Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Ministerie van Financien over de Leaseregeling

Datum nieuwsfeit: 27-12-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Financien

Titel: Leaseregeling



Mededeling 120. Leaseregeling

DIRECTIE ALGEMENE FISCALE ZAKEN

Besluit van 27 december 1999, nummer AFZ 99/3639M

Algemeen

Met ingang van 1 januari 2000 treedt de leaseregeling in werking. Deze regeling is tot stand gekomen na overleg met de Nederlandse Vereniging van Leasemaatschappijen.

De regeling zal gelden voor leasecontracten die op of na 1 januari 2000 zullen worden afgesloten. Bestaande contracten zullen worden afgewikkeld op grond van het recht zoals dat gold voor 1 januari 2000.

De leaseregeling ziet thans ook, dit in tegenstelling tot de vorige zogenoem-de leaseregeling, op de invordering.

Dit houdt in dat ook voor de invordering een leasecontract getoetst dient te worden aan de criteria, zoals vermeld in de regeling. Andere toetspunten dan die vermeld in de regeling en die voor de invordering door de jurispru-dentie in de loop der jaren zijn ontwikkeld, maar niet in regelgeving zijn vastgelegd, zoals bijvoorbeeld of een leasecontract al dan niet opzegbaar is dan wel voor wiens rekening reparaties komen met betrekking tot het lease-object, spelen in dit kader geen rol meer.

Vragen met betrekking tot de toepassing van het bodemrecht in lease-situaties, waaronder vragen over de verhouding tussen het onderhavige be-sluit en de Leidraad Invordering 1990 kunnen worden voorgelegd aan het ministerie, Directie Rechtstoepassingsbeleid Belastingdienst, sector formeel recht en invordering. Wat betreft genoemde verhouding valt bijvoorbeeld te denken aan in relatie met de reële eigendom gerezen vragen over met de lessor gesloten contracten waarin afnamebedingen danwel afnameverplich-tingen zijn opgenomen.

Voorts geldt met betrekking tot lease-situaties dat de opheffing van een be-slag door de ontvanger als bedoeld in artikel 22, § 5, derde en zevende lid, van de Leidraad Invordering 1990 niet plaatsvindt dan na overleg met de directeur.

De tekst van de leaseregeling luidt met ingang van 1 januari 2000 als volgt.

Tekst Leaseregeling

Besluit van 15 november 1999, AFZ 99/3262M, Stcrt., 225

De Staatssecretaris van Financiën,

Besluit:

Vast te stellen de volgende regeling:

Leaseregeling

Strekking

Het is wenselijk geoordeeld in het kader van de invordering en voor de hef-fing van inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting te komen tot een zoveel mogelijk gelijke behandeling van leasecontracten.

Deze regeling strekt toe om voor de toepassing van het bodemrecht ex artikel 22, derde lid, van de Invorderingswet 1990, alsmede voor de toepas-sing van artikel 10, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en van de investeringsfaciliteiten, zoals die voorkomen in laatstgenoemde wet, het onderscheid tussen financiële en operationele lease nader te omschrij-ven.

In de regeling is er mee volstaan voor de aanduiding van het genoemde onderscheid aan te geven onder welke voorwaarden de lessor als fiscaal eigenaar van het lease-object wordt aangemerkt. Wordt aan die voorwaar-den voldaan, dan is sprake van operationele leasing.

I. Criteria

De lessor zal in ieder geval fiscaal als eigenaar van een door hem op basis van leasing ter beschikking gesteld lease-object worden aangemerkt indien hij:


a. zich als zodanig gedraagt;


b. de juridische eigendom van het lease-object heeft;

c. positief en/of negatief restwaarderisico ten aanzien van het lease-object loopt.

Geacht wordt sprake te zijn van positief en/of negatief restwaarderisico ten aanzien van het lease-object indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

A. Voor contracten met een koopoptie en/of verlengingsoptie voor de lessee, indien:


1. de optieprijs reëel is, dat wil zeggen is vastgesteld op basis van de op het moment van het aangaan van het leasecontract redelijkerwijs te schatten waarde van het lease-object aan het einde van de vaste leaseperiode;


2. het bedrag van de koopoptie, danwel de contante waarde van de verlengingsoptiebedragen, niet lager is dan 7,5% van de fiscale kostprijs;


3. het lease-object na de vaste leaseperiode niet voor een lager be-drag dan uit de punten 1 en 2 voortvloeit ter beschikking wordt ge-steld, c.q. wordt vervreemd, aan de lessee.

B. Voor contracten zonder koop- en/of verlengingsoptie voor de lessee, indien op het moment dat het contract wordt afgesloten, de reële ver-wachting bestaat dat het lease-object na afloop van de vaste leasepe-riode nog een substantiële waarde heeft (minimaal 7,5% van de fiscale kostprijs); als een object na afloop van de vaste leaseperiode tegen een lagere vergoeding dan correspondeert met de hiervoor genoemde waarde aan de lessee ter beschikking wordt gesteld c.q. vervreemd, wordt aangenomen dat hieraan niet is voldaan.

C. Voorts geldt voor de in de onderdelen A en B genoemde contracten dat:


1. de vaste leaseperiode niet langer is dan 85% van de geschatte eco-nomische levensduur van het lease-object;


2. geen afdekking heeft plaatsgevonden van het restwaarderisico bij de lessee of bij een aan de lessee gelieerde partij;

3. geen afdekking heeft plaatsgevonden van het restwaarderisico bij een ander dan de lessee of bij een ander dan een aan de lessee gelieerde partij voor een bedrag van minimaal 7,5% van de fiscale kostprijs;


4. de lessee in feite toch niet beschikt - via andere overeenkomsten
- over nagenoeg het volledige economisch belang bij het lease-object;

5. indien op basis van een contract recht bestaat op Nederlandse fis-cale investeringsfaciliteiten, in het betrokken contract wordt ver-meld welke partij fiscaal eigenaar is. Indien zou blijken dat zowel de lessee als de lessor terzake van hetzelfde object een beroep op in-vesteringsfaciliteiten hebben gedaan, dient de lessor van zijn aan-spraak op de betrokken investeringsfaciliteiten af te zien.
D. Bij contracten met een langere looptijd dan 5 jaren wordt het vereiste minimum restwaarderisico, zoals dat hierboven is aangegeven onder de onderdelen A.2 en B en C.3, per jaar met 0,5% van de fiscale kostprijs verhoogd, voorzover de periode van 5 jaren wordt overschreden.

E. In afwijking van het vorenstaande geldt dat indien leasecontracten in ge-ding zijn die specifieke lease-objecten betreffen, de fiscale eigendom van het lease-object niet aan de lessor wordt toegerekend. Als specifie-ke objecten in voormelde zin zullen worden beschouwd:


- de objecten waarvan de waarde in het economisch verkeer na af-loop van de vaste leaseperiode voor andere gegadigden dan de lessee niet meer substantieel is;


- en/of de objecten die naar hun aard aan het einde van de vaste leaseperiode door geen ander dan de lessee gebruikt kunnen wor-den.
II. Invordering

Indien op grond van de hiervoor onder I genoemde bepalingen de lessor fis-caal als eigenaar van een door hem op basis van leasing ter beschikking gesteld lease-object kan worden aangemerkt, valt het betreffende leaseob-ject niet onder het bereik van het bodemrecht ex artikel 22, derde lid, van de Invorderingswet 1990.

III. Bijzondere bepalingen


1. Ingeval door externe factoren de vooraf ingeschatte marktomstandighe-den wezenlijk zijn veranderd, kan de lessor, na overleg met de inspec-teur, het object na de vaste leaseperiode aan de lessee aanbieden te-gen een vergoeding die afwijkt van het bepaalde hiervoor onder de on-derdelen I.A en I.B.


2. Voor de toepassing van de heffing van de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting komt het afdekkingsverbod, zoals dat hierbo-ven is opgenomen onder onderdeel I.C.3, te vervallen indien geen be-roep op Nederlandse fiscale investeringsfaciliteiten wordt gedaan.

3. Indien relatief complexe lease-transacties in geding zijn kan men zich voor nader overleg wenden tot de inspecteur danwel ontvanger. Zo ook indien in het algemeen behoefte aan nader overleg aanwezig is over de toepassing van de criteria die aan deze leaseregeling ten grondslag lig-gen.


4. Voor de onder het regime van deze regeling getroffen contracten geldt dat eventuele latere wijzigingen van (één of meer onderdelen van) de regeling niet van belang zijn voor de fiscale kwalificatie van deze con-tracten.

IV. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2000.

Deze regeling is tot stand gekomen in overleg met de Nederlandse Vereni-ging van Leasemaatschappijen. De regeling van 4 december 1992 tussen de Belastingdienst Grote Ondernemingen Amsterdam en de Nederlandse Vereniging van Leasemaatschappijen komt met ingang van 1 januari 2000 te vervallen.

De Staatssecretaris van Financiën,

w.g.

W.A. VERMEEND.

Opgemerkt wordt tenslotte dat de tekst van de onderhavige regeling is gepubliceerd in de Staatscourant van 22 november 1999, nummer 225.

De Staatssecretaris van Financiën,

Namens deze,

de plv. Directeur-Generaal der Belastingen,

Mw. Mr. J. Thunnissen.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie