Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Weekoverzicht Hof van Justitie en Gerecht eerste aanleg EU

Datum nieuwsfeit: 10-01-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten

WEEKOVERZICHT VAN HET HOF VAN JUSTITIE EN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN

Week van 10 tot 14 januari 2000

nr. 01/00


I. ARRESTEN

Bij het Hof van Justitie aanhangige zaken

Gevoegde zaken C-174/98 P en C-189/98 P

Koninkrijk der Nederlanden/Commissie van de Europese Gemeenschappen en G. van der Wal

Institutioneel recht

Zaak C-285/98

T. Kreil/Bondsrepubliek Duitsland

Sociale politiek

Zaak C-220/98

Estée Lauder Cosmetics GmbH & Co. OHG/Lancaster Group GmbH

Vrij verkeer van goederen

Zaak C-254/98

Schutzverband gegen unlauteren Wettbewerb/TK-Heimdienst Sass GmbH

Vrij verkeer van goederen

Bij het Gerecht van eerste aanleg aanhangige zaken

Zaak T-19/99

DKV Deutsche Krankenversicherung AG/Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM)

Intellectuele eigendom

II. CONCLUSIES

Zaak C-287/98

Groothertogdom Luxemburg/B. Linster e.a.

Zaak C-123/99

Commissie van de Europese Gemeenschappen/Helleense Republiek

Zaak C-420/98

W.N./Staatssecretaris van Financiën

Zaak C-230/98

Amministrazione delle Finanze dello Stato - Dogana di Trieste/Fallimento Ditta Schiavon Silvano

Zaak C-246/98

Strafzaak tegen Berendse-Koenen M.G. en Berendse H.G. Maatschap

Zaak C-429/97

Commissie van de Europese Gemeenschappen/Franse Republiek

Zaak C-226/98

B. Jørgensen/Foreningen af Speciallæger en Sygesikringens Forhandlingsudvalg

III. NIEUWE ZAKEN

Nieuwe zaken bij het Hof

IV. MEDEDELING

Nieuwe citeerwijze van de verdragsartikelen

1. ARRESTEN

Bij het Hof van Justitie aanhangige zaken

Gevoegde zaken C-174/98 P en C-189/98 P

Koninkrijk der Nederlanden/Commissie van de Europese Gemeenschappen en G. van der Wal

Institutioneel recht

11 januari 2000

"Hogere voorziening · Toegang tot informatie · Besluit 94/90/EGKS, EG, Euratom van de Commissie · Draagwijdte van uitzondering uit hoofde van bescherming van algemeen belang · Onvoldoende motivering · Artikel 6 van Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden · Beginselen van gelijkheid van partijen en van rechten van verdediging"

(Voltallig Hof)

Bij verzoekschriften, neergelegd ter griffie van het Hof op 11 en 19 mei 1998, hebben het Koninkrijk der Nederlanden en G. Van der Wal hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 19 maart 1998, Van der Wal/Commissie, waarbij het beroep tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 29 maart 1996 houdende weigering van de toegang tot bepaalde documenten werd verworpen.

Uit het bestreden arrest blijkt het volgende:

"10 Volgens het XXIVe Verslag over het mededingingsbeleid (1994) (hierna: 'XXIVe Verslag`) ontving de Commissie een aantal vragen van nationale rechterlijke instanties (...)

11 Bij brief van 23 januari 1996 verzocht verzoeker, in zijn hoedanigheid van advocaat en lid van een firma die zaken behandelt waarin vragen inzake mededinging op communautair niveau rijzen, om afschriften van enkele van de brieven waarbij de Commissie die vragen had beantwoord.

12 Bij schrijven van 23 februari 1996 wees de directeur-generaal van DG IV verzoekers aanvraag af met het betoog, dat verspreiding van de gevraagde brieven schade zou kunnen toebrengen aan 'de bescherming van het algemeen belang (gerechtelijke procedures)`.

13 De directeur-generaal beriep zich op de noodzaak een vertrouwensrelatie te onderhouden tussen enerzijds de uitvoerende macht van de Gemeenschap en anderzijds de nationale rechterlijke instanties van de lidstaten. Deze overwegingen, geldig in alle gevallen, gingen volgens de directeur-generaal in casu te meer op, aangezien in de zaken waarin de Commissie was ondervraagd, nog geen definitief oordeel was geveld.

14 Bij schrijven van 29 februari 1996 richtte verzoeker een confirmatief verzoek tot het secretariaat-generaal van de Commissie met het betoog, onder meer, dat hij niet inzag hoe het verloop van de nationale procedures in het gedrang kon komen indien aan derden bekend werd welke niet-vertrouwelijke inlichtingen de Commissie in het kader van de toepassing van het communautaire mededingingsrecht aan de nationale rechter had verstrekt.

15 Bij brief van 29 maart 1996 (hierna: 'bestreden beschikking`) bevestigde de secretaris-generaal van de Commissie het besluit van DG IV met het betoog, dat 'openbaarmaking van deze antwoorden nadelig zou kunnen zijn voor de bescherming van het openbaar belang, en met name voor de goede rechtsbedeling`."

In dat kader heeft Van der Wal op 29 mei 1996 een beroep ingesteld tot nietigverklaring van de bestreden beschikking, waarbij de toegang tot de hierboven genoemde brieven werd geweigerd.

Het middel betreffende schending van besluit 94/90

Beoordeling door het Hof

Het is juist, dat het algemene beginsel van gemeenschapsrecht, dat eenieder recht heeft op een eerlijk proces, het recht omvat op een rechter die met name onafhankelijk is van de uitvoerende macht. Uit dat recht kan echter niet worden afgeleid, dat de rechter bij wie een geding aanhangig is, noodzakelijkerwijs als enige bevoegd is om toegang tot de stukken van de betrokken gerechtelijke procedure te verlenen. Een dergelijk algemeen beginsel kan evenmin worden afgeleid uit de grondwettelijke tradities die de lidstaten gemeen hebben.

Bovendien houden besluit 94/90 en de communautaire rechtsbescherming ten aanzien van besluiten waarbij de Commissie toegang tot de in haar bezit zijnde documenten verleent, voldoende rekening met het gevaar voor aantasting van de onafhankelijkheid van de rechter.

Om te bepalen onder welke omstandigheden de Commissie in het kader van haar samenwerking met de nationale rechterlijke instanties voor de toepassing door laatstgenoemden van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag toegang tot in haar bezit zijnde documenten moet weigeren wegens gevaar voor aantasting van het algemeen belang in de zin van besluit 94/90, moet de wijze waarop die samenwerking verloopt, in aanmerking worden genomen.

Die rechterlijke instanties kunnen behoefte hebben aan inlichtingen van procedurele aard "om te weten of een bepaalde zaak door de Commissie wordt behandeld, of een zaak is aangemeld, of de Commissie officieel een procedure heeft ingeleid en of zij zich reeds bij officiële beschikking of een administratieve brief van haar diensten over een zaak heeft uitgesproken. Indien nodig kan de nationale rechter de Commissie vragen hoeveel tijd zij denkt nodig te hebben om na de aanmelding van een overeenkomst of gedraging over de verlening of weigering van een individuele vrijstelling te beslissen, zodat hij kan beoordelen of hij de behandeling van de zaak moet schorsen dan wel voorlopige maatregelen moet treffen" (punt 37 van de bekendmaking).

Bovendien kunnen zij, volgens punt 38 van de bekendmaking, de Commissie over rechtsvragen raadplegen, wanneer de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag voor hen bijzondere problemen doet rijzen

Ten slotte kunnen de nationale rechterlijke instanties bij de Commissie inlichtingen inwinnen over feitelijke gegevens: statistieken, marktstudies en economische analyses.

Uit het voorgaande volgt, dat de door de Commissie aan de nationale rechterlijke instanties verstrekte documenten vaak documenten zijn die reeds in haar bezit waren, dan wel documenten die, hoewel zij met het oog op een welbepaalde procedure zijn opgesteld, slechts melding maken van eerstgenoemde

documenten, of waarin de Commissie slechts een algemeen advies geeft, los van de gegevens betreffende de voor de nationale rechter aanhangige zaak. Ten aanzien van die documenten moet de Commissie in elk concreet geval uitmaken, of zij onder de uitzonderingen vallen die in de bij besluit 94/90 vastgestelde gedragscode zijn genoemd.

De door de Commissie verstrekte documenten kunnen eveneens juridische of economische analyses bevatten, die op basis van door de nationale rechter verstrekte gegevens zijn opgesteld. In die gevallen handelt de Commissie als een juridisch of economisch adviseur van de nationale rechter en gelden voor de in het kader van die taak opgestelde documenten dezelfde procedureregels als voor elk ander deskundigenrapport, met name wat de verspreiding ervan betreft.

In die gevallen kan het nationale recht zich tegen verspreiding van die documenten verzetten en kan de eerbiediging van dat recht worden beschouwd als een algemeen belang dat bescherming verdient uit hoofde van de bij besluit 94/90 bepaalde uitzonderingen.

Dat volstaat echter niet om de Commissie volledig vrij te stellen van haar verplichting toegang te verlenen tot laatstgenoemde documenten. Dergelijke documenten vallen immers, omdat zij in bezit van de Commissie zijn, onder besluit 94/90, dat voorziet in de ruimst mogelijke toegang voor het publiek. Elke uitzondering op dat recht van toegang moet dus strikt worden uitgelegd en toegepast.

Bijgevolg mag de Commissie zich er niet toe beperken, elk verzoek om toegang tot de betrokken documenten af te wijzen. De eerbiediging van de nationale procesregels is voldoende gewaarborgd, wanneer de Commissie zich ervan vergewist, dat de toegang tot de documenten geen inbreuk op het nationale recht oplevert. In geval van twijfel raadpleegt zij de nationale rechter en weigert zij de toegang enkel wanneer die rechter zich tegen verspreiding van de documenten verzet.

Bovendien voorkomt die procedure, dat de verzoeker zich eerst tot de bevoegde nationale rechter moet wenden en daarna tot de Commissie, wanneer die rechter van mening is, dat het nationale procesrecht zich niet tegen verspreiding van de gevraagde documenten verzet, maar denkt dat de toepassing van gemeenschapsregels tot een andere oplossing kan leiden. Die procedure is dus ook in overeenstemming met de vereisten van goed bestuur.

Uit het voorgaande volgt, dat het Gerecht, door besluit 94/90 aldus uit te leggen, dat de uitzondering ontleend aan de bescherming van het algemeen belang in het kader van een gerechtelijke procedure de Commissie verplicht de toegang te weigeren tot documenten die zij enkel met het oog op een dergelijke procedure heeft opgesteld, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, zodat het middel betreffende schending van dat besluit gegrond is.

Het bij het Gerecht ingestelde beroep tot nietigverklaring van het bestreden besluit

Wanneer de Commissie wordt verzocht om toegang tot documenten die zij aan een nationale rechter heeft verstrekt in het kader van haar samenwerking met de nationale rechterlijke instanties voor de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag, moet zij nagaan, of die documenten juridische of economische analyses vormen. Wanneer het om dergelijke documenten gaat, moet de Commissie zich ervan vergewissen, dat verspreiding ervan niet in strijd is met het nationale recht. In geval van twijfel raadpleegt zij de nationale rechter en weigert zij de toegang enkel wanneer die rechter zich tegen verspreiding van die documenten verzet.

Door de toegang tot de gevraagde documenten te weigeren zonder na te gaan, of die documenten juridische of economische analyses vormen die op basis van door de nationale rechter verstrekte gegevens zijn opgesteld, en, indien dat het geval was, zonder zich ervan te vergewissen dat verspreiding ervan niet in strijd is met het nationale recht, heeft de Commissie besluit 94/90 geschonden, zodat de bestreden beschikking nietig moet worden verklaard.

Het Hof, rechtdoende:

"1) Vernietigt het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 19 maart 1998, Van der Wal/Commissie (T-83/96).

2) Verklaart de beschikking van de Commissie van 29 maart 1996 houdende weigering van toegang tot bepaalde documenten nietig.

3) Verwijst de Commissie van de Europese Gemeenschappen in de kosten van beide instanties.

4) Verstaat dat het Koninkrijk der Nederlanden als interveniënt in zaak T-83/96 zijn eigen kosten betreffende de procedure voor het Gerecht en als interveniënt in zaak C-189/98 P zijn eigen kosten betreffende deze instantie zal dragen."

Advocaat-generaal G. Cosmas heeft ter terechtzitting van het Hof van 6 juli 1999 conclusie genomen.

Hij gaf het Hof in overweging te beslissen als volgt:

"1) het arrest van het Gerecht van 19 maart 1998, T-83/96, Van der Wal/Commissie, te vernietigen;

2) de zaak te verwijzen naar het Gerecht van eerste aanleg voor een nieuwe afhandeling;

3) een beslissing omtrent de kosten aan te houden."


Zaak C-285/98

T. Kreil/Bondsrepubliek Duitsland

Sociale politiek

11 januari 2000

Prejudiciële zaak

"Gelijke behandeling van mannen en vrouwen · Beperking van toegang van vrouwen tot functies bij Bundeswehr"

(Voltallig Hof)

Bij beschikking van 13 juli 1998 heeft het Verwaltungsgericht Hannover een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van richtlijn 76/207/EEG van de Raad.

Deze vraag is gerezen in een door T. Kreil tegen de Bondsrepubliek Duitsland aangespannen procedure over de weigering om haar aan te stellen bij de onderhoudsdienst (wapenelektronica) van de Bundeswehr.

Kreil, die een opleiding elektronica heeft gevolgd, solliciteerde in 1996 naar een functie als niet-dienstplichtige bij de Bundeswehr, met als aangegeven voorkeur de onderhoudsdienst (wapenelektronica). Haar verzoek werd afgewezen op grond dat de wet vrouwen uitsluit van de gewapende dienst.

Zij stelde daarop beroep in bij het Verwaltungsgericht Hannover, waarbij zij met name aanvoerde, dat de afwijzing van haar sollicitatie uitsluitend om redenen van geslacht, in strijd was met het gemeenschapsrecht.

Van oordeel dat uitlegging van de richtlijn voor de beslechting van het geschil noodzakelijk was, heeft het Verwaltungsgericht Hannover de behandeling van de zaak geschorst en het Hof een prejudiciële vraag gesteld.

Met deze vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of de richtlijn in de weg staat aan de toepassing van nationale bepalingen als de Duitse, die vrouwen uitsluiten van gewapende dienst in de krijgsmacht en hen enkel toegang verlenen tot de geneeskundige dienst en de militaire muziekkorpsen.

In de eerste plaats is het, zoals het Hof in punt 15 van het arrest van 26 oktober 1999, Sirdar (C-273/97, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie), heeft verklaard, aan de lidstaten, de maatregelen te nemen die geschikt zijn om hun binnenlandse en buitenlandse veiligheid te verzekeren, en daartoe besluiten te nemen inzake de organisatie van hun strijdkrachten. Dat wil echter niet zeggen, dat dergelijke besluiten volledig aan de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht onttrokken zijn.

Zoals het Hof immers reeds eerder heeft vastgesteld, bevat het Verdrag enkel in de artikelen 36, 48, 56, 223 (thans, na wijziging, de artikelen 30 EG, 39 EG, 46 EG en 296 EG) en 224 (thans artikel 297 EG) afwijkingen voor situaties waarin de openbare veiligheid op het spel kan staan; deze artikelen betreffen nauwkeurig omschreven uitzonderingsgevallen. Daaruit kan niet een algemeen voorbehoud voor elke uit hoofde van de openbare veiligheid genomen maatregel worden afgeleid, dat inherent zou zijn aan het Verdrag en op grond waarvan deze maatregelen buiten de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht zouden vallen. Erkenning van het bestaan van een zodanig voorbehoud, los van de specifieke voorwaarden die in de verdragsbepalingen zijn voorzien, zou afbreuk kunnen doen aan de bindende kracht en de uniforme toepassing van het gemeenschapsrecht (zie in deze zin arrest van 15 mei 1986, Johnston, 222/84, Jurispr. blz. 1651, punt 26, en arrest Sirdar, reeds aangehaald, punt 16).

Het begrip openbare veiligheid in de zin van de in het vorige punt bedoelde artikelen dekt zowel de interne veiligheid van een lidstaat · deze was aan de orde in de zaak Johnston, reeds aangehaald · als zijn externe veiligheid, die aan de orde was in de zaak Sirdar, reeds aangehaald.

Voorts hebben sommige in het Verdrag opgenomen uitzonderingen enkel betrekking op de regels betreffende het vrij verkeer van goederen, personen en diensten, en niet op de sociale bepalingen van het Verdrag, waartoe het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen, waarop Kreil zich beroept, behoort. Volgens vaste rechtspraak heeft dit beginsel een algemene strekking en geldt de richtlijn ook voor publiekrechtelijke dienstverhoudingen.

De richtlijn is derhalve van toepassing op een situatie als in het hoofdgeding aan de orde is.

Ingevolge artikel 2, lid 2, van de richtlijn hebben de lidstaten de bevoegdheid om beroepsactiviteiten van de toepassing van de richtlijn uit te sluiten waarvoor vanwege hun aard of de voorwaarden voor de uitoefening ervan, het geslacht een bepalende factor is. Hierbij moet evenwel worden bedacht, dat deze bepaling, die een afwijking behelst van een in de richtlijn neergelegd individueel recht, strikt moet worden uitgelegd.

Zo heeft het Hof erkend, dat het geslacht een bepalende factor kan zijn voor een beroep als bewaker of hoofdbewaker in een gevangenis, voor bepaalde activiteiten zoals politietaken die worden verricht in een situatie van ernstige binnenlandse onlusten of voor de dienst bij bepaalde speciale gevechtseenheden.

Een lidstaat mag dergelijke activiteiten en de desbetreffende beroepsopleiding voorbehouden aan mannen of aan vrouwen, al naar gelang het geval. Wel zijn de lidstaten dan ingevolge artikel 9, lid 2, van de richtlijn verplicht, die activiteiten op gezette tijden te onderzoeken om na te gaan of het gezien de sociale ontwikkeling gerechtvaardigd is de desbetreffende afwijking van de algemene regeling van de richtlijn te handhaven.

Voorts moet bij de vaststelling van de draagwijdte van een afwijking van een fundamenteel recht, zoals de gelijke behandeling van mannen en vrouwen, het evenredigheidsbeginsel, een van de algemene rechtsbeginselen die ten grondslag liggen aan de communautaire rechtsorde, worden geëerbiedigd. Op grond van dit beginsel mogen afwijkingen niet verder gaan dan passend en noodzakelijk is ter verwezenlijking van het nagestreefde doel, en moet zo veel mogelijk een evenwicht tot stand worden gebracht tussen het beginsel van gelijke behandeling en de eisen van openbare veiligheid die beslissend zijn voor de voorwaarden van uitoefening van de betrokken beroepsactiviteit.

De nationale autoriteiten beschikken evenwel, afhankelijk van de omstandigheden, over een zekere beoordelingsmarge bij de vaststelling van de maatregelen die zij ter bescherming van de openbare veiligheid van een lidstaat noodzakelijk achten.

De weigering, verzoekster in het hoofdgeding aan te stellen bij de dienst van de Bundeswehr van haar keuze, berust op bepalingen van de Duitse wetgeving die vrouwen volledig uitsluiten van functies in de gewapende dienst van de Bundeswehr en hen uitsluitend toegang verlenen tot de geneeskundige dienst en de militaire muziekkorpsen.

Een dergelijke, voor nagenoeg alle functies bij de Bundeswehr geldende uitsluiting is niet te beschouwen als een afwijking die wordt gerechtvaardigd door de specifieke aard van de betrokken functies of door de bijzondere voorwaarden waaronder deze worden uitgeoefend. De in artikel 2, lid 2, bedoelde afwijkingen kunnen namelijk slechts betrekking hebben op specifieke activiteiten.

Het karakter van de krijgsmacht in aanmerking genomen, is het enkele feit dat het daarbij dienende personeel kan worden genoodzaakt wapens te gebruiken, niet voldoende om de uitsluiting van vrouwen van de toegang tot functies in het leger te rechtvaardigen. Naar de Duitse regering heeft verklaard, wordt bij de voor vrouwen toegankelijke diensten van de Bundeswehr overigens een basistraining in de omgang met wapens gegeven, bedoeld om het personeel van die diensten in staat te stellen zich te verdedigen en anderen te hulp te komen.

Zelfs rekening houdend met de beoordelingsmarge waarover de nationale autoriteiten beschikken ten aanzien van de mogelijkheid om de omstreden uitsluiting te handhaven, konden zij zich derhalve niet zonder schending van het evenredigheidsbeginsel op het algemene standpunt stellen, dat alle gewapende onderdelen van de Bundeswehr uitsluitend uit mannen samengesteld moesten blijven.

Het Hof verklaart voor recht:

"Richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, staat in de weg aan de toepassing van nationale bepalingen als die van de Duitse wetgeving, die in algemene zin vrouwen uitsluiten van functies in de gewapende

dienst van de krijgsmacht en hen enkel toegang verlenen tot de geneeskundige dienst en de militaire muziekkorpsen."

Advocaat-generaal A. La Pergola heeft ter terechtzitting van het Hof van 26 oktober 1999 conclusie genomen.

Hij gaf het Hof in overweging te antwoorden als volgt:

"Richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, verzet zich tegen nationale bepalingen als § 1, lid 2, derde volzin, van het Soldatengesetz, in de versie van 15 december 1995, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 4 december 1997, en § 3a van de Soldatenlaufbahnverordnung, in de op 28 januari 1998 vastgestelde versie, die vrouwen verbieden bij 'gewapende` onderdelen van de strijdkrachten te dienen."


Zaak C-220/98

Estée Lauder Cosmetics GmbH & Co. OHG/Lancaster Group GmbH

Vrij verkeer van goederen

13 januari 2000

Prejudiciële zaak

"Vrij verkeer van goederen · Verkoop van een cosmeticaproduct met de benaming lifting · Artikelen 30 en 36 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikelen 28 EG en 30 EG) · Richtlijn 76/768/EEG"

(Vijfde kamer)

Bij beschikking van 24 maart 1998 heeft het Landgericht Köln een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van de artikelen 30 en 36 EG-Verdrag (thans, na wijziging, de artikelen 28 EG en 30 EG) en artikel 6, lid 3, van richtlijn 76/768/EEG van de Raad.

Die vraag is gerezen in een geding tussen Estée Lauder Cosmetics GmbH & Co. OHG en Lancaster Group GmbH (hierna: "Lancaster"), ter zake van de verkoop van het cosmeticaproduct "Monteil Firming Action Lifting Extreme Creme" met het woord "lifting" in de benaming.

Lancastar verkoopt de huidverstevigende crème "Monteil Firming Action Lifting Extreme Creme" met het woord "lifting" in de benaming.

In het hoofdgeding betoogt Estée Lauder, dat de term "lifting" misleidend is, aangezien de koper hierdoor de indruk krijgt, dat het product, met name wat de werkingsduur betreft, identieke of vergelijkbare werkingen heeft als het operatief strak trekken van de huid, hetgeen bij voormelde crème niet het geval

is. Estée Lauder vordert, dat het bedrijfsmatig op de markt brengen, de distributie en de promotie van cosmeticaproducten met de benaming "lifting", inzonderheid bovengenoemde crème, wegens strijdigheid met § 3 UWG en § 27, lid 1, LMBG alsmede met richtlijn 76/768 wordt verboden.

Lancaster geeft toe, dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde crème op lange termijn niet dezelfde werking heeft als een operatieve ingreep, maar stelt, dat deze niettemin een aanzienlijke huidverstevigende werking heeft. Haars inziens komt de verwachting van het publiek ten aanzien van dit product niet overeen met hetgeen Estée Lauder stelt. Zou zij veroordeeld worden, dan is dit in elk geval in strijd met de artikelen 30 en 36 van het Verdrag.

Onder deze omstandigheden heeft het Landgericht Köln de behandeling van de zaak geschorst en het Hof een prejudiciële vraag voorgelegd.

Met zijn vraag wenst de nationale rechter in wezen te vernemen, of de artikelen 30 en 36 van het Verdrag en richtlijn 76/768 zich verzetten tegen een nationale regeling die, in de door de nationale rechtspraak gegeven uitlegging, een verbod inhoudt op de invoer en de verkoop van een cosmeticaproduct waarvan de benaming het woord "lifting" bevat, wanneer de consument van die lidstaat door dat woord kan worden misleid over de werkingsduur van het product, terwijl het product in andere lidstaten onder dezelfde benaming zonder betwisting wettig wordt verkocht.

Opgemerkt zij, dat bij richtlijn 76/768 een volledige harmonisatie van de nationale bepalingen inzake verpakking en etikettering van cosmeticaproducten tot stand is gebracht.

Tot de door richtlijn 76/768 gegeven regels behoort de verplichting van de lidstaten, alle maatregelen te treffen die nodig zijn om te waarborgen dat bij het etiketteren, het ten verkoop aanbieden van en het maken van reclame voor cosmeticaproducten de tekst, de benamingen, merken en afbeeldingen of andere al dan niet figuratieve tekens niet worden gebruikt om aan deze producten kenmerken toe te schrijven die zij niet bezitten.

Deze bepaling omschrijft daarmee de maatregelen die moeten worden getroffen in het belang van de bescherming van de consument en de eerlijkheid der handelstransacties, die behoren tot de dwingende vereisten op grond waarvan belemmeringen van het vrije verkeer van goederen in de zin van artikel 30 van het Verdrag volgens de rechtspraak van het Hof zijn toegestaan. Zij strekt tevens tot bescherming van de gezondheid van personen in de zin van artikel 36 van het Verdrag, voor zover misleidende informatie over de kenmerken van deze producten gevolgen voor de volksgezondheid kan hebben.

De maatregelen die de lidstaten treffen om aan deze bepaling uitvoering te geven, moeten echter in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel.

Er zij aan herinnerd, dat het Hof heeft geoordeeld, dat om te bepalen of een benaming, een merk of een reclame-uiting al dan niet misleidend is, moet worden uitgegaan van de vermoedelijke verwachting van een gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende gewone consument.

Dit op het evenredigheidsbeginsel gebaseerde criterium geldt eveneens op het gebied van de verkoop van cosmeticaproducten, wanneer, zoals in het hoofdgeding, een verkeerde opvatting over de kenmerken van het product niet schadelijk kan zijn voor de volksgezondheid.

Bij de toepassing van dit criterium op het onderhavige geval moet rekening worden gehouden met een aantal elementen. Er moet onder meer worden nagegaan, of sociale, culturele of taalkundige factoren kunnen rechtvaardigen, dat het woord "lifting", wanneer het voor een verstevigende crème wordt gebruikt, door de Duitse consument anders wordt opgevat dan door de consument in andere lidstaten dan wel of de voorwaarden voor het gebruik van het product op zich volstaan om het tijdelijk karakter van de werking ervan te benadrukken, zodat elke tegengestelde conclusie die aan de term "lifting" kan worden ontleend, teniet wordt gedaan.

Ook al hoeft een gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende gewone consument op het eerste gezicht niet te verwachten, dat een crème waarvan de benaming het woord "lifting" bevat een duurzame werking heeft, het staat aan de nationale rechter om, met inachtneming van alle relevante gegevens, na te gaan of dit in casu het geval is.

Bij gebreke van enige bepaling van gemeenschapsrecht ter zake, dient de nationale rechter, die een opinie- of deskundigenonderzoek onontbeerlijk acht teneinde zich over het eventueel misleidende karakter van een reclame-uiting te laten informeren, overeenkomstig zijn nationale recht te bepalen, welk percentage door die uiting misleide consumenten hem voldoende significant voorkomt om in voorkomend geval een verbod te rechtvaardigen.

Het Hof verklaart voor recht:

"· De artikelen 30 en 36 EG-Verdrag (thans, na wijziging, de artikelen 28 EG en 30 EG) en artikel 6, lid 3, van richtlijn 76/768/EEG van de Raad van 27 juli 1976 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake cosmetische producten, zoals gewijzigd bij richtlijn 88/667/EEG van de Raad van 21 december 1988 en bij richtlijn 93/35/EEG van de Raad van 14 juni 1993, verzetten zich niet tegen de toepassing van een nationale regeling die een verbod inhoudt op de invoer en de verkoop van een cosmeticaproduct waarvan de benaming het woord 'lifting` bevat, wanneer, in de omstandigheden van het geval, een gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende gewone consument door die benaming wordt misleid doordat hij ten onrechte meent dat het product bepaalde kenmerken heeft.

· De nationale rechter dient zich over het eventueel misleidende karakter van die benaming uit te spreken en daarbij de vermoedelijke verwachting van die consument in aanmerking te nemen.

· Het gemeenschapsrecht verzet zich er niet tegen, dat de nationale rechter, wanneer het bijzonder moeilijk blijkt om het misleidende karakter van genoemde benaming te beoordelen, onder de naar nationaal recht geldende voorwaarden ter verduidelijking van het vonnis gebruik maakt van een opinie- of deskundigenonderzoek."

Advocaat-generaal N. Fennelly heeft ter terechtzitting van de Vijfde kamer van 16 september 1999 conclusie genomen.

Hij gaf het Hof in overweging te antwoorden als volgt:

"De gecombineerde bepalingen van de artikelen 30 en 36 EG-Verdrag (thans art. 28 EG en 30 EG) en van richtlijn 76/768/EEG van de Raad van 27 juli 1976 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake kosmetische producten, inzonderheid de artikelen 6, lid 3, en 7, lid 1, ervan, beletten een lidstaat, op basis van zijn nationale recht inzake oneerlijke mededinging, de invoer en distributie van een cosmetisch product te verbieden, dat zonder enige restrictie in andere lidstaten in de handel wordt gebracht en dat voldoet aan de bij richtlijn 76/768 inzake etikettering gestelde voorwaarden, tenzij in deze lidstaat een gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende gewone consument van het betrokken product, alle omstandigheden waaronder het product wordt verkocht in aanmerking genomen, wordt misleid door een vermelding in zijn benaming of zijn omschrijving, waardoor daaraan een kenmerk wordt toegeschreven dat het in werkelijkheid niet heeft."


Zaak C-254/98

Schutzverband gegen unlauteren Wettbewerb/TK-Heimdienst Sass GmbH

Vrij verkeer van goederen

13 januari 2000

Prejudiciële zaak

"Artikel 30 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 28 EG) · Ambulante verkoop van bakkerijproducten, vlees, vleeswaren en levensmiddelen · Territoriale beperking"

(Vijfde kamer)

Bij beschikking van 30 juni 1998 heeft het Oberste Gerichtshof een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 30 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 28 EG).

Die vraag is gerezen in een geding tussen Schutzverband gegen unlauteren Wettbewerb (hierna: "verzoeker") en de vennootschap TK-Heimdienst Sass GmbH betreffende de ambulante verkoop van producten door deze laatste.

TK-Heimdienst is gevestigd te Haiming, Tirol, en heeft filialen in Völs, eveneens in Tirol, en in Wolfurt, Vorarlberg. Zij drijft detailhandel en levert tevens diepvriesproducten aan de eindverbruiker. Tijdens hun ronden delen de chauffeurs van TK-Heimdienst de catalogus van de door verweerster in het hoofdgeding aangeboden diepvriesproducten en bestelformulieren uit. Bestellingen kunnen bij de zetel worden geplaatst of rechtstreeks bij de chauffeurs. Bij de volgende ronde wordt dan geleverd. De leveringsvoertuigen nemen ook een hoeveelheid producten mee die rechtstreeks, dus zonder voorafgaande bestelling worden verkocht. TK-Heimdienst heeft een ronde in het Verwaltungsbezirk Bludenz, dat volgens de verwijzingsbeschikking niet aan de districten Haiming, Völs of Wolfurt grenst.

Verzoeker, een vereniging voor de behartiging van de economische belangen van ondernemingen die in het bijzonder ten doel heeft oneerlijke mededinging te bestrijden, verzocht de rechter op grond van § 53a GewO (Gewerbeordnung 1994) TK-Heimdienst de ambulante verkoop van levensmiddelen in een Oostenrijks Verwaltungsbezirk te verbieden, zolang deze in dat district of in een daaraan grenzende gemeente geen handel drijft in een vaste inrichting.

De rechter in eerste aanleg wees dat verzoek toe en in hoger beroep is dat vonnis bevestigd.

Het Oberste Gerichtshof, waarbij "Revision" is ingesteld, verwijst naar 's Hofs rechtspraak over artikel 30 van het Verdrag. Het is van oordeel, dat het feit dat § 53a GewO niet de kenmerken van de goederen definieert, doch een bepaalde verkoopmodaliteit regelt, alsmede de omstandigheid dat die bepaling voor alle op het Oostenrijkse grondgebied actieve marktdeelnemers geldt en alleen maar het aantal gerechtigde verkopers beperkt, ervoor pleiten die bepaling als een met artikel 30 van het Verdrag verenigbare verkoopmodaliteit te beschouwen. Volgens de verwijzende rechter gaat het om een bepaling die specifiek is voor Oostenrijk, omdat zij de bevoorrading ter plekke bijzonder beschermt ten gunste van de aldaar gevestigde ondernemingen, daar die bevoorrading in een topografisch zo sterk geleed land als Oostenrijk anders gevaar dreigt te lopen.

Het Oberste Gerichtshof merkt evenwel op, dat het feit dat § 53a GewO een verkapte beperking kan vormen, zich tegen die analyse verzet.

Onder die omstandigheden heeft het Oberste Gerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en heeft het het Hof een prejudiciële vraag gesteld.

Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of artikel 30 van het Verdrag in de weg staat aan een nationale wettelijke regeling die bepaalt, dat bakkers, slagers en handelaren in levensmiddelen alleen dan in een bepaald administratief district, zoals een Oostenrijks Verwaltungsbezirk, hun goederen ambulant mogen verkopen, wanneer zij hun handelsactiviteit ook uitoefenen in een vaste inrichting waar zij die ambulant te koop aangeboden goederen eveneens te koop aanbieden en die in het betrokken administratief district of in een aangrenzende gemeente is gelegen.

Er zij aan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak elke handelsregeling van de lidstaten die de intracommunautaire handel al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel kan belemmeren, als een door artikel 30 van het Verdrag verboden maatregel van gelijke werking als kwantitatieve beperkingen is te beschouwen.

Het Hof heeft evenwel geoordeeld, dat de toepassing op producten uit andere lidstaten van nationale bepalingen die bepaalde verkoopmodaliteiten op het grondgebied van de betrokken lidstaat aan banden leggen of verbieden, niet onder artikel 30 van het Verdrag valt, mits die bepalingen van toepassing zijn op alle marktdeelnemers die op het nationale grondgebied activiteiten ontplooien, en mits zij zowel rechtens als feitelijk dezelfde invloed hebben op de verhandeling van nationale producten en op die van producten uit andere lidstaten.

Een nationale regeling als § 53a, lid 2, GewO, die bepaalt, dat bakkers, slagers en handelaren in levensmiddelen alleen dan in een bepaald administratief district, zoals een Oostenrijks Verwaltungsbezirk, hun goederen ambulant mogen verkopen, wanneer zij hun handelsactiviteit ook uitoefenen in een vaste inrichting waar zij die ambulant te koop aangeboden goederen eveneens te koop aanbieden en die in het betrokken administratief district of in een aangrenzende gemeente is gelegen, betreft de verkoopmodaliteiten van bepaalde goederen doordat zij geografische gebieden afbakent waarbinnen iedere betrokken marktdeelnemer zijn producten op die manier mag verkopen.

Zij treft de verkoop van nationale producten en die van uit andere lidstaten afkomstige producten evenwel niet op dezelfde wijze.

Aan deze conclusie doet niet af, dat voor elk gedeelte van het nationale grondgebied de regeling niet alleen een ongunstige invloed heeft op de afzet van uit andere lidstaten ingevoerde producten, maar ook op die van producten afkomstig uit andere gedeelten van het nationale grondgebied. Om als discriminerende of beschermende maatregel in de zin van de bepalingen betreffende het vrije verkeer van goederen te kunnen worden aangemerkt, behoeft een overheidsmaatregel niet noodzakelijkerwijs tot gevolg te hebben, dat alle nationale producten gunstiger worden behandeld of dat uitsluitend ingevoerde producten worden benadeeld.

Een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, bemoeilijkt de toegang tot de markt van de lidstaat van invoer meer voor producten uit andere lidstaten dan voor nationale producten, ook al is zij van toepassing op alle marktdeelnemers die op het nationale grondgebied actief zijn.

De beperkende werking van die regeling kan niet als zo willekeurig en indirect worden beschouwd dat de verplichting die zij oplegt, niet als een belemmering van het handelsverkeer tussen de lidstaten kan worden aangemerkt. In dat verband behoeft slechts te worden vastgesteld, dat goederen uit andere lidstaten nooit ambulant te koop kunnen worden aangeboden in een administratief district, zoals een Oostenrijks Verwaltungsbezirk, dat niet in een grensstreek is gelegen.

Daaruit volgt, dat een nationale regeling die bakkers, slagers en handelaren in levensmiddelen verbiedt hun producten in een bepaald administratief district, zoals een Oostenrijks Verwaltungsbezirk, ambulant te verkopen, wanneer zij hun handelsactiviteit niet ook uitoefenen in een vaste inrichting waar zij die ambulant te koop aangeboden goederen eveneens te koop aanbieden en die in het betrokken administratief district of in een aangrenzende gemeente is gelegen, het intracommunautaire handelsverkeer kan belemmeren.

Het Hof verklaart voor recht:

"Artikel 30 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 28 EG) staat in de weg aan een nationale wettelijke regeling die bepaalt, dat bakkers, slagers en handelaren in levensmiddelen alleen dan in een bepaald administratief district, zoals een Oostenrijks Verwaltungsbezirk, hun goederen ambulant mogen verkopen, wanneer zij hun handelsactiviteit ook uitoefenen in een vaste inrichting waar zij die ambulant te koop aangeboden goederen eveneens te koop aanbieden en die in het betrokken administratief district of in een aangrenzende gemeente is gelegen."

Advocaat-generaal A. La Pergola heeft ter terechtzitting van de Vijfde kamer van 18 mei 1999 conclusie genomen.

Hij gaf het Hof in overweging te antwoorden als volgt:

"Artikel 30 EG-Verdrag moet aldus worden uitgelegd, dat het niet in de weg staat aan een wettelijke regeling volgens welke bakkers, slagers en handelaren in levensmiddelen enkel producten die zij op basis van hun bedrijfsvergunning mogen verkopen, rondreizend van plaats tot plaats of huis aan huis te koop mogen aanbieden, indien zij het betrokken bedrijf ook in een vaste vestigingsplaats uitoefenen in het administratieve district waar zij de verkoop in deze vorm verrichten, of in een aan dit administratieve district grenzende gemeente, binnen het nationale grondgebied of in een andere lidstaat."


Bij het Gerecht van eerste aanleg aanhangige zaken

Zaak T-19/99

DKV Deutsche Krankenversicherung AG/Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM)

Intellectuele eigendom

12 januari 2000

"Gemeenschapsmerk · Woord Companyline · Absolute weigeringsgrond · Artikel 7, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 40/94"

(Vierde kamer)

Op 23 juli 1996 heeft verzoekster een aanvraag om een gemeenschapsmerk ingediend bij het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt.

De inschrijvingsaanvraag betreft het woord Companyline.

De diensten waarvoor de aanvraag is ingediend, zijn "verzekeringen en financiële zaken", behorend tot klasse 36 als bedoeld in de overeenkomst van Nice van 15 juni 1957 betreffende de internationale classificatie van de waren en diensten ten behoeve van de inschrijving van merken.

Bij beslissing van 17 april 1998 heeft de onderzoeker de aanvraag afgewezen op grond van artikel 38 van verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad.

Op 13 mei 1998 heeft verzoekster bij het Bureau beroep ingesteld tegen de beslissing van de onderzoeker.

Het beroep is verworpen bij beslissing van de eerste kamer van beroep van 18 november 1998 (hierna: "bestreden beslissing")

Verzoekster voert in wezen drie middelen aan, te weten in de eerste plaats schending van artikel 7, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94, in de tweede plaats schending van artikel 7, lid 1, sub c, van die verordening, uitgelegd in samenhang met artikel 12, sub b, en in de derde plaats misbruik van bevoegdheid.

Schending van artikel 7, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94

Beoordeling door het Gerecht

Blijkens artikel 4 van verordening nr. 40/94 is de beslissende maatstaf bij de beoordeling van de vraag, of een voor grafische voorstelling vatbaar teken een gemeenschapsmerk kan vormen, zijn geschiktheid om de waren van een onderneming te onderscheiden.

Hieruit volgt onder meer, dat het onderscheidend vermogen enkel kan worden beoordeeld in verhouding tot de waren of diensten waarvoor de inschrijving van het teken is gevraagd.

Volgens artikel 7, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94 wordt de inschrijving geweigerd van "merken die elk onderscheidend vermogen missen".

In casu is het teken uitsluitend samengesteld uit de in de Engelstalige landen gebruikelijke termen "company" en "line". De term "company" geeft aan, dat het product of de dienst bestemd is voor ondernemingen. Het woord "line" heeft meerdere betekenissen. In de financiële en de verzekeringssector betekent het met name een verzekeringstak of een productenpakket of -groep. Het zijn dus twee generieke termen voor een producten- of dienstenpakket voor ondernemingen. Door het aaneenschrijven van deze termen, zonder enige wijziging van de grafische voorstelling of de betekenis, krijgt het teken geen extra kenmerk, waardoor het in zijn geheel geschikt zou kunnen worden om de diensten van verzoekster te onderscheiden. De omstandigheid dat het woord Companyline als zodanig niet in woordenboeken voorkomt, ook niet in twee woorden geschreven, verandert niets aan deze vaststelling.

Bijgevolg mist het teken Companyline elk onderscheidend vermogen.

Opgemerkt zij, dat de in artikel 7 van verordening nr. 40/94 genoemde weigeringsgronden volgens artikel 7, lid 2, ook toepassing vinden, indien zij slechts in een deel van de Gemeenschap bestaan. Bijgevolg was de

weigering tot inschrijving in casu gerechtvaardigd, aangezien het woord Companyline in het Engelse taalgebied niet voor bescherming vatbaar is.

Bijgevolg heeft de kamer van beroep terecht bekrachtigd, dat het woord Companyline ingevolge artikel 7, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94 geen gemeenschapsmerk kan vormen.

Zoals uit artikel 7, lid 1, van verordening nr. 40/94 blijkt, is het bestaan van een van de opgesomde absolute weigeringsgronden voldoende om het teken niet als gemeenschapsmerk te kunnen inschrijven.

Misbruik van bevoegdheid

Naar het oordeel van het Gerecht zijn er geen objectieve en precieze aanwijzingen, dat de bestreden beslissing uitsluitend of althans overwegend is genomen ter bereiking van andere dan de aangegeven doeleinden.

Het Gerecht, rechtdoende:

"1) Verwerpt het beroep.

2) Verwijst verzoekster in de kosten."


2. CONCLUSIES

Zaak C-287/98

Groothertogdom Luxemburg/B. Linster e.a.

Prejudiciële verwijzing van het Tribunal d'arrondissement de Luxembourg · Uitlegging van de art. 177 en 189 EG-Verdrag · Rechterlijke instantie wier beslissing niet vatbaar is voor beroep · Impliceert vaststelling van schending van een niet volledig in nationaal recht omgezette richtlijn een beoordeling van de rechtstreekse werking van de richtlijn die verplicht tot een prejudiciële verwijzing? · Uitlegging van richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten · Invloed van schending van uit de richtlijn voortvloeiende verplichtingen op een onteigeningsprocedure, met het oog op de verwezenlijking van een project · Begrip "nationale wet" en "project"

Advocaat-generaal P. Léger heeft ter terechtzitting van het Hof van 11 januari 2000 conclusie genomen.

Hij heeft het Hof in overweging gegeven te antwoorden als volgt:

"1) Artikel 189 EG-Verdrag (thans artikel 249 EG) moet aldus worden uitgelegd, dat de nationale rechter waarbij een geding aanhangig is waarin wordt onderzocht of een nationale bepaling strookt met een niet binnen de gestelde termijn omgezette richtlijn, is voor zijn beslissing op dit punt niet gehouden vooraf na te gaan of de aangevoerde bepalingen van de richtlijn onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn.

2) Artikel 1, lid 5, van richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, moet aldus worden uitgelegd, dat daaronder niet valt een project voor de aanleg van een autoweg, dat weliswaar is opgenomen in het algemene programma ter verwezenlijking van een groot wegennet als vastgesteld bij een wettelijke bepaling na een procedure van dezelfde aard die aanleiding heeft gegeven tot openbare debatten, maar dat niet het tracé van de aan te leggen autoweg bevat."


Zaak C-123/99

Commissie van de Europese Gemeenschappen/Helleense Republiek

Niet-nakoming · Niet tijdige omzetting van richtlijn 94/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 1994 betreffende verpakking en verpakkingsafval

Advocaat-generaal P. Léger heeft ter terechtzitting van de Derde kamer van 11 januari 2000 conclusie genomen.

Hij heeft het Hof in overweging gegeven vast te stellen:

"1) Door binnen de gestelde termijn niet de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen in werking te doen treden om te voldoen aan richtlijn 94/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 1994 betreffende verpakking en verpakkingsafval, is de Helleense Republiek de krachtens artikel 22, lid 1 van deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.

2) De Helleense Republiek wordt verwezen in de kosten."


Zaak C-420/98

W.N./Staatssecretaris van Financiën

Prejudiciële verwijzing van de Nederlandse Raad van State · Uitlegging van art. 4, lid 1, sub a, en lid 3, van richtlijn 77/799/EEG van de Raad van 19 december 1977 betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op het gebied van de directe belastingen · "Abnormale vrijstelling of vermindering van belasting" · Andere toelaatbare reden voor spontaan verstrekken van inlichtingen aan autoriteiten van andere lidstaat

Advocaat-generaal S. Alber heeft ter terechtzitting van de Eerste kamer van 13 januari 2000 conclusie genomen.

Hij heeft het Hof in overweging gegeven te antwoorden als volgt:

"1) De woorden 'vrijstelling of vermindering van belasting` in artikel 4, lid 1, sub a, van richtlijn 77/799/EEG moeten aldus worden uitgelegd, dat deze vrijstelling of vermindering niet in een uitdrukkelijke handeling van de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat moet zijn vervat, doch dat het vermoeden volstaat, dat de vrijstelling of vermindering mogelijkerwijs zal worden verleend.

2) Het woord 'abnormaal` in enkele taalversies van artikel 4, lid 1, sub a, van richtlijn 77/799/EEG moet in de zin van een ongerechtvaardigde belastingvermindering of -vrijstelling worden opgevat.

3) Artikel 4, lid 3, van richtlijn 77/799/EEG houdt in, dat de betrokken autoriteiten met betrekking tot de vraag, of in alle andere dan de in artikel 4, leden 1 en 2, genoemde gevallen informatie aan andere autoriteiten wordt verstrekt, een beoordelingsbevoegdheid wordt toegekend. De nationale wetgever is bij de uitvoering van de richtlijn verplicht, de autoriteiten de in artikel 4, lid 3, voorziene beoordelingsbevoegdheid te verlenen. Bij de uitoefening van die bevoegdheid kan in bepaalde gevallen een verplichting tot het verstrekken van informatie bestaan."


Zaak C-230/98

Amministrazione delle Finanze dello Stato - Dogana di Trieste/Fallimento Ditta Schiavon Silvano

Prejudiciële verwijzing van het Tribunale di Treviso · Uitlegging van artikel 1 van verordening (EEG) nr. 545/92 van de Raad van 3 februari 1992 betreffende de regeling voor de invoer in de Gemeenschap van producten van oorsprong uit de Republieken Kroatië en Slovenië en de Joegoslavische Republieken Bosnië-Herzegowina, Macedonië en Montenegro, en van bijlage I bij verordening (EEG) nr. 859/92 van de Commissie van 3 april 1992 tot vaststelling van de bepalingen voor de uitvoering van de regeling inzake de invoer van bepaalde producten van de rundvleessector van oorsprong uit de Republieken Kroatië en Slovenië en de Joegoslavische Republieken Bosnië-Herzegovina, Macedonië en Montenegro · Invoer van rundvlees (baby beef) uit de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië · Instantie bevoegd tot afgifte van certificaten van oorsprong

Advocaat-generaal D. Ruiz-Jarabo Colomer heeft ter terechtzitting van de Tweede kamer van 13 januari 2000 conclusie genomen.

Hij heeft het Hof in overweging gegeven te antwoorden als volgt:

"1) Artikel 7 van verordening (EEG) nr. 545/92 van de Raad van 3 februari 1992 betreffende de regeling voor de invoer in de Gemeenschap van producten van oorsprong uit de Republieken Kroatië en Slovenië en de Joegoslavische Republieken Bosnië-Herzegowina, Macedonië en Montenegro, verleende particulieren geen onvoorwaardelijk recht op de invoer van 'baby beef`-producten in de Gemeenschap tijdens zijn geldigheidsduur, daar de toepassing ervan afhankelijk was van een hele reeks voorwaarden waarvan de meeste gekoppeld waren aan factoren die met de marktdeelnemers niets van doen hadden en waarvan de naleving werd getoetst door de Commissie, die gemachtigd was maatregelen te treffen op basis van de door haar gedane vaststellingen en die daartoe over een zekere beoordelingsmarge beschikte.

2) De tot afgifte van de certificaten bevoegde instanties als bedoeld in artikel 7, lid 3, van verordening nr. 545/92 voor het verkoopseizoen 1992 worden opgesomd in bijlage I van verordening (EEG) nr. 859/92 van de Commissie van 3 april 1992 tot vaststelling van de bepalingen voor de uitvoering van de regeling inzake de invoer van bepaalde producten van de rundvleessector van oorsprong uit de Republieken Kroatië en Slovenië en de Joegoslavische Republieken Bosnië-Herzegovina, Macedonië en Montenegro. De bevoegdheid van Savezni Trzisni Inspektorat Beograd kan niet na 5 april 1992 worden verlengd, hoewel geen enkele tot afgifte van deze certificaten bevoegde instantie in 1992 voor het grondgebied van de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië is aangewezen."


Zaak C-246/98

Strafzaak tegen Berendse-Koenen M.G. en Berendse H.G. Maatschap

Prejudiciële verwijzing van de Arrondissementsrechtbank te Arnhem · Uitlegging van art. 30 EG en van art. 8 van richtlijn 83/189/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften · Nationale regeling houdende verbod op behandeling van runderen met groeihormonen

Advocaat-generaal P. Léger heeft ter terechtzitting van de Derde kamer van 13 januari 2000 conclusie genomen.

Hij heeft het Hof in overweging gegeven te antwoorden als volgt:

"Een voorschrift als in artikel 3, lid 1, van de Verordening stoffen met sympathico-mimetische werking (PVV) 1991, juncto artikel 2 van die verordening, waarmee de lidstaat die het heeft vastgesteld, heeft voldaan aan zijn verplichtingen ingevolge richtlijn 86/469 van de Raad van 16 september 1986 inzake het onderzoek van dieren en vers vlees op de aanwezigheid van residuen, inzonderheid artikel 9, is geen bij artikel 30 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 28 EG) verboden eenzijdige nationale maatregel die het handelsverkeer tussen de lidstaten belemmert".


Zaak C-429/97

Commissie van de Europese Gemeenschappen/Franse Republiek

Niet-nakoming · Art. 2 van richtlijn 79/1072/EEG: Achtste richtlijn van de Raad betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting · Regeling voor de teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde aan niet in het binnenland gevestigde belastingplichtigen (PB L 331, blz. 11) · Niet in Frankrijk gevestigde belastingplichtige die een deel van zijn werk aan een in Frankrijk gevestigde belastingplichtige heeft onderaanbesteed

Advocaat-generaal N. Fennelly heeft ter terechtzitting van de Zesde kamer van 13 januari 2000 conclusie genomen.

Hij heeft het Hof in overweging gegeven:

"1) vast te stellen dat de Franse Republiek, door terugbetaling van BTW te weigeren aan belastingplichtigen die niet in het binnenland zijn gevestigd, wanneer die belastingplichtigen een deel van hun werk, dat deel uitmaakt van een ingewikkeld contract voor de verwijdering van afval, aan een in Frankrijk gevestigde belastingplichtige hebben onderaanbesteed, niet heeft voldaan aan de krachtens de Achtste richtlijn 79/1072/EEG van 6 december 1979, inzonderheid artikel 2, op haar rustende verplichtingen;

2) de Franse Republiek in de kosten te verwijzen."


Zaak C-226/98

B. Jørgensen/Foreningen af Speciallæger en Sygesikringens Forhandlingsudvalg

Prejudiciële verwijzing van het Østre Landsret · Uitlegging van de richtlijnen van de Raad 76/207/EEG van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en

vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, en 86/613/EEG van 11 december 1986 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van zelfstandig werkzame mannen en vrouwen, de landbouwsector daarbij inbegrepen, en tot bescherming van het moederschap · Tussen een vereniging van medisch specialisten en een socialezekerheidsinstantie gesloten collectieve overeenkomst betreffende de reorganisatie van de werkzaamheid van particuliere praktijken · Indirecte discriminatie

Advocaat-generaal A. Saggio heeft ter terechtzitting van de Zesde kamer van 13 januari 2000 conclusie genomen.

Hij heeft het Hof in overweging gegeven te antwoorden als volgt:

"1) De bepalingen van de overeenkomst als die welke zijn neergelegd in het omzettingsmodel dat is ingevoerd in het kader van de op 1 juni 1990 ondertekende overeenkomst tussen de vereniging van medisch specialisten en het onderhandelingscomité van de openbare ziekteverzekering, vallen onder de werkingssfeer van richtlijn 86/613/EEG, zoals uitgelegd in het licht van richtlijn 76/207/EEG. Om te bepalen of er sprake is van een indirecte discriminatie op grond van geslacht, moeten de gevolgen van de verschillende elementen van de litigieuze regeling voor de voltijds werkende medisch specialisten van het mannelijk en het vrouwelijk geslacht in hun totaliteit worden beoordeeld. Deze beoordeling, die aan de nationale rechter toekomt, moet worden verricht op basis van wezenlijke en samenhangende statistische gegevens die kunnen aantonen dat de litigieuze regeling in haar geheel beschouwd schadelijke effecten sorteert voor een aanmerkelijk groter aantal voltijds werkende medisch specialisten van het vrouwelijk geslacht dan voor voltijds werkende medisch specialisten van het mannelijk geslacht.

2) De gecombineerde bepalingen van de artikelen 3 en 4 van richtlijn 86/613/EEG, zoals uitgelegd in het licht van richtlijn 76/207/EEG, houden in, dat een eventuele indirecte discriminatie op grond van geslacht, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, slechts kan worden gerechtvaardigd met betrekking tot behoeften die verband houden met de sociale politiek, mits de discriminerende werking niet verder gaat dan ter bereiking van de nagestreefde doeleinden strikt noodzakelijk is.

3) Artikel 3, lid 1, van richtlijn 79/7/EEG moet aldus worden uitgelegd, dat de waarde van de 'goodwill` die een arts ontvangt bij de overdracht van zijn praktijk aan derden wanneer hij de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, niet kan worden gelijkgesteld met de premies die het pensioen van een werknemer dienen te waarborgen."


3. NIEUWE ZAKEN

Nieuwe zaken bij het Hof

Zaak C-383/99 P

Procter & Gamble Company/Harmonisatiebureau voor de interne markt

Hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht (Tweede kamer) van 8 juli 1999, Procter & Gamble/BHIM (T-163/98) houdende bevestiging van de weigering om de woordcombinatie "BABY-DRY" voor wegwerpluiers in te schrijven · Merken die uitsluitend bestaan uit tekens of aanduidingen die kunnen

dienen (...) tot aanduiding (...) van de bestemming (...) van de waren · Artikel 7, lid 1, sub c, van verordening nr. 40/94 van de Raad inzake het gemeenschapsmerk


Zaak C-384/99

Commissie/België

Niet-nakoming · Ondeugdelijke uitvoering van art. 5 van richtlijn 97/33/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 1997 inzake interconnectie op telecommunicatiegebied, wat betreft de waarborging van de universele dienst en van de interoperabiliteit door toepassing van de beginselen van Open Network Provision (ONP) · Speciaal tarief voor pers · Wijze van berekening van bijdragen · Methode voor berekening van nettokosten van universele dienst


Zaak C-385/99

V.G. Müller-Fauré/Onderlinge Waarborgmaatschappij OZ Zorgverzekeringen UA

E.E.M. van Riet/Onderlinge Waarborgmaatschappij ZAO Zorgverzekeringen

Prejudiciële verwijzing van de Centrale Raad van Beroep · Uitlegging van de art. 59 en 60 EG-Verdrag (thans art. 49 en 50 EG) · Nationale socialezekerheidsregeling die voorafgaande toestemming vereist voor vergoeding van medische behandelingen door (buitenlandse) persoon of inrichting met wie het ziekenfonds geen overeenkomst heeft gesloten · Risico van ernstige aantasting van financieel evenwicht van socialezekerheidsstelsel als rechtvaardigingsgrond · Instandhouding van adequate ziekenhuisvoorzieningen als rechtvaardigingsgrond


Zaak C-386/99

Commissie/Duitsland

Niet-nakoming · Niet-omzetting binnen de gestelde termijn van richtlijn 96/65/EG van de Commissie van 11 oktober 1996 tot vierde aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van richtlijn 88/379/EEG van de Raad betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten en tot wijziging van richtlijn 91/442/EEG betreffende gevaarlijke preparaten waarvan de verpakking van een kinderveilige sluiting moet zijn voorzien


Zaak C-387/99

Commissie/Duitsland

Niet-nakoming · Art. 30 EG-Verdrag (thans art. 28 EG) · Beperking van de tussenstaatse handel door in andere lidstaten wettig vervaardigd en in de handel gebrachte vitamine- en mineraalpreparaten als geneesmiddel aan te merken, wanneer die bestanddelen het drievoud van de door de Deutsche Gesellschaft für Ernährung aanbevolen dagelijkse dosis overschrijden


Zaak C-388/99 P

Xunta de Galicia/Raad e.a.

Hogere voorziening tegen de beschikking van het Gerecht (Derde kamer) van 8 juli 1999, Areacova e.a./Raad · Beroep tot gedeeltelijke nietigverklaring van verordening (EG) nr. 1761/95 van de Raad van 29 juni 1995 houdende tweede wijziging van verordening (EG) nr. 3366/94 tot vaststelling, voor 1995, van bepaalde maatregelen voor de instandhouding en het beheer van de visbestanden in het gereglementeerde gebied zoals omschreven in het Verdrag inzake toekomstige multilaterale samenwerking op visserijgebied in het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan · Beperking van de communautaire vangsten van zwarte heilbot overeengekomen met Canada · Vraag of bestreden verordening naar haar aard al dan niet een beschikking is


Zaak C-389/99

Sulo Rundgren

Prejudiciële verwijzing van Lapin Iääninoikeus · Uitlegging van de verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkende en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 en verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap · Zweedse rechthebbende op pensioen of rente die zich in Finland heeft gevestigd vóór de inwerkingtreding in die lidstaat van de betrokken verordeningen · Verzekeringspremies ten laste van rechthebbende op pensioen of rente · Recht van de staat van de woonplaats om bijdragen (bij ziekte en moederschap, ouderdom, arbeidsongeschiktheid en werkloosheid) te heffen over ouderdomsuitkeringen die door een andere lidstaat worden betaald (art. 3, 4, lid 1, sub b, c en g, 28 bis en 33, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1408/71) · Gevolgen van een overeenkomst waarbij de Noordse landen wederzijds afzien van elke vergoeding van uitkeringen bij ziekte en moederschap (art. 36, lid 3, van verordening (EEG) nr. 1408/71) · Mogelijkheid van verzoek om vrijstelling (art. 17 bis van verordening (EEG) nr. 1408/71) met terugwerkende kracht


Zaak C-390/99

Canal Satélite Digital SL/Administración General del Estado

Prejudiciële verwijzing van het Tribunal Supremo · Uitlegging van de art. 30 en 59 EG-Verdrag (thans, na wijziging, art. 28 en 49 EG) · Uitlegging van de art. 1-5 van richtlijn 95/47/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 inzake het gebruik van normen voor het uitzenden van televisiesignalen · Uitlegging van richtlijn 83/189/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften · Nationale wettelijke regeling volgens welke exploitanten van voorwaardelijke toegangssystemen verplicht zijn zichzelf en de apparatuur decoders enz. in te schrijven in een daarvoor gecreëerd nationaal register en zodoende een voorafgaande administratieve verklaring te verkrijgen


Zaak C-391/99

Portugal/Commissie

Nietigverklaring van beschikking C(1999) 2406 def. van de Commissie van 20 juli 1999 inzake een procedure op grond van art. 21 van verordening (EEG) nr. 4064/89 van de Raad van 21 december 1989 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (Procedure IV/M. 1616 · A. Champalimaud/BSCH)


Zaak C-392/99

Commissie/Portugal

Niet-nakoming · Art. 5, lid 1, en art. 189, lid 1, EG-Verdrag (thans art. 10 en 249 EG) · Art 6, lid 2, 8, lid 2, sub a, 13 en 17 van richtlijn 75/439/EEG van de Raad van 16 juni 1975 inzake de verwijdering van afgewerkte olie, zoals gewijzigd bij richtlijn 87/101/EEG van de Raad · Gebrekkige uitvoering van richtlijn 87/101/EEG van de Raad van 22 december 1986


Zaak C-393/99

Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants/Claude Hervein en Hervillier SA

Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants/Guy Lorthiois en Comtexbel SA

Prejudiciële verwijzing van de Arbeidsrechtbank te Doornik · Geldigheid (uit het oogpunt van de art. 48 en 52 EG-Verdrag) van art. 14 quater, lid 1, sub b, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkende en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983, juncto bijlage VII bij die verordening · Verplichting aan twee nationale socialezekerheidsstelsels bijdragen te betalen


Zaak C-395/99

Commissie/Italië

Niet-nakoming · Niet-omzetting, binnen gestelde termijn, van richtlijn 96/93/EG van de Raad van 17 december 1996 inzake de certificering van dieren en dierlijke producten en richtlijn 96/51/EG van de Raad van 23 juli 1996 tot wijziging van richtlijn 70/524/EEG betreffende toevoegingsmiddelen in de diervoeding


Zaak C-396/99

Commissie/Griekenland

Commissie/Griekenland

Niet-nakoming · Niet-omzetting, binnen gestelde termijn, van art. 2, lid 1, van richtlijn 96/2/EG van de Commissie van 16 januari 1996 tot wijziging van richtlijn 90/388/EEG met betrekking tot mobiele en persoonlijke communicatie, juncto met art. 3a, leden 2 en 3 van richtlijn 90/388/EEG van de Commissie van 28 juni 1990 betreffende de mededinging op de markten voor telecommunicatiediensten, zoals gewijzigd bij richtlijn 96/2/EG


Zaak C-398/99

Yorkshire Co-operatives Ltd/Commissioners of Customs & Excise

Prejudiciële verwijzing van het VAT and Duties Tribunal, Manchester · Uitlegging van de art. 11 A, lid 1, sub a, en 11 C, lid 1, van richtlijn 77/388/EEG: Zesde richtlijn van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting · Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag · Maatstaf van heffing · Door fabrikant uitgegeven en na verspreiding door hem teruggekochte bonnen die recht geven op korting op de prijs van goederen die hij aan groot- of detailhandelaren heeft geleverd


Zaak C-399/99 P

Fratelli Murri SpA/Commissie

Hogere voorziening tegen de beschikking van het Gerecht van eerste aanleg (Eerste kamer) van 4 augustus 1999, Fratelli Murri/Commissie (T-106/98) waarbij het Gerecht dit beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard · Verjaring van een vordering wegens niet-contractuele aansprakelijkheid · Stuiting van de verjaring


Zaak C-400/99

Italië/Commissie

Nietigverklaring van de brief van de Commissie SG (99) D 6463 van 6 augustus 1999 betreffende de inleiding van een formele onderzoeksprocedure betreffende de steunverlening van de Italiaanse Republiek aan ondernemingen van de Gruppo Tirrenia di Navigazione


Zaak C-401/99

P. H. Thomsen/Amt für ländliche Räume Husum

Prejudiciële verwijzing van het Schleswig-Holsteinische Oberverwaltungsgericht · Uitlegging van art. 7, lid 2, en art. 9, sub c, van verordening (EEG) nr. 3950/92 van de Raad van 28 december 1992 tot instelling van een extra heffing in de sector melk en zuivelproducten · Begrip producent · Terugneming van gepachte grond door verpachter die zelf geen producent is in de zin van art. 9, sub c, en die deze grond met de referentiehoeveelheden wil overdragen aan een derde


Zaak C-402/99

Commissie/België

Niet-nakoming · Verzuim om de maatregelen te treffen die nodig zijn voor een volledige en correcte uitvoering van art. 3, leden 2 en 4, van richtlijn 90/313/EEG van de Raad van 7 juni 1990 inzake de vrije toegang tot milieu-informatie


Zaak C-403/99

Italië/Commissie

Nietigverklaring van verordening (EG) nr. 1639/99 van de Commissie van 26 juli 1999 tot vaststelling van het maximumbedrag van de compenserende steun die voortvloeit uit de koersen voor de omrekening van de euro in een nationale munteenheid of uit de op 1 juli 1999 geldende wisselkoersen


Zaak C-404/99

Commissie/Frankrijk

Niet-nakoming · Art. 2, lid 1, en 11A, lid 1, sub a, van richtijn 77/388/EEG: Zesde richtlijn van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting ·

Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag · In cafés, hotels, restaurants of ziekenhuizen, etc. aangerekend "bedieningsgeld" (of fooien) uitgesloten van de maatstaf van heffing van de BTW


Zaak C-405/99

Commissie/België

Niet nakoming · Niet-vaststelling binnen de gestelde termijn van de maatregelen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 96/54/EG van de Commissie van 30 juli 1996 tot tweeëntwintigste aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van richtlijn 67/548/EEG van de Raad betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (Voor de EER relevante tekst)


Zaak C-406/99

Commissie/Duitsland

Niet-nakoming · Niet-omzetting binnen de voorgeschreven termijn van richtlijn 96/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 september 1996 tot wijziging van richtlijn 67/548/EEG betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen


Zaak C-407/99

Vetharanigam Pathminidevi/Landeskreditbank Baden-Württemberg - Förderbank

Prejudiciële verwijzing van het Bundessozialgericht · Uitlegging van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkende en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 · Werkingssfeer: vluchteling die niet beschikt over het recht van vrij verkeer en zich niet daadwerkelijk binnen de Gemeenschap heeft verplaatst · Begrip "gezinslid" · Art. 1, sub f-i, van verordening · Persoon die met als werknemer werkzame vluchteling als diens levenspartner samenwoont en gemeenschappelijk kind opvoedt · Vluchteling die met zijn gezin uit een derde land naar de Gemeenschap is geëmigreerd


Zaak C-408/99

Commissie/Ierland

Niet-nakoming · Niet-uitvoering binnen de gestelde termijn van richtlijn 94/55/EG van de Raad van 21 november 1994 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg en richtlijn 96/86/EG van de Commissie van 13 december 1996 tot aanpassing aan de technische vooruitgang van richtlijn 94/55/EG van de Raad betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg


Zaak C-409/99

Metropol Treuhand WirtschaftstreuhandgmbH/Finanzlandesdirektion für Steiermark

M. Stadler/Finanzlandesdirektion für Vorarlberg

Prejudiciële verwijzing van het Verwaltungsgerichtshof · Uitlegging van art. 17, lid 6, tweede alinea, en lid 7, van 77/388/EEG: Zesde richtlijn van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting · Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag · Recht op voorlopige handhaving van bestaande uitsluiting van recht op aftrek · Begrip "nationale wetgeving" · Voorwaarden voor uitoefening van bevoegdheid om op conjuncturele gronden bepaalde investeringsgoederen of andere goederen geheel of gedeeltelijk van de aftrekregeling uit te sluiten


Zaak C-410/99

Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Groningen/Challenger Trading Company Ltd

Prejudiciële verwijzing van het Kantongerecht te Groningen · Uitlegging van de art. 52 en 58 EG-Verdrag (thans, na wijziging, art. 43 en 48 EG) · Nationale wettelijke regeling op grond waarvan "formeel buitenlandse vennootschappen" worden onderworpen aan enkele nationaalrechtelijke bepalingen · Inschrijving in het handelsregister, minimumkapitaal, boekhoudplicht, jaarstukken, enz.


Zaak C-411/99

Commissie/Oostenrijk

Niet-nakoming · Niet binnen daartoe gestelde termijn uitvoeren van richtlijn 95/47/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 inzake het gebruik van normen voor het uitzenden van televisiesignalen


Zaak C-412/99

Commissie/Oostenrijk

Niet-nakoming · Niet-omzetting binnen de daartoe gestelde termijn van richtlijn 96/70/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 oktober 1996 tot wijziging van richtlijn 80/777/EEG van de Raad betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake de exploitatie en het in de handel brengen van natuurlijk mineraalwater


Zaak C-413/99

Maria Belen Baumbast, R/Secretary of State for the Home Department

Prejudiciële verwijzing van het Immigration Appeal Tribunal · Uitlegging van art. 8A EG-Verdrag (thans art. 18 EG) en art. 12 van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap · Recht van een burger van de Unie om te verblijven op het grondgebied van een lidstaat waar hij geen verblijfsrecht meer heeft volgens de bepalingen betreffende het vrije verkeer van werknemers of andere specifieke gemeenschapsrechtelijke bepalingen · Recht van de kinderen van een werknemer die tijdens diens verblijf in een andere lidstaat dan die waarvan hij onderdaan is, een lagere schoolopleiding hebben aangevat, om in het gastland te blijven wonen om er een algemene opleiding te volgen · Recht van de ouder met hoederecht om met de kinderen in het gastland te blijven wonen


Zaak C-414/99

Zino Davidoff SA/A & G Imports Ltd

Levi Strauss & Co (a US corporation existing under the laws of the State of Delaware) et Levi Strauss (UK) Ltd/Tesco Stores Ltd et Tesco plc

Levi Strauss & Co (a US corporation existing under the laws of the State of Delaware) et Levi Strauss (UK) Ltd/Costco UK Ltd

Prejudiciële verwijzing van de High Court of Justice (Chancery Division) · Uitlegging van art. 7, leden 1 en 2, van richtlijn 89/104/EEG: Eerste richtlijn van de Raad van 21 december 1988 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten · Uitputting van merkrecht · Product dat met toestemming van merkhouder in de Europese Economische Ruimte in de handel is gebracht · Impliciete toestemming indien product door merkhouder in derde land in de handel is gebracht, zonder dat de merkhouder de nodige maatregelen heeft genomen om een verbod van wederuitvoer naar de Europese Economische Ruimte op te leggen · Gegronde redenen die rechtvaardigen dat merkhouder zich tegen verdere verhandeling van het product verzet · Verwijdering van bij richtlijn 76/768/EEG van de Raad van 27 juli 1976 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake cosmetische producten verplicht gestelde codenummers


Zaak C-417/99

Commissie/Spanje

Niet-nakoming · Richtlijn 96/62/EG van de Raad van 27 september 1996 inzake de beoordeling en het beheer van de luchtkwaliteit · Niet-aanwijzing van de bevoegde instanties en de organen die belast zijn met de toepassing van de richtlijn


Zaak C-418/99

Commissie/Italië

Niet-nakoming · Niet-uitvoering binnen de gestelde termijn van richtlijn 97/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1997 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake maatregelen tegen de uitstoot van verontreinigende gassen en deeltjes door inwendige verbrandingsmotoren die worden gemonteerd in niet voor de weg bestemde mobiele machines


Zaak C-419/99

Commissie/Italië

Niet-nakoming · Niet-uitvoering binnen de gestelde termijn van richtlijn 96/84/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 december 1996 tot wijziging van richtlijn 89/398/EEG betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake voor bijzondere voeding bestemde levensmiddelen


Zaak C-420/99

Commissie/Italië

Niet-nakoming · Niet-uitvoering binnen de gestelde termijn van richtlijn 96/70/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 oktober 1996 tot wijziging van richtlijn 80/777/EEG van de Raad betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake de exploitatie en het in de handel brengen van natuurlijk mineraalwater


Zaak C-421/99

Commissie/Italië

Niet-nakoming · Niet-uitvoering binnen de gestelde termijn van richtlijn 94/67/EG van de Raad van 16 december 1994 betreffende de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen


Zaak C-422/99

Commissie/Italië

Niet-nakoming · Niet-uitvoering binnen de gestelde termijn van richtlijn 97/51/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 oktober 1997 tot wijziging van de richtlijnen 90/387/EEG en 92/44/EEG van de Raad met het oog op de aanpassing aan een door concurrentie gekenmerkte context in de telecommunicatie


Zaak C-423/99

Commissie/Italië

Niet-nakoming · Niet-uitvoering binnen de gestelde termijn van richtlijn 98/10/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 1998 inzake de toepassing van Open Network Provision (ONP) op spraaktelefonie en inzake de universele telecommunicatiedienst in een door concurrentie gekenmerkt klimaat


Zaak C-424/99

Commissie/Oostenrijk

Niet-nakoming · Richtlijn 89/105/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende de doorzichtigheid van maatregelen ter regeling van de prijsstelling van geneesmiddelen voor menselijk gebruik en de opneming daarvan in de nationale stelsels van gezondheidszorg · Aanmerking van het "Heilmittelverzeichnis" van het Oostenrijkse Hauptverband der Sozialversicherungsträger als "positieve lijst" in de zin van art. 6 van de richtlijn · Termijn voor opneming op de lijst (art. 6, sub 1) · Verplichting om de weigering van opneming met redenen te omkleden (art. 6, sub 2) · Verplichting om te voorzien in een rechtsmiddel voor het geval van weigering


Zaak C-425/99

Akhtar Seyed Abbasy/Landeskreditbank Baden-Württemberg - Förderbank

Prejudiciële verwijzing van het Bundessozialgericht · Uitlegging van art. 2, lid 1, en art. 3, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkende en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen ·

Werkingssfeer · Vluchteling die geen recht op vrij verkeer heeft en zich niet binnen de Gemeenschap heeft verplaatst · Begindatum van gelijkstelling van vluchteling met gemeenschapswerknemer


Zaak C-426/99

Connaught Laboratories Inc./SmithKline Beecham Pharma GbmH en SmithKline Beecham Biologicals Manufacturing SA

Prejudiciële verwijzing van het Oberlandesgericht Düsseldorf · Uitlegging van art. 21, eerste alinea, Executieverdrag, zoals gewijzigd in 1989 · Aanhangigheid · Vorderingen ingesteld bij gerechten van verschillende verdragsluitende staten · Begrip gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht · Tussen dezelfde partijen aanhangige vorderingen · Begrip · Gevolgen van overdracht van litigieuze octrooi op chronologische rangorde van rechtsvordering


Zaak C-427/99 P

RJB Mining plc/Commissie

Hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht (Eerste kamer · uitgebreid) van 9 september 1999, RJB Mining plc/Commissie (T-110/98) waarbij het Gerecht wegens ongegrondheid van de twee aangevoerde middelen een beroep heeft verworpen strekkende tot nietigverklaring van een beschikking van de Commissie inzake financiële steunmaatregelen van Duitsland ten behoeve van de kolenindustrie in 1997


Zaak C-428/99

H. van den Bor BV/Voedselvoorzieningsin- en verkoopbureau

Prejudiciële verwijzing van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven · Uitlegging gemeenschapsrecht · Bevoegdheid van lidstaat om in afwachting van communautaire regeling ter zake, schadevergoeding te betalen voor doden van kalveren uit het Verenigd Koninkrijk · Mogelijkheid van toepassing van beginsel van gerechtvaardigd vertrouwen in nationale maatregel waarvoor betrokken lidstaat bevoegdheid miste · Conflict tussen (geoorloofde) nationale regeling en verordening (EG) nr. 717/96 van de Commissie van 19 april 1996 houdende vaststelling van buitengewone maatregelen ter ondersteuning van de rundvleesmarkt in België, Frankrijk en Nederland


Zaak C-429/99

Commissie/Portugal

Niet-nakoming · Art. 2, lid 4, tweede alinea, van richtlijn 90/388/EEG van de Commissie van 28 juni 1990 betreffende de mededinging op de markten voor telecommunicatiediensten, zoals gewijzigd bij richtlijn 96/19/EG · Verbod op internationale "call back" dienst · Aan Portugal verleende aanvullende termijn voor de afschaffing van de uitsluitende rechten van Portugal Telecom inzake de verrichting van spraaktelefoniediensten · 97/310/EG: Beschikking van de Commissie van 12 februari 1997 betreffende de toekenning aan Portugal van bijkomende termijnen voor de uitvoering van de richtlijnen 90/388/EEG en 96/2/EG betreffende de volledige mededinging op de markten voor telecommunicatiediensten (Voor de EER relevante tekst)


Zaak C-430/99

Sea-Land Service Inc./Inspecteur van de Belastingdienst Douane, district Rotterdam

Prejudiciële verwijzing van de Nederlandse Raad van State · Uitlegging van art. 49 EG en verordening (EEG) nr. 4055/86 van de Raad van 22 december 1986 houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en derde landen · Nationale wettelijke regeling die voorziet in verplichte deelname aan verkeersbegeleiding in bepaalde wateren (toegang tot havens) en een tarief volgens hetwelk een aanzienlijk deel van de kosten van het verkeersbegeleidingsstelsel enkel op basis van hun lengte op de schepen wordt afgewenteld · Rechtvaardigingen (openbare veiligheid, "verkoopmodaliteit")


Zaak C-431/99

Nedlloyd Lijnen BV/Inspecteur van de Belastingdienst Douane, district Rotterdam

Zie zaak C-430/99


Zaak C-432/99

Commissie/Italië

Niet-nakoming · Niet-uitvoering binnen de gestelde termijn van richtlijn 96/57/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 september 1996 betreffende normen voor de energie-efficiëntie van huishoudelijke elektrische koelkasten, diepvriezers en combinaties daarvan


Zaak C-433/99

Panarotta 2002 Srl/Ufficio delle Imposte Dirette di Trento

Prejudiciële verwijzing van de Commissione tributaria di primo grado di Trento · Uitlegging van de art. 7 en 10 van richtlijn 69/335/EEG van de Raad van 17 juli 1969 betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal · Belasting op nettovermogen van ondernemingen · Nationale regeling waarbij jaarlijkse belasting van 0,75 % wordt geheven over kapitaalinbreng als bestanddeel van nettovermogen zoals vastgesteld in jaarbalans · Kapitaalinbreng reeds belast met registratierecht van 1 %


Zaak C-434/99

NTB SpA/Ufficio delle Imposte Dirette di Trento

Zie zaak C-433/99


Zaak C-435/99

Commissie/Portugal

Niet-nakoming · Verzuim om bepaalde verslagen op milieugebied uit te brengen overeenkomstig het bepaalde in de richtlijnen 76/464/EEG, 78/176/EEG, 78/659/EEG, 80/68/EEG, 82/176/EEG, 83/513/EEG, 84/156/EEG, 84/491/EEG en 86/280/EEG van de Raad, zoals gewijzigd bij art. 2, lid 1, van richtlijn

91/692/EEG van de Raad van 23 december 1991 tot standaardisering en rationaliseing van de verslagen over de toepassing van bepaalde richtlijnen op milieugebied


Zaak C-436/99 P

Karl L. Meyer/Commissie

Hogere voorziening tegen beschikking van het Gerecht (Derde kamer) van 27 oktober 1999, Meyer/Commissie (T-106/99) · Nietigverklaring van een faxbericht van het DG Ontwikkeling houdende weigering te antwoorden op een verzoek om inlichtingen en tot vergoeding van de gestelde schade als gevolg van het uitblijven van een antwoord


Zaak C-437/99

Commissie/Ierland

Niet-nakoming · Niet binnen gestelde termijn uitvoeren van richtlijn 95/53/EG van de Raad van 25 oktober 1995 tot vaststelling van de beginselen inzake de organisatie van de officiële controles op het gebied van diervoeding, richtlijn 96/93/EG van de Raad van 17 december 1996 inzake de certificering van dieren en dierlijke producten en richtlijn 97/61/EG van de Raad van 20 oktober 1997 houdende wijziging van de bijlage van richtlijn 91/492/EEG tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften voor de productie en het in de handel brengen van levende tweekleppige weekdieren


Zaak C-438/99

María Luisa Jiménez Melgar/Ayuntamiento de los Barrios

Prejudiciële verwijzing van het Juzgado de lo Social Único de Algeciras · Uitlegging van art. 10 van richtlijn 92/85/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 inzake de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie (tiende bijzondere richtlijn in de zin van art. 16, lid 1, van richtlijn 89/391/EEG) · Rechtstreekse werking · Verplichting voor lidstaten om bijzondere regeling in te stellen voor de beëindiging van arbeidsovereenkomsten met zwangere vrouwen · Uitwerking op arbeidsovereenkomsten voor bepaalde duur


Zaak C-439/99

Commissie/Italië

Niet-nakoming · Schending van de art. 52 en 59 EG-Verdrag (thans, na wijziging, art. 43 en 49 EG) · Handhaving van aantal nationale en regionale bepalingen inzake jaarmarkten en handelsbeurzen


Zaak C-440/99

Commissie/Luxemburg

Niet-nakoming · Niet binnen gestelde termijn uitvoeren van richtlijn 96/32/EG van de Raad van 21 mei 1996 houdende wijziging van bijlage II bij richtlijn 76/895/EEG betreffende de vaststelling van de maximale hoeveelheden residuen van bestrijdingsmiddelen in en op groenten en fruit en van bijlage II bij richtlijn

90/642/EEG tot vaststelling van maximumgehalten aan residuen van bestrijdingsmiddelen in en op bepaalde producten van plantaardige oorsprong; met inbegrip van groenten en fruit, en houdende vaststelling van een lijst van maximumgehalten, richtlijn 96/33/EG van de Raad van 21 mei 1996 houdende wijziging van de bijlagen bij de richtlijnen 86/362/EEG en 86/363/EEG tot vaststelling van maximumgehalten aan residuen van bestrijdingsmiddelen in en op granen, respectievelijk in en op levensmiddelen van dierlijke oorsprong, richtlijn 96/93/EG van de Raad van 17 december 1996 inzake de certificering van dieren en dierlijke producten, richtlijn 97/72/EG van de Commissie van 15 december 1997 tot wijziging van richtlijn 70/524/EEG van de Raad betreffende toevoegingsmiddelen in de diervoeding en richtlijn 98/19/EG van de Commissie van 18 maart 1998 tot wijziging van richtlijn 70/524/EEG van de Raad betreffende toevoegingsmiddelen in de diervoeding


Zaak C-441/99

Riksskatteverket/Soghra Gharehveran

Prejudiciële verwijzing van Högsta domstolen · Uitlegging van richtlijn 80/987/EEG van de Raad van 20 oktober 1980 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever · Draagwijdte van de uitzondering van artikel 1, lid 2, ten gunste van Zweden (handhaving nationale status-quo met betrekking tot de naaste verwanten van de eigenaren van de onderneming) · Rechtstreekse werking van de richtlijn (invloed van het feit dat de lidstaat zichzelf heeft aangewezen als het orgaan dat de garantie verschuldigd is)


Zaak C-442/99 P

Cordis Obst und Gemüse Großhandel GmbH/Commissie

Hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Vijfde kamer) van 28 september 1999, Cordis/Commissie (T-612/97), waarbij het Gerecht een beroep tot nietigverklaring van een verzoek om toekenning van extra certificaten heeft verworpen · Art. 30 van verordening (EEG) nr. 404/93 van de Raad van 13 februari 1993 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector bananen


Zaak C-443/99

Merck, Sharp & Dohme GmbH/Paranova Pharmazeutika Handels GmbH

Prejudiciële verwijzing van het Oberlandesgericht Wien · Uitlegging van art. 7, lid 2, van de Eerste richtlijn 89/104/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten · Voorwaarden die ompakking van parallel ingevoerde farmaceutische specialiteiten rechtvaardigen


Zaak C-444/99

Commissie/Italië

Niet-nakoming · Schending van art. 2 van richtlijn 92/106/EEG van de Raad van 7 december 1992 houdende vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor bepaalde vormen van gecombineerd vervoer van goederen tussen lidstaten · Van kracht laten van een contingenterings- en vergunningenstelsel


Zaak C-445/99

Commissie/Italië

Niet-nakoming · Niet binnen de gestelde termijn uitvoeren van richtlijn 96/34/EG van de Raad van 3 juni 1996 betreffende de door de UNICE, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof


4. MEDEDELING

Nieuwe citeerwijze van de verdragsartikelen

Wij herhalen nogmaals ons bericht, dat in de weekoverzichten nrs. 21/99 en 22/99 een mededeling is opgenomen over de nieuwe citeerwijze van de verdragsartikelen in teksten van het Hof en van het Gerecht.

(1)


1: Dit overzicht, opgesteld door de Afdeling Pers en Voorlichting van het Hof van Justitie (L-2925 Luxemburg), heeft tot doel snelle informatie te verschaffen over de werkzaamheden van het Hof en het Gerecht. Alleen de tekst van de arresten en conclusies, die later wordt gepubliceerd in de "Jurisprudentie van het Hof van Justitie en het Gerecht van eerste aanleg", is echter officieel. De inhoud van dit weekoverzicht kan zonder toestemming, doch met vermelding van de bron, worden overgenomen.

Vertaald uit het Frans.

Kopij afgesloten op 14 januari 2000

Catalogusnummer: DX-AC-00-001-NL-C

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie