Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Rapport Registratiekamer: Informatieverstrekking door fiscus

Datum nieuwsfeit: 31-12-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Registratiekamer

Informatieverstrekking door de fiscus
Ontheffing van de fiscale geheimhoudingsplicht
in het licht van privacywetgeving

mr. J. de Zeeuw

Registratiekamer, Den Haag, december 1999

Inhoud

1 Voorwoord en inleiding

2 Juridisch kader

2.1 Juridisch kader

2.2 Wettelijke geheimhoudingsbepaling

2.3 Ontheffing van de geheimhoudingsplicht

3 Achtergronden en ontwikkelingen

4 Doorwerking van privacynormen

4.1 Privacynormen

4.2 Het verstrekkingensysteem getoetst

4.2.1 Doelbinding, transparantie

4.2.2 Formeel-wettelijke grondslag

4.2.3 Aandachtspunten

4.2.4 Voorschrift informatieverstrekking (VIV 1993): opmerkingen

5 Conclusie

Bijlage 1 Wettelijke bepalingen
Bijlage 2 VIV 1993
Bijlage 3 Bijlagen 2a, 2b en 2c bij het VIV 1993

Informatieverstrekking door de fiscus - Voorwoord en inleiding

Voorwoord

Overeenkomstig de jaarplannen van de afgelopen jaren richt de Registratiekamer haar aandacht wat betreft de fiscus in het bijzonder op een aantal samenhangende onderwerpen. Deze onderwerpen vormen tezamen een systematische studie, die bijdraagt aan een structurele verbetering van de bescherming van fiscale gegevens. Reeds eerder, in februari 1998, is in dat verband de achtergrondstudie Informatiegaring door de fiscus - privacybescherming bij derdenonderzoeken verschenen. Thans is ook de achtergrondstudie over de informatieverstrekking door de fiscus uitgebracht.

In het kader van de wettelijke taak van de Registratiekamer houdt zij toezicht op een zorgvuldige omgang met persoonsgegevens in verband met de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. In dat verband richt zij zich ook op de juridische grondslag van de verwerking van persoonsgegevens en de privacy-problemen die deze met zich meebrengt. Met het uitvoeren van studies als de onderhavige hoopt de Registratiekamer een verbetering van de rechtsbescherming op dit gebied tot stand te brengen.

De Belastingdienst is als 'grootgebruiker' van gegevens over burgers en bedrijven verantwoordelijk voor de zorgvuldige verwerking van veel vertrouwelijke informatie. Deze publicatie is het resultaat van een onderzoek van de Registratiekamer naar het systeem van verstrekkingen van persoonsgegevens door de fiscus, die verder gaan dan nodig is voor de uitvoering van de belastingwet of voor de heffing of de invordering van enige rijksbelasting. Hier wordt een spanningsveld zichtbaar in verband met de wettelijk gewaarborgde bescherming van persoonsgegevens. Het doel van het onderzoek was dat spanningsveld verder te verkennen en na te gaan hoe de afweging van belangen op dit terrein het beste zou kunnen worden tot stand gebracht. Het resultaat treft u hieronder aan.

mr. P.J. Hustinx
Voorzitter van de Registratiekamer

1 Inleiding

Voor het uitoefenen van zijn taak beschikt de Belastingdienst over veel informatie. Het kan hierbij ook om gevoelige informatie gaan, zoals informatie over de bedrijfsvoering van ondernemingen. Het bekend worden van deze informatie zou kunnen leiden tot verstoring van concurrentieverhoudingen. Ook in de particuliere sfeer kan de informatie die bij de Belastingdienst bekend is, gevoelig zijn. Informatie over echtscheidings- en alimentatiezaken worden door het toepasselijke voorschrift van de Belastingdienst1 als voorbeeld genoemd. Ook de zuiver financiële informatie over belastingplichtigen kan echter al als gevoelig worden beschouwd. Uit een in 1997 gehouden enquête van de Consumentenbond bleek dat rond 90% van de ondervraagden gegevens over hun financiën als privacygevoelig ervaren. De top-3 van privacygevoelige gegevens zou bestaan uit: gegevens over financieel vermogen, inkomens-gegevens en gegevens over schulden. Daarmee hadden deze gegevens een hogere notering dan gegevens over iemands gezondheidstoestand, seksuele geaardheid, strafrechtelijk verleden, politieke gezindheid, en ras2.

Hoewel op deze ranglijst wellicht het een en ander valt af te dingen, is zij toch illustratief voor het gevoelen van de burger dat met de informatie van de fiscus over belastingplichtigen zorgvuldig omgegaan dient te worden. Fiscale geheimhouding is dan ook niet voor niets in Nederland in de wet vastgelegd. De belastingplichtige moet erop kunnen vertrouwen dat van de informatie die door hem verstrekt is, geen ander gebruik wordt gemaakt dan voor het uitvoeren van de belastingwetgeving door de Belastingdienst. Geheimhouding is ook in het belang van de fiscus zelf. Het werk van de Belastingdienst zou ernstig worden bemoeilijkt als een belastingplichtige - uit vrees dat zijn informatie bij derden terecht kan komen - informatie achterhoudt die voor de Belastingdienst juist van belang is3. Bovendien is de wettelijk voorgeschreven geheimhouding een noodzakelijk tegenwicht voor de uitgebreide bevoegdheden die de fiscus heeft om informatie te vergaren over belastingplichtigen.

Desalniettemin verstrekt de Belastingdienst in toenemende mate gegevens aan een groot aantal andere organisaties, voornamelijk bestuursorganen, zonder dat dat verband houdt met de uitvoering van de belastingwet. Het moge duidelijk zijn dat er een spanningsveld is tussen geheimhouding en bescherming van persoonsgegevens door de fiscus enerzijds en de belangen bij het verstrekken van gegevens anderzijds. Dat spanningsveld heeft een rechtsstatelijke dimensie, omdat de verhouding tussen de bevoegdheden van de overheid en de vrijheidssfeer van de burger in het geding is.
In deze studie zal worden onderzocht hoe het systeem van verstrekkingen van persoonsgegevens door de fiscus, die niet nodig zijn voor de uitvoering van de belastingwet, is vormgegeven en in de praktijk wordt toegepast. Het toetsingskader wordt daarbij gevormd door wettelijke regelingen inzake de bescherming van persoonsgegevens. Het onderzoek is beperkt tot verstrekkingen aan derden in het kader van de ontheffingen van de fiscale geheimhoudingsplichten binnen Nederland. Het concept van dit document is voor commentaar voorgelegd aan de Directeur-Generaal der Belastingen van het ministerie van Financiën. De definitieve versie is in het licht van de ontvangen reactie op onderdelen aangepast4.

Informatieverstrekking door de fiscus - Juridisch kader


2.1 Juridisch kader

Het normenkader, waaraan het verstrekken van persoonsgegevens door de fiscus kan worden getoetst, vormt niet één geheel. Daartoe behoren nl. zowel bijzondere als algemene bepalingen, die in verschillende al dan niet fiscale wetten zijn neergelegd, en waarvan de strekking varieert van geheimhouding tot de verplichting tot verstrekking. Daarnaast zijn algemene wetten, zoals de Wet openbaarheid van bestuur (WOB) en de Wet persoonsregistraties (Wpr) van belang. Niet steeds is duidelijk hoe deze bepalingen zich tot elkaar verhouden. In dit hoofdstuk zal het wettelijk kader, met uitzondering van de privacywetgeving, kort worden besproken5.


2.2 Wettelijke geheimhoudingsbepalingen

De van belang zijnde artikelen uit de fiscale wetten zijn artikel 67 Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en artikel 67 Invorderingswet 1990. Ook artikel 10 Registratiewet bevat een geheimhoudingsverplichting. De tekst van de bepalingen is opgenomen in de Bijlage6. Gelet op de grote verwantschap tussen deze bepalingen zal in dit kader slechts de belangrijkste, te weten artikel 67 AWR, worden besproken. Het eerste lid van dit artikel bevat de hoofdregel, de verplichting tot geheimhouding.

1. Het is een ieder verboden hetgeen hem in enige werkzaamheid bij de uitvoering van de belastingwet, of in verband daarmede, nopens de persoon of de zaken van een ander blijkt of medegedeeld wordt, verder bekend te maken dan nodig is voor de uitvoering van de belastingwet of voor de heffing of de invordering van enige rijksbelasting.
2. (...)

Aan de geheimhoudingsplicht van art. 67, eerste lid, AWR ligt ten grondslag dat belastingplichtigen niet van het verstrekken van gegevens aan de Belastingdienst moeten worden weerhouden door de vrees dat die gegevens voor andere doeleinden worden gebruikt dan voor de belastingheffing. De belastingplichtige dient met het oog op het opleggen van de belastingaanslag vertrouwelijke gegevens aan de fiscus te verstrekken en zal zijn bereidheid daartoe laten afhangen van de mate van zekerheid dat de verstrekte informatie in beginsel niet buiten de belastingsfeer zal komen. De betrouwbaarheid van de aangifte is in sterke mate afhankelijk van de zekerheid dat de vrijwillige opgave niet voor andere doeleinden dan voor een juiste belastingheffing en -invordering gehanteerd zal worden7. Het directe belang van de Staat vordert geheimhouding, maar ook de omstandigheid dat de burger het onvermijdelijke kennisnemen van persoonlijke aangelegenheden moet dulden, brengt met zich mee dat hij van de overheid mag verwachten dat de informatie niet naar buiten uitlekt8. Een geheimhoudingsplicht en een adequate beveiliging van de toevertrouwde gegevens zijn dan ook voorwaarden voor de vérgaande bevoegdheden die de fiscus heeft over (persoons-)informatie te vergaren9.

Art. 67, eerste lid, AWR geldt als één van de meest stringente geheimhoudingsbepalingen in de Nederlandse wetgeving. Niet alleen ambtenaren zijn tot geheimhouding verplicht, maar ook arbeidscontractanten, niet-ambtelijke deskundigen, inhoudingsplichtigen, en leden en griffiers van de rechterlijke macht. De geheimhoudingsplicht geldt voorts niet alleen tegenover personen of instanties buiten de Belastingdienst, maar ook tussen ambtenaren van de Belastingdienst onderling, voor zover het verstrekken van informatie niet van belang is voor de uitvoering van de belastingwetgeving10. Alle beschikbare informatie over een belastingplichtige valt onder de geheimhoudingsplicht tenzij het gaat om informatie die nodig is voor de uitvoering van de belastingwetgeving11. De geheimhouding is niet beperkt tot gegevens die naar hun aard vertrouwelijk of privacygevoelig zijn. Wat de kring van personen betreft, strekt zij zich uit over informatie over ieder ander dan degene die tot geheimhouding is verplicht.

De geheimhoudingsverplichting geldt niet bij verstrekking aan een andere belastingplichtige en/of de rechter, indien dit nodig is ter staving van het standpunt van de belastingadministratie12. Gegevens over uitsluitend de contribuabele zelf, aan hemzelf verstrekt, vallen ook niet onder de geheimhoudingsplicht.

De wettelijke geheimhoudingsplicht kan er toe leiden dat de ambtenaar van de Belastingdienst die is opgeroepen tot het afleggen van een getuigenverklaring voor de rechter, een beroep moet doen op het verschoningsrecht. Dit recht is neergelegd in de artikelen 191, eerste lid, onder b, Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv) voor civiele zaken, en in artikel 218 Wetboek van strafvordering voor strafzaken. Volgens de Hoge Raad impliceert de geheimhoudingsplicht van art. 67 AWR altijd een verschoningsrecht ingevolge art. 192, tweede lid, Rv (het huidige art. 191, eerste lid, onder b, Rv). Dat betekent dat belastingambtenaren in civiele zaken altijd van hun verschoningsrecht gebruik moeten maken. In strafzaken daarentegen dienen zij vooraf de beslissing van de Staatssecretaris van Financiën te vragen, waarna in de regel ontheffing van de geheimhoudingsplicht wordt verleend13

Naast de genoemde bijzondere geheimhoudingsbepalingen is er de algemene geheimhoudingbepaling van art. 2:5 Algemene wet bestuursrecht (Awb).

1. Een ieder die is betrokken bij de uitvoering van de taak van een bestuursorgaan en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter zake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding van die gegevens, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot mededeling verplicht of uit zijn taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit.

2. Het eerste lid is mede van toepassing op instellingen en daartoe behorende of daarvoor werkzame personen die door een bestuursorgaan worden betrokken bij de uitvoering van zijn taak, en op instellingen en daartoe behorende of daarvoor werkzame personen die een bij of krachtens de wet toegekende taak uitoefenen.

Art. 2:5 Awb verschilt op de volgende punten van art. 67 AWR: a art. 2:5 Awb is een subsidiaire bepaling: deze bepaling geldt niet indien reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter zake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt; b bij art. 2:5 Awb moet het gaan om gegevens waarvan degene, die betrokken is bij de uitvoering van de taak van een bestuursorgaan, het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden; c art. 2:5 Awb bevat een regeling met betrekking tot de relatie met wettelijke voorschriften die tot mededeling verplichten.

Gelet op het aanvullende karakter van art. 2:5 Awb en in aanmerking genomen dat art. 67 AWR een zwaardere geheimhouding behelst dan art. 2:5 Awb, kan er vanuit worden gegaan dat voor het belastingrecht enkel art. 67 AWR geldt14. Zo blijkt ook uit de wetsgeschiedenis.

De geheimhoudingsbepaling van artikel 2:5 van de Awb geldt in aanvulling op specifieke geheimhoudingsbepalingen, doordat zij bepaalt dat zij niet geldt voor wie reeds "uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter zake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt". Het streven is er weliswaar op gericht de specifieke geheimhoudingsbepalingen zoveel mogelijk te laten vervallen ten gunste van de algemene bepaling van art. 2:5, maar dat is niet overal mogelijk. De praktijk van de informatieverstrekking in fiscalibus is zodanig ingespeeld op en verweven met de thans geldende, zeer strakke geheimhoudingsverplichting van de AWR, dat deze gehandhaafd moet blijven. In bijzondere gevallen kan er evenwel reden zijn voor een strakker regime. Zo'n geval doet zich voor bij de geheimhoudingsbepalingen die de vragenstellers memoreren en die om die reden ook niet geschrapt worden (Kamerstukken II, 1990-1991, 21 221, nr. 5, pt. 2.43 en 2.45).


2.3 Ontheffing van de geheimhoudingsplicht

In artikel 67, tweede lid AWR is, evenals in artikel 67, tweede lid, Invorderingswet 1990 en artikel 10, derde lid, Registratiewet, aan de Minister van Financiën de mogelijkheid gegeven ontheffing van de geheimhoudings-plicht te verlenen.
Artikel 67
(...)

2. Onze Minister kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid vervatte verbod.

Gelet op het eerste lid kan die ontheffing worden verleend ten aanzien van het verder bekendmaken dan nodig voor de uitvoering van de belastingwet of voor de heffing of de invordering van enige rijksbelasting. Anders gezegd: ten aanzien van bekendmakingen die niet nodig zijn voor de uitvoering van de belastingwet.

De Staatssecretaris van Financiën oefent de bevoegdheid tot het verlenen van ontheffing uit. Het Voorschrift Informatieverstrekking 1993 (VIV 1993) is een besluit van de staatssecretaris en geeft regels over het verstrekken van informatie door de Belastingdienst. Het gaat in dat kader ook in op de mogelijkheid van ontheffing van de geheimhoudingsplicht, maar is daar niet toe beperkt. Het VIV 1993 bevat uitgangspunten en criteria voor de verstrekking van gegevens door de Belastingdienst. Het bevat daarnaast een uitleg van de geheimhoudingsplicht en van regelingen zoals de AWR, Wpr en WOB. Ook wordt vermeld hoe de desbetreffende wetten in bepaalde gevallen, en ten opzichte van elkaar dienen te worden geïnterpreteerd. De Belastingdienst heeft er in dat verband op gewezen dat het VIV 1993 primair bestemd is om aan de eenheden van de Belastingdienst te verduidelijken hoe met verschillende situaties moet worden omgegaan.

Als uitgangspunt voor informatieverstrekking kent het VIV 1993 in de eerste plaats de doelbinding. Wat de verstrekking van gegevens aan bestuursorganen betreft, houdt dat in dat de Belastingdienst bij informatieverstrekking de voorwaarde stelt dat de bestuursorganen de door de Belastingdienst verstrekte gegevens uitsluitend gebruiken ten behoeve van de doeleinden met het oog waarop de Belastingdienst de gegevens heeft verstrekt. Onder de paragraaf doelbinding is ook vermeld dat de van derden verkregen gegevens die de Belastingdienst niet heeft verwerkt, niet aan anderen kunnen worden verstrekt. Uitsluitend uit verwerking voortgekomen c.q. gegenereerde informatie kan met ontheffing verder worden verstrekt. Deze invulling van het begrip doelbinding kan echter ter discussie worden gesteld15.

Het VIV 1993 kent daarnaast andere uitgangspunten en criteria voor informatieverstrekking, waaronder een algemene belangenafweging. Bepaald is dat de Belastingdienst voorafgaand aan de informatieverstrekking onder meer een vijftal belangen dient af te wegen. Met name gaat het daarbij om het belang van een effectieve fraudebestrijding en/of een effectieve uitoefening van de taken die aan het ontvangende bestuursorgaan zijn opgedragen. Naast de algemene uitgangspunten wordt in het voorschrift een aantal categorieën verstrekkingen behandeld. Het gaat in dat verband onder meer in op verstrekking van informatie aan andere bestuursorganen, structurele informatieverstrekking, incidentele informatieverstrekking, en spontane informatieverstrekking.

Het VIV 1993 bevat naast materiële ook formele bepalingen, zoals procedurele voorschriften en ambtelijke instructies. Een formele regeling betreft de vraag wie het besluit kan nemen om gegevens te verstrekken. Bepaald is dat de Staatssecretaris de bevoegdheid tot het verlenen van ontheffing uitoefent (art. 1.1 VIV 1993). Art. 2.2.2 VIV 1993 bepaalt vervolgens dat het voorschrift de beslissing in een aantal gevallen aan de Belastingdienst "delegeert". Wat betreft de vraag of hier inderdaad sprake is van delegatie kan overigens gelet op de tekst van het tweede lid van art. 67 AWR een kritische kanttekening worden geplaatst16. Voorbeelden van ambtelijke instructies zijn voorts de bepalingen omtrent het beheer van het Voorschrift, en de opdracht voor de ambtenaar die met een verzoek om informatie wordt geconfronteerd, om eerst te bekijken of het bestuursorgaan is opgenomen in de relevante bijlage17.

De bijlagen geven een overzicht van de bestuursorganen waaraan informatie kan worden verstrekt (bijlagen 2A, 2B en 2C). Deze lijsten bieden een duidelijk overzicht en hebben zoals gezegd ook een functie bij de behandeling van verzoeken om informatie. Concreet is in deze bijlagen vermeld:

- aan wie wordt verstrekt;

- welke informatie wordt verstrekt;

- met welk doel er wordt verstrekt;

- op grond van welke wet er moet worden verstrekt in het geval dat er een wettelijke verplichting bestaat;

- op welke wijze de verstrekking plaatsvindt (geautomatiseerd uit centrale bestanden (A) of handmatig door een eenheid (H));
- of er bijzonderheden zijn.
De bijlagen vormen tezamen een lijst van vele tientallen (semi-) overheidsinstellingen, of onderdelen daarvan, die gebruik kunnen maken van bepaalde belastinggegevens.

Het besluit (VIV 1993) is diverse malen aangepast en is mede daardoor een uitgebreide regeling geworden. Het bevat daarnaast nog verwijzingen naar werkinstructies, zoals handboeken, andere besluiten of regelingen van de Belastingdienst, of convenanten. Daarnaast heeft het VIV 1993 nog andere bijlagen dan de reeds genoemde, waarin onder andere de relevante wet- en regelgeving is opgenomen. Het VIV 1993 is gepubliceerd in de Staatscourant, met uitzondering van de bijlagen. Deze zijn (uitsluitend) opgenomen in het Boekwerk Informatieverstrekking van het Ministerie van Financiën.

Wettelijke verplichtingen tot verstrekking
De wet voorziet in enkele gevallen in de plicht voor de fiscus om informatie te verstrekken. Met name worden hier genoemd de plicht tot het doen van aangifte ex art. 162 Wetboek van strafvordering (Sv.), en de plicht informatie te verstrekken ingevolge de Wet openbaarheid van bestuur (WOB). Daarnaast bevat bij voorbeeld ook de Algemene bijstandswet in artikel 122 de verplichting voor de Belastingdienst om desgevraagd aan burgemeester en wethouders kosteloos opgaven en inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze wet.

De aangifteplicht ingevolge het Wetboek van Strafvordering Een ieder die kennis draagt van bepaalde zeer ernstige misdrijven is verplicht daarvan aangifte te doen bij een opsporingsambtenaar (art. 160 Sv). Ingevolge artikel 162 Sv. zijn ambtenaren, die in de uitoefening van hun bediening kennis krijgen van een misdrijf met de opsporing waarvan zij niet zijn belast, onder bepaalde voorwaarden verplicht daarvan aangifte te doen. Niet geheel duidelijk is of de geheimhoudingsplicht van art. 67 AWR in de weg staat aan het verstrekken van gegevens door ambtenaren van de Belastingdienst ter voldoening aan de aangifteplicht van 162 Sv. Er zou enerzijds sprake kunnen zijn van een conflict van plichten, anderzijds zou deze doorbreking van de geheimhouding ingelezen kunnen worden in art. 67, eerste lid, AWR. In tegenstelling tot art. 67 AWR voorziet de algemene geheimhoudingsbepaling van art. 2:5 Awb in een uitzondering op de geheimhouding in geval van verplichtingen in andere wetten. Ook de Organisatiewet sociale verzekeringen (OSV) kent een regeling voor soortgelijke gevallen18.

Het VIV 1993 bevat een uitgebreide regeling over het doen van aangifte door de belastingambtenaar19. Daargelaten de juridische discussie over welke verplichting voorgaat, is hiermee een voor de praktijk bruikbare regeling gegeven die het standpunt van de minister van Financiën weerspiegelt. Dat zelfs een regeling opgenomen is voor het geval er ingevolge art. 161 Sv geen plicht, doch slechts een bevoegdheid bestaat aangifte te doen, laat er geen twijfel over bestaan dat naar de mening van de minister het doen van aangifte in beginsel mogelijk moet zijn.

Openbaarheid van bestuur
De WOB voorziet in de verplichting voor bestuursorganen om bij de uitvoering van hun taak informatie te verschaffen. Het kan daarbij zowel gaan om informatie over het beleid als om informatie die is neergelegd in documenten over bestuurlijke aangelegenheden. De WOB kan hierdoor ook de Belastingdienst verplichten tot het verstrekken van gegevens. Echter, enerzijds is met de WOB niet beoogd gegevensuitwisseling tussen overheidsorganen mogelijk te maken, en anderzijds zijn de fiscale geheimhoudingsbepalingen aan te merken als lex specialis ten opzichte van de WOB. Deze gaan daarom vóór de wettelijk voorgeschreven informatieverschaffing op grond van de WOB20. Volgens jurisprudentie van de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State dient de Minister van Financiën de toepassing van de ontheffingsbevoegdheid evenwel af te stemmen op de maatstaven die de WOB met betrekking tot de openbaarmaking aanlegt21. Met andere woorden, de in de WOB opgenomen uitzonderingsgronden vormen tevens een toetsingskader voor het ontheffingenbeleid op grond van artikel 67, tweede lid, AWR22. Indien de Belastingdienst verzocht wordt informatie te verstrekken, beschouwt hij zich als gehouden een dergelijk verzoek ambtshalve te behandelen als een WOB-verzoek. Indien geen van de in de WOB genoemde uitzonderingsgronden van toepassing is, acht de Belastingdienst zich verplicht de gevraagde informatie te verstrekken23.

Van een beslissing van de minister om al dan niet ontheffing van de geheimhouding te verlenen staat na bezwaar beroep open bij de Bestuursrechter van de rechtbank. In verband met het spanningsveld tussen de WOB en art. 67 AWR is er uitgebreide jurisprudentie in dat verband. De Staatssecretaris van Financiën heeft onlangs gewezen op de wenselijkheid van een aanscherping van art. 67 AWR ten aanzien van de informatieverstrekking over individuele belastingplichtigen in verband met de in acht te nemen vertrouwelijkheid. Een afweging in de zin van de WOB zou kunnen worden uitgesloten, zodat geen verzoeken om informatie over individuele belastingplichtigen zouden kunnen worden ingediend door anderen dan de belastingplichtige zelf24.

Informatieverstrekking door de fiscus - 3 Achtergronden en ontwikkelingen

3 Achtergronden en ontwikkelingen

Het wettelijke systeem
Gezien het wettelijk kader zoals uiteengezet in hoofdstuk 2 valt een drietal zaken op. In de eerste plaats blijkt dat ten aanzien van het verstrekken van persoonsgegevens door de fiscus de wet niet één systeem kent. Het gaat om een verscheidenheid van bepalingen die variëren van verplichtingen tot geheimhouding, via ontheffingen en enkele bepalingen die een bevoegdheid tot verstrekken verlenen, tot aan bepalingen die tot verstrekken verplichten. De fiscale geheimhoudingsbepalingen spelen in dit geheel van juridische normen een centrale rol.

In de tweede plaats is door de wijze waarop de ontheffingsbevoegdheid is ingevuld, de geheimhoudingsplicht minder streng dan men zou vermoeden. In het vorige hoofdstuk bleek dat de fiscale geheimhoudingsplicht geacht wordt veel strenger te zijn dan de geheimhoudingsplicht in de Algemene wet bestuursrecht. Tegenover de stringente wettelijke geheimhoudingsplicht staat echter de mogelijkheid tot het verlenen van ontheffing. De norm in de wet is stringent, maar de betekenis van de bescherming van de fiscale informatie wordt mede bepaald door het ontheffingenbeleid van de Minister, c.q. de Staatssecretaris van Financiën. Zoals ook hierna zal blijken vertoont het aantal ontheffingen een sterke groei. Daardoor verliezen de verstrekkingen het karakter van uitzondering, dat in het begrip ontheffing besloten ligt, en nemen zij meer structurele vormen aan.

In de derde plaats valt aan dit uit de jaren '50 daterende systeem op, dat als er geen geheimhouding wordt voorgeschreven, informatie kennelijk vrij verstrekt kan worden. Opvattingen over het legaliteitsbeginsel en privacyjurisprudentie hebben dit standpunt echter achterhaald. De rechtsontwikkeling heeft ertoe geleid dat het opheffen van een geheimhoudingsplicht op zich niet voldoende is om een bepaalde verstrekking mogelijk te maken. Daar is een verstrekkingsgrond of -bevoegdheid voor nodig. De ontheffing van een geheimhoudingsplicht is strikt genomen niet meer dan het opheffen van een barrière. Dat is echter niet hetzelfde als het in het leven roepen van een verstrekkingsgrond of een verstrekkingsbevoegdheid.

De aanwezigheid van een verstrekkingsbevoegdheid wordt in de eerste plaats vereist door het legaliteitsbeginsel. Het legaliteitsbeginsel vereist een wettelijke basis voor overheidsoptreden. Een overheidsorgaan dient voor overheidsoptreden - en daarbij kan het ook gaan om het verstrekken van gegevens - een bevoegdheid te hebben. De vraag of het overheidsorgaan wel bevoegd is tot een bepaalde verstrekking is belangrijk, omdat verstrekking van informatie door een overheidsorgaan (ook wanner het recht op privacy niet in het geding is) rechtens te beschermen belangen kan raken. In de tweede plaats kan privacywetgeving een verstrekkingsbevoegdheid vereisen25. Op de implicaties van de privacywetgeving wordt in hoofdstuk 4 nader ingegaan.

Ontwikkelingen
De Belastingdienst wordt geconfronteerd met een steeds groter aantal verzoeken om informatie. De behoefte aan gegevensuitwisseling binnen de overheid neemt toe. Dat hangt in de eerste plaats samen met het regeringsbeleid dat is gericht op bestrijding en voorkoming van misbruik en oneigenlijk gebruik van overheidsregelingen. Ook wordt in het kader van de 'Elektronische overheid'26 gestreefd naar een verbeterde uitwisseling van gegevens tussen overheidsinstellingen. Het doel daarvan is besparingen te realiseren door een efficiëntere bedrijfsvoering, een effectievere uitvoering van het beleid en een verbeterde dienstverlening. Over het algemeen kan gesteld worden dat ten behoeve van met name opsporing, controle, efficiency-verhoging, en pro-actieve dienstverlening, een toenemende behoefte aan het uitwisselen van gegevens de trend is.

Zo wordt er meer aan opsporingsinstanties verstrekt. Naast informatieverstrekking aan de opsporingsambtenaren van sociale zekerheidsinstellingen, kunnen nu ondere andere ook gegevens verstrekt worden:
a aan de Officier van Justitie vóórdat er sprake is van een strafrechtelijk financieel onderzoek (SFO), om in een vroeg stadium te kunnen beslissen of al dan niet het strafrechtelijke traject wordt gekozen voor de afroming van criminele winsten; b aan het Meldpunt ongebruikelijke transacties (MOT) in het kader van de beoordeling of er sprake is van een verdachte transactie; c ten behoeve van vooronderzoeken gericht op segmenten van de samenleving, waarbij nog geen vermoeden bestaat van aanwijsbare strafbare feiten (de zgn. verkennende strafrechtelijke onderzoeken)27;

d aan en binnen samenwerkingsverbanden met andere instanties met een publiekrechtelijke taak. De Belastingdienst werkt samen met opsporingsinstanties, waaronder de politie, en andere bestuursorganen. In het VIV 1993 zijn nu ook voorschriften hieromtrent opgenomen. Aan elke vorm van samenwerking met andere instanties dient een convenant ten grondslag te liggen. De verstrekking van informatie door de Belastingdienst en het gebruik van de informatie door het samenwerkingsverband moet nader in het convenant zijn geregeld28.

Fiscale gegevens worden gebruikt voor controle of verificatie in het kader van een juiste uitvoering van overheidsregelingen. In hoofdzaak gaat het daarbij om financiële overheidsregelingen, zoals subsidieregelingen of soortgelijke voorzieningen. Thans kan echter ook de medewerking van de fiscus gevraagd worden ten aanzien van niet-financiële overheidsregelingen, bij voorbeeld gemeentelijke regels ter bestrijding van permanente bewoning van recreatiewoningen. Om in het kader van die regelingen te kunnen bepalen of een persoon een woning al dan niet permanent bewoont, worden door gemeenten woonplaatsgegevens uit de fiscale administratie gevraagd29.

Zoals opgemerkt worden gegevens voornamelijk voor diverse inkomensafhankelijke regelingen gevraagd. De verificatie van de opgegeven gegevens zal meer gaan plaatsvinden vóórdat de aanvraag wordt toegekend, in plaats van achteraf. Daardoor zou gesproken kunnen worden van een meer pro-actief gebruik van de fiscale gegevens in het kader van verificatie en controle. De nieuwe werkwijze kan ook een uitbreiding van het aantal organisaties of personen met zich meebrengen waaraan gegevens verstrekt worden. Dat hangt ook wel samen met bepaalde uit privacy-oogpunt complicerende factoren. Daarvan is bij voorbeeld sprake wanneer aan de voorziening een verband ten grondslag is gelegd met het eigen inkomen en vermogen, en met dat van andere leden van het huishouden. Zo worden in het kader van een efficiënte uitvoering van het beleid van de overheid maatregelen getroffen om burgers niet iedere keer opnieuw een aanvraag- of verzoekformulier in te hoeven laten vullen30. Het kabinet heeft onlangs een ambtelijke werkgroep ingesteld om een systeem voor te bereiden waardoor het aanvragen van voorzieningen eenvoudiger zou moeten worden31. De bedoeling is dat de Belastingdienst hiertoe inkomensgegevens gaat verstrekken die nodig zijn voor de toewijzing van huursubsidie, kinderopvang, en/of schuldkwijtschelding. Daarbij zouden ook gegevens over de gezinssituatie worden betrokken. In het kader van deze plannen wordt overwogen verstrekkingen van fiscale gegevens mogelijk te maken, die thans niet toegestaan zijn. Bij voorbeeld verstrekkingen van gegevens van leden van het huishouden aan de aanvrager. Daarnaast zouden in de toekomst wellicht aan één enkele organisatie gegevens worden verstrekt, die met de uitvoering van al deze inkomensafhankelijke regelingen wordt belast.

Gegevens worden ook verstrekt in het kader van beleid van de overheid dat is gericht op pro-actieve dienstverlening. Onder pro-actieve dienstverlening wordt verstaan het op eigen initiatief starten van dienstverlening richting de burger. Hierdoor kan de burger benaderd worden om hem te wijzen op bepaalde rechten en dergelijke, wanneer hij daar om wat voor reden dan ook (nog) geen beroep op heeft gedaan, bij voorbeeld door een aanvraag in te dienen. In het kader van het pro-actief optreden van de overheid bij armoedebestrijding bij voorbeeld, worden personen op basis van hun inkomen actief benaderd om hen te wijzen op bepaalde voorzieningen of uitkeringen waar zij gelet op hun inkomen gebruik van kunnen maken. De inkomensgegevens die benodigd zijn voor de selectie van de doelgroep, zijn afkomstig van de Belastingdienst32.

Uiteraard spelen ook hier technologische en maatschappelijke ontwikkelingen een belangrijke rol bij de ontwikkeling van het gegevensverkeer. De Belastingdienst is thans ook aangesloten bij RINIS, wat nieuwe mogelijkheden biedt tot gegevensuitwisseling. RINIS biedt een "architectuur" voor de uitwisseling van gegevens binnen de sociale verzekeringssector, en tussen die sector en andere sectoren. Een en ander op basis van de uitgangspunten standaardisatie en het gebruik van authentieke bronnen. De Belastingdienst gaat in dit concept functioneren als authentieke bron van gegevens.

Gevolgen
De hiervoor beschreven ontwikkelingen kunnen er op duiden dat de Belastingdienst meer en meer gezien wordt als een organisatie met een instrumenteel karakter voor het uitwisselen van gegevens binnen de overheid. Enerzijds als rijke bron waaruit geput kan worden, een loket voor de verstrekking van allerlei gegevens. In dat verband kan worden gesproken van een 'basisadministratie' van financiële gegevens. Anderzijds als 'doorgeefluik'. Een voorbeeld van de laatste categorie was het voorstel vanuit het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot een AMvB die banken in het kader van art. 122 ABW informatieplichtig zou maken ten opzichte van gemeenten. Het verstrekken van bankgegevens zou uit praktische overwegingen via de Belastingdienst moeten plaatsvinden33.

Gelet op de behoefte aan gegevensuitwisseling is de ontheffingsmogelijkheid voor de praktijk van groot belang geworden. Dat blijkt ook wel uit het feit dat het huidige VIV 1993 zodanig is uitgewerkt dat daarin nagenoeg alle aspecten van de geheimhoudingsplicht, de ontheffing daarvan, en de verstrekkingen van persoonsgegevens zijn geregeld, zelfs al is er sprake van een verstrekking die door een specifieke wettelijke regeling wordt voorgeschreven. Blijkbaar is beoogd één uitgewerkt verstrekkingensysteem te realiseren.

Informatieverstrekking door de fiscus - 4 Doorwerking van privacynormen

4 Doorwerking van privacynormen


4.1 Privacynormen34

Vaak zal de informatie die de Belastingdienst in het kader van het VIV 1993 verstrekt, bestaan uit gegevens die herleidbaar zijn tot natuurlijke personen. De verstrekking kan dan op gespannen voet komen met de bescherming van de privacy van degenen op wie de gegevens betrekking hebben. Immers, aan de fiscus zijn gegevens toevertrouwd die verplicht zijn verstrekt en mede daarom geacht worden door de fiscale geheimhoudingsplicht te worden beschermd. Dit spanningveld wordt verder vergroot door de mogelijkheden die de huidige informatietechnologie biedt voor het uitwisselen van gegevens. In de gevallen dat de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in het geding is, dient het verstrekken van gegevens dan ook te voldoen aan de vereisten die privacywetgeving daaraan stelt.

Internationale grondrechten
Het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is een klassiek grondrecht, neergelegd in artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), en artikel 10 van de Grondwet.

Artikel 8 EVRM eist dat iedere beperking van het grondrecht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer op een wettelijke grondslag berust. Artikel 10 van de Grondwet scherpt deze bepaling aan en verlangt voor elke beperking een grondslag in de formele wet.

Voor een wettelijke beperking van het voornoemde grondrecht gelden ook materiële eisen. Het wettelijk voorschrift waarop een beperking van het grondrecht op privacy berust, zal voldoende nauwkeurig moeten zijn en adequate en effectieve waarborgen moeten bevatten tegen ongeoorloofde inbreuken. Voorts is een beperking van het recht op privacy slechts toegestaan indien deze in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van "national security, public safety or the economic well-being of the country, for the prevention of disorder or crime, for the protection of health or morals, or for the protection of the rights and freedoms of others."

Volgens vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de rechten van de mens betekent dit dat de beperking moet worden gerechtvaardigd door een pressing social need en in overeenstemming moet zijn met de beginselen van proportionaliteit (de beperking mag niet onevenredig zijn in verhouding tot het nagestreefde doel) en subsidiariteit (het nagestreede doel moet niet op een voor de burger minder ingrijpende wijze kunnen worden bereikt).
Naarmate de inbreuk op de privacy groter is - bijvoorbeeld doordat het gaat om gevoelige gegevens of tussen de taken van het verstrekkende en ontvangende orgaan slechts een verwijderd verband bestaat - zal het belang van de gegevensverstrekking in het licht van het doel van de betrokken regeling concreter moeten worden aangetoond. Van even groot belang is het subsidiariteitsvereiste. Dit houdt in dat ook in concreto duidelijk moet zijn dat andere, minder in de persoonlijke levenssfeer van de burger ingrijpende maatregelen redelijkerwijs niet mogelijk of onvoldoende doeltreffend zouden zijn.

In het kader van de Raad van Europa is artikel 8 EVRM op het terrein van de geautomatiseerde registratie van persoonsgegevens nader uitgewerkt in het op 28 januari 1981 tot stand gekomen Databeschermingsverdrag35. Dit verdrag heeft tot doel aan een ieder de eerbiediging van zijn rechten en fundamentele vrijheden te waarborgen en met name zijn recht op persoonlijke levenssfeer met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van hem betreffende persoonsgegevens (artikel 1). Het verdrag bevat materiële bepalingen in de vorm van grondbeginselen van databescherming. De partijen bij het verdrag zijn verplicht deze fundamentele beginselen in hun nationale recht te realiseren (artikel 4).

In artikel 5 van het verdrag is het beginsel van de doelbinding neergelegd. Dit beginsel komt er op neer dat gegevens over individuele personen alleen voor een bepaald doel mogen worden vastgelegd. Dat doel bepaalt welke gegevens mogen worden opgenomen, hoe ze mogen worden gebruikt en aan wie ze mogen worden verstrekt. Artikel 8 bevat een ander fundamenteel beginsel, namelijk het transparantiebeginsel. Dat beginsel houdt in dat er openheid dient te zijn over gegevensverwerkingen, zodat door een ieder kennis genomen kan worden van het bestaan van een geautomatiseerd bestand van persoonsgegevens, en de voornaamste doeleinden hiervan.

Artikel 9 van het Verdrag voorziet in de mogelijkheid tot doorbreking van het doelbindings- en transparantiebeginsel: ... indien de wet in een dergelijke afwijking voorziet en het hier een maatregel betreft die in een democratische samenleving noodzakelijk is ten behoeve van:
a de bescherming van de veiligheid van de Staat, de openbare veiligheid, de geldelijke belangen van de Staat of de bestrijding van de strafbare feiten;
b de bescherming van de betrokkene en van de rechten en vrijheden van anderen (art. 9 lid 2).

Deze bepaling verbindt aan de mogelijkheid het doelbindingsprincipe te doorbreken dezelfde voorwaarden als bedoeld in artikel 8 lid 2 EVRM. Dat betekent derhalve dat:
a het voorschrift voldoende nauwkeurig moet zijn omschreven; b het voorschrift adequate en effectieve waarborgen moet bevatten tegen ongeoorloofde inbreuken;
c de inbreuk moet worden gerechtvaardigd door een "pressing social need" en in overeenstemming moet zijn met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.

De in oktober 1995 tot stand gekomen EG-richtlijn 95/46/EG36 sluit bij de benadering van het Verdrag van Straatsburg aan37. Met de bepalingen uit de richtlijn, waarvan de werkingssfeer zich uitstrekt over de verwerking van persoonsgegevens, wordt een uniforme regeling inzake de bescherming van persoonsgegevens binnen de EU-lidstaten en dus een gelijkwaardig niveau van bescherming gerealiseerd.

WBP
In het Nederlandse recht zijn de hierboven beschreven beginselen uitgewerkt in de Wet persoonsregistraties (Wpr) en de toekomstige Wet bescherming persoonsgegevens (WBP) die uitvoering geeft aan de Richtlijn 95/46/EG. In de WBP is de doelbinding neergelegd in artikel 9, eerste lid: persoonsgegevens worden niet verder verwerkt op een wijze die onverenigbaar is met de doeleinden waarvoor ze zijn verkregen. Dit voorschrift sluit aan bij artikel 6, eerste lid, Wpr (de in een registratie opgenomen gegevens worden slechts gebruikt voor doeleinden die met het doel van de registratie verenigbaar zijn). Beide voorschriften geven uitdrukking aan het beginsel van de doelbinding. De doelbinding dient reeds bij het verzamelen van gegevens aanwezig te zijn. Niet alleen dient er dan sprake te zijn van een uitdrukkelijk en welbepaald doel waarvoor de gegevens worden verzameld. Ook dient dat doel gerechtvaardigd te zijn (artikel 7). Van 'gerechtvaardigde doeleinden' kan alleen sprake zijn als deze met inachtneming van artikel 8 kunnen worden bereikt. Artikel 8 bevat een limitatieve opsomming van de gronden die een gegevensverwerking rechtvaardigen. Het artikel behelst bovendien dat bij elke verwerking moet zijn voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit38.

Artikel 9 bevat het sluitstuk van het doelbindingsvereiste. Dit artikel schrijft het doel waarvoor de gegevens zijn verkregen als uitgangspunt en toetsingskader voor voor iedere vorm van (verdere) gegevensverwerking. Gegevens mogen niet worden verwerkt op een wijze die onverenigbaar is met die doeleinden. Gegevens mogen dus wel worden gebruikt voor andere doeleinden dan waarvoor zij zijn verzameld. Doch dit andere doel dient verenigbaar te zijn met het oorspronkelijke. Als er sprake is van een doelstelling, die uit meerdere onderdelen bestaat, is van belang dat de onderdelen van de doelstelling onderling verenigbaar zijn. Dit om te voorkomen dat gegevens die voor een bepaald doel zijn verzameld, in strijd met artikel 9 van dit wetsvoorstel voor andere onderdelen worden gebruikt39.

Bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van verenigbaar gebruik leggen uiteenlopende factoren gewicht in de schaal. In het tweede lid van artikel 9 zijn deze factoren vastgelegd als wettelijk criterium. Elk van de genoemde factoren dient - mogelijk in samenhang met andere factoren die in het concrete geval als relevant moeten worden beschouwd - in onderling verband te worden beoordeeld en gewogen ter beantwoording van de vraag of sprake is van verenigbaar gebruik.

In de eerste plaats is van belang om te kijken naar de verwantschap tussen het doel waarvoor de verantwoordelijke de gegevens overweegt te gebruiken enerzijds en het doel waarvoor de gegevens zijn verkregen anderzijds. De bepaling inzake verenigbaar gebruik geeft uitdrukking aan het doelbindingsprincipe. Om die reden ligt het voor de hand om eerst te bezien welke verwantschap er bestaat tussen het oorspronkelijke doel en het doel waarvoor de verantwoordelijke de gegevens op dat moment zou willen gebruiken. Is die verwantschap nauwer dan is vanzelfsprekend eerder sprake van verenigbaar gebruik dan wanneer slechts van een verder verwijderd verband sprake is.

Vervolgens is de aard van de betreffende gegevens van belang. Artikel 16 betreft de gegevens die uit hun aard gevoelig zijn. Daarnaast kunnen gegevens gevoelig zijn door de context waarin zij worden gebruikt, bij voorbeeld de gegevens omtrent iemands kredietwaardigheid of welstand. Hoe gevoeliger het gegeven, hoe minder snel mag worden aangenomen dat er sprake is van verenigbaar gebruik indien bij enige verwerking wordt afgeweken van het oorspronkelijk doel.

Voorts is van belang in welke mate de betrokkene de gevolgen ondervindt van een doelwijziging. Worden de gegevens gebruikt als basis voor mogelijke beslissingen met betrekking tot hem, dan is er eerder sprake van onverenigbaar gebruik dan wanneer de gegevens worden gebruikt voor wetenschappelijk onderzoek of voor de toezending van bepaalde boodschappen. Bij deze beslissingen gaat het zowel om beslissingen in de private sector, bij voorbeeld in het kader van het acceptatiebeleid van verzekeraars, of in de publieke sector, bij voorbeeld de beslissing om iemand te onderwerpen aan de uitoefening van bepaalde toezichthoudende bevoegdheden. Daar waar echter geen beslissingen worden genomen jegens betrokkenen, is het onverenigbaar gebruik minder snel aanwezig40.

Tenslotte zijn de wijze waarop de gegevens zijn verkregen, en de mate waarin jegens de betrokkene wordt voorzien in passende waarborgen, factoren die een rol spelen bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een onverenigbare verwerking van persoonsgegevens.

Het vierde lid van art. 9 WBP bepaalt dat de verwerking van persoonsgegevens achterwege blijft voor zover een geheimhoudingsplicht uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift daaraan in de weg staat. Met deze bepaling wordt buiten twijfel gesteld dat een ambts- of beroepsgeheim dan wel een wettelijke verplichting tot geheimhouding niet kan worden terzijde geschoven door het bepaalde in artikel 8 WBP41. Indien uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift daarentegen geen geheimhouding geboden is, zijn de artikelen 8 en 9, eerste, tweede en derde lid van toepassing.

Het transparantiebeginsel is als volgt in de Richtlijn en de WBP uitgewerkt. Als de gegevens niet bij de betrokkene worden verkregen (hetgeen in fiscale verhoudingen vaak het geval kan zijn!), moeten tenminste de doeleinden van de verwerking medegedeeld worden, en verdere informatie, zoals de betrokken gegevenscategorieën en de ontvangers of de categorieën ontvangers, voor zover die, met inachtneming van de specifieke omstandigheden waaronder de verdere informatie verzameld wordt, nodig is om tegenover de betrokkene een eerlijke verwerking te waarborgen. De afhankelijke positie van de betrokkene ten opzichte van de verantwoordelijke kan bijvoorbeeld aanleiding zijn deze uitgebreider te informeren. De mededeling dient te worden gedaan op het moment van registratie van de gegevens, of uiterlijk op het moment van eerste verstrekking.

De verantwoordelijke moet actief en ongevraagd de betrokkene van de gegevensverwerking op de hoogte stellen, tenzij deze reeds op de hoogte is. De verplichting van de verantwoordelijke op eigen initiatief de betrokkene op de hoogte te stellen van de gegevensverwerking is een belangrijk instrument om het gegevensverkeer transparant te maken. De ratio van de informatieverplichting is dat de verwerkingen van de verantwoordelijke voor de betrokkene aanspreekbaar zijn in rechte. De betrokkene is in staat te volgen hoe gegevens over hem worden verwerkt en bepaalde vormen van verwerking of onrechtmatig gedrag van de verantwoordelijke in rechte aan te vechten42.

In art. 43 WBP zijn de gevallen neergelegd waarin de doelbinding en het transparantiebeginsel kan worden doorbroken. Dat betekent dat, indien er geen sprake is van verenigbaar gebruik of als niet wordt voldaan aan de verplichting tot informatieverstrekking aan de betrokkene, de verwerking in uitzonderlijke omstandigheden toch rechtmatig kan zijn uit hoofde van artikel 43 WBP. Dat is echter slechts het geval voor zover dat in het concrete geval noodzakelijk is in het belang van één van de aldaar opgesomde doeleinden. Het gaat hier evenwel om uitzonderingen: artikel 43 dient restrictief te worden geïnterpreteerd43.


4.2 Het verstrekkingensysteem getoetst

Gelet op de reikwijdte van het Verdrag van Straatsburg, het EVRM en de Richtlijn 95/46/EG gelden de hierboven genoemde criteria voor alle verstrekkingen door de Belastingdienst en a fortiori voor zover door de verstrekking van gegevens een inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer. In verband daarmee is er voldoende aanleiding om art. 67 lid 2 AWR en de daarop gebaseerde regelingen aan een nadere toets te onderwerpen.


4.2.1 Doelbinding, transparantie

Bij de verstrekkingen door de fiscus waar het in dit verband om gaat, wordt het doelbindingsprincipe structureel doorbroken. Gelet op de tekst van art. 67 AWR gaat het immers bij verstrekkingen op basis van een ontheffing als bedoeld in het tweede lid juist om verstrekkingen die niet nodig zijn voor de uitvoering van de belastingwet of voor de heffing of de invordering van enige rijksbelasting.

In verband met de huidige manier van publicatie van het VIV 1993, is de transparantie van de regeling onvoldoende. Immers de bijlagen van het Voorschrift, waarin o.a. alle structurele verstrekkingen zijn opgenomen, worden slechts op zeer beperkte schaal bekendgemaakt.

Bij het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik kan overigens onder bepaalde voorwaarden wel aan het vereiste van "pressing social need" worden voldaan. Een belangrijke rol is daarbij weggelegd voor het subsidiariteits- en proportionaliteitsbeginsel. Hieronder wordt daar nader op ingegaan.


4.2.2 Formeel-wettelijke grondslag

Doorbreking van de doelbinding is alleen mogelijk wanneer de mogelijkheid hiertoe is terug te voeren op een wet in formele zin en deze bovendien dringend noodzakelijk is in verband met bepaalde maatschappelijke belangen. Strikt genomen is er voor het verstrekken van persoonsgegevens door de fiscus geen formeel-wettelijke grondslag aanwezig, aangezien in de fiscale wet in feite alleen is geregeld wanneer de barrière wordt opgeheven. Verstrekkingsgronden worden niet in het leven geroepen44. Voor het verstrekken van gegevens is er in dat licht dus in de belastingwet geen formeel-wettelijke basis.

Zou daarentegen worden aangenomen dat de wetgever met artikel 67, tweede lid, AWR wel bedoeld heeft een grondslag voor het verstrekken van gegevens te verlenen45, dan biedt de ontheffingsmogelijkheid in de AWR weliswaar een formeel-wettelijke basis, maar ontbreekt de vereiste nauwkeurige omschrijving. Immers, de bepaling vermeldt slechts: "Onze minister kan ontheffing verlenen...". Daarbij worden geen ontheffingen of verstrekkingen gespecificeerd, of zelfs maar voorwaarden of beperkingen gegeven. De bepaling is daarom in feite een algemene wettelijke machtiging om gegevens te verstrekken. Het ontbreken van een nauwkeurige omschrijving betekent dat eventuele gegevensverstrekkingen een voldoende specifieke formeel-wettelijke grondslag missen. Tevens ontbreken in de wet adequate en effectieve waarborgen tegen ongeoorloofde inbreuken, en wordt niet nader aangeduid dat er sprake zou zijn van een pressing social need.

Informatieverstrekking door de fiscus 4 Doorwerking van privacynormen


4.2.3 Aandachtspunten

Uit het voorgaande blijkt dat er thans geen adequate wettelijke grondslag is, waardoor er onvoldoende wettelijke waarborgen zijn tegen ongewenste inbreuken op het grondrecht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Het eerste aandachtspunt is derhalve dat de regeling op formeel-wettelijk niveau dient te worden aangepast. De regeling inzake gegevensverstrekking door de fiscus dient inhoudelijk te voldoen aan de normen van nationale en internationale privacyvoorschriften en de daarbij behorende vereisten en afwegingen.

Bij het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik kan aan het vereiste van pressing social need in principe worden voldaan, mits de wetgever bij iedere concrete beperking heeft overwogen tegen welke fraude deze zich keert en waarom de gegevensverstrekking een redelijk en redelijkerwijs noodzakelijk middel is om deze fraude te voorkomen of bestrijden. Het zonder meer in het leven roepen van een "authentieke bron" is niet in overeenstemming met de vereisten van de privacywetgeving46.

Het verstrekken van gegevens dient beperkt te blijven tot het bijdragen aan bepaalde publieke taken. De verwantschap in taken en verantwoordelijkheden van de Belastingdienst met de gegevens ontvangende organisaties speelt in dat verband een belangrijke rol. Steeds dient dit echter in concreto aannemelijk te worden gemaakt. Daarnaast dient een zo concreet mogelijke invulling te worden gegeven aan het gegevensverkeer, waarbij nauwkeurig wordt afgebakend welke gegevens aan welke organisaties kunnen worden verstrekt. Er dient adequaat toezicht op het gegevensverkeer te zijn, en de burger moet mogelijkheden hebben tot rechtsbescherming. Die bescherming zou in het huidige stelsel verband houden met de beslissing van de minister cq. de staatssecretaris om al dan niet ontheffing te verlenen47.

Met het oog op het transparantiebeginsel is het van belang dat aan de informatie aan de burger over het verstrekken van fiscale gegevens meer aandacht wordt besteed.

Ook verdient het volgende punt aandacht. In verschillende andere wetten dan de belastingwet zijn bepalingen opgenomen die de Belastingdienst opdragen informatie te verstrekken. Daarbij is het echter in de eerste plaats van belang een duidelijk onderscheid te maken tussen bepalingen die een bevoegdheid tot verstrekken in het leven roepen en voorschriften die tot informatieverstrekking verplichten. Is er sprake van een informatieverplichting waardoor de privacy van de betrokkenen wordt beperkt, dan dient in de tweede plaats de bepaling te voldoen aan de eisen van art. 8 EVRM en art. 10 Gw. Vaak zal de opdracht aan de Belastingdienst zijn neergelegd in een lagere regeling dan de formele wet. In dat geval dient te worden onderzocht of de relevante bepalingen van de toepasselijke regeling terug zijn te voeren op een uitdrukkelijke beperkingsgrondslag in een wet in formele zin, als bedoeld in artikel 8 EVRM en artikel 10 van de Grondwet. De formeel-wettelijke bepaling dient bij voorbeeld voldoende specifiek te zijn gericht op de beoogde gegevensverstrekking door de Belastingdienst. Met het oog daarop legt het ontheffingensysteem een verantwoordelijkheid bij de Minister, c.q. de Staatssecretaris van Financiën om een beroep op een bepaling krachtens een andere wet die tot verstrekking zou verplichten, aan zo'n toets te onderwerpen. Een "automatische" ontheffing in de vorm van een verwijzing naar voorschriften die op het eerste gezicht een informatieverplichting lijken te bevatten, is in dat licht niet op zijn plaats48.

Zou worden besloten tot aanpassing van de regeling omtrent het verstrekken van gegevens door de fiscus waarbij het systeem van ontheffingen wordt verlaten, dan zal een aantal belangrijke keuzes moeten worden gemaakt die het verstrekkingenregime betreffen. Bij voorbeeld de keuze tussen de handhaving van een bijzondere sectorale regeling enerzijds, en het terugvallen op een algemene regeling anderzijds. Bij het eventueel loslaten van het systeem van ontheffingen zal zich voorts de vraag voordoen of gekozen moet worden voor enerzijds een stelsel waarin verstrekking van gegevens slechts krachtens wettelijke verplichting mogelijk is (het systeem van art. 2:5 Awb) of anderzijds voor een geclausuleerde bevoegdheid tot verstrekking (het systeem van art. 18 lid 3 Wpr).

Bij het maken van de keuze spelen de criteria van Richtlijn 95/46/EG en art. 8 EVRM een beslissende rol. De algemene regeling omtrent gegevensverstrekking tussen overheidsorganen is thans neergelegd in artikel 18 lid 3 Wpr. Deze bepaling kan echter niet de basis vormen van het fiscale verstrekkingenregime. Zij is immers niet bedoeld voor dit soort structurele verstrekkingen. Illustratief in dit verband is de grote betekenis die de uitgebreide regeling van het VIV 1993 thans heeft voor de uitvoeringspraktijk. In hoofdstuk 3 werd daar reeds op gewezen. Gelet op het specifieke karakter van de fiscale informatie-omgeving zal gekozen moeten worden voor een bijzondere sectorale regeling, zoals dat destijds ook is gedaan ten aanzien van de sector sociale zekerheid en de sector gezondheidszorg. Het toekomstige artikel 8 onder e WBP brengt daarin overigens geen verandering.


4.2.4 VIV 1993: opmerkingen

Naast de hiervoor genoemde aandachtspunten voor een regeling inzake de verstrekking van persoonsgegevens door de fiscus, volgen hier enkele opmerkingen over het VIV 1993, zoals dat op dit moment luidt. Deze opmerkingen moeten ook in het licht gezien worden van de hiervoor genoemde aandachtspunten, zoals nauwkeurige omschrijving, transparantie, en formeel-wettelijke grondslag.

Algemeen karakter
Het VIV 1993 is inmiddels een veelomvattende regeling geworden, die als zodanig duidelijkheid schept over het normenkader voor het verstrekken van gegevens. Anderzijds echter legt het systeem een verantwoordelijkheid bij de staatssecretaris wat betreft de actualiteit en de inhoudelijke juistheid van het voorschrift. Met name is dat ook van belang voor de gegeven wetsinterpretaties. Een voorbeeld is de omstreden vermelding in het VIV 1993 dat een legger- of dossierverzameling bij de Belastingdienst niet wordt beschouwd als een persoonsregistratie49. Die interpretatie is in het VIV 1993 direct van invloed op de vraag of op grond van het VIV 1993 spontaan gegevens verstrekt mogen worden50. Een ander voorbeeld: het VIV 1993 bevat in de bijlagen een enkele onduidelijke verwijzing naar voorschriften die een wettelijke basis voor verstrekking zouden opleveren. Zo is in de bijlage een verstrekking vermeld op basis van de "Kentekenwet"51. Daarnaast is door het veelomvattende karakter van het voorschrift het risico aanwezig dat de grens vervaagt tussen uitgangspunten, normen, toelichting en instructie.

Verstrekkingsgronden
In Hoofdstuk 2 Algemeen van het VIV 1993 is een aantal belangrijke criteria opgenomen voor informatieverstrekking. Het gaat daarbij om "doelbinding" (art. 2.1.2.), een algemene belangenafweging (art.
2.1.3.), en gevallen, waarin de Belastingdienst aan andere bestuursorganen informatie verstrekt (art. 2.2.). Enkele korte opmerkingen hierover.

Aan de doelbinding bij derdenverstrekking koppelt het VIV 1993 een "verwerkingscriterium". Dit criterium houdt in dat van derden verkregen gegevens die de Belastingdienst niet heeft verwerkt, niet aan anderen kunnen worden verstrekt (2.1.2. VIV 1993). Gegevens die de Belastingdienst heeft verwerkt zijn gegevens die de Belastingdienst zelf heeft gevormd, oftewel door de Belastingdienst gegenereerde gegevens (4.4. VIV 1993).

Het criterium is in de eerste plaats afwijkend van de uitleg die ingevolge het privacyrecht aan het begrip doelbinding wordt gegeven. In de Wpr komt de doelbinding bij derdenverstrekkingen tot uiting in artikel 11, eerste lid: uit een persoonsregistratie worden slechts gegevens aan een derde verstrekt voor zover zulks voortvloeit uit het doel van de registratie. Dit is de zogenaamde doelverstrekking. Gelet op het verschil in uitleg van het doelbindingsbegrip kan toepassing van het verwerkingscriterium uit het VIV 1993 met name in situaties waarin wel sprake zou zijn van een doelverstrekking of een andere verstrekkingsgrond als bedoeld in de Wpr, gaan wringen52.

Daarnaast is het criterium zeker in het licht van de WBP niet werkbaar, aangezien art. 2.1.2. de begrippen verwerken en genereren door elkaar gebruikt. Onder de WBP valt immers ook het verzamelen onder het verwerken van persoonsgegevens. Los daarvan is het al niet gemakkelijk te bepalen welke informatie al dan niet door de Belastingdienst zelf is gevormd of gegenereerd, zeker niet als de gegevens na verwerking ongewijzigd zijn gebleven. Bovendien is het onderscheid niet relevant, want de gegevens die zijn verkregen bij de uitvoering van de belastingwet, vallen onder de geheimhoudingsplicht, ongeacht of de Belastingdienst nu wel of niet informatie genereert uit de van derden verkregen gegevens.

In artikel 2.1.3. is bepaald dat de Belastingdienst voorafgaand aan de informatieverstrekking onder meer een vijftal daar genoemde belangen dient af te wegen. Met name gaat het daarbij om het belang van een effectieve fraudebestrijding en/of een effectieve uitoefening van de aan het ontvangende bestuursorgaan opgedragen taken. Artikel 2.2. bepaalt: De Belastingdienst verstrekt, met inachtneming van het bepaalde in Hoofdstuk 2.1.3., informatie aan bestuursorganen: (...) b) indien de informatieverstrekking kan bijdragen aan het handhaven van overheidsregelingen of aan de bestrijding of de voorkoming van misbruik of oneigenlijk gebruik van overheidsregelingen. (...).

De formulering "..kan bijdragen aan.." geeft een erg ruime omschrijving. Bovendien hoeft het niet alleen te gaan om financiële overheidsregelingen. Gelet op de beide voorgaande bepalingen is de handhaving en bestrijding of voorkoming van misbruik en oneigenlijk gebruik van overheidsregelingen een belangrijk criterium voor de toelaatbaarheid van gegevensverstrekkingen. Daarnaast is in art. 2.2 onder c) het criterium geïntroduceerd, dat ook in andere gevallen informatie aan bestuursorganen kan worden verstrekt, indien "naar het oordeel van de Staatssecretaris van Financiën het belang dat met informatieverstrekking wordt gediend, tegen het belang van fiscale geheimhouding, aan het eerstgenoemde belang groter gewicht moet worden toegekend." Dit criterium maakt ook andere verstrekkingen mogelijk naast die in het kader van - kortgezegd - fraudebestrijding. In feite is er zelfs sprake van een open norm.

De verhouding tussen 2.1.3. en 2.2. is niet helder. Dat wordt enerzijds veroorzaakt door de formulering in 2.2. ("De Belastingdienst ...verstrekt informatie aan bestuursorganen"), die in de gevallen onder b) en c) een informatieplicht lijkt te suggereren. Of het VIV 1993 het verstrekken van gegevens toestaat, is echter afhankelijk van de uitkomst van de belangenafweging van 2.1.3. Anderzijds lijkt het feit dat in de algemene belangenafweging ook het belang van een effectieve fraudebestrijding dient te worden meegewogen, ook de bepaling van 2.2. onder c) in te kleuren, terwijl het daarbij nu juist zou gaan om andere gevallen dan fraudebestrijding.

Uit het VIV 1993 is af te leiden dat slechts aan bestuursorganen structureel informatie wordt verstrekt. Hier geldt het verificatie-uitgangspunt: structureel te verstrekken informatie van de Belastingdienst kan in het algemeen slechts dienen voor de verificatie van de gegevens die bij een ander bestuursorgaan bekend zijn (3.1. VIV 1993). Nadat door de Directeur-Generaal der Belastingen ontheffing is verleend voor structurele verstrekkingen, wordt het bestuursorgaan opgenomen in de bijlagen. Ter uitvoering van structurele informatieverstrekking zijn er afspraken (convenanten) gemaakt over informatie-uitwisseling (3.2. VIV 1993). Een incidenteel verzoek van een bestuursorgaan wordt daarna uitsluitend nog aan de in de bijlage opgenomen criteria getoetst (4.4. VIV 1993). In dat geval heeft de belangenafweging al plaatsgevonden en hoeft niet ten aanzien van ieder individueel verzoek alsnog een belangenafweging plaats te vinden53.

Voor incidentele verzoeken van bestuursorganen om informatie dient te worden getoetst aan:
a de in de bijlagen genoemde criteria;
b "het uitgangspunt van Hoofdstuk 2.2.";
c het doelbindingsvereiste van 2.1.2. (gegenereerd gegeven); d een schriftelijk en duidelijk verzoek;
e het tijdsbeslag dat op de Belastingdienst wordt gelegd; f de eigen mogelijkheden van het verzoekend bestuursorgaan; g de verhouding tussen informatie en het doel van het verzoek. Wat betreft punt 1 zou tevens een toets aan het convenant van art. 3.2 voorgeschreven moeten worden. Daarin zijn immers in ieder geval waarborgen opgenomen voor verdere geheimhouding, etc. Punt 6 en 7 geven aan dat in het VIV 1993 inmiddels een subsidiariteits- en proportionaliteitstoets is geïntroduceerd bij incidentele verzoeken van bestuursorganen (4.4.3. en 4.4.4. VIV 1993). Betekent dit dat voor de andere gegevensverstrekkingen dan bedoeld in Hoofdstuk 4 niet de subsidiariteits- en proportionaliteitstoets is voorgeschreven?

Verplichtingen in andere wetten
Paragraaf 2.2.1. VIV 1993 ziet op verplichtingen die in wetten zijn opgenomen. Is van zodanige verplichting sprake, dan is geen ontheffing van de geheimhoudingsplicht nodig als bedoeld in het tweede lid van art 67 AWR. Het is maar de vraag of het niet nodig zijn van een ontheffing wel voort kan vloeien uit het VIV 1993 en niet reeds uit de relatie tussen de beide wetten. Bij voorbeeld wanneer er sprake is van een lex specialis ten opzichte van art. 67 AWR.

Het huidige VIV 1993 kent vanaf de wijziging m.i.v. 1 december 1998 een toets of het beroep op de wettelijke verplichting terecht is, en er zou, indien de wettelijke bepaling daartoe ruimte biedt, een belangenafweging moeten plaatsvinden als bedoeld in hoofdstuk 2.1.3. VIV 1993.

Ontheffing
Art. 2.2.2. VIV 1993 gaat in op de ontheffing van de geheimhoudingsplicht. Gelet op de systematiek van het VIV 1993 worden ontheffingen alleen verleend als het gaat om verstrekkingen aan andere bestuursorganen (2.2.2. jo. 2.2. VIV 1993). Bepaald is dat het voorschrift aangeeft in welke gevallen een ontheffing is verleend en dat het voorschrift verder regels geeft met betrekking tot informatieverstrekking. Deze bepaling geeft aanleiding tot de volgende opmerkingen.

In de eerste plaats lijkt de bepaling op een vreemde plaats te staan, nl. niet onder hoofdstuk 1 (Inleiding) of hoofdstuk 2 (Algemeen), waar het gelet op de inhoud misschien meer zou thuishoren. In de tweede plaats is door de formulering: "Het voorschrift geeft aan in welke gevallen een ontheffing is verleend" niet helemaal duidelijk wanneer er precies sprake is van een ontheffing: dient de ontheffing in het voorschrift te zijn aangegeven, of wordt door het voldoen aan de criteria voor informatieverstrekking van met name 2.1.3. en 2.2. van rechtswege een ontheffing van de geheimhoudingsplicht verleend? In de derde plaats lijkt de tekst: "Het voorschrift geeft verder regels..." te suggereren dat het voorschrift ook regels geeft buiten de gevallen waarin moet worden beslist over een ontheffing. Tenslotte: het VIV 1993 delegeert in een aantal gevallen de beslissing omtrent een ontheffing aan de Belastingdienst. Door wie wordt de beslissing in de andere gevallen genomen, en volgens welke regels? Aangenomen wordt dat de Staatssecretaris dan beslist op basis van de criteria van het VIV 199354.

Informatieverstrekking door de fiscus - 5 Conclusie

5 Conclusie

Technologische en maatschappelijke ontwikkelingen brengen voor de uitvoering van de overheidstaak een meer uitgebreid en complex gegevensverkeer met zich mee. Efficiencyverhoging, pro-actief optreden, fraudebestrijding, controle en opsporing zijn in dat verband belangrijke trefwoorden. De optelsom van al deze ontwikkelingen kan de burger echter meer en meer het gevoel geven door instanties te worden 'gevolgd'.

Temidden van deze ontwikkelingen die ook leiden tot een toenemend beroep op haar fiscale informatierijkdom, ziet de fiscus zich genoodzaakt binnen het toepasselijke wettelijke kader een antwoord te hebben op hetgeen aan informatieverzoeken op haar afkomt. Zij dient daarbij de belangen af te wegen die met fiscale geheimhouding zijn gediend. De fiscale geheimhoudingsplicht moet de vergaande bevoegdheden van de fiscus om gegevens te vergaren kunnen legitimeren. Als de fiscale geheimhoudingsplicht niet het vertrouwen wekt dat de verstrekte gegevens niet worden gebruikt voor andere doeleinden, heeft dat gevolgen voor de bereidheid van belastingplichtigen om informatie te verstrekken. Deze bereidheid wil de Belastingdienst juist bevorderen met zijn compliance-strategie, waarbij overtuiging en klantvriendelijk benaderen een belangrijke rol spelen. In theorie zou het ontbreken van die bereidheid tot gevolg kunnen hebben dat de fiscus genoodzaakt is nog ingrijpender maatregelen te treffen om toch over de benodigde persoonsinformatie te kunnen beschikken. Dat kan op zijn beurt weer een grotere inbreuk op de persoonlijke levenssfeer opleveren.

Bij de voorbereiding van deze studie is gebleken dat de Belastingdienst zich ervan bewust is dat dit het begin van een ongewenste vicieuze cirkel kan zijn. Gesteld wordt dan ook dat terughoudend en binnen de gegeven wettelijke kaders wordt opgetreden bij de verstrekking van informatie55. Van de bevoegdheid tot informatieverstrekking wordt slechts gebruik gemaakt na een afweging van de daarbij betrokken belangen. Gewezen wordt op het belang van het VIV 1993 voor zowel de verantwoording van, en de eenheid van het beleid, als voor een zorgvuldige belangenafweging. De Belastingdienst is van mening dat de aan de Minister van Financiën toegekende discretionaire bevoegdheid met het VIV 1993 volledig is ingekaderd in een openbaar raamwerk van voorwaarden voor en beperkingen van de verstrekking van informatie. Daarnaast zou alleen het huidige stelsel voldoende flexibiliteit bieden om ook in onvoorzienbare omstandigheden tot adequate verstrekkingen van informatie over te gaan, die legitiem en noodzakelijk zijn. Een gedetailleerde wettelijke regeling zou daarvoor geen goede oplossing bieden, onnodig en zelfs onwenselijk zijn.

De fiscus is ervan overtuigd dat onzorgvuldige informatieverstrekking negatieve gevolgen kan hebben en haar bevoegdheid is inderdaad op praktische wijze door het VIV 1993 ingekaderd. In het licht van deze studie is het standpunt van de fiscus, dat uitgaat van een voldoende wettelijk fundament, echter niet meer houdbaar. De toepasselijke wettelijke regeling voor verstrekking van persoonsgegevens door de fiscus, die uitgaat van het ontheffingenstelsel, is qua systeem niet meer up-to-date in het licht van privacywetgeving en het legaliteitsbeginsel. Er is geen adequate wettelijke grondslag, waardoor er in feite onvoldoende wettelijke waarborgen zijn tegen ongewenste inbreuken op het grondrecht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

Een wijziging van de wettelijke regeling is daarom noodzakelijk. In het licht van het grondrecht op privacybescherming dient de regeling te voldoen aan bepaalde afwegingen en vereisten. Dat betekent dat: a de wet voldoende specifiek moet zijn;
b de wetgever in dient te gaan op de noodzaak van gegevensverstrekking in verband met bepaalde maatschappelijke belangen; c de rol van de Belastingdienst duidelijk moet zijn in het kader van de vereiste verwantschap in taken en verantwoordelijkheden; d tenminste op hoofdlijnen een invulling gegeven dient te worden aan het gegevensverkeer;
e zoveel mogelijk openheid moet worden betracht ten aanzien van de verstrekkingen.
Bij deze aandachtspunten spelen het subsidiariteits- en proportionaliteits-vereiste een belangrijke rol.

De behoefte aan gegevensuitwisseling binnen de overheid neemt nog steeds toe. Hoe groter de belangen die daarbij in het spel zijn, hoe meer zij een wettelijk gefundeerde regeling rechtvaardigen van de in dat kader noodzakelijke verstrekkingen door de Belastingdienst; een regeling die beantwoordt aan de nationale en internationale normen van privacybescherming. Het valt niet in te zien dat daarbij niet tevens in de behoefte aan flexibiliteit kan worden voorzien.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie