Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Vakantie onderwijspersoneel opgeschort bij ziekte

Datum nieuwsfeit: 11-01-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Algemene Onderwijsbond

Vakantie opgeschort bij ziekte en zwangerschap

Als ziekte, zwangerschaps- en bevallingsverlof van onderwijspersoneel samenvallen met vakantiedagen moeten deze dagen gecompenseerd worden. Deze uitspraak deed de kantonrechter in Middelburg 10 januari naar aanleiding van een proefproces dat de AOb heeft aangespannen.

In dit proces eiste een lerares, werkzaam aan het roc Zeeland compensatie voor dertien dagen in de kerstvakantie 1998 die samenvielen met haar zwangerschaps- en bevallingsverlof. De rechter had al eerder een tussenuitspraak gedaan waarin hij tot de conclusie kwam dat de eis terecht is. In het definitieve vonnis verwerpt hij de opvatting van het roc dat cao-bepalingen in het geschil de doorslag geven. Volgens de rechter blijkt uit de cao weliswaar dat de ondertekenaars hebben afgezien van een `opschortende werking' bij ziekte en zwangerschap. Maar volgens het burgerlijk wetboek kunnen alleen met instemming van de betrokken werknemer niet-gewerkte dagen wegens ziekte, zwangerschaps- en bevallingsverlof worden aangemerkt als vakantie.

De uitspraak, die gezien de verwijzing naar het burgerlijk wetboek vooralsnog alleen voor het bijzonder onderwijs geldt, kan grote consequenties hebben als ze door andere kantonrechters of in hoger beroep wordt bevestigd. Dan zouden ziektedagen tijdens vakanties evenals het zwangerschaps- en bevallingsverlof in werktijd moeten worden gecompenseerd. De bond voert ook een proefproces voor een werknemer in het openbaar onderwijs. De uitspraak wordt over ongeveer twee maanden verwacht.

Hieronder treft u de volledige tekst van de uitspraak aan.

rolnummer: 99-1051

uitspraak: 10 januari 2000

Kantongerecht te Middelburg

V 0 N N I S

in de zaak van:

A,
wonende te B,
eisende partij,
verder te noemen: werkneemster,
gemachtigde: mr. M. Greebe,

t e g e n :

de stichting

C, gevestigd te D,
gedaagde partij,
verder te noemen: werkgever,
gemachtigde: mr. S.A. Geerdink.

het verloop van de procedure

De volgende proceshandelingen zijn verricht:

dagvaarding van 19 maart 1999,
conclusies van antwoord, repliek en dupliek, - tussenvonnis van 6 september 1999,
akte en antwoordakte.

de verdere beoordeling van de zaak

1. De kantonrechter handhaaft hetgeen is overwogen en beslist bij het tussenvonnis van 6 september 1999. De inhoud van dit vonnis moet als hier ingelast worden beschouwd.

2. Werkgever heeft aangevoerd dat bij de totstandkoming van de CAO-BVE er overeenstemming over is bereikt dat niet gewerkte dagen wegens ziekte en zwangerschap en bevalling worden aangewezen als vakantiedagen. Werkgever heeft daarbij gewezen op de artt F-13 en F-14 van de CAO-BVE 1996-1998. Uit de overeenstemming van de CAO-partners over een vakantieregeling zonder compensatieregeling volgt volgens werkgever dat de individuele werknemer instemt met het aanwijzen van niet gewerkte dagen in verband met zwangerschap en bevalling als vakantiedagen. Werkgever concludeert dat is voldaan aan de vereiste instemming van art. 7:636 BW.

3. De kantonrechter merkt vooraf op dat werkgever van standpunt is veranderd.

Vóór het tussenvonnis had werkgever betoogd dat bij samenval van vakantie en ziekteverlof onderwijsgevend personeel geen vakantieverlof geniet, noch vakantieaanspraken verliest, aangezien in de vakantieregeling niet is vastgelegd op hoeveel vakantiedagen het onderwijsgevend personeel recht heeft. Thans, nadat bij het tussenvonnis is beslist dat art. I-C2 van het RPBO wel degelijk beoogt de omvang van de aanspraak op vakantie te regelen, stelt werkgever dat bij samenval als voormeld wèl vakantie wordt genoten.

4. Aangezien de kantonrechter niet inzag hoe de huidige praktijk in het onderwijs wordt gelegitimeerd door het ontbreken van een relevante samenvalbepaling in het RPBO heeft hij werkgever de gelegenheid gegeven zich dienaangaande uit te laten. Werkgever is aan deze vraag voorbijgegaan. De kantonrechter stelt thans vast dat uit het ontbreken van zo'n samenvalbepaling in de relevante paragraaf van het RPBO niet volgt dat bij zulke samenval geen vakantieverlof wordt genoten en bovendien de aanspraak op de misgelopen vakantie verloren gaat. Daartoe zou onder meer een redenering a contrario vereist zijn, die in strijd zou komen met het uitgangspunt van de wet dat vakantie en afwezigheid van het werk wegens ziekte en wegens zwangerschap en bevalling in beginsel niet samenvallen. Zo'n redenering a contrario is niet aanvaardbaar. Bovendien kan het RPBO niet derogeren aan een beschermingsbepaling van dwingend recht uit het BW. Het is begrijpelijk dat werkgever dienaangaande niets naar voren heeft gebracht.

5. Werkgever heeft wel aangevoerd, dat de toepasselijke CAO afwijkt van het BW. Dit is juist. Uit de artt. F-13 en F-14 in onderling verband en samenhang gelezen kan worden afgeleid dat de CAO-partners voor onderwijsgevend personeel bewust hebben afgezien van een "opschortende werking" bij ziekte tijdens vakantie. Werkneemster heeft dit feit ook niet betwist.

6. Bij CAO kan echter niet worden afgeweken van art. 7:636 BW, voor zover het gaat om verlof wegens zwangerschap en bevalling. Dit volgt uit art. 7:645 en art. 7:636 BW zelf. Art. 7:637 BW is hier niet van toepassing nu deze bepaling uitsluitend de afwezigheid van het werk wegens ziekte betreft. Ten overvloede wordt opgemerkt dat die ruimte om bij CAO af te wijken beperkt is. Ondanks langdurige ziekte behoudt de onderwijsgevende werknemer tenminste recht op vakantie, bedoeld in art. 7:634 BW (vier weken per jaar). Mocht door langdurige ziekte deze minimum vakantie niet kunnen worden opgenomen, dan lijkt een compensatie in enigerlei vorm aan de orde te komen.

7. Bij verlof wegens zwangerschap en bevalling kan echter niet worden afgeweken van art. 7:636 BW, ook niet bij CAO. Werkgever heeft nog getracht de vereiste instemming van werkneemster als werkneemster te construeren uit het feit dat de CAO-partners overeenstemming hebben bereikt over de afwijkende vakantieregeling, maar deze constructie houdt geen stand. De ingevolge art. 7:636 BW vereiste instemming kan niet bij voorbaat worden gegeven; slechts van geval tot geval kunnen met instemming van de werkneemster verlofdagen wegens zwangerschap en bevalling worden aangemerkt als vakantiedagen. De kantonrechter onderschrijft hetgeen werkneemster dienaangaande in haar akte onder 4, 5 en 6 naar voren heeft gebracht. Om kort te zijn wordt daarnaar verwezen.

8. Uit het voorgaande volgt dat werkneemster aanspraak op dertien vakantiedagen (Kerstdag en Nieuwjaarsdag niet meegerekend) heeft behouden. Uitgangspunt van het BW is dat vakantiedagen moeten worden opgenomen. Art. 7:640 BW verbiedt de afkoop van aanspraak op vakantie tijdens de duur van de arbeidsovereenkomst. Dit verbod staat aan de weg aan de subsidiaire vordering tot schadevergoeding. De primaire vordering is toewijsbaar met de volgende kanttekeningen.

9. De vakantieperioden zijn via de CAO vastgesteld. Daarbij is op een correcte wijze gebruik gemaakt van de ruimte die art. 7:638 BW biedt. Werkneemster heeft daar met juistheid op gewezen. De dertien resterende vakantiedagen van werkneemster zijn daarom overige vakantiedagen in de zin van art. 7:638, lid 6, BW. Werkgever dient deze dagen aan werkneemster op haar verzoek te verlenen, tenzij gewichtige redenen zich daartegen verzetten. Werkgever heeft aangevoerd dat het belang van de continuïteit van het onderwijs niet toelaat dat er door onderwijsgevenden vakantie wordt opgenomen buiten de schoolvakanties. Dit standpunt is als gewichtige reden niet acceptabel, omdat werkneemster dan nimmer de haar resterende vakantiedagen zal mogen opnemen. Werkgever zal naar aanleiding van concrete verzoeken van werkneemster van geval tot geval haar standpunt moeten bepalen. Werkgever zal niet elk verzoek van werkneemster behoeven te honoreren. Het lijkt wel mogelijk dat het aaneengesloten opnemen van de dertien resterende dagen bij werkgever op onoverkomelijke bezwaren zal stuiten vanwege het belang van de continuïteit van het onderwijs. Maar werkgever is wel verplicht om eraan mee te werken dat werkneemster de haar resterende vakantiedagen binnen een redelijke termijn zal kunnen opnemen buiten de geldende vakanties. Uiteraard zal redelijk overleg meningsverschillen zoveel mogelijk moeten voorkomen.

10. Gelet op het voorgaande zal de primaire vordering als volgt worden toegewezen. De gevorderde dwangsom zal aan een maximum worden gebonden. Werkgever dient als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te worden verwezen.

11. Aan de beoordeling van de vraag of het ontbreken van een compensatieregeling leidt tot benadeling van vrouwen in de arbeidsvoorwaarden is de kantonrechter niet toegekomen. Dit is een gevolg van het feit dat het BW aan werkneemster de door haar gezochte bescherming blijkt te bieden. Voor afwegingen naar redelijkheid en billijkheid is bij de beslissing geen plaats geweest. Het standpunt van werkgever heeft niet tot zulke afwegingen genoodzaakt. De kantonrechter acht het niet opportuun om in te gaan op hetgeen partijen hebben opgemerkt naar aanleiding van zijn overwegingen terzijde in het tussenvonnis onder 3.6.

DE BESLISSING

De kantonrechter:

veroordeelt werkgever om werkneemster toe te staan dat werkneemster de haar resterende dertien vakantiedagen zal opnemen op de door haar tijdig tevoren op te geven datums, tenzij gewichtige redenen zich daartegen verzetten;

veroordeelt werkgever om aan werkneemster een dwangsom van fl 200,- te betalen voor elke dag dat werkgever ná de berekening van dit vonnis niet voldoet aan deze veroordeling;

bepaalt dat werkgever boven fl 10.000,- geen dwangsom meer zal verbeuren;

veroordeelt werkgever in de kosten van het geding gevallen aan de zijde van werkneemster en tot op heden begroot op fl 1.243,65 waaronder begrepen een bedrag van fl 900,- wegens salaris voor de gemachtigde van werkneemster;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.M. Klarenbeek, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 januari 2000 in tegenwoordigheid van de griffier.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie