Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Brief Borst over stimuleringsregeling maatschapplijk werk

Datum nieuwsfeit: 01-01-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

vws00000.028 brief min vws inzake stimuleringsregeling algemeen maatsc happlijk werk

Gemaakt: 19-1-2000 tijd: 14:40


3

De Voorzitter van de Vaste Commissie voor

Volksgezondheid, Welzijn en Sport

van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Onderwerp

Stimuleringsregeling algemeen

maatschappelijk werk

Hierbij informeer ik u, conform uw verzoek van 16 december 1999, over de uitgangspunten en hoofdlijnen van de voorgenomen tijdelijke stimuleringsregeling ter vergroting van de capaciteit van het algemeen maatschappelijk werk (AMW). De planning is dat de regeling in maart gereed is en met terugwerkende kracht op 1 januari 2000 ingaat. De bij de versterking van de eerstelijns ggz betrokken landelijke organisaties, waaronder de VNG en het VOG/AMW, heb ik verzocht hun leden te informeren over de extra gelden. Gemeenten en instellingen voor AMW hebben langs die weg dus een vooraankondiging gehad, zodat de feitelijke realisatie van capaciteitsuitbreiding zo snel mogelijk na publicatie van de regeling kan starten. De regeling zoals die nu in hoofdlijnen voorligt, is eveneens in overleg met partijen ontwikkeld.

Uitgangspunten:

Bij het ontwerpen van de regeling hanteer ik de volgende uitgangspunten:

Gemeenten zijn en blijven verantwoordelijk voor het AMW-beleid. Belangrijk aandachtspunt daarbij is de verdere ontwikkeling van een versterkte eerstelijns ggz, onder andere door capaciteitsuitbreiding van het AMW. In het Bestuursakkoord-nieuwe-stijl hebben rijk en VNG zich uitgesproken voor een gezamenlijke inspanning op dit gebied.

De extra middelen van het rijk voor het AMW worden gedurende vier jaar verstrekt voor de uitbreiding van het aantal uitvoerend algemeen maatschappelijk werkers; na afloop van die periode, als de capaciteitsuitbreiding zich heeft kunnen stabiliseren, worden de middelen in het Gemeentefonds gestort.

Alle gemeenten kunnen een beroep doen op een rijksuitkering, onder andere om gemeenten die de afgelopen jaren met hun subsidiebeleid geprobeerd hebben achterstanden in te lopen of de toenemende vraag bij te houden, daarin niet te ontmoedigen. Bovendien geeft een algemene verdeling de meeste kansen op het instandblijven van gerealiseerde uitbreiding nadat de extra rijksgelden in het Gemeentefonds zijn gestort.

Voorwaarde voor het ontvangen van een rijksuitkering is dat de gemeenten zelf ook - geleidelijk - extra middelen inzetten voor een even grote capaciteitsuitbreiding als met de rijksuitkering mogelijk is.

Gemeenten waar het AMW per fte werkt voor 6000 inwoners of minder, mogen de rijksuitkering gebruiken voor andere doelen binnen hun AMW-beleid.

Na afloop van de stimuleringsperiode worden gemeenten afgerekend op de daadwerkelijk gerealiseerde capaciteitsuitbreiding of - waar van toepassing - het uitvoeren van de andere beleidsdoelen.

De ontwikkeling van de capaciteitsuitbreiding gedurende de stimuleringsperiode wordt geëvalueerd als onderdeel van het integrale onderzoek naar het proces van versterking van de eerstelijns ggz.

Achtergrond van deze uitgangspunten is het gegeven dat de variatie tussen gemeenten in relatieve capaciteit van het AMW erg groot is. De verhouding tussen aanbod en potentiële vraag is gemiddeld 1 fte :
8.100 inwoners, maar naast een groep gemeenten met een verhouding rond dat gemiddelde, is er ook een groep die in de buurt komt van de verhouding 1 : 6000 en een flink aantal gemeenten met - soms veel - meer dan 10.000 inwoners per fte. Volgens een steekproefonderzoek uit begin 1999 is er overigens geen direct verband tussen de aanbod - vraagverhouding en het voorkomen van wachtlijsten. Dat komt bijvoorbeeld doordat instellingen bij hoge werkdruk weinig meer investeren in samenwerking met huisartsen of in informatie over het aanbod aan de bevolking.

Anderzijds varieert het benodigde aanbod van AMW eveneens met de plaatselijke situatie, bijvoorbeeld met de aanwezigheid van andere welzijns- en zorgvoorzieningen, de samenwerkingsrelaties van het AMW met die voorzieningen en de bevolkingssamenstelling. Op grond hiervan is de conclusie dat de door de VOG/AMW genoemde gemiddelde minimumnorm van 1 fte : 6.000 inwoners vooral richtinggevend is voor de te maken inhaalslag.

Hoofdlijnen:

De voorgestelde opzet van de regeling is dan puntsgewijs:

? Kern is het stimuleren van gemeenten tot uitbreiding van de capaciteit AMW door middel van een tijdelijke rijksuitkering over de periode 1-1-2000 tot en met 31-12-2003.

? In totaal is er voor de rijksuitkeringen 25 mln. gulden per jaar beschikbaar.

? Voor iedere gemeente wordt uitgerekend hoe hoog de maximale uitkering jaarlijks kan zijn. Dat gebeurt met maatstaven van het Gemeentefonds, zodat de overgang aan het eind van de stimuleringsperiode soepel kan verlopen.

? Op basis van de bruto kosten van 1 fte uitvoerend algemeen maatschappelijk werker wordt berekend hoeveel extra fte's AMW met de uitkering gerealiseerd moeten worden.

? Gemeenten kunnen intekenen op deze uitkering, onder voorwaarde dat zij zelf een even grote capaciteitsuitbreiding realiseren.

? Voor de inzet van de gemeenten wordt 1 januari 1999 als eerste meetpunt genomen, zodat eventuele verhoging van de subsidie aan het AMW in dat jaar wordt meegerekend.

? De jaarlijkse rijksuitkering wordt vanaf 2000 bevoorschot, terwijl gemeenten hun inzet geleidelijk kunnen opvoeren.

? Gemeenten die op 31 december 2003 een aanbod - vraagverhouding van 1 : 6000 hebben gerealiseerd (of die verhouding al eerder hadden bereikt), mogen (het meerdere van) de uitkering gebruiken voor andere beleidsdoelen dan capaciteitsuitbreiding.

? De stimuleringsperiode geldt tot 31 december 2003. Dan moet de totale capaciteitsuitbreiding op basis van de rijksuitkering (50%) en de eigen subsidieverhoging (50%) gerealiseerd zijn. Op basis van dat resultaat wordt de rijksuitkering definitief vastgesteld.

Conclusie:

Bij de versterking van de eerstelijns ggz, en het AMW als onderdeel daarvan, zijn meer partijen betrokken. Naast het VOG/AMW, de Landelijke Huisartsen Vereniging en de Landelijke Vereniging van Eerstelijns psychologen, zijn gemeenten en VNG belangrijke partners bij de uitvoering van dit beleid.

Op basis van overleg met deze partijen en rekening houdend met praktische uitvoerbaarheid, heb ik gekozen voor de inzet van 25 mln. gulden jaarlijks voor het AMW.

Door dit bedrag via een tijdelijke stimuleringsregeling te verdelen, ontstaat niet alleen de garantie dat aan het eind van de stimuleringsperiode het geld daadwerkelijk aan uitbreiding van het uitvoerend AMW is besteed, maar ook dat de realiseerbare capaciteitsuitbreiding kan verdubbelen door de eigen inzet van gemeenten. In totaal gaat het dan immers om maximaal 50 mln. gulden aan het eind van de stimuleringsperiode. Het verwerken van deze financiële impuls zal - zeker gezien de huidige arbeidsmarktsituatie in de zorg - veel inspanningen vragen van zowel AMW als gemeenten.

Daarnaast zijn activiteiten zoals het (verder) ontwikkelen van de samenwerking van de drie disciplines in de eerstelijn, de consulatie van de gespecialiseerde gzz en de deskundigheidsbevordering mede bedoeld voor het AMW. Het gaat daarbij om ruim 15 mln. gulden jaarlijks voor de eerstelijns partijen gezamenlijk.

Naar mijn mening bereiken we met deze verdeling van de middelen en opzet van de stimuleringsregeling, rekening houdend met praktische uitvoerbaarheid, een optimaal resultaat.

De Minister van Volksgezondheid,

Welzijn en Sport,

dr. E. Borst-Eilers

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie