Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Kamercommissie over Hoger onderwijs en Onderzoek plan 2000

Datum nieuwsfeit: 17-01-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

26807000.003 lijst vr-antw hoger onderwijs en onderzoek plan 2000 Gemaakt: 19-1-2000 tijd: 14:1

72

26 807 Hoger Onderwijs en Onderzoek Plan 2000

nr. 3 Lijst van vragen en antwoorden

Vastgesteld 17 januari 2000

Bij brief van 21 september 1999 heeft de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, mede namens de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, de Tweede Kamer geïnformeerd over het ontwerp-Hoger Onderwijs en Onderzoek Plan 2000. De vaste Commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen 1) heeft naar aanleiding van het rapport de navolgende vragen aan de regering gesteld en daarop de navolgende antwoorden ontvangen.

De voorzitter van de commissie,

Van der HoeHHoH

Hoeven

De griffier voor deze lijst,

Atkins


1

Is bij het opstellen van het ontwerp-Hoger Onderwijs en Onderzoek Plan 2000 (HOOP 2000) rekening gehouden met de Emancipatie Effect Rapportage? Zo ja, kunnen deze EER-effecten van de voorstellen in het HOOP 2000 alsnog naar de Kamer gestuurd worden?

Op de voorstellen uit het ontwerp-HOOP 2000 is geen Emancipatie Effect Rapportage uitgevoerd.


2

`De arbeidsmarkt vraagt om zoveel hoger opgeleiden dat hier en daar al tekorten optreden'. Kan de regering aangeven waar dat nu al zo is?

Sectoren waar nu reeds sprake is van tekorten aan hoger opgeleiden zijn het onderwijs, de zorg en de commerciële dienstverlening (bijvoorbeeld IT-bedrijven, verzekeringsmaatschappijen, communicatiebedrijven en banken). Als bron hiervoor is genomen de rapportage van het CBS over openstaande vacatures. In het tweede kwartaal van 1999 waren er 180.000 openstaande vacatures, waarvan circa de helft moeilijk vervulbaar. Op grond van het percentage vacatures en het aandeel moeilijk vervulbare vacatures, in combinatie met de gevolgen van een openstaande vacature (de gevolgen van een openstaande vacature in het onderwijs zijn veel directer merkbaar dan binnen een ministerie), kunnen de genoemde sectoren als zorgwekkend worden betiteld.


3

Welke cijfers hanteert de regering ten aanzien van de bestaande en te verwachte tekorten aan hoger opgeleiden (uitgesplitst naar sector)?

Wat betreft de bestaande tekorten wordt verwezen naar het antwoord op de vorige vraag.

Bij de verwachte tekorten wordt uitgegaan van de ROA-prognoses. Het is niet mogelijk per sector het verwachte tekort te kwantificeren. Dit komt doordat bij tekorten substitutie-effecten een belangrijke rol spelen, tekorten in de ene sector zullen leiden tot instroom uit andere sectoren. Daarnaast is de arbeidsmarkt zeer conjunctuurgevoelig en is er een grote mate van zowel vraag- als aanbodelasticiteit. Wel is aan te geven waar de grootste knelpunten worden verwacht.

Zeer grote knelpunten verwacht het ROA in 2004 in de volgende sectoren:

? handel en reparatie (HBO informatica, HBO accountancy en bedrijfseconomie en WO econometrie),

? het bankwezen (HBO informatica, HBO accountancy en bedrijfseconomie en WO econometrie),

? zakelijke dienstverlening (HBO lerarenopleiding economie en maatschappij, HBO informatica, HBO accountancy en bedrijfseconomie, HBO recht en bestuur, WO informatica en bestuurlijke informatiekunde, WO econom(etr)ie, WO bedrijfskunde, WO accountancy en belastingen)

? overige commerciële dienstverlening ( HBO bibliotheek en documentatie)

? gezondheidszorg (MBO verpleging, HBO lerarenopleiding basisonderwijs, HBO lerarenopleiding economie en maatschappij)

? onderwijs (HBO lerarenopleiding basisonderwijs, HBO lerarenopleiding economie en maatschappij)

? overheid ((HBO lerarenopleiding basisonderwijs, HBO informatica, HBO accountancy en bedrijfseconomie, HBO recht en bestuur, HBO bibliotheek en documentatie, WO econom(etr)ie, WO accountancy en belastingen).


4

`De voordelen van het binaire stelsel dienen gekoesterd te worden'. Is in het licht van de positieve ontwikkeling dat het aanbod van hoger onderwijs verder differentieert en flexibiliseert het vasthouden aan de structuur van het binaire stelsel nog wel houdbaar?

Ja. Het onderscheid tussen hoger beroepsonderwijs en wetenschappelijk onderwijs is een belangrijke vorm van differentiatie in het Nederlandse hoger onderwijs die aansluit bij de vooropleiding van studenten en de behoefte op de Nederlandse arbeidsmarkt.


5

Studenten vragen daarbij om meer gevarieerde leerwegen ..... Daarnaast willen zij onderdelen van het onderwijs in het buitenland volgen". Beschikt het ministerie over cijfers om hoeveel studenten het gaat die gevarieerde leerwegen willen volgen en/of naar het buitenland willen gaan? Zo ja, over wat voor een percentage van de totale studentenpopulatie spreken we dan? Zo nee, waarom niet?

Uit het SEO/SCO onderzoek "Determinanten van de deelname" (1999) blijkt dat van de hbo studenten 40% stage in het buitenland wil lopen en 27% onderwijs in het buitenland wil volgen. Voor het wo is dit 64 en 52%.

Het percentage studenten dat een gevarieerde leerweg wil volgen is niet beschikbaar. Wel komt uit het SEO/SCO onderzoek naar voren dat studenten die zijn gestopt met studeren in de toekomst bij een (vervolg)studie de voorkeur geven aan een combinatie van theorie en praktijk.


6

Zijn er buitenlandse universiteiten die zich willen vestigen in Nederland?

Er zijn op dit moment geen buitenlandse instellingen van hoger onderwijs in Nederland die zijn aangewezen op grond van hoofdstuk 6 van de WHW. Wel zijn er verschillende buitenlandse instellingen van hoger onderwijs die een vestiging hebben in Nederland. Bekende voorbeelden zijn onder meer de Delta University, Webster University en de Phoenix University. De meeste buitenlandse instellingen van hoger onderwijs in Nederland zijn Amerikaanse instellingen. De doelgroep is verschillend. Bij de Delta University en de Webster University gaat het ook om undergraduate onderwijs. De Phoenix University richt zich in Nederland tot dusver vooral op postinitiële MBA-opleidingen.


7

Werven buitenlandse universiteiten al Nederlandse studenten?

Ja. Aan de ene kant gaat het om in Nederland gevestigde buitenlandse universiteiten, zoals in het antwoord op vraag 6 aangegeven. Aan de andere kant ontwikkelt zich in het hoger onderwijs een internationale onderwijsmarkt, waarop vooral landen zoals de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en Australië zich profileren als «exporteurs» van hoger onderwijs. Deze export neemt de vorm aan van internationale werving onder meer ook van Nederlandse studenten.


8

Hoe ver zijn de andere landen met de uitvoering van de voornemens uit de Bologna verklaring?

In alle landen krijgt de uitwerking van de Bologna verklaring grote aandacht. In 2001 zullen de landen die de Bologna verklaring hebben ondertekend in Praag bijeenkomen om na te gaan hoe de situatie zich heeft ontwikkeld. Op een bijeenkomst in Helsinki eind november 1999, georganiseerd door Finland, toenmalig voorzitter van de EU, zijn afspraken gemaakt over een werkprogramma (seminars, studies) gericht op de bijeenkomst in Praag. Afgesproken is dat een Stuurgroep (met daarin onder andere de EU troika landen Finland, Portugal, Zweden en de organisator van de bijeenkomst in 2001 Tsjechië) verantwoordelijk is voor de uitvoering van het werkprogramma.

De feitelijke situatie in West-Europa is dat een twee-cyclimodel niet breed voorkomt. Voorbeelden waar dat wel het geval is zijn (met uitzondering van het Verenigd Koninkrijk) Denemarken en Duitsland. In Denemarken is in 1988 een bachelorfase als onderdeel van universitaire opleidingen ingevoerd. In Duitsland is het sinds de wijziging van de wet in augustus 1998 mogelijk naast de bestaande ongedeelde programma's aan universiteiten en Fachhochschulen ook opleidingen met een bachelor-masteropbouw vorm te geven. Meer dan 300 opleidingen maken daar nu gebruik van. Zoals bekend is het ook in Nederland sinds september 1998 mogelijk binnen universitaire opleidingen een kandidaatsfase te onderscheiden, equivalent aan het bachelorniveau.


9

Is het de bedoeling dat de postinitiële masteropleidingen van hogescholen, universiteiten en particulieren uiteindelijk allen onder dezelfde accreditatie zullen vallen?

Ja, het streven is dat op termijn alle postinitiële masteropleidingen van aangewezen en bekostigde instellingen aan accreditatie zijn onderworpen. De wijze waarop wordt nader uitgewerkt binnen het kader van de systematiek van accreditatie. Hiervoor verwijs ik u naar mijn brief van 22 december 1999.


10

Aan welke termijn wordt gedacht met betrekking tot accreditatie van postinitiële masteropleidingen? Welke stappen moeten daar volgens de regering aan vooraf gaan?

Ik zie de registratie van de postinitiële masteropleidingen op basis van het voldoen aan een aantal kwalitatieve criteria als een eerste en noodzakelijke stap in een groeimodel naar accreditatie van de postinitiële masteropleidingen. De accreditatie van postinitiële masteropleidingen zal in samenhang met de accreditatiesystematiek zoals beschreven in mijn brief van 22 december 1999 verder worden ontwikkeld.


11

Wanneer wordt het register voor postinitiële masteropleidingen ingesteld?

De accreditatie van postinitiële masteropleidingen zal in samenhang met de accreditatiesystematiek zoals beschreven in mijn brief van 22 december 1999. verder worden ontwikkeld. Naar verwachting zal een nader uitgewerkt voorstel rond 1 mei gereed zijn.


12

Wanneer wenst / denkt de regering het toezicht op de instellingen onafhankelijker gepositioneerd te hebben? Is het de intentie van de regering om de deregulering en het onafhankelijk toezicht min of meer gelijktijdig in te voeren?

Een onafhankelijker positionering van het toezicht op instellingen zal vorm krijgen in het verlengde van mijn voornemens om te komen tot accreditatie in het hoger onderwijs, zoals geschetst in mijn brief van 22 december 1999. Nadere uitwerking van het systeem van accreditatie zal plaatsvinden in mei 2000. De resultaten zullen zoveel mogelijk worden meegenomen in de zogeheten Wet op het Onderwijstoezicht, waarin de voornemens uit de nota Variëteit en Waarborg worden uitgewerkt. De voorgenomen planning is dit wetsvoorstel begin 2001 aan de Tweede Kamer aan te bieden.

Na vaststelling van het HOOP 2000 ben ik voornemens om zo spoedig mogelijk een wetsvoorstel deregulering aan te bieden, waarin de verschillende voornemens van deregulering die zijn uitgewerkt in het ontwerp-HOOP zijn opgenomen. Naar verwachting zal het wetsvoorstel in de zomer van 2000 worden ingediend.

Voorzover beide wetsvoorstellen elkaar inhoudelijk raken, zal uiteraard aandacht besteed worden aan de onderlinge samenhang. Daarbij is het overigens zeker niet zo dat deregulering in alle gevallen direct gepaard gaat met nauwer toezicht. Er zijn - ook in het hoger onderwijs - nog veel wettelijke bepalingen waarvan deregulering mogelijk is, zonder dat dit consequenties moet hebben voor het toezicht.


13

Er zal een register voor postinitiële masteropleidingen worden ingesteld. Op termijn zal wellicht accreditatie als voorwaarde voor registratie worden gesteld. Waarom wordt gewacht met de voorwaarde voor accreditatie voor registratie? Zal het register beperkt worden tot door de overheid bekostigde instellingen? Kan bij de ontwikkeling van accreditatie van masteropleidingen worden aangesloten bij het systeem van validering van de Dutch Validation Council? Wat is de betekenis van het aanleggen van een register zonder enig kwaliteitsonderscheidend criterium?

In mijn brief van 22 december 1999. heb ik aangegeven op welke wijze een systeem van accreditatie vorm kan krijgen. Daarin is aangegeven dat postinitiële masteropleidingen niet behoren tot het wettelijke geregelde onderwijs, maar wel onderworpen zullen worden aan accreditatie. De accreditatie zal daarbij niet beperkt worden tot opleidingen van bekostigde instellingen. Bij de ontwikkeling van accreditatie van masteropleidingen zullen de ervaringen van de Dutch Validation Council worden gebruikt.


14

Wordt in het voorgenomen register voor postinitiële masteropleidingen een kwaliteitsonderscheidend criterium gehanteerd?

Er zal in tweeërlei opzicht een kwaliteitsonderscheidend criterium worden gehanteerd. In de eerste plaats zal, zoals aangegeven in het ontwerp-HOOP, registratie van de postinitiële masteropleidingen in ieder geval inzicht dienen te verschaffen in de volgende zaken:


- entreeniveau


- aanwezigheid van een substantiële studieduur of studielast


- de kwaliteitszorg


- voorzieningen.

In de tweede plaats zullen geregistreerde opleidingen op termijn worden geaccreditereerd, hetgeen er ook toe kan leiden dat de opleiding zijn registratie verliest. In mei 2000 zal ik met een nader uitgewerkt voorstel komen voor accreditatie in het hoger onderwijs met daarin opgenomen de accreditatie van de postinitiële masteropleidingen.


15

Welke instantie gaat de uitvoering van de voornemens uit het HOOP evalueren?

De evaluatie zal op de gebruikelijke wijze worden aanbesteed. Dat betekent, dat een aantal onderzoekbureaus gevraagd zal worden een offerte uit te brengen. Bij de programmering van het beleidsgerichte onderzoek zal met deze evaluatie rekening worden gehouden. De evaluatie zal overigens eerst in 2003 plaatsvinden.


16

Welke vorm zou een internationale of nationale accreditatie moeten krijgen? Aan welke criteria denkt regering?

In mijn brief van 22 december 1999 schets ik de hoofdlijnen van een systeem van accreditatie voor het Nederlandse hoger onderwijs. In mei zal ik met nader uitgewerkte voorstellen komen. Internationale accreditatie zal in samenwerking en afstemming met buitenlandse partners nader vorm gegeven worden.


17

Welke maatregelen worden overwogen om het stelsel van externe kwaliteitszorg onafhankelijker te maken?

In het in mijn brief van 22 december geschetste systeem van accreditatie is het streefbeeld dat de organisaties die verantwoordelijk zijn voor accreditatie zowel ten opzichte van de deelnemende instellingen als de overheid een onafhankelijke positionering kennen.


18

Wordt gestreefd naar een nationale accreditatie als aanvulling op het huidige stelsel van kwaliteitszorg?

Ja, de beoogde accreditatie is een aanvulling op het bestaande stelsel van kwaliteitszorg.


19

Waarom vergen de ontwikkelingen in de informatie- en communicatietechnologie in de vorm van `virtueel' hoger onderwijs een nader bezinning op de positie van de Open Universiteit Nederland?

Er zijn verschillende aanleidingen voor bezinning op de positie van de Open Universiteit Nederland (OUNL):


1. De belangstelling van studenten voor het onderwijs van de OUNL vertoont al jaren een dalende trend.


2. De oorspronkelijk specifieke doelgroep, de tweedekansstudent, vormt maar een klein deel van het totaal aan studenten. Het aantal studenten dat gebruik maakt van de OUNL-faciliteiten voor het volgen een extra (deel)studie neemt toe. In samenhang daarmee en het algemeen stijgende opleidingsniveau in Nederland is de verwachting dat de groep tweedekansstudenten absoluut en relatief verder in omvang zal afnemen.

3. Op het terrein van virtueel (hoger) onderwijs gaan de ontwikkelingen snel. Alle universiteiten, hogescholen en de particuliere onderwijssector zijn actief ict in hun onderwijs te integreren. Voorbeelden van de ontwikkeling van virtuele leeromgevingen in het hoger onderwijs worden gegeven in het antwoord op vraag 253. Er is derhalve sprake van een groeiende concurrentie. Met de opkomst van virtueel hoger onderwijs zal naar verwachting sprake zijn van integratie van contactonderwijs en afstandsonderwijs.


4. De ontwikkelingen op ict-gebied bieden ook nieuwe mogelijkheden voor afstands-educatie buiten het hoger onderwijs.

Genoemde ontwikkelingen, waaronder ict, zetten de bijzondere positie van de OUNL onder toenemende druk wat een herbezinning op de positie noodzakelijk maakt.


20

Welk alternatief verdergaand perspectief (naast voucherbekostiging) bestaat er voor de bekostiging van het hbo?

Met het verdergaand perspectief, zoals vermeld in het ontwerp-HOOP
2000, wordt de voucherbekostiging - als vorm van vraagfinanciering - bedoeld. Voor de lijnen waarlangs dit verdergaand perspectief nadere uitwerking krijgt, verwijs ik naar mijn brief van 22 december 1999.


21

Is de regering voornemens het Wetenschapsbudget in de toekomst op te nemen in het HOOP?

Nee. Het Wetenschapsbudget geeft de hoofdlijnen voor het te voeren wetenschapsbeleid en heeft ook betrekking op andere instellingen dan universiteiten. Het HOOP heeft betrekking op het beleid met betrekking tot universiteiten en hogescholen en geeft voor het universitaire onderzoek een nadere uitwerking van de voorstellen uit het Wetenschapsbudget. Dat betekent dat er - zoals nu ook reeds het geval is - goede afstemming zal plaatsvinden tussen de voorstellen uit het Wetenschapsbudget en het HOOP.


22

Waarom wordt de cyclus van het HOOP verlengd tot 4 jaar? Welke voordelen heeft deze verlenging? Binnen welke termijn komt het wetsvoorstel dat deze verlenging een wettelijke grondslag geeft naar de Kamer?

Dit is overeengekomen in het regeerakkoord. Het desbetreffende wetsvoorstel is eind november 1999 aangeboden aan uw Kamer.


23

Is een privaatrechtelijke status/bestuursvorm voor alle universiteiten nog onderwerp van gesprek geweest? Zo ja, welke posities namen partijen hierbij in?

Neen.


24

Is het bestuurlijk formeel overleg over het HOOP inmiddels afgerond en krijgt de Tweede Kamer het resultaat van dit overleg nog voor het nota-overleg, gepland op 24 januari toegestuurd?

Het overleg is inmiddels afgerond. De verslagen hiervan en de conclusies die ik hieruit getrokken heb, zijn u op 22 december 1999 toegestuurd.


25

Krijgt de Tweede kamer een overzicht van de stand van zaken naar aanleiding van alle aangekondigde overleggen, werkgroepen, voorverkenningen, aangevraagde onderzoeken?

Op 22 december 1999 heb ik u de verslagen van de gevoerde overleggen met VSNU, HBO-raad, PAEPON, LSVb, ISO, VNO-NCW, MKB-Nederland en de io-instellingen en de conclusies die ik daaruit heb getrokken toegezonden. Dit geldt ook voor de adviezen van de Onderwijsraad, de AWT en ECHO. Tijdens het overleg zijn in het bijzonder afspraken gemaakt over het opleidingenaanbod, deregulering, kwaliteit en accreditatie, de Bologna-verklaring, maatschappelijke behoefte aan hoger onderwijs, keuzegids hoger onderwijs, bekostigingsmodel hbo, vouchers en deelsectoren.


26

Wat heeft het nationaal actieprogramma een leven lang leren tot nu toe bereikt?

Uitwerking van het actieprogramma Een Leven Lang Leren heeft plaatsgevonden in verschillende beleidstrajecten:

? Aan flexibilisering van hoger onderwijs en postinitiële scholing is uitwerking gegeven in het ontwerp-HOOP 2000.

? Flexibilisering van de studiefinanciering is uitgewerkt in de nota «Flexibele studiefinanciering, een stelsel dat past».

? De Employability-agenda bevat voorstellen voor versterking van employability van werknemers, zoals erkenning van elders verworven competenties (EVC), invoering van het keurmerk Investors In People, employability-adviseurs, versterking van werkend leren en bestrijding van voortijdig schoolverlaten. Over dat laatste onderwerp is het Plan van aanpak voortijdig schoolverlaten uitgebracht.

? Aan de samenwerking beroepsonderwijs - bedrijfsleven wordt uitwerking gegeven via de Kaderregeling Technocentra (Staatscourant
141, 27 juli 1999).

? Met ingang van 1999 is een budget oplopend naar f 210 miljoen structureel beschikbaar voor beloningsdifferentiatie voor docenten in het primair- en voortgezet onderwijs en docenten in het beroepsonderwijs en volwasseneneducatie.

In de notitie over een integrale aanpak van knelpunten op de arbeidsmarkt, die het kabinet dit voorjaar zal uitbrengen, zal een leven-lang-leren een belangrijke rol spelen. Immers, scholing is cruciaal voor zowel versterking van de positie van individuen op de arbeidsmarkt als voor bestrijding van de dreigende tekorten aan middelbaar en hoger opgeleiden.

Meer in het algemeen heeft het actieprogramma Een Leven Lang Leren bijgedragen aan brede bewustwording van het gegeven dat blijven leren op latere leeftijd een noodzaak is. Dit is met name ook het geval bij sociale partners, die - zoals ook is aangegeven in het nationaal actieprogramma - primair verantwoordelijk zijn voor postinitiële scholing.


27

'Met de deelname aan het hoger onderwijs volgt Nederland de internationale trend'. Hoe zit het met de afvallers in het hoger onderwijs, scoort Nederland daarmee hoger, gemiddeld of lager?

Figuur 17, op pagina 143 van het ontwerp-HOOP laat zien dat in Nederland het rendement van het hoger onderwijs ongeveer 70 % is. De uitval is dus ongeveer 30 %. Nederland neemt hiermee een gemiddelde positie in, in vergelijking met de andere in deze figuur genoemde landen.


28

`In de technische sector bedraagt het aantal vrouwen dat is ingeschreven 16%'. Kan de ontwikkeling van dit percentage worden aangegeven?

De onderstaande tabel geeft een beeld van de ontwikkeling van het percentage vrouwen in de sector techniek van het hoger onderwijs.

HBO eerstejaars


1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998

% vrouwen techniek 16,3 15,3 15,8 16,5 16,5 15,7 16,9

% vrouwen totaal 51,2 50,8 51,9 51,4 52,2 52,6 52,8

HBO ingeschrevenen


1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998

% vrouwen techniek 14,0 14,2 14,5 14,8 15,4 15,5 15,9

% vrouwen totaal 48,8 49,1 49,7 49,7 50,4 50,8 51,2

WO eerstejaars


1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998

% vrouwen techniek 14,6 16,0 16,6 16,0 17,2 17,5 17,4

% vrouwen totaal 46,4 46,8 47,2 46,9 48,3 48,6 49,6

WO ingeschrevenen


1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998

% vrouwen techniek 14,8 15,8 16,6 17,0 16,8 17,0 17,2

% vrouwen totaal 45,7 46,1 46,7 47,1 46,4 46,6 47,1


29

Kan de regering toelichten wat de achterliggende reden is van de afnemende belangstelling voor deelname aan het deeltijdonderwijs en de Open Universiteit Nederland (OUNL) en wat kan eraan gedaan worden om deze tendens tegen te gaan?

Op de eerste plaats kan verwezen worden naar de toelichting en grafiek op p. 137 van het ontwerp-HOOP. De afnemende belangstelling voor het reguliere deeltijdonderwijs en de OUNL sinds het begin van de jaren tachtig is vooral te verklaren door de sterk toegenomen belangstelling voor het voltijd onderwijs, een tendens die moeilijk kan worden tegengehouden.

Overigens neemt de laatste jaren de belangstelling voor met name het deeltijd hbo weer toe. De instroom in het deeltijd hbo bestaat vooral uit mensen van boven de dertig met een mbo-opleiding.


30

Heeft de stichting HOVO (Hoger Onderwijs voor Ouderen) al in kaart gebracht hoe hoog de koopkrachtige vraag onder ouderen naar gelieerde cursussen aan hogescholen en universiteiten is? Zo ja, kan de Kamer op de hoogte gebracht worden van hun bevindingen? Hoe kan verzekerd worden dat het hoger onderwijs voor ouderen voor iedereen betaalbaar blijft in de toekomst?

In zijn eerste deelrapport «De marktpositie van HOVO; een onderzoek naar de kenmerken en omvang van de HOVO-doelgroep en de belemmeringen voor deelname.» heeft het Rotterdams Instituut voor Sociaal Wetenschappelijk BeleidsOnderzoek (RISBO) in opdracht van de Vereniging HOVO-Nederland niet zozeer aandacht besteed aan de hoogte van de koopkrachtige vraag van ouderen als wel aan de vraag onder ouderen naar hoger onderwijs voor ouderen. Voorzover de inkomenspositie van ouderen in relatie tot hun deelname aan onderwijs aan de orde komt is de verwachting dat de trendmatige stijging van Nederlandse inkomens - die ook geldt binnen de groep ouderen - zal leiden tot een groei van de educatieve markt. De onderzoekers verwachten dat de HOVO-doelgroep (i.c. de 50-plussers) in de periode tussen 1985 en 2030 gemiddeld zal verdubbelen en haar opleidingsniveau zal aanzienlijk stijgen.

Het RISBO heeft expliciet gevraagd naar de prijs/kwaliteitsverhouding als één van de mogelijke belemmeringen voor het volgen van een HOVO-cursus: meer dan éénderde van de in HOVO geïnteresseerden geeft aan de cursussen te duur te vinden. Geldgebrek wordt in het algemeen echter nauwelijks genoemd als een belemmering.

In de deelrapporten resulterend uit de tweede en derde onderzoeksfase zullen de inbedding van het HOVO in de desbetreffende organisaties, de kwaliteitszorg en kwaliteitswaarborgen aan de orde komen.


31

Is er verband tussen het lage percentage vrouwen in de technische sector en het grote tekort aan studenten in dezelfde sector? Hoe ontwikkelt de relatieve deelname van vrouwen zich de laatste jaren bij bèta- en technische opleidingen?

Zie het antwoord op vraag 28.


32

Onderstaande tabel geeft de ontwikkeling van het aantal tweede kans studenten bij de OUNL aan. Een tweede kans student is gedefinieerd als degene die bij aanmelding als student bij de OUNL geen wo- of hbo opleiding heeft voltooid.

Kalenderjaar studenten 2e kans studenten totaal 2e kans als %


1991 17254 36171 47,7%


1992 17133 36531 46,9%


1993 15224 33024 46,1%


1994 12905 28176 45,8%


1995 12091 26171 46,2%


1996 10548 22683 46,5%


1997 9300 23524 39,5&


1998 8530 21856 39,0%

Uit de tabel blijkt dat het aantal tweede-kansstudenten gedurende een reeks van jaren een dalende lijn laat zien, zowel in absolute als in relatieve zin.

De bekostiging per student aan de OUNL laat zich moeilijk vergelijken met de bekostiging van andere studentengroepen. In de eerste plaats komen studenten bij de OUNL, net zoals de deeltijdstudenten bij de andere universiteiten, niet in aanmerking voor studiefinanciering op grond van de WSF. Wel kent de OUNL een eigen ondersteuningsregeling voor minder draagkrachtige studenten. Deze regeling houdt een tegemoetkoming in voor de directe studiekosten, niet voor de kosten van het levensonderhoud. Voorts moet rekening worden gehouden met het feit dat studenten bij de OUNL doorgaans in deeltijd studeren, waarbij de studie intensiteit zeer wisselend is. Velen schrijven zich in voor niet meer dan een of enkele studiemodules, andere studenten hebben een intensief studiepatroon. Systematische gegevens over de studie-intensiteit per persoon zijn niet beschikbaar.

Wat betreft de bekostiging wordt verder verwezen naar vraag 262.


33

Naar welke onderwijssoorten zal de scholingsvraag van werkenden vooral uitgaan? (wo of hbo en welke opleidingen / modules)?

In de voorbereiding op het ontwerp-HOOP 2000 heeft KPMG Bureau voor Economische Argumentatie onderzoek gedaan naar vraag en aanbod op het gebied van contractonderwijs. Daarbij zijn werkgevers in zes branches van het Nederlandse bedrijfsleven geënquêteerd, die samen ongeveer 60% van de Nederlandse beroepsbevolking bestrijken. Uit dit onderzoek blijkt dat het bedrijfsleven vooral particuliere opleidingsinstituten en brancheorganisaties inschakelt voor aanvullende hogere opleidingen. Het marktaandeel van bekostigde universiteiten en hogescholen gezamenlijk bedraagt ca 20%. De komende 10 jaar verwachten de bedrijven de grootste behoefte aan hogere opleidingen op het terrein van management, techniek, marketing (commerciële opleidingen) en ARBO-zorg en personeelszaken. In het huidige aanbod aan contractonderwijs - van bekostigde en niet-bekostigde instellingen voor hoger onderwijs- ligt de nadruk op de sectoren economie, gezondheid en gedrag, recht, onderwijs, landbouw en maatschappij en techniek


34

Hoe werkt het feit dat het aanbod van hoger onderwijs voor ouderen niet is gericht op het doorlopen van een volledige opleiding door in de bekostiging?

Daar het HOVO een niet vanwege de overheid bekostigde vorm van onderwijs is, zijn er geen consequenties voor de bekostiging.


35

Wat is de relatie tussen de op pagina 14 staande zin «bezinning op de positie van de Open Universiteit Nederland» en de hier geformuleerde zin «de vraag naar voortgezette scholing op latere leeftijd neemt toe om de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt te versterken»?

Zie het antwoord op vraag 19.


36

Kan de regering inzicht geven in de vertegenwoordiging van vrouwen in de niet-technische sectoren natuurwetenschappen (wiskunde, informatica, natuur- en sterrenkunde en scheikunde) en economie en econometrie?

De percentages vrouwen in de instroom 1998 naar de genoemde en nauw verwante opleidingen zijn:

WO wiskunde 28%

WO informatica 9%

WO natuurkunde 10%

WO sterrenkunde 21%

WO scheikunde 28%

WO economie 27%

WO econometrie 30%

HBO accountancy 33%

HBO bedrijfseconomie 32%

HBO bedrijfskundige informatica 13%

HBO commerciële economie 35%

HBO fiscale economie 37%

HBO hogere informatica 6%

Opvallend is vooral de relatief geringe deelname aan informatica.


37

Vindt de regering dat het hoger onderwijs voor ouderen een erkende taak moet zijn van alle instellingen van hoger onderwijs en dat de overheid daarvoor de voorwaarden moet scheppen?

De regering beschouwt het hoger onderwijs voor ouderen als een vorm van contractonderwijs. Instellingen van hoger onderwijs kunnen zich desgewenst - in het kader van hun taak maatschappelijke dienstverlening - op die markt begeven en al dan niet allianties aangaan met bestaande HOVO-stichtingen en `Seniorenacademies'. De voorwaarden daartoe zijn in voldoende mate aanwezig.


38

Heeft de stichting HOVO de vraag van ouderen al in kaart gebracht? Zo ja, wat zijn de resultaten?

Zie het antwoord op vraag 30. De Vereniging HOVO-Nederland zal in vervolg op het RISBO-onderzoek een `businessplan' opstellen met aandacht voor kwaliteitszorg en -criteria.


39

Worden de in gang gezette initiatieven (majors/minors, vernieuwing bèta-opleidingen geëvalueerd?

Vernieuwingen worden in het algemeen beoordeeld via de reguliere kwaliteitszorg. Voor de vernieuwing van de bèta-opleidingen is in het kader van het Bèta-convenant afgesproken dat deze in 2002 geëvalueerd zullen worden.


40

Het overschot aan hoger opgeleiden heeft de afgelopen jaren soms geleid tot een inflatie van het diploma (voor dezelfde functie werden steeds hogere scholingseisen gesteld). Leidt het tekort aan hoger opgeleiden nu tot een tegenovergestelde ontwikkeling?

Nee. Het feit dat de scholingseisen voor bepaalde functies zijn toegenomen is slechts voor een gering deel veroorzaakt door de aanwezigheid van een overschot aan hoger opgeleiden. De tekorten aan hoger opgeleiden zullen dus ook niet automatisch leiden tot een tegenovergestelde ontwikkeling.

Het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt verwacht dat de Nederlandse arbeidsmarkt de komende vijf jaar wordt gekenmerkt door verdere upgrading van opleidingseisen. Werkgevers zullen steeds hogere opleidingseisen stellen aan nieuw personeel. Dit proces van upgrading wordt veroorzaakt door de toenemende internationalisering en de daaruit voortvloeiende organisatorische veranderingen, de snelle technologische ontwikkeling en de toenemende aandacht voor kwaliteitszorg. Deze ontwikkelingen vragen om grote flexibiliteit, sociale en communicatieve vaardigheden en leervermogen bij werknemers, wat leidt tot een groei in de vraag naar hoger opgeleiden.


41

Er is een grotere behoefte aan integrerende vaardigheden en brede academische vorming. Hoe verhoudt dit zich tot de steeds verder gaande specialisatie in de wetenschappen en de opleidingen? Wordt toetsing van de breedte van de opleiding en de mate waarin multidisciplinaire vaardigheden worden verworven ook een aspect van het kwaliteitstoezicht vooraf en achteraf?

De behoefte aan integrerende vaardigheden en brede academische vorming vergt inderdaad een tegenwicht tegen al te ver doorgevoerde specialisatie. Geconstateerd kan worden dat de universiteiten hieraan tegemoet komen. De bèta- en technische opleidingen worden vernieuwd, waarbij een verbreding van de basis wordt beoogd. Andere voorbeelden van verbreding van het onderwijs zijn het University College van de UU, de brede bèta- gammapropedeuse van de UvA en de major-minor structuur van de UT. Verder zullen de universiteiten een bachelor-masterstructuur kunnen benutten voor aanpassing van het onderwijs in de richting van een brede bachelorfase. De gewenste breedte dan wel specialisatie van de opleiding maakt deel uit van de externe kwaliteitszorg, waar de doelstellingen en de eindtermen van de opleiding worden beoordeeld.


42

Hoe moet het tekort aan hoger opgeleiden worden gezien in het licht van het gegeven dat een aanzienlijk deel van de afgestudeerden (16% in het hbo, 25% in het wo) na anderhalf jaar nog geen baan op hbo resp. wo-niveau heeft?

In het onderzoek Goede studies beste banen (SEO / Elsevier, 1999) is voor afgestudeerden uit 1996/97 de arbeidsmarktsituatie direct na het afstuderen en anderhalf jaar na afstuderen, het moment van enquêtering, onderzocht.

De eerste baan na het afstuderen zou volgens 43% van ondervraagden ook zonder universitaire opleiding kunnen worden vervuld, bij de huidige baan geeft 26% aan dat deze zonder academische opleiding kan worden vervuld. Hieruit blijkt dat de aansluiting tussen opleiding en arbeidsmarkt in de eerste jaren zeer snel verbetert. Enige jaren werkervaring zijn nodig om volledig op hoger niveau te kunnen functioneren. Dit gegeven mag dan ook niet worden gezien als een relativering van de tekortenproblematiek.

Uit de laatste aflevering van de hbo-arbeidsmarktmonitor blijkt dat 80 % van de pas afgestudeerden uit 1996/'97 1½ jaar na afstuderen - naar eigen zeggen - een baan heeft op hbo-niveau; dit percentage is in de acht jaar dat deze monitor nu bestaat nog nooit zo hoog geweest. Het genoemde percentage geldt als gemiddelde voor het hele hbo; er komen grote verschillen voor tussen de sectoren: voor de afgestudeerden van het vt-hbo varieert het van 90% voor de afgestudeerden van het hpo tot
65% voor die van hsao en kuo.

Het percentage van de ho-afgestudeeerden dat na anderhalf jaar een baan onder zijn / haar niveau heeft is dan ook zonder meer laag te noemen.


43

Wanneer wordt het onderzoek naar de arbeidsmarkt voor onderzoekers afgerond?

Naar verwachting eind 2000.


44

De regering streeft naar het behouden van ouderen in het arbeidsproces en het mobiliseren van het nog aanwezige potentieel in de samenleving voor arbeid en scholing. Deze trend levert op korte termijn echter problemen op voor de doorstroming en instroom van nieuw personeel. Is de regering hiervan op de hoogte en hoe denkt hij deze problematiek te kunnen aanpakken?

Er zijn voor hoger opgeleiden bijna geen problemen meer bij de instroom op de arbeidsmarkt. De baanzoekduur voor hoger opgeleiden is de afgelopen jaren sterk bekort. De werkloosheid onder pas afgestudeerde hbo-ers en academici is vrijwel verdwenen. Het is dan ook niet waarschijnlijk dat de bedoelde problemen zich breed zullen voordoen.


45

Wat is het aandeel van de naar het vwo doorgestroomde havisten in de latere doorstroom van 60% vwo'ers die naar het wo doorstromen, de 10% eveneens maar met enige vertraging naar het wo doorstromende vwo'ers en de 30% vwo'ers die naar het hbo doorstromen?

Uit het SEO/SCO onderzoek "Determinanten van de deelname" zijn gegevens bekend over de leerweg van het cohort 1997/98. Hierbij is geen onderscheid gemaakt tussen directe en vertraagde doorstroom van vwo naar wo of hbo.

Van de eerstejaars wo-studenten met een vwo-diploma heeft circa 9% eerst een havo-opleiding gevolgd. Van de eerstejaars hbo-studenten met een vwo-diploma heeft ongeveer 14% eerst een havo-opleiding gevolgd.


46

Gaat de regering een actief beleid voeren gericht op de vergroting van de deelname van jongeren met een functiebeperking aan het hoger onderwijs?

Het landelijke beleid is reeds gezet. Regelingen op het terrein van de studiefinanciering (jaar extra studiefinanciering) en afstudeerregelingen bieden randvoorwaarden voor deelname. Het beleid in het kader van Kwaliteit en Studeerbaarheid heeft bijgedragen aan verbetering van de begeleiding en stimulansen gegeven aan studentgericht onderwijs. Dat komt ook de groep jongeren met een functiebeperking in het hoger onderwijs ten goede.

Binnen de landelijke kaders zijn de instellingen verantwoordelijk voor een passend aanbod aan studenten met een functiebeperking. Uitgangspunt daarbij is dat voor deze groep studenten maatwerk geboden is.


47

Is de regering van plan een intensieve voorlichtingscampagne te voeren gericht op studenten met een handicap?

Voorlichting over het volgen van hoger onderwijs aan studenten met een handicap geschiedt door de Stichting Handicap & Studie. De stichting treedt op als adviseur, begeleider en belangenbehartiger voor studenten met een lichamelijke handicap en ontvangt daartoe een subsidie van het ministerie van OCenW. De regering is voornemens de bestaande financiële bijdrage te continueren. Er bestaan geen plannen voor een speciale voorlichtingscampagne.


48

De regering gaat er vanuit dat "het ingezette beleid door de invoering van de tweede fase" er toe kan bijdragen dat dit de doorstroom van havo en vwo naar het hbo en het wo kan doen stijgen. Hoe verklaart u de groei van de doorstroom van het vwo naar het hbo?

Uit onderzoek blijkt, dat een belangrijke reden van vwo'ers om naar het hbo te gaan is, dat ze niet zeker zijn van hun capaciteiten om een wo-opleiding af te ronden. Daarnaast zijn redenen voor een vwo'er om in het hbo te gaan studeren o.a. interesse in een beroepsgerichte studie en interesse voor een opleiding die alleen in het hbo wordt aangeboden. De verwachting is, dat door de invoering van de tweede fase in het voortgezet onderwijs vwo-gediplomeerden beter zijn voorbereid op het wo, en meer zullen doorstromen naar het wo. Tevens wordt verwacht, dat havo'ers door de invoering van de tweede fase meer voor het hbo zullen kiezen. De laatste jaren is overigens al geen sprake meer van groei van de doorstroom van vwo naar hbo.


49

In het hoofdstuk over het bevorderen van de doorstroom naar het hoger onderwijs wordt er van uitgegaan dat de tweede fase in het voortgezet onderwijs tot een betere doorstroom naar het hoger onderwijs zal leiden en tot minder uitvallers in het hoger onderwijs. Is dat niet een wat optimistische verwachting gezien de recente ontwikkelingen in het voortgezet onderwijs?

Over de ontwikkeling van het studiehuis zal de staatssecretaris van Onderwijs u zo spoedig mogelijk informeren.


50

Beschikt het ministerie over cijfers omtrent de deelname aan het hoger onderwijs door studenten met een functiebeperking? Zo nee, zou het niet wenselijk zijn om daar een onderzoek naar te laten doen?

Ja. Recent onderzoek, verricht in opdracht van het ministerie van OCenW, bevat gegevens met betrekking tot het aantal studenten met handicaps/chronische ziektes in het hbo en wo.

In het hbo heeft, gemeten over diverse opleidingssectoren ten minste 3 % (Gezondheidszorg) tot maximaal 10 % (Taal en cultuur) hinder van een handicap of chronische ziekte. Voor het wo geldt dat ten minste 2% (Economie) tot maximaal 8 % (Taal en Cultuur) hinder van een handicap / chronische ziekte heeft.

(Bron: Deelname aan Hoger onderwijs, Deel 4, Tabellenboek tweede bevraging eerstejaars studenten cohort 1997/98, pagina's 18 en
19.Stichting voor economisch Onderzoek/SCO-Kohnstamm Instituut, Amsterdam, september 1999)


51

Verbetering van de aansluiting tussen vwo en wo en de flexibilisering van het stelsel van studiefinanciering zouden ertoe leiden dat meer vwo'ers voor een universitaire studie kiezen en minder voor het hbo. Het huidige stelsel van studiefinanciering zou keuzes negatief kunnen hebben beïnvloed. Waarop wordt de veronderstelling gebaseerd dat de keuze van een vwo'er voor een opleiding in het wo positiever zou zijn dan voor het hbo? Waarop wordt de verwachting gebaseerd dat meer vwo'ers voor het wo zullen kiezen als gevolg van de flexibilisering van de studiefinanciering? Is uitsluitend de uitkomst van het SCO/SEO-onderzoek dat meer vwo'ers voor het hbo kiezen, omdat zij hun slaagkansen in het hbo hoger inschatten, daarvoor de reden?

De keuze van een vwo'er voor een studie in het hbo kan een negatieve zijn wanneer deze keuze berust op het feit dat de slaagkans in het wo lager wordt ingeschat dan in het hbo. In die situatie kan deze keuze ook beïnvloed zijn door het stelsel van studiefinanciering, omdat studenten zich onvoldoende in staat achten om een gewenste wo-opleiding in de daarvoor gestelde termijn succesvol af te ronden. Dan zou het stelsel van studiefinanciering dus van negatieve invloed zijn op de keuze voor een studie in het wo. Dat is met de aangehaalde passage bedoeld.

De verwachtingen omtrent het keuzegedrag van vwo'ers zijn niet alleen gebaseerd op het genoemde SCO/SEO-onderzoek, maar ook op andere onderzoeken zoals het nationaal scholierenonderzoek (NIBUD). Overigens is ook de SCO/SEO-rapportage gebaseerd op meerdere bronnen, zowel een enquête onder meer dan 2000 ingestroomde studenten als op monitoring van de plannen van ruim 10.000 scholieren via de studiekeuzemonitor.

De verwachting is dat de voorstellen tot wijziging van de Wet op de studiefinanciering positief zullen uitpakken voor alle studenten (zie ook de Emancipatie effect rapportage op WSF 2000). Door de verzachting van de prestatiebeurs (aanvullende beurs is gift in het eerste jaar, herkansing voor de basisbeurs eerste jaar) en de verlenging van de diplomatermijn wordt het financieel risico voor studenten lager. De studiefinanciering zal in dit verband minder als risico (negatieve keuze) worden ingeschat. Dit is met name van belang voor studenten uit de lagere inkomensgroepen. Uit onderzoeken blijkt namelijk dat deze groep de neiging heeft om veilig te kiezen.


52

Is uitsluitend het gegeven dat meer vwo'ers voor het hbo kiezen aanleiding te veronderstellen dat het huidige stelsel van studiefinanciering keuzes negatief zou kunnen beïnvloeden?

Zie het antwoord op vraag 51.


53

Wat bedoelt de regering met de zin 'Het huidige stelsel van studiefinanciering zou keuzes negatief kunnen hebben beïnvloed?'

Zie het antwoord op vraag 51.


54

Op welke wijze zal het nieuw voorgestelde stelsel van studiefinanciering positieve keuzes bevorderen?

Zie het antwoord op vraag 51.


55

Welke maatregelen gaat de regering nemen om te voorkomen dat studenten in bepaalde sectoren, zoals informatica, gedurende de opleiding weggekocht worden?

Het wegkopen van studenten door werkgevers tijdens de studie wordt tegengegaan door het stimuleren van afspraken tussen onderwijs en bedrijfsleven. VNO-NCW heeft zich voorstander van dergelijke afspraken betoond. Als uitvloeisel van de voorstellen van de Task Force «Werken aan ICT» wordt voor de ict-sector aan de totstandkoming van dergelijke afspraken gewerkt.


56

Hoe hebben rendement, uitval en veranderen van opleiding zich de laatste jaren ontwikkeld? Valt hierbij een effect van de veranderingen in de studiefinanciering (tempobeurs, prestatiebeurs) te zien? Welk effect heeft invoering van het bindend studieadvies op het rendement gehad?

Indien de rendementen van de eerstejaars wo-studenten van de verschillende cohorten worden vergeleken is duidelijk dat studenten nu sneller afstuderen dan een aantal jaren geleden. Het rendement na 5 jaar ligt voor het cohort 1993/94 op 30% terwijl dit voor het cohort
1991/92 nog op 18% lag. Het is nog niet duidelijk of er ook meer studenten zullen afstuderen. Voor het hbo is sprake van een vergelijkbare trend.

Het is niet mogelijk een direct verband tussen de geconstateerde rendementsverbetering en maatregelen in de studiefinanciering of het bindend studie advies te leggen, er zijn immers meer factoren die hierbij een rol spelen. De invloed van veranderingen in de studiefinanciering op de studieresultaten is wel onderzocht bij het onderzoek naar "studeren en werken in het wetenschappelijk onderwijs" van het RISBO. In het tweede rapport staan analyses waaruit blijkt dat prestatiebeursstudenten meer studievoortgang boeken dan tempobeursstudenten. Omdat het onderzoek pas twee jaar loopt is het nog te vroeg om hier stellige uitspraken over te doen.


57

Waarom zijn de rendementen in de vaak als "zwaar" aangeduide technische studies hoger dan in de "lichte" studies?

Zie het antwoord op vraag 65.


58

Betekent de verbetering van aansluiting tussen havo en hbo enerzijds en vwo en wo anderzijds dat dit de te verkiezen doorstroming is?

Met het streven naar verbetering van aansluiting tussen havo en hbo enerzijds en vwo en wo anderzijds wordt uitgedrukt dat de toegankelijkheid van het hbo voor havisten en van het wo voor vwo'ers gewaarborgd moet zijn. Deze groepen moeten een reële slaagkans hebben in de betreffende sectoren. Dit betekent niet uit dat er geen gegronde redenen kunnen zijn voor andere doorstroompatronen.


59

Wat zijn de «doorstroomconsequenties» van een eventuele aanpassing van de tweede fase in de zin van een minder uitgebreid vakkenpakket?

Verwezen wordt naar het antwoord op vraag 49.


60

Hoeveel van de 30% studenten die rond 1990 aan een opleiding in het hbo of wo zijn begonnen en geen diploma hebben behaald zijn nog aan het studeren, en hoeveel studenten zijn daarvan aan het werk en op welk niveau?

De 30% is het deel van de studenten waarvan wordt verwacht dat ze geen ho-diploma zullen behalen. De steekproef van het SEO/SCO onderzoek "Determinanten van de deelname" geeft informatie over deze uitvallers. Van hen heeft 70% een baan Van de hbo-uitvallers geeft 35% aan dat dit een baan op hbo-niveau, van de wo-uitvallers geeft ruim de helft aan een baan op ho-niveau te hebben. Een aanzienlijk deel van de uitvallers geeft overigens aan van plan te zijn in de toekomst, al dan niet in combinatie met een baan, weer verder te gaan studeren.


61

Waaruit bestaat de positieve bijdrage van de ingezette Kwaliteit- en Studeerbaarheidsprojecten aan het te leveren rendement en op welke termijn wordt gedoeld?

De Kwaliteit- en Studeerbaarheidsprojecten zijn alle gericht op het verhogen van de kwaliteit van het onderwijs en de studeerbaarheid van de onderwijsprocessen. Verwacht mag worden dat deze projecten een positieve invloed zullen hebben op het rendement van opleidingen, Overigens zal een dergelijk effect zich eerst over een aantal jaren voordoen, waarbij tevens aangetekend moet worden dat het rendement van opleidingen niet enkel bepaald wordt door de kwaliteit en studeerbaarheid. In 2002 zal de inspectie rapporteren over de studeerbaarheid in het hoger onderwijs.


62

Waarom doen landen als Engeland en Finland het beter dan Nederland?

Over oorzaken van verschillen in onderwijsrendement is geen internationaal vergelijkend onderzoek beschikbaar. Het rendement wordt bepaald door verschillende factoren, zoals de participatiegraad aan hoger onderwijs, aanwezigheid van selectie, het eindniveau en de studeerbaarheid van het onderwijs. De relatieve bijdrage van deze factoren is niet eenvoudig te bepalen. Het is dan ook niet aan te geven waarom het rendement in Engeland en Finland hoger ligt dan in Nederland.


63

Speelt een gebrek aan objectieve, heldere voorlichting over wat een student mag verwachten van een opleiding en geen optimale begeleiding van de student tijdens de opleiding ook niet een rol bij het hoge uitvalpercentage?

In internationaal opzicht heeft Nederland een gemiddeld rendement. Op onderdelen is verbetering van het rendement mogelijk. In het ontwerp-HOOP worden daartoe ook mogelijkheden geschetst. Uiteraard spelen voorlichting en begeleiding een belangrijke rol. Dat wordt ook door de instellingen onderkend. Dit blijkt onder andere uit de voorlichtingsactiviteiten die instellingen ondernemen en de kwaliteit- en studeerbaarheidsprojecten die deels ook waren gericht op de verbetering van begeleiding van studenten.


64

Is er onderzoek gedaan naar de redenen van uitval van studenten in het hoger onderwijs? Zo ja, wat is de hoofdconclusie van dat onderzoek? Zo nee, waarom zijn de redenen van uitval niet onderzocht alvorens nieuw beleid op te zetten?

Ja, in het SEO/SCO onderzoek "determinanten van de deelname" is aan uitvallers gevraagd naar de achtergronden van het uitvallen of veranderen van opleiding. De redenen zijn zeer divers. In het hbo blijkt de inhoud van de studie het belangrijkste te zijn (niet interessant genoeg of te theoretisch). Financiële problemen spelen een beperkte rol.

Ook in het wo is de inhoud van de opleiding de belangrijkste reden om te stoppen of om te zwaaien.


65

Hoe komt het dat het rendement het hoogst is in de sectoren techniek en gezondheid, en het laagst bij taal en cultuur?

Zoals uit onderstaande tabel blijkt is het rendement in het wetenschappelijk onderwijs het hoogst in de sectoren gezondheid en landbouw. Het percentage van de eerstejaars dat na 8 jaar een wo-diploma heeft gehaald, ligt in de sector Techniek met circa 60 procent op het gemiddelde van de verschillende sectoren. In het hbo is het rendement na 6 jaar het hoogste in de sectoren Gezondheid en Techniek.

Naar verklaringen voor verschillen in rendement van de verschillende sectoren is recentelijk geen systematisch onderzoek gedaan, momenteel is een onderzoek naar de achtergronden van studie-uitval uitgezet.

Wo-diploma na 8 jr. Natuur Techniek Gezondheid Rechten Economie G&M T&C Landbouw Gemiddeld

WO-studenten 1988/89 70 62 82 54 62 62 54 78 62

WO-studenten 1989/90 67 60 82 55 60 59 52 77 61

WO-studenten 1990/91 67 60 78 54 59 59 51 79 60

ho-diploma na 8 jr. Natuur Techniek Gezondheid Rechten Economie G&M T&C Landbouw Gemiddeld

WO-studenten 1988/89 76 75 85 58 69 67 60 83 69

WO-studenten 1989/90 72 74 85 60 68 64 59 84 68

WO-studenten 1990/91 72 73 81 60 69 65 59 84 68

Rendement hbo cohort 1991/92 na 6 jr. Techniek Gezondheid Economie Sociaal-agogisch Kunst Pedagogisch Landbouw Gemiddeld

Ho-diploma 69 70 62 64 54 59 67 64

Waarvan hbo-diploma 67 66 58 60 50 54 65 60

Waarvan wo-diploma 2 4 4 4 4 5 2 4


66

Kan de regering aangeven wat momenteel beperkende factoren zijn voor studenten met een functiebeperking om deel te nemen aan het hoger onderwijs? In hoeverre zullen die beperkingen decentraal (dus door de instellingen zelf) opgelost moeten worden en wat kan er centraal geregeld worden?

De beperkende factoren om deel te nemen aan het hoger onderwijs zijn sterk afhankelijk van de aard van de functiebeperking van betrokken studenten. Het recente onderzoek van SEO/SCO-Kohnstamm-Instituut (zie vraag 50) wijst uit dat studenten hun handicap of chronische ziekte over het algemeen als «gematigd hinderlijk» ervaren bij het volgen van hun studie.

In hoeverre de negatieve gevolgen van functiebeperkingen door centraal beleid dan wel door de instellingen ondervangen kunnen worden is eveneens sterk afhankelijk van de aard van de functiebeperking. Een reeks van regelingen en voorzieningen op verschillende niveaus (onder meer; studiefinanciering, afstudeersteun, wet
arbeidsongeschiktheidsvoorzieningen jongehandicapten, algemene wet bijzondere ziektekostenvoorzieningen, bouwbesluit van de woningwet) schept een kader voor oplossingen afgestemd op de persoonlijke (studie)situatie van de student.


67

Zal de sterke prestatieoriëntatie vanwege het nieuwe bekostigingssysteem niet leiden tot enerzijds selectie aan de poort en anderzijds kwaliteitsdaling (zodat meerderen de eindstreep halen)? Hoe kan kwaliteit en toegankelijkheid gewaarborgd worden?

De invoering van de nieuwe bekostigingssystematiek voor de universiteiten is in het verlengde van het HOOP 1998 gepaard gegaan met verbeteringen in het stelsel van kwaliteitsbewaking. In het ontwerp HOOP 2000 en mijn brief van 22 december 1999 zijn nieuwe voornemens inzake kwaliteit van het onderwijs opgenomen. De toegankelijkheid van wetenschappelijk onderwijs is in de WHW vastgelegd. Ik verwacht dan ook niet dat de prestatieoriëntatie tot een daling van de kwaliteit of tot selectie aan de poort zal leiden.


68

Waarom gaat het ontwerp-HOOP niet expliciet in op de positie van gehandicapte studenten? Hoe verhoudt het rendement en uitval van deze groep zich tot de overige studenten? Welke oorzaken zijn er voor de verschillen? Welke maatregelen worden voor deze groep genomen om uitval te voorkomen en een beter rendement te bereiken?

Zie het antwoord op vraag 46. In aanvulling wordt opgemerkt dat er geen registratie van rendement en uitval plaatsvindt van deze zeer diverse groep van studenten op basis waarvan uitspraken gedaan kunnen worden over het studiesucces van deze groep als totaliteit.


69

Hoeveel studenten met een functiebeperking krijgen het jaar extra studiefinanciering? Is dit lager dan het totale aantal studenten met een functiebeperking en zo ja, wat is de verklaring?

In 1999 zijn ruim 2000 aanvragen ingediend bij de IB-Groep voor een jaar extra studiefinanciering vanwege een functiebeperking.

Het aantal studenten dat een jaar extra studiefinanciering aanvraagt is lager dan het aantal studenten dat te maken heeft met een functiebeperking. Op grond van beschikbare data valt af te leiden dat studenten een functiebeperking niet altijd als een belemmerende factor ervaren bij de studievoortgang. (zie ook het antwoord op vraag 50)


70

Allochtone meisjes kiezen vaker voor havo en vwo dan jongens. Is de instroom van allochtone meisjes in het hoger onderwijs ook hoger? Zijn er cijfers over afgestudeerde allochtone meisjes en jongens?

Wat betreft instroom, doorstroom en uitstroom van het aantal allochtone studenten in het Hoger Onderwijs beschikt OCenW op dit moment nog niet over een betrouwbare registratie. Sinds twee jaar wordt er wel aan gewerkt door een koppeling te leggen van de gegevens van de IB-Groep met het GBA. Hierdoor kan in de toekomst ook meer zicht worden verkregen op het aantal allochtone leerlingen in het Hoger Onderwijs. Gestart wordt met de registratie van nieuwe instroom. Uitstroomgegevens zullen voorlopig dus nog niet beschikbaar zijn.


71

Welke concrete aanbevelingen staan de regering voor ogen bij de zin `Het bieden van maatwerk aan studenten met een relatieve achterstand, zoals allochtonen en studenten met een functiebeperking, waardoor voortijdige uitval wordt tegengegaan'?

Maatwerk aan studenten met een relatieve achterstand moet uiteraard daar geboden worden waar de student daadwerkelijk zijn of haar studie volgt. Het is de verantwoordelijkheid van de betrokken hogescholen en universiteiten om afhankelijk van de vraagstelling van de betreffende student passende voorzieningen te treffen. Daarbij kunnen zij advies en ondersteuning vragen van organisaties als ECHO en Stichting Handicap en Studie. De regering draagt financieel aan deze organisaties bij. Daarnaast biedt het nieuwe voorstel voor de studiefinanciering vanwege de verlengde diplomatermijn ook extra ruimte voor studenten die wegens een functiebeperking langer over hun studie moeten doen.


72

Is de minister bereid net zo'n inspanning te leveren voor studenten met een functiebeperking als hij doet voor de allochtone studenten om hun studiesucces te bevorderen?

Voor studenten met een functiebeperking liggen de stimulansen vooral op het terrein van de studiefinanciering en de afstudeerregelingen. De Stichting Handicap & Studie verschaft studenten met een handicap voorlichtingen over studeren in het hoger onderwijs. Verder verwijs ik naar het antwoord op vraag 46.


74

Onderschrijft de regering de veronderstelling dat er voor studenten met een functiebeperking sprake is van een ongelijke positie ten opzichte van de gemiddelde student? Deelt de regering de conclusie dat er met betrekking tot de groep studenten met een functiebeperking sprake is van een `zwakkere partij'?

Algemene uitspraken over «studenten met een functiebeperking» als «zwakkere partij» zou ik niet willen hanteren. «Onderwijs op maat» is een typering die naar mijn visie beter past bij deze doelgroep, zoals ik heb aangegeven in het antwoord op vraag 46.


75

Is de regering bereid expliciet aan te geven dat de hoofdthema's in het ontwerp HOOP 2000 ook moeten worden bezien vanuit de positie van studenten met een functiebeperking en dat instellingen op hun verantwoordelijkheden op dit gebied moeten worden aangesproken?

De regering is van opvatting dat de hoofdthema's in het ontwerp-Hoop
2000 ook moeten worden bezien vanuit de positie van studenten met een functiebeperking. In dat kader hebben de instellingen hun eigen verantwoordelijkheid. Het huidige kader met betrekking tot studenten met een functiestoornis biedt een goede basis om deze studenten op adequate wijze tegemoet te treden. Het komt er vervolgens op aan dat van die mogelijkheden effectief gebruik wordt gemaakt.


76

Is de regering bereid bij gebleken ongewilde effecten aanvullende maatregelen te nemen?

De vraag of, en zo ja in hoeverre, er nog aanvullende maatregelen wenselijk zijn - bovenop het reeds bestaande maatregelenpakket - is afhankelijk van de vraag in hoeverre zich daadwerkelijk problemen voordoen.


77

Op pagina 27 wordt de deelname van allochtone studenten in het hoger onderwijs beschreven. Wat is de ontwikkeling in het studiesucces van andere groepen met een relatieve achterstand in het hoger onderwijs?

Naast allochtonen worden ook studenten met een functiebeperking gerekend tot de groepen met een relatieve achterstand in het hoger onderwijs. Er is voor deze categorie studenten geen informatie op basis waarvan uitspraken kunnen worden gedaan over de ontwikkeling van het studiesucces. Zie ook het antwoord op vraag 50.


78

Hoeveel geld is beschikbaar voor het Expertise Centrum Allochtonen Hoger Onderwijs (ECHO) tot 2003? En na 2003?

Voor de periode 1999 tot en met 2002 is jaarlijks voor ECHO 4,3 mln. beschikbaar. Daarvan is fl. 800.000,- beschikbaar voor projecten binnen universiteiten, fl. 500.000,- voor projecten bij PABO's en de overige 3 mln. voor projecten binnen hogescholen.

Voor de periode na 2003 zijn nog geen verplichtingen aangegaan. Hierover zal mede op basis van evaluatie van de lopende projectperiode besluitvorming plaatsvinden.


79

Worden onder de bevordering van het studiesucces van groepen met een relatieve achterstand in het onderwijs ook andere groepen dan de genoemde groep allochtone studenten verstaan? Zo ja welke, en zo nee waarom niet?

Naast allochtonen worden ook studenten met een functiebeperking wel gerekend tot de groepen met een relatieve achterstand. De aard van de functiebeperking kan zeer divers zijn evenals de mate waarin deze het onderwijsleerproces belemmert of vertraagt. Dit betekent dat ook voor deze categorie maatwerk geboden is.


80

Worden elders verworven competenties (EVC's) al erkend bij sommige instellingen? Op welke manier zou dit vormgegeven kunnen worden?

Op dit moment ontbreekt inzicht in de mate waarin instellingen elders verworven competenties (EVC) erkennen. Er is, zoals aangekondigd in het ontwerp-HOOP, beleidsgericht onderzoek uitgezet naar gebruik van EVC. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar ervaringen in het Nederlandse hoger onderwijs, maar ook naar gebruik van EVC in het postinitieel onderwijs, het afstandsonderwijs, de bve-sector en het buitenland. De resultaten van dit onderzoek komen in het voorjaar van
2000 beschikbaar.


81

Er worden veel postinitiële opleidingen aangeboden, zowel door hogescholen en universiteiten als door privaat gefinancierde instellingen. Het zou de doorzichtigheid ten goede komen als er een geheel overzicht zou zijn van alle in Nederland aangeboden opleidingen, de ingangseisen hiervoor, de kosten etc. Autonomievergroting zal niet bijdragen aan de vergroting van de inzichtelijkheid: instellingen hebben er immers geen baat bij om informatie over andere instellingen te geven. Hoe zou een dergelijk overzicht tot stand kunnen komen?

De doorzichtigheid van het aanbod aan postinitiële masteropleidingen kan worden vergroot door registratie en accreditatie. Op termijn moet opname in een register van masteropleidingen de verplichting met zich mee brengen dat de opleiding aan accreditatie wordt onderworpen. In mijn brief van 22 december 1999 schets ik de hoofdlijnen van het beoogde stelsel van accreditatie. In mei zal ik met een nader uitgewerkt voorstel komen met daarin opgenomen de accreditatie van postinitiële masteropleidingen.


82

Om- en opscholing vraagt om flexibele trajecten en het ontwikkelen van beoordelingsmechanismen voor EVC's. Welke concrete stappen worden op dit gebied reeds door de instellingen ondernomen? Krijgen de instellingen hiervoor de vrijheid en welke deregulering moet hiervoor plaatsvinden?

Op dit moment bestaat geen exact zicht op initiatieven van instellingen op het gebied van ontwikkeling van flexibele trajecten en EVC. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 80 vindt er beleidsgericht onderzoek plaats naar ervaringen met EVC in het hoger onderwijs. Het huidige wettelijk kader vormt geen belemmering voor erkenning van elders verworven competenties. Ontwikkeling van flexibele trajecten wordt gefaciliteerd met de wijziging van de studiefinanciering (WSF 2000) en flexibilisering van de bekostiging in het hbo.


83

Worden de voor het hbo beschikbaar gestelde omslaggelden reeds benut voor het opzetten van trajecten gericht op zij-instromers?

In overleg met de HBO-raad is besloten de beschikbaar gestelde omslaggelden ad 50 miljoen als volgt in te zetten.

Ten behoeve van algemene frictiekosten is in 1999 naar rato van de rijksbijdrage 35 miljoen toegevoegd aan de lumpsum. Daarnaast is in
1999 nog 10 miljoen beschikbaar gesteld ten behoeve van de ontwikkeling van gemeenschappelijke standaarden voor ict-platforms. In
2000, tenslotte, zal het restant ad 5 miljoen worden ingezet voor de ontwikkeling van instrumenten, o.a. gericht op zij-instromers, op het gebied van assessment, van auditing van de flexibilisering en van marketing.


84

Werkt de scholingsaftrek?

Op dit moment is nog te weinig informatie beschikbaar over de scholingsfaciliteiten om te kunnen beoordelen in welke mate de maatregelen wel of niet werken. Met betrekking tot de scholingsaftrek voor de profit sector zijn over 1998 op basis van de ingediende aangiften vooralsnog geen betrouwbare cijfers beschikbaar om een indicatie van het gebruik te kunnen geven. Van de afdrachtvermindering scholing in de non-profit sector, die per 1 januari 1999 in werking is getreden, is wel een indicatie beschikbaar. In de eerste drie kwartalen van 1999 hebben gemiddeld 600 werkgevers gebruik gemaakt van de afdrachtvermindering. Het bedrag dat met daarmee is gemoeid bedraagt f 17,5 miljoen. Het betreft hier dus nog geen cijfers over het gehele jaar 1999. Het gebruik van de afdrachtvermindering vertoont een stijgende lijn.


85

Wat is de participatiegraad van in Nederland toegelaten vluchtelingen aan het hoger onderwijs afgezet tegen de participatiegraad van autochtone jongeren? Is er in absolute en / of relatieve zin sprake van een stijgende of dalende deelname van vluchtelingen aan het hoger onderwijs?

De vraag naar de participatiegraad van toegelaten vluchtelingen in het hoger onderwijs is op grond van beschikbare gegevens niet te beantwoorden. In de voor het hoger onderwijs relevante statistieken worden vluchtelingen niet als afzonderlijke categorie opgevoerd maar vallen onder de groep buitenlanders respectievelijk allochtonen.


86

Wat zijn de belangrijkste belemmeringen voor in Nederland toegelaten vluchtelingen om in te stromen in het hoger onderwijs?

Bekende belemmeringen zijn gebrek aan taalvaardigheid, deficiënties, sociaal-psychologische problemen en de in vraag 88 gesignaleerde knelpunten ten aanzien van regelgeving.


87

Welke beleidsmaatregelen staan de regering voor ogen om de deelname van vluchtelingen aan het hoger onderwijs te vergroten en in hoeverre laat de regering dit over aan de instellingen zelf?

De regering heeft verschillende beleidsmaatregelen genomen om de deelname van vluchtelingen aan het hoger onderwijs te vergroten. In
1999 werd de vereiste verblijfsduur in Nederland voordat een vluchteling met C-status recht op studiefinanciering heeft teruggebracht van drie naar één jaar. In navolging van de nieuwe WSF is verder de leeftijdsgrens waarop voltijds studerende vluchtelingstudenten aanspraak kunnen maken op studiefinanciering verruimd van het 27e tot aan het 30e jaar. De hierdoor vrijvallende SUS-middelen blijven beschikbaar voor de Stichting UAF. Vluchtelingstudenten die voor het 28ste jaar hun studie aanvangen ontvangen een tegemoetkoming voor levensonderhoud en studiekosten tot het 32ste jaar.

Het is aan de instellingen om de geschiktheid van de genoten vooropleiding van vluchtelingstudenten bij instroom te beoordelen, alsook om eventueel gerichte bijscholingstrajecten te ontwikkelen.


88

In het rapport «Student of Schoonmaker» (uitgegeven door de Wetenschapswinkel van de Universiteit Utrecht) wordt geconcludeerd dat veel hoger opgeleide vluchtelingen in hun streven om een Nederlands diploma in het hoger onderwijs te behalen worden geblokkeerd vanwege het ontbreken van adequate studiefinancieringsarrangementen of omdat zij geen toestemming krijgen met behoud van uitkering te studeren. Is deze conclusie volgens de regering juist en zo ja, hoe kan de toegankelijkheid van het hoger onderwijs voor vluchtelingen verbeterd worden?

Deze conclusie wordt niet gedeeld. Via de Stichting UAF en de Stichting UAF-Steunpunt worden studiefinancieringsarrangementen aan vluchtelingstudenten verstrekt. Ook voor Nederlandse burgers geldt dat er beperkingen zijn om met behoud van uitkering te studeren.

Wel is gebleken dat meer maatwerk in de opleidingssfeer nodig is om met name oudere vluchtelingen toe te rusten voor de arbeidsmarkt door middel van korte duale opleidingstrajecten. Met additionele fondsen en verandering van regelgeving zou de toegankelijkheid verbeterd kunnen worden. Ik ben met betrokken collega's in gesprek om oplossingen te zoeken voor de gesignaleerde knelpunten.


89

Worden er specifieke maatregelen getroffen om vluchtelingen te activeren / stimuleren een opleiding in het hoger onderwijs te laten volgen om de tekortenproblematiek op de arbeidsmarkt tegen te gaan?

Ja. Hierbij wordt onder meer gedacht aan verkorte duale opleidingen voor asielzoekers die in hun land van herkomst een opleiding in het hoger onderwijs hebben afgerond. De Stichting UAF zal daarbij onder meer betrokken zijn. Daarnaast worden door instellingen cursussen ontwikkeld om in het land van herkomst opgeleide, erkende vluchtelingen die vaak al over praktijkervaring beschikken, toe te rusten voor de Nederlandse arbeidsmarkt. Dergelijke cursussen hebben onder meer betrekking op artsen, informatici en accountants. Op basis van het advies van de Taskforce ict is het project `inschakeling vluchtelingen' van start gegaan dat tot doel heeft vluchtelingen een korte of lange ict-studie te laten afronden.


90

Sluiten de eindtermen van het nieuw ingevoerde inburgeringsprogramma aan bij de begintermen van het hoger onderwijs?

Het nieuwe inburgeringsprogramma is van toepassing op een brede groep asielzoekers en vluchtelingen en voorziet niet specifiek in scholing voor hoger opgeleide vluchtelingen. De eindterm voor de kennis van de Nederlandse taal (gelijk aan NT2, nivo 1) in het inburgeringsprogramma sluit niet aan op de beginterm (NT2, nivo 2) van het hoger onderwijs.

Sinds 1998 vervult de Stichting UAF een makelaarsfunctie ten behoeve van hoger opgeleide vluchtelingen in het kader van de Wet inburgering Nieuwkomers. In deze hoedanigheid adviseert de Stichting UAF instellingen, gemeenten en lokale bestuursdiensten over scholingsbehoeften van vluchtelingstudenten, die immers kunnen afwijken van de doorsnee.


91

De route mbo-hbo is een kansrijk traject voor de groep leerlingen die nu onnodig lang in het avo verblijft. Zijn leerlingen hiervan op de hoogte? Hoe kan het immers dat de instroom in het mbo terugloopt? Als leerlingen hiervan niet op de hoogte zijn, hoe kan dit bewerkstelligd worden?

Veel leerlingen kiezen inderdaad voor een vooropleiding in het algemeen vormend onderwijs, terwijl het beroepsonderwijs hen een geschikter opleidingstraject kan bieden. Het gaat hier om een leerweg die gelijkwaardig is aan die van het algemeen vormend onderwijs. Het is moeilijk om keuzeprocessen van leerlingen en hun ouders in de eerste fase van het initieel onderwijs zodanig te beïnvloeden, dat leerlingen kiezen voor een opleidingstraject dat bij hen past, vooral bij leerlingen uit groepen, die in een relatieve achterstandspositie verkeren. Om leerlingen en hun ouders tijdig voor te lichten over de mogelijkheden in het beroepsonderwijs is goede marketing van het beroepsonderwijs door roc's en hogescholen richting de fase van het initieel onderwijs, waarin studie -en beroepskeuze plaatsvindt, van belang. Regionale samenwerking tussen roc's, hogescholen en vo-scholen biedt daartoe mogelijkheden.


92

Is de verwachte langere duur van het traject ook een reden voor het volgen van algemeen vormend onderwijs ter voorbereiding op het hbo in plaats van het gebruik maken van de route mbo-hbo?

Nee, uit de inventarisatie van het Max Goote Kenniscentrum «Via mbo naar hbo» (1997) blijkt het tegendeel: veel leerlingen die instromen in het mbo hebben al het plan om verder te gaan studeren in het hbo. Van de instromende lbo/mavo leerlingen in het mbo heeft 52% het expliciete plan om door te stromen naar het hbo en 20% heeft een vagere intentie. Hieruit kan afgeleid worden dat de `doorstroomoptie' voor veel leerlingen van belang is bij hun keuze voor het mbo.


93

Hoe hoog is het bedrag dat hogescholen tot en met 2000 krijgen voor samenwerking met het roc?

Het jaar 2000 is het laatste jaar van een periode van vier jaar, waarin op zowel het beleidsterrein hbo als op het terrein van het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie extra middelen zijn gereserveerd voor het verbeteren van de aansluiting mbo-hbo en het bevorderen van verwante doorstroomtrajecten. Voor de periode 1997 tot en met 2000 is in totaal f 24 miljoen uitgetrokken. Van de f 2,5 miljoen die voor het begrotingsjaar 2000 voor de hogescholen is gereserveerd, zal f 1,5 miljoen beschikbaar worden gesteld als aanvulling op de rijksbijdrage voor het intensiveren van hun inspanningen op het terrein van de samenwerking met roc's. De resterende f 1 miljoen zal worden aangewend voor de financiering van pilots en andere landelijke activiteiten.


94

Hoe ziet het studierendement eruit van mbo'ers in het hbo over de afgelopen vijf jaar?

Het is niet mogelijk rendementscijfers te geven over de laatste vijf jaar uitgesplitst naar vooropleiding, omdat de registratie van de vooropleiding in CRIHO daarvoor onvoldoende is. Voor rendementscijfers over het hbo als geheel zij verwezen naar de beantwoording van vraag
56.


95

De hogeschool bepaalt of een student voor een voorziening van het studiefonds in aanmerking komt. Wat bedoelt de regering met `een zodanige aanspraak'?

Daarmee wordt bedoeld, dat indien aan verwant doorstromende studenten geen volledige vrijstelling van 42 studiepunten kan worden gegeven, deze studenten dermate tegemoet worden gekomen uit het studiefonds van de hogeschool, dat zij niet in een slechtere financiële positie komen ten opzichte van de situatie waarin zij wel een volledige vrijstelling van 42 studiepunten hadden gekregen.


96

Welke hoofdconclusie kan getrokken worden naar aanleiding van de experimenten rondom de doorstroom van de beroepsbegeleidende leerweg naar het hbo?

Op 1 februari a.s. organiseert het Platform Beroepsonderwijs een landelijk congres over de aansluiting tussen mbo en hbo. Daar zal ook aandacht worden besteed aan de evaluatie van de pilots rondom de doorstroom van de beroepsbegeleidende leerweg (bbl) naar het hbo. Alvast vooruitlopend op de conclusies die daarover getrokken zullen worden, kan in het algemeen worden opgemerkt, dat de ervaringen van de pilots bevestigen dat de duale leerweg in het hbo de toegankelijkheid van het hbo voor bbl'ers vanwege hun beroepservaring vergroot. Wel is het voor de aansluiting tussen bbl en hbo van belang dat het hbo de competenties, die een student kan behalen in het praktijkdeel van de opleiding, afstemt op de kwalificaties, die zijn behaald in het mbo. De uitkomsten van het beleidsgericht onderzoek naar elders verworven competenties, dat de bve-sector als één van de aandachtsgebieden heeft, kunnen in dat verband tot meer duidelijkheid leiden.

Uit de pilots is als knelpunt naar voren gekomen, dat bbl'ers in de doorstroom naar het hbo veelal grote problemen ondervinden bij het behalen van het abstractieniveau, dat voor het volbrengen van een hbo-opleiding is vereist.


97

`Duurzame samenwerking tussen roc's en hogescholen in de regio is voor goede aansluiting tussen mbo en hbo noodzakelijk'. Is daar nu nog geen sprake van?

De in de vraag aangehaalde opmerking beoogt niet te suggereren, dat er van duurzame samenwerking tussen roc's en hogescholen in de regio geen sprake zou zijn. Integendeel. Uit de rapportages van de samenwerkingsprojecten tussen hogescholen en roc's op het terrein van de aansluiting mbo-hbo en uit de diverse activiteiten, die hogescholen en roc's gezamenlijk organiseren, variërend van conferenties tot het opzetten van nieuwe geïntegreerde opleidingen mbo-hbo, kan worden afgeleid, dat op regionaal niveau de ontwikkeling van duurzame samenwerking tussen roc's en hogescholen waar het de aansluiting tussen mbo en hbo betreft voorspoedig verloopt.

Met de genoemde opmerking in het ontwerp-HOOP is beoogd deze samenwerking als middel voor het realiseren van goede aansluiting tussen mbo en hbo te benadrukken, juist nu uit het eindrapport `Verantwoorde verkorting' is gebleken, dat er vooral op regionaal niveau mogelijkheden zijn voor efficiënte studieduurverkorting van doorstromende mbo'ers, zonder dat daarbij het dubbelkwalificerende karakter van het mbo wordt losgelaten.


98

Wat is de omvang van de structureel extra beschikbare middelen voor respectievelijk hogescholen en universiteiten na vaststelling van de begroting 2000 en de daarbij in het debat gedane toezeggingen?

Ten opzichte van de begroting 1999 zijn voor het hbo en het wo in de begroting 2000, na vaststelling door de Tweede Kamer, de volgende middelen (in mln.) toegevoegd (excl. loon- en prijsbijstelling):


2000 2001 2002 2003 2004

HBO:


- Stijging studentenaantallen 33 63 73 84 92


- Pabo's - 10 10 - -


- lerarenopleidingen vo 10 10 10 10 10


- studiefonds - - 5 8 15


- financiële positie HBO - - 10 10 -


- budget visitaties - 2 2 2 2


- Euro 4 4 - - -

Totaal 47 89 110 114 119

WO:


- Euro 3 3


- Stijging studentenaantallen 55 66 73 78 78


99

Kan de regering toelichten of het overgaan naar deregulering en autonomievergroting in het hoger onderwijs voor het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen kostenbesparend zal zijn? Zo ja, hoeveel zal de kostenbesparing bedragen?

Er is vanuit het traject van deregulering en autonomievergroting in het hoger onderwijs geen aanvullende kostenbesparing geraamd voor de departementale apparaatskosten.


100

Kan de regering toezeggen dat zaken zowel op het gebied van het onderwijzend personeel, zoals de kwalificatie van docenten en financiële ruimte voor de arbeidsvoorwaarden voor het personeel, als op het gebied van het onderwijs zelf, zoals de toelatingseisen, de studieduur en de eindtermen, onder de verantwoordelijkheid van de overheid vallen en niet worden gedereguleerd naar de instellingen?

De verantwoordelijkheidsverdeling tussen overheid en instellingen is neergelegd in de WHW. Uiteraard heeft en houdt de overheid een eigenstandige verantwoordelijkheid voor een goed functionerend, kwalitatief hoogstaand en toegankelijk hogeronderwijsbestel.


101

Zijn er voor de regering grenzen aan marktoriëntatie? Zo ja, welke?

Voor het bewaken van de grenzen aan marktoriëntatie verwijs ik naar de beschouwingen over «publiek ondernemerschap» en de »grenzen van publiek en privaat» in de Beleidsbrief Sterke Instellingen, Verantwoordelijke Overheid (kenmerk BOA/BAG/1999/36231, 21 september
1999).


102

Hoe kan de toegankelijkheid en een breed en goed gespreid onderwijsaanbod in geval van deregulering en autonomievergroting gewaarborgd blijven?

In mijn brief van 22 december 1999 ben ik expliciet ingegaan op de toekomstige kaders voor het opleidingenaanbod in het hoger onderwijs.


103

Wordt met de zinsnede `... blijft de overheid dan ook verantwoordelijk voor het hoger onderwijs en de financiering daarvan' gedoeld op hetgeen ook bij de begrotingsbehandeling 2000 met de Kamer is gewisseld, te weten: de overheid blijft verantwoordelijk voor 100% bekostiging van het initiële proces?

Het antwoord luidt bevestigend, uiteraard met uitzondering van de collegegelden.


104

Het binaire stelsel is kenmerkend voor het Nederlandse hoger onderwijs en daar is ook waardering voor. Maar juist het binaire stelsel geeft problemen bij internationalisering. Welke oplossingsrichting meent de regering hiervoor gevonden te hebben.

De ontwikkeling naar een bachelor-masterstructuur brengt met zich mee dat binnen het hoger onderwijs niet alleen het huidige onderscheid hbo-wo maar ook de indeling naar bachelor en masterfase gebruikelijk wordt. Een binair stelsel is in Europa op dit moment allerminst een uitzondering en geeft daarom geen probleem bij internationalisering.


105

De KNAW heeft een signalerende functie met betrekking tot wetenschappelijke expertise. Hoe ziet de regering deze functie?

Deze functie is nader omschreven in het Wetenschapsbudget 2000, `Wie oogsten wil, moet zaaien'.


106

Hoe verhoudt zich het verhogen van de leeftijdsgrens tot 30 jaar (studiefinanciering) tot de erkenning dat «een leven lang leren» van het grootste belang is?

Het (toenemende) belang van «een leven lang leren» impliceert niet dat de volledige financiële verantwoordelijkheid hiervoor bij de overheid ligt. Uitgangspunt is dat de financiële verantwoordelijkheid voor initieel onderwijs berust bij de overheid, die voor postinitiële scholing bij (organisaties van) werkgevers en werknemers. Het hanteren van een leeftijdsgrens in de studiefinanciering sluit daar bij aan. De verruiming van de leeftijdsgrens en de diplomatermijn in de studiefinanciering geeft studenten daarbij meer mogelijkheden hun studie te onderbreken of te combineren met bijvoorbeeld werk.


107

Wat is de stand van zaken omtrent (het uitzoeken van) de mogelijkheden om een hbo- of wo-opleiding te volgen met behoud van een (bijstands-)uitkering?

De Regeling noodzakelijke scholing biedt de mogelijkheid voor bijstandsgerechtigden om hoger beroeps- of wetenschappelijk onderwijs te volgen indien dit noodzakelijk is voor inschakeling in arbeid. Voorwaarden zijn dat de scholing beroepsgericht is, de praktijkcomponent niet meer dan de helft van het programma uitmaakt en de scholingsperiode niet meer dan 2 jaar duurt. De bepaling dat sprake moest zijn van een specifiek op werklozen gericht traject is inmiddels geschrapt, waarmee de mogelijkheden voor bijstandsgerechtigden om een hbo- of wo-opleiding te volgen aanzienlijk zijn uitgebreid. Naar aanleiding van de aangehouden motie van de leden Bussemaker en Schimmel tijdens het nota-overleg met de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op 25 oktober 1999 is toegezegd te bezien of de scholingsmogelijkheden voor alleenstaande ouders in de bijstand verruimd kunnen worden.


108

Goede afstemming tussen voortgezet onderwijs en hoger onderwijs, mbo en hbo, hbo en wo, maar ook tussen onderwijs en arbeidsmarkt is noodzakelijk en van het grootste belang. Hoe krijgt deze afstemming daadwerkelijk en integraal vorm?

De verhouding tussen de onderwijssectoren is neergelegd in de wet- en regelgeving. De afstemming krijgt evenwel daadwerkelijk gestalte op het niveau van de instellingen en opleidingen. De HBO-raad en de VSNU vervullen hierbij een faciliterende en coördinerende rol: ten behoeve van de afstemming tussen voortgezet en hoger onderwijs hebben zij contact met het PMVO en het Landelijk Informatiecentrum Aansluiting VO HBO (LICA). De VSNU kent een eigen Informatiecentrum aansluiting vwo
-wo. Met het LICA en de BVE-raad spreekt de HBO-raad over de afstemming mbo - hbo. Tenslotte wordt via contacten met het afnemend veld, de branche-organisaties en vakdepartementen gezorgd voor de afstemming tussen onderwijs - arbeidsmarkt.


109

In welke gevallen acht de regering zich wel verantwoordelijk voor het beleid van de afzonderlijke instellingen?

De overheidsverantwoordelijkheid voor het bestel vindt op het niveau van de individuele instelling zijn vertaling in specifieke bevoegdheden, bijvoorbeeld ten aanzien van het ontnemen van rechten aan een opleiding.


110

In welke zin gaan de richtlijnen voor het jaarverslag en de informatieafspraken herzien worden?

Volgens de huidige informatieafspraak vervult het jaarverslag twee functies: verantwoording van de uitvoering van de taken, en levering van informatie die voor de minister van belang is voor beleidsontwikkeling. Nagegaan zal worden of deze combinatie zinvol is, en of misschien het verslag niet beter kan worden gericht op de verantwoordingsfunctie alleen. Het accent moet dan liggen op het zichtbaar maken van de prestaties van de instellingen in verhouding tot de van rijkswege gegeven financiële middelen.

Voor uitwisseling van beleidsinformatie zijn er tegenwoordig ook andere mogelijkheden langs elektronische weg. Ook zullen de onderwerpen waarover informatie wordt geleverd opnieuw moeten worden bezien en gespecificeerd.


111

Hoe wordt bepaald of hbo-studenten geschikt zijn voor een universitaire studie?

Een hbo-getuigschrift - zowel een propedeuse als een afsluitend getuigschrift - geeft een wettelijk recht op toegang tot opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs. Er vindt echter wel een toets plaats indien voor een opleiding zogenaamde nadere vooropleidingseisen zijn gesteld. Deze eisen zijn feitelijk voor een groot aantal opleidingen gesteld en zijn geformuleerd in termen van (afgeronde) vakken en/of profiel in het voortgezet onderwijs. De hbo-student wordt door de desbetreffende universiteit getoetst of hij of zij beschikt over de kennis en vaardigheden die vereist zijn blijkens de nadere vooropleidingseisen.


112

In het overleg over de beleidsagenda HOOP2000 kwam naar voren dat het toezicht van de samenwerkende universiteiten en hogescholen op hun eigen samenwerkingsactiviteiten kan worden verbeterd. VSNU en HBO-raad zouden in overleg treden. Wat is de stand van zaken op dit moment?

Het overleg zal nog plaatsvinden in het kader van de voorbereiding van wetswijziging om belemmeringen voor fusie tussen een hogeschool en een universiteit weg te nemen.


113

Hoe wordt bij het door universiteiten en hogescholen gezamenlijk opzetten van onderdelen van het onderwijsprogramma recht gedaan aan de verschillen tussen beide voortvloeiend uit het binaire stelsel?

De concrete vormgeving van de verschillen in onderdelen van onderwijsprogramma's tussen hbo- en wo-opleidingen is de primaire verantwoordelijkheid van de betrokken instellingen. Voorwaarde is dat het onderwijs duidelijk onderscheiden blijft worden in hbo respectievelijk wo. Via de kwaliteitszorg vindt evaluatie plaats van de onderwijsprogramma's, inclusief het hbo- danwel wo-karakter van de opleiding.


114

De vraag naar het handhaven van het binaire stelsel zou gesteld kunnen worden, maar is nu niet aan de orde. Waarom niet?

Het huidige onderscheid tussen hoger beroepsonderwijs en wetenschappelijk onderwijs sluit aan bij de vooropleiding van studenten en bij de behoefte op de Nederlandse arbeidsmarkt. Bovendien vormt het binaire stelsel bepaald geen uitzondering in Europa, zie hiervoor het antwoord op vraag 123.


115

Wat zijn de voordelen van een bestuurlijke fusie tussen een universiteit en hogeschool, indien zowel het opleidingenaanbod hbo en wo, als de bekostiging en kwaliteitzorg nadrukkelijk onderscheiden blijven?

In het ontwerp-HOOP is aangegeven dat belemmeringen voor een bestuurlijke fusie zullen worden weggenomen, met instandhouding van het binaire karakter van het hoger onderwijs. De voordelen daarvan zullen op instellingsniveau moeten worden afgewogen.


116

Welke samenwerkingsvormen en eventuele fusievoornemens zijn er reeds tussen hogescholen en universiteiten?

Er bestaan op dit moment veel vormen van samenwerking tussen hogescholen en universiteiten. Concrete voornemens om te komen tot fusie bestaan in elk geval tussen de Universiteit van Amsterdam en de Hogeschool van Amsterdam.


117

Hoe wordt voorkomen dat het opheffen van de Adviescommissie Onderwijsaanbod (ACO) zal leiden tot een wildgroei van opleidingen?

Hoeveel verschillende soorten opleidingen zijn er op dit moment in het hbo en wo?

In het wo staan er na de herordening van het opleidingenaanbod vanaf het studiejaar 2000-2001 (exclusief de aangewezen opleidingen en de universitaire lerarenopleidingen) nog 124 verschillende opleidingen open voor instroom van nieuwe studenten. In het bekostigde hbo zijn er (exclusief de opleidingen die in afbouw zijn) in het studiejaar
2000-2001 199 verschillende opleidingen.

Voor de beoogde nieuwe inrichting van het instrumentarium gericht op het opleidingenaanbod verwijs ik u naar mijn brief van 22 december
1999.


118

Kan het op termijn niet uitsluiten van bestuurlijke fusies tussen hogescholen en roc's op termijn ook leiden tot een bestuurlijke fusie tussen een hogeschool/roc enerzijds en een universiteit anderzijds.

Ik sluit dat op lange termijn niet bij voorbaat uit. In verband met de recente grootscheepse bestuurlijke aanpassingen van roc's is het de vraag of bedoelde bestuurlijke aanpassingen op korte termijn aan de orde zullen komen.


119

`dat neemt ... niet weg dat in de toekomst door internationale ontwikkelingen ook de vraag naar het handhaven van het binaire stelsel gesteld zou kunnen worden'.

De aangehaalde passage uit het ontwerp-HOOP drukt uit dat er nu geen aanleiding is het binaire stelsel ter discussie te stellen vanwege de internationale vergelijkbaarheid. Het inhoudelijk onderscheid tussen hbo en wo wordt positief gewaardeerd door het afnemend veld en sluit aan op de verschillen in vooropleiding tussen studenten. Bovendien is het binaire stelsel geen uitzondering in Europa. Indien dit wel het geval wordt, zal de discussie opnieuw gevoerd moeten gaan worden.


120

Waarom is deze vraag nu niet aan de orde gezien alle woorden die in het HOOP zijn gewijd aan de voortschrijdende internationalisering en hoe deze stap voor te blijven? Over hoeveel jaar verwacht de regering dat de discussie over het binaire stelsel weer gevoerd moet gaan worden?

Zie het antwoord op vraag 119.


121

Wat zijn volgens de regering de voordelen van een bestuurlijke fusie van het mbo en het hbo?

In het ontwerp-HOOP is aangegeven dat fusies tussen hogescholen en roc's de komende jaren onderwerp van gesprek zullen zijn met het bve- en hbo-veld. Daarbij zal tevens verkend worden welke voordelen een dergelijke fusie voor instellingen zou kunnen hebben.


122

De wet op het Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek (WHW) zal worden aangepast dat bestuurlijke fusies tussen hogescholen en universiteiten mogelijk worden Geldt dit eveneens voor een bestuurlijke fusie tussen hogescholen en roc's?

Vooralsnog zullen bestuurlijke fusies tussen hogescholen en roc's de komende jaren nog onderwerp van gesprek zijn met het bve- en hbo-veld. Afhankelijk van de resultaten daarvan zal eventueel wetswijziging worden voorgesteld.


123

Welke landen in Europa kennen een binair stelsel zoals ons land dat heeft?

Landen van de Europese Unie die als binair getypeerd kunnen worden zijn België, Denemarken, Duitsland, Finland, Griekenland, Ierland, Oostenrijk en Portugal. De stelsels verschillen onderling wel met betrekking tot onder andere de omvang van de respectievelijke sectoren, instroomeisen en breedte van het onderwijsaanbod.


124

Welke internationale ontwikkelingen hebben geleid tot de stelling dat het binaire stelsel zich voortdurend in internationale zin moet blijven bewijzen?

Zie het antwoord op vraag 119.


125

De overheid houdt de mogelijkheid om in te grijpen in het bestaande opleidingenaanbod. Via de artikelen 6.5 en 6.10 WHW kunnen echter alleen de rechten worden ontnomen aan bestaande opleidingen. Is de regering voornemens niet alleen opleidingen rechten te ontnemen maar ook het opleidingenaanbod te sturen? Zo ja, hoe?

Voor zover het noodzakelijk zou zijn om te sturen in het opleidingenaanbod, zal dit tot stand gebracht worden via de weg van het bestuurlijk overleg.


126

Kan de regering precies aangeven wanneer de toets op macro-doelmatigheid komt te vervallen?

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar mijn brief van 22 december 1999.


127

Welke garantie kan de regering bieden dat studenten niet de dupe worden van opleidingen die, bijvoorbeeld door achteraf ingrijpen van de overheid, aangepast of opgeheven worden?

Nu reeds voorziet de WHW erin dat bij een besluit tot ontneming van rechten aan een bestaande opleidingen door de minister, het tijdstip van inwerkingtreding zodanig wordt bepaald dat de voor een opleiding ingeschreven studenten de opleiding aan dezelfde of aan een andere instelling binnen een redelijke tijd kunnen voltooien. (vgl. artikel
6.5, lid 3 WHW)

Een vergelijkbare regeling geldt indien het instellingsbestuur besluit tot het beëindigen van een opleiding. (vgl. artikel 7.34, lid 2 WHW)


128

Wanneer wordt de ACO opgeheven?

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar mijn brief van 22 december 1999.


129

Bestaat niet het gevaar dat door het vervallen van de macro-doelmatigheidstoets het beleid op nationaal niveau ondoelmatig wordt?

Hoe denkt de regering dit te kunnen voorkomen?

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar mijn brief van 22 december 1999, waarin nadere uitwerking is gegeven aan het voornemen de macro-doelmatigheidstoets te laten vervallen.


130

De regering behoudt de mogelijkheid om in te grijpen in het bestaande opleidingenaanbod wanneer «onvoorziene ontwikkelingen of grote verandering in de maatschappelijke behoefte» daartoe aanleiding geven. Wat wordt hieronder precies verstaan?

Een concreet antwoord op deze vraag is niet mogelijk. Het woord «onvoorziene» impliceert immers dat nu nog niet aangegeven kan worden welke die ontwikkelingen zullen zijn. Tot op heden is het desbetreffende wettelijk instrumentarium nog niet toegepast.


131

Is het mogelijk dat de vrijheid van instellingen om nieuwe opleidingen aan hun pakket toe te voegen leidt tot versnippering in het onderwijsaanbod van studierichtingen?

Voor de uitwerking van de voornemens inzake het opleidingenaanbod verwijs ik u naar mijn brief van 22 december 1999. Naar mijn oordeel is sprake van een uitgebalanceerd instrumentarium met voldoende checks and balances.


132

Vindt de regering het wenselijk om na afschaffing van de ACO te komen tot een verlichte vorm van een macrodoelmatigheidstoets? Zo ja, hoe denkt hij deze nieuwe toets vorm te geven? Zo nee, hoe denkt hij de efficiënte besteding van overheidsmiddelen te kunnen afzekeren?

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar de uitwerking van de voornemens inzake het opleidingenaanbod in mijn brief van 22 december
1999.


133

Kan de situatie ontstaan dat een instelling na registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs (CROHO) bekostiging dient te ontvangen voor de gehele cursusduur van inmiddels ingeschreven studenten, terwijl de regering achteraf besluit tot een procedure van ontneming van rechten aan een bestaande opleiding in het bekostigde respectievelijk het aangewezen onderwijs?

Neen, voor een opleiding die niet (meer) is geregistreerd in het CROHO ontvangt een instelling geen bekostiging.


134

Is er bij het herordeningsvoorstel van de universitaire opleidingen wel sprake van een echte afname van het aantal verschillende opleidingen, of worden verschillende opleidingen onder gelijke noemer gebracht?

Er is zonder twijfel sprake van een echte afname van het aantal verschillende opleidingen bij de universiteiten. Het aantal opleidingen is van bijna 300 teruggebracht tot 124. Tegelijkertijd is het waar dat opleidingen die eerder als afzonderlijke opleiding waren geregistreerd bij een «nieuwe» opleiding terugkeren als afstudeerrichting. Belangrijkste winstpunten zijn dat de overzichtelijkheid van het opleidingenaanbod is toegenomen en omdat één opleiding één propedeuse kent de oriënterende en verwijzende functie van de propedeutische fase versterkt is.


135

Op welke wijze wordt de externe kwaliteitszorg gewaarborgd? Is er sprake van onafhankelijke toetsing?

Onafhankelijke toetsing is van wezenlijk belang bij het stelsel van kwaliteitsborging. In het huidige visitatiestelsel vindt de toets op het onderwijs plaats door een commissie van onafhankelijke deskundigen waarbij opleidingen vergelijkenderwijs worden beoordeeld. De inspectie houdt toezicht op de wijze waarop de instellingen vorm geven aan de verplichting het onderwijs regelmatig door onafhankelijke deskundigen te laten beoordelen.


136

De eigen verantwoordelijkheid van de instelling voor de doelmatigheid van de investeringen voor nieuwe opleidingen kan onder anderen worden versterkt via interne en externe verantwoording, zoals bijvoorbeeld de toezichthoudende organen van de hogescholen en universiteiten. Hoe wordt dit intern toezicht ingevuld?

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar mijn brief van 22 december 1999.


137

Nieuwe opleidingen zullen vooraf worden getoetst. Wie neemt deze toets af? Na hoeveel tijd wordt er geëvalueerd? Wie houdt de vinger aan de pols?

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar mijn brief van 22 december 1999.


138

Voor het wo kan de instellingsverantwoordelijkheid voor het aanbod van nieuwe opleidingen na aanpassing van wet- en regelgeving worden ingevoerd; voor het hbo is een geleidelijker invoering denkbaar. Wat houdt het voorstel van de HBO-raad in betreffende de overgangsprocedure voor aanmeldingen voor het CROHO? Is het wenselijk een zelfde overgangsprocedure ook voor de universiteiten te hanteren? Is het gezien de overgangsperiode niet verstandig het vrijlaten van nevenvestigingen voor zowel universiteiten als hogescholen vooralsnog op te schorten?

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar mijn brief van 22 december 1999 waarin nadere uitwerking is gegeven aan de voornemens inzake het opleidingenaanbod en de nevenvestigingen. In aanvulling hierop wijs ik er op dat een aangepaste procedure voor de registratie in het CROHO voor het studiejaar 2001-2002, zoals getroffen voor de hogescholen, voor de universiteiten niet nodig is. Omdat in het recente verleden in het hbo moratoria golden voor het instellen van nieuwe opleidingen was de verwachting dat de hogescholen voor het studiejaar 2001-2002 veel nieuwe opleidingen zouden aanmelden. Die problematiek speelt bij de universiteiten niet omdat daar nimmer moratoria op nieuwe opleidingen hebben gegolden.


139

Kan al meer helderheid gegeven worden over de vormgeving van de toetsing nieuwe opleidingen en wie gaat deze uitvoeren? Zo nee, op welke termijn kan dat wel?

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar mijn brief van 22 december 1999.


140

Is het voor instellingen wel aantrekkelijk om `kleine' opleidingen in stand te houden als bekostiging op basis van aantallen studenten/diploma's geschiedt?

Met de overgang naar het Prestatie BekostigingsModel (PBM) voor de bekostiging van de universiteiten wordt sterker dan voorheen het accent gelegd op het bekostigen op basis van eerstejaars en getuigschriften. De overgang naar deze nieuwe bekostigingssystematiek heeft budgetneutraal plaatsgevonden. De omvang van de zogenaamde basisvoorziening onderwijs en onderzoek blijft echter substantieel.

De verdeling over de faculteiten en opleidingen van de aan een universiteit toegewezen rijksmiddelen wordt bepaald door het door de universiteit gehanteerde interne budgetmodel. Niet-financiële overwegingen spelen een belangrijke rol bij de vraag of kleine, relatief dure opleidingen in stand worden gehouden.


141

Is al meer zicht op hoe en waarom toetsing vooraf (bij nieuwe opleidingen) plaatsvindt?

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar mijn brief van 22 december 1999.


142

Het is denkbaar dat ruimte wordt geboden voor experimenten buiten de reeds aanwezige sectoren, zoals bijvoorbeeld in de sector techniek. Hoe «denkbaar» is dit en hoe groot zal die «ruimte» zijn? Is al gestart met dergelijke experimenten en wat zijn de criteria?

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar mijn brief van 22 december 1999.


143

Wat is de stand van zaken omtrent de besluitvorming positie korte opleidingen en het overleg dat hierover met HBO-raad, Platform van Aangewezen/Erkende Particuliere Onderwijsinstellingen in Nederland (PAEPON) en Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten (VSNU) is gevoerd?

Er is op dit moment nog geen besluit in voorbereiding tot afbouw van de huidige korte opleidingen. Voordat daartoe wordt overgegaan zal het gesprek worden aangegaan over de vraag hoe deze korte trajecten een plaats kunnen krijgen binnen een gevarieerd en flexibel onderwijsaanbod. Hierbij zullen HBO-raad, PAEPON en VSNU worden betrokken.


144

Waarom is voor het hbo gekozen voor een overgangsperiode van 4 jaar?

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar mijn brief van 22 december 1999.


145

Het interne toezicht is op dit moment onvoldoende transparant. Waar ligt dat aan?

Het bevoegd gezag van nagenoeg alle hogescholen in Nederland wordt gevormd door private stichtingen, die zelf verantwoordelijk zijn voor de vormgeving van het interne toezicht op de hogescholen. De toenemende autonomie waarover de hogescholen (gaan) beschikken maakt het steeds relevanter om afspraken te maken over een gedragscode voor het interne toezicht op hogescholen. De HBO-raad zal een commissie instellen om deze gedragscode voor het interne toezicht op te stellen. Deze commissie zal voor de zomer van 2000 haar rapport uitbrengen.

Wat betreft de universiteiten is met de instelling van de Raden van Toezicht reeds een zeer belangrijke stap gezet naar verbetering van de transparantie van het intern toezicht. De taak en positie van de Raden van Toezicht is onderwerp van nadere gedachtevorming. Daarbij wordt stapsgewijs - en in goed overleg met de minister - verder invulling gegeven aan de rol en functie van een Raad van Toezicht.


146

De huidige lumpsum financiering kent naast evidente voordelen ook risico's zoals het risico dat instellingen minder snel geprikkeld worden om in relatief dure opleidingen, zoals
bèta-techniekopleidingen, te investeren. Worden dergelijke risico's onderkend en, zo ja, hoe wordt daarmee omgegaan?

Lumpsum bekostiging dwingt de instellingen tot scherpe afwegingen. De huidige praktijk geeft geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat bovengenoemd effect optreedt. Bovendien vallen de bèta- en technische opleidingen, in tegenstelling tot de alpha- en gammaopleidingen, onder het zogenaamde hoge bekostigingsniveau.


147

In hoeverre doen de risico's van het bekostigingsmodel in het hbo zich minder voor in sectoren die reeds tot het takenpakket van de hogeschool behoren?

Het hbo-bekostigingsmodel kent een zeer sterke nadruk op het behalen van het diploma. Hogescholen worden in het model afgerekend op 1,35 x de jaarprijs bij uitval van de student zonder diploma en op 4,5 x de jaarprijs als de student daadwerkelijk afgestudeerd is.

Bij een dergelijk bekostigingsmodel model kan niet worden uitgesloten dat individuele instellingen nieuwe studierichtingen starten vooral met het oog op vergroting van de eigen rijksbijdrage, maar met risico's voor de kwaliteit van het hbo.

In mijn brief van 22 december 1999 is een benadering uitgewerkt waarbij dat eventuele gevolg van de grotere programmeervrijheid wordt voorkomen.


148

De algemene lijn wordt dat de besluitvorming over de spreiding van het onderwijsaanbod binnen Nederland tot de competentie van de instellingen behoort. Betekent dit dat de overheid alle zeggenschap over de spreiding van het onderwijsaanbod uit handen geeft?

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar mijn brief van 22 december 1999.


149

Bij samenwerking tussen hogescholen treedt het gevaar van monopolieposities op. Dit zal de toegankelijkheid niet ten goede komen. Hoe kan dit worden voorkomen?

Samenwerking biedt nieuwe mogelijkheden voor het instandhouden en de innovatie van het onderwijsaanbod en daarmee voor de toegankelijkheid. Instellingen die samenwerken zullen bijdragen aan een evenwichtiger geheel aan voorzieningen en zullen, omdat zij minder dan thans vaak nog het geval is elkaars directe concurrenten zijn, ook beter in staat zijn om nieuwe specialisaties in het onderwijs te realiseren en om kostenintensieve voorzieningen in stand te houden. Er is dan ook geen aanleiding om te veronderstellen dat er in de praktijk sprake zal zijn van monopolievorming.


150

Op grond waarvan wordt ten aanzien van onderwijsprogrammering wel vertrouwd op zelfregie en ten aanzien van HBO-nevenvestigingen in veel mindere mate?

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar mijn brief van 22 december 1999.


151

`... een mogelijk spanningsveld tussen het stimuleren van samenwerking en het stimuleren van de keuzevrijheid van de onderwijsvragers. Bij samenwerking tussen hogescholen treedt het gevaar van monopolieposities op' Welke rol ziet de overheid hier voor zichzelf weggelegd?

Zie het antwoord op vraag 149.


152

Een grotere rol bij het afleggen van verantwoording spelen Raden van Toezicht van universiteiten en toezichthoudende organen van hogescholen. Koppelen deze toezichthoudende instanties terug aan het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen? Wat zijn de eventuele sanctiemiddelen van deze toezichthoudende organen? Hoe wordt het toezicht gehouden en wat is daarvan de frequentie?

De rol van de Raden van Toezicht van de universiteiten is geregeld in de WHW. Wat betreft het interne toezicht bij het hbo verwijs ik u naar mijn brief van 22 december 1999.


153

«Meer verantwoordelijkheid voor instellingen kan ook leiden tot een andere rol voor de VSNU en HBO-raad». Wat is het concrete voorstel hiervoor en wat vinden de VSNU en HBO-raad hiervan.

In het overleg naar aanleiding van het ontwerp-HOOP hebben de HBO-raad en VSNU op zich genomen verder vorm te geven aan hun rol bij het initiëren en stimuleren van zelfregulering. Hiervoor verwijs ik u naar mijn brief van 22 december 1999).


154

Welke invloed krijgen de medezeggenschapsraden en studenten bij het interne toezicht?

De bevoegdheden van de medezeggenschapsraden zijn geregeld in de WHW.


155

Heeft reeds een nadere gedachtewisseling plaatsgevonden over het interne toezicht van hogescholen en de relatie met het overheidstoezicht? Zo ja, wat is het resultaat van deze gedachtewisseling?

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar mijn brief van 22 december 1999 en het antwoord op vraag 145.


156

Welke voorkeur heeft de regering als het gaat om een andere rol van VSNU en HBO-raad.

VSNU en HBO-raad willen zich in sterkere mate richten op het initiëren en stimuleren van zelfregulering. Dit is in het overleg over het ontwerp-HOOP ook aan de orde geweest met VSNU en HBO-raad. Voor het verslag van dit overleg verwijs ik u naar mijn brief van 22 december
1999.


157

'Meer ruimte en variëteit voor instellingen vraagt om verdere vergroting van de zichtbaarheid van prestaties die instellingen met de gegeven middelen leveren'. Hoe worden de richtlijnen voor het jaarverslag en de informatieafspraken herzien? Zijn naast deze voorgestelde maatregelen nog meer wijzigingen in het beleid nodig om de zichtbaarheid van de prestaties van instellingen te verbeteren?

Zie het antwoord op vraag 110. Naast een goede op verantwoording gerichte verslaglegging door de instelling acht ik de beschikbaarheid van kengetallen over onderwijsrendement, onderwijskwaliteit, onderzoekprestaties en arbeidsmarktpositie van de afgestudeerden van groot belang. Dergelijke gegevens zijn al beschikbaar, geleverd door VSNU en HBO-raad. Deze gegevens verbeteren voortdurend. Daarvoor is geen wijziging in het beleid nodig.


158

Wat wordt bedoeld met de zinsnede «een evenwicht tussen zelfregie van instellingen voor het vernieuwingsbeleid en mogelijkheden tot sturing op beleidsprioriteiten door de minister»?

Daarmee wordt bedoeld dat het in het kader van het vernieuwingsbeleid van belang is dat beleidsdoelstellingen gerealiseerd kunnen worden op een wijze waarbij tevens tegemoet gekomen kan worden aan de verschillende profielen van instellingen.


159

«....om een substantieel deel van de middelen af te zonderen van de lumpsum. Deze worden ingezet voor landelijke beleidsdoelen...» Is het oormerken van budget niet in strijd met deregulering en zelfregulering, temeer daar het niet gaat om extra geld?

Met het oog op een toegankelijk en kwalitatief hoogwaardig onderwijsbestel kan het wenselijk zijn voor het realiseren van landelijke beleidsdoelen specifieke middelen beschikbaar te stellen. Voorbeeld hiervan waren de middelen voor Kwaliteit en Studeerbaarheid die tot en met 1999 beschikbaar waren voor het HBO en WO. Een recent ander voorbeeld binnen het HBO zijn de middelen die in de periode 1999 tot en met 2004 beschikbaar worden gesteld voor instellingsspecifieke en instellingsoverstijgende projecten in het kader van de lerarenopleidingen voortgezet onderwijs. Hiervoor is, in overleg met de HBO-raad, in de periode 1999-2004 72,5 mln beschikbaar gesteld. Dit bedrag wordt afzonderlijk geraamd op artikel 21.01 Personele en Materiële uitgaven en is additioneel aan de op ditzelfde artikel geraamde lumpsumuitgaven.


160

Hoe kan worden gewaarborgd dat er niet teveel in het collegegeld wordt gedifferentieerd voor duale- en deeltijdstudenten en voor studenten ouder dan 30 jaar?

Ik wil geen beperkingen aanbrengen op de thans bestaande wettelijke vrijheid van instellingen om voor bepaalde groepen de hoogte van het collegegeld vast te stellen.


162

Hoe kan flexibiliteit in het hoger onderwijs worden bevorderd, indien een instelling niet meewerkt?

Flexibele inrichting van leerwegen is voor de instellingen een middel om te kunnen inspelen op de gedifferentieerde vraag naar hoger onderwijs. Het is in het belang van de instellingen zelf om dit middel toe te passen, al was het maar omdat zij meer bekostiging ontvangen naarmate zij meer studenten aantrekken en gediplomeerd laten uitstromen. Het is dan ook niet te verwachten, dat een instelling niet mee wil werken aan flexibiliteit. Wel is variëteit denkbaar in de mate en vorm die flexibiliteit krijgt.

In het kader van het bij de HBO-raad ondergebrachte project Flexibilisering en in het verlengde van het beleidsgericht onderzoek naar EVC zal worden bekeken in hoeverre de ontwikkeling van handreikingen kan worden gestimuleerd.


163

In- en uitschrijven is in de nieuwe Wet Studiefinanciering per maand mogelijk. Is het technisch mogelijk om collegegeld ook per maand af te rekenen?

Deze vraag kan op dit moment nog niet worden beantwoord. Tevens verwijs ik u naar mijn brief van 22 december 1999.


164

Wat is momenteel het beleid omtrent collegegeld in andere Europese landen? Hoe gaan andere Europese landen om met eigen bijdragen van studenten aan hoger onderwijs?

In een groot aantal Europese landen bestaan geen collegegelden (Denemarken, Duitsland, Griekenland, Luxemburg, Oostenrijk, Finland en Zweden). In andere Europese landen bestaan wel college- en inschrijfgelden (België, Spanje, Frankrijk, Italië, Portugal, Ierland, Verenigd Koninkrijk en Nederland). De hoogte van de tarieven is door de verantwoordelijke ministers voorgeschreven, behalve in Italië, waar de hoogte van het collegegeld door de afzonderlijke instellingen wordt bepaald, met inachtneming van een landelijk vastgesteld maximum. De hoogte van de collegegelden varieert. In Nederland, Ierland en het Verenigd Koninkrijk zijn de collegegelden hoog, maar veel studenten komen in aanmerking voor gedeeltelijke of gehele compensatie door de overheid.


165

Vastgesteld wordt dat het Nederlandse collegegeld in Europees perspectief reeds hoog is, en dat instellingen slechts beperkt gebruik maken van de vrijheid om zelf de instellingscollegegelden vast te stellen met inachtneming van een minimum. De conclusie wordt vervolgens getrokken, dat de zeggenschap van de instellingen over het collegegeld niet verder hoeft te worden vergroot. Is het niet mogelijk dat de wens bestaat het collegegeld te verlagen?

Er zijn mij geen signalen bekend dat instellingen zouden willen dat het collegegeld verlaagd wordt.


166

Hoe lang bestaan de huidige mogelijkheden voor variatie in de collegegelden al? Hoe vaak en om welke redenen wordt er gebruik van gemaakt?

Sedert 1 september 1996 zijn de hoger onderwijsinstellingen vrij om de hoogte van het collegegeld vast te stellen voor een beperkt aantal categorieën studenten. Alle instellingen maken daar ook gebruik van. Elke instelling maakt daarin zijn eigen afweging.


167

Welke zijn de onderliggende cijfers van de mededeling dat het Nederlandse collegegeld in Europees perspectief hoog ligt? Wat is hiervan de verklaring?

Volgens de studie «Key Topics in Education, Volume 1, Financial support for students in higher education in Europe», uitgevoerd door Eurydice zijn de collegegelden (1997/1998) in de landen van de Europese Unie als volgt1.

Locale valuta Omgerekend in PPP/ECU

Denemarken 0 0

Duitsland 0 0

Finland 0 0

Frankrijk FRF 744-1859 104 tot 261

Griekenland 0 0

Ierland IEP 1768-3298 2456 tot 4580

Italië ITL 293 595 - 4 250 000 172 tot 2485

Luxemburg 0 0

Nederland 2575 1165

Oostenrijk 0 0

Portugal PTE 56 700 427

Spanje ESP 65 147 - 103 560 484 tot 772

Verenigd Koninkrijk GBP 750-2800 1087-4058

Vlaanderen BEF 2 000 - 18 000 50 tot 451

Wallonië BEF 11 261 - 26 500 282-664

Zweden 0 0


1. Toelichting. Wallonië, Spanje, Frankrijk, Italië en Zweden: cijfers voor 1996/1997; PPP/ECU: Purchasing Power Parity, gebaseerd op de waarde van de ECU; voor Nederland: wettelijk collegegeld. Zie ook antwoord op vraag 164.

Hieruit blijkt, dat in 12 Europese landen het collegegeld lager is dan in Nederland, waarvan 7 landen helemaal geen collegegeld heffen. In één land is het collegegeld hoger (Ierland), en in Italië bestaat een maximum, dat hoger is dan het tarief in Nederland. In het Verenigd Koninkrijk is in 1998/1999 een uniform collegegeld van 1000 pond ingevoerd (niet in tabel opgenomen).

De belangrijkste verklaring van deze verschillen ligt in de politieke afwegingen die in de verschillende landen in het verleden gemaakt inzake de relatie tussen individueel en collectief profijt van hoger onderwijs. Tevens dient rekening gehouden te worden met compensatieregels in beurzenstelsels. Zie ook het antwoord op vraag
164.


168

Zullen beide voorgestelde vormen van afstudeersteun in het nieuwe belastingstelsel 2001 onder hetzelfde belastingregime vallen?

De nieuwe voorziening bij de Informatie Beheer Groep vormt fiscaal gezien een onderdeel van de studiefinanciering. De afstudeersteun die door de instellingen wordt gegeven wordt fiscaal gelijk behandeld als studiefinanciering. Beide vormen van afstudeersteun zijn fiscaal onbelast.


169

Welke problemen zijn ontstaan bij de uitvoering van de huidige regelgeving? Zijn de instellingen en de studenten het eens met de wijziging van de afstudeerregeling?

Voor een uitgebreide beantwoording van deze vraag verwijs ik u naar paragraaf 1.5.6 van het algemeen deel van de memorie van toelichting bij de WSF2000 (Kamerstukken II 1999-2000, 26873, nr. 3).


170

Wordt vanuit de regering geen enkel kader gesteld waarbinnen de ethische commissies hun taken en werkwijze dienen vorm te geven?

Inderdaad.


171

Aan welke deregulering van de universitaire bestuursstructuur wordt gedacht?

Met het inwerkingtreden van de Wet modernisering universitaire bestuursorganisatie (MUB) in 1997 is aan de openbare universiteiten grote vrijheid gegeven om de interne bestuursorganisatie vorm te geven, onder gelijktijdige introductie van een raad van toezicht-model in het wetenschappelijk onderwijs. In 2001 is een evaluatie voorzien van deze wetswijziging, waaruit wellicht verdergaande voorstellen voor deregulering van de bestuursorganisatie voortvloeien. Ik acht het niet aan de orde om nu al, vooruitlopend op de uitkomsten van deze evaluatie, concrete uitspraken omtrent verdergaande deregulering van de bestuursorganisatie te doen.


172

Zullen er geen beperkingen zijn ten aanzien van het gebruik van Engels als voertaal in het hoger onderwijs ?

Er zullen beperkingen blijven. De wettelijke bepaling die een gedragscode voorschrijft blijft bestaan. Bij het hanteren van een vreemde taal blijft het immers van belang dat er zorgvuldig met het gebruik hiervan wordt omgegaan, zowel vanwege het culturele belang van de Nederlandse taal als vanwege de effectiviteit van de kennisoverdracht.


173

Wat zijn de opvattingen van de andere Europese landen die een soortgelijke binaire hoger onderwijsstructuur hebben als Nederland ten aanzien van het komen tot een gelijksoortige Europese onderwijsstructuur?

Het streven in Europees verband is er niet op gericht te komen tot één gelijksoortige onderwijsstructuur. Het gaat om het beter vergelijkbaar maken van de bestaande systemen ten behoeve van het bevorderen van internationale mobiliteit van studenten. Uitgangspunt van deze vergelijking is de systematiek van twee cycli: bachelor en master. Dat deze opvatting ook door de andere Europese landen wordt gedeeld blijkt uit hun ondertekening van de Bologna verklaring.


174

Hoe kunnen hoger onderwijsstelsels beter vergelijkbaar worden als allerlei landen verschillende structuren hebben. Wat verwacht de regering: zal de Europese ontwikkeling van onderwijsstructuur juist richting binair zijn of juist niet? Hoe gaan andere landen om met de bachelor-masterstructuur? Vormt de typisch Nederlandse invulling van het binaire stelsel geen belemmering voor de internationale herkenbaarheid van het Nederlandse hoger onderwijs?

Zie het antwoord op vraag 104 en 119


175

Wat betekent de ondertekening en uitwerking van de Bologna verklaring concreet voor de instellingen.

De Bologna verklaring is een intentieverklaring ondertekend door ministers uit 29 Europese landen, en bevat als zodanig geen concrete maatregelen voor de instellingen zelf. Bij de uitwerking zullen de instellingen in de verschillende landen uiteraard een rol krijgen. In Nederland zijn veel universiteiten reeds bezig met het invoeren van een bachelor-masterstructuur. Met het oog op de ontwikkeling naar een bachelor-masterstructuur op de langere termijn zal de Onderwijsraad gevraagd worden een adviescommissie in te stellen. Na ontvangst van het advies zal overleg plaatsvinden met de VSNU en de HBO-raad over implementatie door de instellingen.


176

Is het mogelijk om te komen tot een internationaal accreditatiesysteem voor alle Bolognalanden? Zo ja, hoe staat de regering hiertegenover?

Hoewel internationale accreditatie geen onderdeel uitmaakt van de Bolognaverklaring zie ik internationale accreditatie als een verderweg liggend doel dat middels een aantal deelstappen bereikt kan worden. Het doel van internationale accreditatie is opleidingen qua niveau te vergelijken op basis van internationaal gangbare standaarden. Ik wil dat bereiken door overeenstemming te bereiken over de standaarden waaraan bachelor- en masterprogramma's dienen te voldoen. Eerst bilateraal later multilateraal. Internationale afspraken zullen in dit verband via de nationale kwaliteitszorgstelsel gemonitord moeten worden. Expertmeetings van deskundigen uit verschillende landen en gemeenschappelijke projecten op het gebied van accreditatie en visitatie kunnen daarvoor een aanzet geven.


177

Op welke wijze wordt in Nederland werk gemaakt van het systeem van erkenning van buiten het hoger onderwijs verworven kwalificaties? Hoe ver is het buitenland op dit punt?

Erkenning van elders verworven competenties (EVC) speelt in het hoger onderwijs nu al een rol bij het colloquium doctum en toekenning van vrijstellingen. Om een meer precies beeld te krijgen van de ervaringen met EVC in het hoger onderwijs, andere onderwijssectoren en het buitenland is een beleidsgericht onderzoek uitgezet. De resultaten komen in het voorjaar van 2000 beschikbaar.


178

Een combinatie van handhaving van het binaire stelsel en invoering van een bachelor/masterstructuur betekent dat er twee soorten bachelors komen. Volgt hieruit dat er een soort gezamenlijk `behaald niveau' van hbo- en wo bachelors moet zijn?

Dit betreft een complex vraagstuk dat onderwerp zal zijn van de nadere adviesaanvraag aan een door de Onderwijsraad in te stellen adviescommissie. Uitgangspunt is in ieder geval dat bachelors in hbo en wo duidelijk zijn te onderscheiden.


179

Zal bij de invoering van twee cycli in het Nederlandse hoger onderwijs het bachelor's diploma ook een eventueel eindpunt van hoger onderwijs kunnen zijn, geschikt voor toetreding tot de arbeidsmarkt?

In het hbo vormt het bachelordiploma reeds een uitstroomniveau naar de arbeidsmarkt. In het wo is de huidige kandidaatsfase niet bedoeld als uitstroommoment. Het is de keuze van de student zelf om met een behaald kandidaatsexamen de arbeidsmarkt te betreden.


180

Zal de invoering van een bachelors-masterstructuur ook leiden tot een aanpassing van het bekostigingsstelsel, waarbij zowel masteropleidingen van hogescholen als universiteiten worden bekostigd.

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar mijn brief van 22 december 1999.


181

Hoeveel universiteiten/opleidingen maken er precies gebruik van de mogelijkheid om een kandidaatsfase te onderscheiden, gelegen op bachelorniveau? Het zijn vooral de vijfjarige opleidingen die dit oppakken. Waarom wordt dit niet opgepakt door andere dan 5-jarige opleidingen?

De universiteiten in Delft, Eindhoven, Wageningen, Leiden en Nijmegen hebben aangekondigd een bachelor-masterstructuur universiteitsbreed in te gaan voeren. Daarmee gaan ook 4-jarige opleidingen een bachelor-masterstructuur oppakken. Tot dusver ligt het accent evenwel meer op 5-jarige opleidingen. Voornaamste reden hiervoor is wellicht dat het bachelor-master model veelal geassocieerd wordt met een 3+2 opbouw. Dit is internationaal gezien echter geenszins de enige vormgeving. De VSNU neemt het op zich de invoering van de bachelor-masterstructuur binnen universiteiten te inventariseren en te monitoren.


182

Bij de invoering van bachelors en masters in het hoger onderwijs zullen er zowel hbo-bachelors als wo-bachelors komen. Blijft de mastertitel voorbehouden aan een afgeronde universitaire opleiding?

Voor een afgeronde universitaire opleiding blijft de mastertitel uiteraard kenmerkend. Daarnaast is gebruik van de mastertitel echter ook in zwang geraakt voor bepaalde postinitiële opleidingen, zowel in het hbo als in het wo. In mijn brief van 22 december 1999 heb ik aangegeven op termijn de postinitiële masteropleidingen onder te willen brengen in een systematiek van accreditatie. Daarmee zou een verdergaande formalisering in de zin van een wettelijk beschermde titel op de agenda komen. Een definitiever standpunt kan ik ten aanzien van dit onderwerp pas innemen in het kader van de bredere bachelor-master discussie, na ontvangst van het advies, vóór 1 juli
2000, van een door de Onderwijsraad in te stellen adviescommissie.


183

Vormen de genoemde elementen ter vertaling van de Bologna-verklaring het standpunt van de regering op dit punt? Zo nee, wat is het standpunt van de regering?

De in het ontwerp-HOOP genoemde elementen zijn de vertaling van de Bologna verklaring naar de huidige Nederlandse situatie. De consequenties op de langere termijn voor het Nederlandse hoger onderwijs moeten nog verder worden doordacht. Ik zal de Onderwijsraad vragen een adviescommissie in te stellen gericht op advisering hierover vóór 1 juli 2000.


184

Toelating tot opleidingen van de tweede cyclus met een bachelorgraad kan geen automatisme zijn. Kan (in het kader van autonomievergroting) aan instellingen nog wel gevraagd worden dit inzichtelijk te maken/houden voor studenten? Maakt dit het systeem niet alleen maar gedifferentieerder en nog ondoorzichtiger?

Gegeven de verschillen tussen instellingen in Europa kan toelating tot opleidingen van de tweede cyclus met een bachelorgraad bij een overstap geen automatisme zijn. Transparantie voor student is echter wel van belang. Hiervoor mag worden verwacht dat de instellingen heldere regels stellen voor toelating en goede voorlichting geven.


185

Kan worden toegelicht waarom de erkenning van de universitaire doctoraalopleidingen als masteropleidingen wordt ondergraven door de ontwikkeling van masteropleidingen van hogescholen? Is er niet veeleer sprake van de situatie dat universitaire doctoraalopleidingen in het buitenland worden erkend als bacheloropleiding, omdat de opleidingen thans meestal één cyclus omvatten? Hoe kan voorkomen worden dat postinitiële hbo-opleidingen de internationale erkenning van universitaire doctoraalopleidingen als masteropleidingen ondergraven? Hoe kan duidelijkheid geschept worden tussen de twee mastertitels?

Naast de doctoraalopleidingen op masterniveau, bestaan er aan de universiteiten en hogescholen ook postinitiële opleidingen die masteropleidingen worden genoemd. Het bestaan van postinitiële masteropleidingen, in hbo én wo, wekt internationaal de indruk alsof het masterniveau een postinitieel niveau is, waardoor de erkenning van de universitaire doctoraalopleidingen als masteropleidingen in Nederland wordt ondergraven.

Sporadisch wordt het Nederlands doctoraal-diploma door een land lager gewaardeerd. Een reden hiervoor is dat het betreffende land meerdere uitstroomniveaus in het universitaire onderwijs kent waar Nederland één uitstroomniveau heeft, te weten het doctoraal niveau.

Het bestaan van postinitiële masteropleidingen kan een andere reden zijn.

De systematiek van accreditatie, zoals beschreven in mijn brief van 22 december 1999, beoogt zowel de internationale erkenning van de universitaire doctoraalopleidingen als masteropleidingen te versterken als duidelijkheid te scheppen tussen de initiële en postinitiële mastertitel.


186

Blijft de mastertitel verbonden aan een afgeronde universitaire opleiding?

Op basis van de huidige wetgeving is degene die gerechtigd is tot het voeren van de titel ir, mr of drs, tevens gerechtigd in plaats daarvan de titel Master te voeren. Er is geen enkele aanleiding daar in de toekomst vanaf te stappen.


187

Wat betreft het tussenmoment: de terminologie voor de aangeboden differentiatiemogelijkheden zal gaan verschillen (bijv. major/minor) en voorwaarden hiervan ook. Hoe kan dan toegewerkt worden naar internationale duidelijkheid?

De terminologie voor de aangeboden differentiatiemogelijkheden mag gaan verschillen. Voor internationale duidelijkheid is wel van belang dat deze differentiatiemogelijkheden worden ingepast in een bachelor-masterstructuur. Met de ontwikkeling van een bachelor-masterstructuur in Nederland wordt aangesloten op de ontwikkeling binnen Europa, in het kader van de Bologna verklaring, naar een opbouw volgens twee cycli.


188

In welke landen bestaan problemen bij het gelijkstellen van het Nederlandse doctoraal met het masterniveau?

Slechts sporadisch bestaan problemen bij het gelijkstellen van het Nederlandse doctoraal met het masterniveau. Het gaat dan met name om de VS, dat meerdere uitstroomniveaus in het universitaire onderwijs kent, waar Nederland één uitstroomniveau heeft, te weten het doctoraal niveau. Overigens is dit probleem niet specifiek voor Nederland, ook andere landen met ongedeelde opleidingen hebben daarmee te maken.


189

Hoe voorkomen andere landen tekorten in het hoger onderwijs in bepaalde sectoren (zoals techniek, ict, verzorging en onderwijs)?

Hiervan is geen generiek beeld te geven. In het onderzoek van PriceWaterhouseCoopers naar tekorten aan informatici is de situatie in het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten, Israël, Finland en Canada bestudeerd. Het beleid in deze landen is gericht op het verbeteren van ict-vaardigheden van de beroepsbevolking door scholing, verhoging van de instroom in ict-opleidingen, stimuleren van samenwerking tussen opleidingsinstellingen onderling en met het bedrijfsleven, verbeteren van het imago van ict en werving van buitenlandse werknemers. De overheid heeft hierbij in het algemeen de rol van intermediair.


190

De internationale mobiliteit van Nederlandse studenten groeit tegenwoordig niet meer. Waarom niet? Hoe hoog is de internationale mobiliteit nu? Waarom is het niet mogelijk om de internationale mobiliteit nog meer te stimuleren?

Internationale studentenmobiliteit vindt plaats binnen gesubsidieerde programma's en daarbuiten. De mobiliteit die wordt gesubsidieerd met programma middelen wordt sinds enige jaren gemonitored (Monitor van internationale mobiliteit in het onderwijs, 1e editie 1998; Bison). Hieruit blijkt dat deze sterk gerelateerd is aan de beschikbare middelen. Het grootste deel vindt plaats in het kader van de EU-programma's, waarvan de budgetten voor een paar jaar worden vastgesteld. Daarbij gaat het om constante bedragen.

De Nederlandse overheid stelt additioneel middelen beschikbaar voor programma's gericht op specifieke doelgroepen of landen. De meest recente gegevens over deelname aan EU-programma's: voor Socrates, het onderdeel Erasmus, was de uitstroom in 1997/1998 4171 studenten, in
1996/1997 4146; voor de programma's Leonardo en Tempus was dat aantal in 1995/1996 circa 450, voor zowel stages als uitwisselingen.

Van de buiten-programma mobiliteit bestaat geen volledig beeld. Beschikbaar materiaal geeft evenwel aan dat het ook hier gaat om een substantieel aantal studenten. Over de totale mobiliteit (zowel binnen als buiten programma's) geeft de HBO-monitor informatie. Daaruit blijkt dat de totale mobiliteit aanzienlijk hoger ligt dan de programmamobiliteit. Over het cohort afgestudeerde hbo-ers 1996/1997 zijn de volgende gegevens beschikbaar: 17% heeft een stage gedaan in het buitenland, 5% een studie (onderdeel) en 7% heeft overige buitenland ervaring. (Getallen kunnen niet opgeteld worden omdat personen in hun antwoord meerdere categorieën aan konden kruisen). Voor het wo beschik ik nog niet over dergelijke cijfers.

Kortom: gesubsidieerde mobiliteit groeit niet meer maar er is een substantiële mobiliteit buiten programma's om op gang gekomen. Dat laatste beschouw ik als een positieve ontwikkeling.

Tot slot wijs ik er op dat internationale mobiliteit geen doel op zich is, het is een instrument voor internationalisering, maar niet het enige. Daarnaast kan worden gedacht aan de versterking van de internationale dimensie van het curriculum van de eigen opleiding en de versterking van de internationale concurrentiepositie van het Nederlandse hoger onderwijs. In dit verband verwijs ik naar de beleidsbrief Kennis: geven en nemen.


191 Waarom groeit de internationale mobiliteit van de Nederlandse studenten niet meer? Hoe is de mobiliteit van het personeel? Is er een verschil in mobiliteit tussen wo- en hbo-studenten?

Zie vraag 190. Over mobiliteit van het personeel beschik ik niet over geaggregeerde gegevens.

Ten aanzien van. de verschillen in mobiliteit tussen wo en hbo studenten zijn op dit moment onvoldoende gegevens beschikbaar. De 2e editie van de Monitor internationale mobiliteit in het onderwijs, die dit voorjaar zal worden gepubliceerd zal meer inzicht geven in de ontwikkelingen binnen de gesubsidieerde programma's. Wel is aan te geven dat wo-studenten relatief vaker studieonderdelen en hbo-studenten vaker een stage volgen in het buitenland.


192

Is het doel de internationale mobiliteit, ook in de grensregio's, te vergroten? Waar zijn nog knelpunten voor de vergroting van mobiliteit? Is de regering bereid om de knelpunten te inventariseren (bijvoorbeeld in samenwerking met de Landelijke Studenten Vakbond) en daarna zoveel mogelijk drempels weg te nemen (ook met betrekking tot de studiefinanciering)?

Vergroting van internationale mobiliteit is geen doel op zich, zie ook mijn antwoord op vraag 190. Knelpunten voor grensoverschrijdende samenwerking en mobiliteit zijn reeds geïnventariseerd in een onderzoek van het CHEPS in het kader van de «Regeling stimulering grensoverschrijdende samenwerking hoger onderwijs» (Den Haag, 1999). Aan de suggestie van de LSVb is dus reeds tegemoet gekomen. Uit het onderzoek van het CHEPS komt naar voren dat de meest genoemde knelpunten bij mobiliteit zijn:

? verschillen in curriculumopbouw;

? verschillen in academische kalenders;

? verschil in taal;

? verschillen in cultuur;

? verschillen in examensystemen.

Het gros van deze knelpunten is op te lossen in onderlinge samenwerking tussen instellingen. Waar mogelijk zal de Nederlandse overheid in overleg met andere overheden trachten belemmeringen weg te nemen. Zo zijn knelpunten op het gebied van studiefinanciering (OV-jaarkaart) in de afgelopen jaren verholpen.


193

Verruiming van de toepassing van een Europees studiepuntenstelsel wordt voorgesteld. Zal het Nederlandse studiefinancieringssysteem hierbij ook flexibel (genoeg) zijn?

Een Europees studiepuntenstelsel zoals bijvoorbeeld het ECTS is een transfer- of omrekeningssysteem van in het buitenland behaalde studieprestaties ter bevordering van de internationale studentenmobiliteit. De omrekening van ECTS-studiebelastingspunten is gebaseerd op Nederlandse studiepuntenstelsel. Verruiming van de toepassing van ECTS interfereert niet met het Nederlandse studiefinancieringssysteem. Voor zo ver er een volledige studie in Europa wordt gevolgd met studiefinanciering is alleen het afsluitend diploma van belang voor de prestatiebeurs. Indien in het kader van een Nederlandse opleiding een onderdeel in het buitenland wordt gevolgd is de studiepuntentoekenning van de Nederlandse instelling bepalend.


194

Is de regering ook voornemens om het European Credit Transfer System naast het nationale studiepuntenstelsel toe te passen?

De regering ziet in ECTS een belangrijk instrument om internationale mobiliteit van studenten te stimuleren. De invoering van ECTS bij instellingen van hoger onderwijs geschiedt op basis van vrijwilligheid. ECTS wordt voor zo ver bekend reeds bij een groot aantal instellingen toegepast.


195

«... door verruiming van de toepassing van een Europees studiepuntenstelsel, bijvoorbeeld het European Credit Transfer System (ECTS), naast de nationale studiepuntenstelsels'. Betekent dit dat de regering het ECTS wil uitbouwen zodat het als een algemene standaard voor de erkenning van certificaten en diploma's gebruikt kan worden?

De regering verwacht niet dat ECTS als algemene standaard voor de erkenning van certificaten en diploma's zal worden gebruikt. ECTS is een Europees transfer- of omrekeningssysteem voor studieprestaties van studenten op basis van tussen instellingen overeengekomen maatstaven. De wederzijdse erkenning van certificaten en diploma's is afhankelijk van gelijkwaardigheid van inhoudelijke kwaliteitseisen die aan een opleiding worden gesteld. Om deze inhoudelijke erkenning vorm te geven streef ik ernaar te komen tot vormen van internationale accreditatie.


196

Hoe verhoudt het beleid van instellingen als de universiteit Wageningen - die in latere jaren van de opleiding Engels als voertaal hanteren- tot het door Nederland in Brussel ingenomen standpunt dat de culturele diversiteit (waaronder ook de taal) zoveel mogelijk in tact gehouden zou moeten worden?

De basisregel is dat het onderwijs wordt gegeven en de examens worden afgenomen in het Nederlands. Het is van belang dat er zorgvuldig wordt omgegaan met het gebruik van vreemde talen, zowel vanwege het belang van culturele diversiteit als vanwege de effectiviteit van kennisoverdracht. Soms kan er aanleiding zijn om te kiezen voor een andere voertaal. De WHW voorziet daartoe in het hanteren van een gedragscode door de instellingen bij het verzorgen van onderwijs in een vreemde taal.


197

Er wordt een gedragscode gehanteerd bij het verzorgen van onderwijs in een vreemde taal. Hoe wordt dit gecontroleerd en gesanctioneerd?

Controle vindt plaats naar aanleiding van de gebruikelijke verantwoording in het jaarverslag en door toezicht op naleving van regelgeving door de inspectie.


198

Welke onderwijsinhoudelijke argumenten zijn er voor het vervallen van toetsing vooraf voor wat betreft het aanbieden van onderwijs in een vreemde taal?

De toegenomen internationalisering van het hoger onderwijs vormt het belangrijkste onderwijsinhoudelijke argument voor het vervallen van de toetsing vooraf bij het verzorgen van een opleiding in een vreemde taal.


199

Is het juist dat de mogelijkheid van volledige zelfstandigheid met betrekking tot de activiteiten inrichting door de instellingen voor internationaal onderwijs (io-instellingen) in het voorgestelde model aanwezig is?

Bij de integratie van de instellingen voor internationaal onderwijs in het wetenschappelijk onderwijs is het essentieel dat partijen zelf bepalen hoe de integratie vorm krijgt. Het gaat om maatwerk. De partijen spreken zelf af in hoeverre de io-instelling zelfstandig is in de inrichting van haar activiteiten. De aard van de bestuurlijke eindverantwoordelijkheid van één universiteit per 1-1-2002 kan verschillend zijn en variëren van een penvoerderschap tot een meer exclusieve beheersverantwoordelijkheid.


200

Zou in de samenwerking van het Institute for Housing and Urban Development Studies (IHS) met Rotterdam en Wageningen ook de Universiteit Utrecht een rol kunnen spelen, dit gezien de activiteiten op het gebied van regionale ordening en planologie?

Integratie van io in wo betekent niet dat de io instellingen niet meer kunnen samenwerken met andere instellingen. Inhoudelijke samenwerking met meerdere universiteiten of andere organisaties moet behouden blijven. Indien partijen in dit geval een meerwaarde onderkennen in inhoudelijke samenwerking met de Universiteit Utrecht, moet dit mogelijk zijn.


201

Ontstaat met de aansluiting bij marktactiviteiten niet het risico van vermenging van primaire en commerciële taken? Kan de regering dit toelichten?

Contractonderwijs en -onderzoek kan bevruchtend werken op het reguliere onderwijs en onderzoek, onder meer door stimulering van innovatie. Contractactiviteiten mogen niet ten koste gaan van regulier onderwijs en onderzoek. Bovendien mag de rijksbijdrage niet gebruikt worden voor contractactiviteiten, wat immers zou leiden tot oneigenlijke concurrentie. De VSNU is in overleg met werkgeversorganisaties over een gedragscode voor marktactiviteiten. De HBO-raad heeft aangegeven ook een dergelijke code te zullen ontwikkelen. Deze gedragscodes zullen in de toekomst getoetst worden aan de regelgeving inzake Markt en Overheid.


202

Wanneer is er volgens de regering geen sprake meer van het behoud van de eigen missie?

De vraag verwijst naar de passage dat contractactiviteiten bevruchtend kunnen zijn en vernieuwing kunnen stimuleren wanneer ze aansluiten bij de primaire missie van universiteiten en hogescholen. Het bewaken van de missie is de taak van de instellingsbesturen.


203

«Hogescholen krijgen een bescheiden, maar niet onbelangrijke stroom contractactiviteiten voor onderwijs, toegepast onderzoek en advies». Over welk percentage gaat het in dit kader?

De totale opbrengsten voor werk voor derden in de jaren 1994-1998 voor het hbo zien er als volgt uit (bron: financiële analyse jaarrekeningen, Cfi):


1994 1995 1996 1997 1998

In miljoenen 146,1 176,9 181,2 201,2 236,3

In % van totale baten 4,5% 5,4% 5,4% 5,7% 6,4%


204

Voorziet de regering een toename van toegepast onderzoek in het hoger onderwijs voor met name het midden- en kleinbedrijf?

Ja. Het midden- en kleinbedrijf wordt steeds kennisintensiever en doet als gevolg daarvan een toenemend beroep op de kennisinfrastructuur, zowel voor scholing van personeel als voor (toegepast) onderzoek.


205

Hoe staat het met deze gedragscode voor contractonderwijs- en onderzoek? Zijn er sancties bij overtreding van deze code?

Zie het antwoord op vraag 201.


206

Op welke termijn kunnen we een gedragscode voor de uitvoering van contractactiviteiten door universiteiten en hogescholen verwachten en hoe wordt aan deze gedragscode vorm gegeven?

Zie het antwoord op vraag 201.


207

Kan de regering toelichten hoe de regeling voor de innovatie van het onderwijs precies vorm gaat krijgen? Op welke actoren heeft deze regeling betrekking en op welke termijn denkt de regering deze regeling in te voeren?

Zoals op pagina 71 van het ontwerp-HOOP is aangegeven, wordt het draagvlak deze regeling nader onderzocht. De precieze vormgeving en de invoeringstermijn van de regeling zijn derhalve nog niet bepaald. De HBO-raad en de werkgeversorganisaties hebben inmiddels verklaard positief te staan tegenover een innovatieregeling voor het hbo. Met hen zal de concrete uitwerking van de regeling nader worden afgestemd.

De regeling is bedoeld voor studenten in de afstudeerfase en recent afgestudeerde hbo'ers.


208

Hogescholen kennen geen structurele geldstroom voor onderzoek. Is het gezien het belang van innovatie van het hbo en de kenniscirculatie voor bedrijven gewenst om naast contractonderzoek ook reguliere middelen voor toepassingsgericht onderzoek in het hbo ter beschikking te stellen? Zijn hiervoor naast middelen van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen ook eventueel middelen vanuit het ministerie van Economische Zaken beschikbaar?

De regering is thans niet voornemens reguliere middelen beschikbaar te stellen voor toepassingsgericht onderzoek in het hbo.

Wel neem ik de conclusies van de AWT en de Onderwijsraad in het advies `HBO en kenniscirculatie' over innovatie van het onderwijs en de tekortkomingen in de kenniscirculatie tussen het hbo en het maatschappelijk veld zeer serieus. Met de minister van EZ zal ik de Raden vragen om in een vervolgadviesaanvraag hierop nader in te gaan.


209

Welke conclusies worden verbonden aan de constatering dat onderzoek binnen het hbo van groot belang is?

Voor de beantwoording van deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 208.


210

Het HOOP noemt diverse modaliteiten van variëteit en flexibilisering van de leerwegen binnen de opleidingen in het hoger onderwijs. In hoeverre is het gewenst in deze modaliteiten enige beperkingen aan te brengen gelet op de grenzen aan de personele en materiële draagkracht van de instellingen?

Het overheidsbeleid is gericht op het zodanig aanpassen van randvoorwaarden dat verschillende vormen van differentiatie in leerwegen mogelijk zijn. Het is aan de instellingen om deze differentiatie uiteindelijk concrete vorm te geven. Dit proces zal voor een instelling uiteraard worden begrensd door materiële draagkracht, maar deze grenzen zullen door de instelling zelf bepaald worden.


211

Een aantal instellingen wil hun duale opleiding - gemeten in studiepunten - langer laten duren dat de voltijdse variant van dezelfde opleiding. Volgens de regering heeft deze aanpassing geen consequenties voor de studiefinanciering en de bekostiging. Kan de regering toelichten waarom zij deze mening is toegedaan?

De reguliere studielast in het wo bedraagt 168 studiepunten. Voor een beperkt aantal opleidingen is hierop bij wet een uitzondering gemaakt: zij hebben een hogere studielast. De instellingen krijgen voor deze opleiding geen extra bekostiging. Wel ontvangen studenten aan deze opleidingen extra studiefinanciering. Voor het overige kunnen instellingen op grond van artikel 7.4 WHW de studielast verhogen, zij het dat dit niet leidt tot extra aanspraken op bekostiging of studiefinanciering. De mogelijkheid tot verhoging van de studielast geldt nu alleen voor een hele opleiding. Voornemen is dit ook voor varianten van opleidingen - zoals de duale inrichting - mogelijk te maken.


212.

Op welke manier geven de universiteiten in de praktijk invulling aan de kandidaatsfase?

Hiervan is op dit moment geen overzicht beschikbaar.


213

Bestaat reeds zicht op de bekostiging van de fase volgend op de kandidaatsfase?

De opleidingen van de universiteiten worden volledig bekostigd, inclusief de fase volgend op de kandidaatsfase. Er is geen enkele aanleiding daar verandering in aan te brengen.


214

Welke criteria (zullen) gelden voor de instroom van werkenden in de fase na de kandidaatsfase?

De instellingen bepalen deze criteria zelf. Er mag van worden uitgegaan dat het daarbij gaat om criteria die uitwijzen dat de studerende beschikt over kennis en vaardigheden op bachelorniveau. Daarnaast kunnen bijvoorbeeld eisen worden gesteld aan de werkkring van betrokkenen, wanneer de opleiding daarop is afgestemd.


215

Geldt de opmerking dat `een tussenmoment in het hbo geen consequenties heeft voor de studiefinanciering' eveneens voor studenten in het wo? Zo niet, moet dit niet als een ontmoediging worden gezien om een wo-traject te volgen?

Ja, het kandidaatsdiploma in het wo heeft geen directe consequenties voor de studiefinanciering. Een student behoudt het recht de opleiding voort te zetten en met behoud van studiefinanciering de doctoraalopleiding af te ronden. Echter, er bestaat wettelijk de ruimte om de kandidaatsfase in plaats van het einddiploma als afrekenmoment te hanteren, indien de student dat wenst. Een opleiding moet daartoe door de minister `aangewezen' worden. Aangezien het de keuze van de student zelf is om na het kandidaatsdiploma, al dan niet met studiefinanciering, de studie te vervolgen, is er geen sprake van ontmoediging van het volgen van een wo-opleiding.


216

Zal de gemiddelde studieduur bij een eventuele introductie van een keuzemoment in het hbo langer worden?

Het is niet te verwachten dat de introductie van een keuzemoment in het hbo zal leiden tot een verlenging van de gemiddelde studieduur. Wel zal het voorkomen dat sommige studenten op een later tijdstip met een hbo-diploma beschikbaar komen voor de arbeidsmarkt, omdat zij vanwege hen moverende redenen hun studie voor enige tijd willen onderbreken. Daar tegenover staat dat er juist ook in toenemende mate categorieën studenten zullen zijn, die de opleiding verkort afronden, omdat het tussenmoment ook dient als instroommoment op een hoger niveau voor werkenden of buitenlandse studenten. Vooral het verder vorm krijgen van EVC zal deze ontwikkeling bevorderen.


217

Er zal een inventariserend beleidsgericht onderzoek worden uitgezet naar de opgedane ervaringen omtrent de beoordeling van elders verworven competenties (EVC), in het postinitieel onderwijs. Door wie wordt dit onderzoek uitgevoerd, hoe wordt het onderzoek precies vormgegeven en op welke termijn zijn de resultaten beschikbaar?

Zie het antwoord op vraag 80.


218

Het College Toekomst Studiefinanciering en het Interstedelijk Studenten Overleg hebben gepleit voor invoering van onderwijsafspraken in het hoger onderwijs. Wat is de reactie van de regering ten aanzien van dit voorstel?

Het maken van onderwijsafspraken is een zaak tussen student en instelling. Onderwijsafspraken kunnen bijdragen aan een meer op de eigen wensen van de student afgestemd leertraject. Ook specifieke afspraken gericht op bepaalde doelgroepen beschouw ik als een goede ontwikkeling. Voorschrijven van dergelijke afspraken door de overheid ligt niet in de rede. De huidige wetgeving bevat geen belemmeringen voor de invoering van onderwijsafspraken. In het ontwerp-HOOP zijn instellingen uitgenodigd om in de praktijk ervaring met onderwijsafspraken op te doen. De ervaringen zullen worden gebundeld in beleidsgericht onderzoek, dat zal resulteren in handreikingen voor onderwijsafspraken.


219

Is het wel mogelijk om, als instellingen dat zouden willen, met het huidige onderwijsstelsel en bekostiging op grootschalige wijze onderwijsafspraken in te voeren?

Er zijn geen belemmeringen in de regelgeving of de bekostiging voor invoering van onderwijsafspraken.


220

De Onderwijsraad heeft geadviseerd om de leesbaarheid van het statuut en de voorlichting aan de studenten over de inhoud van het statuut te verbeteren. De regering heeft de HBO-raad en de VSNU gevraagd om dit advies verder uit te werken. Op welke termijn zal dit gebeuren en kan de Tweede Kamer van de uitwerkingen op de hoogte worden gesteld?

De Onderwijsraad heeft geconcludeerd dat het studentenstatuut in het algemeen aan de wettelijke voorschriften voldoet, maar dat de leesbaarheid en voorlichting aan studenten voor verbetering vatbaar zijn. Ik beschouw dit als een verantwoordelijkheid van de instellingen, uiteraard in overleg met de studenten. Daarom heb ik de VSNU en de HBO-raad uitgenodigd om, gehoord de studentenorganisaties, de aanbevelingen van de Onderwijsraad uit te werken en zijn er geen afspraken gemaakt over de termijn waarop dit zal plaatsvinden. Ik zal de VSNU en de HBO-raad vragen naar hun voornemens terzake en de Kamer over de voortgang informeren.


221

Wat houden «collectieve arrangementen» in om de werking van het studentenstatuut te verbeteren? Kan de regering een voorbeeld geven?

Het studentenstatuut en de onderwijs- en examenregeling zijn voorbeelden van collectieve arrangementen die de rechtspositie van studenten regelen. In het ontwerp-HOOP worden, in navolging van het advies van de Onderwijsraad, voorstellen gedaan om de werking van deze collectieve arrangementen te verbeteren, zoals verbetering van de leesbaarheid van het studentenstatuut en van de voorlichting aan studenten over de inhoud van het statuut.


222

Wordt het functioneren van de opleidingscommissies van universitaire opleidingen meegenomen bij de evaluatie van de MUB?

Ja.


223

Als belangrijkste knelpunt voor het functioneren van de opleidingscommissies wordt het vinden van voldoende kandidaten voor het lidmaatschap van de opleidingscommissies genoemd. Welke maatregelen gaat de regering nemen om de belangstelling van studenten voor opleidingscommissies toe te laten nemen en op welke termijn?

Het stimuleren van de deelname van studenten aan opleidingscommissies is primair de verantwoordelijkheid van de instellingen.


224

Hoe verhoudt de oriënterende functie van de propedeuse zich tot een strenge prestatie-eis in de propedeuse?

De propedeuse heeft al sinds geruime tijd zowel een oriënterende, een selecterende als een verwijzende functie.


225

In hoeverre wordt er momenteel gebruik gemaakt van activerende werkvormen in de propedeusefase van de onderscheiden studierichtingen en instellingen in het wetenschappelijk onderwijs?

Hiervan bestaat geen landelijk overzicht. Uit de beschikbare bronnen zoals de inspectie-rapporten over studeerbaarheid of visitatierapporten komt wel naar voren dat studentgericht onderwijs toeneemt en activerende werkvormen die een groter beroep doen op de zelfstandigheid van studenten steeds vaker worden toegepast.


226

Om inzicht te krijgen in de voor- en nadelen van de verschillende modaliteiten worden de instellingen uitgenodigd hier in de praktijk ervaring mee op te doen. Beleidsgericht onderzoek zal worden uitgevoerd waarbij opgedane ervaringen worden gebundeld op basis waarvan handreikingen worden opgesteld voor onderwijsafspraken. Welke actoren worden bij dit onderzoek betrokken en op welke termijn zal het onderzoek uitgevoerd worden?

Zie het antwoord op vraag 218


227

Welke rol/invloed hebben en krijgen de studenten bij de beoordeling van de interne kwaliteitszorg van de opleidingen?

Studenten participeren in de interne kwaliteitszorg in de vorm van de opleidingscommissies. Opleidingscommissies brengen advies uit over de onderwijs- en examenregeling en de wijze van uitvoeren ervan. Ook kunnen zij desgevraagd of uit eigen beweging advies uitbrengen over alle aangelegenheden betreffende het onderwijs in de desbetreffende opleiding of groep van opleidingen.

Verder participeren studenten in de visitatiecommissies en zijn als zodanig betrokken bij de beoordeling van de interne kwaliteitzorg. Studenten die deelnemen aan een visitatiecommissie komen in aanmerking voor financiële ondersteuning uit het landelijke afstudeersteunfonds.


228

Hoe wordt een onafhankelijker positionering van het stelsel van kwaliteitszorg precies vormgegeven?

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar mijn brief van 22 december 1999.


229

Naast het bestaande visitatiestelsel is het van belang dat ook andere kwaliteitszorginstrumenten worden benut. Aan welke instrumenten wordt hierbij gedacht?

In aanvulling op het bestaande visitatiestelsel denk ik in het bijzonder aan accreditatie. In mijn brief 22 december 1999 schets ik in hoofdlijnen het door mij beoogde stelsel van accreditatie.


230

Als uit visitatierapporten blijkt dat een opleiding beneden de maat opereert, welke middelen heeft de regering dan om in te grijpen?

Indien de inspectie het aantoonbaar acht dat er sprake is van ernstige tekortkomingen gedurende een reeks van jaren en dat deze niet spoedig zijn op te heffen, kan de minister op grond van de huidige wetgeving overgaan tot een waarschuwing ex artikel 6.5.WHW. Indien er naar aanleiding van de waarschuwing vervolgens door de betrokken instelling niet adequaat gehandeld wordt, kan de minister in het uiterste geval besluiten tot ontneming van rechten.


231

Is internationale accreditatie mogelijk wanneer onderwijssystemen internationaal vergeleken nog erg verschillend zijn?

Het is inderdaad zo dat de diversiteit aan onderwijssystemen vergelijking ingewikkelder maakt. Internationale accreditatie is wat mij betreft het uiteindelijke doel dat via een aantal deelstappen bereikt kan worden. Het oogmerk van internationale accreditatie is opleidingen qua niveau te vergelijken op basis van internationaal gangbare standaarden. Ik wil dat bereiken door overeenstemming te bereiken over de standaarden waaraan bachelor en masterprogramma's dienen te voldoen. Eerst bilateraal later multilateraal. Internationale afspraken zullen in dit verband via de nationale kwaliteitszorgstelsel gemonitord moeten worden. Expertmeetings van deskundigen uit verschillende landen en gemeenschappelijke projecten op het gebied van accreditatie en visitatie kunnen daarvoor een belangrijke aanzet geven.


232

Zullen de voorstellen voor verdere internationalisering van de kwaliteitszorg door de VSNU en HBO-raad voor de behandeling van de nota Variëteit en Waarborg beschikbaar zijn?

Nee, dit proces bevindt zich nog in een verkennende fase.


233

De Inspectie signaleert problemen bij het bewaken van de studielast in hbo en wo. Hoe kunnen deze problemen worden opgelost? Hoe kunnen sancties aan opleidingen worden opgelegd die zich niet aan de wettelijke norm houden?

De bewaking van studielast dient onderdeel uit te maken van het systeem van kwaliteitszorg van instellingen voor hoger onderwijs, zowel van het interne systeem van kwaliteitszorg als van het externe kwaliteitszorgsysteem middels visitaties. Middels de afgesproken procedures over de bestuurlijke hantering van de uitkomsten van visitaties, waarbij de inspectie een belangrijke rol vervult, kunnen sancties worden opgelegd.


234

Is er al zicht op een mogelijke samenwerking met het Verenigd Koninkrijk voor een mogelijke vergelijking op het gebied van accreditatie in het hoger onderwijs?

Er is op ambtelijk niveau overleg gevoerd met de HBO-raad en de VSNU om op de korte termijn een expertmeeting te organiseren met organisaties op het gebied van kwaliteitszorg in het Verenigd Koninkrijk. Het doel van de beoogde expertmeeting is het verkennen van de mogelijkheden om tot een vergelijking te komen van kwalificaties en kwaliteitszorgsystemen in het hoger onderwijs. Ik verwacht dat een dergelijke bijeenkomst in het voorjaar van 2000 kan plaatsvinden. Mede naar aanleiding van deze bijeenkomst kan bekeken worden hoe samenwerking met het Verenigd Koninkrijk en andere landen zoals Duitsland en België verder gestalte kan krijgen.


235

Hoeveel van de niet-erkende masteropleidingen slagen erin om via de U-bocht van erkenning door een buitenlandse universiteit toch een Nederlandse erkenning binnen te halen?

Masteropleidingen die door hogescholen worden verzorgd via de zogenaamde `'U-bocht-constructie'' kunnen niet worden "erkend" op grond van de Nederlandse regelgeving, in die zin dat aan die opleidingen wettelijke rechten kunnen worden verbonden met betrekking tot bekostiging, getuigschriften of titulatuur.


236

De titulatuur is op zichzelf niet beschermd. Zou het mogelijk zijn deze bescherming in te voeren?

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar mijn brief van 22 december 1999.


237

Wordt bij de ontwikkeling van accreditatie gebruik gemaakt van de ervaringen met validering door de Dutch Validation Council?

De systematiek van accreditatie wordt in overleg met een brede kring van betrokkenen en deskundigen uitgewerkt. Het is mijn voornemen om in mei met nadere voorstellen te komen. Van de ervaringen van de Dutch Validation Council met validering zal gebruik worden gemaakt.


238

Waarom wordt accreditatie niet als voorwaarde voor registratie gesteld?

Ik zie registratie als een eerste maar noodzakelijke voorwaarde om in een groeimodel tot accreditatie van postinitiële masteropleidingen te komen. Om geregistreerd te kunnen worden, zullen de opleidingen eerst aan een aantal kwalitatieve criteria moeten voldoen. In het kader van de ontwikkeling van een accreditatiestelsel ben ik voornemens om op termijn postinitiële masteropleidingen van aangewezen en bekostigde instellingen aan accreditatie te onderwerpen.


239

Opleidingen kunnen als kwalitatief onvoldoende worden beoordeeld en uit het register worden geschrapt. Kunnen zij daarna nog wel de titel master gebruiken? Zo ja, zou het niet verplicht gesteld kunnen worden dat bij het gebruik van de titel master accreditatie een voorwaarde is?

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar mijn brief van 22 december 1999.


240

Zijn er extra inspanningen nodig om ervoor te zorgen dat instellingen zich vrijwillig registreren zeker gezien het feit dat daar sancties aan verbonden kunnen worden in de vorm van een beoordeling als onvoldoende?

Het ordenen van de verschillende masteropleidingen met als doel het vergroten van de doorzichtigheid van het aanbod en het verbeteren van de internationale herkenbaarheid van de Nederlandse opleidingen is ook in het belang van de instellingen. De HBO-raad en de VSNU zijn reeds actief op dit terrein. De vraag of er daarnaast nog extra inspanningen nodig zijn om ervoor te zorgen dat de instellingen zich vrijwillig laten registreren, zal ik beoordelen in het licht van de voorstellen voor de nadere uitwerking van de systematiek van accreditatie in mei.


241

Ook het bedrijfsleven kan eisen stellen aan de kwaliteitszorg voor opleidingstrajecten. Hoe groot zal de invloed van het bedrijfsleven zijn en waar ligt de grens?

Het is voor het bedrijfsleven van belang dat de kwaliteitszorg van opleidingen tot een hoge mate van transparantie leidt. Het bedrijfsleven levert een belangrijke bijdrage aan de kwaliteitszorg van opleidingen, ondermeer door deelname aan visitatiecommissies. Daarnaast is in het hbo de inbreng van het bedrijfsleven van belang als het gaat om het formuleren van werkveldgerichte opleidingskwalificaties. De instelling blijft uiteraard in alle gevallen verantwoordelijk als het gaat om de kwaliteit van het curriculum.


242

Wanneer wordt de proefaccreditatie in het hbo geëvalueerd?

De zelfevaluaties ten behoeve van de proefaccreditatie in het hbo starten in januari 2000. In 2001 wordt het accreditatieproces afgerond en kan de evaluatie van de proefaccreditatie worden voltooid. Ik heb de Inspectie gevraagd te onderzoeken of de Inspectie bij de proefaccreditatie zijn taken en bevoegdheden op een adequate wijze heeft kunnen uitvoeren. De Inspectie heeft mij toegezegd in 2001, 2002 en 2003 daarover te rapporteren.


243

Bij ernstige problemen over de kwaliteit van het hoger onderwijs kan de minister ingrijpen. Hoe kan de regering ingrijpen?

Zie het antwoord op vraag 230


244

Heeft het personeelsbestand van universiteiten en hogescholen niet naast een onevenwichtige leeftijdsopbouw ook een onevenwichtige verhouding tussen mannen en vrouwen? Zo ja, wat is de regering voornemens hieraan te doen - naast het instellen van een stimuleringsfonds, hetgeen slechts voor universiteiten geldt? Zou een evenwichtige verhouding in het personeelsbestand een onderdeel kunnen worden van de kwaliteitseisen van een instelling voor het hoger onderwijs?

Het ontwikkelen en voeren van het personeelsbeleid is de primaire verantwoordelijkheid van de instellingen zelf. Het ligt dan ook niet in de rede dat een evenwichtige verhouding in het personeelsbestand een onderdeel zal worden van door mij te stellen kwaliteitseisen aan de instellingen van hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Wel wordt ter uitvoering van de motie van het lid Van der Hoeven c.s. die de regering oproept met een gericht plan te komen om knelpunten in het wetenschapspersoneelsbeleid op te lossen, een adviescommissie ingesteld. Deze Commissie zal voor 1 juni 2000 op basis van een analyse van de knelpunten voorstellen doen voor maatregelen om knelpunten weg te nemen. Verder bevordert de Wet Evenredige Vertegenwoordiging (WEV) wat het hoger onderwijs betreft een groter aandeel vrouwen in bestuursfuncties en de hoogste wetenschappelijke functies en docentenfuncties.


245

Is er enig inzicht in de omvang en de behoefte aan nieuw personeel in het hoger onderwijs?

Ik heb geen inzicht in de precieze omvang van de behoefte aan nieuw personeel in het hoger onderwijs. Gelet op de onevenwichtige leeftijdsopbouw van het personeelsbestand van universiteiten en hogescholen met vooral oudere wetenschappers en docenten, zal over een aantal jaren een groot aantal oudere medewerkers de arbeidsmarkt verlaten.


246

Wat houdt het programma » Investors in people» in?

Het programma Investors in People (IIP) is een instrument voor kwaliteitsverbetering van personeel. Het is erop gericht arbeidsorganisaties een methodiek aan te reiken die het management in staat stelt om in een continu proces -in samenspraak met de medewerkers- organisatiedoelstellingen te formuleren en intern te communiceren, discrepanties tussen feitelijke en noodzakelijke kwaliteiten vast te stellen, en resultaten van acties en opleidingen te volgen en te beoordelen ten behoeve van mogelijke vervolgactiviteiten.

Britse bedrijven -waarbinnen het programma is ontwikkeld- krijgen het IIP-keurmerk indien zij aan de eisen van de IIP-standaard voldoen.

In het kader van de verdere ontwikkeling van een eigentijds personeels- en organisatiebeleid waarbij ook aandacht is voor verbetering van de concurrentiepositie op de arbeidsmarkt, gaat de VSNU thans met een aantal universiteiten na, in de vorm van pilots, in hoeverre de IIP-standaard en implementatie-methodiek toepasbaar zijn op de Nederlandse universiteiten


247

Aangewezen onderwijs richt zich qua programmering steeds meer op de reguliere instroomcategorieën. Vormt het aangewezen daarmee niet een ongelijke concurrentie voor het reguliere hbo- zij hoeven immers niet aan dezelfde kwaliteitseisen te voldoen? Wat kan de regering hieraan doen? Hoe wordt de kwaliteit van het aangewezen onderwijs gegarandeerd?

Het aangewezen onderwijs dient (o.g.v. WHW art. 1.18) aan dezelfde kwaliteitseisen te voldoen als het bekostigd onderwijs. Binnenkort worden aan de Tweede Kamer de resultaten aangeboden van de gezamenlijke werkgroep PAEPON, Inspectie en OCenW met betrekking tot de inrichting van het kwaliteitszorgstelsel binnen het aangewezen onderwijs.


248

Is de regering van plan om in het kader van een goede studiekeuzevoorlichting initiatieven te nemen om in de Keuzegids Hoger Onderwijs indicaties te laten opnemen omtrent de mate waarin instellingen `aangepast hoger onderwijs' aanbieden?

Ik wijs er op dat de Keuzegids Hoger Onderwijs een onafhankelijke uitgave is. De Keuzegids maakt ten aanzien van de inhoud van de gids een eigen afweging.


249

Wat is de uitkomst van het ronde-tafelgesprek tussen instellingen, studenten, werkgevers, inspectie en OCenW over een gezaghebbende landelijke keuzegids?

In het desbetreffende ronde-tafelgesprek zijn verschillende aspecten van een keuzegids aan de orde gekomen. Belangrijkste conclusie was dat het belang van een gezaghebbende kwaliteitsgids breed wordt onderschreven. In het overleg naar aanleiding van het ontwerp-HOOP is dit nader aan de orde gekomen. Voor de uitkomsten daarvan verwijs ik u naar mijn brief van 22 december 1999.


250

Kunnen er in de keuzegids Hoger Onderwijs indicaties worden opgenomen omtrent de mate waarin instellingen `aangepast hoger onderwijs' voor studenten met een functiebeperking bieden?

Zie het antwoord op vraag 248.


251

Is het technisch mogelijk en wenselijk dat er een soort «kenniscentrum» opgericht wordt dat als taak krijgt te onderzoeken hoe ict in het reguliere onderwijs kan worden gebruikt, om daarna hoger onderwijsinstellingen te adviseren, zoals de LSVb suggereert in «Het HOOP onder de loep genomen»?

In het Nederlandse hoger onderwijs is er op verschillende plaatsen expertise op dit terrein beschikbaar. In het kader van het SURF-educatief-programma wordt een virtueel expertisecentrum opgericht, waarin deze expertise gebundeld wordt en waar instellingen terechtkunnen met vragen over gebruik van ict in het hoger onderwijs. In het door de LSVb gesuggereerde kenniscentrum is dus reeds voorzien.


252

`Naar verwachting zullen de voordelen van ict-gebruik juist bij veranderingen van het onderwijs optreden. Dit wordt echter slechts beperkt toegepast'. Betekent dit dat er instellingen/opleidingen zijn die bij en na een veranderend onderwijsproces geen gebruik maken van ict? Gebeurt dit vaak? Hoe kan het gebruik van ict gestimuleerd worden?

Met de aangehaalde passage is bedoeld dat de meerwaarde van het gebruik van ict in het onderwijs relatief gering is wanneer ict alleen als vervanging van andere leermiddelen wordt ingezet. Deskundigen spreken in dat geval van substitutie. Zij verwachten dat de voordelen van ict-gebruik toenemen naarmate er meer sprake is van innovatie of transformatie van het onderwijs. Dergelijke meer ingrijpende veranderingen van het onderwijsproces met behulp van ict komen in het Nederlandse hoger onderwijs - evenals in het buitenland overigens - nog maar op bescheiden schaal voor.

Uit onderzoek (`Flexibel en open hoger onderwijs met ict: een inventarisatie van ict-gebruik, meningen en verwachtingen», IVLOS en OCTO 1999 en «The use of Information and Communication Technology in Higher Education: An International Oriëntation on Trends and Issues», CHEPS 1999) en ronde tafelgesprekken met deskundigen blijkt dat stimulering van ict-gebruik zich de komende periode vooral moet richten op:

? implementatie, waarbij deskundigheidsbevordering van docenten, draagvlak binnen faculteiten en beschikbaarheid van voldoende lesmateriaal cruciaal zijn

? planmatige inbedding van ict in andere onderwijsinnovaties

? het ontwikkelen van leeromgevingen en databases via internet.

Het SURF-educatief-programma ondersteunt dit via het Educatiefonds, dat innovatieve projecten meefinanciert, en verder een scholingsprogramma voor deskundigheidsbevordering van docenten, een platform voor uitwisseling van ervaringen en een virtueel expertisecentrum omvat. De overheid - die ten aanzien van het ict-gebruik in het hoger onderwijs vooral een ondersteunende en voorwaardenscheppende rol heeft - draagt aan het Educatiefonds de komende jaren in totaal 27 mln. bij. Daarnaast is in de rijksbijdrage voor de Open Universiteit Nederland een bedrag oplopend tot 15 mln. vanaf 2001 opgenomen voor innovatie. Dit bedrag wordt vooral ingezet voor ict.


253

Deskundigheid en tijd van docenten blijken het grootste knelpunt bij de integratie van ict in het onderwijs. Hoe kan dit knelpunt weggenomen worden? Welke concrete voorstellen kan de regering ten aanzien van dit probleem doen? Kan een overzicht worden gegeven van alle virtuele leeromgevingen in ontwikkeling in Nederland?

Deskundigheidsbevordering van docenten vraagt om scholing en tijd om ict in het onderwijs te leren toepassen. Dat is primair een zaak van de instellingen. Het scholingsprogramma dat deel uitmaakt van SURF-educatief ondersteunt hen daarbij. SURF ontvangt tot en met 2002 voor het Educatief-programma een subsidie van in totaal 27 mln.

Op veel plaatsen wordt gewerkt aan de ontwikkeling van virtuele leeromgevingen, zowel binnen hoger onderwijsinstellingen als door commerciële partijen. Een omvattend overzicht hiervan is niet beschikbaar. Enkele bekende voorbeelden van virtuele leeromgevingen binnen het hoger onderwijs zijn Elon (OUNL), Teletop (UT) en Polaris (UM). Binnen het hbo zijn met name de experimentele lerarenopleidingen en de Fontys-hogeschool zeer actief bij de ontwikkeling en de toepassing van virtuele leeromgevingen.


254

Het lijkt er op dat integratie van ict en de ontwikkeling naar individuele leerprocessen eerder om meer personeel vraagt dan minder en dus een duurder onderwijssysteem is dan het huidige. Deelt de regering deze opvatting?

Er zijn maar weinig gegevens beschikbaar over de kosten en opbrengsten van gebruik van ict in het hoger onderwijs. Uit het beschikbare onderzoek blijkt dat kosten en effecten van ict-gebruik moeilijk in kaart zijn te brengen. Meer in het algemeen kan wel het volgende worden gezegd. Kleinschaliger vormen van onderwijs vragen meer begeleiding van studenten en doen daarmee een groter beroep op docenten. Voor zover gebruik van ict leidt tot meer individueel onderwijs, neemt ook de tijdsbelasting voor het personeel toe. Anderzijds kan ict-gebruik docenten ontlasten. Het is dus moeilijk een eenduidig antwoord te geven op de kosteneffecten van ict-gebruik in het hoger onderwijs, zeker op langere termijn.


255

Is er inzicht in hoeverre instellingen ict-voorzieningen voor studenten nu al stimuleren? Hoe kan dit vanuit het ministerie gestimuleerd worden? In het kader van de flexibilisering van het hoger onderwijs zou gestreefd moeten worden naar een computer voor elke student. Kan geïnventariseerd worden hoeveel studenten geen computer bezitten? Zou onderzocht kunnen worden of het mogelijk is hiertoe een regeling te treffen?

Uit het trendrapport van de Wetenschappelijk Technische Raad SURF (Werk in uitvoering, december 1999) blijkt dat het aantal werkplekken voor studenten op de instellingen fors stijgt. In het hbo zijn er inmiddels 6,8 werkplekken per 100 studenten, in het wo 6,4. Van deze werkplekken is in het wo ruim 70% en in het hbo bijna 50% aangesloten op een extern netwerk.

De meeste instellingen voor hoger onderwijs stimuleren studenten bij het aanschaffen van computers bijvoorbeeld middels PC-privé projecten (leningen en/of bulkcontracten). Uit een onderzoek van SURFnet uit
1998 blijkt dat in het wo 86% en in het hbo 93% van de studenten een computer thuis heeft. Hiervan was circa 30% aangesloten op het internet.

Eén van de belangrijkste redenen dat veel studenten niet op het internet waren aangesloten waren de (telefoon) kosten. SURFnet heeft in samenwerking met KPN Telecom Studenten Online opgestart. De pilot, die is gestart op 1 juli 1998 en zal lopen tot 1 januari 2001, stelt iedere student en medewerker van een op SURFnet aangesloten universiteit of hogeschool in staat om vanaf de thuiswerkplek in te bellen op SURFnet en het Internet tegen minimale kosten.

Gezien het feit dat de meeste studenten reeds een computer thuis hebben en ook de voorzieningen op de instelling goed zijn, is een onderzoek naar een generieke regeling door OCenW niet nodig. Bovendien is de overheid niet verantwoordelijk voor het aantal computers op een instelling of bij de studenten thuis.


256

`Daarbij gaat het in de eerste plaats om het meefinancieren van de infrastructuur op landelijk niveau'. Hoe groot is het aandeel van de regering bij het meefinancieren?

Vanuit de overheid is sinds de jaren `80 fors bijgedragen aan de ontwikkeling van SURFnet, waarbij tegenwoordig vooral de internationale connectiviteit en de ontwikkeling van breedbandige capaciteit centraal staan. De overheidsbijdrage voor Gigaport - die in totaal zo'n 160 mln. bedraagt - is voor een belangrijk deel bestemd voor opwaardering van SURFnet tot het zogenaamde «Internet 2-niveau».


257

Hoe is de stand van zaken van ict op lerarenopleidingen? Wordt dit gemonitord / geëvalueerd?

Uit de ict-monitor van het Onderzoek Centrum van de faculteit der Toegepaste Onderwijskunde van de Universiteit Twente, blijkt dat de lerarenopleidingen ict integreren in hun opleidingen. Veel lerarenopleidingen staan nog aan het begin van het vernieuwingsproces; zij maken met name gebruik van ict als ondersteunend middel. De experimentele lerarenopleidingen in het hbo hebben ict het meest vergaand geïntegreerd in hun opleidingen; zij maken ook gebruik van ict bij het geven van onderwijs en zij leren hun studenten hoe zij gebruik kunnen maken van ict bij hun stages in de school. In het evaluatieonderzoek van de Inspectie van het Onderwijs naar de omslag van de eerste- en tweedegraads lerarenopleidingen in het hbo naar een meer vraaggerichte werkwijze, wordt specifiek aandacht besteed aan de integratie van ict in het onderwijs van de lerarenopleidingen.


258

Hoe is de 44,5 miljoen verdeeld tussen de universiteiten en hogescholen?

Van de 44,5 miljoen gulden die beschikbaar is voor het ict-deel van het vernieuwings-proces van de lerarenopleidingen ontvangen universiteiten 1,5 miljoen gulden en hogescholen 43 miljoen gulden. Deze verdeling is globaal terug te voeren op de aantallen studenten in de lerarenopleidingen in wo en hbo. U ontvangt binnenkort via een afzonderlijke brief nadere informatie over het financiële kader voor de vernieuwing van de lerarenopleidingen.


259

Er zullen allianties plaatsvinden tussen instellingen voor hoger onderwijs en bedrijven. Hoe wordt de onafhankelijkheid van de instelling hierbij gegarandeerd?

De genoemde allianties hebben betrekking op virtueel onderwijs. De Onderwijsraad verwacht dat de concurrentie van buitenlandse aanbieders tot dergelijke allianties zal leiden. Ook virtueel onderwijs zal - zeker voor zover het leidt tot wettelijk erkende graden - aan kwaliteitseisen moeten voldoen en dus onderdeel uitmaken van het voorgestelde stelsel van accreditatie. De huidige regelgeving houdt geen rekening met virtueel onderwijs. De gevolgen van virtueel onderwijs voor regelgeving, waaronder kwaliteitszorg en erkenning van graden zullen daarom nader in beeld worden gebracht.

Bij allianties tussen hoger onderwijsinstellingen en bedrijven zal er verder voor gewaakt moeten worden dat er geen middelen uit de rijksbijdrage worden ingezet voor contractactiviteiten (z.g. kruissubsidiëring). Hiervoor zullen de gedragscodes, die de VSNU en HBO-raad in overleg met werkgeversorganisaties opstellen en eventueel de regelgeving inzake Markt en Overheid zorg dragen.


260

Hebben de voorgestelde bezuinigingen op het budget van de OUNL invloed op het handhaven van haar voortrekkersrol ten aanzien van het verzorgen van afstandsonderwijs?

Nee. De bezuiniging op de Open Universiteit Nederland is gebaseerd op de voortdurende daling van de studentenaantallen, in het bijzonder van het aantal tweede kansstudenten. In het strategisch plan dat de OUNL voor 1 maart 2000 zal opstellen en mijn reactie daarop zal behoud voor het Nederlandse hoger onderwijs van de expertise van de OUNL op het gebied van afstandsonderwijs nadrukkelijk een aandachtspunt zijn.


262

Is het juist dat de studentenaantallen bij het lopende bekostigingsmodel voor de OUNL geen rol spelen?

In de bekostigingsregeling voor de Open Universiteit Nederland is onder meer een prestatiegebonden deel onderscheiden. Over de te leveren prestaties op het terrein van de aantallen getuigschriften en vernieuwingstaken worden voor 4 jaren afspraken gemaakt. Na 3 jaar is er een mogelijkheid om het budget tussentijds bij te stellen, als de prestaties te ver afwijken van de gemaakte afspraken. Is dat niet het geval, dan zullen aan het eind van het 4e jaar nieuwe afspraken gemaakt worden voor de volgende periode. Studentenaantallen spelen derhalve geen directe rol in het lopende bekostigingsmodel maar indirect, via de afspraken over de aantallen getuigschriften, wel degelijk.


263

`Integratie met de Universiteit van Maastricht ligt voor de hand.' Deelt de OUNL deze opvatting?

De OUNL wil - overigens evenals ondergetekende - geen enkele optie uitsluiten.


264

Heeft de OUNL ook zeggenschap over wie in de begeleidingscommissie zitting neemt?

De samenstelling van de begeleidingscommissie is afgestemd met de OUNL. Met brief van 21 oktober 1999 heb ik de OUNL voorgesteld de volgende leden van de begeleidingscommissie te benoemen:

prof. dr. R. J. In 't Veld, voorzitter

prof. dr. B. P. F. Al

prof. dr. L. Koopmans

De commissieleden zijn inmiddels benoemd.


265

Hoe wordt de verkenning die AXIS (een Nationaal Platform voor Natuur en Techniek) heeft uitgevoerd naar problemen in de lerarenopleidingssector bèta/techniek betrokken bij de beleidsvorming?

AXIS laat op verschillende terreinen verkenningen uitvoeren om het vraagstuk rond de tekorten in de techniek scherper in beeld te krijgen. Op basis van uitkomsten van deze verkenningen worden onder meer projecten opgezet. De verkenning rond de lerarenopleidingen in de sector bèta/techniek wordt een dezer dagen afgerond. De uitkomst zal door AXIS worden verwerkt in een notitie met aanbevelingen.


266

Wanneer verschijnt de notitie waarin het ministerie van OCenW en het ministerie van EZ een aanzet geven voor strategie-ontwikkeling op het gebied van wetenschaps- en technologiecommunicatie? Op wat voor termijn kunnen we deze notitie verwachten?

De ministers van OCenW en EZ zullen de notitie over wetenschaps- en technologiecommunicatie naar verwachting in april 2000 uitbrengen.


267

Wanneer is het project gestart dat tot doel heeft de beroeps- en opleidingskwalificaties van alle opleidingen in de sector techniek bij te stellen, zijn er al resultaten geboekt en kunnen deze aan de Tweede Kamer bekend worden gemaakt?

Het project is breed van opzet, en betreft zowel de technische opleidingen in het vmbo en mbo als in het hbo. Wat betreft het hbo is inmiddels een verkenning naar de inrichting van de technische opleidingen afgerond. Op basis van deze verkenning zullen nu een aantal projecten verder worden onderzocht. De looptijd van deze projecten zal plusminus 2,5 jaar beslaan. Te zijner tijd kunnen de resultaten aan de Tweede Kamer bekend worden gemaakt.


268

In het wo wordt een aantal maatregelen genomen om de keuze voor de leraren-opleiding aantrekkelijk(er) te maken, met name voor bèta-studenten. Maar wat gebeurt er met bijvoorbeeld de 2e graads-opleidingen en de pabo's? Daar speelt toch hetzelfde?

In de brief die u binnenkort zult ontvangen met de beantwoording van uw vragen bij de eerste voortgangsrapportage over de uitvoering van de maatregelen in de nota «Maatwerk voor morgen», zal ik hier nader op ingaan.


269

Heeft de regering plannen gemaakt om de vrouwelijke reserve aan te spreken en hoe zien deze plannen er uit?

Vooral vrouwen kiezen vaak voor andere opleidingen, ook al voldoen zij aan de instroom-eisen voor de bèta- en technische opleidingen. De aantrekkelijkheid van de bèta- en technische opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs zal voor deze `reserve' naar verwachting voor een deel vergroot worden door de inhoudelijke verbreding van de opleidingen en andere activiteiten in het verlengde van onder andere het bèta-convenant van mei 1998. Daarnaast worden het Nationaal platform voor Natuur en Techniek in onderwijs en arbeidsmarkt (AXIS) en de landelijke organisatie vrouwen in hogere technische opleidingen en functies (VHTO) gefaciliteerd, onder andere om de vrouwelijke reserve aan te spreken. De VHTO werkt door middel van het project Technova aan de vergroting van instroom, doorstroom en uitstroom van het aantal vrouwen en meisjes in technische hbo-opleidingen. AXIS heeft diverse activiteiten in gang gezet om de belangstelling voor en de aantrekkelijkheid van de techniek te vergroten. Daarnaast rekent AXIS het tot haar taak om kennis over de achtergronden van de tekorten in de techniek te ontwikkelen en te verspreiden. De vrouwelijke reserve vormt hierbij een nadrukkelijk aandachtspunt.


270

Naast de bèta-reserve blijven de relatief lage rendementen in de technische wetenschappelijke opleidingen een belangrijk aandachtspunt. Zijn er al afspraken gemaakt met de technische universiteiten om deze rendementen te laten stijgen? Zo nee, op welke termijn zullen deze afspraken dan gemaakt worden?

Voor de natuurwetenschappelijke opleidingen van de algemene universiteiten zijn in het beta-convenant afspraken gemaakt over rendementsverbetering. Denkbaar is vergelijkbare afspraken te maken met de technische universiteiten. Ik zal de mogelijkheden daartoe dit jaar nagaan.


271

Op welke termijn gaan het Van Hall Instituut en de Internationale Agrarische Hogeschool Larenstein een concern vormen en hoe wordt dit concern er in de praktijk vorm gegeven?

Voor de samenwerking is de term Holding gekozen, welke recent is opgericht.

Het bestuur van de Holding wordt gevormd door de colleges van bestuur van beide instellingen; de Raad van Toezicht bestaat uit een gelijk aantal vertegenwoordigers

uit de bestuursraden van beide instellingen.

Beide instellingen dragen bevoegdheden over aan dit gemeenschappelijke bestuur.

In een periode van twee jaar moet dit zijn afronding vinden in een fusie.


272

Bestaat er al een nieuwe constellatie voor de behartiging van noodzakelijke instellingsoverstijgende taken? Zo nee, op welke termijn zal deze er komen?

Ja, op 18 november 1999 hebben de gezamenlijke HAO-instellingen de HAO-Raad opgericht.


273

Om de universitaire instroom te vergroten en de positie van het Noorden te versterken is besloten tot de ontwikkeling van een propedeuse in Leeuwarden om zo te komen tot een aansluitend opleidingstraject tussen hbo en wo. Op welke termijn wordt dit plan bewerkstelligd en is al bekend hoe het curriculum van de propedeuse in Leeuwarden er inhoudelijk uit zal komen te zien?

Het plan is in uitvoering. Aan de curricula van de propedeuses wordt door beide instellingen gewerkt. In september 2001 zal men in Leeuwarden met de uitvoering starten van vier Wageningse propedeuses: levensmiddelentechnologie, biotechnologie, technologie en milieumanagement, en water en atmosfeer.


274

Op welke termijn zal voor de Wageningen UR (Universiteit en Researchcentrum) een bekostigingsmodel worden ontwikkeld en hoe zal dit model er uitzien?

Een ontwerp van een bekostigingsmodel voor Wageningen Universiteit en Researchcentrum wordt op zijn werking onderzocht. Het streven is om per 1 januari 2001 een nieuw bekostigingsmodel in te voeren. Dit bekostigingsmodel sluit wat betreft de bekostigingsgrondslagen zoveel mogelijk aan op het prestatiebekostigingsmodel voor de andere universiteiten.


275

Op welke termijn zal het ministerie van LNV de inhoudelijke onderwijsvernieuwing gestalte geven? Kan de Tweede Kamer hiervan op de hoogte worden gebracht?

De inhoudelijke onderwijsvernieuwing wordt vorm gegeven door de Regeling versterking en innovatie agrarisch onderwijs (VIA-regeling) die in 1998 van kracht is geworden.

De eerste ronde projecten heeft in 1999 plaatsgevonden. Op dit moment wordt gewerkt aan de toekenningen in de tweede ronde. Daarnaast wordt binnenkort een evaluatie van de regeling afgerond.


276

Wat is de reden voor de loskoppeling van de arbeidsmarktfixus van het HOOP? Wordt deze fixus in de toekomst aan een andere regelgeving gekoppeld? Zo ja, aan welke?

Onlangs is een wetsvoorstel ingediend met het voorstel om de HOOP-frequentie te wijzigen van twee jaar naar vier jaar (TK
1999-2000, 26 905). Door deze verlenging is het HOOP niet langer een geschikt instrument voor de aankondiging van het voornemen om een arbeidsmarktfixus in te stellen. Bij handhaving van die koppeling zou de fixusaankondiging zich moeten uitstrekken over een periode van vier jaar. Voorgesteld wordt om de `HOOP-procedure' te vervangen door een (afzonderlijke) bekendmaking aan de beide kamers der Staten-Generaal en aan de instellingen van het voornemen om een arbeidsmarktfixus vast te stellen. Hiermee blijven de Staten-Generaal betrokken bij het voornemen. De instellingen behouden hiermee de mogelijkheid om zelf onderling tot een capaciteitsverdeling komen. De procedure van definitieve vaststelling van de fixus door middel van een ministeriële regeling blijft gehandhaafd.


277

Wanneer kan duidelijkheid gegeven worden over de uitbreiding van het aantal opleidingsplaatsen voor geneeskunde en tandheelkunde?

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar mijn brief van 22 december 1999.


278

Wat is de visie van de regering op de financiering van de extra opleidingsplaatsen?

Deze kwestie zal worden betrokken bij de voorbereiding van de begroting 2001.


279

Kan er inzicht gegeven worden in de beroepskeuze van afgestudeerden in de diergeneeskunde? Blijkt hieruit dat weinig afgestudeerden kiezen voor een loopbaan in de inspectie- en keuringsdiensten? Zo ja, hoe beoordeelt u deze ontwikkeling en hoe kan hierin verbetering worden aangebracht?

Ja, van de afgestudeerde dierenartsen (508) in de afgelopen drie jaar is ca. 90% de praktijk ingegaan. Van de overigen is een deel wetenschappelijk onderzoeker geworden.

Slechts een enkeling heeft een werkkring bij de RVV gevonden.

Hieruit kan de conclusie worden getrokken dat er zeer weinig interesse is voor een loopbaan bij de inspectie- of keuringsdiensten. Wij beoordelen de ontwikkeling als zorgelijk. Dit wordt nog onderstreept door circa 150 openstaande vacatures bij de RVV.

Voor verschillende partijen zijn er diverse opties om tot verbetering te komen.

Algehele ophoging van de numerus fixus zonder aanvullende maatregelen heeft gelet op de huidige studierichtingkeuze maar een zeer beperkt effect. De faculteit Diergeneeskunde dient daarbij middels instrumenten als decentrale selectie en sturing gedurende de opleiding, een zodanige invulling te geven dat een verhoging ten goede komt aan de richtingen landbouwhuisdieren, bestuur en beleid, volksgezondheid en onderzoek.

Tevens benadert de RVV momenteel praktiserende dierenartsen om in deeltijdfunctie bepaalde RVV-taken uit te oefenen.


280

De universiteiten kunnen niet garanderen dat het financiële niveau van
2000 gehandhaafd kan blijven. Wat is hier de reden van en welke maatregelen denkt de regering hiertegen te nemen?

Gedoeld wordt op het voor de letteren beschikbare budget, zoals dat door de afzonderlijke colleges van bestuur wordt vastgesteld. In de brief van 24 juni 1999, die handelt over de periode na 2000, deelt de Coördinatie-commissie Convenant Letteren (CCL), namens de betrokken colleges van bestuur mee, dat zij voor die periode gezamenlijk de verantwoordelijkheid voor het letterendomein willen dragen en dat zij garanderen de voorzieningen voor de letteren in de geest van het convenant landelijk op peil te zullen houden. Het voorbehoud dat zij maken ten aanzien van het financiële niveau komt voort uit het feit dat zij op het moment van schrijven nog niet precies de interne middelenverdeling voor de periode na 2000 hadden vastgesteld. In de brief van 25 november 1999 deelt de CCL mee dat zij in de loop van
2000 de meer definitieve situatie voor de periode 2001 tot en met 2005 zullen vaststellen. Gelet op de bovengeciteerde garantie en de beoogde continuering van de interuniversitaire afspraken acht ik het niet nodig om van de zijde van de regering nadere maatregelen te nemen.


281

Kan enig inzicht worden gegeven in de ontwikkeling van de studentenpopulatie bij de letterenstudies, uitgesplitst naar studierichting en instelling? Wat zijn de oorzaken van de geconstateerde terugloop in studentenaantallen?

Onderstaand overzicht geeft een beeld te geven van de ontwikkeling van ingeschreven eerstejaars in tot studierichting geclusterde opleidingen. Over het geheel genomen zijn de aantallen sinds het topjaar van inschrijvingen in 1991 gedaald. In de laatste jaren is over het totaal van de letteren nog een lichte daling waar te nemen.


1e jaars inschrijvingen

studierichting jaar


1991 1996 1998 1999

Kleine Letteren 47 74 72 64

Nederlands 511 432 404 380

Frans 457 169 140 127

Engels 870 438 442 416

Duits 142 104 114 72

Spaans 389 154 140 166

Italiaans 122 43 39 35

Slavisch 159 70 39 39

Overig West. Talen 235 144 159 142

Niet-westerse T. 244 175 137 144

Totaal 3176 1803 1686 1585

De belangstelling van aankomende studenten is verschoven naar andere opleidingen dan letteren. Over het geheel van het hoopgebied taal en cultuur en alle eerstejaarsinschrijvingen is namelijk een lichte stijging te constateren in 1999 ten opzichte van 1998.


282

Wordt bij de herziening van het hbo-bekostigingsmodel ook nog gekeken of het macrobudget voor het hbo voor de komende jaren nog toereikend is?

Het bekostigingsmodel is een verdeelmodel, waarvoor de omvang van het macro-budget een gegeven is. Een ander bekostigingsmodel heeft daarom geen gevolgen voor de hoogte van het macro-budget. De omvang van het macro-budget wordt vooral bezien in het licht van de ontwikkeling van de taken van de hogescholen, i.c. de studentenaantallen. Bij de introductie van een nieuw bekostigingsmodel is wel uitgangspunt dat dit model op korte termijn niet leidt tot substantiële herverdelingseffecten tussen instellingen.


283

Zijn er landen die positieve ervaring hebben met een bekostigingsmodel gebaseerd op meerdere tussenmomenten? Wat zijn volgens hen de nadelen van een dergelijk bekosti-gingsmodel?

Mij zijn geen ervaringen bekend van andere landen met een bekostigingsysteem dat is geba-seerd op meerdere tussenmomenten, waarbij tussenmomenten (groepen van) studiepunten zijn.


284

Wat vindt de HBO-raad van het voorgestelde bekostigingsmodel?

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar mijn brief van 22 december 1999.


285

Wegen de toenemende administratieve lasten voor de instellingen wel op tegen

de voordelen die deze herziening waarschijnlijk gaat opleveren?

In het traject naar een nieuw bekostigingssysteem is veel plaats ingeruimd voor een zorgvuldige afstemming met en implementatie in het hbo-veld. Daarbij zal de uitwerking langs de lijnen van het vermelde in de brief aan de HBO-raad van 15 november jl. worden gezocht. De betrokkenheid van het hbo-veld in de verdere uitwerking is voor mij cruciaal, opdat gegarandeerd kan worden dat de administratieve lasten zoveel mogelijk beperkt worden tijdens en na de implementatie. De weging van de voor- en nadelen van een nieuw bekostigingssysteem is in al zijn facetten expliciet onderdeel van de besluitvorming in het ontwikkelingstraject.


286

Bij een koppeling van bekostigingsmodel en studiepunten bestaat het risico dat het de instellingen geld kost als studenten meer dan 168 studiepunten behalen (extra vakken volgen). Hiermee wordt de flexibiliteit beperkt. Is hiermee rekening gehouden bij een nieuw bekostigingsmodel? En bij het voucher experiment?

De mogelijkheid die deze vraag oppert, bestaat ook in het huidige model. Studenten kunnen zelfs meerdere diploma's behalen bij de instelling waarbij zij zijn ingeschreven zonder dat die instelling daarvoor extra bekostiging ontvangt.

Het betreft overigens wel een vraag waaraan bij de ontwikkeling van de bekosti-ging hbo grote aandacht zal worden besteed, conform de lijnen uit mijn brief van 22 december 1999.


287

Heeft de regering plannen om de bekostigingssystematiek in het wo ook aan te passen. Zo nee, wat is hier de reden voor?

De regering heeft vooralsnog geen plannen om de bekostigingssystematiek in het wo aan te passen. De reden is dat met ingang van 1 januari 2000 een nieuwe bekostigingssystematiek in het wo is ingevoerd. Wel heb ik tijdens de begrotingsbehandeling toe gezegd een analyse uit te voeren van de bekostigingsstelsels in hbo en wo.


288

«Het belang van deze uitvoeringsaspecten kan niet snel worden onderschat». Is de regering van mening dat, ondanks bovenstaande, deze operatie haalbaar is zonder schade voor instellingen, in onderwijskundig en financieel opzicht?

In het traject naar een nieuw bekostigingsysteem is veel plaats ingeruimd voor een zorgvuldige implementatie, juist om risico's waarop in deze vraag wordt geduid het hoofd te kunnen bieden.


289

Zijn extra financiële middelen niet noodzakelijk om deze herziening van de bekostiging tot een succes te maken?

Dit vormt een punt van nader overleg en onderzoek.


290

Worden er nog externe deskundigen betrokken bij het onderzoek- en besluitvor-mingstraject?

Alle deskundigheid die noodzakelijk is voor het welslagen van dit traject zal worden betrokken bij het onderhavige traject.


291

«... de reallocatie-effecten tussen de hogescholen zullen hanteerbaar moeten worden gemaakt». Betekent dit dat de gedupeerde instellingen extra geld krijgen?

Als de financiële effecten die het nieuwe model oproept ten opzichte van oude model een - nader af te spreken - marge overschrijdt, zal zoals gebruikelijk bij dergelijke aanpassingen een overgangsregime binnen het beschikbare macro-budget worden overeengekomen om gedurende de overgangsfase te grote negatieve reallocaties te mitigeren.


292

Zijn er in het buitenland voorbeelden van een vorm van voucherbekostiging? Zijn de ervaringen daarmee positief?

In het buitenland zijn voorzover bekend geen voorbeelden van voucherbekostiging. Het experiment dat ik voor ogen heb is bedoeld om praktijkervaring op te doen met voucherbekostiging in het reguliere initiële hoger onderwijs.


293

Wat is de opvatting van de regering inzake het standpunt van de Onderwijsraad dat de invoering van een vouchersysteem niet los gezien kan worden van de invoering van het accreditatiesysteem? In hoeverre deelt de regering de mening van deze raad dat een experiment pas uitgevoerd zou kunnen worden wanneer nadere duidelijkheid over de organisatie van de accreditatie is verkregen?

De Onderwijsraad stelt dat invoering van vouchers niet los gezien kan worden van nadere duidelijkheid over de organisatie van de accreditatie. Daarbij lijkt de raad in haar advies uit te gaan van een experiment waarin tevens het niet-bekostigd hbo participeert. Dat is evenwel niet het voornemen. Gezien het bestaande stelsel van kwaliteitszorg in het bekostigd onderwijs, acht ik het niet nodig het voucherexperiment te laten wachten op de invoering van het accreditatiesysteem.


294

Kan het centraal stellen van de onderwijswensen van de student aanleiding geven tot een minder samenhangend curriculum?

Het centraal stellen van de onderwijswensen van de student zou zonder nadere randvoorwaarden aanleiding kunnen zijn voor een minder samenhangend curriculum. Uitgangspunt in het experiment is echter, dat de diplomaverstrekkende hogeschool verantwoordelijkheid heeft en houdt voor de kwaliteit van het diploma. Deze zal de samenhang in het curriculum bewaken.


295

Waarom komt alleen het hbo in aanmerking voor het experiment met vouchers en niet het wetenschappelijk onderwijs?

Uitbreiding naar het wetenschappelijk onderwijs acht ik niet wenselijk. Dit maakt het experiment onnodig gecompliceerd, mede gelet op de verschillende bekostigingssystematiek in wo en hbo. Bovendien is per 1 januari jl. in het wo juist een nieuw bekostigingsmodel ingevoerd. Daarnaast maakt het binaire onderscheid dat studenten alleen onder bepaalde - met de onderwijs- en examenregeling samenhangende - voorwaarden over en weer onderwijs kunnen volgen.


296

Is het nadenken over de vorm van het voucherexperiment eind jaren tachtig gestopt?

Het denken over vouchers is sinds eind jaren tachtig niet gestopt. Na het HOOP 1988 is op een aantal punten onderzoek gedaan naar de haalbaarheid van een vouchersysteem. De resultaten en conclusies van deze activiteiten zijn in november 1992 naar de Tweede Kamer gestuurd (TK, vergaderjaar 1992-1993, 22.800 VIII, nr.30). Sindsdien is het onderwerp niet meer expliciet op de bestuurlijke agenda geweest, maar het keerde wel steeds terug in discussies over de financiering van het hoger onderwijs.


1) Samenstelling:

Leden

Schutte (GPV)

Van der Vlies (SGP)

Van de Camp (CDA)

Van der Hoeven (CDA), voorzitter

Rabbae (GL)

Lambrechts (D66)

Dittrich (D66)

Cornielje (VVD)

De Vries (VVD)

Dijksma (PvdA)

Van Zuijlen (PvdA)

Cherribi (VVD)

Rehwinkel (PvdA),ondervoorzitter

Passtoors (VVD)

Belinfante (PvdA)

Kortram (PvdA)

Ross-van Dorp (CDA)

Hamer (PvdA)

Nicolaï (VVD)

Van Bommel (SP)

Barth (PvdA)

Halsema (GL)

Orgü (VVD)

Wijn (CDA)

Eurlings (CDA)

Plv. leden

Stellingwerf (RPF)

Schimmel (D66)

Mosterd (CDA)

Atsma (CDA)

Harrewijn (GL)

Bakker (D66)

Ravestein (D66)

E. Meijer (VVD)

Van Baalen (VVD)

Valk (PvdA)

De Cloe (PvdA)

Udo (VVD)

Van der Hoek (PvdA)

Gortzak (PvdA)

Middel (PvdA)

Schreijer-Pierik (CDA)

Spoelman (PvdA)

Brood (VVD)

Poppe (SP)

Arib (PvdA)

Blok (VVD)

Vendrik (GL)

Rijpstra (VVD)

Verhagen (CDA)

Visser-van Doorn (CDA)

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie