Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Bijdrage RPF aan debat over taakstraffen

Datum nieuwsfeit: 18-01-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
GPV

Taakstraffen
Bijdrage van RPF-fractie Tweede Kamer
18 januari 2000

00-002JUS

26 114

Rouvoet

Voorzitter! Taakstraffen in de moderne zin van het woord hebben nog een betrekkelijk jonge geschiedenis. Door de eeuwen heen echter heeft het werken voor straf, in ruimere zin beschouwd, nogal wat toepassing gekregen. Wat ons eigen land betreft, hoeven wij alleen maar aan het Amsterdamse Rasphuis uit de tijd van de republiek te denken. De tegenwoordige taakstraffen hebben een ander karakter. In plaats van het werken in omstandigheden waarin je van je vrijheid bent beroofd, werk je in een periode dat je beroofd bent van je vrijheid. De taakstraf heeft hiermee elementen van vrijwilligheid. Met het opleggen van een taakstraf hopen we, als het gaat om recidivecijfers en resocialisatie, betere resultaten te boeken dan in het kader van een vrijheidsstraf in de regel mogelijk is.

Het bijzondere van het wetsvoorstel is dat het de taakstraf zonder omwegen positioneert als een hoofdstraf, naast de beide andere hoofdstraffen: de vrijheidsstraf en de geldboete. Tegelijkertijd wordt het mogelijk om in meer gevallen dan voorheen de taakstraf op te leggen: dit is voortaan mogelijk bij alle misdrijven die worden bedreigd met een vrijheidsstraf of een geldboete en bij alle zwaardere overtredingen. Hiermee wordt de suggestie gewekt dat de taakstraf voortaan volledig gelijk staat met de andere hoofdstraffen. Bij nader inzien blijkt dat toch niet het geval te zijn: ik denk bijvoorbeeld aan het niet mogelijk maken van een voorwaardelijke oplegging van een taakstraf. Ingegeven door de internationale verdragen tegen dwangarbeid is de taakstraf slechts op te leggen met instemming van de verdachte. Met collega Niederer wacht ik hierover het betoog van de minister af, maar het is mijn stellige overtuiging dat hierin een belangrijk verschil ligt tussen de onderscheiden hoofdstraffen. Ook indien de verdachte de taakstraf niet begint of niet afmaakt, kan hij daartoe niet gedwongen worden. Dan staat slechts de bedreiging met vervangende hechtenis open. Aan de ene kant kun je dit betreuren. Dit gegeven kan er immers toe leiden dat de taakstraf minder serieus wordt genomen dan de vrijheidsstraf. Aan de andere kant, vanuit de doelstellingen van de taakstraf geredeneerd, is het succes van de taakstraf waarschijnlijk in sterke mate afhankelijk van de motivatie waarmee eraan wordt begonnen; collega Dittrich sprak hier al over. Een absoluut gedwongen taakstraf zal vermoedelijk, als het gaat om recidivecijfers en dergelijke, niet uitkomen boven de vrijheidsstraf.

De aard van de taakstraf blijft een belangrijk punt van discussie; niet alleen hier, maar ook in de samenleving. Omdat instemming van de verdachte voor de taakstraf nodig is, kan de neiging ontstaan, minder zwaar aan de taakstraf te tillen dan aan andere straffen. Dat geldt ook voor de gestraften zelf. Misschien ervaren zij de straf als fors, maar voor zeer velen zal het een opluchting zijn om met een dergelijke straf geconfronteerd te worden, in plaats van de cel in te moeten: de straf brengt immers lang niet zo'n stigma met zich.

Verder speelt mee dat buitenstaanders de straf niet voelen en niet goed kunnen wegen. Dan is een oordeel gemakkelijk geveld. Zeker aan de borreltafel klinkt 240 uur werken eenvoudig, om het zo maar te zeggen; in ieder geval veel minder zwaar dan bijvoorbeeld 6 maanden gevangenisstraf.

Nu is de beeldvorming moeilijk te beïnvloeden omdat de taakstraf de facto gekoppeld blijft aan relatief lichte delicten. Bij zware delicten ligt een taakstraf niet voor de hand, zeker niet bij wijze van enige sanctie. Als al volstaan wordt met enkel een taakstraf bij een zwaar delict, dan zijn er bijzondere omstandigheden aan de orde die van invloed zijn op de straf. In de krant kunnen dergelijke nuances echter snel verdwijnen. Reacties zoals die niet al te lang geleden op Urk plaatsvonden, zijn hieruit wellicht te verklaren.

Hoe het ook zij, het is belangrijk dat de taakstraf in vergelijking met de andere sancties, geldboetes of detentie, een zo gelijkwaardig mogelijk karakter draagt. Als de taakstraf wordt opgelegd, bij wijze van sanctie op een gepleegd misdrijf, moet dit door de veroordeelde en de samenleving worden opgevat en ervaren als een geloofwaardige reactie van de rechtsstaat, van dezelfde orde als wanneer de vrijheidsstraf zou zijn opgelegd. Met andere woorden: natuurlijk leggen wij, gelet op resocialisatieoverwegingen, de nadruk op taakstraffen. Maar aan de andere kant dient ook de taakstraf alle doelstellingen te weerspiegelen die de overheid heeft met de oplegging van een sanctie: dus ook preventie, vergelding en afschrikking. In dit opzicht is het interessant hoe het cellentekort zich verder zal gaan ontwikkelen. Hoe je het wendt of keert, de taakstraf had mede tot doel om de druk op de cellen te verlichten. Nu is die druk inmiddels verlicht. Zal de rechter nu de neiging hebben om toch weer meer vrijheidsstraffen op te leggen, juist nu de mogelijkheden voor verdere toepassing van de taakstraffen worden verruimd? Dat zou een tegenstrijdige ontwikkeling zijn. Ik hoor hierop graag een reactie van de minister.

Is de taakstraf een geloofwaardige straf? In de stukken is hier ook naar gevraagd. In reactie daarop wordt gewezen op de nog altijd hoge graad van acceptatie van de straf door de bevolking, bijvoorbeeld blijkens het Nipo-onderzoek. Die acceptatiegraad in de samenleving is in vijf jaar niet of nauwelijks afgenomen. De straf wordt ook door de betrokkenen zelf als relatief zwaar ervaren. Ik wil dat op zichzelf aannemen, maar de andere kant van het verhaal is dat er toch een redelijk hoog percentage mislukkingen is, zelfs als je dat enkel meet in niet-gestarte of afgebroken taakstraffen. Uit de verdere antwoorden op dit punt in de stukken -- zie bladzijde 24 van de nota naar aanleiding van het verslag -- put ik weinig vertrouwen dat in al deze gevallen alsnog sancties worden opgelegd. Moeten we in dergelijke gevallen wel alsnog herkansingen aanbieden? Steeds meer mensen lappen de taakstraf aan de laars. Daarop moet een geloofwaardige reactie volgen. Zou het niet beter zijn bij wijze van lik op stuk in dergelijke gevallen meteen vervangende hechtenis te vorderen? Ik wil maar zeggen: ook een ontsnapping is weliswaar niet als zodanig strafbaar, maar wel is mogelijk plaatsing in een EBI het gevolg. Ook kun je in zo'n geval denken aan minder faciliteiten toestaan. Moet een vergelijkbare reactie op het terrein van de taakstraf niet overwogen worden? Verder zou er wat voor te zeggen zijn de vervangende hechtenis juist zwaarder uit te laten vallen bij een mislukte taakstraf dan in het geval meteen een vrijheidsstraf zou zijn uitgesproken. Ik heb terzake een amendement ingediend en hoor graag wat de minister vindt van deze stok achter de deur.

Wat onze fracties evenzeer zorgen baart is het toch forse percentage recidivisten onder de taakgestraften. Het percentage ligt dusdanig hoog dat we wat voorzichtig moeten zijn om al te gemakkelijk te spreken over het succes van onze taakstraffen.

Voorzitter! Het succes van de taakstraf kan mede afhangen van de vorm daarvan. In veel gevallen wordt de aard van de taakstraf, vooral als het om een leerstraf gaat, ook afgestemd op de aard van het delict. Het komt ons echter voor dat dat lang niet altijd het geval is. Kan hieraan meer aandacht worden geschonken?

Ligt het voor de hand om bij welk misdrijf dan ook (mede) taakstraffen op te leggen? Ik denk aan het amendement van collega Van de Camp. Gevoelsmatig hebben wij daar aarzelingen bij, al is de argumentatie van de wisselende omstandigheden en de inperking van de rechterlijke vrijheid in de stukken op zichzelf tamelijk overtuigend. Het zal verder niet zo gauw voorkomen dat na een moord enkel een taakstraf wordt opgelegd. We moeten ons echter realiseren dat juist in dit soort gevallen ook de maatschappelijke beleving van een en ander onder ogen moet worden gezien. Ik noem Urk nog maar weer eens. De openbaarheid waarmee de rechtspraak is omgeven, moet ertoe kunnen leiden dat de strafoplegging die plaatsvindt in alle gevallen ook redelijkerwijs verdedigbaar is. Maar laat ik mij nu niet verder op het terrein van de rechter begeven. Dat is het doorslaggevende argument om mijn steun niet te geven aan het amendement van college Van de Camp. Ik heb geen bezwaar tegen een richtlijn aan het OM. Het wettelijk verankeren van deze beperking van de rechterlijke vrijheid vind ik niet zo gewenst.

Een ander punt waar ik toch nog bij wil stilstaan is de verhouding tussen de duur van de taakstraf en de daarmee corresponderende vrijheidsstraf. De strikte koppeling is verdwenen, echter de suggestie van een koppeling is blijven bestaan. In de nota naar aanleiding van het verslag wordt min of meer uitgegaan van de koppeling tussen vier maanden vrijheidsstraf en 240 uur taakstraf. Elders komen wij weer andere verhoudingen tegen. Maar deze koppeling is niet expliciet. Verdient het voor de duidelijkheid geen aanbeveling, toch tot een strakkere koppeling te komen of die koppeling te handhaven? Immers, ook tussen boetes en vrijheidsstraf bestaan bepaalde vast omschreven verhoudingen. Wat is het doorslaggevende argument om het niet te doen?

De duur van de werkstraf bedraagt maximaal 240 uur. In combinatie met een leerstraf kan de duur tot maximaal 480 uur toenemen, met dien verstande dat het maximum van de eigenlijke taakstraf blijft bestaan. Dat is dus 480 uur. De noodzaak van het eerste maximum, dus van de werkstraf tot 240 uur, is onze fracties eerlijk gezegd nog altijd niet duidelijk. Het is op zijn minst arbitrair, nu wel een 480 uur durende leerstraf mogelijk blijkt, maar geen 480 uur durende werkstraf. Ik heb nog geen steekhoudende argumenten gezien om aan het maximum vast te houden. Ook op dit punt ben ik geneigd, te kijken in de richting van de rechterlijke vrijheid. Iedere opgelegde straf kan uiteindelijk blijken niet te voldoen in de concrete situatie. Ik koppel het even aan mijn andere amendement. Als het niet werkt -- dat was het verweer van de heer Dittrich op de interruptie die ik op dit punt pleegde -- moet in onze ogen, conform het andere amendement, direct tot vervangende hechtenis worden overgegaan. Extra procedures en het opnieuw beginnen van de procedure zou dus niet aan de orde hoeven te zijn. Ik vraag de minister, hierop te reageren. Ik vraag hem ook, te reageren op mijn amendement op stuk nr. 13, waarin staat dat een werkstraf tot maximaal 480 uur mogelijk is. Ik verneem graag van de minister wat het doorslaggevende argument tegen het amendement is.

De taakstraf kan niet worden opgelegd indien enkel de sanctie van een geldboete openstaat, aldus het wetsvoorstel. In dat geval kan de boete dus niet vervangen worden door de taakstraf. De argumentatie is dat de taakstraf zwaarder van karakter is. Bij nader inzien lijkt mij dit een discutabele redenering. Ten eerste vraag ik mij af waarom je de rechter hier wel zou willen beperken, waar de rechterlijke vrijheid overigens door dit wetsvoorstel behoorlijk wordt verruimd en anderszins wordt gerespecteerd. Uit het oogpunt van consistentie lijkt het mij dus niet voor de hand te liggen. Ten tweede vraag ik mij af of hierbij de praktijk van de transacties en van de Halt-projecten van het OM wel is betrokken. In die sfeer is het toch nu al aan de orde van de dag dat geldboetes en taakstrafachtige sancties elkaar over en weer vervangen? Vandaar een derde amendement, en wel op stuk nr. 12. Ik hierop heb ik graag een reactie van de minister.

In eerdere jaren bleek, wat volwassen gestraften betreft, met name het aantal leerstraffen het aantal werkstraffen verre te overtreffen. Is dit nog steeds het geval en wat is daarvan de oorzaak?

Voorzitter! Waar het gaat om het punitieve karakter, aldus de stukken, vormen de leerstraffen een iets lichtere categorie van de taakstraffen dan de werkstraffen, het soms confronterende karakter ook van een leerstraf ten spijt. Ligt het nu voor de hand om bij geval uitsluitend een leerstraf toe te staan?

Ten slotte. Bij de begrotingsbehandeling is er, met dank aan collega Dittrich, de nodige aandacht geweest voor de positie van het slachtoffer in het strafproces. In de voorbereiding bij dit wetsvoorstel heb ik gevraagd of het slachtoffer een rol speelt of kan spelen bij de keuze van de rechter of het OM om een taakstraf dan wel een andere straf op te leggen c.q. te eisen en of de minister reden ziet deze betrokkenheid te vergroten? Op deze vraag is wat mij betreft onvoldoende ingegaan in de stukken. Daarom herhaal ik in dit debat de vraag aan de minister. Om misverstanden weg te nemen: het is niet mijn doelstelling om te komen tot een formeel spreekrecht voor een slachtoffer. Dat zal collega Dittrich niet verbazen, gelet op mijn standpunt bij de begrotingsbehandeling. Ik vraag de minister of er, afgezien van de optie die ik heb afgewezen, andere mogelijkheden zijn om de betrokkenheid van het slachtoffer in deze zaken een plaats te geven.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie