Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Kamervragen over de defensienota 2000

Datum nieuwsfeit: 27-12-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal


26900vra.gen vragen omtrent de defensienota
Gemaakt: 28-12-1999 tijd: 9:51


26 900 Defensienota 2000

nr.

Lijst van vragen en antwoorden

vastgesteld,

De vaste Commissie voor Defensie heeft de Navolgende vragen over de Defensienota 2000 (26 900, nr. 2).

De regering heeft deze vragen .......... bij brief van .....

De vragen en .......... zijn hieronder afgedrukt.

De voorzitter van de commissie,

Valk

De griffier voor dit verslag

Jonker


1.

Waaruit is gebleken dat het gezamenlijk optreden van de krijgsmachtdelen aan belang wint? Kan één vredesoperatie worden genoemd waar sprake is geweest van `joint optreden' van de Nederlandse marine met land- en luchtmacht op operationeel niveau? (blz. 6)


2.

Op wat voor wijze is het reservepersoneel ingelicht over c.q. betrokken geweest bij de presentatie van de nieuwe defensienota? (blz.
16)


3.

De dreiging van een massale aanval op de Noord-Duitse laagvlakte is verdwenen. Wat is dan nog een dwingende reden om Nederlandse troepen in Seedorf gelegerd te houden. Andere troepen die onderdeel uitmaken van het Duits Nederlandse legercorps zijn ook gewoon in Nederland gelegerd. Zijn er mogelijk praktische, personele en financiële voordelen te voorzien die een heroverweging van de legering in Seedorf wenselijk maken? (blz. 22)


4.

Wordt de luchtverdediging afgestemd op de gewijzigde nucleaire dreigingen? Zo ja, op welke wijze? (blz. 23)


5.

Welke landen zouden bezig zijn met de aanmaak van chemisch en biologische wapens? (blz. 23)


6.

Bestaan concrete aanwijzingen dat terroristische groeperingen die actief zijn in Europa de beschikking hebben over chemische en biologische wapens? (blz. 23)


7.

Wat is de actuele stand van zaken in de verhouding tussen de Navo en Rusland? Dit in het licht van de oorlog in Tsjetsjenië en de verkiezing van de Doema. Is er sprake van een terugval naar de tijd van de Koude Oorlog wat betreft houding en retoriek ten opzichte van de Navo? Is er aan alle kanten nog voldoende bereidheid om vorm en inhoud te geven aan het partnerschap dat tot ruim een jaar geleden de overhand had? (blz. 24)


8.

Kan nader worden aangegeven hoe binnen de Russische veiligheidsdoctrine meer nadruk wordt gelegd op het eigen kernwapenarsenaal? Wat betekent dit voor het al dan niet behouden van kernwapens aan Westerse kant? (blz. 24)


9.

In hoeverre vindt een modernisering van de Russische tactische nucleaire wapens plaats? Heeft de Navo initiatieven ontplooid met de Russische regering te spreken over een reductie van het grote aantal tactische nucleaire wapens? (blz. 24)


10.

Welke maatregelen heeft de internationale gemeenschap ondernomen of gaat zij ondernemen om te voorkomen dat `de broze situatie in Macedonië' escaleert? (blz. 24)


11.

Hoe beoordeelt de regering de politieke situatie in Rusland na de verkiezingen in de Doema? (blz. 24)


12.

Volgens de regering staat de vervanging van het nucleaire arsenaal op een laag pitje. Hoe verhoudt deze opvatting zich met de ingebruikname van strategische nucleaire raketten de TOPOL M-2 of SS-27 en de bouw van nieuwe nucleaire onderzeeërs van de Boreia-klasse, die uitgerust zullen worden met nieuwe ballistische raketten (D-31 SLBM)? (blz. 24)


13.

Hoe kan Nederland invulling geven aan haar medeverantwoordelijkheid voor het zoeken van oplossingen voor conflicten in Afrika en in het voorkomen van conflicten daar? Of beperkt de verantwoordelijkheid zich binnen Navo en EU vooral tot Europa en haar periferie? (blz. 25)


14.

Hoe kan de stroom van vooral kleine wapens naar spanningsgebieden in Afrika worden ingedamd en zo mogelijk gestopt? (blz. 25)


15.

Hoe kunnen conflictpreventie en (niet-militaire) conflictbeheersing hoger op de internationale agenda komen? Welke inspanningen verricht Nederland hiervoor? Vereist dit versterking van internationale organen als OVSE en VN? Zijn daarvoor extra gelden vereist? Wat doet Nederland in het eigen beleid om vorm te geven aan het integrale karakter van conflictpreventie, stabilisatie en wederopbouw? Zijn daarvoor interdepartementale structuren met enig gezag? (blz. 26)


16.

Hoe staat de regering tegenover Amerikaanse plannen voor een «Theater Missile Defense» voor Zuidoost Azië en dat met name ten aanzien van Taiwan? (blz. 27)


17.

Wat houdt de assistentie van Defensie bij internationale criminaliteit precies in? Waar liggen de grenzen tussen politie en Defensie? Wordt daar in de verschillende landen van de Navo op dezelfde wijze over gedacht? Is er in sommige landen geen verschuiving te bespeuren in de benadering van bijvoorbeeld terrorisme: van politie naar militaire middelen? (blz. 27)


18.

Op welke manier zal de defensiesteun aan de landen van Midden- en Oost-Europa de komende jaren worden vergroot? (blz. 28)


19.

Kan worden aangegeven op welke wijze het bestand van defensieattachés zal worden verkleind? (blz. 28)


20.

Wat houdt de verkleining van het bestand van defensieattachés precies in? Wat is de achtergrond van die verkleining en hoe krijgt die vorm? (blz. 28)


21.

Welke militaire rol ziet de regering voor de tactische kernwapens op Europees grondgebied (blz. 30)


22.

Hoe wil de regering bevorderen dat het Nederlands parlement beter ingelicht kan worden over de (eventuele) aanwezigheid van kernwapens op Nederlands grondgebied? (blz. 30)


23.

Kan worden aangegeven wat de tot op heden bereikte resultaten zijn m.b.t. de motie Koenders/Hoekema over nucleaire wapenbeheersing en nucleaire strategie? Welke inspanningen acht de regering voorts gewenst op dit gebied? (blz. 30)


24.

De regering geeft de voorkeur aan de Navo voor zwaardere crisisbeheersingsoperaties in en nabij Europa. In hoeverre wordt deze opvatting gedeeld door andere EU-lidstaten, zoals Frankrijk? (blz. 30)


25.

Op welke wijze en wanneer wordt met de Duitse regering bezien hoe de inzetmogelijkheden van het gemeenschappelijke legerkorps kunnen worden verbeterd? (blz. 30)


26.

Het Duits-Nederlandse legerkops is een voorbeeld voor verdere Europese samenwerking. Kan aangegeven worden op welke wijze het proces van verdergaande opbouw in dit kader plaats zal vinden.? Immers er bestaat een discrepantie tussen de Nederlandse eenheden die wel inzetbaar zijn voor vredesoperaties en de Duitse eenheden (ook vanuit oogpunt dienstplicht) die dit niet zijn. (blz. 30)


27.

Waaraan wordt gedacht als bezien gaat worden hoe de inzetmogelijkheden van het Duits Nederlandse legercorps kunnen worden verbeterd? Blijft inzet voor vredesmissies niet moeilijk vanwege het voortbestaan van de dienstplicht in Duitsland en vanwege het deels mobilisabel zijn van de troepen? (blz. 30)


28.

Aan welke soorten Navo-middelen moet gedacht worden in geval van Europese vredesoperaties zonder betrokkenheid van de VS? (blz. 30)


29.

Wat voor militaire staf binnen de EU staat de regering voor ogen? (blz. 31)


30.

Welke Navo-middelen zijn essentieel voor EU-geleide operaties, waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen de gradaties in het geweldsspectrum van de Petersbergtaken? (blz. 31)


31.

Welke is de omvang van de Europese behoefte aan zee- en luchttransportmiddelen? In hoeverre kan Nederland op dit moment in die behoefte voorzien? (blz. 31)


32.

Wat is de actuele stand van zaken met betrekking tot de ontwikkeling van een Europees veiligheids- en defensiebeleid? In hoeverre spelen de ontwikkelingen zich nog binnen de Navo af en in welke mate daarbuiten? Wat is het standpunt van de Nederlandse regering t.a.v. de vormgeving van een Europese militaire capaciteit? Wat is de te verwachten Nederlandse bijdrage aan zo'n Europese militaire capaciteit? (blz. 31)


33.

Onder welke voorwaarden en in welke institutionele setting ondersteunt de regering een Europees «Defense Capabilities Initiative»? (blz. 31)


34.

Hoe staat de regering tegenover convergentiecriteria die betrekking hebben op de `input' (defensie-uitgaven, investeringen als percentage, e.d.)? Zijn `input' criteria niet per definitie nadelig voor landen die hard gewerkt hebben aan een betere output door grotere efficiëntie flexibiliteit en het aanpakken van traditionele structuren? (blz. 31)


35.

Welke investeringen zijn nodig voor eventuele «grootschalige» EU-geleide operaties, d.w.z. operaties in het hoge geweldsspectrum? (blz. 31)


36.

Waarom wordt het CJTF niet genoemd als een belangrijk instrument in het rapport over de versterking van de gemeenschappelijke Europese politiek inzake veiligheid en defensie dat bij de recente Europese top in Helsinki werd goedgekeurd? (blz.31)


37.

Welke zijn de gevolgen voor de Defensienota van de afspraken die zijn gemaakt tijdens de Europese Raad te Helsinki? (blz. 32)


38.

Hoe gaat de regering samenwerking bij en samenvoeging van opleidingen en onderhoudsdiensten stimuleren? Aan welke opleidingen en onderhoudsdiensten wordt hier gedacht? (blz. 32)


39.

Hoe sterk is naar de mening van de regering de morele verplichting tot actie uit het Genocide verdrag? Welke factoren gelden bij de bepaling of een land in de positie verkeert om een einde te maken aan een massaslachting: alleen militaire of ook geografische, politieke, financiële en andere factoren? Geldt deze morele verplichting ook voor organisaties, zoals de Navo? Welke ethische verantwoordelijkheid hebben respectievelijk Nederland, de Navo en de Europese Unie voor de massaslachting in Ruanda (blz. 34)


40.

Is de regering van mening dat criteria voor toetsing van humanitaire interventie ondergebracht dienen te worden in het VN-Handvest of heeft een andere vorm van codificatie de voorkeur? (blz. 34)


41.

Kan nader worden aangegeven in welke situaties ingrijpen op eigen gezag door een groep landen als gerechtvaardigd moet worden beschouwd? (blz. 34)


42.

Hoe kan worden voorkomen dat een land met territoriale ambities zijn interventie in een buurlanden rechtvaardigt met valse argumenten? (blz. 34)


43.

Is het denkbaar dat in de Verenigde Naties nadere criteria zullen worden ontwikkeld voor humanitaire interventie? (blz. 34)


44.

Als het om «humanitaire interventie» gaat wordt uitgebreid ingegaan op criteria voor ingrijpen en inbedding in de internationale rechtsorde. Gelden dezelfde criteria en dezelfde inbedding voor het operaties die bedoeld worden met het begrip «crisisbeheersing» in het Navo strategisch concept? Het gaat om niet-artikel 5 operaties, die dus buiten de strikte verdediging van het grondgebied vallen? Geldt hiervoor ook dat voorkomen moet worden «dat een land» (in dit geval een bondgenootschap) «met territoriale ambities zijn interventie in een buurland rechtvaardigt met valse humanitaire argumenten»? Of is «crisisbeheersing» een bijzondere vorm van het verdedigen van het grondgebied? (blz. 34)


45.

Betekent de opmerking over het in 1995 vastgelegde Toetsingskader dat daaraan nu geen politiek zwaarwegende betekenis meer kan worden gehecht? (blz. 35)


46.

In welke landen en/of regio's ziet de regering in de komende jaren crises ontstaan die om een vredesmacht zullen vragen? (blz. 35)


47.

Aan welke crises wordt gedacht, die een vredesmacht behoeven? Het gaat dan om humanitaire interventies? (blz. 35)


48.

Is het reëel gezien de grote en langdurige bijdrage van de land- en luchtmacht op de Balkan dat er ook nog eenheden beschikbaar worden gesteld aan bijv. de VN en Shirbirg? Is dit feitelijk niet een papieren bijdrage die in de huidige situatie niet kan worden geëffectueerd? Kan een overzicht worden gegeven welke eenheden van de Nederland krijgsmacht aan UNSAS resp. Shirbrig zijn toegewezen en welk deel hiervan tegelijkertijd is gecommitteerd voor vredesoperaties dan wel recuperatie, opleiding oefening of andere noodzakelijke taken? (blz. 36)


49.

Voor beschikbaarstelling van Nederlandse eenheden in het kader van Shirbrig gelden de normale besluitvormingsprocedures. Wat betekent dit voor de snelheid waarmee de secretaris-generaal van de VN over deze eenheden kan beschikken? Is het niet zo dat commitment aan Shirbrig inhoudt dat eenheden snel geleverd worden tenzij er zwaarwegende redenen zijn om het niet te doen? (blz. 36)


50.

Welk beleid voert de regering ten aanzien van conflictpreventie? In welk beleidsdocument is dit verwoord? (blz. 36)


51.

Acht de regering het verantwoord dat een bataljon dat bij een vredesoperatie wordt ingezet is samengesteld uit 52 verschillende eenheden? Op welke wijze wordt een dergelijk bataljon voor uitzending getest of het zijn taken in het operatiegebied kan uitvoeren? (blz. 36 e.v.)


52.

Gold de groeiende internationale bereidheid om grondtroepen in te zetten ook voor de Nederlandse regering? (blz. 37)


53.

Veranderingen in conflicten of in de houding van betrokken partijen in conflicten kunnen de internationale gemeenschap noodzaken de aard van de aanwezigheid te wijzigen. Denkt de regering al afdoende antwoorden te hebben op zulke wijzigingen? In Bosnië was UNPROFOR niet voorbereid en ingericht op de schending van de afspraken. Later werd als mogelijk antwoordt daarop het concept van Rapid Reaction Force ontwikkeld. Ter bescherming van waarnemers in Kosovo was er de Extraction Force. Zijn dit de antwoorden op mogelijke wijzigingen van omstandigheden in vredesmissies? Of zijn nog andere concepten in ontwikkeling of gewenst? (blz. 37)


54.

Wordt overwogen om ter verbetering van Cimic-activiteiten gezamenlijke oefenprogramma's op te zetten voor militairen, civiele autoriteiten en NGO's? (blz. 38)


55.

In welke gevallen worden fondsen voor Cimic ter beschikking gesteld door Ontwikkelingssamenwerking? (blz. 38)


56.

Zijn de `kleine projecten' die Nederlandse eenheden van Sfor in Bosnië uitvoer(d)en al eens geëvalueerd? Zo nee, komt er nog een evaluatie? Zo ja, kan die ter kennis gebracht worden van de Kamer? (blz. 38)


57.

Kan een overzicht worden gegeven van de aanvullende kosten die Ontwikkelingssamenwerking sinds 1996 voor de inzet van delen van de krijgsmacht voor de humanitaire hulpverlening heeft betaald? In hoeverre vallen deze kosten buiten de ODA-norm? (blz. 39)


58.

Hoe functioneert de MCDU? Is het functioneren van dit VN-orgaan een van de redenen dat landen hulp ter beschikking stellen buiten de MCDU om? Heeft Nederland de laatste jaren hulp verleend buiten de MCDU om? Zo ja, waarom? (blz. 39)


59.

Hoe kan de MCDU versterkt worden zodat coördinatieproblemen als bij de hulpverlening na de orkaan «Mitch» voorkomen kunnen worden? (blz. 39)


60.

Hoeveel tijd is nodig om van losse componenten (zoals bataljons) een samenhangend geheel te maken (zoals een brigade)? (blz. 40)


61.

Wat wordt bedoeld met de passage dat Nederland zich geen zeer gespecialiseerde eenheden kan veroorloven? Welke conclusies moeten hieruit worden getrokken? Kunnen hiervan per krijgsmachtdeel een aantal praktische voorbeelden worden gegeven? (blz. 41)


62.

Als er van uit wordt gegaan dat, los van hun organieke taak, alle eenheden vredesoperaties moeten kunnen uitvoeren, welke consequentie heeft die dan voor de opleiding van deze eenheden? (blz. 41)


63.

In hoeverre wordt er bij het bepalen van de juiste omvang van de krijgsmacht rekening mee gehouden dat er zich ook onverwachte internationale ontwikkelingen kunnen voordoen? (blz. 41)


64.

«Van Nederland mag worden verwacht dat het z'n aandeel draagt in de gezamenlijke lasten en niet parasiteert op andermans inspanningen.» Wordt met het aandeel van Nederland een evenredig aandeel bedoeld of wordt ook rekening gehouden met andere factoren, zoals draagkracht en risico? Hoe wordt de omvang van het Nederlandse aandeel bepaald? Bij welk inspanningsniveau is er sprake van het parasiteren op andermans inspanningen? (blz. 41)


65.

Kan preciezer ingegaan worden op het begrip `belangen' als reden voor optreden? Zijn er belangen aan te geven die een optreden rechtvaardigen buiten het Navo-verdragsgebied en zonder dat er sprake is van een humanitaire interventie? Denken alle Navo-landen hierover hetzelfde of zijn er verschillen van mening over wanneer wel en wanneer niet buiten het verdragsgebied mag worden opgetreden? (blz.
42)


66.

Wordt het ambitieniveau bepaald aan de hand van de aanwezige militaire capaciteiten of bepaalt het ambitieniveau de te leveren militaire inspanning en de daarbij behorende capaciteit? (blz. 42)


67.

De voorgestelde personele uitbreiding heeft onder meer tot doel de uitzenddruk bij het huidige personeel te verlagen. Wanneer men in het jaar 2000 er niet in slaagt de extra aantallen personeel te werven ligt het dan niet voor de hand dat het ambitieniveau dan wordt verlaagd? (blz. 42)


68.

Bij deelname van de Klu aan vredesoperaties wordt uitgegaan van deelname van één squadron per vredesoperatie of 3 squadrons per vredeafdwingende operatie p.42). Er van uitgaande dat de luchtoorlog tegen Servië een vredesafdwingende operatie is geweest heeft de luchtmacht deze capaciteit niet geleverd. Is de Klu wel in staat om het ambitieniveau van 3 squadrons voor een vredeafdwingende operatie in de toekomst te kunnen leveren, ervan uitgaande dat er slechts 5 squadrons overblijven? Zo ja, op welke wijze en voor welke duur? (blz.
42)


69.

Kan een overzicht worden gegeven van datgene dat meer is ingezet dan een organieke squadronsterkte tijdens de operaties vanuit Amendola? (blz. 42)


70.

Is de introductie van de mogelijkheid deel te nemen aan een vredeafdwingende operatie met een brigade of equivalent daarvan niet een verhoging van het ambitieniveau ten opzichte van Hoofdlijnennotitie en regeerakkoord? Een brigade is meer dan de verzameling van een aantal bataljons en veronderstelt ook de inzet van brigadeondersteunende eenheden. Waarom nu ineens de mogelijke inzet van een brigade? Wat betekent dit voor het voortzettingsvermogen na een half jaar? (blz. 42)


71.

Op basis van welke criteria wordt beslist of eenheden voor een vredesafdwingende operatie worden ingezet of in het kader van een vredesoperatie elders worden ontplooid? (blz. 43)


72.

Het ambitieniveau is geen dode letter. De huidige inspanningen op de Balkan onderstrepen dit. De regering wil dan ook het ambitieniveau uit de prioriteitennota handhaven. Is hier sprake van een contradictio in terminis? Indien het ambitieniveau geen dode letter is zou het toch aan de huidige omstandigheden moeten worden aangepast. In werkelijkheid is de Nederlandse inzet vaak hoger dan het ambitieniveau uit de prioriteitennota 1993. Alleen in Bosnië zitten wij immers al negen jaar. (blz. 45)


73.

Op bladzijde 45 wordt geconstateerd dat er grenzen zijn aan het budget. Daardoor konden sommige voornemens niet volledig in plannen worden omgezet. Een gulden geeft je immers maar een keer uit. Het gaat er dus vooral om welke keuzes je maakt. Er is vastgesteld dat in de komende tijd het komen tot een Europese Defensie identiteit wellicht een van de belangrijkste ontwikkelingen is voor de krijgsmacht. Is het in dat licht niet werkwaardig dat dan de keuze juist niet valt op het inrichten van een Combind joint task forces, commmandofaciliteiten op het tweede amfibische schip. Juist op het moment dat Nederland zegt dat het Duist Nederlandse leger gehandhaafd dient te worden maar dan wel omgevormd dient te worden opdat het ingezet zou kunnen worden als kernstaf van een combined joint task force. (blz. 45)


74.

Waarom wordt in de prioriteitstelling geen voorrang gegeven aan de vervanging van Bölkow en Alouette-helikopters, terwijl deze helikopters passen in het nieuwe concept van het zich meer richten op gewondenvervoer door de lucht? (blz. 46)


75.

Waarom wordt prioriteit gegeven aan aantal extra functies voor de Koninklijke Marechaussee ten behoeve van vredesoperaties (blz. 46)


76.

Waarom wordt de personele uitbreiding van de Kmar die als gewenst en noodzakelijk wordt gezien, afhankelijk gesteld van meer opbrengsten bij doelmatigheid. Is hier het personeel niet het kind van de rekening? Het betreft toch hoofdzakelijk taken die worden uitgevoerd ten behoeve van andere ministeries? Waarom wordt aan deze ministeries niet eenvoudigweg de rekening gepresenteerd voor de personele uitbreiding? (blz. 46)


77.

Waarom worden 150 functies extra paraat gesteld ten behoeve van de RPV-eenheden? Waarom heeft dit zo'n hoge prioriteit terwijl andere personele knelpunten niet worden opgelost? (blz. 49)


78.

Wat is tot nu toe de behoefte geweest aan RPV eenheden bij vredesoperaties? Welke landen hebben deze geleverd? Hoe staat het met de voortzettingscapaciteit er van uitgaande dat men minimaal 3 jaar aan een operatie deelneemt. Is de regering bereidt deze uitbreiding te heroverwegen ten behoeve van de oplossing van andere personele knelpunten? (blz. 49)


79.

In hoeverre zijn de negen eenheden van bataljonsgrootte voor speciale taken inzetbaar als (gepantserde) infanterie? Zijn deze eenheden bruikbaar als roulatie eenheden voor bijvoorbeeld pantserinfanterie of mariniers? (blz. 49)


80.

Op basis van welke gegevens en informatie zijn de grenzen van de wervingsmogelijkheden bepaald? (blz. 49)


81.

Waarom worden 1 of 2 marinierbataljons niet ter beschikking gesteld aan het Duits-Nederlandse legerkorps nu zij doorgaans toch alleen maar infanterietaken uitvoeren? (double hatted toewijzing) (blz. 50)


82.

Op welke termijn zal personeel van mortiereenheden worden opgeleid voor artillerie en omgekeerd? (blz. 50)


83.

Is er bij de norm voor uitzendingen, afgezien van vrijwillige uitzending, sprake van een absoluut maximum? (blz. 50)


84.

Hoe verhoudt de beschikbaarheid van drie vergelijkbare eenheden zich met het streven naar de bestaande norm voor uitzendingen als maximum? (blz. 51)


85.

De Koninklijke luchtmacht zal de inzet van de
luchtverkenningscapaciteit van de jachtvliegtuigen flexibeler en doelmatiger maken. Gaarne een toelichting hierop in het kader van de inkrimping. (blz. 51)


86.

Waarom is, gezien het grote belang dat wordt gehecht aan een versterkte samenwerking tussen de krijgsmachtonderdelen, niet besloten de operationele bevoegdheden van de Chef defensiestaf uit te breiden, ook buiten het gebied van crisisbeheersings-, vredes- en humanitaire operaties? (blz. 51)


87.

Is het niet buiten de werkelijkheid om het joint-optreden van de VS en het VK als voorbeeld te nemen voor Nederland? Het is toch onwaarschijnlijk, zo niet ondenkbaar dat Nederland in geografische zin (verantwoordelijkheid voor gebied) en bevelstechnisch een zodanige rol vervult dat er sprake is van een Nederland joint optreden? (blz. 51)


88.

Beseft de regering dat als over `joint optreden' gesproken wordt dat Nederland slechts toeleverancier is van modules en bij vredesoperaties niet de operationele leiding heeft, maar deze overdraagt aan de betreffende organisatie (Navo, VN enz)? (blz. 51)


89.

Welke concrete gevolgen verbinden de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk aan de noodzaak de krijgsmachtdelen voor te bereiden op gezamenlijk optreden? (blz. 51)


90.

Er van uitgaande dat inzet tegelijkertijd van KL en Klu luchtverdedigingseenheden in hetzelfde gebied onder Nederlands commando vooral een theoretische optie is, is het dan geen geldverspilling om alle eenheden te gaan concentreren in de Peel? (blz. 52)


91.

Wanneer zal het «Joint air defence centre» worden opgericht? (blz. 52)


92.

De verschuiving in het concept van gewondenvervoer van `via de grond' naar `via de lucht' wordt mogelijk gemaakt door de aanschaf van nieuwe lichte helikopters. Betekent dit dat de te vervangen vervoerscapaciteit over de grond ingekrompen kan worden? Zeker gezien het deels mobilisabel zijn van dat bestand? (blz. 52)


93.

Kan een overzicht worden gegeven van de overeenkomsten met verschillende landen over het gebruik van transportvliegtuigen? (blz.
53)


94.

Met een tweede ATS wordt vooral de transportcapaciteit over zee vergroot. Hoe verhoudt zich dat tot de mogelijkheden transportcapaciteit in te huren op de civiele markt? Welke meerwaarde buiten zijn transportfunctie heeft een tweede ATS, gezien het feit dat het eerste ATS al voorziet in landingsfaciliteiten, medische faciliteiten, e.d.? (blz. 53)


95.

De staf van het Duits-Nederlandse legerkorps is ook beschikbaar voor crisisbeheersingstaken. Dergelijke mobiele en flexibele staven zijn schaars. Betekent dit dat de regering verwacht dat de internationale gemeenschap (VN of Navo) de leiding van een multinationale operatie overlaat aan een staf uit twee landen? Hoe realistisch is dat? (blz.
54)


96.

Op welke termijn en in welke mate is een verkleining van de verbindingseenheden te verwachten? (blz. 55)


97.

Wat bedraagt het financiële voordeel als zou worden overgegaan tot opheffing van alle reserve-eenheden? (blz. 56)


98.

Heeft de omstandigheid dat mobilisabele eenheden in toenemende mate bestaan uit voormalige BBT-ers gevolgen voor de paraatheid en effectiviteit van deze eenheden? (blz. 56)


99.

Waarom wordt het reservebestand verkleind, terwijl het verhoudingsgewijs kosteneffectief militair vermogen vertegenwoordigt? (blz. 56)


100.

In hoeverre worden de beschikbare mobilisabele eenheden en de reservisten daadwerkelijk ingezet? Waarbij worden ze ingezet? (blz.
56)


101.

In hoeverre is het de bedoeling dat reservepersoneel beschikbaar moet zijn voor vredesoperaties? Welke afspraken worden daarover met het bedrijfsleven gemaakt? (blz. 56)


102.

Uit welke indicaties blijkt dat bij het bedrijfsleven een toenemende belangstelling voor afspraken over de voorwaarden waaronder reservepersoneel tijdelijk actief kan dienen zonder de civiele loopbaan te schaden? (blz. 56)


103.

Kan een overzicht gegeven worden welke TMD-systemen er op dit moment in diverse landen ontwikkeld worden? Welke zijn geschikt voor op land en welke voor op zee? Wat is het bereik van de vernieuwde Patriotsystemen, de voorgenomen maritieme TMD-capaciteit en die van andere systemen in ontwikkeling? (blz. 58)


104.

Is een TMD-capaciteit met een bepaald bereik niet beperkt inzetbaar ter verdediging van troepen? Zou een aanval met een ballistische raket op eenheden in bijvoorbeeld Pristina bestreden kunnen worden met TMD-capaciteit op een fregat ergens in internationale wateren? (blz.
58)


105.

Is invoering van TMD-systemen alleen denkbaar in Navo-verband of acht de regering het mogelijk dat Nederland in samenwerking met alleen Duitsland en de Verenigde staten overgaat tot aanschaf van dergelijke systemen? (blz. 58)


106.

Welke bondgenoten, behalve de VS en Duitsland, investeren in TMD-systemen? (blz. 58)


107.

Wanneer is de invoering van een verbeterd passief verdedigingsconcept gepland? (blz. 58)


108.

Wat is de oorzaak van het sterk teruggelopen inzicht in en het besef van de biologische en chemische dreiging bij de operationele commandanten (blz. 59)


109.

Welke aanvullende maatregelen zijn er op biologisch gebied nodig? In hoeverre is er sprake van een afdoende bescherming van de burgerbevolking bij een aanval met biologische wapens? (blz. 59)


110.

In hoeverre is Defensie voor haar ICT afhankelijk van civiele capaciteiten (e-mail, mobiele telefonie, e.d.)? Is dat een probleem? Zo ja, hoe wordt daarin voorzien? (blz. 59)


111.

Aan welke grenzen is het uitoefenen van civiele taken door de krijgsmacht gebonden? (blz. 60)


112.

Bij het Nationaal commando wordt een volledige bestuurslaag geschrapt. Wat zijn hiervan de nadelige consequenties in brede zin? (blz. 64)


113.

Bestaan binnen de krijgsmacht criteria voor het bepalen van de verhouding tussen staven en operationele eenheden? (blz. 64)


114.

Gesteld wordt dat het takenpakket de beste wijze is om de omvang van de staven te bepalen. Gekeken is of er een vergelijking getrokken kan worden met die in andere landen. Dit blijkt teveel uiteen te lopen. Kan aangegeven worden in hoeverre er toch met de internationalisering van het defensieapparaat rekening gehouden is dan wel wordt? Zo niet, op welke wijze wordt nagegaan in de toekomst of de omvang van staven, bij veranderende omstandigheden, om aanpassing vraagt? (blz. 65)


115.

Is overwogen de centrale planningsfunctie los te koppelen van de Chef defensiestaf en onder te brengen bij een aparte planningsfunctionaris? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat zijn de overwegingen geweest om hiertoe niet over te gaan? (blz. 67)


116.

Op welke manier is de rol van de Chef defensiestaf bij de aansturing van crisisbeheersings-, vredes- en humanitaire operaties versterkt? Hoe is daarbij de verhouding met de bevelhebbers geregeld? (blz. 67)


117.

Kan meer inzicht worden gegeven in de afweging om uiteindelijk niet over te gaan tot samenvoeging van delen van de materieeldirecties van de krijgsmachtdelen? (blz. 69)


118.

Alles afwegende, wegen de voordelen van centralisatie op tegen de nadelen, bij de aansturing van grote materieelprojecten. Welke criteria zijn hierbij van belang geweest en op welke wijze is men tot deze conclusie gekomen? (blz. 70)


119.

Waardoor is de wenselijkheid van een rechtstreekse informatielijn tussen projectleiders van grote materieelprojecten en de directeur-generaal Materieel ingegeven? Waren er problemen rond niet in de hand te houden budgetten? Zijn voortdurende vertragingen hier de aanleiding voor? (blz. 70)


120.

Hoe lang duurt het doorlopen van een volledig CDV-traject? Wanneer zullen de eerste trajecten worden afgerond? Kan een tijdschema worden gegeven van wanneer welke ondersteunende diensten aan een analyse worden onderworpen? (blz. 70)


121.

Waarom wordt bij het onderzoek naar de competitieve dienstverlening niet de Hydrografische Dienst betrokken? Het feit dat dit een wettelijk taak is verhinderd toch niet dan wordt gekeken naar uitbesteding of privatisering? Is de regering alsnog bereid deze dienst in het onderzoek te betrekken? (blz. 70)


122.

Hoe is gekomen tot de geplande besparingen door de CDV-benadering van f 40 miljoen in 2001, f 65 miljoen in 2002 en f 100 miljoen per jaar vanaf 2003? (blz. 71)


123.

Waar wordt in de Defensienota aandacht besteed aan de rol van de Inspecteur Generaal (IGK)? (blz. 72)


124.

Hoort bij een moderne organisatie ook niet een meer onafhankelijke rol van de Inspecteur Generaal(IGK)? (blz. 72)


125.

Hoeveel van de 5200 overtollige personen zullen worden ontslagen? Gaat het gaat nog steeds om 500 personen? (blz. 72)


126.

Waarom is het, gegeven de keuze om de beleidsdoelstellingen binnen tien jaar te verwezenlijken, noodzakelijk om tegenstrijdige maatregelen te nemen? Heeft dat juist geen remmende werking? (blz. 73)


127.

In hoeverre maakt Defensie gebruik van de mogelijkheden BBT-ers te scholen om na het beëindigen van de militaire loopbaan als burgermedewerker (technisch, secretarieel, ICT, e.d.) verbonden te blijven aan de krijgsmacht? (blz. 74)


128.

Voor welk deel van de aspirant-officieren aan de KMA en het KIM zal zijn/haar loopbaan bij de krijgsmacht niet met een aanstelling voor bepaalde tijd beginnen? (blz.76)


129.

Geldt de voorgestelde verhouding tussen BOT-ers en BTT-ers voor alle onderdelen van de krijgsmacht? Zo ja, is dit gezien de benodigde ervaring en deskundigheid op sommige onderdelen wenselijk? (blz. 77)


130.

Hoe ziet de regering het personeelsbestand BBT-ers na 10 jaar, als er geen gunstig verloop van de werving is en de gemiddelde contractduur lager dan zeven jaar ligt? (blz. 78)


131.

Bij het tijdschema van tien jaar, om te komen tot de verhouding 60% BBTérs, moet wel rekening gehouden worden met
«frictie-overtolligheid». Welke maatregelen worden hiertoe ondernomen?. (blz. 78)


132.

De gewenste verjonging van het personeelsbeleid zal leiden tot overtolligheid. De komende tien jaar gemiddeld vijfhonderd functies. De inzet is gedwongen ontslagen te voorkomen. Kan aangegeven worden wat in brede zin de consequenties zijn als de inzet niet gehaald wordt? (blz. 78)


133.

Hoe lang denkt de regering dat de overgangsperiode met de tegenstelling tussen verjonging en verhoging van de ontslagleeftijd in beslag zal nemen? (blz. 78)


134.

Waarvoor is voor een ontslagleeftijd gekozen van 58 jaar en niet bijv. voor 56 of 57 jaar? (blz. 78)


135.

Heeft er enig onderzoek plaatsgevonden wat de verhoging van de ontslagleeftijd van 55 jaar naar 58 jaar voor gevolgen heeft voor de inzetbaarheid van de krijgsmacht? (blz. 78)


136.

Op basis waarvan is geconcludeerd dat militairen op 57 jarige leeftijd nog fysiek geschikt zouden zijn om deel te nemen aan vredesoperaties en vredesafdwingende operaties? (blz. 78)


137.

Wat is het uitkeringspercentage wanneer men ontslag neemt op 55 jaar, resp. 56 respectievelijk 57 jaar? (blz. 78)


138.

Waarom worden de uitkeringspercentages zo ingrijpend gewijzigd? Militairen kunnen zich tegen deze ingrijpende `salarisverlaging' toch niet meer verzekeren? Hoe verhoudt deze maatregel zich tot een betrouwbare overheid? (blz. 78)


139.

Kan een overzicht worden gegeven per krijgsmachtdeel en per categorie van de huidige ontslagleeftijd en daarbij het huidige uitkeringspercentage in de periode tot 65 jaar? (blz. 78)


140.

Zitten in het nieuwe stelsel van diensteinderegelingen toch weer nieuwe starheden? Zoals het vast uitkeringsniveau van 70%? Is flexibilisering hierbij niet gewenst? Wie langer doorwerkt krijgt meer, wie eerder stopt minder? Betekent dat ook niet dat de militair een grotere eigen keuze moet hebben om te kunnen stoppen of doorwerken? Wat betekent dat voor de huidige praktijk dat de bevelhebber beslist of je nog nodig bent of niet? Wat betekent dat voor de huidige starre eis van `uitzendbaarheid'? (blz. 79)


141.

Wat is de verhouding tussen het verhogen van de gemiddelde ontslagleeftijd en het streven naar verjonging van de krijgsmacht? (blz. 79)


142.

Waarom wordt het uitkeringsniveau van de ontslagleeftijd tot het zestigste levensjaar verlaagd tot 70 procent? (blz. 79)


143.

Waarom zou bij de verhoging van het leeftijdsontslag een uitzondering moeten worden gemaakt voor de marine? Is de deelname aan vredesoperaties in Bosnië, Kosovo enz. fysiek en geestelijk minder zwaar dan het verblijf gedurende 4 maanden op een fregat? (blz. 79)


144.

Op welke wijze zal aandacht worden besteed aan de bijzondere positie van het marinepersoneel inzake het diensteindestelsel? (blz. 79)


145.

Op welke wijze wordt aan het marinepersoneel afzonderlijk aandacht besteed? (blz. 79)


146.


60% van de militairen hebben, zoals geschetst, in de eindsituatie een tijdelijke baan. Kan de regering aangeven op welke wijze mensen zich nog «verbonden»voelen met hun werkplek cq. werkgever? (blz. 79)


147.

Zal een aaneengesloten periode van arbeidsmarktgerichte opleiding in de laatste fase van de aanstelling een reële mogelijkheid worden voor BBT-ers die tijdens hun aanstelling vanwege uitzendingen en oefeningen weinig tijd hebben gehad voor opleidingen? (blz. 81)


148.

Bij de samenwerking inzake externe werkzekerheid wordt vooral het bedrijfsleven genoemd. Zijn er ook plannen om met publieke sectoren, waar grote behoefte is aan personeel, eveneens intensief te gaan samenwerken? Te denken valt aan de politie, het onderwijs en de zorgsector. (blz. 81)


149.

Voor welk bedrag zal Defensie voor haar werkzekerheidsbeleid een beroep doen op het Europees structuurfonds? Wanneer zal zekerheid bestaan over het toegekende bedrag? (blz. 82)


150.

Overweegt de regering het vooropleidingsniveau voor BBT-ers los te laten ofwel te verlagen? (blz. 83)


151.

Betekent het «kritisch bezien» van het belang van een vooropleiding op het niveau van MAVO en MBO, dat overwogen wordt een aanzienlijk deel van te werven jongeren te accepteren met een lagere opleiding of met onvoldoende startkwalificaties? Om welke opleidingsniveaus gaat het dan en om hoeveel functies? (blz. 83)


152.

Wat is de oorzaak van het feit dat uit recent onderzoek blijkt dat de belangstelling onder jongeren uit etnische minderheidsgroeperingen voor een baan bij de krijgsmacht groter is dan onder autochtone jongeren, terwijl de praktijk het tegenovergestelde beeld vertoont? Wat gaat de regering concreet hieraan doen, ook vanuit het oogpunt het aantal BBT-ers te verroten in de toekomst? (blz. 83)


153.

Wat wordt verstaan onder «ontoereikende voorlichting»? Hoe denkt de regering in de toekomst dit te verkomen? (blz.83)


154.

Welke maatregelen zullen worden genomen om het opkomst- en opleidingsverloop terug te dringen? (blz. 84)


155.

Wanneer kan de Kamer de notitie met betrekking tot verbetering van de personeelsvoorziening tegemoet zien? (blz. 84)


156.

Hoe verhoudt zich het uitbesteden van de werving van bepaald personeel bij zowel de Koninklijke landmacht als bij de Koninklijke marine zich tot de Dico werving en selectieorganisatie? Denkt de regering in de toekomst de gehele werving via het Dico te kunnen laten verlopen? (blz. 84)


157.

Hoe staat het op dit moment met de feitelijke acceptatie van deeltijdwerk; ook deeltijdwerk verricht door officieren? (blz. 85)


158.

Leidt de toegenomen keuzeruimte van militairen tussen vrije tijd en geld niet tot veel onzekerheid ten aanzien van hun beschikbaarheid? (blz. 85)


159.

Hoe denkt de regering te kunnen realiseren dat militairen in de praktijk mogelijk wordt gemaakt hun wensen ten uitvoer te brengen zonder dat carrière mogelijkheden geschonden worden? (blz. 85)


160.

Hoe wordt voorkomen dat arbeidsvoorwaarden «à la carte» ten koste gaan van de cohesie binnen de groep? (blz. 85)


161.

Hoelang denkt de regering nodig te hebben om het stelsel van bijzondere tegemoetkomingen voor militairen onder gevaarlijke omstandigheden aan te passen zodat gepaste tegemoetkomingen kunnen worden uitgekeerd? (blz. 86)


162.

Wanneer kan de Kamer de notitie m.b.t. aanpassing van de tegemoetkoming buitengewone en gevaarlijke omstandigheden tegemoet zien? (blz. 86)


163.

Welke aanpassingen vinden in het stelsel van gevarentoelagen plaats? (blz. 86)


164.

In de Defensienota staat: «dat aanvraag voor deeltijdverlof voor Vrouwelijke BOT-militairen zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen drie jaar zal worden gehonoreerd». Is het niet mogelijk om de aanvragen sneller in te willigen, vooral voor deze groep zodat verloop tegen kan worden gegaan? (blz. 87)


165.

Wanneer zal het proefproject van inpandige kinderopvang op vliegbasis Twente van start gaan? Hoe lang gaat het proefproject duren? (blz. 87)


166.

Wat is de reden dat complete reserve-eenheden op het gebied van logistiek, bevoorrading, medische ondersteuning, genie, niet worden aangemerkt als voortzettingscapaciteit t.b.v. vredesoperaties? (blz.
89)


167.

Hoe verhoudt zich de zinsnede dat defensie de komende jaren zal investeren in de zorg van het personeel (blz. 89) met de financiële herschikkingtabel op bladzijde190 (kosten versus opbrengst nieuw personeelsbeleid) (blz. 89)


168.

Wat zijn de bevoegdheden van een case manager (blz. 90)


169.

Wordt bij de mogelijkheid militair-geneeskundige eenheden structureel te belasten met de geneeskundige zorg voor vluchtelingen geduid op vluchtelingen in Nederland of elders? (blz. 90)


170.

Welke instrumenten zal Defensie gebruiken om de inzetbaarheid van het medisch reservepersoneel op peil te houden? (blz. 90)


171.

Hoe verhoudt zich de zinsnede dat de Hoogste medische autoriteit de adviseur wordt van CDS en SG met het huidige takenpakket van de SG? (blz. 91)


172.

Hoe hoog is het ziekteverzuim bij Defensie? (blz. 92)


173.

Wanneer zal een defensiebreed raamwerk voor
arbeidsomstandighedenbeleid tot stand zijn gebracht? (blz. 92)


174.

Wanneer en in welke plaatsen in Nederland gaan de vervolgprojecten «de uitdaging» van start? (blz. 93)


175.

Rechts-extremistische en racistische uitingen geven niet alleen een negatieve indruk , maar belemmeren ook de integratie van allochtonen in de krijgsmacht. Hoe staat het met dergelijke uitingen? Zijn er, naast de naar buiten gekomen incidenten op Cyprus, het laatste jaar elders uitingen van rechts-extremisme of racisme waargenomen binnen de krijgsmacht, hier of bij uitgezonden eenheden? Zo ja, wat is daarmee gedaan? (blz. 93)


176.

Wat houdt de belangrijke rol van geestelijke verzorgers met betrekking tot het regelmatig bespreken van de gedragscode in? (blz. 93)


177.

Welke consequenties voor het beleid trekt de regering uit de door de Kamer aangenomen motie over kindsoldaten? (blz. 94)


178.

Is het mogelijk om een overzicht te geven van die 1000 functies die nog door de Prioriteitennota gereduceerd moeten worden waarin aangegeven wordt om hoeveel personen het per krijgsmachtonderdeel gaat en welke functies het behelst? (blz. 94)


179.

Verwacht de regering de reductie van 700 functies bij de Koninklijke landmacht en de Koninklijke marine als gevolg van herstructureringen en reorganisatie ook in 2002 volledig te kunnen verwezenlijken? (blz.
94)


180.

De verhoging van de FLO-leeftijd leidt tot een frictieovertolligheid van 3500 personen. Betekent dit dat personeel ouder dan 50 jaar a.g.v. de verhoging FLO-leeftijd straks met ontslag wordt bedreigd? Hoe groot acht de regering de kans dat dit personeel op de arbeidsmarkt aan de slag komt? (blz. 95)


181.

Indien geen personeel van 50 jaar of ouder wordt ontslagen als gevolg van frictieovertolligheid betekent dit dan dat jong personeel wordt ontslagen om ouder personeel in dienst te houden? (blz. 95)


182.

Kan een overzicht (kosten-batenanalyse) worden gegeven van de kosten van het SBK voor 3500 overtolligen en het handhaven van de huidige FLO-leeftijd (met nadienen op vrijwillige basis) tot het moment dat het functiebestand en personeelsbestand met elkaar in overeenstemming is (2010)? (blz. 95)


183.

Wat zijn de kosten (infrastructuur, studie enz.) die gepaard gaan met de wijziging van BOT functies in BBT functies bij marine en luchtmacht? Dient er voor elke BBT-er in de toekomst zoals nu het geval is ook huisvesting bij het onderdeel aanwezig te zijn? (blz. 95)


184.

Op welke wijze is in de plannen rekening gehouden met het feit dat de toekomstige BBT'er marktconform zal moeten worden betaald? Is rekening gehouden met een substantiële salarisverhoging? Zo ja, waar blijkt dat uit? (blz. 95)


185.

Wat zijn de gevolgen voor de opleidingssector van een toename van
10.000 BBT-ers in 2010? (blz. 95)


186.

Kan een overzicht (kosten-batenanalyse) worden gegeven van de beslissing om 10.000 BOT functies om te zetten in BBT functies? Kan in dit overzicht ingegaan worden op de kosten van huisvesting, opleidingsssector, employability, pensioen etc.? (blz. 95)


187.

Waarom zijn in de herstructureringsplannen geen voorstellen gedaan m.b.t. het samenvoegen van de verwervingsafdelingen van de drie krijgsmachtdelen? Wat is de harde noodzaak dat deze sectoren per krijgsmachtdeel moeten blijven bestaan? (blz. 97)


188.

Hoe kan een betrouwbare beoordeling van levensduurkosten worden gemaakt als het de aanschaf van (relatief) nieuw materieel betreft? (blz. 98)


189.

Op welke manier denkt de regering oneigenlijk gebruik van artikel 296 van het EU-Verdrag terug te dringen? Verwacht de regering dat een «Witboek» voor de Europese defensie-industrie zou kunnen leiden tot een betere samenwerking en eerlijkere concurrentie? (blz. 103)


190.

Op welke manier poogt de overheid (niet alleen Defensie) de marinebouw voor Nederland te behouden? (blz. 103)


191.

Wat zijn de geschatte meerkosten die samenhangen met het preferentiebeleid bij met name de marinebouw ten opzichte van aanbesteding onder concurrentie? (blz. 103)


192.

Hoe is het bedrag van f 50 miljoen dat op jaarbasis bespaard zou kunnen worden bij afschaffing van de boeteclausule bepaald? (blz. 104)


193.

Indien de boeteclausule in compensatieovereenkomsten wordt geschrapt, hoe wordt dan het nakomen van dit soort overeenkomsten afgedwongen? (blz. 104)


194.

Hoeveel extra geld is er mogelijk nog nodig voor de positionering van de Nederlandse industrie bij de verwerving van opdrachten in het kader van het JSF-project? Hoeveel daarvan komt voor rekening van de overheid? Wat zijn mogelijk andere bronnen (blz. 104)


195.

Welke concrete voorstellen bestaan voor het gezamenlijk van de plank kopen van systemen samen met andere landen? (blz. 106)


196.

Op welke manieren wil Defensie het innovatief aanbesteden stimuleren en welke proefprojecten zijn daarbij gepland? (blz. 107)


197.

Wat wordt bedoeld met aanvaardbare bestemmingen voor overtollige defensiegoederen? (blz. 108)


198.

Kan een nadere specificatie worden gegeven van de geplande verkoopopbrengst van f 640 miljoen van af te stoten materieel? (blz.
108)


199.

Waarop is de geraamde verkoopopbrengst van 640 miljoen gulden gebaseerd? (blz. 108)


200.

Is er bij het afstoten van technisch en operationeel niet verouderd materieel geen sprake van kapitaalvernietiging? (blz. 108)


201.

Bij de verkoop van defensiemateriaal moet nadrukkelijker worden ingespeeld op de marktwensen. Hierbij valt te denken aan bijvoorbeeld onderhoud, opleiding en soepele betalingsregelingen. In hoeverre is hier in financiële zin rekening mee gehouden? (blz. 108)


202.

Wat zijn de extra kosten als gevolg van het besluit om geen nieuw materieel te verwerven waarin schadelijke stoffen zijn verwerkt? Op welke wijze zijn deze kosten in de plannen verwerkt? (blz. 109)


203.

Bestaan al concrete vormen van internationale samenwerking bij onderzoek en ontwikkeling die een verlaging van het budget rechtvaardigen? (blz. 110)


204.

Is bij technologie- en ontwikkelingsprojecten goed in te schatten of werkelijk uitzicht bestaat op operationele toepassing? Kan strikte toepassing van dit criterium niet als gevolg hebben dat nog weinig echt innovatief onderzoek zal worden gefinancierd? (blz. 110)


205.

Als wordt gesteld dat defensie pas een financiële bijdrage levert bij onderzoek en ontwikkeling indien er werkelijk uitzicht bestaat op een operationele toepassing, hoe verhoudt deze stellingname zich ten aanzien van de betalingen door defensie gedaan t.b.v. ontwikkeling van de Moray klasse? Is deze bijdrage inmiddels gestopt? (blz. 110)


206.

Hoe is de Navo «Striking fleet Atlantic» precies samengesteld? Kan de samenstelling van de «European multinational maritime force» nader worden gespecificeerd in schepen? Wat is het Nederlandse aandeel daaraan globaal in procenten en wat die van andere landen? Is deze EMMF de Europese zeemacht die de minister noemde op de bijeenkomst van Navo-ministers van Defensie op 2 en 3 december 1999? (blz. 112)


207.

In hoeverre is het denkbaar dat Nederlandse onderzeeboten worden ingezet bij conflicten in het Midden-Oosten en Noord-Afrika? (blz.
113)


208.

In hoeverre bezit de Koninklijke Marine voldoende capaciteit op het gebied van de onderzeebootbestrijding? (blz. 113)


209.

Welke taken heeft een onderzeeboot bij vredebewarende operaties? (blz.
113)


210.

Hoe vaak is een maritieme taakgroep van de Koninklijke marine actief? (blz. 113)


211.

Welk gedeelte van de middelen van de Koninklijke marine is aangeboden aan de Unsas? (blz. 113)


212.

Wat zijn de kosten verbonden aan vlagvertoon ter ondersteuning van economische missies? Dit uitgedrukt in vaardagen en additionele kosten. Kan een voorbeeld gegeven worden van een recente ondersteuning van een missie met vlagvertoon? Hoeveel vaardagen waren daarmee gemoeid en welke kosten ten opzichte van de situatie dat was afgezien van vlagvertoon? (blz. 115)


213.

Hoeveel fregatten en hoeveel vaardagen van fregatten zijn gemoeid met kustwachttaken en justitiële taken die ook door kleinere schepen hadden kunnen worden verricht? (blz. 117)


214.

Het aantal vaardagen per fregat per jaar bedraagt 110 (antwoord op vraag 47 bij Defensiebegroting 2000) Kan een verhoging van het aantal vaardagen per fregat per jaar leiden tot een behoefte aan minder fregatten dan veertien? (blz.117)


215.

Voor de acht M-fregatten is een moderniseringsprogramma van kracht. Dit wordt om financiële redenen opgeschort naar 2012. Dit is een aanzienlijke periode van uitstel. Kan de regering aangeven welke consequenties dit heeft voor zowel materieel als personeel? (blz. 117)


216.

Heeft het uitstellen van het moderniseringsprogramma van de M-fregatten gevolgen voor de operationele inzetbaarheid van deze schepen vanaf 2006 (moment dat modernisering oorspronkelijk zou beginnen)? (blz. 117)


217.

Is binnen afzienbare tijd niet te verwachten dat de Navo afziet van het in stand houden van standing naval forces en die vervangt door veel flexibeler maritieme concepten? (blz. 118)


218.

Leidt het langdurig deelnemen aan een crisisbeheersings- of vredesoperatie er daadwerkelijk toe dat toegewezen schepen aan internationale verbanden moeten worden onttrokken? Zo ja, waarom wordt dan voorgenomen om twee fregatten uit de vaart te halen? (blz. 118)


219.

In hoeverre staat de Duitse regering positief ten aanzien van de mogelijkheid om de LCF's met een maritiem TMD uit te rusten? (blz.
118)


220.

Wat is de meerwaarde om zowel de Patriot te moderniseren als de mogelijkheid open te laten om LCF's met een theater missile defense uit te rusten? Waarom wordt niet gekozen voor of een PAC-3 systeem of voor een maritiem TMD, terwijl beide systemen het voordeel hebben zij mobiel zijn en voor de algemene verdediging kunnen worden ingezet? (blz. 118)


221.

Zal het tweede amfibisch transportschip dezelfde omvang krijgen als het huidige ATS? (blz. 119)


222.

In hoeverre is de behoefte onderbouwing van een tweede ATS kunstmatig? Het transport van militair materieel kan toch met een civiel schip plaatsvinden zoals tot nu toe gebruikelijk is geweest? Voor het afmeren aan een kade heeft men toch geen ATS nodig? Er van uitgaande dat inzet van grondtroepen primair toch in Europa zal plaatsvinden ligt vervoer per spoor toch meer voor de hand? Is een afweging gemaakt van het inhuren van deze capaciteit en het aanschaffen en in bedrijf houden van een tweede ATS? (blz. 119)


223.

Hoeveel extra personeel is benodigd om een tweede ATS operationeel te houden? Waarom is deze extra personele behoefte niet in de defensienota vermeld? Wat zijn de totale exploitatie kosten per jaar van een ATS? (blz. 119)


224.

Waarom wordt als onderbouwing voor een 2e ATS het argument gebruikt dat dan door de NL/UK Amphibious Force totaal een brigade kan worden vervoerd? Uitgangspunt is toch altijd geweest dat Nederland een `fair share' leverde in deze Amphibious Force en niet de broek voor het Verenigd Koninkrijk moet ophouden? Met het huidige ATS wordt de Nederlandse bijdrage toch ruimschoots ingevuld? (blz. 119)


225.

Is het uitrusten van een 2e ATS als joint hoofdkwartier niet wat overdreven? Het is toch zeer onwaarschijnlijk dat Nederlandse land, lucht en zeestrijdkrachten gezamenlijk in één operatie worden ingezet onder Nederlands commando? (blz. 119)


226.

Is de flexibiliteit en inzetbaarheid van de marine niet meer gediend met het direct uitrusten van het 2e ATS met faciliteiten voor een maritiem CJTF-hoofdkwartier en om dat mogelijk te maken het beëindigen van deelname aan «standing naval forces» en de afstoting van nog eens een of twee fregatten? (blz. 119)


227.

Wat zijn de ervaringen met het amfibisch transportschip waarover de Koninklijke Marine momenteel beschikt? (blz. 119)


228.

Als onderdeel van de operationele eisen voor de NH-90 helicopter behoorde toch niet het ondersteunen van amfibische operaties zoals het aan land kunnen zetten van personeel van een ATS? Waarom wordt deze eis nu wel plotseling wel opgevoerd? Wordt dit gedaan om alsnog de kwantitatieve behoefte voor NH-90 te onderbouwen? (blz. 119)


229.

De transport helikopters die ingedeeld zijn bij de Klu zijn destijds toch aangemerkt als multifunctioneel en beschikbaar voor alle krijgsmachtdelen? Waarvoor kunnen deze helikopters niet dienst doen als transport helikopter voor de marine? (blz. 119)


230.

Zou de Koninklijke luchtmacht alle vliegende taken voor de Koninklijke marine kunnen verrichten, net als voor de Koninklijke landmacht? Welke efficiencywinst zou hiermee bereikt worden? (blz. 120)


231.

Waarom wordt het aantal maritieme patrouillevliegtuigen verminderd, terwijl de Navo er blijvend grote behoefte aan heeft? (blz. 120)


232.

Ervan uitgaande dat drie Orions continue in de West aanwezig zijn, is in die situatie het openhouden van een volledige vliegbasis voor 7 Orions wel kosteneffectief? (blz. 120)


233.

Waarom wordt het aantal Orions in het Caribische gebied uitgebreid van twee naar drie? Is het niet logischer dat, in het kader van de internationale samenwerking in dat gebied, andere landen een extra inspanning leveren? (blz. 120)


234.

Welke opties zijn bezien in geval Valkenburg op termijn ontruimd zou moeten worden? (blz. 120)


235.

Voor hoeveel geld is de laatste 5 jaar in het vliegveld Valkenburg geïnvesteerd? (blz. 120)


236.

Wat zijn de noodzakelijke investeringen als elders een dergelijke vliegbasis zou moeten worden gebouwd? (blz. 120)


237.

Waarom wordt nog steeds een Orion in IJsland gestationeerd? Er bestaat toch geen enkele onderzeebootdreiging meer in dat gebied? Kan deze stationering worden beëindigd? (blz. 120)


238.

Wat voor taak heeft die ene Orion die gestationeerd is op Keflafik? Is deze taak nog zinvol? Zijn er belastingtechnische redenen die de stationering van een Orion op Keflavik verklaren? (blz. 120)


239.

Welke Navo-landen(en hoeveel per land) beschikken over conventionele onderzeeboten? (blz. 121)


240.

Is de belangrijkste reden om de onderzeedienst in stand te houden dat op deze wijze beter kan worden geoefend? (onderzeeboten onmisbaar oefenobject) (blz. 121)


241.

Wordt binnen de marine ook overwogen om meer met simulatoren te oefenen zodat de daadwerkelijke inzet van schepen kan worden teruggebracht? (blz. 121)


242.

Het feit dat in de nota staat vermeld dat de onderzeeboten in 2009 worden gemoderniseerd betekent dit dat de operationele studie hieromtrent al is afgerond? (blz. 121)


243.

Kunnen kustwachttaken in het algemeen ook door mijnenvegers verricht worden in plaats van door fregatten? (blz. 122)


244.

Waarom wordt niet geprobeerd om met België tot een gezamenlijke en geïntegreerde mijnbestrijdingsdienst te komen? Kan bij samenvoeging van de beide vloten niet een groter voordeel worden behaald? (blz.
122)


245.

Waarom is besloten slechts drie mijnenjagers buiten dienst te stellen in plaats van bijvoorbeeld vijf? Kan een onderbouwing worden gegeven waarom minimaal 12 mijnenvegers operationeel moeten zijn? (blz. 122)


246.

Welke landen doen mee aan het PAM project? (blz. 122)


247.

Voor welke scheepvaarroutes t.b.v. mijnenopsporing is Nederland direct verantwoordelijk? Wanneer en met wie zijn die afspraken gemaakt? (blz.
122)


248.

Kan toegelicht worden hoe Troika-mijnenveegdrones werken? (blz. 122)


249.

Kan het aantal van 12 mijnenjagers worden onderbouwd? Waarom geen 14 of 10? (blz. 122)


250.

Waarom kunnen de hydrografische werkzaamheden niet vanaf mijnenjagers worden uitgevoerd? (blz. 122)


251.

Is het mogelijk, gezien het geringe gebruik van mijnenjagers in vredestijd, deze zodanig uit te rusten dat ook daarmee de hydrografische werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd? (blz. 122)


252.

Welke mogelijkheden bestaan om de hydrografische dient te privatiseren? (blz. 122)


253.

Wordt ter vervanging van de twee hydrografische schepen de DMP procedure gevolgd? Het betreft hier toch een projectomvang van 105 miljoen gulden? Wat is stand van zaken? (blz. 122)


254.

Als de drie kustwachtcutters in 2000 voor de Kustwacht operationeel zijn, kan dan gezien de beschikbare capaciteit, de bijdrage van het stationsschip worden beëindigd? Zo nee waarom niet? (blz. 122)


255.

Waarom wordt het squadron met 2 F27-M vliegtuigen in het Caribisch gebied opgeheven? (blz. 123)


256.

Welke infrastructurele aanpassingen zijn in Den Helder noodzakelijk voor het 3e mariniersbataljon? Welke kosten zijn daarmee gemoeid? Is er ook een kosten-baten analyse gemaakt als het gehele Korps vanuit Doorn naar den Helder zou verhuizen? Zo nee, kan een dergelijke kosten-batenanalyse worden gemaakt? (blz. 125)


257.

Waarom verzorgt de Koninklijke marine en niet bijv. het Dico de opleidingen voor persoonlijk computergebruik voor de gehele krijgsmacht? (blz. 126)


258.

De uitbreiding van de parate sterkte wordt onder meer mogelijk gemaakt door de voorziene invoering van de personeelssystematiek, reorganisaties en verkleining van het Nationaal commando. Kan dit nader toegelicht worden?. (blz. 128)


259.

Het streven is erop gericht de mogelijkheden voor inzet van reservepersoneel, juist ook ten behoeve van vredesoperaties, uit te breiden. Kan er worden aangegeven hoe men hier invulling aan zou willen geven? (blz. 128)


260.

Kan een overzicht gegeven worden van de eenheden bij de koninklijke landmacht die wel uitzendbaar zijn, maar waar de afgelopen vier jaar geen beroep op is gedaan? (blz. 129)


261.

Kan de omvang van de artillerie en van de luchtdoelverdediging beargumenteerd worden tegen de achtergrond van de afgenomen dreiging en de nieuwe taken op het gebied van vredesmissies? (blz. 129)


262.

Welke beperkte andere operaties kan de Koninklijke landmacht nog uitoefenen als tegelijkertijd een versterkte brigade wordt ingezet voor een vredesafdwingende operatie? (blz. 129)


263.

Reserve eenheden kunnen niet alleen in het kader van de collectieve verdediging worden ingezet maar ook als er sprake is van een ernstige schending van Nederlandse belangen. Aan welke situaties wordt dan gedacht? Op basis van welke wetgeving worden reservisten dan ingezet? (blz. 129)


264.

Welke personele en materiele middelen staan in geval zich een `ramp' voordoet in Nederland, onmiddellijk ter beschikking voor de rampenbestrijding? (blz. 129)


265.

Is er bij het Duits-Nederlandse legerkorps sprake van een taalbarrière? Zo ja, hoe wordt daarmee omgegaan? (blz. 131)


266.

Hoe is de getalsmatige verhouding tussen parate en reserve-eenheden in respectievelijk het Nederlandse en Duitse deel van het Duits-Nederlandse legerkorps? (blz. 131)


267.

Ingeval de legerkorpsstaf als zelfstandige module bij een vredesoperatie wordt ingezet, wie geeft dan de dagelijkse leiding aan het GE/NL legerkorps? (blz. 131)


268.

Welke rol zou de staf van het GE/NL legerkorps kunnen spelen bij de vormgeving van de Europese defensiecapaciteit? (blz. 131)


269.

De legerkorpsstaf kan in de toekomst een rol spelen bij het vormgeven aan de Europese defensie-inspanning. Gaarne nadere toelichting. (blz.
131)


270.

Op welke gebieden loopt staf van het GE/NL legerkorps voor op de staven van vergelijkbare bi- of multinationale staven? Geldt die voorsprong ook voor andere delen van het Duits-Nederlandse legerkorps? (blz. 131)


271.

Als eenheden van het corps commandotroepen ingezet worden voor geheime operaties, wordt daar op de een of andere manier achteraf verantwoording van afgelegd, ook op politiek niveau? (blz. 132)


272.

Uit hoeveel bataljons verbindingsdiensten bestaat de «Command support brigade» van het GE/NL legerkorps? Hoeveel van deze bataljons zijn paraat? (blz. 132)


273.

Hoe is de `command support brigade' precies samengesteld? Om hoeveel Nederlandse militairen gaat het daarbij? (blz. 132)


274.

Op welke manier zal de te vormen cimic-sectie bij de divisiestaf samenwerken met civiele instanties en NGO's? (blz. 133)


275.

Wat zijn de consequenties van uitbreiding van personeel en eenheden bij de KL voor de opleidingssector? (blz. 133)


276.

Als de GE/NL legerkorpsstaf en de staf van 1 Divisie 7 december kunnen worden ingezet voor vredesoperaties voor welke duur is dat en op welke wijze beschikt zij over aflossings c.q. voortzettingscapaciteit? (blz.
134)


277.

Neemt door het opheffen van drie mobilisabele tankbataljons de mogelijkheid om bij grote conflicten te opereren af? Zo ja, hoe wordt dit verlies aan gevechtskracht verantwoord? (blz. 138)


278.

Het kanonsysteem zal tussentijds verbeterd dienen te worden, waarbij de Kamer geïnformeerd zal worden. Kan de minister aangeven aan welke termijn? (blz. 138)


279.

Hoe groot is de divisiestaf en waaruit bestaan de divisietroepen precies? Wat is de omvang van de divisietroepen? (blz. 139)


280.

Het gebrek aan inlichtingencapaciteit ligt toch primair op het gebied van strategische inlichtingen en niet op het gebied van tactische inlichtingen? Ervan uitgaande dat Nederland de komende jaren zijn troepen voornamelijk in Bosnië heeft geconcentreerd welke bijdrage in deze operatie is dan voorzien voor een RPV eenheid? (blz. 139)


281.

Wordt de bouw van extra legerings- en opslagcapaciteit in Wezep voor de te vormen constructiecompagnie als het meest doelmatig beschouwd? (blz. 140)


282.

Waarom bestaat er geen `paarse' opleidingsschool NBC? (blz. 141)


283.

Welke doelmatigheid (in financiële termen) wordt bereikt door het onderhoud in zijn geheel te laten uitvoeren bij het legerkorps? (blz.
142)


284.

De uitbreiding van de parate capaciteit van de Koninklijke Landmacht betreft ongeveer 1500 functies die worden gecompenseerd door reducties elders. Op welke onderdelen en in welke kwantiteit vindt de reductie plaats? (blz. 143)


285.

Hebben de problemen met de inzet van Apaches in Kosovo en ervaringen met de moeilijk in te zetten luchtmobiele eenheden van het UK rond Sarajevo in 1995 nog gevolgen gehad voor het denken over luchtmobiele concepten? Zijn luchtmobiele eenheden eigenlijk wel goed inzetbaar in dit soort conflicten, anders dan infanteristen onder pantser? (blz.
143)


286.

Zal het verdwijnen van 800 functies door de reorganisatie van het Natco gepaard gaan met gedwongen ontslagen? (blz. 145)


287.

Waarop is de uitbreiding van 51 naar 60 stukken PRTL gebaseerd? Kan dit nader worden onderbouwd? (blz. 149)


288.

Waarom wordt aan de verwerving van Shorad middelen geen lage prioriteit gegeven gezien de voorziene inzet van deze middelen (collectieve verdediging)?. Aangezien het hier gaat om middelen t.b.v. het optreden in het divisieachtergebied van het GE/NL legerkorps, is ook overwogen deze taak te laten vervullen door Duitse eenheden? Zo nee, waarom niet? (blz. 149)


289.

Welke personele uitbreiding is gekoppeld aan de invoering Shorad? Waar is dit vermeld in de Defensienota? (blz. 149)


290.

Hoeveel F-16's bezit Nederland nog naast de genoemde 138? Het gaat dan om te verkopen of te strippen of anderszins nog aanwezige toestellen. (blz. 153)


291.

Is het indelen van 18 jachtvliegtuigen in een squadron een internationale standaard? Kunnen voorbeelden gegeven worden van bondgenoten die andere aantallen per squadron hanteren? (blz. 153)


292.

Welke gevolgen heeft de vermindering van het aantal F-16's voor het aantal vlieguren dat per vliegtuig per jaar wordt gemaakt? Is dat aantal haalbaar gezien de huidige logistieke organisatie (onderhoud e.d.)? (blz. 154)


293.

Wat zijn de financiële en materiele consequenties (de F-16 buiten beschouwing gelaten) van het opsplitsen van de
luchtverkenningcapaciteit van 306 squadron? Leidt dit niet tot een personele uitbreiding? (blz. 154)


294.

De verkenningscapaciteit van het 306 squadron is gespecialiseerd in fotoverkenning. Wat zijn de operationele consequenties van het verdelen van deze capaciteit over meerdere squadrons? (blz. 154)


295.

Bestaat er een (dreigend) tekort aan vliegers op jachtvliegtuigen? Zo ja, welke maatregelen worden genomen om dit tekort te verminderen (blz. 154)


296.

Wat zal het gevolg zijn als geen alternatieven voor de huidige vliegopleiding voor jachtvliegers in Tucson gevonden kan worden? (blz.
154)


297.

Waarom zou Nederland over UAV's moeten beschikken? Kan dergelijke capaciteit ook niet door andere landen worden ingezet. Wanneer zich nieuwe andere materieelbehoeften voordoen is dat niet het moment om aan taakspecialisatie te denken? (blz. 195). Betreft de opgesomde kosten van 200 miljoen gulden (investeringsoverzicht Klu) slechts de initiële investering? (blz. 155)


298.

Wordt in de toekomst een grotere rol voorzien van «Combat UAV's»? Welke gevolgen zal dit hebben voor de rol van jachtvliegtuigen? (blz.
155)


299.

Wanneer zal de studiefase betreffende de opvolging van de F 16's worden afgerond? Hoe verhoudt deze studiefase zich tot de eventuele deelname van Nederland aan de `engeneering and manufacturing development'-fase van het Amerikaanse «Joint Strike Fighter»-project? Is de verwachting dat Nederland aan dit project zal deelnemen? (blz.
155)


300.

Waarom blijft het noodzakelijk de uitgezonden luchtmachteenheden te beschermen met Nederlandse grondgebonden luchtverdediging? Nederland zal toch nooit als enige optreden in een operatie gebied. Waarom moet Nederland deze capaciteit dan specifiek voorhanden hebben? De afgelopen tien jaar heeft toch uitgewezen dat de noodzaak voor een dergelijke parate capaciteit ontbreekt, met uitzondering van een component voor het opleiden en oefenen van reserve eenheden? (blz.
156)


301.

Verloopt de instroom van nieuwe AH-64D Apache gevechtshelikopters volgens schema? Is de geplande datum van 1 juli 2003 voor volledige inzetbaarheid van de THG nog steeds haalbaar? (blz. 156)


302.

Zijn, gezien de risico's voor de bemanning, Apache helikopters zonder het Longbow-systeem voldoende operationeel inzetbaar? (blz. 157)


303.

Wat zijn de kosten om één Apache helikopter uit te rusten met het Longbow-systeem? (blz. 157)


304.

Waarom zou nu al moeten worden beslist tot aanschaf van de Long bow radar? Dit radarsysteem behoorde in 1994 toch niet tot de operationele eisen? Is het niet verstandiger, mede gezien de beperkte inzet van Apache helicopters bij de huidige operaties, om met de aanschaf te wachten tot dat ervaringsgegevens bekend zijn bij USA en VK? (blz.
157)


305.

Kan toegelicht worden waarom 27 Bölkow- en 4 Alouette helikopters vervangen worden door 14 tot 16 lichte helikopters? Heeft die halvering te maken met de opbouw van de THG of met vermindering van taken? (blz. 157)


306.

Wordt uiteindelijk de gehele Groep geleide wapens van de Koninklijke landmacht geïntegreerd in het nieuw op te richten «Joint air defence centre»? Zo nee, waarom niet? (blz. 158)


307.

Hoever is het besluitvormingsproces over de modernisering van de Patriot-raketten gevorderd? Is Nederland al gebonden aan de aanschaf van de Pac-3 raketten? (blz. 158)


308.

Welk land heeft overtollige Patriots te koop? Waarom zouden dure, geavanceerde Patriots benodigd zijn om de taak van de Hawk over te nemen? (blz. 159)


309.

Is de beschikbare capaciteit aan luchttransport ook voldoende als gekeken wordt naar de Europese defensiecapaciteit (zie ook de WEU-Audit)? (blz. 159)


310.

In hoeverre staat de brandweeraccommodatie bij de school in Woensdrecht ook ter beschikking voor civiele opleidingen? (blz. 161)


311.

Wat is de stand van zaken bij de personele uitbreiding van de Koninklijke marechaussee? (blz. 166)


312.

Waarom wordt niet overwogen om de deelname van Kmar personeel aan vredesoperaties (internationale politietaak) voorlopig te stoppen om andere knelpunten op te lossen? (blz. 166)


313.

Er wordt tijdelijk minder personeel ingezet in de brigades die zijn belast met mobiel toezicht vreemdelingen, grensbewaking en de militaire politiedienst. Verwacht wordt dat deze achterstanden vanaf
2000 weer worden ingelopen. Kan de regering aangeven over hoeveel personeel het gaat en wanneer de achterstand in zijn geheel is ingelopen, gezien de toename van werkzaamheden?. (blz. 166)


314.

Op welke manier zal de niet-reguliere uitstroom bij de Koninklijke marechaussee worden tegengegaan? (blz. 167)


315.

In verband met vredesoperaties is het streven de Koninklijke Marechaussee uit te breiden met honderd militairen. De financiën hiervoor zouden beschikbaar moeten komen uit onder meer hogere doelmatigheidsopbrengsten, zou de regering dit kunnen toelichten? (blz. 169)


316.

Is de opleidingscapaciteit van de Koninklijke marechaussee voldoende om het geplande extra personeel op te leiden, zeker gezien de infrastructurele problemen? Zo nee, heeft dat gevolgen voor de personele uitbreiding (blz. 172)


317.

Welke diensten verleent het Dico momenteel aan afnemers buiten Defensie om onbenutte capaciteit in te zetten? (blz. 176)


318.

Moet Defensie Werving en Selectie geen onderdeel worden van een geïntegreerde benadering van werving, selectie, scholing, loopbaanbegeleiding en outplacement? (blz. 178)


319.

Hoeveel chirurgische teams die zijn verbonden aan Nederlandse ziekenhuizen zijn al geformeerd? (blz. 179)


320.

Kunnen voorbeelden worden gegeven in welke vorm Defensie bij het beheer van haar terreinen nauw samenwerkt met het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij? (blz. 180)


321.

Wanneer komt het oefenterrein De Haar gereed? Welke andere oefenterreinen zullen hierdoor worden afgestoten? (blz. 180)


322.

Kan een nadere uiteenzetting worden gegeven van de gevolgen van een eventuele sluiting van Marinekamp Valkenburg? (blz. 182)


323.

Zijn er al concrete plannen waar de laagvliegvaardigheden in het donker voor helikopters geoefend kunnen worden? (blz. 182)


324.

Welke militaire vliegvelden hebben nog geen vastgestelde geluidzones en wat is hier de oorzaak van? Wanneer zal het vaststellen van deze geluidzones zijn voltooid? (blz. 183)


325.

Bestaat gezien de veranderde internationale situatie nog de noodzaak om permanent landmachteenheden in Duitsland te legeren? Welke financiële voor- en nadelen zouden gemoeid zijn met een eventuele verplaatsing van deze eenheden naar Nederland? (blz. 184)


326.

Zijn aan de verplaatsing van de regiostaf vanuit Harderwijk naar Schaarsbergen kosten verbonden? Welke infrastructurele kosten moeten worden gemaakt op de nieuwe locatie. Wat is de doelmatigheidsopbrengst bij verplaatsing naar Schaarsbergen? Is bij de beslissing voor verplaatsing ook meegewogen dat hier een einde komt aan Harderwijk als garnizoensstad? Zo nee, acht de regering dit geen relevant aspect om bij de besluitvorming te betrekken? (blz. 184)


327.

Binnen welke termijn denkt de regering de complexen in Ulicoten, Benschop, Stegerveld, Bruineveld, Donderen, Nieuw Balinge en Loenen Scherpenberg af te kunnen stoten? (blz. 185)


328.

Waarom is de oprichting van een control and support centre in Ede nodig? Wat zijn de taken van een dergelijk centrum? (blz. 185)


329.

Als wordt gesproken dat het grootste deel van de ECW Dongen wordt overgeplaatst naar Ede; hoeveel personen en welke organisatie-elementen betreft dit? (blz. 185)


330.

Is de regering bereid om te bezien of in het kader van competieve dienstverlening delen van de ECW (ICT e.d.) daarvoor in aanmerking kunnen komen (betrekken bij onderzoek MCW)? Kan ditzelfde ook worden bezien in het kader van publiekprivate samenwerking (onderzoek mogelijkheid PPS constructie?) (blz. 185)


331.

Is er voor verplaatsing van het NVC uit Dongen nieuwe infrastructuur nodig in de Strijpse Kampen. Zo ja hoeveel bedragen de kosten hiervan? (blz. 185)


332.

Welke totale kosten (personeel, organisatorisch, infrastructuur enz) zijn gemoeid met de uitvoering van de herstructureringsmaatregelen zoals in de defensienota verwoord? (blz. 186)


333.

Kan toegelicht worden wat de maatregelen zijn die zien op «kasritmeaanpassingen» van grote materieelprojecten en de vergroting van efficiency (IBO)? Welk deel mag Defensie herbesteden en welk deel vloeit weg naar Financiën Om hoeveel geld gaat het in totaal vanaf
1999? Is dit de facto niet een bezuiniging die bovenop de afspraken in het regeerakkoord komt? (blz. 186)


334.

Hoe verhoudt de verlaging van fondsen voor militaire satelietcommunicatie zich met de geconstateerde Europese tekorten op dit gebied? (blz. 189)


335.

Welke gevolgen hebben de vertraging van materieelprojecten en de verlaging van de investeringsquote voor de operationele capaciteit en de technologische kwaliteit van de krijgsmacht? (blz. 190)


336.

Hoe is de prioriteitstelling van de niet financieel afgedekte voornemens in het geval dat extra efficiencyopbrengsten worden gerealiseerd? (blz. 191)


337.

Bij uitvoering van de noodzakelijke geachte plannen ontstaat een tekort van 135 miljoen gulden. Als het defensiebudget structureel wordt verhoogd met 135 miljoen gulden kunnen dan alle noodzakelijk gewenste plannen worden gerealiseerd? (blz. 191)


338.

Met welk bedrag zou het defensiebudget structureel moeten toenemen om de materieel investeringen voor de komende tien jaar op een gemiddeld percentage van 25% te brengen? (blz. 191)


339.

Kan een splitsing worden aangebracht in het investeringspercentage tussen infra- en materieelinvesteringen? (blz. 191)


340.

Kan een overzicht worden gegeven van de totale investeringen per jaar en per tijdvak voor ieder krijgsmachtdeel afzonderlijk en voor de krijgsmacht als geheel? (blz. 194)


341.

Welk bedrag in de begroting is gereserveerd voor een specifieke bijdrage om de Europese veiligheid te versterken? Indien geen reserveringen zijn op genomen welke projecten komen als zodanig hiervoor in aanmerking dan wel zijn hiervoor aanvullende financiële middelen vereist? (blz. 194)


342.

Kan een overzicht worden gegeven van alle investeringen (materieel en infrastructuur) en projecten die destijds in de Prioriteitennota werden vermeld en die nog niet zijn uitgevoerd? (blz. 194)


343.

Waarom ontbreekt op het investeringsoverzicht KM de investeringen t.b.v. de onderzeedienst? (blz. 194)


344.

Uitgaande van mogelijke instroming van de NH-90 in de periode
1997-1999; waarom is dan maar 922 miljoen opgenomen voor de NH-90 terwijl het totale project 1.9 miljard bedraagt? (blz. 194)


345.

Betreft infra de Peel de totale infrakosten voor collocatie luchtverdedigingsmiddelen KL/Klu of betreft het hier uitsluitend de gezamenlijke luchtverdedigingsschool? Zo ja, kan een nadere onderbouwing van het bedrag worden gegeven? Zo nee, hoeveel bedragen de totale kosten voor colocatie, school, verhuiskosten personeel enz? (blz. 195)


346.

Hoeveel van de 4700 mannen en vrouwen van de niet-operationele deel van de staven van de «Haagse» ressorts houden zich feitelijk niet bezig met beleidsvoorbereidende en bestuursondersteunende taken? (blz.
198)


347.

Valt de internationale vergelijking van aantallen parate militaire per hoofdwapensysteem net zo uit als voor de Nederlandse gegevens gebruikt wordt gemaakt van de «Military Balance» in plaats van de Defensienota? (blz. 201)


348.

Is de regering bereid mogelijkheden te inventariseren om het onafhankelijk onderzoek naar de rol van de krijgsmacht in Nederland te stimuleren, waarbij ook de optie van de oprichting van een nieuw instituut wordt betrokken? (algemeen)


349.

Tot nu toe viel de meerwaarde van de samenwerkingsrelaties tussen Nederland en haar buurlanden tegen. Wat is de verwachte meerwaarde van deze samenwerkingsrelaties voor de toekomst? (algemeen)


350.

Het uitstellen van investeringen zal op termijn resulteren in een boeggolfproblematiek. Is het gezien deze latente problematiek wenselijk om de investeringsquote naar boven aan te passen? (algemeen)

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie