Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Joop Atsma (CDA) over mediawet en concessiestelsel

Datum nieuwsfeit: 19-01-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
CDA

: Tweede Kamer : Wijziging mediawet en vernieuwd Concessiestelsel (190100)

Archief Schriftelijke Vragen Archief Schriftelijke Vragen

Wijziging mediawet en vernieuwd Concessiestelsel (190100)

Alleen gesproken tekst geldt!

INLEIDING
Het voorstel om te komen tot wijziging van de Mediawet in verband met invoering van een vernieuwd concessiestelsel voor de landelijke publieke omroep betreft nogal wat onderdelen. Centraal daarin staat de reorganisatie en integratie van het publieke omroepbestel binnen de Nederlandse Omroep Stichting (NOS). In dat kader worden de concessies van de afzonderlijke omroepverenigingen, die in 2000 aflopen, afgeschaft en vervangen door een concessie voor de NOS. Voorts worden nieuwe en/of aanvullende regels gesteld met betrekking tot het programma-aanbod, worden de bevoegdheden van de Raad van Bestuur uitgebreid en wordt de functie van de omroepverenigingen beperkt. Het voorstel van wet vormt de voorlopige afsluiting van een proces dat enkele jaren geleden werd ingezet en dat uitgaat van de bevindingen van de Commissie Publieke Omroep (de Commissie-Ververs), zoals vervat in het rapport «Toekomst van de Publieke Omroep» uit 1996. Met de wet van 13 november 1997 Kamerstuk 25216 - werd reeds een voorschot genomen op de overgang van afzonderlijke omroepverenigingen naar een meer geïntegreerd publiek bestel, waarbij de NOS werd gereorganiseerd en de bevoegdheden van de Raad van Bestuur uitgebreid. De CDA-fractie stemde tegen dit wetsvoorstel. Woordvoerder Beinema legde de volgende stemverklaring af: Het wetsvoorstel zoals het is ingediend, leed al aan een onbalans in de richting van centralisatie en een geringschatting van de functie van de omroepverenigingen, die toch het fundament vormen van ons totnogtoe pluriforme publieke bestel. Een aantal aangenomen amendementen brengen, om een beeld van de staatssecretaris over te nemen, het schip van de publieke omroep nog dichter bij slagzij. Al met al voor mijn fractie dwingende redenen om tegen dit voorstel van wet te stemmen.
Het huidige wetsvoorstel, het gevolg van afspraken in het Regeerakkoord, wordt door tal van geledingen zwaar bekritiseerd. De CDA-fractie waarschuwde in dit verband begin vorig jaar voor het ontstaan van een staatsomroep, waarbij de rol van de verenigingen is geminimaliseerd. Hoewel de staatssecretaris op onderdelen de voorstellen heeft aangepast, blijft de kern van de kritiek gehandhaafd.
De bezwaren van de CDA-fractie hebben vooral betrekking op de toenemende invloed van de overheid op het bestel: programmatisch, bestuurlijk en financieel. In plaats daarvan zou veel meer het accent op deregulering en zelfregulering moeten worden gelegd.

INBRENG

VAN DER PLOEG ALS BIG (RICK) BROTHER

Het voorstel om te komen tot wijziging van de Mediawet in verband met invoering van een vernieuwd concessiestelsel voor de landelijke publieke omroep (Concessiewet) heeft de afgelopen maanden nogal wat los gemaakt. Het begon met een vernietigende kritiek van de Raad van State, de NOS, het Commissariaat voor de Media en anderen volgden. In dit rijtje moeten ook de bedenkingen van de Kroonleden van de Raad van Toezicht van de NOS worden genoemd en tenslotte wijs ik op het vlijmscherpe signaal dat de VARA recentelijk heeft afgegeven.

Nederland heeft op een bijzondere manier invulling gegeven aan de vraag wie zich tot de landelijke publieke omroep mogen rekenen. Naast de bij wet in het leven geroepen instellingen (NOS, NPS) educatieve-, kerkelijke en anderszins levensbeschouwelijke omroepinstellingen, zijn dat omroepverenigingen met wortels in de Nederlandse samenleving. Deze verscheidenheid moet in de ogen van de CDA-fractie ook in de toekomst een wezenlijk kenmerk van het bestel blijven. Sterker nog: het unieke van de verenigingsstructuur met leden, met een eigen achterban, wordt alom in Europa gewaardeerd. Verenigingen, in dit geval omroeporganisaties, zijn bereid verantwoordelijkheid te dragen en willen daarvoor ook verantwoording afleggen aan (o.a.) de leden. De CDA-fractie is ervan overtuigd dat deze vorm van zelfregulering veel meer perspectief biedt dan gedetailleerde wetgeving met een sterk controlerende overheid.

In de Concessiewet gaat het kabinet door met de al eerder ingezette centralisatie van bevoegdheden en bevoogding van particuliere omroepverenigingen als de VARA, AVRO, TROS, VPRO, EO, KRO en NCRV. Doelstelling van de regering is kennelijk het omvormen van het publieke bestel tot een BBC naar Nederlands model. In dat model is de taak van omroepverenigingen uitgehold en zijn zij hoofdzakelijk leveranciers van programmas, omroepen als productiehuizen. Waaruit de relatie tussen betrokken burgers en deze toeleveranciers zou moeten bestaan, maakt het kabinet niet duidelijk. Een sluipende nationalisatie in combinatie met het ontbreken van een eindmodel maakt de vele kritische kanttekeningen begrijpelijk. Tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen was de inzet van het CDA het herstel van verantwoordelijkheden in de samenleving. Waar trekt de overheid de grens en is zij bereid taken in handen te laten of over te dragen aan de samenleving? Kijkend naar het publieke bestel en de toekomst ervan, is dat een vraag die bij herhaling kan worden gesteld.

Omroepverenigingen hebben het Nederlandse bestel vorm, inhoud en kleur gegeven. In een samenleving die verandert, moeten deze organisaties mee bewegen. Spelen ze daar onvoldoende op in, dan is er ruimte en zijn er mogelijkheden voor nieuwe initiatieven. De recente voorbeelden spreken voor zich. Voor het CDA zijn de omroepvereniging zelfstandig maatschappelijke ondernemingen met een ondernemingsdoel op het terrein van de informatievoorziening. Om dat doel te bereiken moeten ze alle ruimte krijgen om zich te ontplooien. Middels de Mediawet heeft de overheid aan deze ideële communicatie-ondernemingen - buiten de Amsterdamse beurs om - taken toegekend.

Kijkend naar het mediabeleid heeft de overheid tot taak de grondwettelijke rechten van meningsuiting en persvrijheid te waarborgen. Maar ook dient zij ervoor te zorgen dat de bevolking zich kan (laten) informeren, ontplooien, ontspannen, en kennis kan nemen van cultuuruitingen, zoals ook is vastgelegd in het Verdrag van Amsterdam. Kortom, de burger moet een gegarandeerde toegang hebben tot de informatiemaatschappij. De publieke eis van toegankelijkheid laat zich vertalen in een minimum aan vrije toegang tot informatie. Dat geldt voor radio en televisie, maar is ook van toepassing op de internetsamenleving van morgen en overmorgen. Dit nieuwe medium ziet de CDA-fractie als een taak, kans en uitdaging voor de publieke omroep als geheel en de organisaties afzonderlijk. De overheid moet deze verscheidenheid en pluriformiteit van opvattingen als uitgangspunt bij de inrichting van het omroepbestel blijven nemen.

De publieke waarborgen worden in een concessie verleend aan toegelaten ideële instellingen, aan maatschappelijke ondernemingen. Daarbij mogen de voorwaarden die de overheid stelt niet verder gaan dan de publieke middelen die beschikbaar worden gesteld voor de publieke zenduren. Controle hierop dient bij het Commissariaat voor de Media te worden neergelegd. Daarnaast moeten de omroeporganisaties als maatschappelijke ondernemingen alle ruimte krijgen om andere activiteiten te ontplooien. De Mediawet kent echter nogal wat beperkingen. Aan deze vorm van aanbodregulering moet een einde komen. De bewijslast moet worden omgekeerd: activiteiten zijn toegestaan zolang ze passen binnen de verenigingsdoelstelling, tenzij de prestaties in het kader van de concessie en de daaraan gekoppelde vergoeding in het gedrang komen

Het vergroten van de omzet binnen de markt van de informatievoorziening is niet in strijd met de kern van de wet. Het wetsvoorstel geeft echter nog steeds geen uitvoering aan de opvatting dat tegen betaling specifieke programmas kunnen worden verspreid. In de Memorie van Toelichting wordt hierop door de regering terecht gewezen, maar een concrete aanpassing blijft uit. Nog steeds wordt gesproken over het om niet verrichten van neventaken en dit is niet reëel De publieke omroep moet bijvoorbeeld door themakanalen aan te bieden in kunnen spelen op nieuwe ontwikkelingen en mag ten opzichte van andere aanbieders van programmas niet onnodig op achterstand worden gezet. Bovendien zegt de wet dat voor themakanalen gebruik moet worden gemaakt van bestaand materiaal. Dit is niet realistisch en plaatst de publieke omroep op achterstand (amendement).

Omdat neventaken altijd verbonden zullen zijn met de hoofdtaak, is een nadere toelichting gewenst. Ook ten aanzien van de neventaken moet duidelijk zijn wat wel en niet kan en wie een en ander beoordeelt.

Er is geen reden om omroepverenigingen anders te behandelen dan andere organisaties die subsidie van de overheid krijgen om bepaalde taken uit te voeren. Een jaarlijkse verantwoording naar de overheid als onderdeel van de publieke verantwoording zou dan voldoende moeten zijn. Het externe toezicht wordt uitgeoefend door het Commissariaat voor de Media. Rechtmatigheid en doelmatigheid zijn de begrippen die aan dit toezicht ten grondslag liggen.

Het eerste lijnstoezicht binnen de eigen onderneming ligt verankerd in de relatie met de leden. Het is wenselijk dat de omroepverenigingen, naast de verplichting om aan het publiek verantwoording af te leggen, een duidelijk beleid voeren met het oog op de zeggenschap van de leden. Dit kan in het beleidsplan, benodigd voor erkenning (artikel 32) worden vastgelegd (amendement).

Bemoeizucht
De voorstellen in het kader van de Concessiewet beogen de positie van de publieke omroep als geheel te versterken. Op onderdelen heeft dit tot veel kritiek geleid. Hoewel de staatssecretaris in zijn toelichting aangeeft dat de overheid terughoudend moet zijn, kan de CDA-fractie zich niet aan de indruk onttrekken dat Van der Ploeg het script wil schrijven en tegelijkertijd de productie betaalt en regisseert. Zon model laat weinig ruimte aan de omroepverenigingen. Eigenlijk kan worden gesteld dat de Concessiewet het slot is van een reeks aan voorstellen en wetswijzigingen onder de kabinetten Kok, die sluipenderweg hebben geleid tot een situatie waarin de VARA slechts een gang naar het commerciële avontuur als laatste redmiddel ziet om eigenheid en identiteit overeind te houden. Dit is iets om langer bij stil te staan.
Vooral omdat na het SOS-signaal de PvdA een reddingsboei in het stormachtige mediawater leek te werpen. Kapitein Melkert meldde zich op de voorplecht en wilde een handreiking doen. Wilde, want wat is er van overgebleven? De CDA-fractie zegt niet terug naar dAncona, maar stelt wel vast dat sinds het vertrek van dAncona en het aantreden van Kok 1 de mediawetgeving minstens twintig maal in deze Kamer op de agenda heeft gestaan in verband met wijzigingen en aanpassingen. De invoering van het vernieuwde concessiestelsel is één van de meest vergaande. Dat aan de horizon een staatsomroep opdoemt, zal uiteraard door kabinet en coalitie worden ontkend, maar het is wel de realiteit. Hoe moeten wij anders de kritiek van Commissariaat voor de Media, de NOS, de Kroonleden van de Raad van Toezicht en vele anderen duiden? De kraaiende haan van de VARA is niet gehoord en lijkt monddood te worden gemaakt. Anderen zullen volgen.

Waar mogelijk moet de overheid op afstand blijven en op afstand worden gehouden. Ik herinner in dit verband nogmaals op de bijdrage van de CDA-fractieleider tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen. Een veelheid aan voorschriften en beperkende bepalingen doet in dat opzicht onvoldoende recht aan de eigen verantwoordelijkheid van het publieke bestel. De regelgeving zal opgeschoond moeten worden om duidelijk te maken waar verantwoordelijkheden ten principale liggen.

Voorbeelden? In artikel 30a, lid 3 wordt toegevoegd dat aan de concessievoorschriften algemene voorwaarden kunnen worden verbonden die betrekking hebben op de uitgangspunten voor programmering, zowel op radio als televisie, de mate waarop programmas zijn gericht op bepaalde bevolkingsgroepen of leeftijdscategorieën en de wijze waarop het publiek kan worden betrokken bij de programmering. Bovendien kunnen de voorwaarden na overleg met de NOS tussentijds gewijzigd worden. Hoezo onafhankelijk? (amendement) Waarom is dit nodig als in artikel 40 van de wet al heel nadrukkelijk wordt aangegeven hoe de programmering er uit dient te zien! In datzelfde artikel wordt aangegeven dat de netbesturen nog slechts een adviserende stem hebben. Zij adviseren de door de Raad van Bestuur aangestelde netcoördinatoren; in de praktijk de bazen van de verschillende netten op radio en televisie.

Als representant van de Raad van Bestuur neemt hij/zij beslissingen over de invulling van het netprofiel, stelt de begrotingen op en doet voorstellen aan de raad van bestuur voor de zendtijdindeling. Hoezo onafhankelijke omroeporganisaties?
In de artikelen 50, 51 en 54 wordt vooral ingegaan op de programmavoorschriften. De wet schrijft voor dat tenminste 25% van de zendtijd moet worden gebruikt voor programmas van culturele aard, met als aanvullende eis dat de helft gericht moet zijn op kunst. Ook wordt voorgeschreven dat tenminste 35% voor onderdelen van educatieve of informatieve aard moet worden gereserveerd door de omroepen Verder wordt bepaald dat op elk televisienet maximaal 25% van de zendtijd mag worden besteed aan programmas van verstrooiende aard. Initiatieven in het kader van de verenigingsactiviteiten worden, behoudens toestemming van het Commissariaat, verboden. Hoezo niets aan de hand? (amendement)
In algemene zin wordt sponsoring verboden, behalve wanneer het programma-onderdelen van culturele aard betreft, sportevenementen of ideële doeleinden. Ook de initiatiefnemers van De Nieuwe Omroep zullen hier kennis van hebben genomen! Kan worden uitgelegd waarom een programma over kunst wel, en een programma van verstrooiende aard niet mag worden gesponsord? Wie trekt de grens?
Er zijn nog meer voorschriften. Zo moet tenminste de helft van de zendtijd worden gevuld met Europese producties en een kwart van de zendtijd moet worden gevuld met programmas van onafhankelijke producenten. Vervolgens kan de staatssecretaris bij AMvB ook nog eens zelf aangeven wat voor hem onafhankelijke producties zijn. Vergelijkbare regels gelden bovendien voor de regionale en lokale publieke omroepen.
Verder wordt, zoals reeds eerder aangegeven, door de Raad van Bestuur beoordeeld of de zendtijd op de juiste wijze is ingevuld! Afgezien van de vraag of het de Raad van Bestuur is die de rapportage moet verrichten, ontgaat de CDA-fractie volstrekt de logica van een wettelijk voorgeschreven kwartaalrapportage, zoals in artikel 16 wordt verwoord. Kortom, regels en voorschriften te over.

De CDA-fractie is het volstrekt oneens met deze vorm van overheidsbemoeienis en betutteling. Van der Ploeg als Big (Rick) Brother. De vrijheid van meningsuiting is zelfs in het geding. Daar waar de Mediawet juist deregulering centraal zou moeten stellen en ruimte zou moeten bieden vanwege steeds veranderende omstandigheden, wordt middels de voorstellen het tegendeel beoogd. Een grens is bereikt, schrijft zelfs de NOS en dat is veelzeggend. De CDA-fractie is overigens benieuwd hoe de staatssecretaris aankijkt tegen de scherpe kritiek van de Kroonleden uit de Raad van Toezicht. De kritiek betreft met name het woud aan voorschriften dat zojuist naar voren is gebracht. Welke waarde hecht de staatssecretaris aan het oordeel van de door hem benoemde Kroonleden?

Financiële haken en ogen
Ook in financiële zin is er nogal wat aan de hand. Het is verleidelijk om hier nogmaals in te gaan op de gevolgen van de fiscalisering. Zoals ook in een verdeelde Eerste Kamer recent bleek, is door de fiscalisering de overheidsinvloed toegenomen. Wie dat wil, kan aan de geldkraan draaien. Om dat te voorkomen lijkt een gegarandeerde financiering voor het realiseren van de publieke omroeptaak voor de hand liggend. De CDA-fractie wil hierin gelijke tred houden met de duur van de concessie. Anderzins is er ook sprake van een substantiële wijziging in financieel opzicht omdat het budget voor de programmaversterking niet langer 10% maar straks maximaal 25% van het beschikbare programmaverzorgingsbudget zal kunnen bevatten. Het gaat hier om een totaalbedrag van enkele honderden miljoenen en dat is volstrekt onacceptabel (amendement).
De criteria die van toepassing zijn om in aanmerking te komen voor dit budget, worden hoe kan het anders - vastgesteld door de Raad van Bestuur.

Ook in bestuurlijk opzicht moeten de omroepverenigingen met hun achterban serieus worden genomen. Dat kan door de Raad van Toezicht, waarin de verenigingen en de overige zendgemachtigden zijn vertegenwoordigd, de rol te geven als algemeen bestuur van de NOS. Eigenlijk voelt de staatssecretaris daar ook wel voor omdat hij ermee instemt dat de Raad van Bestuur in het vervolg wordt benoemd door de Raad van Toezicht (artikel 19). Het is volstrekt logisch om hier ook het ontslagrecht aan toe te voegen. Daardoor worden de verhoudingen tussen Raad van Bestuur en Raad van Toezicht transparanter (amendement). Momenteel benoemt de minister behoudens de voorzitter tevens een aantal leden van de Raad van Toezicht. De CDA-fractie pleit ervoor in de toekomst alleen de voorzitter door de minister te laten benoemen. De resterende niet-omroep gebonden zetels in de Raad van Toezicht (vier) kunnen worden bekleed door vertegenwoordigers van representatieve maatschappelijke geledingen. Dat geeft het publieke karakter van het bestel een nieuwe en herkenbare impuls en houdt de overheid op afstand. Aanpassing van artikel 18a is in die zin noodzakelijk. Gedacht kan worden aan vier vertegenwoordigers uit bijvoorbeeld de wereld van de cultuur-, sport-, natuur- en milieu-, alsmede de consumenten- en producentenorganisaties (motie).

Netprofilering
Netprofilering heeft de afgelopen maanden terecht veel aandacht gekregen. Achtergrond van de voorstellen van de Raad van Bestuur is dat door het geven van een beter profiel aan de verschillende netten de herkenbaarheid voor de kijkers wordt vergroot. Dat kan een positief effect hebben op het bereik van het publieke bestel als geheel en daar is niets mis mee. Tegelijkertijd moet ook worden gewaarschuwd voor overspannen verwachtingen van deze netprofilering. De verschillende omroepen ze gingen september vorig jaar unaniem akkoord - houden in de nieuwe opzet een eigen thuisnet, maar zullen netoverschrijdend moeten programmeren.
Het bestaansrecht van omroepverenigingen wordt, zoals eerder aangegeven, bepaald door de leden. Dat houdt in dat de verenigingen de mogelijkheid moeten hebben om voor de eigen achterban herkenbare programmas te maken en uit te zenden. Het is terecht dat zij niet gedwongen willen worden om met deze programmas naar de randen van de nacht of de schemer van de ochtend te verdwijnen.

De taken van de al eerder genoemde netcoördinator en diens relatie tot de Raad van Bestuur heeft eveneens nogal wat aandacht gekregen. De CDA-fractie plaatst vraagtekens bij de steeds dominantere positie van de coördinator. Weliswaar blijkt uit de wet duidelijk waar de verantwoordelijkheden liggen gezien de relatie tussen de netcoördinator en de Raad van Bestuur, terecht is deze zware relatie niet. Beter is het om netcoördinator te laten benoemen door het eigen netbestuur (amendement), dat tevens het profiel vaststelt. Het begrip zelfregulering is ook hier van toepassing. Ook ten aanzien van de radio staat de CDA-fractie een vergelijkbare structuur voor.

Open bestel
De CDA-fractie hecht grote waarde aan een open bestel. Dat is een belangrijke verworvenheid die moet worden gekoesterd. Als wordt voldaan aan de daarvoor geldende voorwaarden, moeten nieuwe organisaties altijd kunnen toetreden. Aanvragers van een voorlopige erkenning dienen over tenminste 50.000 leden te beschikken. De CDA-fractie kan zich hierin vinden. Overigens is niet duidelijk hoe de positie van BNN na aanvaarding van de Concessiewet wordt. Op welk regime moet deze organisatie terugvallen? Ook kandidaat-toetreders krijgen volgens de voorstellen een voorlopige erkenning voor een periode van vijf jaar. Het moet mogelijk zijn ook tussentijds een afweging te maken en daarom voelt de CDA-fractie veel voor de suggestie van het Commissariaat voor de Media om nieuwe toetreders een erkenning te verstrekken van drie jaar.

De duur van de concessie is eveneens een punt van discussie. Moet de concessie voor een periode van vijf of van tien jaar worden verleend. Er valt veel te zeggen voor een concessie van tien jaar. Dat biedt de door velen gewenste duidelijkheid, zekerheid en rust voor de middellange termijn. Het heeft echter alleen zin hiertoe te besluiten indien ook de financiële zekerheid wordt geboden. Omroepen moeten ook op financiële continuïteit kunnen rekenen anders is het en loos gebaar.

Het publieke bestel heeft ook een andere dimensie. Op lokaal en regionaal niveau is er sprake van een andere organisatie. Hoewel de Concessiewet vooral de landelijke verhoudingen regelt, zijn er ook raakvlakken met de lokale en regionale omroepen. Een belangrijk onderdeel is de wijze waarop in de toekomst met sponsoring van programmas wordt omgegaan. Het standpunt van de CDA-fractie is duidelijk: financiële sponsoring (artikel 52a) en publieke omroep gaan niet samen. Vooral bij de lokale en regionale omroepen is de financiële situatie echter dusdanig, dat een abrupt einde aan de bestaande mogelijkheden tot grote problemen zal leiden. Dit heeft ook alles te maken met de onduidelijkheid over de gevolgen van de fiscalisering. Mede gelet op lopende contracten en verplichtingen stelt de CDA-fractie een overgangstermijn van twee jaar voor (amendement).

De voorschriften met betrekking tot Europese en onafhankelijke producties zijn zonder overleg met de lokale en regionale omroepen uitgewerkt. Dit lijkt ons niet redelijk. De must carry bepalingen (artikel 82i van de Mediawet en 3.3 van de Tel.wet) moeten ook van toepassing zijn op de editie-uitzendingen. Zonder editiestelsel kan menig regionale omroep zijn werk niet doen, gegeven het verspreidingsgebied. Eveneens zou het mogelijk moeten zijn dat bijvoorbeeld een jongerenzender onder de must-carry verplichting, dan wel een voorkeursrecht voor de ether, valt. Er is overigens ook niets op tegen om in grensgebieden twee regionale omroepen onder de verplichting te laten vallen.
Voor lokale omroepen lijkt er (artikel 66) te worden gemorreld aan de toegang tot kabel en ether. Ook de nadere toelichting biedt niet de noodzakelijke duidelijkheid.

De CDA-fractie juicht het toe dat het Stimuleringsfonds wordt opengesteld voor regionale omroepen (artikel 170). Het argument dat wordt gebruikt, namelijk het krappe financiële kader dat bestaat voor het verzorgen van regionale omroep is echter volstrekt oneigenlijk. Op deze manier worden de gaten in de fiscaliseringssokken van Zalm gestopt. Om de financiële problematiek op te lossen, ligt er en motie van PvdA-CDA. wij zijn benieuwd op welke wijze het kabinet daar invulling aan geeft.
Ten aanzien van het Stimuleringsfonds het volgende: de taak van het fonds is het bevorderen van de kwaliteit van de culturele radio- en televisieprogrammas. Daar horen de regionale en wellicht lokale omroepen ook bij. Behalve dat door het fonds nooit financiële gaten structureel mogen worden gedicht, zal er voor de nieuwe doelgroep een extra budget moeten komen. Vooralsnog wordt uitgegaan van ruim f 6 miljoen en dat lijkt terecht.

Kamerlid: Joop Atsma

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie