te ver-krijgen, is bepaald dat de uitkom-sten van de metin-gen over het gehele jaar van beide stromen moeten worden berekend naar hun onderlinge verhou-ding in stuksvo-lume over het be-tref-fende kalenderjaar tussen beide vervoers-stro-men.

Zoals hiervoor reeds bij onderdeel 2.18 is toegelicht, brengt de regeling in de eerste volzin van onderdeel 2.19 verder mee, dat de thans door de houder van de conces-sie toege-paste syste-matiek van kwaliteits-metingen van de over-komstduur van bin-nen-landse brieven moet worden aangepast.

Onderdeel 2.20 legt aan de houder van de con-cessie de ver-plichting op om de uit-komsten van de onderzoeken over het betreffende kalenderjaar, voorzien van een motivering en vergezeld van een nauwkeurige omschrijving van de toegepaste meetsystematiek over te leggen aan het college van de OPTA. Deze verplichting is nodig om uitvoering te geven aan de ver-plichting, die de richtlijn in artikel
17, derde lid, oplegt om aan de nationale toezichtinstanties de bevoegdheid toe te kennen om een onafhanke-lijke controle uit te oefenen op de naleving door de houder van de concessie van de gestelde kwaliteitsnorm en de verdere daarmee verband houdende ver-plich-tingen. Het college kan op grond van die controle zo nodig corri-gerend optreden met gebruik van haar handhavingsbevoegd-heden in paragraaf 4a van de wet.

Het nieuwe onderdeel 2.21 strekt tot implementatie van de

bijlage bedoeld in artikel 18 van de richtlijn (onderdeel B, onder
11). In de bijlage worden kwaliteitsnormen gesteld voor de overkomstduur van het grensoverschrijdende postverkeer binnen de Europese Unie, waarbij het voorgeschreven niveau van dienstverlening is uitgedrukt in het percentage binnenlandse briefpost dat binnen n dagen na verzending bezorgd is, dus op dag D + n. Hierbij moet worden opgemerkt dat de toepassing van dit onderdeel uiteraard is beperkt tot het grondgebied van Nederland. Ten aanzien van de controle op de naleving door de houder van de concessie van de overkomstduur van grensoverschrijdende postzendingen geldt dat de OPTA buiten dit grondgebied geen toezichthoudende bevoegdheden heeft. In dit verband wordt erop gewezen dat in artikel 18, derde lid, van de richtlijn is bepaald dat de Commissie van de Europese Gemeenschappen ervoor moet zorgen dat de prestaties betreffende de kwaliteitsnormen voor grensoverschrijdende diensten onafhankelijk worden gecontroleerd en worden gepubliceerd. In dit artikel is tevens bepaald dat de nationale regelgevende instantie (in casu de OPTA) zo nodig corrigerend moet optreden. Mocht uit de controle van de Commissie van de Europese Gemeenschappen blijken dat de houder van de concessie niet aan dit voorschrift van het Barp heeft voldaan, dan rust op de OPTA de taak om op grond van dit voorschrift en de aan haar toegekende wettelijke bevoegdheden te handelen.

Overigens kunnen op grond van artikel 18, tweede lid, van de richtlijn afwijkingen van de in de bijlage vastgestelde normen worden toegestaan wanneer uitzonderlijke situaties op het gebied van de infrastructuur en de geografische ligging zulks vereisen. Naar het oordeel van ondergetekende doen zich in Nederland niet dergelijke situaties voor en behoeft van deze mogelijkheid dan ook geen gebruik te worden gemaakt.

Ter implementatie van artikel 20 van de richtlijn is een nieuw onderdeel 2.22 ingevoegd (onderdeel B, onder 11). In artikel 20 van de richtlijn is de bevoegdheid voor het krachtens richtlijn nr.
83/189/EEG van de Raad van de Europese Unie van 28 maart 1983 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften (PbEG L 109) ingestelde comité neergelegd om in het belang van de consument geharmoniseerde technische voorschriften voor de postsector vast te stellen. Nadat deze voorschriften in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen zijn geplaatst, moet de houder van de concessie aan deze voorschriften voldoen. Met het oog op de belangen van de gebruikers is bepaald dat de houder van de concessie aan deze normen bekendheid geeft door middel van zijn algemene voorwaarden. Voorts is in onderdeel 2.21, in aansluiting op artikel 20, vijfde alinea, van de richtlijn voorzien in de mogelijkheid dat de houder van de concessie aan de OPTA verzoekt een bepaalde technische norm of een onderdeel daar van niet te hoeven toepassen, wanneer zulks - in de bewoording van artikel 20 van de richtlijn - noodzakelijk blijkt voor de belangen van de gebruikers van de dienstverlening, dat wil zeggen postvervoer.Het is aan de OPTA te beoordelen of vorenbedoelde omstandigheid inderdaad zich voordoet.

C en D

Deze onderdelen bevatten wetstechnische wijzigingen.

E

In artikel 12 van de richtlijn is een aantal beginselen

neergelegd dat betrekking heeft op de vaststelling van de tarieven voor de diensten die deel uitmaken van de universele dienst. De tarieven voor deze diensten moeten onder meer op de kosten zijn gebaseerd, niet discriminerend en transparant zijn. Voorts is in artikel 14, derde lid, van de richtlijn een systeem voor toerekening van kosten en opbrengesten ingevoerd met behulp waarvan kosten van diensten die deel uitmaken van de voorbehouden, de niet-voorbehouden maar wel opgedragen dienstverlening en de zogeheten «vrije dienstverlening» kunnen worden toegerekend aan de onderscheiden categorieën van activiteiten.

Ter implementatie hiervan is in artikel I, onderdeel E, § 5 gewijzigd.

Onderdeel 5.1, onder a, strekt tot implementatie van het beginsel dat tarieven voor de diensten die deel uitmaken van de universele dienst, op de kosten zijn gebaseerd. Het begrip op kosten gebaseerd wordt zo toegepast dat de kosten die moeten worden toegerekend aan de te onderscheiden categorieën van activiteiten, waarvoor een gescheiden financiële verantwoording dient te worden aangehouden, moeten zijn verwerkt, overeenkomstig het door het college goedgekeurde toerekeningssysteem in de tarieven voor de desbetreffende categorie van activiteiten.

Uit de Mededeling van de Europese Commissie kan worden afgeleid dat de tarieven tenminste gebaseerd dienen te zijn op de gemiddelde totale kosten. Dit brengt met zich mee dat de directe kosten gedekt moeten zijn alsmede een passend deel van de gemeenschappelijke en overheadkosten van de exploitant. Met dit uitgangspunt wordt gewaarborgd dat de diensten niet onder de kostprijs worden aangeboden. Het doel hiervan is, te voorkomen dat andere marktpartijen, die diensten aanbieden in hetzelfde marktsegment, door middel van het stelselmatig aanbieden van diensten onder de kostprijs (predatory pricing) van de markt worden geconcurreerd

Met betrekking tot dit onderdeel wordt verder nog het volgende opgemerkt. In de voor de vaststelling van dit besluit geldende tekst van onderdeel 5.1, onder a, was de bevoegdheid opgenomen om met toepassing van bepaalde in dat artikelonderdeel niet limitatief genoemde criteria een zogenaamde kwantumkorting te verlenen. Deze bevoegdheid is, in verband met de totstandkoming van het Postbesluit waarin is bepaald dat het opgedragen postvervoer binnen Nederland - met uitzondering van het voorbehouden brievenvervoer - tegen het enkelstukstarief wordt vervoerd, niet langer nodig in zijn algemeenheid. Wel is deze bevoegdheid voor het voorbehouden vervoer van brieven nog nodig. Zo geldt onverminderd dat de houder van de concessie, indien brieven die deel uitmaken van het voorbehouden vervoer in ten minste een door hem vast te stellen aantal exemplaren gelijktijdig ten vervoer worden aangeboden, tarieven kan vaststellen op basis van objectieve criteria, zoals aantal, hanteerbaarheid, wijze, tijdstip en plaats van terpostbezorging. Voorzover deze tarieven op de kosten zijn gebaseerd, zijn dergelijke kwantumkortingen toegestaan. Opsomming van vorenbedoelde objectieve criteria in de tekst van onderdeel 5.1 kan nooit volledig zijn en is derhalve in dit onderdeel niet meer voorzien.

Onderdeel 5.1, onder c, strekt tot implementatie van de in artikel 12 van de richtlijn neergelegde bevoegdheid voor de lidstaten om een uniform tarief vast te stellen. Dit onderdeel komt inhoudelijk overeen met het vervallen onderdeel 5.1, onder a, waarin was bepaald dat voor het binnenlandse vervoer van postzendingen voor dezelfde diensten in het gehele land dezelfde tarieven worden berekend. Het wordt in de huidige omstandigheden wenselijk geacht om deze bestaande praktijk te continueren.

Met betrekking tot onderdeel 5.1, onder d, wordt opgemerkt dat dit onderdeel een neerslag vormt van een reeds bestaande situatie. Het onderdeel dient ter vervanging van het vervallen onderdeel 5.1, onder c, waarin was bepaald dat de tarieven voor vervoersdiensten, alsmede die voor aanvullende en bijzondere handelingen, op een door de houder van de concessie vast te stellen wijze worden gepubliceerd. Volgens artikel 5 van de algemene voorwaarden liggen deze tarieven ter inzage bij de dienstverleningspunten en worden zij op verzoek gratis verstrekt. Het opnemen van onderdeel 5.1, onder d, brengt derhalve voor de houder van de concessie geen nieuwe verplichting mee.

In onderdeel 5.2 is de bevoegdheid voor de houder van de concessie neergelegd om af te wijken van de uniformiteit van tarieven voor het voorbehouden postvervoer binnen Nederland alsmede voor het postvervoer naar landen buiten Nederland. Ingevolge de richtlijn doet de verplichting tot het toepassen van uniforme tarieven geen afbreuk aan de bevoegdheid voor de houder van de concessie om in voorkomende gevallen door middel van afzonderlijke overeenkomsten (vergelijkbaar met de in onderdeel 5.1, onder d. van het huidige Barp bedoelde contractkortingen) afwijkende tarieven overeen te komen. Het gebruik van deze bevoegdheid laat onverlet dat de in onderdeel 5.1, onder a en b, genoemde bepalingen onverminderd worden toegepast.

In het nieuwe onderdeel 5.3 is bepaald dat onderdeel 5.1, met uitzondering van het vereiste van uniformiteit, van overeenkomstige toepassing is op tarieven die worden vastgesteld voor het postvervoer naar gebieden buiten Nederland. Deze uitzondering houdt verband met het feit dat de vaststelling van deze tarieven geschiedt overeenkomstig de voorschriften die voortvloeien uit de op 10 juli
1964 te Wenen tot stand gekomen Constitutie van de Wereldpostunie (Trb. 1965, 170) en de daarbij behorende voor Nederland bindende verdragen, reglementen en protocollen (Trb. 1965, 170 en Trb. 1998,
273).

Wat betreft het gewijzigde onderdeel 5.2, dat is vernummerd tot onderdeel 5.4, kan het volgende worden opgemerkt.

De hoogte van de tarieven en de toegestane tariefstijgingen voor de te onderscheiden diensten wordt beheerst door het
tariefbeheersingssysteem dat is neergelegd in onderdeel 5.4 (het oude onderdeel 5.2). Met dit tariefbeheersingssysteem wordt aan de uitgangspunten van de richtlijn voldaan dat de tarieven moeten zijn afgeleid van de kosten en betaalbaar zijn. Vooralsnog wordt er van uitgegaan dat met de instandhouding van de bestaande systematiek aan deze vereisten wordt voldaan. De tariefbeheersingssystematiek gaat uit van twee pakketten van diensten, een totaalpakket en een kleinverbruikerspakket. Van deze twee pakketten mogen de tarieven niet meer stijgen dan de ontwikkeling van de loonsom gecorrigeerd voor de arbeidsduur. Een nieuw basisjaar is vastgesteld waarmee de door de houder van de concessie opgebouwde tariefruimte komt te vervallen. Bij de keuze van het nieuwe basisjaar is de behoefte aan flexibiliteit in de tariefstelling bij de houder van de concessie en de wens zo nauw mogelijk bij de huidige systematiek aan te sluiten bepalend geweest. Op basis van deze overwegingen is het basisjaar vastgesteld op 1999 (1 januari=100). Hiermee wordt aan de houder van de concessie een beperkte tariefruimte meegegeven. Het systeem wordt bij de inwerkingtreding van de gewijzigde postale regelgeving van kracht en eindigt op 1 januari 2003. Deze einddatum vloeit voort uit het voornemen de systematiek van tariefbeheersing te evalueren op het moment dat de gegevens van de driedeling beschikbaar zijn. Aan de hand van het inzicht dat dan wordt verkregen in kosten en opbrengsten per categorie van activiteiten zal worden bezien of de huidige systematiek aanpassing behoeft. Deze evaluatie zal in het jaar 2002 op basis van de gegevens van het eerste daaraan voorafgaande volle boekjaar (1 januari 2001 - 31 december 2001) geschieden. Mocht er aanleiding zijn de systematiek te wijzigen dan kan deze op zijn vroegst in 2003 ingaan. In de bijlage behorende bij dit besluit is de systematiek nader uitgewerkt.

F

De bijlage bedoeld in artikel 5.4 is vervangen door een nieuwe bijlage, vastgesteld bij dit besluit. In deze bijlage is een nieuwe formule opgenomen aan de hand waarvan de ruimte wordt bepaald voor jaarlijkse tariefaanpassingen. Deze wijziging is noodzakelijk als gevolg van de wijziging in de omvang van de opgedragen dienst.

G

In het vervallen onderdeel 6.1 was een overgangsbepaling opgenomen betreffende het verrichten van niet rendabele deelactiviteiten en van overheidswege daarvoor te geven vergoedingen. Deze bepaling strekt er, kortweg, toe dat de kosten van niet rendabele deelactiviteiten dan wel bedrijfsvreemde lasten bij de uitvoering van het vervoer van postzendingen, zoals die naar aard en omvang op het moment van het van kracht worden van het oorspronkelijke Barp (1 januari 1989) worden verricht, voor rekening van de houder van de concessie blijven. Deze bepaling komt in verband met de implementatie van de richtlijn te vervallen. Het wordt niet langer nodig geacht om deze overgangssituatie ten behoeve van de dagbladsector en de periodiekensector te handhaven. Voor een nadere toelichting zij verwezen naar de brief van 15 juli 1998 van de Minister van Verkeer en Waterstaat aan de voorzitter van de Tweede Kamer (kamerstukken II
1997/98, 21 693, nr. 46) en de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel voor de bovengenoemde wet (kamerstukken II
1998/99, nr. 26 363, nr. 5).

In het oude onderdeel 6.2 was bepaald dat de kosten van braillezendingen voor rekening van de houder van de concessie blijven, zoals de desbetreffende postzendingen naar aard en omvang op het moment van het van kracht worden van het Barp (1 januari 1989) worden verricht. Dit onderdeel is vernummerd tot onderdeel 6.1 in het onderhavige besluit opgenomen. Destijds was het onderdeel ingevoegd vanuit de overweging dat blinden een groot belang hebben bij braillezendingen, omdat zij voor hun informatievoorziening daarvan grotendeels afhankelijk zijn. Indien het vervoer van deze braillezendingen niet kostenloos zou zijn, zouden voor dit vervoer hoge porti moeten worden betaald. Dit zou tot gevolg kunnen hebben dat blinden in de Nederlandse samenleving in dit opzicht geïsoleerd raken. Aangezien in de huidige tijd dit belang nog steeds gewaarborgd dient te blijven, is onderdeel 6.1 gelijkluidend aan het vervallen onderdeel
6.2. Dit is overigens in overeenstemming met de doelstelling van de richtlijn en de mededeling. Uit overweging 16 van de richtlijn blijkt dat de uitvoering van de richtlijn geenszins ten koste mag gaan van de gratis verlening van sommige diensten voor blinden en slechtzienden. Op basis van deze overweging is zelfs een afwijking van de in de richtlijn omschreven voorbehouden dienstverlening mogelijk. Artikel 7, eerste lid, van de richtlijn bepaalt dat uitzonderingen op in dit artikel genoemde gewichts- en prijsbeperkingen mogen worden toegestaan bij de gratis postdienst voor blinden en slechtzienden. In de mededeling wordt voor wat betreft de beoordeling van gerechtvaardigde vormen van kruissubsidiëring bij deze afwijking aangesloten. Mits met inachtneming van artikel 90, tweede lid, EG-Verdrag, (thans: artikel
86, tweede lid) is kruissubsidiëring toegestaan bij het verlenen van, in termen van de mededeling, «diensten voor sociaal, medisch of economische achtergestelde personen» (onderdeel 3.4).

Het oude onderdeel 6.3 bevatte een overgangsbepaling met betrekking tot de van overheidswege te vergoeden kosten in verband met bepaalde aan de houder van de concessie op te leggen verplichtingen. Sedert het van kracht worden van het Barp (1 januari 1988) is het niet noodzakelijk gebleken om dit onderdeel toe te passen. Daarnaast kan dit onderdeel in het kader van de implementatie van artikel 12 van de richtlijn niet langer gehandhaafd blijven. Derhalve komt dit onderdeel te vervallen.

In de bij dit besluit vervallen oude onderdelen 6.4, eerste volzin, en
6.5 waren richtlijnen opgenomen met betrekking tot een gescheiden financiële verantwoording voor de activiteiten ter uitvoering van het vervoer van postzendingen en de overige activiteiten en het daarmee samenhangende systeem voor kosten en opbrengsten. Deze richtlijnen kwamen overeen met de richtlijnen, opgenomen in het Besluit algemene richtlijnen telecommunicatie en sloten aan bij de door de houder van de concessie gehanteerde praktijk.

In verband met de implementatie van artikel 14, eerste en tweede lid, van de richtlijn zijn deze onderdelen vervangen. In artikel 14, eerste en tweede lid, van de richtlijn wordt aan de lidstaten opgedragen om een boekhoudkundige scheiding voor de activiteiten ter uitvoering van respectievelijk de voorbehouden, de overige opgedragen en de zogeheten «vrije» dienstverlening aan te brengen. De verplichting om deze scheiding in de financiële administratie aan te brengen, is neergelegd in het nieuwe onderdeel 6.2, waarbij tevens de verplichting voor de houder van de concessie is geregeld om jaarlijks aan het college een verklaring van een onafhankelijke, door het college aan te wijzen accountant over te leggen over de uitvoering van bedoelde verplichting tot het voeren van een gescheiden financiële verantwoording. Die verplichting is noodzakelijk teneinde de kosten van de onderscheiden categorieën van activiteiten doorzichtig te maken en te garanderen dat geen ongeoorloofde kruissubsidies tussen de voorbehouden en de opgedragen dienstverlening plaatsvinden. Het college kan op de naleving van vorenbedoelde verplichting toezicht houden met behulp van de in het nieuwe onderdeel 6.3 neergelegde verplichting inzake het toerekeningssysteem van kosten en opbrengsten. Dit systeem en de juiste toepassing er van waarborgt dat ongeoorloofde kruissubsidie wordt voorkomen. Indien er desondanks toch aanwijzingen zijn van ongeoorloofde kruissubsidie kan de Nederlandse
Mededingingingsautoriteit (NMa) wegens een vermoedelijke schending van het algemene mededingingsrecht een onderzoek instellen en zonodig corrigerend optreden. De NMa kan daartoe informatie inwinnen bij de OPTA.

In artikel 14, derde lid, van de richtlijn zijn verplichte uitgangspunten voor een systeem voor toerekening van kosten en opbrengsten geïntroduceerd. Op basis van die richtlijnverplichting, waarnaar in het nieuwe onderdeel 6.3 wordt verwezen, kunnen kosten en opbrengsten zo nauwkeurig mogelijk worden toegerekend aan de in het nieuwe onderdeel 6.2 onderscheiden categorieën van activiteiten van de houder van de concessie. Ter uitvoering van de aanbeveling inzake het toerekeningssysteem in het rapport «Markt- en Overheid-toets op de postmarkt» zijn in het onderhavige artikel enkele belangrijke principes van kostentoerekening opgenomen die de houder van de concessie in acht moet nemen bij het opstellen van het toerekeningssysteem. Daarbij mag uiteraard geen strijd ontstaan met de vereisten die voortvloeien uit artikel 14, derde lid, van de richtlijn.

In onderdeel 6.2, onder b, is, net als in het thans nog geldende stelsel, voorzien in goedkeuring van het toerekeningssysteem door het college.

Verder is voor de toepassing van het goedgekeurde toerekeningssysteem door de houder van de concessie in onderdeel 6.3, onder c, voorzien in de verplichting voor de houder van de concessie om een verklaring over te leggen van de in onderdeel 6.2, onder c, bedoelde accountant. Ingevolge artikel 14, vijfde lid, van de richtlijn moet een verklaring van de accountant betreffende de toepassing van het systeem voor kostentoerekening periodiek worden bekendgemaakt. Ter implementatie daarvan is in onderdeel 6.3, onder c, voorts bepaald dat de jaarlijks te overleggen verklaring van de accountant over de toepassing van het toerekeningssysteem door middel van plaatsing in de Staatscourant wordt bekendgemaakt.

H

In § 7 zijn in onderdeel 7.1, onder a, de subonderdelen 1º en 2º komen te vervallen (wijziging onder 1). In het Postbesluit zijn de aan TPG opgedragen postvervoerdiensten limitatief vastgelegd. Daarmee ontvalt de noodzaak tot het handhaven van de vorengenoemde subonderdelen. Als gevolg hiervan zijn de subonderdelen 3º tot en met 7º vernummerd tot
1º tot met 5º(wijziging onder 2). De wijziging onder onder 3 betreft eveneens een wetstechnische aanpassing.

In onderdeel 7.3 (wijziging onder 4) wordt, in aansluiting op de in onderdeel 6.2 voorgeschreven boekhoudkundige scheiding van het opgedragen postvervoer in monopolie-activiteiten en andere activiteiten, eenzelfde scheiding voorgeschreven met betrekking tot de jaarlijks door de houder van de concessie te verstrekken informatie over het behaalde rendement en financiële resultaten. Deze scheiding in de financiële uitkomsten vermeld in de concessierapportage zijn tevens van belang met het oog op de voorgenomen evaluatie van het tariefbeheersingssysteem bedoeld in onderdeel 7.6 ( zie ook de toelichting op het nieuwe onderdeel 7.6). In verband daarmee is in onderdeel 7.3 aan de houder van de concessie de verplichting opgelegd de aan het college te verstrekken informatie ook in afschrift aan de minister te verstrekken.

Bij de regeling van 23 juli 1997, Stcrt. 142, die strekte tot aanpassing van het Barp aan de Wet Onafhankelijke post- en telecommunicatieautoriteit is abusievelijk bepaald dat de houder van de concessie zijn meerjarenbeleid aan het college dient voor te leggen. Gezien de taak die terzake op de minister rust, dient dit meerjarenbeleid aan de minister te worden voorgelegd. Onderdeel G, onder 5, strekt ertoe om deze onjuistheid te herstellen en bevat tevens enkele wetstechnische aanpassingen.

De wijziging onder 6 betreft een nieuw onderdeel 7.6. Onderdeel 7.6 bevat een evaluatiebepaling die tot doel heeft na een bepaalde periode na te gaan of op basis van de driedeling in de boekhouding en de nieuwe kostentoerekeningssystematiek de huidige systematiek van tariefbeheersing in voldoende mate beantwoord aan de vereisten van de richtlijn dan wel dat de huidige systematiek alsnog aanpassing behoeft.

I

In verband met de dynamische verwijzing in de onderdelen 6.3, 2.20 en
2.21 naar respectievelijk artikel 14, derde lid, de bijlage bedoeld in artikel 18, en artikel 20 van de richtlijn, is voorzien in een nieuw onderdeel 10.3 (wijziging onder 1). Dit onderdeel strekt ertoe de doorwerking van wijzigingen van genoemde onderdelen van de richtlijn in het Barp te waarborgen, zonder dat het Barp bij wijzigingsbesluit behoeft te worden gewijzigd.

De inwerkingtredingsbepaling in het tot onderdeel 10.4 vernummerde oude onderdeel 10.3 is uitgewerkt en dient te vervallen. In plaats daarvan is onderdeel 10.4 nu beperkt tot de citeertitel van het Barp (wijziging onder 2).

Artikel II

De in artikel II, onder 1 en 2, neergelegde overgangs-regeling is nodig in verband met de in de toelichting op onderdeel 2.18 uiteenge-zet-te omstandigheden ten aanzien van de wijziginge in het sorteerproces van de houder van de concessie en de aanpas-sing van de meetsystematiek aan de regeling in onderdeel 2.19.

Ten einde te voldoen aan de verplichting in artikel 17, derde lid, van de richtlijn, is in artikel II, onder 3, ten aanzien van de periode van het jaar 2000 waarin voor de houder van de concessie nog de ver-plich-ting in het huidige onderdeel 2.18 blijft gelden, voor-zien in een daarop tijdelijke aanvul-lende regeling, die de houder van de conessie verplicht om de OPTA te informeren over de wijze van uit-voering van onder-deel 2.18 en verder om de uit-kom-sten van de over die periode gehou-den metingen- van het postver-voer van binnenlandse brieven met de standaard over-night service, vergezeld van een motive-ring daarvan en een nauwkeu-rige om-schrijving van de toepaste meet-systematiek, aan de OPTA over te leggen.

Met deze tijdelijke aanvullende regeling wordt zo goed moge-lijk reeds aangesloten bij de regeling in onderdeel 2.20.

Artikel III

Dit artikel bevat bevat een overgangsregime voor de termijn waarop de verplichting terzake van het nieuwe kostentoerekenings-systeem voor de houder van de concessie gaat gelden. Binnen twee maanden na de inwerkingtreding van dit besluit dient de houder van de concessie een kostentoerekeningssysteem dat voldoet aan artikel 6.3, onder a, ter instemming voor te leggen aan het college. Twee maanden is een redelijke termijn. De uitgangspunten voor het systeem zijn duidelijk en de houder van de concessie kan reeds in de periode voorafgaande aan de inwerkingtreding van dit besluit met het ontwerpen van een geëigend toerekeningssysteem beginnen teneinde dit binnen de voorgeschreven termijn aan het college voor te leggen.

Het kostentoerekeningssysteem dient nadat het college er mee heeft ingestemd zo spoedig mogelijk te worden toegepast. Aangezien nog niet zeker is wanneer de gewijzigde Postwet en het nieuwe Postbesluit in werking kunnen treden en de houder van de concessie het toerekeningssysteem eerst nog moet laten goedkeuren door het college, is er voor gekozen dat de houder van de concessie vanaf 1 januari 2001 over dat jaar het systeem volledig moet toepassen. Het voordeel van deze regeling is dat zij samenvalt met een nieuw boekjaar.

Ten aanzien van de periode van het jaar 2000 wordt in het derde en vierde lid bepaald, dat de huidige verplichtingen van de houder van de concessie, om jaarlijks aan de OPTA te rapporteren op basis van het huidige Barp, blijven gelden, echter met dien verstande dat voor de periode vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit, de rapportage slechts betekking heeft op het postvervoer zoals is omschreven bij en krachtens de artikelen 2 en 2a, jo artikel 1, van de Postwet.

Artikel IV

Sedert de totstandkoming van het Besluit algemene richtlijnen post is het besluit een aantal keren in belangrijke mate gewijzigd. Het verdient daarom aanbeveling een integrale tekst van het Besluit algemene richtlijnen post in zijn gewijzigde vorm te publiceren.

Artikel V

Dit besluit treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Hiervoor is gekozen omdat niet zeker is wanneer de gewijzigde Postwet en het nieuwe Postbesluit in werking kunnen treden. Ook deze regelingen zullen bij op een nader te bepalen tijdstip in werking treden. Met de onderhavige bepaling wordt bij deze systematiek aangesloten.

DE STAATSSECRETARIS VAN VERKEER EN WATERSTAAT,

Aan

de voorzitter van de Onafhankelijke Autoriteit en Telecommunicatie Autoriteit

de heer prof dr J.C. Arnbak

Postbus 90420


2509 LK DEN HAAG

Contactpersoon Doorkiesnummer

Datum Bijlage(n)


24 december 1999 -

Ons kenmerk Uw kenmerk

DGTP/MM/99.003560 OPTA/EGM/99/8252

Onderwerp

Uitvoeringstoets Barp.

Geachte heer Arnbak,

Bij brief van 2 december 1999 heeft u mij de uitvoeringstoets op het concept Besluit algemene richtlijnen post (Barp) toe doen komen. De begeleidende brief en de uitvoeringstoets geven mij aanleiding tot het plaatsen van de volgende opmerkingen.

In de begeleidende brief stelt u dat ofwel de OPTA voorzien moet worden van een aantal in uw ogen essentiële instrumenten, ofwel de functie van OPTA van toezichthouder op de postmarkt volledig moet worden afgebouwd. Tegelijkertijd stelt u mijns inziens terecht in uw brief vast dat u niet wil treden in politieke keuzes.

Deze keuzes en de daaruit voortvloeiende regelgeving zijn een verantwoordelijkheid van regering en Parlement. Het is de taak van de toezichthouder toe te zien op een juiste toepassing van deze regels dan wel uitvoering te geven aan deze regels voor zover dit door de (OPTA)wet wordt bepaald. Dit laat uiteraard onverlet dat de toezichthouder wel betrokken wordt bij het opstellen van de wet- en regelgeving, bijvoorbeeld door overleg, advies te vragen en voorgenomen wet- en regelgeving aan een uitvoeringstoets te

onderwerpen.

Ik ben van mening dat u een verkeerd beeld geeft van de rol van de OPTA als toezichthouder tot nu toe en in de toekomst. De rol van de OPTA verandert in het concept Barp niet wezenlijk ten opzichte van de rol die de OPTA tot nu toe vervult. Zo wordt het toezicht op de naleving van het tariefbeheersingsyteem, en de naleving van de kwaliteitseisen gewoon gecontinueerd. De OPTA zal het kostentoerekeningsysteem moeten goedkeuren en houdt onder andere toezicht op de financiële verantwoording.

U stelt voorts dat het toezicht ten onrechte zal worden verdeeld over twee loketten, de OPTA en de NMa en dat een adequaat toezicht op die manier niet mogelijk is.

Dit echter is geen wijziging ten opzichte van de huidige situatie.

Op de naleving van de sectorspecifieke regelgeving wordt toezicht gehouden door de sectorspecifieke toezichthouder, de OPTA, en op de bepalingen van de Mededingingswet door de NMa. In het concept-Barp is
- in lijn met het kabinetsstandpunt naar aanleiding van het rapport " Zicht op toezicht" - gekozen voor deze verdeling van bevoegdheden tussen OPTA en de NMa bij de uitoefening van het toezicht op de postmarkt. Ik kom daar in het vervolg van deze brief nog op terug. In uw uitvoeringstoets heeft u een andere oplossing voorgesteld. Deze oplossing wijkt niet alleen af van het kabinetsstandpunt, het is tevens onjuist te suggereren dat het niet mogelijk is om adequaat toezicht uit te oefenen op de postsector.

Ik zal hieronder nader ingaan op een aantal kernpunten van uw commentaar op het concept-Barp, zoals opgenomen in de samenvatting en conclusie. Mogelijk is uw reactie het gevolg van misverstanden met betrekkig tot de interpretatie van de in het concept-Barp neergelegde voorstellen. Ik hoop met deze brief deze misverstanden uit de weg te kunnen ruimen en de door mij voorgestane lijn te verduidelijken.

Belangenverstrengeling

De OPTA is van mening dat het voorstel van de regering niet voorziet in een voldoende scheiding tussen de functie van regelgever en exploitant. Daarbij wordt er op gewezen dat de overheid ook zelf als toezichthouder gaat optreden, terwijl zij tevens aandeelhouder is van TPG. Er zou sprake zijn van ontoelaatbare belangenverstrengeling. De Staat zou gezien haar aandeelhouderschap in TPG een onvoldoende onafhankelijkheid kunnen waarborgen als regelgever, in het bijzonder bij het toetsen van de resultaten van het tariefbeheersingsyteem. De OPTA verwijst daarbij naar een overweging van de Postrichtlijn, waarin onder andere staat dat geen enkele exploitant van postdiensten tegelijkertijd rechter en partij mag zijn. De Staat is nog steeds een zeer belangrijke aandeelhouder van TNT Post Groep en dit kan volgens de OPTA leiden tot een beeld van een exploitant die tegelijk rechter en partij is.

Allereerst zou ik er op willen wijzen dat u voor wat de rol van de overheid als toezichthouder betreft een onjuiste voorstelling van zaken geeft. In het voorstel gaat de Minister immers niet als toezichthouder optreden. In het concept-Barp wordt voorgesteld het toezicht evenals nu te laten uitoefenen door de OPTA en de NMa. De evaluatie van het tariefbeheersingssysteem, wordt door de Minister in zijn hoedanigheid als regelgever uitgevoerd. De evaluatie zou aanleiding kunnen geven tot bijstelling van het tariefbeheersingssysteem.

Over de scheiding van functies van regelgever en exploitant wil ik het volgende

opmerken. De nationale regelgevende instanties dienen juridisch onderscheiden en

functioneel onafhankelijk te zijn van de exploitanten van postdiensten. Dit is ook het geval. Voor regelgevende en toezichthoudende taken zijn de Minister en de OPTA aangewezen, die juridische en functioneel geheel onafhankelijk zijn van de exploitant, TPG. Het feit dat de Staat nog een minderheidsaandeel inTPG houdt doet hier niets aan af.

Kostenoriëntatie tarieven

De richtlijn schrijft voor aan de hand van welke beginselen de tarieven voor de universele dienst moeten worden vastgesteld. Een van deze beginselen is dat de tarieven op de kosten moeten zijn gebaseerd.

De OPTA is van mening dat de wijze waarop in het voorstel invulling wordt gegeven aan de kostenoriëntatie bij de tarieven in strijd is met de richtlijn. Volgens de OPTA moet het tarief zijn gebaseerd op de onderliggende kosten plus een redelijk rendement.

Deze interpretatie kan echter niet worden afgeleid uit de Postrichtlijn, het daaraan ten grondslag liggende Groenboek en de Mededeling. Het is ook niet gebleken bij overleg van DGTP met vertegenwoordigers van de Europese Commissie. Wel geeft overweging 26 van de richtlijn aan dat de tarieven van de universele dienst onder andere niet-discriminerend en kostengericht moeten zijn, teneinde een deugdelijk beheer van de universele diensten te waarborgen en concurrentievervalsing te voorkomen. In dit verband zij tevens verwezen naar de Mededeling van de Europese Commissie. Hieruit kan worden afgeleid dat de tarieven tenminste dienen te zijn gebaseerd op de gemiddelde totale kosten. Dit brengt met zich mee dat de directe kosten gedekt moeten zijn alsmede een passend deel van de gemeenschappelijke en overheadkosten van de exploitant. Met dit uitgangspunt wordt gewaarborgd dat de diensten niet onder de kostprijs worden aangeboden. Het doel hiervan is te voorkomen dat andere marktpartijen die diensten aanbieden in hetzelfde marktsegment door middel van "predatory pricing" van de markt worden geconcurreerd.

Teneinde zeker te stellen dat kosten en opbrengsten zo nauwkeurig mogelijk worden toegerekend aan de te onderscheiden categorieën van activiteiten (voorbehouden,

overige opgedragen en de "vrije" dienstverlening) zijn in de richtlijn verplichte uitgangspunten voor een systeem van toerekening van kosten en opbrengsten opgenomen. Conform de aanbevelingen van de werkgroep Markt- en Overheidtoets op de postmarkt - onderschreven door de adviezen van OPTA en NMa terzake - worden aan de voorschriften nog enige boekhoudregels toegevoegd. Dit door TPG toe te passen toerekeningssysteem dient door de OPTA te worden goedgekeurd. Op de juiste toepassing van het systeem dient een accountantsverklaring te worden overlegd. Overigens wordt hiermee ook dezelfde systematiek gevolgd als onder het bestaande Barp.

Ten aanzien van de hoogte van de tarieven van de onder de opdracht vallende diensten van TPG merk ik nog het volgende op. Tot nu toe is een zogenaamd price capsysteem gebruikt dat binnen de index van de loonsomontwikkeling TPG een beperkte ruimte geeft de tarieven vast te stellen. Dit systeem heeft tot nu toe uitstekend gewerkt.

De posttarieven in ons land behoren in vergelijking tot andere Europese landen tot de laagste en zijn alleszins betaalbaar. PTT-Post behoort tot de efficiëntste postbedrijven van de wereld en de kwaliteit van de dienstverlening is gemiddeld genomen goed.

Bij de behandeling van het wetsvoorstel tot Wijziging van de Postwet in de Tweede Kamer heb ik aangegeven dat dit price capsysteem zal worden gecontinueerd (uiteraard aangepast aan de gewijzigde opgedragen dienstverlening) totdat met de invoering van de driedeling in de boekhouding in de komende jaren een duidelijk beeld ontstaat over de kosten en opbrengsten van de voorbehouden en niet-voorbehouden diensten.

Op basis van dit beeld zal bekeken worden of er in de toekomst het huidige systeem, al dan niet met aanpassingen, wordt gecontinueerd of dat er op een andere systematiek moet worden overgestapt. In het concept-Barp heb ik - in lijn met het in de Kamer besprokene - aangegeven dat deze evaluatie in het jaar 2002 op basis van de gegevens van het eerste daaraan voorafgaande volle boekjaar (1 januari
2001 - 31 december 2001) zal geschieden. Het ligt daarbij overigens voor de hand dat ik de OPTA hierbij zal betrekken.

Non-discriminatie en transparantie

De OPTA beveelt aan om een bepaling over het non-discriminatie en het transparantiebeginsel op te nemen. Zij baseert deze aanbeveling op overweging 25 van de richtlijn, waarin staat dat "mocht dit nodig blijken, maatregelen moeten worden getroffen om de voorwaarden voor toegang tot het openbare postnet in de lidstaten transparant en niet-discriminerend maken".

Overwegingen worden niet geïmplementeerd. Overwegingen vormen slechts een basis voor de artikelen die in de richtlijn zijn opgenomen, die uiteraard wel moeten worden geïmplementeerd. In dit geval zou het ook moeilijk zijn de overweging te implementeren, omdat de overweging de basis vormt van artikel 11 van de richtlijn. In dit artikel wordt bepaald dat het Europees Parlement en de Raad, op voorstel van de Commissie, de nodige maatregelen vaststellen ter harmonisatie van de voorwaarden voor toegang tot het openbare postnet. De Commissie heeft tot nu toe nog geen voorstel gedaan.

Markt en overheidstoets op de Postmarkt

De OPTA pleit voor het expliciet verbieden van kruissubsidies en koppelverkoop in het Barp.

TPG zal in de toekomst een aparte boekhouding moeten gaan bijhouden voor de diensten onder het monopolie (voorbehouden diensten), voor de overige opgedragen diensten en de overige, vrije diensten. Deze eis van scheiding van boekhouding tussen diensten die zijn voorbehouden en niet-voorbehouden, is in de Postrichtlijn vastgelegd om de kosten van de verschillende diensten doorzichtig te maken en te garanderen dat kruissubsidies tussen de voorbehouden en de niet-voorbehouden sector de concurrentievoorwaarden in de niet-voorbehouden sector niet nadelig beïnvloeden.

Voor de toerekening van kosten en opbrengsten van de diensten naar het monopolie en de overige opgedragen diensten zal een door de OPTA goed te keuren toerekeningsysteem worden gehanteerd.

Op de juiste toepassing van de kostentoerekening wordt toegezien door een onafhankelijke accountant. De bevindingen van deze accountant worden vervolgens nog een keer getoetst door een door de OPTA aangewezen accountant. De bepalingen die dit regelen zijn opgenomen in het Barp. Met de gescheiden boekhouding en het toerekeningsysteem zijn de activiteiten van TPG financieel heel inzichtelijk en bestaat er nauwelijks kans op misbruik in de vorm van ongeoorloofde kruissubsidies.

De vraag is dan ook of het zinvol is om een expliciet verbod op kruissubsidie in het Barp in stand te houden. Mocht er onverhoopt toch sprake zijn van ongeoorloofde kruissubsidie kan er immers door de NMa op basis van de algemene mededingingsregels worden ingegrepen. Dit geldt ook ten aanzien van vermeende koppelverkooppraktijken die op grond van de Mededingingswet al verboden zijn.

De regering heeft dan ook gemeend naast invoering van de gescheiden boekhouding en de toerekeningsregels niet nog eens een expliciet verbod op kruissubsidie en koppelverkoop in het Barp op te nemen. Dit is ook in lijn met het kabinetsstandpunt inzake toezicht (rapport "Zicht op toezicht"). Kortheidshalve verwijs ik naar de motivering in de Memorie van Toelichting bij het voorstel tot wijziging van de Postwet.

De bovengenoemde punten en de overige punten uit de uitvoeringstoets zijn besproken op ambtelijk niveau tussen uw organisatie en DGTP. Het volledige commentaar van de regering op de uitvoeringstoets is verwerkt in de toelichting op het Barp, dat ik u hierbij doe toekomen.

Hoogachtend,

DE STAATSSECRETARIS VAN VERKEER EN WATERSTAAT,

drs J.M. de Vries

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie