Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Verslag overleg kamercommissies over kinderopvang

Datum nieuwsfeit: 06-01-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

26587000.004 vao kinderopvang
Gemaakt: 19-1-2000 tijd: 13:22

26587 Kinderopvang

nr. 4 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 6 januari 2000

De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport<1>, de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid<2> en de vaste commissie voor Financiën<3> hebben op 25 november 1999 overleg gevoerd met staatssecretaris Vliegenthart van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en staatssecretaris Verstand van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over:

- de beleidsnota Kinderopvang (26587, nrs. 1, 2 en 3);

- de brief van de staatssecretaris van VWS van 25 oktober 1999 ter aanbieding van het onderzoeksrapport "Kinderopvang in gemeenten, de monitor over 1997";

- de brief van de staatssecretaris van VWS van 6 oktober 1999 ten geleide van de regeling uitbreiding kinderopvang en buitenschoolse opvang (VWS-99-1551);

- de brief van de staatssecretaris van VWS van 21 september 1999 inzake het onderzoek gemeentelijk beleid en aanbod peuterspeelzaalwerk (VWS-99-1421);

- de brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 3 februari 1999 ten geleide van de regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 1999 (SoZa-99-92);

- de brief van de staatssecretaris van VWS van 22 november 1999 over kinderopvang (stand van zaken en structuur kinderopvangmarkt).

Van dit overleg brengen de commissies bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissies

Mevrouw Hamer (PvdA) merkte op dat de behoefte aan kinderopvang de komende jaren zal blijven stijgen. De waarde van kinderopvang voor de ontwikkeling van het kind krijgt steeds meer erkenning. Het leren spelen met andere kinderen en het leren aangaan van een relatie met andere volwassenen dan de ouders zijn factoren van grote waarde voor de sociale ontwikkeling van het kind. De crèche, de peuterspeelzaal of het gastoudergezin kunnen daarin een belangrijke rol vervullen. Er kan echter ook veel misgaan in de eerste jaren die zo essentieel zijn voor de ontwikkeling van het kind. Daarom is het van belang niet alleen na te denken over de kwantiteit, maar ook over de kwaliteit van de kinderopvang. De komende jaren zal alles op alles gezet moeten worden om een toereikend, toegankelijk en kwalitatief hoogwaardig aanbod te ontwikkelen. De sturing van de landelijke en lokale overheid kan daarbij niet gemist worden. Tegelijkertijd zal een meer vraaggericht systeem ontwikkeld moeten worden.

Mevrouw Hamer noemde eerst de maatregelen die genomen moeten worden op de korte termijn. Er moet een dekkend aanbod zijn voor de vraag naar kinderopvang. In het kader van het regeerakkoord is afgesproken dat een dekkend aanbod bereikt zal worden door een verdubbelingsoperatie uit te voeren. Die verdubbelingsoperatie gaat niet door; wel komt er een capaciteitsuitbreiding met 71.000 plaatsen. Zij vroeg zich af of deze uitbreiding de komende jaren voldoende zal blijken te zijn. Klopt het dat, zoals sommigen beweren, er sprake is van dubbeltelling omdat er een overloop is met de regeling voor de buitenschoolse opvang, zodat het uiteindelijk gaat om een uitbreiding met 45.000 plaatsen? Heeft de staatssecretaris zicht op de omvang van de wachtlijsten en de actuele ontwikkelingen in de vraag naar de kinderopvang? Op welke termijn acht de staatssecretaris het mogelijk om tot een dekkend aanbod te komen?

Mevrouw Hamer deelde mede dat haar signalen hebben bereikt dat gemeenten problemen hebben met de Regeling uitbreiding kinderopvang en buitenschoolse opvang, onder andere vanwege de verhouding tussen gesubsidieerde plaatsen en bedrijfsplaatsen. Het is ontoelaatbaar dat er door gemeenten wordt gewacht met het realiseren van plaatsen zolang er nog wachtlijsten zijn. De staatssecretaris moet zo snel mogelijk met betrokkenen rond de tafel te gaan zitten om de knelpunten in deze regeling weg te nemen. Er moet een plan de campagne komen om de benodigde gebouwen beschikbaar te laten komen en om het benodigde personeel te vinden. Dat zal niet alleen lukken via het extra opleiden van mensen. Het grootste knelpunt wordt gevormd door de berekeningsgrondslag van het bedrag per kindplaats. Deze zou minimaal f.21.000 moeten zijn. Is de staatssecretaris het hiermee eens? De meerkosten om op dat bedrag uit te komen bedragen plus minus 13 mln. op jaarbasis. Zij pleitte voor zo'n verhoging.

Mevrouw Hamer stelde vervolgens dat de kinderopvang flexibeler moet worden, bijvoorbeeld als het gaat om de openingstijden. Misschien is het verhogen van de kostprijs een eerste stap in die richting.

Zij vond tevens dat er kinderopvang op maat moet worden geboden aan alleenstaande ouders. Juist voor de alleenstaande bijstandsouder is kinderopvang van belang. De gewenste arbeidsparticipatie kan alleen totstandkomen als er adequate kinderopvang is. Voor deze doelgroep zijn er aanvragen tot 102 mln., terwijl het budget van de regeling 92 mln. is. Dat betekent dat er een tekort van 10 mln. is. Kloppen deze gegevens? Het ligt voor de hand om de stimuleringsmaatregel en de regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 1999 aan elkaar te koppelen. Zijn er belemmeringen om dat te doen?

Goede kinderopvang voorkomt latere achterstanden op school en draagt bij aan de sociaal-emotionele en verstandelijke ontwikkeling van het kind. Terecht worden er dan ook allerlei eisen gesteld aan de kwaliteit van de kinderopvang. Het ministerie van VWS meldt dat er een goed toezicht bestaat op lokaal niveau. Toch blijkt uit de praktijk dat er grote verschillen zijn in het toezicht. Mevrouw Hamer pleitte om verschillende redenen voor een landelijke inspectie, die niet alleen op het punt van de veiligheid, maar vooral op het punt van de pedagogische begeleiding controleert. Wat ligt er dan meer voor de hand dan een koppeling te maken met de inspectie voor de kinderopvang, waarbij een aparte sectie kinderopvang zou kunnen ontstaan?

Mevrouw Hamer hield een pleidooi voor de oprichting van een landelijk servicepunt, waarin kennis en knowhow worden gebundeld van de sector, van de universiteiten en van begeleidingsdiensten. Zo'n servicepunt zou gekoppeld moeten worden aan de regionale begeleidingsdiensten om de kennis goed te kunnen verspreiden. Kan de staatssecretaris in dezen een voorstel doen?

Er is momenteel een gebrek aan geschoold personeel in de sector van de kinderopvang. Welke maatregelen gaat de staatssecretaris in dit kader nemen? Mevrouw Hamer verwees naar de campagnes die voor PABO-studenten zijn gevoerd en dacht ook aan oplossingen in de sfeer van functiedifferentiatie.

Zij hoorde graag van de staatssecretaris welke knelpunten er nog zijn op het gebied van de gebouwen.

De instellingen van peuterspeelzalen zijn onvoldoende in staat om hun taken uit te voeren. Zij vroeg de staatssecretaris om een kaderstellende notitie, waarin zij ingaat op de verdere professionalisering van deze werksoort, ook in het kader van de vroeg- en voorschoolse opvang.

Tot slot merkte mevrouw Hamer op dat er voor de korte termijn in de fiscale sfeer een aantal knelpunten worden opgelost, waardoor met name de lage en middeninkomens beter gebruik kunnen maken van de kinderopvang. Het is goed dat de staatssecretaris voor de lange termijn denkt aan een nieuw model, waardoor ouders bijvoorbeeld via de fiscale weg meer keuzevrijheid krijgen. Zij deed melding van een onderzoek van het Nijverinstituut, waarin een model is uitgewerkt op basis van premieheffing. Het leek haar een goede zaak om deze twee modellen met elkaar te vergelijken. Zij verzocht de staatssecretaris om de Kamer zo spoedig mogelijk, liefst voor het voorjaar, een notitie hierover te doen toekomen.

Mevrouw Meijer (VVD) vond dat met de beleidsnota Kinderopvang een goede stap vooruit wordt gezet in het realiseren van meer kinderopvang. Zij stelde dat de VVD-fractie nog een stap verder wil gaan en als motto kiest "Weg met de wachtlijsten". De regering stelt voor om de kinderopvang gedurende deze regeerperiode met circa 71.000 plaatsen uit te breiden. Hiermee voert de regering afspraken die zijn opgenomen in het regeerakkoord slechts gedeeltelijk uit. Het belangrijkste doel van deze inspanning, het beter kunnen combineren van arbeid en zorg en de verruiming van arbeidsparticipatie van vrouwen, naast kinderopvang voor reïntegrerende werkzoekenden, ondersteunde zij ruim. De financieringsgrondslag van het belasting- en socialezekerheidsstelsel zal zeker worden vergroot door die verbreding van de arbeidsparticipatie. De sector voor de kinderopvang is inmiddels een volwassen en professionele sector geworden, maar de vraag naar kinderopvang is onverminderd groot. Nog steeds is een groot deel van de werknemers verstoken van een goede regeling kinderopvang, ondanks de heldere afspraken in het regeerakkoord.

Voor een evenwichtige en duurzame ontwikkeling van de kinderopvang zijn drie punten essentieel: de kwaliteit, de capaciteit en de financiering van de kinderopvang. Zij vond dat de gemeenten ten aanzien van deze drie punten in de huidige situatie te veel petten op heeft. De gemeente zou afstand moeten bewaren bij de uitvoering; de gemeente is slechts één van de klanten, evenals ouders en bedrijven. De gemeente zou beter passen in de rol van regisseur: verantwoordelijk voor afstemming, voor een goed samenwerkingsklimaat en voor voldoende accommodatie.

Er bestaat geen uniformiteit in de regelgeving voor de kinderopvang. Alle aanbieders van kinderopvang zijn gehouden aan de regels van de ingestelde tijdelijke kwaliteitsregels kinderopvang. Vele gemeenten hebben deze regels vertaald in eigen gemeentelijke verordeningen, die helaas van gemeente tot gemeente nogal kunnen verschillen. Voor de bedrijfsvoering van ondernemers kan dit negatieve effecten hebben op de dienstverlening. De rol van de gemeente moet dus een andere worden. Mevrouw Meijer pleitte voor een uniform stelsel dat landelijk wordt uitgevoerd en gecontroleerd, waarbij gemeenten kunnen worden ontlast van de taken die zij nu nog hebben. Kinderen, ouders en bedrijven zijn erbij gebaat dat de kwaliteit van de opvang goed is en dat er variatie is in opvangtijden, pedagogisch klimaat en locaties. Controle door de overheid, bijvoorbeeld volgens het nieuwe kwaliteitsstelsel, is noodzakelijk. Wat vindt de staatssecretaris van het idee van een onafhankelijke landelijke inspectie voor kinderopvang in het verlengde van de reeds bestaande controle?

Op korte termijn dient de capaciteit van de kinderopvang danig te worden uitgebreid, maar kan niet een doel op zichzelf zijn. Ook een gericht personeelsbeleid dient hiervan deel uit te maken. Het personeelstekort en de accommodatieproblematiek vormen een bedreiging voor de totstandkoming van de zo vurig gewenste uitbreiding. Prioriteit moet worden gegeven aan personeelsvoorziening en aan de bouwimpuls, zodat daadwerkelijk invulling kan worden gegeven aan de uitbreiding en de wachtlijstproblematiek. Hiertoe zou een voortvarende intensieve samenwerking tussen VROM, VWS, woningbouwcorporaties en gemeenten effectief in gang gezet moeten worden. Mevrouw Meijer pleitte evenals mevrouw Hamer voor overleg op dit punt. Zou het niet wenselijk zijn om in het kader van de bouwimpuls aandacht te geven aan huurgaranties voor vastgoedondernemers, zodat het voor organisaties voor kinderopvang gemakkelijker is om te huren?

Het bieden van gelijke kansen voor verschillende aanbieders is voor het kabinet een uitgangspunt bij de capaciteitsuitbreiding die nu in gang is gezet. Voor de VVD geldt echter: hoe meer marktwerking, hoe beter de afstemming tussen vraag en aanbod. Zij verwees in dit verband naar de motie van coalitiepartijen die daartoe is ingediend. Zij vroeg de staatssecretaris om een reactie op dit punt.

Mevrouw Meijer stelde dat ouders primair de verantwoordelijkheid hebben voor hun kinderen. Ouders moeten dan ook keuzevrijheid hebben als het gaat om de opvang van hun kind. Bij een moderne rol voor gemeenten, concentratie op regie en afstemming, past een moderne financieringsstructuur, zeker wanneer men bedenkt dat intussen landelijk 70% van de totale omzet in de sector wordt betaald door werkgevers en privé-personen. De financiering van de kinderopvang zal op termijn anders moeten. De totstandkoming van de aanstaande wet basisvoorziening kinderopvang, die voor de lange termijn een deugdelijk financieringskader moet vormen en een waarborg moet bieden voor een brede toegankelijkheid, juichte zij dan ook toe. Zij wees nog op een motie, door haar fractie samen met de andere coalitiepartijen ingediend bij de VWS-begroting, die er onder andere toe strekt op termijn het stimuleringsbeleid via gemeenten te beëindigen en de financieringsstroom te verleggen naar de ouders. Financiering via de ouders betekent dat gemeenten een andere rol krijgen in het kinderopvangbeleid. Zij blijven echter primair verantwoordelijk voor een goede afstemming tussen onderwijs, sociaal-cultureel werk en kinderopvang.

Zij vond het belangrijk dat de overheid uiteenlopende flexibele vormen van opvang stimuleert en dat de regelgeving daaraan wordt aangepast, zodat kan worden ingespeeld op de toenemende vraag bij ouders en bedrijven naar flexibele opvang. In dit verband verwees zij naar de motie van vijf fractievoorzitters, die werd aangenomen tijdens de algemeen politieke en financiële beschouwingen, waarbij 20 mln. extra werd uitgetrokken voor verdere uitbreiding en voor verruiming van openingstijden. Hierbij past dan eveneens een reële kostprijs voor kindplaatsen, die op z'n minst kostendekkend is en ruimte geeft aan instellingen om de deur langer open te houden. Een te krappe grondslag is een bedreiging voor het welslagen van de uitbreiding. Zij vroeg de staatssecretaris hierop te reageren.

De heer Blok (VVD) vond het verheugend dat met de beleidsnota Kinderopvang een aanzet gegeven wordt voor een vereenvoudiging van het pakket aan regelgeving en subsidiestromen. De huidige regelgeving heeft neveneffecten voor de arbeidsparticipatie van vrouwen, die nog steeds erg laag is in Nederland. Aan de hand van een voorbeeld legde hij uit waarom het huidige fiscale systeem niet bevorderlijk is voor de arbeidsparticipatie van vrouwen. Wellicht biedt het Belastingplan 2001 een oplossing, waarin een individualisering van de aftrek is voorzien. Dat betekent dat binnen een gezin met twee verdienende partners, voor beide een aparte drempel geldt. Hij nam aan dat de budgettaire consequenties daarvan verwerkt zijn in het belastingplan. Hij vroeg om een aparte brief, waarin het nieuwe financiële kader nader wordt toegelicht.

Hij gaf een aantal randvoorwaarden voor dat nieuwe financiële kader. Ten eerste de eenvoud van de regeling voor ouders, instellingen en werkgevers. Ten tweede de bevordering van de arbeidsparticipatie van vrouwen. Ten derde de keuzevrijheid van de ouders en in dit verband het kindgebonden budget. Ten vierde de toegankelijkheid van de regeling, ook voor zelfstandigen en voor werknemers die niet in het kader van een CAO of anderszins een bijdrage van de werkgever ontvangen voor de kosten van kinderopvang.

Vervolgens stelde hij dat hij in de genoemde brief graag een toelichting krijgt op het SER-advies. De SER heeft geadviseerd de VNG-adviestabellen te vervangen door een volledige fiscalisering. Er zal dan geen sprake meer zijn van bijdragen rechtstreeks aan de gemeentes en de bijdragen van werkgevers zullen resultaat zijn van CAO-onderhandelingen. Ook wilde hij nog een toelichting op het idee om een route te volgen via de kinderbijslag. In het verleden werd de kinderbijslag bijvoorbeeld gebruikt om te voorzien in studiekosten. Zouden de voor- en nadelen van zo'n route kunnen worden toegelicht? Voor de korte termijn verzocht hij om een toelichting op twee fiscale punten: op het stellen van drempels in de fiscale aftrek en op het probleem dat over subsidies aan particuliere instellingen soms vennootschapsbelasting wordt geheven. Wat het stellen van drempels in de fiscale aftrek betreft, merkte hij nog op dat dit wordt gedaan in het kader van het bevorderen van de arbeidsparticipatie van vrouwen. Het is fiscaal aantrekkelijker om meer dan vijf uur per dag te werken en minder aantrekkelijk om minder dan vijf uur per dag te werken. Het leek de heer Blok logischer om die drempels niet aan uren per dag, maar aan uren per week te koppelen, omdat daarmee de arbeidsparticipatie van vrouwen nog meer wordt bevorderd.

Mevrouw Bijleveld-Schouten (CDA) stelde dat ouders in de eerste plaats verantwoordelijk zijn voor de opvoeding van hun kinderen en dat de overheid de ouders de mogelijkheid moet bieden om keuzes te maken. Dus kiezen voor het zelf voor de kinderen zorgen moet mogelijk zijn evenals het kiezen voor het combineren van arbeid en zorg. Een belangrijke randvoorwaarde om arbeid en zorg te kunnen combineren is naast deeltijd- en zorgverlof ook voldoende en betaalbare kinderopvang van goede kwaliteit. Ook zij was voorstander van een vraaggericht systeem in de kinderopvang, eventueel met een wettelijk recht op subsidie voor kinderopvang, waarbij ouders rechtstreeks subsidie ontvangen en niet meer via de gemeenten om de kosten voor kinderopvang te betalen. In dit verband kan ook gedacht worden aan andere fiscale modaliteiten. De rol van de gemeenten zal dan moeten veranderen. De gemeente heeft in de afgelopen jaren de rol van aanjager vervuld. Via het stimuleringsbeleid is er het nodige op gang gekomen. Nu ontstaat er echter een dubbelepettenproblematiek, waardoor de rol van de gemeente steeds lastiger wordt. De gemeente is klant, subsidieverdeler en toezichthouder. Dat zal een verdere doorgroei van de kinderopvang uiteindelijk belemmeren. De kortetermijnplannen die voorliggen kunnen daar geen oplossing voor bieden. Dat pleit er nog eens extra voor om voor de lange termijn te denken aan een vraaggestuurd systeem.

Mevrouw Bijleveld vroeg zich af of de middelen die worden uitgetrokken voor uitbreiding van de kinderopvang met 71.000 plaatsen toereikend zijn. Zij wees erop dat de verdubbeling die in het kader van het regeerakkoord is afgesproken niet gehaald wordt. Met de extra middelen kunnen effectief 32.000 plaatsen worden bekostigd. De resterende 39.000 verwacht het kabinet te kunnen realiseren zonder daarvoor subsidie voor uit te moeten trekken. Die 71.000 plaatsen omvatten bovendien de reeds vanaf 1979 gerealiseerde extra plaatsen in de buitenschoolse omvang. De uitbreiding komt dus feitelijk neer op 17.000 extra plaatsen voor de buitenschoolse opvang en 28.000 voor de dagopvang. Gezien de wachtlijsten en de groeiende vraag kan nu al gesteld worden dat de middelen niet toereikend zijn. Bovendien is de kostprijs voor dagopvang voor de periode tot 2003 te laag geraamd. Hoe moet dit gezien worden in relatie tot het optimisme dat werd geuit bij de behandeling van de nota Op weg naar een nieuw evenwicht tussen arbeid en zorg? Is het niet beter om kinderopvang, aangezien het om een arbeidsmarktinstrument gaat, onder te brengen bij het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid?

Mevrouw Bijleveld vroeg waarom is gekozen voor een voortzetting van de subsidierelatie met de gemeenten tot 2003. In hoeverre heeft de overheid zich gecommitteerd aan de gemeenten? Dat geldt ook voor de toezegging om de specifieke uitkering na 2002 toe te voegen aan het Gemeentefonds. Het zou beter zijn om de maatregelen voor de korte termijn te beperken tot twee jaar en sneller toe te werken naar een vraaggericht model.

Zij kon instemmen met de voorgestelde fiscale faciliteiten voor ouders en werkgevers.

Uit het MDW-rapport over kinderopvang blijkt dat er diverse problemen zijn op het punt van marktwerking. Men kiest nog steeds voor aanbodfinanciering. De fiscale faciliteiten voldoen aan de MDW-criteria, maar transparantie van de markt, gelijke condities voor alle aanbieders op die markt worden belemmerd omdat er geen voorwaarden worden gesteld aan de gemeenten als het gaat om de verdeling van de subsidie. De gemeente bepaalt het kinderopvangbeleid, de subsidievoorwaarden, de kwaliteitseisen, de spreiding over de wijken en met wie wordt samengewerkt. Daarnaast is de gemeente ook inkoper voor bepaalde doelgroepen en zelfs toezichthouder. Daaraan kan op korte termijn iets gedaan worden. Nu is er alleen de aanbeveling voor de methode van openbare aanbesteding en de mogelijkheid om in 2000 van de toekenning van I/D-banen aan niet-gesubsidieerde instellingen gebruik te maken. Zij vond dat er meer kan worden gedaan om tot een betere marktwerking te komen.

Er zijn nogal wat knelpunten als het gaat om de bouwimpuls. Gekozen is voor een combinatie van incidentele maatregelen die ertoe leiden dat er op tijd ruimten beschikbaar komen voor de uitbreiding van capaciteit. Zij drong aan op meer aandacht voor het bouwen en sloot zich aan bij de opmerkingen die hierover gemaakt zijn.

Ook als het gaat om het aantal arbeidsplaatsen in de kinderopvang zijn er nog heel wat problemen. Daar wordt door de regering te optimistisch over gedaan.

Tot slot vond zij dat het toezicht op de kwaliteit van het onderwijs onafhankelijker moet. Ook de tussenschoolse opvang en de kwaliteit van het peuterspeelzaalbeleid verdienen de nodige aandacht.

Mevrouw Schimmel (D66) herinnerde aan een tien jaar geleden gehouden debat over de eerste stimuleringsmaatregel kinderopvang, waarbij zij toen een motie heeft ingediend waarin zij aandrong op overheidsverantwoordelijkheid voor kwaliteitseisen en het toezicht daarop. Die centrale verantwoordelijkheid is er nog steeds niet. Aan de hand van haar eigen ervaringen met kinderopvang schetste zij hoe moeilijk het is om in aanmerking te komen voor een betaalbare plaats. Er is nog een lange weg te gaan voordat gesproken kan worden van een basisvoorziening. Zij was blij met de uitbreiding met 71.000 plaatsen. Hoewel het niet de toegezegde verdubbeling is, is het in ieder geval een stap voorwaarts. Ook vond zij het verheugend dat in de beleidsnota Kinderopvang ouders centraal worden gesteld die arbeid en zorg combineren en dat gesproken wordt van aanvullende pedagogische milieus. Het sprak mevrouw Schimmel aan dat de uitbreiding van het aantal opvangplaatsen wordt verdedigd op basis van de wachtlijsten die er bestaan. Overigens zou het punt van pedagogische vernieuwing en ouderparticipatie nog meer benadrukt kunnen worden.

Zij was voor inzet van de middelen via de fiscale voorzieningen. De staatssecretaris van Financiën heeft in het debat over de belastingherziening voor het jaar 2000 toegezegd de fiscale behandeling van kinderopvang bij het belastingplan voor de 21ste eeuw te betrekken. Zij voelde het meest voor model C dat in de nota is geschetst, inhoudende een specifieke heffingskorting in de inkomstenbelasting voor ouders die gebruik maken van kinderopvang, zowel bedrijfsplaatsen als subsidieplaatsen. Maar ook het door de heer Blok geuite idee sprak haar aan om te komen tot een zo groot mogelijke capaciteitsuitbreiding waarbij de ouders centraal worden gesteld, niet alleen omdat de algemene toegankelijkheid tot de kinderopvang moet worden vergroot, maar ook omdat de ouders de mogelijkheid moeten hebben om te kiezen.

De ouders in de kinderopvang hebben een petitie ingediend, waarin zij zich er niet ten onrechte zorgen over maken of de capaciteitsuitbreiding via de gemeenten wel snel genoeg zal gaan. Uit een brief van de regioraad Noord-Groningen blijkt dat het ministerie van VWS de gemeenten aanraadt zo lang mogelijk te wachten met het realiseren van de opvangplaatsen. Dat heeft te maken met de verhouding exploitatie-investeringen. Daar moet een oplossing voor gevonden worden. Een ander punt in de petitie is dat uitbreiding van de kinderopvangplaatsen niet alleen maar via bedrijfsplaatsen of particuliere plaatsen moet geschieden. Mevrouw Schimmel vroeg de staatssecretaris van VWS die berekeningsgrondslag daarvoor nader te bezien. De oneerlijke concurrentie tussen de verschillende aanbieders baart de ouders in de kinderopvang ook zorgen. De staatssecretaris stelt in de nota dat zij dat wil tegengaan door openbare inschrijvingen op overheidssubsidies. Dat kan echter niet verplicht worden gesteld. Bij welke instantie kan een klacht worden ingediend wanneer dit het geval is? Kan het ministerie dat monitoren? Een ander punt in de petitie betreft het centrale toezicht. Het is belangrijk dat er een inspectie komt en dat de centrale overheid zich committeert een aantal zaken te blijven volgen.

Het verheugde haar dat de fiscale faciliteiten voor werkgevers enigszins zijn uitgebreid en ook dat het plafond voor de ouders is verhoogd en de drempel is verlaagd. Dat geeft met name ouders met een laag en middeninkomen de mogelijkheid om van fiscale aftrekmogelijkheden gebruik te maken. Ook vond zij het positief dat het kabinet de ouderbijdrage wettelijk wil verankeren. Dat zal de toegankelijkheid tot de kinderopvang alleen maar vergroten. Helaas wordt in de beleidsnota Kinderopvang geen aandacht besteed aan tussenschoolse opvang. Dat is een gemiste kans. Dat geldt ook voor het beleid ten aanzien van peuterspeelzalen en de tieneropvang.

Mevrouw Schimmel vond het van belang dat er extra aandacht wordt besteed aan de bouwimpuls. Zij wilde graag meer inzicht in de belemmeringen waar particuliere ondernemingen op dit terrein tegenaan lopen. Tot slot onderstreepte zij dat veel aandacht moet worden besteed aan het mogelijke gebrek aan personeel, waardoor grote problemen kunnen ontstaan als het gaat om de capaciteitsuitbreiding.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks) stelde dat kinderopvang een basisvoorziening is. Zij vond het dan ook niet meer dan logisch dat er concrete maatregelen genomen worden en dat er extra middelen worden uitgetrokken om deze basisvoorziening te optimaliseren. Daar moet het brede scala van opvangmogelijkheden in passen. Ook zij vond dat extra aandacht moet worden besteed aan het beleid ten aanzien van de peuterspeelzalen en de tussenschoolse opvang. Nu wordt de tussenschoolse opvang vaak op vrijwillige basis geregeld door ouders. Het zou een goed idee zijn om voor de tussenschoolse opvang het plan van de Onderwijsbond te volgen. Het Landelijk platform peuterspeelzalen is bezig met professionalisering van die werksoort. Dit onderwerp zou nader aan de orde moeten worden gesteld in de Kamer, bijvoorbeeld in de vorm van een hoorzitting.

In de beleidsnota wordt veel nadruk gelegd op het feit dat een goede kinderopvang belangrijk is om de toenemende knelpunten op de arbeidsmarkt weg te nemen. In deze visie is kinderopvang voornamelijk een arbeidsmarktinstrument. Mevrouw Van Gent vond juist het aspect dat kinderopvang een aanvulling is op gezin en school van essentieel belang. Het gevaar bestaat dat de situatie ontstaat dat bij voorrang van kinderopvang gebruik kan worden gemaakt wanneer men zich op de arbeidsmarkt begeeft. De arbeidsmarkt moet breder worden gezien. Ook alleenstaande ouders in de bijstand, herintreders of mensen die zich opnieuw op de arbeidsmarkt oriënteren moeten toegang hebben tot kinderopvang.

Mevrouw Van Gent was voorstander van een collectieve financiering van de kinderopvang, waarvoor in het kader van de nota Op weg naar een nieuw evenwicht tussen arbeid en zorg aandacht is gevraagd. Zij vroeg om meer helderheid over zo'n collectievefinancieringsvariant. Uiteraard kan daarbij ook gedacht worden aan een inkomensafhankelijke eigen bijdrage.

Over de kinderopvang voor alleenstaande ouders is uitvoerig gedebatteerd. Bij 90% van de gemeenten is de regeling gratis als vrouwen zich weer op de arbeidsmarkt begeven. Dat zou eigenlijk voor 100% van de gemeenten moeten gelden. De regeling is gelimiteerd op 92 mln. Dat betekent dat er een acuut knelpunt is van 10 mln. Momenteel maakt 7% van de alleenstaande ouders gebruik van deze regeling. Dat aantal zal drastisch uitbreiden. Hoe wordt dat op korte termijn opgelost? Zij was ervoor om deze regeling uit te breiden naar WAO'ers en WW'ers. Ligt dat in de bedoeling?

Mevrouw Van Gent stelde voor om bij Vinex-locaties ook gebouwen voor kinderopvang te voorzien. Dergelijke gebouwen moeten voldoen aan bepaalde eisen. Die eisen zijn natuurlijk van belang, maar in binnenstedelijke gebieden is het vaak uitermate lastig om aan alle eisen te voldoen. Misschien moeten daar andere voorzieningen voor getroffen worden.

Zij vroeg vervolgens of er voldoende middelen zijn om de personele knelpunten op te lossen.

De positie van gehandicapte kinderen verdient ook de aandacht. Gehandicapte kinderen kunnen vaak moeilijk in de reguliere opvang terecht. Dat moet op een goede manier geregeld worden.

Kinderopvang dient flexibel te zijn. Bijvoorbeeld de 24-uurskinderopvang hoort in de basisvoorziening thuis.

Mevrouw Van Gent vroeg aandacht voor de vreemde situatie dat herintreders in het onderwijs met voorrang behandeld worden als het gaat om het aanspraak maken op een kinderopvangplaats.

Tot slot stelde zij dat de uitbreiding met 71.000 plaatsen een druppel op de gloeiende plaat lijkt. Zij wilde graag inzicht in de omvang van de wachtlijsten.

Het antwoord van de regering

De staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport herinnerde zich ook de tien jaar geleden ingediende motie van mevrouw Schimmel tijdens een debat over de eerste stimuleringsregeling kinderopvang. In die tijd waren er nog 20.000 plaatsen in de kinderopvang. Inmiddels zijn het er meer dan 100.000. Hieruit volgt wel hoe ambitieus het is om in een periode van vier jaar een uitbreiding te realiseren met 71.000 plaatsen. De opgave om tot een verdubbeling van het aantal plaatsen te komen in deze kabinetsperiode is, mede gezien de omstandigheden op de arbeidsmarkt en andere knelpunten dan ook zeer ambitieus. Zij herinnerde zich ook dat tijdens dat debat tien jaar geleden verwezen werd naar een motie-Van Es/Ter Veld, een Kameruitspraak uit 1982, waarin werd aangedrongen op een wettelijke regeling voor de financiering en structurering van de kinderopvang. Die regeling is nog niet tot stand gebracht, maar als het goed is zal die motie aan het einde van deze kabinetsperiode zijn uitgevoerd. Dat heeft dus bijna twintig jaar geduurd. Er is wel het een en ander veranderd. Tien jaar geleden sprak het geenszins vanzelf dat kinderopvang een basisvoorziening is, in de eerste plaats voor ouders om betaalde arbeid en het verzorgen en opvoeden van kinderen op een goede manier te combineren en in de tweede plaats in het belang van de kinderen zelf. De kinderopvang moet dan ook niet alleen gezien worden als een arbeidsmarktinstrument. Het gaat vooral om het belang van de kinderen die opgevangen worden. Ook al dient het als arbeidsmarktinstrument, het gaat erom dat de kwaliteit van de kinderopvang zodanig is dat kinderen zich verantwoord kunnen ontwikkelen. Daarbij is de afstemming op het lokale jeugdbeleid van groot belang. De verdere uitbreiding van de kinderopvang moet in dat kader geplaatst worden.

Nederland is het enige land dat een gemengde financiering kent van de kinderopvang, waarbij van overheidswege, door de ouders, maar ook door de sociale partners een bijdrage geleverd wordt. De samenwerking tussen die drie partijen heeft het mogelijk gemaakt dat in de afgelopen jaren zo'n forse uitbreiding gerealiseerd is. Ook in de toekomst zal die gecombineerde verantwoordelijkheid nodig zijn om op dezelfde wijze een forse uitbreiding van de kinderopvang tot stand te brengen. Breed wordt door de Kamer het uitgangspunt van een vraaggestuurde kinderopvang gesteund. Ook de regering onderschrijft dat uitgangspunt. De vraag is alleen op welke wijze dit bevorderd kan worden. Momenteel is er vraag genoeg, maar er is onvoldoende aanbod. De afgelopen jaren is gebleken dat de uitbreiding van de kinderopvang via de stimuleringsregeling voorafging aan het moment waarop CAO-partijen, die bereid waren daarin te investeren, plaatsen gingen afnemen. Ook op dit moment is er bij de Stichting uitvoering kinderopvangregelingen (SUK) geld beschikbaar voor de uitvoering van kinderopvang, maar er zijn geen plaatsen beschikbaar en als er wel vraag is maar geen aanbod, kan er geen sprake zijn van marktwerking. Daarom is ervoor gekozen, fors in te zetten op de uitbreiding van de kinderopvang, zodat de vraagsturing geleidelijk aan een steeds sterkere rol kan spelen. Het huidige kabinetsbeleid is op twee sporen gebaseerd: enerzijds een stimuleringsregeling die het aanbod uitbreidt en anderzijds via de verruiming van de fiscale maatregelen een verdere ondersteuning van de vraag, zowel in de richting van ouders als in de richting van werkgevers. In de stimuleringsregeling is gekozen voor uitbreiding langs de lijn van de gemeenten. De kern van model C uit de beleidsnota is dat gemeenten een regisseursrol hebben, waarbij zij afstand nemen van de instellingen die uiteindelijk het echte werk doen. Momenteel is er inderdaad sprake van een
dubbelepettenproblematiek, omdat de gemeenten verschillende rollen vervullen. In de toekomst, bij een vraaggestuurd systeem, zullen de gemeenten alleen nog plaatsen inkopen voor speciale doelgroepen die niet bediend worden door CAO's en dergelijke. Dan is er een duidelijke afbakening van de verantwoordelijkheden van de gemeenten. De verruiming van de Wet vermindering afdrachtskorting (WVA) van 20% naar 30% geeft werkgevers een extra stimulans om verder te investeren in CAO-afspraken ten behoeve van de kinderopvang. Het gaat erom dat in de komende tijd het wederzijds versterken van het proces leidt tot de forse uitbreiding die het kabinet in deze kabinetsperiode wil realiseren.

De staatssecretaris legde uit hoe het kabinet tot de uitbreiding met 71.000 plaatsen is gekomen. Het verschil met de afspraak in het regeerakkoord heeft ermee te maken dat het prijsniveau van de kosten per plaats waarmee ten tijde van het regeerakkoord gerekend werd, veel lager is dan het niveau dat uiteindelijk in de regeling is opgenomen. Dat heeft tot een vermindering van het aantal plaatsen geleid. Daarnaast heeft er tussen het moment waarop de regeerakkoordafspraken werden gemaakt en het moment waarop de beleidsnota verscheen een herberekening plaatsgevonden van het aantal plaatsen dat in Nederland beschikbaar is, waardoor er feitelijk meer plaatsen bleken te zijn, namelijk 89.000 in plaats van de 79.000 waar ten tijde van het regeerakkoord van werd uitgegaan. Zij stelde nog dat de uitspraak dat het bij de uitbreiding met 71.000 plaatsen slechts om 32.000 gesubsidieerde plaatsen gaat niet klopt, omdat de overige 39.000 plaatsen worden ondersteund via het fiscale pakket aan maatregelen. Voor dat fiscale pakket is in totaal 150 mln. beschikbaar. Het is een totaalpakket van 400 mln. Daarmee kunnen die 71.000 plaatsen gerealiseerd worden.

Gevraagd is naar een beter inzicht in de behoefte aan kinderopvang. Uit cijfers van de afdeling Sociaal-geografisch en bestuurskundig onderzoek van de VNG (SGBO) het onderzoeks- en adviesbureau van de VNG, blijkt dat er op dit moment een ongeschoonde wachtlijst is van 27.000 plaatsen. Het CPB heeft in het kader van de discussie over de uitbreiding een raming gemaakt van de behoeftes in deze kabinetsperiode. Daarbij kwam men uit op een niveau van uitbreiding nodig in 2001 ten opzichte van 1997 met 45.000 plaatsen. De uitbreiding die het kabinet nu wil realiseren, is op basis van die ramingen toereikend om de huidige vraag op te vangen, wachtlijsten weg te werken en waarschijnlijk ook de stijging van de arbeidsparticipatie en de vraag naar kinderopvang die een gevolg is van die uitbreiding mede op te vangen. Dat wil niet zeggen dat dit met zekerheid gesteld kan worden. Het is met name afhankelijk van de vraag of de uitbreiding van de kinderopvang nieuwe vraag genereert, omdat dit afhangt van het aantal mensen dat nu kinderopvang informeel regelt en van de mensen die nu de keuze voor kinderen uitstellen vanwege het feit dat kinderopvang nog moeilijk te regelen is. De ontwikkeling van die vraag moet in de komende jaren gevolgd worden. Daarbij is het uiteraard van belang om in het oog te houden of met het tempo waarin de kinderopvang uitgebreid wordt op een toereikende wijze ingespeeld wordt op de ontwikkeling van de behoeften. De staatssecretaris zegde toe de Kamer te informeren over de wachtlijstproblematiek uitgesplitst naar steden. Het ligt voor de hand dat de vraag in de Randstad groter is dan in het Oosten van het land.

Inmiddels is duidelijk dat slechts zes gemeenten niet hebben ingetekend op de stimuleringsregeling. Er doet dus een groot aantal gemeenten mee. In totaal is voor 110% van het aantal plaatsen ingetekend. Kenmerk van deze regeling is dat gemeenten het aantal plaatsen aanvragen waaraan men denkt te kunnen voldoen. De meeste gemeenten vragen het maximum aantal plaatsen aan of zelfs meer. Ook in de vorige stimuleringsperiode heeft na verloop van tijd een herverdeling plaatsgevonden, omdat bleek dat een aantal gemeenten minder kon realiseren dan men zich voorgenomen had. Toen is aan de gemeenten die meer konden realiseren extra capaciteit toegewezen. De staatssecretaris bestreed dat gemeenten als doelbewust beleid hanteren dat zij zo lang mogelijk wachten met het realiseren van plaatsen voor kinderopvang. In het regeerakkoord is afgesproken dat de gemeenten de gelden in vier stappen beschikbaar krijgen. Dus men kan niet alles in één keer realiseren. De staatssecretaris nam zich voor om dit punt met de steden op te nemen.

De staatssecretaris ging nader in op de berekeningsgrondslag van het bedrag per kindplaats. Gekozen is voor het gemiddelde van de uitkomst van het SGBO-onderzoek en het VOG-onderzoek (Vereniging van ondernemingen in de gepremieerde en gesubsidieerde sector). Op dit moment is dat f.19.000. Daarmee is ook de kwaliteit van de kinderopvang, die aan bepaalde eisen moet voldoen, gegarandeerd. De staatssecretaris zegde toe een en ander schriftelijk nader te onderbouwen. Voor de komende jaren is een verhoging van de berekeningsgrondslag voorzien, waarmee aanloopkosten gemoeid zullen zijn die neerkomen op ongeveer 15 mln.

De staatssecretaris meldde dat er in het voorjaar 2000 een notitie aan de Kamer wordt gestuurd over de Wet basisvoorziening kinderopvang, waarin onder andere het kwaliteitsaspect en de wijze van toezicht aan de orde zullen komen. In die notitie zullen de voor- en nadelen van de verschillende modellen uiteen worden gezet. Daarbij zal ook de kwestie van een onafhankelijke landelijke inspectie aan de orde worden gesteld.

Op het punt van aanbesteden moet meer duidelijkheid komen. Door de VNG en de VOG worden overal in het land regionale bijeenkomsten georganiseerd in het kader van de uitbreidingsoperatie, waarin dit aspect aan de orde is. Gemeenten zijn positief op dit punt en zij willen graag ondersteuning om die slag te kunnen maken. Dat is een goed teken, want het betekent dat men behoefte voelt om die nieuwe weg in te slaan. Een aantal gemeenten heeft al goede ervaringen opgedaan met aanbesteding en dat kan tot voorbeeld dienen voor andere gemeenten. De regering zal die ondersteuning actief bevorderen. De staatssecretaris vond het een goed idee om een landelijk servicepunt in te richten, waarin kennis en knowhow worden gebundeld van de sector, van de universiteiten en van begeleidingsdiensten. Het is op dit moment in het kader van de huidige wetgeving juridisch niet mogelijk om dit voor te schrijven.

Vervolgens ging de staatssecretaris in op het punt van de krapte op de arbeidsmarkt als het gaat om goed personeel in de kinderopvang. Er zal moeite moeten worden gedaan om extra personeel te werven. Het gaat in totaal om 10.000 tot 15.000 fulltime banen. In overleg met de werkgevers en de vakbonden in de kinderopvang is een personeelsvoorzieningsplan opgesteld en een arbeidsmarktconvenant gesloten. Er zijn in het flankerend beleid extra middelen uitgetrokken om dit proces te faciliëren. In het kader van die ondersteunende maatregelen zal ook het imago van de sector aan de orde komen. Overigens heeft het werken in de kinderopvang een uitstekend imago.

Voor de voorziene uitbreiding van de kinderopvang zullen gebouwen nodig zijn. De bestaande locaties zijn te beperkt. Er zal in deze kabinetsperiode veel nieuwbouw tot stand gebracht moeten worden. Een interessante ontwikkeling is dat de woningbouwcorporaties zich steeds meer op deze markt begeven. De eerste dagverblijven zijn inmiddels door woningbouwcorporaties gerealiseerd. Ook bij de aanleg van Vinex-wijken, bij uitbreidingsplannen, bij herstructureringswijken wordt door corporaties steeds meer nagedacht over het realiseren van deze voorzieningen. Bovendien biedt het Waarborgfonds, waarvoor nu 25 mln. extra uitgetrokken is boven op de 10 mln. die het al bevatte, particuliere investeerders garantie om te kunnen lenen met een aanvaardbaar risico. De ondersteuning aan de investeerders zal dan ook voor een groot deel via dit Waarborgfonds lopen.

De staatssecretaris merkte op dat de huidige drempels in de fiscale aftrek gekoppeld zijn aan het aantal dagen opvang per week naast een koppeling aan het aantal uren opvang per dag. De drempel hangt dus af van het aantal dagen dat men werkt en wordt naar rato aangepast. Er is dus wat dat betreft geen onderscheid tussen mannen of vrouwen. In de kabinetsnotitie die dit voorjaar aan de Kamer wordt gestuurd over de Wet basisvoorziening kinderopvang zal ook het financiële model voor de langere termijn uiteengezet worden. Daarbij zal ook het premiemodel aan de orde zijn.

Er wordt nog gewerkt aan de administratieve knelpunten in het kader van de WVA. Hierover zal zo snel mogelijk door de staatssecretaris van Financiën een brief aan de Kamer worden gestuurd.

De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stelde dat er voortgang te constateren is als het gaat om het beter combineren van arbeid en zorg. Tegenwoordig zijn zowel mannen als vrouwen verantwoordelijk voor de zorg. In dat beeld past het niet om de financiële lasten voor de zorg bij één van de partners neer te leggen.

Zij was gunstig gestemd over de ontwikkelingen in de CAO's. Er wordt onder andere veel aandacht besteed aan de buitenschoolse opvang. In het najaarsoverleg met de partners is afgesproken dat uitgegaan moet worden van een gedeelde verantwoordelijkheid van de ouders voor de opvang van de kinderen en dat de kosten voor opvang zoveel mogelijk verdeeld moeten worden over de werkgevers van de mannen en vrouwen. Het ministerie van VWS zal een financiële bijdrage leveren om te monitoren hoe een en ander zich ontwikkelt. In het begin van 2000 zal er een rapport komen van de arbeidsinspectie, waarin ook de uitwerking van CAO-bepalingen is verwerkt.

Het dossier Arbeid en zorg bevat een aantal maatregelen om de zorgcomponent te versterken, gericht op het kortdurend verlof, het langer durend verlof en ook op de flexibilisering van het ouderschapsverlof.

Wat de dagindeling betreft zullen er in de eerste ronde 88 experimenten worden gedaan en in de tweede ronde 112 experimenten. Bij deze experimenten gaat het onder meer om vensterscholen, brede scholen, om combinaties met voorschoolse, buitenschoolse en tussenschoolse opvang. Daarbij wordt ook gedacht aan koppeling met andere welzijnsvoorzieningen in de gemeenten. Het is uiteindelijk de bedoeling dat dit soort experimenten overdraagbaar is en dat gemeenten en organisaties daarvan moeten leren.

Op dit moment zijn er 2.700 I/D'ers werkzaam in de kinderopvang, meestal als assistent-groepskracht. Het ligt in de bedoeling in de komende jaren het aantal I/D-banen met 1.000 à 2.000 uit te breiden. In overleg met de VNG en de VOG wordt een brochure voorbereid in dit kader.

Gevraagd is naar de KOA-regeling alleenstaande ouders in de bijstand in relatie tot de stimuleringsmaatregel. De doelstellingen zijn verschillend. De stimuleringsmaatregel is gericht op de uitbreiding van het aantal kinderopvangplaatsen, terwijl de KOA-regeling vooral bedoeld is om te reïntegreren. De afrekensystematiek is verschillend en de wettelijke basis is verschillend. De stimuleringsregeling is gebaseerd op de Welzijnswet en de KOA-regeling op de Kaderwet SZW-subsidies. Er is een budget beschikbaar voor alleenstaande ouders in de bijstand van 92 mln. Het heeft een paar jaar geduurd voordat er goed gebruik werd gemaakt van dat budget. Dat loopt nu goed. In 1999 is 110 mln. aangevraagd, maar dat zal uiteindelijk te veel blijken te zijn. Er wordt namelijk altijd meer aangevraagd dan uiteindelijk nodig is.

De staatssecretaris meldde dat staatssecretaris Hoogervorst werkt aan een wetsvoorstel over kinderopvang voor reïntegrerende WW'ers en WAO'ers.

Nadere gedachtewisseling

Mevrouw Hamer (PvdA) wilde nog een reactie op haar opmerkingen over de professionalisering van het peuterspeelzaalwerk, de tussenschoolse opvang en de kwaliteitsontwikkeling. Zij vroeg om een korte notitie over deze punten.

Zij was blij met de toezegging van de staatssecretaris om de Kamer een brief te zenden over de berekeningsgrondslag voor het bedrag per kindplaats. Ook verheugde het haar dat de staatssecretaris heeft toegezegd met de grotere gemeenten te spreken over de knelpunten van de stimuleringsregeling. Zij verzocht de staatssecretaris de Kamer zo snel mogelijk van de resultaten van dit overleg op de hoogte te stellen.

Zij vroeg de staatssecretaris om met de staatssecretaris van Financiën overleg te plegen over de voorlichting over de fiscale voordelen van de regeling. Het is met name voor de lage en middeninkomens van belang om te weten welke veranderingen eraan komen. Op die manier wordt de toegankelijkheid van de kinderopvang bevorderd.

Het was mevrouw Hamer gebleken dat nogal wat jonge ondernemers of kleine instellingen zich graag willen aansluiten bij grotere koepelorganisaties, omdat zij zich graag op de markt willen begeven. De koepelorganisaties hebben aangegeven dat zij zo langzamerhand hun taks hebben bereikt wat het aantal instellingen betreft. Kan de staatssecretaris in overleg met de minister van EZ onderzoeken of er een stimulans kan komen voor jonge ondernemers in de kinderopvang?

Mevrouw Meijer (VVD) sloot zich volmondig aan bij de opmerkingen van mevrouw Hamer op het punt van de peuterspeelzalen en alle toezeggingen die in dat opzicht zijn gedaan.

De heer Blok (VVD) had problemen met de opmerkingen van de staatssecretaris van VWS over aanbesteding. Bij het model van aanbesteding krijgen één of twee partijen al het geld en daarmee een concurrentievoordeel. Iedereen die nieuw op die markt wil komen, heeft dat concurrentievoordeel niet meer en kan daarom niet beginnen. Daarom wordt het instrument van aanbesteding alleen gebruikt wanneer er grote toetredingsdrempels zijn, zoals bij het openbaar vervoer.

De heer Blok schetste de situatie van tweeverdieners, waarbij de ene partner een salaris van f.80.000 per jaar heeft en de andere partner een salaris van f.40.000. In die situatie is de fiscale drempel zo hoog dat er geen aftrek meer mogelijk is. Dat heeft tot gevolg dat het laagste salaris voor het overgrote deel opgaat aan kinderopvang. Hij vroeg de staatssecretaris van SZW om haar politieke oordeel hierover.

Vervolgens wilde de heer Blok weten op welke wijze het nieuwe belastingplan doorwerkt voor de aftrekbaarheid van kinderopvang. Mogen de bedragen nog individueel afgetrokken worden en is er rekening gehouden met de budgettaire consequenties?

De heer Blok had nog geen antwoord gekregen op zijn vraag of er een aparte brief komt over de financiering van de kinderopvang. Kunnen daar twee opties in meegenomen worden: een volledige financiering via de kinderbijslag of het uitsluitend via de fiscale weg financieren? Ook was de staatssecretaris nog niet ingegaan op zijn vraag over het heffen van vennootschapsbelasting over subsidies aan particuliere instellingen.

Mevrouw Bijleveld-Schouten (CDA) benadrukte nog eens dat zij het van belang vindt dat voor de kinderopvang wordt toegewerkt naar een vraaggestuurd systeem. Kan de staatssecretaris aangeven of dit wellicht sneller kan dan wordt voorgesteld?

Wat de dubbelepettenproblematiek betreft was zij het met de staatssecretaris van VWS eens dat de gemeenten in eerste instantie een aanjaagfunctie hadden en dat al die andere rollen er successievelijk zijn bijgekomen. In de toekomst zullen zaken zich anders ontwikkelen. De huidige situatie is nog complex. Zij stelde voor om in de periode waarin naar de nieuwe situatie wordt toegegaan het toezicht te verbeteren.

Ook mevrouw Bijleveld vond dat meer aandacht moet worden besteed aan de kwaliteit van peuterspeelzalen, de tussenschoolse en de buitenschoolse opvang. Zij vroeg ook aandacht voor de opvang van kinderen van twaalf jaar en ouder.

Zijn er al ideeën uit de experimenten voor dagindeling naar voren gekomen die landelijk geïmplementeerd kunnen worden?

Mevrouw Schimmel (D66) vroeg naar het tijdpad voor de vraaggestuurde financiering. Zij had begrepen dat de staatssecretaris van Financiën van plan is dit ook in het kader van de belastingherziening 2001 aan de orde te stellen. Het debat hierover zal op zeer korte termijn plaatsvinden. Kunnen de staatssecretarissen van VWS en van SZW dit punt nog eens bij hem onder de aandacht brengen?

Zij vond het verheugend dat de staatssecretaris van SZW aandacht zal besteden aan knelpunten bij gemeenten die door de regeling niet snel opvangplaatsen kunnen realiseren en was blij met de aandacht die alsnog besteed is aan de motie-Schimmel/Brouwer die tien jaar geleden is ingediend.

Ook mevrouw Schimmel vroeg nog eens extra aandacht voor de tussenschoolse opvang, het peuterspeelzaalwerk en de tieneropvang.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks) stelde dat het zo snel mogelijk realiseren van een goede basisvoorziening voor de kinderopvang breed wordt gesteund. Het is goed om te inventariseren waaraan behoefte bestaat, maar alleen een inventarisatie is niet voldoende. De regering zal de bereidheid moeten tonen die knelpunten op te lossen.

Zij drong erop aan tussentijds te checken of de gemeenten goed omgaan met het geld dat via de stimuleringsregeling beschikbaar wordt gesteld. Daarbij speelt de problematiek van het personeel en de accommodaties een belangrijke rol. Zijn er voldoende middelen beschikbaar om het werven van personeel te stimuleren? Wordt er wat de gebouwen betreft intensief overleg gevoerd met de minister van VROM en worden daarbij ook de kwaliteitseisen betrokken?

Mevrouw Van Gent had geen antwoord gekregen op haar vraag over het voorrangbeleid dat gevoerd wordt voor herintreders in het onderwijs. Ook vroeg zij nog aandacht voor de knelpunten in de flexibele opvang.

De staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport verontschuldigde zich voor het feit dat zij in eerste termijn nog niet ingegaan was op de vragen over peuterspeelzaalwerk en tussenschoolse opvang. Op dat terrein wordt nauw samengewerkt met de minister van OCW, onder andere als het gaat om de uitbreiding van vroeg- en voorschoolse educatie. Daarvoor is 20 mln. uitgetrokken. De peuterspeelzalen spelen een belangrijke rol in dat kader. Zij vond het een goed idee om hierover een apart overleg met de Kamer te voeren. Inmiddels houdt een werkgroep van de verschillende departementen zich bezig met de tussenschoolse opvang. Voorzover de tussenschoolse opvang verbonden wordt met de buitenschoolse opvang, kan dit via de stimuleringsregeling gestalte krijgen. Bovendien is het een onderwijsvoorziening in het kader van de Wet op het basisonderwijs. Dus scholen zijn verplicht de kinderen zo'n faciliteit aan te bieden.

De staatssecretaris zei dat er op het punt van de ondersteuning op landelijk niveau op het terrein van de kwaliteit de nodige vormen van ondersteuning tot stand zijn gebracht. Het Nederlands instituut voor zorg en welzijn (NIZW) in Utrecht doet heel veel op dit gebied, met name als het gaat om de pedagogische vernieuwing binnen de sector van de kinderopvang. Voor de kleinere instellingen en de kleinere gemeentes zijn de provinciale steunfuncties zeer actief. Er vindt momenteel al veel overleg en afstemming tussen de diverse organisaties en instellingen plaats.

Zij was het met mevrouw Hamer eens dat er fiscale voordelen verbonden zijn aan de stimuleringsregeling, waardoor mensen met een laag of een middeninkomen tot 31% voordeel hebben. Dat zal de drempel om gebruik te maken van kinderopvang verlagen.

De staatssecretaris deed de toezegging het punt van de stimulering van jonge ondernemers met de minister van Economische Zaken op te nemen.

Het punt van de marktwerking en de aanbesteding zal nog uitvoerig aan de orde komen in de toekomst. Zij wees er nog eens op dat er enerzijds gesubsidieerde kindplaatsen zijn en anderzijds fiscaal ondersteunde kindplaatsen en dat de plaatsen grosso modo gelijkelijk worden ondersteund. Zij was het ermee eens dat de situatie moet ontstaan waarin verschillende aanbieders op de markt gelijke kansen en mogelijkheden moeten hebben.

Vervolgens ging de staatssecretaris in op de vraag over de toetredende partner. De discussie over de verlaging van de ouderbijdrage via de fiscale drempel is nu juist bedoeld om het effect dat de heer Blok beschreef te verminderen. Zij was het ermee eens dat een en ander verder gefacilieerd moet worden.

De staatssecretaris stelde naar aanleiding van de vraag over de financiering van de kinderopvang, langs de route van de kinderbijslag of via de fiscale route dat de huidige regelingen rekening houden met de inkomensafhankelijkheid en de draagkracht van de ouders. Dat is ook voor de toekomst een belangrijk uitgangspunt. Als je de toegankelijkheid van de voorzieningen wilt waarborgen, zal rekening gehouden moeten worden met de draagkracht van de ouders. De keuze voor de route via de kinderbijslag betekent dat de bedragen voor iedereen gelijk zijn en dan zal het voor sommigen lastig zijn om daarmee in de noodzakelijke kosten te voorzien. Hierover zal in de loop van het volgend jaar nader worden gediscussieerd. Daarbij zal ook het premiemodel aan de orde zijn.

Zij deelde wat de VPB-kwestie betreft mede dat de staatssecretaris van Financiën de bereidheid heeft getoond over dat probleem te bespreken. De sector is gevraagd in beeld te brengen waar de knelpunten liggen. Er is nog geen inventarisatie op dit punt.

Op de vraag of sneller toegewerkt kan worden naar een vraaggestuurd systeem antwoordde de staatssecretaris dat dit niet mogelijk is. De huidige stimuleringsregeling geldt voor vier jaar geldt en ondernemers zullen er hard aan moeten werken om de uitbreiding in vier jaar tijd te realiseren. Ook na 2002 zal hetgeen aan capaciteit gerealiseerd is exploiteerbaar moeten blijven. Gemeentes willen die zekerheid hebben, anders willen zij niet investeren. Vervolgens is het de vraag of het regime gedurende die uitbreidingsperiode veranderd moet worden. Dat werkt zeer complicerend, nog los van de discussies over wat er in het kader van de belastingherziening al dan niet kan worden ingepast. Het is dus niet verstandig om een hoger tempo in te zetten; het is al complex genoeg.

Wat het toezicht betreft wordt toegewerkt naar een wettelijke basis. Helder zal worden geregeld wie het toezicht uitvoert. Daarbij zullen de ervaringen die zijn opgedaan in de gemeenten met het toezicht worden meegenomen. Dit punt zal bij de behandeling van de notitie over de Wet basisvoorziening kinderopvang nader aan de orde zijn.

In 67 gemeentes lopen experimenten tieneropvang voor twaalf- tot zestienjarigen. Als het gaat om tieners kan eigenlijk niet meer van opvang gesproken worden. Het gaat dan om een structurering van de vrije tijd. Deze experimenten worden begeleid door het NIZW.

De staatssecretaris vond het een goed idee om de voortgang van de uitbreiding tussentijds te monitoren in het kader van de stimuleringsregeling en de Kamer daarover te informeren. Zij wees erop dat de gemeentes de uiteindelijke verantwoordelijkheid hebben om de regeling uit te voeren. De maatschappelijke druk vertaalt zich natuurlijk ook naar het lokale niveau. Voor de kwestie van de kwaliteitseisen geldt ook dat gemeentes verantwoordelijk zijn. VROM heeft daar op dit moment niets over te zeggen. Het ligt wel in de bedoeling het kwaliteitsaspect uniform te regelen in de Wet basisvoorziening kinderopvang. Op het moment dat die wet van kracht wordt, kan de tijdelijke regeling die nu geldt op grond van de Welzijnswet worden ingetrokken.

De staatssecretaris stelde tot slot aan het adres van de heer Blok dat zij de vraag over de aftrekbaarheid van de kinderopvang in het kader van het nieuwe belastingplan zal doorgeven aan de staatssecretaris van Financiën, zodat hij dit punt in het debat over de belastingherziening kan meenemen.

De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ging in op de vraag over de experimenten met dagindeling. Kernpunt daarbij is overdracht en communicatie. Over de planologische situatie is contact opgenomen met de betrokken gedeputeerde binnen het IPO. Wellicht is er een mogelijkheid om in alle gesprekken over het bestuursakkoord nieuwe stijl met IPO en VNG te bespreken hoe provincies zo snel mogelijk gebruik kunnen maken van planologische procedures. Daar kan een versnelling in aangebracht worden.

Wat de voorrangspositie van herintreders in het onderwijs voor kinderopvang betreft, merkte de staatssecretaris op dat dit te maken heeft met CAO-afspraken waar het ministerie van OCW in het kader van de laatste CAO-onderhandelingen geld voor beschikbaar is gesteld. De CAO-partijen stellen zelf regelingen vast voor de wijze waarop zij invulling geven aan het geheel. Dit punt moet doorgeleid worden naar het ministerie van OCW.

De voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

Essers

De voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Terpstra

De voorzitter van de vaste commissie voor Financiën,

Van Gijzel

De griffier van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

Teunissen

1 Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), Swildens-Rozendaal (PvdA), ondervoorzitter, Bijleveld-Schouten (CDA), Middel (PvdA), Essers (VVD), voorzitter, Oedayraj Singh Varma (GroenLinks), Dankers (CDA), Oudkerk (PvdA), Lambrechts (D66), Rijpstra (VVD), Rouvoet (RPF), Van Vliet (D66), Van Blerck-Woerdman (VVD), Passtoors (VVD), Eisses-Timmerman (CDA), Arib (PvdA), Gortzak (PvdA), Hermann (GroenLinks), Buijs (CDA), Atsma (CDA), Spoelman (PvdA), Kant (SP), E. Meijer (VVD), Van der Hoek (PvdA), Blok (VVD)

Plv. leden: Van 't Riet (D66), Rehwinkel (PvdA), Eurlings (CDA), Apostolou (PvdA), Örgü (VVD), Van Gent (GroenLinks), Van de Camp (CDA), Noorman-den Uyl (PvdA), Ravestein (D66), Weekers (VVD), Schutte (GPV), Schimmel (D66), Terpstra (VVD), Udo (VVD), Visser-van Doorn (CDA), Duijkers (PvdA), Belinfante (PvdA), Harrewijn (GroenLinks), Ross-van Dorp (CDA), Th.A.M. Meijer (CDA), Smits (PvdA), Marijnissen (SP), O.P.G. Vos (VVD), Hamer (PvdA), Cherribi (VVD)

2 Samenstelling:

Leden: Terpstra (VVD), voorzitter, Biesheuvel (CDA), Kalsbeek (PvdA), Schimmel (D66), Van Zijl (PvdA), Bijleveld-Schouten (CDA), Noorman-den Uyl (PvdA), ondervoorzitter, Kamp (VVD), Essers (VVD), Van Dijke (RPF), Bakker (D66), Van Blerck-Woerdman (VVD), Visser-van Doorn (CDA), Balkenende (CDA), De Wit (SP), Harrewijn (GroenLinks), Van Gent (GroenLinks), Smits (PvdA), Verburg (CDA), Bussemaker (PvdA), Spoelman (PvdA), Örgü (VVD), Van der Staaij (SGP), Santi (PvdA), Wilders (VVD)

Plv. leden: E. Meijer (VVD), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Hamer (PvdA), Giskes (D66), Van der Hoek (PvdA), Dankers (CDA), Kortram (PvdA), Blok (VVD), Hofstra (VVD), Van Middelkoop (GPV), Van Vliet (D66), Klein Molekamp (VVD), Stroeken (CDA), Mosterd (CDA), Marijnissen (SP), Vendrik (GroenLinks), Rosenmöller (GroenLinks), Schoenmakers (PvdA), Eisses-Timmerman (CDA), Wagenaar (PvdA), Middel (PvdA), Weekers (VVD), Van Walsem (D66), Oudkerk (PvdA), De Vries (VVD)

3 Samenstelling:

Leden: Schutte (GPV), Reitsma (CDA), Rosenmöller (GroenLinks), Van Zijl (PvdA), Van Gijzel (PvdA), voorzitter, Witteveen-Hevinga (PvdA), Voûte-Droste (VVD), Noorman-den Uyl (PvdA), Giskes (D66), Kamp (VVD), Marijnissen (SP), Crone (PvdA), Van Dijke (RPF), Bakker (D66), De Vries (VVD), De Haan (CDA), ondervoorzitter, Balkenende (CDA), Stroeken (CDA), Patijn (VVD), Van Beek (VVD), Vendrik (GroenLinks), Bos (PvdA), Remak (VVD), Wijn (CDA), Kuijper (PvdA)

Plv. leden: Van der Vlies (SGP), Verburg (CDA), Harrewijn (GroenLinks), Smits (PvdA), Duijkers (PvdA), Koenders (PvdA), Balemans (VVD), Van Oven (PvdA), Schimmel (D66), Hofstra (VVD), De Wit (SP), Kalsbeek (PvdA), Hoekema (D66), Van Walsem (D66), Wilders (VVD), Dankers (CDA), Bijleveld-Schouten (CDA), Hillen (CDA), Blok (VVD), Weekers (VVD), Rabbae (GroenLinks), Hindriks (PvdA), Hessing (VVD), Van den Akker (CDA), Timmermans (PvdA)

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie