Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Verslag overleg commissie over beleidskader jeugdzorg

Datum nieuwsfeit: 14-01-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

26816000.003 vso inzake voortgangsrapportage beleidskader jeugdzorg 20 00-2003
Gemaakt: 24-1-2000 tijd: 9:33

26816 Voortgangsrapportage Beleidskader Jeugdzorg 2000-2003 nr. 3 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 14 januari 2000

In de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport 1) en de vaste commissie voor Justitie 2) bleek bij onderstaande fracties behoefte te bestaan een aantal vragen ter beantwoording voor te leggen aan de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en aan de minister van Justitie over de bij brief van 21 september 1999 toegezonden
Voortgangsrapportage Jeugdzorg 2000-2003 (26 816, nrs. 1 en 2). Deze vragen zijn met de op 13 januari 2000 toegezonden antwoorden hieronder afgedrukt.

De voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

Essers

De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie,

Van Heemst

De griffier van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

Teunissen
Vragen PvdA-fractie

De Adviescommissie Wet op de Jeugdzorg zal in oktober 1999 verslag uitbrengen. Is dit advies inmiddels afgerond? (blz. 5)

Het advies van de Adviescommissie Wet op de Jeugdzorg (onder voorzitterschap van mevrouw drs. J. Günther) is inmiddels afgerond en op 16 december 1999 aan ons aangeboden. Op diezelfde dag is het advies aan uw Kamer toegezonden met een aanbiedingsbrief waarin enkele hoofdlijnen zijn uitgezet alsmede de verdere procedure is aangegeven.

Per 1 januari 2000 is er een landelijk dekkend netwerk van functionerende Advies- en Meldpunten Kindermishandeling. Wordt deze doelstelling gehaald? Zo nee, waarom niet? Kan de minister een overzicht geven van de functionerende AMK's en de (nog) niet functionerende AMK's? (blz. 7)

De doelstelling van een landelijk dekkend netwerk van Advies- en Meldpunten Kindermishandeling per 1 januari 2000 wordt naar verwachting gehaald. Een monitor AMK-vorming komt begin 2000 beschikbaar, deze zal nader inzicht bieden in de stand van zaken rond de AMK's.

Wanneer zal de Kamer precies worden geïnformeerd over de systematiek inzake de intensiveringsgelden? In welke mate zal rekening worden gehouden met de wachtlijsten in de diverse regio's? Worden aan de nog te maken afspraken ook prestatiemetingen gekoppeld? (blz. 8)

Een voorstel voor een te hanteren verdeling van extra middelen staat op de agenda van het Gestructureerd Overleg Jeugdzorg van 21 december a.s. Na dit overleg vindt besluitvorming plaats, waarna uw Kamer zal worden geïnformeerd. Provincies en grootstedelijke regio's krijgen een integraal bedrag ter beschikking om de vorming van de BJZ's en AMK's te realiseren en om de capaciteit uit te breiden.

Overigens kan een verdeelsystematiek nog niet concreet rekening houden met knelpunten op het gebied van capaciteit zolang betrouwbare informatie over de vraag c.q. wachtlijsten ontbreekt. Deze komt pas beschikbaar zodra het Intersectorale Informatiesysteem voor de Jeugdzorg (ISIS) is geïmplementeerd en uitgebouwd. Hiervoor wordt verwezen naar de antwoorden op de vragen 6, 7, 35 en 71.

Wat wordt precies bedoeld met de opmerking ten aanzien van de meerjarenafspraken «dat gekozen is voor een gefaseerde aanpak waarbij er structureel aandacht is voor de aansluiting met de praktijk»? (blz. 9)

Met de betreffende passage wordt gedoeld op een aanpak die rekening houdt met de ontwikkelingsfase per provincie en regio. Het is niet de bedoeling om provincies en regio's die een voorsprong hebben af te remmen. Wel is het uitgangspunt dat in alle provincies en grootstedelijke regio's eind 2002 volwaardige Bureaus Jeugdzorg zijn ingericht.

Past de verwerking van informatie van bijvoorbeeld de Haltbureaus en het project `Justitie-in-de-buurt' of het CVS-JC, in het hoofdstuk 1.5 Beleidsinformatie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kan de minister een overzicht geven van activiteiten die ontwikkeld zijn of worden om deze informatie tot beleidsinformatie om te zetten en als zodanig te vermelden? (blz. 10)

De verwerking van gegevens uit bijvoorbeeld de Haltbureaus, het project `Justitie in de Buurt' of het Cliënt Volg Systeem Jeugdcriminaliteit (CVS-JC) past niet in de huidige opzet van het systeem ISIS. Er is bij ISIS gekozen voor informatievoorziening over de jeugdzorg en niet voor onderwerpen als criminaliteit, strafrechtspleging of ten uitvoerlegging van sancties.

Over de uitvoering van Halt, over het project `Justitie in de Buurt' of over het Cliënt Volg Systeem Jeugdcriminaliteit wordt de Tweede Kamer bij verschillende gelegenheden geïnformeerd door de Minister van Justitie.

Zoals vermeld behoeft de betrouwbaarheid van de gegevenslevering de nodige aandacht van het SRJ-overleg. Heeft dit mede te maken met het feit dat het gehele proces van automatisering in de sector jeugdzorg wellicht niet voldoende middelen inzet dan wel kan inzetten om de informatievoorziening adequaat te sturen?
In hoeverre is er bij de budgetten rekening gehouden met de voortgaande automatisering die, net zoals in de rest van de samenleving, de nodige financiële middelen vergt? (blz. 11)

De betrouwbaarheid van de gegevenslevering heeft slechts gedeeltelijk te maken met de inzet van financiële middelen. Draagvlak, bewustwording en organisatorische randvoorwaarden zijn minstens zo belangrijk. Subsidiegevers en instellingen moeten samen concreet invulling geven aan de gemaakte afspraken in het kader van de P&C-cyclus. De instellingen moeten verder bereid zijn tijd en aandacht te besteden aan het verzamelen van de bron en beleidgegevens, hun instellingssystemen moeten aansluiten op ISIS en RJHV en zij moeten over heldere procedures beschikken om tot een verantwoorde gegevenslevering te komen. In dat kader is van belang dat instellingen duidelijke en afdoende afspraken maken met hun softwareleveranciers. Middels voorlichting zal het komend jaar extra aandacht bij instellingen en softwareleveranciers worden gevraagd voor deze zaken.

Momenteel is er geen reden om te veronderstellen dat voor het gehele proces van automatisering niet voldoende middelen beschikbaar zijn om de informatievoorziening binnen de jeugdzorg adequaat te sturen. Allereerst wordt in overleg met de sectoren binnen de jeugdzorg en op verzoek van het CIJ-overleg een projectsubsidie beschikbaar gesteld aan de SRJV om softwaremakers en gegevensleveranciers te stimuleren om de nieuwe registratiesystematiek in te voeren en de verdere uitbouw ervan te implementeren. Daarnaast worden in 2000 eenmalig extra financiële middelen beschikbaar gesteld om de gegevenslevering door instellingen en provincies te stimuleren. Verder is van belang dat de verdere aanpassing en ontwikkeling van software ongehinderd voortgaat. De sector jeugdbescherming heeft aangegeven het komend jaar de nodige inspanningen te zullen verrichten om in dit kader aan haar verplichtingen te kunnen voldoen. De jeugd-ggz-sector en de sector jeugdhulpverlening hebben reeds eerder kenbaar gemaakt in staat te zijn de benodigde gegevens aan te leveren. Ook wordt door VWS in 2000 een substantieel bedrag ter beschikking gesteld voor de verdere ontwikkeling van ISIS en RJHV.

Tenslotte is bij de bepaling van de budgetten voor ISIS en RJHV een voorziening getroffen voor adaptief onderhoud. Hiermee kan tegemoet gekomen worden aan wensen van gebruikers en aan de voortgaande informatisering van de samenleving.

Wanneer zal naar verwachting de unieke cliëntcode (ISIS-code) zodanig bruikbaar zijn dat de afstemming van vraag en aanbod goed geregeld is? (blz. 12)

In beginsel wordt gestreefd naar implementatie van de ISIS-code in de softwarepakketten van de diverse sectoren in de loop van 2000. Daarmee wordt het jaar 2001 waarschijnlijk het eerste volledige jaar waarover meer informatie zonder dubbeltellingen tussen sectoren over de afstemming van vraag en aanbod beschikbaar zal zijn. Voorwaarde daarbij is dat de rechtmatigheid van de gegevensverzameling in ISIS afdoende is geregeld tegen de tijd dat de verzameling en doorlevering van gegevens daadwerkelijk plaats gaat vinden.

Welke (positieve dan wel negatieve) ervaringen met de ontwikkeling van regiovisies vanuit andere sectoren zullen worden betrokken bij de evaluatie van de regiovisie in de jeugdzorg? Met andere woorden: op welk punt vormen deze ervaringen redenen om tot een zorgvuldige regiovisie te komen?

Op 7 november jl. is het onderzoek regiovisies jeugdzorg gestart. Het onderzoek verkeert op dit moment in de eerste fase, namelijk het verrichten van een inhoudsanalyse van de regiovisies. In een latere fase van het onderzoek worden ervaringen met andere regiovisies in verband gebracht met de regiovisies jeugdzorg.

Worden bij het opstellen van de regiovisies eenduidige standaarden gebruikt? Zo nee, welke methodiek gaat de minister gebruiken om de informatie op landelijk niveau inzichtelijk te maken? (blz. 14)

Door provincies worden bij het opstellen van de regiovisies geen gebruik gemaakt van eenduidige standaarden. Wel zijn in het Regeringsstandpunt Regiovisies - landelijk beleidskader (Kamerstukken II, 1997-1998, 25 619, nr. 1) inhoudseisen opgenomen waaraan een regiovisie zou moeten voldoen. Hier gaat een structurerende werking van uit. Teneinde de informatie op landelijk niveau inzichtelijk te maken vindt op dit moment een inhoudsanalyse van de regiovisies plaats in het kader van het onderzoek regiovisies jeugdzorg.

In het kader van BANS wordt door de gezamenlijke overheden gewerkt aan een gemeenschappelijke visie op jeugdbeleid. Welke afspraken liggen er in dit verband in het verschiet inzake één van de speerpunten, te weten het beleid voor 0-6 jarigen, en wanneer worden hierover - voor welke termijn - afspraken gemaakt? Hoe verhouden zich de nog af te sluiten stadsconvenanten ten opzichte van de te ontwikkelen regiovisies? (blz. 14/15)

De visie op jeugdbeleid is op 1 december 1999 vastgesteld in het Overhedenoverleg en op 3 december jl. aan de Tweede Kamer toegezonden. Ten aanzien van het beleid voor 0-6 jarigen zijn afspraken gemaakt over de inzet van gemeenten, provincies en rijk die moeten leiden tot versterking van de samenhang van het aanbod voor 0-6 jarigen. Tevens zijn in dat kader afspraken gemaakt over de inzet van de extra 20 mln voor vroeg- en voorschoolse educatie (VVE) die als onderdeel van de besluitvorming bij de Algemene Politieke Beschouwingen in de Tweede Kamer beschikbaar zijn gekomen.

De stadsconvenanten vormen aan de ene kant het instrument van de in het GSB participerende gemeenten om als onderdeel van de pijler `Sociale Infrastructuur' een vraaggericht integraal voorzieningenaanbod voor jongeren (verder) te ontwikkelen, inclusief voor de jongeren die problemen ondervinden of problemen veroorzaken. In de convenanten zullen dan ook de samenwerkingsrelaties met de regionaal georganiseerde jeugdzorg een plaats moeten hebben. Aan de andere kant worden in de onder regie van de provincies opgestelde regiovisies de raakpunten met het lokaal beleid - voor zover van belang voor (de voorzieningen van) de jeugdzorg - in overleg met de gemeenten beschreven. In de meeste gevallen zijn dit de GSB-gemeenten.

Op welke wijze en door wie zal het voortouw worden genomen inzake het streven naar goede afspraken tussen de BJZ's en de landelijke onafhankelijke indicatiecommissie voor speciaal onderwijs teneinde dubbeltellingen tegen te gaan? Hoe precies worden deze systemen op elkaar afgestemd? (blz. 16)

In de BJZ's vindt onder meer de functie indicatiestelling plaats. Het betreft hier de indicatiestelling ten behoeve van het aanbod jeugdzorg waarmee een jeugdige het beste wordt geholpen. In de indicatiecommissie voor het speciaal onderwijs wordt vastgesteld welke leerlingen voor welke vormen van speciaal onderwijs toegelaten kunnen worden. Afstemming van indicatieprocedures is nodig voor de cliënten, omdat leerlingen van het speciaal onderwijs ook een aanbod jeugdzorg nodig kunnen hebben. Die afstemming kan gerealiseerd worden via afspraken over het registratiesysteem van de BJZ's. Het blijft noodzakelijk in beide systemen een jeugdige te registreren. Immers, voor één jeugdige kunnen indicatiestellingen nodig zijn voor zowel een aanbod jeugdzorg als plaatsing in het speciaal onderwijs.

De twee onderzoeken die lopen binnen de Haltbureaus worden niet vermeld. Zijn deze onderzoeken stopgezet? Zo nee, kan de minister aangeven waarom deze niet worden vermeld?

De onderzoeken waarop gedoeld wordt zijn het onderzoek naar de normering en kostprijsbepaling van de Haltafdoeningen en het onderzoek naar de regulering van de justitiesubsidies. De onderzoeken zijn niet stopgezet, maar nagenoeg afgerond.

Wat betreft de nieuwe normering en kostprijsbepaling is nu de fase aangebroken waarin de implementatie-aspecten nader worden bekeken, met name de consequenties van de nieuwe kostprijzen voor de begrotingen van de Haltbureaus en van Justitie. Gestreefd wordt naar invoering per 1 januari 2001.

Wat betreft het onderzoek naar de regulering van justitiesubsidies zijn er twee modaliteiten ontwikkeld om de landelijke functies, en met name de budgetallocatiefunctie vorm te geven en te positioneren. Momenteel wordt een landelijke draagvlakmeting voorbereid bij alle Haltbureaus en hun besturen om te peilen of de richting, waarin gedacht wordt, onderschreven wordt. Uiterlijk 1 januari 2002 moet de regulering geleid hebben tot wijziging van de Wet Justitiesubsidies.

In de Voortgangsrapportage Beleidskader Jeugdzorg zijn deze onderzoeken niet vermeld, omdat de trajecten niet rechtstreeks invloed hebben op de aanpak van jeugdcriminaliteit.

Op welke wijze wordt de Kamer geïnformeerd over de te vormen samenwerkingsverbanden en de rapportage over de voortgang daarvan, inzake de licht criminele etnische jongeren? (blz. 19)

Justitie richt zich in het kader van het eerste beleidsspoor van de CRIEM-nota op het ontwikkelen van een landelijke aanpak die gericht is op een sluitende gestructureerde benadering van alle jongeren uit etnische groepen die zich met lichtere vormen van criminaliteit bezighouden. Bij de uitvoering zal worden samengewerkt tussen de Raad voor de Kinderbescherming, de Stichting Vedivo en de Stichting Reclassering Nederland, de politie en het openbaar ministerie. De financiële middelen die worden aangewend voor deze zogenaamde CRIEM-itb (individuele trajectbegeleiding) zullen ten gunste komen van de gezinsvoogdij-instellingen die met de uitvoering zullen worden belast. Over de voortgang van deze CRIEM-itb zal uw Kamer regelmatig door tussenkomst van Justitie op de hoogte worden gehouden.

Tevens is aangegeven dat voor jongeren die in aanraking dreigen te komen met het strafrecht de weg naar de vrijwillige hulpverlening open staat. De lokale en regionale hulpverleningsinstanties, organisaties van etnische minderheden en de lokale overheid zullen hiertoe samenwerkingsverbanden moeten aangaan.

Is het streven van sommige provincies om in hun beleid toe te werken naar reductie van de instroom van jeugdigen uit andere provincies in voorzieningen in hun eigen provincie en naar vermindering van de uitstroom van jeugdigen uit de eigen provincie naar andere provincies (waardoor soms opsplitsing van instellingen het gevolg kan zijn) niet een risico voor het flexibel kunnen opereren? Wordt dit beleid van rijkswege gestimuleerd? (blz. 21)

In principe ligt deze beleidslijn opgesloten in de Wet op de jeugdhulpverlening. Hierin is immers geregeld dat de provincie het regionale aanbod bepaalt in aansluiting op de regionale vraag. Voorts is hierin bepaald dat de hulp zo dicht mogelijk bij huis, dus in de eigen regio, geboden moet worden. Deze uitgangspunten laten onverlet dat in individuele gevallen geplaatst wordt buiten de regio. Dit kan het gevolg zijn van het feit dat de voorziening, hoewel in een aangrenzende regio gevestigd, toch de meest dichtstbijzijnde voorziening is. Het komt natuurlijk ook voor dat er geen plaats is in de eigen regio waardoor wordt uitgeweken naar andere regio's. Gezien de omvang van de regionale in- en uitstroom van cliënten lijkt het voor provincies/grootstedelijke regio's mogelijk om tot een efficiënter (binnenregionaal) gebruik van voorzieningen te komen. In aansluiting op de verantwoordelijkheidsverdeling tussen overheden waar de Wet op de jeugdhulpverlening van uit gaat, is de provincie de eerstverantwoordelijke instantie om te komen tot duidelijke afspraken tussen de regio's en/of provincies onderling. Van rijkswege wordt gezien deze verantwoordelijkheidsverdeling in deze geen initiatieven genomen.

Worden de verwachtingen die veel provincies hebben, namelijk dat de vraag naar jeugdhulpverlening blijft toenemen, onderschreven? Zo ja, met welke toename wordt, zowel wat betreft de vrijwillige als justitiële jeugdhulpverlening, in de komende jaren rekening gehouden? Betreft het een verwachte toename van steeds zwaardere problematiek? Welke gevolgen zal dit hebben voor de personeels- en huisvestingslasten? Zijn de ingeboekte bedragen in de meerjarenbegroting hiervoor voldoende? (blz. 21)

In de afgelopen jaren is er een stijging te zien van het aantal gebruikers van jeugdhulpverleningsvoorzieningen. Indien deze tendens zich voortzet betekent dit dat ook in de toekomst de vraag naar jeugdhulpverlening zal blijven stijgen. Een volledig en betrouwbaar inzicht in de manifeste vraag (onderscheiden naar problematiek) staat of valt met de registratie door de Bureaus Jeugdzorg. Op dit moment zijn er nog geen gegevens voorhanden over de (zwaarte van de) problematiek. Hieraan zal in het komend jaar met voorrang verdere uitvoering gegeven worden.

Of en in hoeverre een eventuele stijging in omvang en zwaarte van de hulp/zorgvraag directe gevolgen zal hebben voor de personeels- en huisvestingslasten, is niet vast te stellen. In het kader van de meerjarenafspraken worden momenteel resultaatafspraken gemaakt. Daarbij wordt ook aandacht besteed aan capaciteitsuitbreiding. De voortgang in de uitvoering van de afspraken wordt gemonitord door het Landelijk Programma Management. Overigens gaan wij ervan uit dat door verankering van de vernieuwingen van Regie in de jeugdzorg, met name door invoering van de Bureaus Jeugdzorg en een meer flexibel modulair en programmatisch aanbod, een grotere effectiviteit en efficiency in de sector kan worden bereikt, waarmee ook toename in de vraag - naast de inzet van extra middelen - kan worden opgevangen.

Kan worden verduidelijkt hoe wordt toegewerkt naar de noodzakelijke verheldering ten aanzien van de landelijke achtervangfunctie? Welk traject is hierbij in gang gezet? (blz. 22)

Het traject ten aanzien van de landelijke achtervangfunctie jeugdhulpverlening heeft tot doel om in overleg met de voorzieningen, met Justitie en de provincies/ grootstedelijke regio's te bezien welke oplossingen voor de gesignaleerde knelpunten kunnen worden geboden. De oriëntatie-/inventarisatiefase is nog niet geheel afgerond. In deze ronde gaat het erom te inventariseren welke opties als meest wenselijk en haalbaar worden beschouwd. Het overleg met de voorzieningen heeft duidelijk gemaakt dat oplossingen in verschillende richtingen moeten worden gezocht. Met Justitie is nog overleg gaande over de 67 VWS-plaatsen van Harreveld. Overheveling van de plaatsen naar Justitie, neerkomend op functieverandering, is een optie die op haalbaarheid wordt onderzocht.

Het voorstel van de Leo Stichting (Klein Borculo, Nieuw Veldzicht en Bredervoort) om te komen tot herspreiding en verbetering van landelijke en regionale capaciteit wordt inmiddels met de vier betrokken provincies besproken. Het voornemen van VWS om per 1 januari 2001 tot decentralisatie van deze landelijke capaciteit te komen vormt een belangrijk onderdeel van dit traject. Het voorstel is in het algemeen positief ontvangen. Op dit moment is de bestuurlijke afronding van het resultaat uit de overlegronde aan de orde.

Over de toekomstige functie en positie van de voorzieningen van De Hoenderloo Groep bestaat nog geen helderheid. Besloten is dit vraagstuk mee te nemen in de standpuntbepaling over het nieuwe stelsel van jeugdzorg en de Wet op de jeugdzorg.

Vorig jaar was er voor ruim 6700 jeugdigen na beëindiging van de jeugdhulpverlening geen mogelijkheid voor dagbesteding. Een nadere analyse zou moeten uitwijzen of een extra investering gewenst zou zijn. Is deze nadere analyse inmiddels verricht, en zo ja, wat zijn de uitkomsten hiervan? (blz. 22)

Deze nadere analyse is niet verricht. De dagbesteding van jeugdigen na beëindiging van de hulpverlening is een thema dat in de toekomst door de Bureaus Jeugdzorg opgepakt en nader ingevuld dient te worden in samenwerking met de aanbieders van jeugdzorg.

Wat zijn tot nu toe de ervaringen met het Glen Mills School-project? Zijn de ervaringen dusdanig dat er sprake is van een forse wachtlijst voor dit project? Is er sprake van een zekere differentiatie binnen de doelgroep? Hoe staat het in dit verband met de aanvraag van De Hoenderloo Groep om een hogere bekostiging voor de zwaarste categorie jongeren? (blz. 23)

Begin december 1999 participeerden 45 jongeren in het Glen Mills School-project. De meesten zijn afkomstig uit de regio's Haaglanden, Arnhem, Groningen en Utrecht. Naar verwachting wordt eind dit jaar de volledige bezetting van 50 plaatsen gehaald. Er is sprake van een wachtlijst van circa 10 plaatsen. Er bestaan plannen bij De Hoenderloo Groep om 20 reguliere plaatsen om te bouwen tot GMS-plaatsen.

De jongeren hebben minimaal een OTS en komen veelal uit andere tehuizen, ook uit gesloten justitiële jeugdinrichtingen. Een aantal heeft een voorwaardelijke, sommigen een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel.

Begin september jl. heeft De Hoenderloo Groep een concreet voorstel ingediend voor een geleidelijke verhoging van de normprijs, ingaande per 1 januari 2000. Bij dit verzoek is een relatie gelegd met de moeilijke categorie jongeren die de laatste jaren in de voorzieningen van De Hoenderloo Groep wordt geplaatst. In het kader van het extra budget voor capaciteitsknelpunten wordt thans onderzocht of hiervoor een oplossing kan worden gevonden.

De signalering van het aantal knelpunten roept de vraag op of de geplande capaciteit voor de groep licht verstandelijk gehandicapten wel voldoende is voor de bestaande hulpvraag. Kan worden aangegeven hoe hoog de wachtlijst is voor deze groep in relatie tot de bestaande capaciteit? (blz. 32)

De wachtlijsten voor de instellingen voor jeugdige licht verstandelijk gehandicapte jeugdigen worden niet centraal bijgehouden. Dit komt doordat het Zorgregistratiesysteem (ZRS), het in de gehandicaptenzorg geldende systeem, hiervoor niet bruikbaar is gebleken. Zoals aangegeven in de Voortgangsrapportage Beleidskader Jeugdzorg wordt gestreefd naar verbetering op dit punt.

In 1998 is een landelijke enquête uitgevoerd naar de wachtlijsten in de jeugdzorg, waarbij ook de LVG-zorg is meegenomen. Hierover is de Tweede Kamer op 9 oktober 1998 bericht (Kamerstukken II, 1998-1999, 26 2111, nr. 3). Op 1 april 1998 stonden er 995 cliënten op de wachtlijst voor een LVG-instelling, met een gemiddelde wachttijd van circa 245 dagen.

Thans zijn er 2200 LVG-plaatsen, hetgeen betekent dat het aantal cliënten op de wachtlijst circa 45% bedraagt van de totale capaciteit. Met de uitbreiding van 68 plaatsen wordt de wachtlijst met minimaal 68 teruggebracht. Als geld voor plaatsen wordt benut voor lichtere vormen van hulp, via substitutie, kunnen er met een capaciteitsplaats meer kinderen worden geholpen. Ook gezien de omloopsnelheid (de gemiddelde verblijfsduur is 3 jaar), is het effect van deze uitbreiding op de wachtlijst per saldo groter dan 68.

Nu de projecten Families First binnen de LVG-sector zo succesvol zijn wordt naar verwachting op continuering van deze projecten aangestuurd. Hoe hoog is bij deze behandeling de kostprijs, en hoeveel jongeren werden in de afgelopen periode via deze projecten bereikt? (blz. 33)

De kostprijs van Families First in de jeugdzorg bedraagt f 11.041,-- per gezin. Deze kostprijs is gebaseerd op ervaringsgegevens verkregen door een aantal jaren met deze methodiek te werken. Vooralsnog wordt ervan uitgegaan dat deze kostprijs ook van toepassing is in de LVG-zorg, omdat de projecten zijn opgezet naar analogie van en aansluitend op ervaringen in de jeugdzorg.

In de periode januari tot oktober 1999 zijn 60 gezinnen via Families First bereikt. Hierbij moet worden aangetekend dat het nog slechts de aanloopfase van het project betreft. De aanmeldingen kwamen aanvankelijk langzaam op gang, vanwege het feit dat het een nieuwe ontwikkeling betreft.

Wat zijn tot nu toe de ervaringen inzake de introductie van het experiment cliëntenvertrouwenspersonen? Komen de instellingen hun verplichtingen hieromtrent na? Zijn de cliëntenvertrouwenspersonen voldoende organisatorisch ingebed? Hoe staat het met de financiële aspecten hieromtrent? Bestaan er verschillen ten aanzien van het functioneren van cliëntenvertrouwenspersonen in niet-justitiële en justitiële instellingen? (blz. 34)

Met de recente wijziging van de Wet op de jeugdhulpverlening is het nu mogelijk om onafhankelijke vertrouwenspersonen (CVP-ers) aan te stellen in de jeugdhulpverlening en jeugdbescherming. Bij algemene maatregel van bestuur is de taak en bevoegdheid van de cliëntenvertrouwenspersoon geregeld. In de residentiële jeugdhulpverlening is al ruime ervaring opgedaan met CVP-ers. Ook heeft er veel onderzoek op dat terrein plaatsgehad. In de niet-residentiële sectoren (zoals pleegzorg, ambulant e.d.) bestaat die ervaring nog niet. Dat is de reden geweest voor de start van drie experimenten. Deze vinden plaats in de instellingen van pleegzorg in de regio Rotterdam, de ambulante jeugdhulpverleningsinstellingen in de provincie Overijssel en in de provincie Noord-Brabant, waarbij ook de Raad voor de Kinderbescherming en de (gezins-)voogdij-instellingen zijn betrokken. De totale duur van het experiment is twee jaar. Omdat het aantrekken van gekwalificeerd personeel voor de deelexperimenten de nodige tijd heeft geduurd, zijn de cliëntenvertrouwenspersonen pas sinds enige maanden aan het werk. Voor twee van de drie deelpilots worden de onafhankelijke cliëntenvertrouwenspersonen aangestuurd door het AKJ welke voor de meeste provincies en grote steden CVP-ers en klachtondersteuners in dienst heeft. In de deelpilot Noord Brabant is de CVP-er in dienst van het Regionaal Patiënten- en Consumentenplatform (RPCP)-Brabant. Over de financiële aspecten en verschillen in functioneren tussen de deelpilots en de justitiële en niet-justitiële instellingen vindt een evaluatie-onderzoek plaats. Dit onderzoek loopt tot aan het eind van het experiment. Na afloop van de pilots kunnen uitspraken gedaan worden over deze en andere aspecten. Het evaluatie-onderzoek wordt uitgevoerd door het Verwey-Jonker Instituut.

Heeft het kabinet ook een standpunt in voorbereiding inzake het rapport van de NGR ten aanzien van verbetering van de positie van pleegouders? Kan expliciet een reactie worden gegeven op het voorstel tot een eventuele (betere) betaling van pleegouders, mede in het licht van een afnemende belangstelling voor het pleegouderschap? (blz. 38)

Het voorstel van de NGR voor een verbetering van de positie van de pleegouders is onderdeel van het visietraject pleegzorg, waaromtrent de Landelijke Stuurgroep Pleegzorg begin 2000 een advies zal uitbrengen. Op basis van dit advies zal het kabinet een standpunt bepalen.

Zijn de T-teams als regel ingebed in het reguliere aanbod voor jeugdhulpverlening? (blz. 38)

Volgend jaar lopen de VWS-projectsubsidies voor een aantal T-teams af. Eén van de voorwaarden voor projectsubsidies aan die T-teams is dat de gemeenten de financiering overnemen. Daarmee wordt dit aanbod onderdeel van het reguliere beleid van gemeenten.

Vorig jaar werd in de schriftelijke beantwoording gemeld dat het VT-aanbod op vrijwillige basis een verdere verspreiding zou krijgen. Ditzelfde valt ook in dit Beleidskader te lezen. Welke voortgang is hieromtrent in het afgelopen jaar geboekt, en hoe groot is intussen het bereik hiervan? Zijn de bestaande financiële (on)mogelijkheden hier mede op van invloed? (blz. 38)

Er is ruime belangstelling voor VT. Dit jaar werd nog een brochure Vertrektraining uitgebracht om extra bekendheid te geven aan succes van de methodiek. VT is geïntroduceerd in BJ Zuid Holland, BJ Midden Holland, BJ Rotterdam, en BJ Brabant. Stichting jeugdzorg Groningen is van plan in 2000 met vertrektraining te starten. Het NIZW zal begin 2000 een verkenning uitvoeren om zicht te krijgen op de betekenis en functie van de Vertrektraining voor de sector begeleid wonen in de jeugdzorg.

Vooral kleinere instellingen laten zich afschrikken door de prijs die verbonden is aan de basiscursus en externe begeleiding. Een probleem is het feit dat de methodiek - die een van de weinige nieuwe methodieken is die op effecten onderzocht is - door instellingen het liefst in stukjes wordt gehakt. Men gebruikt stukjes kennis uit VT maar wil niet het gehele traject volgen omdat men dat te duur vindt. Daarom werken NIZW en Collegio aan een kwaliteitssysteem, dat wél aan de ontwikkelingsfunctie van de methodiek recht moet doen maar het afbreukrisico beperkt.

Hoeveel jongeren worden met het drie jaar durende experiment Youth at Risk bereikt? Welke kosten zijn met dit experiment gemoeid en wanneer precies zal bezien worden of implementatie tot de mogelijkheden behoort? (blz. 39)

Met het experiment worden totaal 90 jongeren bereikt in drie gemeenten. De kosten van dit meer dan twee jaar durende project zijn geraamd op ongeveer 0,7 mln ten laste van de rijksbegroting. Daarin zijn de eigen bijdragen van de pilotgemeenten niet inbegrepen. Na afloop van het evaluatie-onderzoek en afronding van de werkzaamheden van het NIZW kan de implementatievraag beantwoord worden. Dit zal niet eerder het geval zijn dan medio 2002.

Bestaat de verwachting dat de instellingen die nu nog de voorlichting via de JIJ-krant en de House-krant verzorgen, dit vanuit hun eigen budget kunnen/willen financieren? Hoe moet dit gezien worden in het licht van de opmerking dat het ontbreken van vertegenwoordigers van jongeren in het Platform een punt van aandacht is? In hoeverre heeft het experiment om te komen tot regionale platforms van jongeren in cliëntenraden inmiddels een (landelijke) voorbeeldfunctie gekregen? (blz. 39/40).

Het is de verantwoordelijkheid van de instellingen hun cliënten adequaat voor te lichten over de rechten van jeugdigen in de voorzieningen. Daarin kunnen initiatieven zoals de JIJ-krant of House-krant een rol vervullen. Gezien de aard van de doeluitkering Wet op de jeugdhulpverlening is het niet aan mij om over de - door de provincies beschikbaar

gestelde - middelen en de besteding daarvan door instellingen, uitspraken te doen over de financiering van deze sympathieke initiatieven. Met tijdelijke projectmiddelen hebben beide initiatieven een kans gekregen om na twee jaren op eigen benen te staan. Aan de tijdelijke financiële steun is toentertijd de voorwaarde gesteld dat na twee jaar de kranten door het veld `overgenomen' zouden moeten worden. De JIJ-krant wordt nu gefinancierd door het particulier initiatief en heeft zelfs de verschijningsfrequentie verhoogd naar zes maal per jaar. De House-krant daarentegen is niet geslaagd in het vinden van andere financieringsbronnen.

Deze bestuurlijke opstelling staat geheel los van de juiste constatering dat vertegenwoordigers van jongeren in het Platform van Samenwerkende cliëntenorganisaties in de Jeugdzorg en het familierecht ontbreken. Momenteel worden de uitkomsten van de evaluatie van het Platform en de implementatie van cliëntenraden afgewacht. Eind deze maand zal het rapport beschikbaar komen. Pas dan kan worden beoordeeld in hoeverre sprake is van een voorbeeldfunctie voor jongeren.

Al eerder is geconstateerd dat de interculturalisatie van de jeugdhulpverlening aandacht behoeft, onder andere wat betreft de personele kant. Geeft het JEWEL-project inmiddels concrete verbeteringen te zien in de omvang van allochtone medewerkers in de jeugdhulpverlening? Zo ja, kunnen nadere concrete gegevens worden verstrekt omtrent de resultaten van het afgelopen jaar? (blz. 40/41)

Over de periode 1995-1998 blijkt een lichte afname van 1% van het aantal allochtonen dat participeert. Een belangrijke reden voor die teruggang was volgens de sector dat er te weinig aanbod was in die periode (te weinig allochtone kandidaten die op vacatures af kwamen en degenen die het wel deden beschikten over onvoldoende specifieke opleiding). In het aanvullend kwalitatief onderzoek dat op dit moment loopt zeggen jeugdzorgorganisaties dat de interne reorganisatie (oprichten van de Bureaus Jeugdzorg) veel aandacht heeft gevraagd en vaak ten koste is gegaan van de aandacht voor allochtoon personeel en interculturalisatie. De negen organisaties die bij het kwalitatief onderzoek zijn betrokken herkennen het beeld van de nulmeting niet (meer). Er is bij hen sprake van een toename van allochtone medewerkers.

In 1999 is op basis van de nulmeting extra inspanning gericht geweest op het stimuleren van de instroom in de jeugdhulpverlening. De aanpak die hierbij is gekozen is het bijeenbrengen van partijen in de regio en hen te stimuleren gezamenlijk te komen tot een grotere instroom en meer behoud van allochtoon personeel.

Dit heeft onder andere geresulteerd in:

De herstart dan wel de verbetering van de projecten instroom allochtone medewerkers (PIAM) in Noord-Holland, Rotterdam, Limburg, Brabant en Utrecht. In deze PIAM projecten werken diverse partijen samen: werkgevers, provincie, opleidingsinstituut en arbeidsvoorziening.

In Rijnmond is een gezamenlijk onderzoek gestart door ROC en de Hogeschool naar de participatie van allochtonen in de opleidingen en naar oorzaken van uitval onder allochtonen.

De start van een schakeltraject voor 14 allochtone groepsleiders in de jeugdhulpverlening in Gelderland.

Ook in Gelderland een duaal traject HBO/MBO voor welzijn en jeugdhulpverlening met minimaal 50% allochtone deelnemers.

De start van een driejarig project in Groningen waarin de Hogeschool, arbeidsvoorziening en werkgevers zich gezamenlijk inspannen om 50 allochtonen per jaar op te leiden via Sociaal Pedagogisch Werk en Maatschappelijke Werk en Dienstverlening en te plaatsen in de instellingen.

Bestaan er gegevens over het aantal openstaande vacatures in de sector jeugdhulpverlening dan wel over de mate waarin in deze sector onder niveau wordt gewerkt? Bestaat er ook inzicht in de mate waarin de salarisontwikkeling - voor wat betreft de afgelopen vijf jaren - achterloopt bij de marktsector? Zo ja, in hoeverre rekenen de bewindspersonen het tot hun medeverantwoordelijkheid dat er een eventuele inhaalslag kan worden gemaakt ter verhoging van de aantrekkelijkheid van het werken in de sector jeugdzorg? (blz. 40/41)

De arbeidsmarktgegevens in de sector jeugdhulpverlening en de kennis omtrent de ontwikkelingen in de tijd gezien in dit veld zijn uiterst summier. De VOG heeft toegezegd om op dit punt meer gegevens aan te leveren zodat de noodzakelijke beslisinformatie voorhanden komt.

Bij de behandeling in de Tweede Kamer van de VWS-begroting en de Zorgnota en in het Algemeen Overleg over de arbeidsmarkt van 9 december jl. is al veel informatie aangereikt over de salarisontwikkelingen in het VWS-veld en het feit dat die zich marktconform hebben ontwikkeld. Voor de sector jeugdhulpverlening komt daar nog als plus bovenop dat er voor de pedagogische medewerkers een substantiële arbeidsvoorwaardenverbetering is geweest als gevolg van het feit dat de slaapdienstvergoeding in 1997 aanzienlijk is verbeterd door het meetellen daarvan als werktijd.

Over de prioriteitenvolgorde van het aanpakken van knelpunten met arbeidsmarkteffecten is tijdens de genoemde overleggen met de Tweede Kamer ook uitvoerig van gedachten gewisseld. Uit onderzoek blijkt dat het salarisniveau niet als groot knelpunt wordt gezien. Over de conclusies die kunnen worden verbonden aan de oriëntatie op de relatieve beloningspositie van JHV-functies die onlangs door bureau Bakkenist is uitgevoerd zijn nog gesprekken gaande met het veld. Tijdens het Algemeen Overleg over de arbeidsmarkt in de VWS-sectoren van 9 december jl. is toegezegd om de Tweede Kamer op de hoogte te stellen van die gesprekken. Als er aanleiding is tot extra maatregelen zal dat worden meegenomen bij de afwegingen van het kabinet over de aanpak van arbeidsmarktknelpunten, waarover bij Voorjaarsnota wordt beslist.

Is er een verklaring te geven voor het teruglopende percentage van de gemiddelde bezetting in de jeugdhulpverlening in 1998 ten opzichte van voorgaande jaren? Hoe verhoudt zich deze teruglopende bezetting ten opzichte van de - groeiende - vraag naar hulpverlening? (blz. 40/41)

Er zijn diverse verklaringen denkbaar. Daarom zal er een onderzoek plaatsvinden naar de achtergronden c.q. oorzaken van de onderbezetting in de jeugdzorg.

Vragen VVD-fractie

Kan inzicht worden gegeven hoe ver de onderhandelingen over de meerjarenafspraken zijn gevorderd? (blz. 5)

Een voorstel voor de Meerjarenafspraken 2000-2002 wordt voorgelegd aan het bestuurlijk GOJ van 21 december 1999.

Het regeringsstandpunt op het advies van de Adviescommissie Wet op de Jeugdzorg is voorzien voor het voorjaar 2000. Wat betekent dit voor de rest van het wetgevingstraject? Hoe ziet de planning er na deze vertraging uit? (blz. 6)

Zoals in de Voortgangsrapportage Beleidskader Jeugdzorg wordt aangegeven zal het regeringsstandpunt op het rapport van de Adviescommissie Wet op de Jeugdzorg (Commissie Günther) in juni 2000 gereed zijn. Hierin wordt een inhoudelijk beleidskader voor de beoogde Wet op de jeugdzorg neergelegd.

Wat zijn volgens het kabinet de andere opties, naast het onderbrengen van het totale zorgaanbod van jeugdhulpverlening, jeugdbescherming en de jeugd-ggz in één wet, als wordt gesproken van «of gekozen wordt»? (blz. 11)

Uit de formulering blijkt dat dit één van de opties is. Andere opties worden nog verkend. In het regeringsstandpunt c.q. inhoudelijk beleidskader voor de beoogde Wet op de jeugdzorg wordt hierover duidelijkheid geboden.

Twintig miljoen gulden van de intensiveringsmiddelen bestemd voor Justitie wordt ingezet voor de versterking van een samenhangend jeugdbeleid. Wat gaat het Ministerie van Justitie hier concreet aan doen? (blz. 13)

Hiervoor wordt verwezen naar het antwoord op vraag 82.

Wat zijn de concrete afspraken die gemaakt zijn ter verbetering van de aansluiting van de BJZ's en het lokale jeugdbeleid (blz. 13)

In de Meerjarenafspraken 1999 is opgenomen dat provincies en grootstedelijke regio's in hun plannen moeten aangeven welke afspraken er gemaakt zijn met gemeenten over de verbinding tussen de functies aanmelding en screening en het lokale jeugdbeleid. Tevens is opgenomen de afspraak dat waar de gemeenten een of meer functies financieren de implementatieplannen voor de betreffende functies in overeenstemming met die gemeenten tot stand moeten komen.

Wanneer zou de privacy-waarborging idealiter optimaal moeten functioneren? (blz. 18)

De rechtmatigheid van ISIS dient in elk geval geregeld te zijn zodra de volledige set ISIS-gegevens verzameld kan worden. Verder wordt ook verwezen naar het antwoord op vraag 6 van de PvdA-fractie en het antwoord op vraag 71 van de D66-fractie.

Vorig jaar participeerde slechts 50 % van de instellingen in het Programma Kwaliteitszorg. Hoe staat het er dit jaar voor en wat zijn de redenen voor het niet participeren in het programma? (blz. 19)

Voor dit jaar is een cijfermatig overzicht beschikbaar voor de verschillende onderdelen van het Programma.

Aan het KWIS- project (kwaliteitsgericht informatiesysteem) wordt door instellingen voor jeugdhulpverlening voor ruim 70% geparticipeerd, door Riagg'en voor 60% en KJP-instellingen voor bijna 70%. In totaal is twee derde van de instellingen begonnen met de implementatie van KWIS.

De deelname aan de toetsingsprojecten van de VOG en de GGZ-Nederland is als volgt. De MKD/T's en de KJP's zijn het verst gevorderd: alle instellingen zullen voor het volgend jaar zijn getoetst. Van de Riagg'en hebben 15 instellingen meegedaan; de overige volgen in het eerste kwartaal 2000. Aan het VOG-project nemen 50 instellingen deel.

Van de afgesproken Modelregelingen Cliëntenbeleid zijn regelingen inzake het klachtrecht en medezeggenschap tot ontwikkeling gekomen. Uit de voorlopige resultaten van de tweede meting van de invoering van het klachtrecht en medezeggenschap blijkt dat de wetswijzigingen inzake het opstellen van klachtenregelingen en het instellen van klachtencommissies bij praktisch alle instellingen geïmplementeerd zijn. De implementatie van de cliëntenraad en de medezeggenschapsregeling verloopt minder voorspoedig: in driekwart van de instellingen moet implementatie nog plaatsvinden.

Uit deze gegevens blijkt dat de implementatie van programmaonderdelen op de oorspronkelijke planning achterloopt. De implementatie kost meer tijd en energie dan verwacht. Als belemmerende factoren zijn genoemd:

Externe factoren als schaalvergroting, fusieprocessen en de beleidsdrukte in de sectoren.

Gebrek aan middelen, bijvoorbeeld voor een kwaliteitsfunctionaris of voor apparatuur voor automatische gegevensverwerking.

Onvoldoende zicht op de samenhang tussen de verschillende projecten, zowel tussen programmaonderdelen als tussen kwaliteitszorg en andere regietrajecten.

Welke regio's hebben nog geen regiovisie en wat is daarvan de reden? (blz. 20)

De provincie Noord-Holland heeft nog geen regiovisie voorhanden. De provincie heeft prioriteit gegeven aan de totstandkoming en verbetering van de toegang tot de jeugdzorg. Door de provincie is een stuurgroep ingesteld met als taak de regiovisie vorm en inhoud te geven. Hiertoe is in november 1999 een startnotitie verschenen.

Het Ministerie van VWS neemt in het kader van BANS het voortouw op de gemeenschappelijke visie op jeugdbeleid? Hoe geeft het ministerie vorm aan deze voortrekkersrol? (blz. 22)

VWS heeft een ambtelijke werkgroep gevormd, bestaande uit vertegenwoordigers van IPO, VNG en betrokken departementen, om een gezamenlijke visie op jeugdbeleid op te stellen. VWS leverde de voorzitter en verzorgde het secretariaat, in nauwe samenspraak met een kerngroep van VWS, IPO en VNG. Vóór de bespreking en vaststelling van de visie in het Overhedenoverleg op 1 december jl. heeft VWS twee maal een bestuurlijk overleg met vertegenwoordigers van het kabinet, IPO en VNG over de visie georganiseerd, de eerste keer onder voorzitterschap van de minister-president. Tevens is in september van dit jaar in dit kader een discussiebijeenkomst georganiseerd met jongeren, wetenschappers, deskundigen uit het veld en ambtenaren alsmede bestuurders van gemeenten en provincies.

Op welke manier wordt de samenwerking tussen jeugdzorg en onderwijs geïntensiveerd? (blz.22)

Doelstelling voor de intensivering van de samenwerking tussen jeugdzorg en onderwijs is een betere aansluiting van de reguliere kaders van jeugdzorg en onderwijs op elkaar, om de samenwerking structureel mogelijk te maken. Bij wijze van flankerend beleid zullen VWS en OCenW gezamenlijk het `Landelijk Expertisecentrum Onderwijs-Jeugdzorg', verbonden aan het NIZW, gedurende een aantal jaren financieel ondersteunen. Dit centrum concentreert zich op werk- en methodiekontwikkeling, advies en informatie (helpdeskfunctie), onderzoek, beleidsadvisering aan overheden, besturen en samenwerkingsverbanden en implementatiebegeleiding. Het beleid ten aanzien van de samenwerking onderwijs-jeugdzorg wordt door de bewindslieden nader uitgewerkt in een notitie.

Welke problemen vallen onder de verantwoordelijkheid van het onderwijs en welke onder de verantwoordelijkheid van de jeugdzorg? In hoeverre komt die scheiding van verantwoordelijkheden tot uiting in de het Achterstandenbeleid van gemeenten? (blz.22)

Het is de verantwoordelijkheid van het onderwijs schoolse problemen zoals teruglopende leerprestaties en gedragsproblemen als overmatige agressie of juist in zichzelf gekeerd zijn te signaleren. Binnen het onderwijs wordt getaxeerd of de problemen door de school kunnen worden opgelost of dat er jeugdzorg nodig is: jeugdzorg kan een aanvulling leveren op de leerlingenzorg. De Bureaus Jeugdzorg vormen daarbij het centrale punt in de samenwerkingsverbanden met scholen. Structurele samenwerking is een gezamenlijk belang; vroegtijdige signalering en verwijzing kunnen voorkomen dat kinderen en jongeren zijn aangewezen op relatief zware en dure vormen van jeugdzorg.

In het Gemeentelijk Onderwijs Achterstandenbeleid worden in een op overeenstemming gericht overleg tussen gemeenten en bevoegde gezagen afspraken gemaakt over de keuzes en inspanningen ten behoeve van het bestrijden van achterstanden. Deze afspraken worden vastgelegd in een plan. Verder is de gemeente direct betrokken via de leerplichtfunctie en de bemiddelende taken naar (vervolg)onderwijs en arbeidsmarkt, waartoe de regionale meld- en coördinatiefunctie is ingericht. Een goede samenwerkingsstructuur onderwijs - jeugdzorg faciliteert afstemming en coördinatie van de gemeente.

Welke methodes hanteert de intrasectorale jeugdzorg voor het signaleren van problemen in een vroeg stadium? (blz.23)

Er is samenhang en een naadloze aansluiting nodig tussen de activiteiten van de verschillende instanties en instellingen, te beginnen bij signalering en diagnose, leidend tot en met behandeling en opvang. Het voortouw voor signalering ligt bij de algemene voorzieningen. Wat het onderwijs betreft zijn dat de basisscholen (in WSNS-verband) en met name de bovenschoolse zorgplatformen. Bij scholen voor voortgezet onderwijs zijn dat met name de zorgbreedte commissies. De jeugdzorg, vooral de BJZ's, kunnen expertise en capaciteit in de samenwerkingsverbanden van scholen inbrengen ten behoeve van ondersteuning en consultatie. Het is daarbij niet de bedoeling dat de jeugdzorg de leerlingenzorg van het onderwijs overneemt. De jeugdzorg moet aansluitend op de leerlingenzorg beschikbaar zijn.

De ervaringen die in de afgelopen jaren met de JAT's (Jeugdzorgadviesteams) zijn opgedaan wijzen uit dat een dergelijke organisatorische en inhoudelijke samenwerking tussen Bureaus Jeugdzorg en samenwerkingsverbanden van scholen in een grote behoefte voorziet, meerwaarde biedt en in de praktijk vorm is te geven.

Wat zijn de belangrijkste conclusies uit het Project Samenwerking Onderwijs Jeugdhulpverlening 1999? (blz.24)

Een belangrijke bevinding van het project is dat het onderwerp `samenwerking onderwijs-jeugdzorg' op veel plaatsen in het land, bij uiteenlopende organisaties en functionarissen hoog op de agenda staat. Vooral het deelproject Jeugdzorgadviesteams (JAT's) heeft werkbare voorbeelden opgeleverd. JAT's beogen de ondersteuning en hulpverlening aan kinderen, hun gezinnen en scholen bij psychosociale problemen, opvoedings- en gezinsproblematiek te verbeteren en te versnellen door de jeugdzorg in en om de school vorm te geven. Dit gebeurt vanuit een hechte samenwerking tussen vertegenwoordigers van de school en hulpverleners uit zorginstellingen. Er wordt structureel aangesloten bij de leerlingenzorg zoals die op schoolniveau en in bovenschoolse commissies (zorgplatform) wordt vormgegeven. Het JAT adviseert en informeert leerlingen en ouders, ondersteunt en versterkt de leerlingenzorg op scholen (inclusief consultatie) en heeft taken op het gebied van screening, handelingsplannen en -advisering, ambulante hulpverlening en crisisinterventie, en verwijst indien noodzakelijk door naar de geïndiceerde jeugdzorg.

Aan welke nieuwe vormen van samenwerking tussen jeugdzorg en gezondheidszorg wordt gedacht? (blz.24)

De jeugdgezondheidszorg speelt in het netwerk van voorzieningen voor jeugdigen op lokaal niveau een belangrijke rol als laagdrempelige, toegankelijke, niet-stigmatiserende voorziening voor alle jeugdigen. Veel (beginnende) problemen kunnen door het consultatiebureau of de schoolgezondheidszorg tijdig worden gesignaleerd. Zo bleek uit de peilingen in de jeugdgezondheidszorg 1997/1998 dat jeugdartsen en -verpleegkundigen bij één op de vijf kinderen tijdens het periodiek gezondheidsonderzoek (PGO) één of meerdere psychosociale problemen signaleerden terwijl het merendeel van deze kinderen hiervoor niet onder behandeling was. De mogelijkheden van de jeugdgezondheidszorg in het lokale netwerk voor jeugd - daaronder ook begrepen de afstemming en samenhang met de jeugdzorg - kunnen beter worden benut.

In het voorstel voor de Meerjarenafspraken 2000-2002 wordt aangegeven dat afspraken over de samenhang en samenwerking onder meer zijn te bewerkstelligen door de Bureaus Jeugdzorg, via samenwerkingsverbanden, waarbij de jeugdgezondheidszorg als speerpunt naast onderwijs wordt genoemd. Dit voorstel wordt voorgelegd aan het GOJ van 21 december 1999.

Wat is de rol van het Ministerie van OCenW bij het VNG-project Lokaal Jeugdbeleid 1999-2002? (blz. 23)

Het VNG-project Lokaal Jeugdbeleid 1999-2002 wordt gefinancierd door de Ministeries van VWS en BZK teneinde gemeenten te ondersteunen bij het verder ontwikkelen van een samenhangend lokaal jeugdbeleid. Dit project is een vervolg op de activiteiten die in het kader van de projectgroep Ontwikkeling lokaal preventief jeugdbeleid (commissie Groenman) werden ondernomen.

Het Ministerie van OCenW is, evenals de Ministeries van Justitie en SZW en het IPO, geraadpleegd bij het totstandkomen van het Plan van aanpak 1999-2002 en het Activiteitenplan 2000 van het VNG-project. Het is de bedoeling om al deze partijen gedurende de gehele projectperiode nauw te betrekken bij de verdere voortgang en ontwikkeling van het project. OCenW was ook vertegenwoordigd in het Bestuurlijk Overleg dat eind november 1999 is gehouden tussen VNG, VWS en BZK vanwege het belang van het thema «relatie lokaal jeugdbeleid - lokaal onderwijsbeleid» enerzijds en de betrokkenheid van OCenW bij de inzet van de zogenoemde Van Montfrans-gelden anderzijds waaruit BZK financieel bijdraagt aan het VNG-project.

Ook vanuit andere gezamenlijke trajecten als de Brede school en voor- en vroegschoolse educatie (VVE) zal afstemming tussen OCenW en het VNG-project aan de orde zijn.

Gesteld wordt dat het belang van hulp in de buurt c.q de eigen omgeving steeds belangrijker wordt geacht. Hoe wordt deze ontwikkeling beleidsmatig ondersteund? (blz. 31)

Beleidsmatige ondersteuning vindt plaats vanuit het zogenaamde zo-zo-zo-zo beleid. Dat betekent dat intensivering van de vrij toegankelijke ambulante hulpverlening gestimuleerd wordt, onder meer via de Meerjarenafspraken. De Bureaus Jeugdzorg moeten outreachend gaan werken en aansluiting zoeken met basisvoorzieningen die zich met jeugdigen bezig houden.

In het licht van een toenemende vraag naar jeugdhulpverlening en de stijging van huisvesting- en personeelslasten signaleren bijna alle provincies en grootstedelijke regio's dat de financiële middelen ontoereikend zijn. Hoe groot is het risico dat het vernieuwingsproces hierdoor stagneert en hoe denkt de staatssecretaris dat deze problemen opgelost moeten worden? (blz.32)

Door middel van inzet van extra middelen wordt voorkomen dat onder invloed van een groeiende vraag naar jeugdhulpverlening het vernieuwingsproces zal stagneren. Het betreft de middelen die in het kader van het Regeerakkoord 1998 beschikbaar zijn gesteld alsmede de middelen uit de fiscalisering van de omroepbijdragen. De opbrengsten uit de fiscalisering komen volledig in 2000 beschikbaar. Het Landelijk Programma Management heeft tot taak de voortgang in de uitvoering van de Meerjarenafspraken te monitoren. Indien stagnatie optreedt zal naar bevind van zaken worden gehandeld.

Zoals reeds bij vraag 15 is aangegeven leidt bovendien de verankering van de vernieuwingen van Regie in de jeugdzorg tot grotere effectiviteit en efficiency van de sector waardoor onder meer groei van de vraag kan worden opgevangen.

Overigens is nog met ingang van 1997 en volgende jaren de doeluitkering in het kader van de invoering van de nieuwe Arbeidstijdenwet opgehoogd. Met ingang van 2001 bedraagt deze ophoging structureel een bedrag van f 34,6 mln.

Hoe is de verhouding allochtoon/autochtoon onder de populatie gebruikers van de pleegzorg? (blz. 32)

Jeugdigen worden geclassificeerd naar één van de volgende categorieën:

Autochtoon.

Allochtoon niet-doelgroeplanden: deze categorie jeugdigen is afkomstig uit landen die op grond van het gemiddelde inkomen per hoofd van de bevolking in het betreffende land niet tot doelgroep (van achterstandsbeleid) gerekend worden.

Allochtoon doelgroeplanden: deze categorie jeugdigen is afkomstig uit landen die op grond van het gemiddelde inkomen per hoofd van de bevolking in het betreffende land tot doelgroep (van achterstandsbeleid) gerekend worden.

De verhouding is als volgt: 86% van de populatie gebruikers van de pleegzorg is autochtoon, 2% is afkomstig uit de groep allochtoon niet-doelgroeplanden en 12% uit de groep allochtoon doelgroeplanden. Het totaal aantal jeugdigen in de pleegzorg is 7530 (pagina 75 Voortgangsrapportage Beleidskader Jeugdzorg).

Hoeveel allochtone pleeggezinnen zijn er in Nederland? Hoeveel allochtone jeugdigen worden bij een allochtoon pleeggezin geplaatst en hoeveel bij een autochtoon pleeggezin? (blz. 32)

Hierover zijn geen gegevens beschikbaar.

Wat betekent de afloop van de financiële steun voor de JIJ-krant en de HOUSE-krant voor het voortbestaan van beide publicaties? (blz. 55)

Hiervoor wordt verwezen naar het antwoord op vraag 26.

Hoe komt het dat de bezetting in de verschillende vormen van jeugdhulpverlening in 1998 niet 100 % is, terwijl er toch sprake is van wachtlijsten? (blz. 72)

Hiervoor wordt verwezen naar het antwoord op vraag 29.

Is het waar dat bij veel Bureaus Jeugdzorg de wachtlijsten voor de screening voor het grootste gedeelte zijn weggewerkt maar dat er nu wachtlijsten ontstaan na de screening? (blz. 13)

Er bestaat landelijk geen overzicht van wachtlijsten met betrekking tot functies binnen de Bureaus Jeugdzorg (BJZ). Met behulp van de intensiveringsmiddelen moeten de BJZ de komende jaren verder worden ingericht en van voldoende capaciteit en deskundigheid worden voorzien om te komen tot oplossingen voor onder andere wachtlijst/-tijd knelpunten.

Vragen CDA-fractie

De termijnen voor de Wet op de Jeugdzorg (blz. 5 e.v.) schuiven iedere keer op. Welke garanties kunnen worden gegeven dat het nu uitgezette tijdpad met een uitgewerkte wet in de loop van 2000 ook daadwerkelijk zal worden verwezenlijkt?

Ook tot onze grote spijt wordt de planning die in eerste aanleg is opgesteld, niet gehaald. Dit is grotendeels een gevolg van de complexiteit van de materie, waardoor het advies van de commissie Günther later dan gepland beschikbaar is gekomen. In een geactualiseerde planning wordt er nu vanuit gegaan dat in juni 2000 het regeringsstandpunt c.q. het inhoudelijk beleidskader voor de Wet op de jeugdzorg beschikbaar is.

Hoe is de stand van zaken met betrekking tot de totstandkoming van het Landelijk Programma Management (blz. 6 e.v.)? Wanneer is de start voorzien?

Op dit moment is een extern bureau bezig om het Landelijk Programma Management Jeugdzorg (LPJ) in te richten (vorming stuurgroep, opstellen concept-werkplan, bemensing, financiering en huisvesting). Deze werkzaamheden moeten begin 2000 afgerond worden, waarna het LPJ van start kan gaan.

In de meerjarenafspraken van 14 april jl. is aangegeven dat de zorgverzekeraars op korte termijn zullen aangeven welk aandeel van de jeugd-ggz (in personeel en middelen) onderdeel moet uitmaken van de toegangsfuncties van de Bureaus Jeugdzorg. Kan inmiddels duidelijkheid worden gegeven over de omvang van dit aandeel? Zo nee, op welke wijze is genoemde meerjarenafspraak dan geëffectueerd? (blz. 7)

De gegevens over de inbreng vanuit de jeugd-ggz worden nog nader geïnventariseerd door het Trimbos-Instituut. Naar verwachting komen de resultaten eind december 1999 beschikbaar.

Hoe staat het met de normering van de AMK's die volgens de Voortgangsrapportage (blz. 8) wordt voorbereid?

Een onderzoeksopzet voor de normering van de AMK's is nog niet beschikbaar. Dat is ook nog niet mogelijk omdat het onderzoek gebaseerd zal moeten zijn op de nieuwe systeemeisen, die op hun beurt gebaseerd zijn op de nieuwe wetgeving. De opzet voor normeringsonderzoek is voorzien in het eerste kwartaal van 2000. De bekostiging van de AMK-functie wordt vooralsnog geregeld conform de voorlopige normering zoals ontwikkeld door de Werkgroep Meldpunt Kindermishandeling (1997). In 1999 is de normering aangepast voor de huisvestingscomponent.

Hoe is de stand van zaken met betrekking tot het voorstel tot wijziging van de Wet op de jeugdhulpverlening in verband met de AMK's, zoals genoemd op pagina 8?

Het concept-wetsvoorstel tot wijziging van de Wet op de jeugdhulpverlening is nagenoeg gereed en zal binnenkort voor advies uitgaan. Daarna zal het voor advies naar de Raad van State kunnen worden verzonden.

Kan er ten aanzien van de beleidsinformatie (blz. 10 e.v.) worden aangegeven of de instellingen, provincies en grote steden inmiddels de gegevens van de SRJV over 1998 hebben ontvangen? Zo nee, wat is hier de oorzaak van en hoe zullen grote steden en provincies dan hun plannen voor 2000 e.v. met beleidsinformatie kunnen onderbouwen?

Ten gevolge van de discussie rond de rechtmatigheid van de informatievoorziening binnen de jeugdzorg is vertraging opgetreden in de toezending van gegevens van de SRJV aan instellingen, provincies en grootstedelijke regio's. Medio november zijn de jaarrapportage en de provinciale rapporten verzonden. Verwacht wordt dat ook de toezending aan de Tweede Kamer op korte termijn zal geschieden. Met het IPO zal overleg worden gevoerd over de vraag of en in hoeverre aanpassing van de termijnen voor de indiening van hun plannen voor 2000 nodig is.

Het huidige programma voor de kwaliteitszorg (blz. 12 e.v.) loopt op 1 januari 2000 af. In principe zouden op dat moment de actiepunten uit het programma bij elke instelling moeten zijn geïmplementeerd. Kan worden aangegeven bij welk percentage van de instellingen dit naar verwachting inderdaad het geval zal zijn?

Hiervoor wordt verwezen naar het antwoord op vraag 36.

Welke vijf beroepsgroepen zullen samenwerken in de Nederlandse Vereniging van Sociaal Pedagogische Hulpverleners? (blz. 13)

De Nederlandse Vereniging voor Sociaal Pedagogische Hulpverleners (NVSPH) komt voort uit een initiatief van de Landelijke Beroepsvereniging Groepsleiders (LBVG), de Vereniging voor Jeugdwelzijnswerk (K&O- Vereniging voor Jeugdwelzijnswerk), de Nederlandse Beroepsvereniging van Activiteitenbegeleiders en Activiteitentherapeuten (NBAA), de Beroepsgroep Pedagogische Medewerkers Ziekenhuizen (BPMZ) en de Vereniging Bevordering Sociotherapie (VBS).

De regiovisies beogen een grotere samenhang binnen de jeugdzorg tot stand te brengen. Kan de staatssecretaris aangeven op welke manier in de praktijk jongeren naar hulpverlening in een andere provincie kunnen doorstromen als er geen capaciteit beschikbaar is in de eigen provincie? (blz. 13)

Uit de SRJV-rapportage jeugdhulpverlening over 1998 (pag. 19 e.v. tabel 2.6 en 2.7) die u binnenkort ontvangt blijkt dat het interregionaal verkeer nog altijd omvangrijk is. Verder wordt verwezen naar het antwoord op vraag 14.

Ten aanzien van jeugdzorg en onderwijs wordt in de Voortgangsrapportage (blz. 16) aangegeven dat er gestreefd wordt naar goede afspraken tussen de Bureaus Jeugdzorg en de indicatiecommissies voor het speciaal onderwijs. Zien VWS en OCenW geen mogelijkheden om hierin een veel sturender rol te spelen gelet op de klemsituaties in de praktijk van alledag? Kunnen de belemmeringen voor de Kamer worden geïnventariseerd met bij elke belemmering een mogelijke oplossingsrichting?

VWS en OCenW zullen begin 2000 een verkennend onderzoek laten uitvoeren naar de problemen die zich voordoen bij afstemming tussen jeugdzorg(instellingen) en speciaal onderwijs, met name het ZMOK onderwijs. Daarbij zal ook de indicatiestelling betrokken worden. De uitkomsten van dit onderzoek zullen voor beide departementen aangrijpingspunt zijn voor afspraken en eventuele maatregelen om samenwerking beter mogelijk te maken. Het Landelijk Expertisecentrum Onderwijs-Jeugdzorg (zie eveneens de antwoorden op de vragen 39 en 75) zal in de komende tijd ook - waar mogelijk - advies en ondersteuning bieden bij vragen rondom deze afstemming.

Kan er over de vernieuwingsprojecten van de jeugdhulpverlening (blz.24) na de eerste periode van functioneren meer inzicht worden gegeven in de resultaten tot nu toe?

In bedoelde passage in de Voortgangsrapportage Beleidskader Jeugdzorg gaat het om de volgende projecten:

Het onderzoek over thuisloze jongeren wordt op dit moment afgerond. De resultaten zijn nog niet beschikbaar.

Wat betreft Youth at Risk kunnen pas resultaten gemeld worden bij de eindmeting in 2002 (zie eveneens het antwoord op vraag 25).

Ook de eerste resultaten van de Pilot Limburg zijn nog niet beschikbaar. Begin 2000 worden de eerste onderzoeksgegevens verwacht. Zie voor de bevindingen van de medewerkers het antwoord op vraag 64.

Het Jeugdwelzijnsberaad is in 1999 al verschillende malen bijeen geweest. Tijdens deze bijeenkomsten hebben jongeren over verschillende onderwerpen gesproken (zoals zakgeld).

Voor de pilot cliëntenvertrouwenspersoon wordt verwezen naar het antwoord op vraag 21.

Het kwalitatieve onderzoek naar de achtergronden van de lichte terugval in allochtoon personeel in de jeugdhulpverlening bevindt zich in de fase van afronding (zie eveneens het antwoord op vraag 27).

De eerste resultaten van de uitvoering van het Convenant Arbeidsmarkt Jeugdhulpverlening (en Welzijn) zijn nog niet beschikbaar.

Het innovatietraject pleegzorg loopt door tot 2001. Wel zal door een landelijke conferentie, begin 2000 het visiedocument pleegzorg gepresenteerd worden. In dit document zal op hoofdlijnen een heldere visie worden geformuleerd over de pleegzorg.

Ten aanzien van de zesde pilot (`Versterking positie cliënten', blz. 40) wordt meegedeeld dat eind 1999 iets meer te zeggen valt over de stand van zaken rond klachtenregelingen, cliëntenraden, klachtencommissies en vertrouwenspersonen. Is er inmiddels meer duidelijkheid te geven over de voortgang rond dit belangrijke uitgangspunt van beleid om de cliënt centraler te stellen?

De tweede meting naar de stand van zaken rond klachtrecht en medezeggenschap is bijna afgerond. Uit de voorlopige gegevens blijkt dat bijna alle instellingen een klachtenregeling hebben, negen op de tien al een interne klachtencommissie hebben ingesteld, en één op de vier instellingen een cliëntenraad heeft. Van de wettelijke mogelijkheid om een cliëntenvertrouwenspersoon aan te kunnen stellen wordt door één op de drie instellingen gebruik gemaakt.

Kunnen ten aanzien van het Pilotproject Limburg met name de ervaringen van de medewerkers die vanuit een residentiële achtergrond veel meer in de context van de jeugdige zelf zijn gaan werken worden geïnventariseerd?

Hiermee is reeds een aanvang gemaakt. Tijdens de recent gehouden studiemiddag hebben medewerkers hun eerste ervaringen gepresenteerd. Een bloemlezing: «Reeds na enkele werkbezoeken thuis, krijg je een veel ander en ruimer beeld van hoe het gezinssysteem in elkaar zit en hoe het werkt. Door deze contacten in de thuissituatie groeit al snel meer begrip voor de ouder met zijn `multi-problems'. We voelen onszelf een beetje ongemakkelijk, beschaamd over vroegere beelden en onze opstelling vanuit de leefgroep naar de ouder. We gaan vraaggestuurd op zoek naar wat de cliënt zelf ervaart en aangeeft als zijn vraag, in tegenstelling tot wat wij invullen als het probleem en waar we ook nog wel een oplossing voor hebben. Het is moeilijk om niet in oude valkuilen te stappen en te snel komen aanzetten met allerlei adviezen en oplossingen (...). Ons team bestaat uit 23 collega's, afkomstig uit zes verschillende instellingen, met hun eigen stijl van werken, hun werkvormen, hun cultuur, hun CAO's en hun afspraken. Allemaal elementen en bouwstenen voor een bruikbare meerwaarde en een aanvulling voor de methodiekontwikkeling (...). Steeds meer beginnen we te denken en te werken in verbanden, ontdekken we de meerwaarde van de verschillende hulpverleningsculturen (...). Werken in een innovatief project is moeilijk, maar boeiend en leuk. We ervaren steeds meer arbeidsvreugde in onze nieuwe job.»

In de Voortgangsrapportage wordt aangegeven dat de Raad voor de Kinderbescherming 14,75 fte en 18,75 fte overhevelen naar de AMK's en de
Bureaus Jeugdzorg door ophoging per 1 januari 2000 van de doeluitkering bij de provincies. Gaat dit ook daadwerkelijk gebeuren?

De overdracht van de bedoelde middelen vindt plaats op het moment dat de Raad voor de Kinderbescherming de intakewerkzaamheden daadwerkelijk overdraagt. Voor de AMK's is dit 1 januari 2000. De doeluitkeringen zijn daartoe vanaf 1 januari 2000 structureel opgehoogd. Het gaat hierbij om het overeengekomen equivalent van 14,75 fte.

Voor de overdracht van de intake-werkzaamheden en de daaraan verbonden intake-capaciteit van 18,75 fte, wordt door de Raad voor de Kinderbescherming, in overleg met de BJZ's en de provincie- en grote steden-bestuurders die voor deze BJZ's verantwoordelijk zijn, een stappenplan opgezet. Het tempo waarin de BJZ's in staat zijn de intake van de Raad voor de Kinderbescherming over te nemen, is richtinggevend voor de overdracht.

Wanneer komt er duidelijkheid over de concrete invulling van de 156 plaatsen extra voor justitiële inrichtingen (blz. 30)?

Bij brief van 30 september 1999 (kenmerk 791100/99/PJS) is de Tweede Kamer geïnformeerd over de prognose sanctiecapaciteit. Uit deze brief bleek een tekort aan plaatsen in de justitiële jeugdinrichtingen en een tekort aan TBS-plaatsen, alsmede een overschot aan gevangeniscapaciteit. Op dit moment wordt een masterplan voorbereid, waarin zowel de mogelijke ombouw van volwassenencapaciteit naar jeugd- en TBS-capaciteit wordt uitgewerkt, alsmede de aanwending van de intensiveringsmiddelen uit het Regeerakkoord, waaronder de door u bedoelde 156 plaatsen. De verwachting is dat uw Kamer hierover in het voorjaar kan worden geïnformeerd.

GGZ-Nederland heeft in `een standpunt in relatie tot Regie in de Jeugdzorg' op 31 augustus jl. laten weten dat medewerkers voor de jeugd-ggz (blz. 31 e.v.) alleen gedetacheerd kunnen worden bij Bureaus Jeugdzorg en dan nog alleen in deeltijddetachering. Hoe kijkt de staatssecretaris tegen deze koers van de jeugd-ggz aan? Kan zij hierbij aangeven hoe zich genoemde opvatting verhoudt met het Regeerakkoord en met de meerjarenafspraken van 14 april 1999?

GGZ-Nederland stelt zich op het standpunt dat het voor GGZ-medewerkers noodzakelijk is om met één been in de GGZ-behandelpraktijk te blijven staan om zo de binding daarmee en met de achterliggende kinder- en jeugdpsychiatrie te kunnen blijven onderhouden. Deeltijddetachering in een Bureau Jeugdzorg (BJZ) biedt volgens GGZ-Nederland daartoe de mogelijkheid. Een tweede reden voor het werken met detacheringsconstructies en samenwerkingsconvenanten is dat de AWBZ-regelgeving thans nog geen overheveling van (delen van) Riaggafdelingen Jeugd naar het BJZ toelaat. In dit licht bezien is de bijdrage van GGZ-Nederland zeer constructief. Op termijn moet onderzocht worden of detacheringsconstructies en samenwerkingsconvenanten wel geschikte organisatorische voorwaarden zijn voor een BJZ. In het kader van een groeimodel richting het BJZ als de ene toegang tot de jeugdzorg, is het in ieder geval een stap in de goede richting.

Vragen D66-fractie

In de Voortgangsrapportage staat weinig tot niets vermeld over het meer toegankelijk maken van de jeugdzorg voor allochtone jongeren. Komt hierover een aparte notitie? Zo niet, waarom niet?

De toegankelijkheid van de jeugdzorg voor allochtone jongeren is een belangrijk facet van de ontwikkeling naar een vraaggerichte jeugdzorg. Momenteel worden gesprekken gevoerd met het NIZW, Collegio en FORUM om te bezien hoe dit verankerd kan worden in de ontwikkeling van en uitvoering in de praktijk van de Bureaus Jeugdzorg. De genoemde landelijke steunfunctieorganisaties nemen dit facet op in hun jaarplan 2000. Gezien de facetbenadering in het beleid, kiezen wij niet voor aparte notitie over dit onderwerp. Tevens wordt verwezen naar het antwoord op vraag 86.

Krijgt elke provincie gelijkelijk geld toebedeeld in het kader van de meerjarenafspraken of wordt er per provincie gekeken naar de knelpunten en wordt daar de verdeling op gebaseerd? (blz. 8)

Momenteel staat een voorstel voor een verdeelsystematiek op de agenda van het GOJ van 21 december a.s. Zodra besluitvorming heeft plaatsgevonden zullen betrokken partijen en de Tweede Kamer geïnformeerd worden.

Hoe zullen de prestaties van de jeugdzorg ten aanzien van de meerjarenafspraken zichtbaar worden gemaakt? (blz. 9)

Ten aanzien van de afspraken voor 1999 zullen de resultaten zichtbaar gemaakt worden via de provinciale en grootstedelijke rapportages. Het Landelijk Programma Management Jeugdzorg zal de Meerjarenafspraken 2000-2002 gaan monitoren.

Op welke termijn zal bekend zijn of de gegevensaanlevering aan ISIS vanuit privacy-oogpunt al dan niet rechtmatig is? Wat doet het kabinet als blijkt dat de privacywetgeving de gegevensaanlevering niet toestaat? (blz. 11)

Het onderzoek naar de vorm en op welke termijn ISIS rechtmatig kan functioneren in het kader van de vigerende en toekomstige privacy-wetgeving kan nog niet worden afgerond. Uw Kamer zal zo spoedig mogelijk over de uitkomsten van dit onderzoek worden geïnformeerd.

Waarom wordt ter stimulering van de verbetering van de kwaliteitszorg de jeugdzorg niet ondergebracht in de Kwaliteitswet zorginstellingen en/of in de Wet klachtrecht cliënten zorginstellingen waarin de kwaliteitszorg van instellingen reeds omschreven staat? (blz. 13)

De vraag of de regeling van de kwaliteitszorg onder moet worden gebracht in de Kwaliteitswet zorginstellingen en/of de Wet klachtrecht cliënten zorgsector, zoals ook de Adviescommissie Wet op de Jeugdzorg voorstelt, zal worden meegenomen in het standpunt Beleidskader Wet op de jeugdzorg.

Welke provincies zijn er nog niet in geslaagd om regiovisies te ontwikkelen c.q. bestuurlijk vast te stellen en waarom niet? Hoe worden deze provincies gestimuleerd? (blz. 13)

Voor het eerste gedeelte van de vraag wordt verwezen naar het antwoord op vraag 37.

In het kader van het onderzoek regiovisies jeugdzorg vindt begin 2000 een werkconferentie plaats voor betrokkenen bij de regiovisies. Deze werkconferentie heeft tot doel het belang van het instrument regiovisie te onderstrepen. Deze evaluatie is tevens van belang voor de (invulling en uitwerking van de) wettelijke verankering van de regiovisie in de toekomstige Wet op de jeugdzorg.

Kan nader worden ingegaan op het ontwikkelen van een gemeenschappelijke visie op jeugdbeleid van gemeenten en het Ministerie van VWS? Waarom is een gemeenschappelijke visie noodzakelijk en wanneer is deze visie gereed? (blz. 15)

Op 4 maart jl. hebben het kabinet, IPO en VNG het Bestuursakkoord Nieuwe Stijl (BANS) ondertekend. Daarin is afgesproken een gezamenlijke visie op het jeugdbeleid op te stellen, die richtinggevend is voor het jeugdbeleid van de overheden. Doel van deze visie is een gezamenlijke koers voor het jeugdbeleid te bepalen en op basis daarvan afspraken te maken hoe het jeugdbeleid van de overheden elkaar kan versterken. Uitgangspunt is dat door een gezamenlijke inzet van de overheden meer bereikt kan worden voor jeugd. De visie op jeugdbeleid met de titel «Jeugdbeleid in Ba(la)ns» is inmiddels in het Overhedenoverleg van

1 december jl. door het kabinet, IPO en VNG vastgesteld en op 3 december jl. door de staatssecretaris van VWS aan de Tweede Kamer toegezonden.

Wordt er ook extra geld uitgetrokken om de samenwerking tussen jeugdzorg en onderwijs te intensiveren? Zo ja, waar komt dit geld vandaan? (blz. 15)

VWS en OCenW zullen gezamenlijk het Landelijk Expertisecentrum Onderwijs-Jeugdzorg gedurende een aantal jaren financieel ondersteunen. Meerjarige, programmatische NIZW-activiteiten die verband houden met speerpunten van jeugdbeleid worden gefinancierd uit de basissubsidie die door VWS aan het NIZW wordt verstrekt. Dit gebeurt deels ook voor dit expertisecentrum. In 2000 zal VWS bovendien het NIZW additioneel uit PEO-middelen jeugdhulpverlening subsidiëren op basis van een door beide ministeries goedgekeurd werkplan voor het expertisecentrum.

Kan worden aangegeven waar de contactpersonen schooluitval of de Jeugdzorgadviesteams hun onderkomen hebben? Zijn zij ondergebracht op scholen of bij de Bureaus Jeugdzorg? (blz. 16)

De centrale contactpersoon schooluitval is de leerplichtambtenaar, die een onderkomen heeft bij de gemeente. Een Jeugdzorgadviesteam is geen nieuw instituut, maar een samenwerkingsverband van school en (Bureau) Jeugdzorg. Een multi-disciplinair team (psycholoog, orthopedagoog, onderwijsgevende, schoolmaatschappelijk werker) beziet gezamenlijk en regelmatig de ontwikkeling van kinderen met problemen. Ieder van deze professionals is afkomstig uit een eigen instelling en heeft daar een eigen werkplek. Als vergaderruimte kan worden gekozen voor het Bureau Jeugdzorg maar ook voor de school.

Kan worden aangegeven hoe de samenwerking tussen speciaal onderwijs, gezondheidszorginstellingen en/of jeugdzorg verloopt? Welke knelpunten zijn geconstateerd en welke positieve resultaten? (blz. 17)

De Inspectie voor de Gezondheidszorg constateerde in haar onderzoek naar de beschikbaarheid en toegankelijkheid van de jeugdgezondheidszorg 0-4 jaar, dat alle door haar bezochte thuiszorgorganisaties te maken hebben met wachtlijstproblemen elders, met name in de jeugdzorg. In alle regio's moeten ouders na hun verwijzing door het consultatiebureau soms tot enkele maanden wachten alvorens ze in de jeugdzorg terecht kunnen, ook daar waar al Bureaus Jeugdzorg van start zijn gegaan. Niet zelden wordt er door de jeugdzorg/jeugdhulpverlening verzocht alleen de 'zwaardere' gevallen te verwijzen. Een aantal thuiszorgorganisaties heeft daarom voor hun consultatiebureaus pedagogen in dienst genomen voor kortdurende begeleiding (maximaal 5 contacten) van ouders en kinderen met gedrags- en opvoedingsproblemen.

Waarom is er een apart project gestart voor de arbeidstoeleiding van jongeren die moeilijk zijn of met psychosociale problemen kampen? Is het de bedoeling dat na positief resultaat van dit project de expertise wordt geïntegreerd in de reguliere arbeidstoeleiding? (blz. 17)

Op grond van de Wet inschakeling werkzoekenden (Wiw) zijn gemeenten en uvi's verplicht om voor elke jongere onder de 23 jaar die een uitkering aanvraagt of zich laat inschrijven als werkloos werkzoekende een traject op te stellen gericht op de inschakeling in het arbeidsproces. Dit traject moet na maximaal één jaar werkloosheid bestaan uit een dienstbetrekking. Hiervan kan worden afgeweken als een andere voorziening meer perspectief biedt op uitstroom naar reguliere arbeid.

Om gemeenten te ondersteunen bij de sluitende benadering van jongeren met psychosociale problemen is inmiddels het project Efficiënte trajectbemiddeling in 1999 gestart. Dit project heeft tot doel om in vijf gemeenten/regio's te bewerkstelligen dat de verschillende organisaties die zich met jongeren bezighouden op het terrein van werk, inkomen, educatie, scholing, zorg en welzijn gezamenlijk een sluitende aanpak realiseren. In de samenwerking van de verschillende organisaties heeft de gemeente de regiefunctie. Informatieoverdracht van de ontwikkelde modellen naar andere gemeenten vindt plaats met een Nieuwsbrief, expertmeetings en conferenties.

In residentiële instellingen wordt de populatie problematischer, zo wordt vermeld. Is dit het gevolg van de versterking van de ambulante hulp waar jongeren heengaan als zij (nog) niet echt problematisch zijn en de echte probleemjongeren overblijven in de instellingen of kampen de in instellingen verblijvende jongeren met meer en/of zwaardere problemen? (blz. 20)

Op dit moment zijn er in de jeugdhulpverlening nog geen registratiegegevens voorhanden die de ontwikkeling van verzwaring van de problematiek noch de hieraan ten grondslag liggende hypothesen kunnen staven.

Ten aanzien van de populatie in de landelijke residentiële achtervangvoorzieningen en de justitiële jeugdinrichtingen kan worden bevestigd dat er ontegenzeglijk sprake is van een verzwaring van de problemen waarmee jongeren kampen. Het grootste deel van de jongeren behoort tot de multi-problem-groep, waarbij sprake is van een combinatie van een of meer van de volgende problemen: persoonlijkheidsstoornissen, gedragsstoornissen, psychische problemen, psychiatrische problemen, middelenafhankelijkheid, et cetera.

Wat is het kabinetsstandpunt ten aanzien van het beleid van provincies om de instroom van jongeren uit andere provincies te reduceren? Welke maatregelen heeft het kabinet getroffen of denkt het te treffen hieromtrent? (blz. 21)

Hiervoor wordt verwezen naar het antwoord op vraag 14.

Op welke wijze en met welk resultaat wordt de voorlichting verzorgd aan mensen om ingeval van problemen met de ouderbijdragen aansluiting te zoeken bij de Wet schuldsanering natuurlijke personen? (blz. 31)

Iedere bijdrageplichtige ouder is aan de hand van een mailing geïnformeerd. Bovendien is de voorlichting hierover opgenomen in de nieuwe brochure «Ouderbijdrage Jeugdhulpverlening» die het LBIO verspreidt onder de plaatsende instanties en toezendt aan iedere bijdrageplichtige ouder die voor het eerst met het LBIO in aanraking komt. Zodoende is en wordt iedere bijdrageplichtige ouder geïnformeerd.

Vragen GroenLinks-fractie

Kan een toelichting worden gegeven op de verdeling van de 60 mln over de Ministeries van VWS en Justitie? Op basis van welke criteria is de verdeling gemaakt en voor welk beleid zullen de gelden exact worden ingezet? (blz. 5)

De 60 mln uit de opbrengst van de fiscalisering van de omroepbijdragen is in onderling overleg (Financiën, VWS en Justitie) voor 2/3e deel direct bestemd voor de jeugdzorg (VWS) en 1/3e deel voor Justitiebeleid.

De jeugdzorgmiddelen hebben de volgende bestemming: 30 mln voor de vorming van de Bureaus Jeugdzorg en de Advies- en Meldpunten Kindermishandeling en 10 mln ten behoeve van de capaciteit in de jeugdhulpverlening. Deze bedragen zullen niet geoormerkt worden om zodoende de provincies en grootstedelijke regio's de mogelijkheid te geven in te spelen op de specifieke knelpunten en ontwikkelingsfase in hun provincie of regio.

De resterende 20 mln wordt door het Ministerie van Justitie voor de volgende doelen ingezet: uitbreiding van het aantal vestigingen van Justitie in de buurt (8 extra vestigingen); aanpassing van de capaciteit in de jeugdstrafketen op de groeiende behoefte (extra capaciteit Haltafdoeningen en extra capaciteit straftaken Raad voor de Kinderbescherming); verbetering van de afstemming van justitie- en politieketen met het lokaal beleid; verbetering van de informatievoorziening ten behoeve van de beleidsvorming en beleidsverantwoording; opvangen van keteneffecten ten gevolge van het Grotestedenbeleid (GSB).

Hoe zal een sluitend aanbod voor de jeugd worden verwezenlijkt? (blz. 14)

Gemeenten hebben een belangrijke regierol als het gaat om het realiseren van een sluitend aanbod voor jeugd, op onderdelen in nauwe samenspraak met provincies (jeugdzorg) en het rijk. Via het VNG-project Lokaal Jeugdbeleid (1999-2002), dat gesubsidieerd wordt door VWS en - vanuit de invalshoek jeugd en veiligheid - BZK, worden gemeenten ondersteund bij het ontwikkelen en implementeren van een samenhangend jeugdbeleid. Hoofdthema's daarin zijn onder andere de regierol van gemeenten, de aansluiting lokaal jeugdbeleid-lokaal onderwijsbeleid en de aansluiting met de jeugdzorg. Ook de ontwikkeling van de brede school, waarover binnenkort een gezamenlijke notitie van OCenW en VWS naar de Tweede Kamer gaat, kan een belangrijke bijdrage leveren aan het realiseren van een sluitend aanbod voor jeugd. Dat geldt ook voor de projecten van VWS en Justitie op het terrein van Opvoedingsondersteuning en
Ontwikkelingsstimulering, waarin met gemeenten een wijkgerichte aanpak in achterstandswijken wordt ontwikkeld. Tenslotte zal de op 1 december jl. vastgestelde gezamenlijke visie op jeugdbeleid van rijk, IPO en VNG - als uitvloeisel van het Bestuursakkoord Nieuwe Stijl (BANS) - een belangrijke bijdrage leveren aan de totstandkoming van een betere afstemming en samenhang in het beleid van de overheden met als doel een sluitend aanbod voor de jeugd.

Hoe denkt de staatssecretaris over het instellen van een aanspreekpunt voor ouders bij opvoedingsproblemen, bijvoorbeeld gelieerd aan het Bureau Jeugdzorg? (blz. 15)

Ouders die problemen hebben met het opvoeden moeten zo vroeg mogelijk ondersteuning hebben. Wij zijn dan ook voorstander van een laagdrempelige voorziening voor ouders bij opvoedingsproblemen. Dat kan een Bureau Jeugdzorg zijn, maar andere mogelijkheden zijn denkbaar, zoals consultatiebureaus, opvoedbureaus of andere voorzieningen op het gebied van opvoedingsondersteuning. Laagdrempelige opvoedingsondersteuning is overigens al breed beschikbaar in Nederland. Er bestaat dan ook geen noodzaak om vanuit de Rijksoverheid nieuwe aanspreekpunten te gaan instellen.

Op welke wijze is nazorg (scholing, dagbesteding, werk, huisvesting) aan cliënten die uit de (justitiële) jeugdzorg komen gegarandeerd? Is een casemanager (mentor) voor elke cliënt hiervoor een geschikte oplossing? (blz. 16)

In de justitiële jeugdinrichtingen worden zowel jeugdigen op strafrechtelijke als op civielrechtelijke titel geplaatst. De verantwoordelijkheid voor begeleiding van civielrechtelijke jeugdigen na ontslag uit een justitiële jeugdinrichting ligt primair bij de gezinsvoogdij-instellingen. In die gevallen is de gezinsvoogd de case-manager. Nazorg wordt gegeven aan jeugdigen die op strafrechtelijke titel in een justitiële jeugdinrichting verblijven. Onder nazorg wordt verstaan vrijwillige begeleiding van jeugdigen na jeugddetentie of na een maatregel van plaatsing in een justitiële jeugdinrichting. Deze nazorg neemt twee maanden voor de invrijheidstelling een aanvang en kan tot zes maanden na afloop van de detentie of maatregel doorlopen.
In 1997 is een landelijk afstemmingsprotocol jeugdreclassering tot stand gekomen waarin de onderlinge samenwerking op het terrein van de jeugdreclassering nader is geregeld. Hoewel in dit protocol wel enige opmerkingen aan nazorg zijn gewijd, is de nadere aanvulling daarvan verder opengelaten. Ter voorkoming van terugval en recidive is het echter van groot belang dat een jeugdige na, en zo mogelijk ook al tijdens, de tenuitvoerlegging wordt voorbereid op het leven in de vrije maatschappij. Hierbij is het belangrijk dat de tijdens de detentie of behandeling behaalde resultaten worden vastgehouden.

Daarom is inmiddels een concept-protocol nazorg ontwikkeld waarin voor de diverse instanties (waaronder de (jeugd)reclassering, de justitiële jeugdinrichtingen en de Raad voor de Kinderbescherming) die bij de nazorg zijn betrokken, een verdeling van de taken, bevoegheden en verantwoordelijkheden is opgenomen zodat een uniforme werkwijze kan worden bereikt. Op dit moment zijn de door u genoemde componenten (scholing, dagbesteding, werk en huisvesting) nog niet in alle gevallen gegarandeerd.
In een circulaire van het Ministerie van Justitie met betrekking tot de financiering van jeugdreclasseringsactiviteiten is nazorg na vrijheidsstraffen of vrijheidsbenemende maatregelen wel als subsidiabele activiteit opgenomen.

Uit de bespreking van het advies van de commissie Marokkaanse jeugd blijkt dat de expertise in de jeugdzorg niet afdoende is om Marokkaanse jeugd effectief te helpen. Wat is de stand van zaken met betrekking tot de multiculturalisering van de jeugdzorg? Welk beleid wordt gevoerd om dit te verbeteren? (blz. 19)

Voor wat betreft de instellingen in de jeugdhulpverlening wordt in het kader van het JEWEL-project geprobeerd meer allochtoon personeel te laten in- en doorstromen in de instellingen. Daarboven worden inspanningen geleverd om instellingen te overtuigen van het belang van het voeren van intercultureel management (zie ook het antwoord op vraag 27). In het kader van de ontwikkeling en vormgeving van de toegang tot de jeugdzorg, de Bureaus Jeugdzorg, zijn ook gesprekken gaande met het NIZW, Collegio en FORUM om tot een samenhangende en meerjarige aanpak te komen met als één van de doelen de deskundigheid te vergroten in de voorzieningen over hulpverlening aan allochtone jongeren.

Het onderzoek naar de mate van interculturalisering van de uitvoeringsorganisaties die vallen onder de Directie Preventie, Jeugd en Sanctiebeleid van het Ministerie van Justitie zal naar verwachting begin 2000 zijn afgerond.

Mede ter voorbereiding van de eerste werkconferentie die in het voorjaar van 2000 georganiseerd wordt door de Ministeries van BZK en Justitie, in overleg met de overige betrokken departementen en zelforganisaties binnen de Marokkaanse gemeenschap, wordt in december 1999 een expertmeeting gehouden waarbij betrokken zijn justitiële instanties en vertegenwoordigers van de Marokkaanse gemeenschap. Onderwerpen die hier aan bod zullen komen zijn onder meer netwerk- en kadervorming en het inrichten van een website voor justitiële instanties. Beide onderwerpen zijn gericht op het vergroten van de kennis bij justitiële instanties over de Marokkaanse gemeenschap.

Tevens wordt ten behoeve van de specifieke benadering van allochtone gezinnen op de volgende terreinen door de Raad voor de Kinderbescherming activiteiten ontwikkeld dan wel geïntensiveerd:

Interculturalisatie van de organisatie met alle daaraan verbonden gevolgen zoals: werving en selectie, opleiding, loopbaanoriëntatie en -beleid voor allochtone werkers en deskundigheidsbevordering, culturele houdingsaspecten; realisering van integratiebeleid (te verstaan als: jeugdigen in staat stellen tot participatie in onze samenleving) door in de uitvoering van de kerntaken van de Raad, probleemoplossingen, netwerkontwikkeling en cliëntenbeleid nadrukkelijker rekening te houden met de allochtone achtergronden van jeugdigen en hun gezinnen; het leveren van een bijdrage aan de discussie over ontwikkelingen die integratie van allochtonen minderjarigen in onze samenleving belemmeren.

Door de Ministeries van VWS en Justitie zijn inmiddels gezamenlijk de programma's Opvoedingsondersteuning en Ontwikkelingsstimulering op wijkniveau (O&O) en Communities that Care (CtC) in gang gezet. In deze innovatietrajecten wordt speciale aandacht gegeven aan het beter bereiken van `moeilijk bereikbare' groepen, zonodig met meer indringende/'outreachende' methoden. Waar nodig zal de Raad voor de Kinderbescherming daarbij worden betrokken.

Er wordt geconstateerd dat de vraag naar hulpverlening toeneemt en de kosten van personeel en huisvesting stijgen. Wat is het oordeel van de staatssecretaris over deze toenemende financiële lasten? (blz. 21)

Ingevolge de Wet op de jeugdhulpverlening ligt de verantwoordelijkheid voor de planning en financiering van de regionale voorzieningen bij provincies en grootstedelijke regio's. Binnen de doeluitkering staat het de provincie vrij om te schuiven en hierdoor de beschikbare middelen doelmatiger te besteden. De constatering dat de vaste lasten stijgen is meerdere malen door provincies aan de orde gesteld. Achter deze algemene constatering ligt echter een complexe werkelijkheid die per regio aanzienlijk kan verschillen.

Overigens wordt voor de ophoging van de doeluitkering in het kader van de invoering van de nieuwe Arbeidstijdenwet verwezen naar vraag 46.

Wanneer kan de Kamer het onderzoeksrapport naar de opvang van AMA's tegemoet zien? (blz. 28)

Het onderzoeksrapport van de Inspectie Jeugdhulpverlening en Jeugdbescherming over de voogdij over en opvang van AMA's is u inmiddels bij brief van 7 december 1999 toegezonden.

Hoe lang zijn de wachtlijsten op dit moment voor de LVG-jeugdigen? Wat is het wachtlijstverlagende effect van de 68 nieuw te creëren plaatsen? (blz. 32)

Hiervoor wordt verwezen naar het antwoord op vraag 19.

In de praktijk blijkt vaak dat jongeren die op de een of andere manier in aanraking zijn gekomen met de jeugdzorg/justitie na hun 18e levensjaar niet «uitbehandeld» zijn en derhalve niet in staat zijn om een zelfstandig bestaan op te bouwen. Hoe denkt de staatssecretaris over de grens van 18 jaar die aan de jeugdzorg wordt gesteld? Is de staatssecretaris bereid deze leeftijdsgrens minder rigide te hanteren in de jeugdzorg?

De Wet op de jeugdhulpverlening (WJHV) hanteert voor hulpverlening aan jeugdigen in principe de meerderjarigheidsleeftijd, te weten de leeftijd van 18 jaar.

Deze wet echter maakt het mogelijk om ook hulpverlening te verlenen aan die jeugdigen die de meerderjarigheidsleeftijd hebben bereikt, doch nog niet de leeftijd van drieëntwintig jaren.

Het gaat daarbij om de volgende gevallen, waarbij:

De jeugdige de meerderjarigheidsleeftijd heeft bereikt en ten aanzien van wie recht is

gedaan overeenkomstig de artikelen 77f tot en met 77 kk van het Wetboek van Strafrecht (artikel 1, eerste lid, onder b, onder 2, WJHV).

Voortzetting van de jeugdhulpverlening, die was aangevangen vóór het bereiken van de meerderjarigheidsleeftijd noodzakelijk is (voortgezette jeugdhulpverlening aan jongvolwassenen; artikel 1, eerste lid, onder b, onder 3, WJHV).

Hervatting van de jeugdhulpverlening binnen een termijn van een half jaar na beëindiging daarvan noodzakelijk is. Ook in dit geval geldt naast het noodzakelijkheidscriterium dat de jeugdhulpverlening moet zijn aangevangen vóór het bereiken van de meerderjarigheidsleeftijd (hervatte jeugdhulpverlening aan jongvolwassenen; artikel 1, eerste lid, onder b, onder 3, WJHV).

Hulpverlening aan jeugdigen tussen 18 en 23 jaar, anders dan bedoeld onder de punten

b) en c), door een voorziening van ambulante hulpverlening noodzakelijk is of voor wie, met inachtneming van artikel 25, hulpverlening door een voorziening van residentiële of semi-residentiële hulpverlening noodzakelijk is (jongvolwassen starters in de jeugdhulpverlening; artikel 1, eerste lid, onder b, onder 4, WJHV).

De Adviescommissie Wet op de Jeugdzorg stelt voor om in de nieuwe Wet op de jeugdzorg geen leeftijdsgrens op te nemen. Evenals de Adviescommissie onderkennen wij dat het hanteren van leeftijdsgrenzen arbitrair kan zijn en kan leiden tot overgangsproblematiek. De voor- en nadelen van het wel of niet opnemen van een leeftijdsgrens en de daaruit voortvloeiende consequenties verdienen naar onze mening nadere bestudering.

In het kader van de voorbereiding van de voorgenomen Wet op de jeugdzorg zal dan ook geïnventariseerd worden waar in de huidige wet- en regelgeving jeugdzorgbreed leeftijdsgrenzen worden gehanteerd en of die grenzen ook objectief gerechtvaardigd zijn. In ieder geval zal, indien in de Wet op de jeugdzorg leeftijdsgrenzen worden geïntroduceerd, steeds weer worden nagegaan of voor het gebruik van een leeftijdscriterium een voldoende draagkrachtige motivering bestaat en of de keuze van de hoogte van de leeftijdsgrens voldoende wordt gemotiveerd.

Dit is conform de lijn als neergelegd in het Nader kabinetsstandpunt inzake het Rapport Leeftijdsgrenzen in wet- en regelgeving van 2 maart 1998 (Kamerstukken II, 1997-1998,

25 938, nrs. 1-3).

Kan een overzicht worden gegeven van de salarisniveaus van de verschillende functies in de gehele jeugdzorg?

Bijgaand treft u een kopie aan van de salarisregeling uit de CAO-Jeugdhulpverlening.*)

Kan een overzicht worden gegeven van de te verwachten personeelstekorten in de gehele jeugdzorg?

De werkgeversvereniging VOG heeft desgevraagd op zich genomen om op dit punt meer helderheid te verschaffen. Die nadere informatie zal in de korte en de langere termijn worden onderscheiden. Op de korte termijn spelen namelijk twee incidentele effecten:

Een tijdelijke extra vraag naar personeel als gevolg van de herbezetting van de verkorting van de werkweek van gemiddeld 38 uur naar gemiddeld 36 uur.

Een tijdelijke extra vraag naar personeel als gevolg van de herbezetting van de roosters omdat de slaapdiensten in het kader van de ATW niet langer meer als eigen tijd gelden, maar als werktijd.

Deze incidentele effecten vergen uiteraard andere oplossingen dan eventuele structurele effecten.

Overigens is onlangs het kader van de jaarlijks te verschijnen Rapportage Arbeidsmarkt Zorgsector (RAZ), opgesteld door Nivel, NZI en OSA, verbreed met welzijn tot een RAZW (Rapportage Arbeidsmarkt Zorg en Welzijn). Dat zal op een gestructureerde wijze een beter inzicht kunnen verschaffen in arbeidsmarktgegevens en -tendensen in het welzijnsveld

(verder wordt ook verwezen naar het antwoord op vraag 28)

Wat is de stand van zaken met betrekking tot de oprichting van de Bureaus Jeugdzorg?

Uit de rapportage «Bureaus Jeugdzorg & AMK's. Een stand van zaken» (per brief DJB/JHV-2004645 d.d. 19 oktober 1999 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer aangeboden) blijkt dat er (nog) geen eenduidig beeld is ten aanzien van de oprichting van de Bureaus Jeugdzorg (BJZ). De Meerjarenafspraken 2000-2002, inclusief de daarbij behorende intensiveringsmiddelen, moeten ertoe bijdragen dat de komende jaren overal volwaardig functionerende BJZ's ontstaan.

Kan een overzicht worden gegeven van de wachtlijsten voor de verschillende vormen van jeugdzorg?

In de loop van 1998 bent u geïnformeerd over de wachtlijstproblematiek in de jeugdzorg. Hiervoor is een quick scan uitgevoerd. Op dit moment is er geen actueel overzicht van de wachtlijsten in de jeugdzorg omdat deze gegevens nog niet op een eenduidige wijze en structureel worden verzameld.

Wat is de stand van zaken met betrekking tot het onderzoek naar zwerfjongeren dat eind dit jaar gereed zou zijn?

Op dit moment wordt het onderzoek naar zwerfjongeren afgerond. Het onderzoek is uitgevoerd door het Bonger Instituut van de Universiteit van Amsterdam. Naar verwachting zal een concept-rapportage van het onderzoek eind december gereed zijn.

*) Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie

1) Samenstelling:

Leden

Van der Vlies (SGP)

Swildens-Rozendaal (PvdA), ondervoorzitter

Bijleveld-Schouten (CDA)

Middel (PvdA)

Essers (VVD), voorzitter

Oedayraj Singh Varma (GroenLinks)

Dankers (CDA)

Oudkerk (PvdA)

Lambrechts (D66)

Rijpstra (VVD)

Rouvoet (RPF)

Van Vliet (D66)

Van Blerck-Woerdman (VVD)

Passtoors (VVD)

Eisses-Timmerman (CDA)

Gortzak (PvdA)

Hermann (GL)

Buijs (CDA)

Atsma (CDA)

Arib (PvdA)

Spoelman (PvdA)

Kant (SP)

E. Meijer (VVD)

Van der Hoek (PvdA)

Blok (VVD)

Plv. leden

Van 't Riet (D66)

Rehwinkel (PvdA)

Eurlings (CDA)

Apostolou (PvdA)

Orgü (VVD)

Van Gent (GroenLinks)

Van de Camp (CDA)

Noorman-den Uyl (PvdA)

Ravestein (D66)

Weekers (VVD)

Schutte (GPV)

Schimmel (D66)

Terpstra (VVD)

Udo (VVD)

Visser-van Doorn (CDA)

Belinfante (PvdA)

Harrewijn (GroenLinks)

Ross-van Dorp (CDA)

Th.A.M. Meijer (CDA)

Duijkers (PvdA)

Smits (PvdA)

Marijnissen (SP)

O.P.G. Vos (VVD)

Hamer (PvdA)

Cherribi (VVD)


2) Samenstelling:

Leden

Van de Camp (CDA)

Biesheuvel (CDA)

Swildens-Rozendaal (PvdA)

Scheltema-de Nie (D66)

Kalsbeek-Jasperse (PvdA)

Zijlstra (PvdA)

Apostolou (PvdA)

Middel (PvdA)

Van Heemst (PvdA), voorzitter

Dittrich (D66), ondervoorzitter

Rabbae (GL)

Rouvoet (RPF)

Van Oven (PvdA)

O.P.G. Vos (VVD)

Van Wijmen (CDA)

Patijn (VVD)

De Wit (SP)

Ross-van Dorp (CDA)

Niederer (VVD)

Nicolaï (VVD)

Halsema (GL)

Weekers (VVD)

Van der Staaij (SGP)

Wijn (CDA)

Brood (VVD)

Plv. leden

Balkenende (CDA)

Verhagen (CDA)

Wagenaar (PvdA)

Van Vliet (D66)

Arib (PvdA)

Duijkers (PvdA)

Kuijper (PvdA)

Albayrak (PvdA)

Barth (PvdA)

Hoekema (D66)

Karimi (GL)

Schutte (GPV)

Santi (PvdA)

Van den Doel (VVD)

Rietkerk (CDA)

Rijpstra (VVD)

Marijnissen (SP)

Buijs (CDA)

Van Baalen (VVD)

Van Blerck-Woerdman (VVD)

Oedayraj Singh Varma (GL)

De Vries (VVD)

Van Walsem (D66)

Eurlings (CDA)

Kamp (VVD)

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie