Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Nota Financien over handhavingsbeleid van de douane

Datum nieuwsfeit: 19-01-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Financien

Titel: Douane

Directie planning, financiën en control

De voorzitter van de

Vaste Commissie voor Financiën

Postbus 20018

2500 EA Den Haag

Uw brief van/kenmerk

Ons kenmerk

Den Haag


- -

PFC 1999-01226 M

19 januari 2000

Onderwerp

Douane

Geachte heer Van Gijzel,

In het overleg met de Vaste Commissie voor Financiën van 30 september 1999 heb ik u toegezegd u nader te informeren over het handhavingsbeleid van de douane en de uitvoering daarvan.

Hierbij bied ik u de betreffende nota aan.

Hoogachtend,

W.A. Vermeend

Staatssecretaris van Financiën

Bijlage :


- reactie van de douane op gespreksverslagen met een aantal medewerkers van de douanepost Surveillance in Rotterdam Nota rechtshandhaving douane

1. Inleiding

In het overleg met de Vaste Commissie voor Financiën van 30 september 1999 heb ik toegezegd u een nota te zullen zenden over het handhavingsbeleid van de douane en de uitvoering daarvan.

Na de samenvattende conclusies in § 2 geef ik in § 3 eerst in het kort een beeld van het handhavingsbeleid van de douane. In § 4 geef ik aan welke lijn de afgelopen jaren is gevolgd om het groeiende goederenvolume en de groeiende omvang van de niet-fiscale douanetaken te verwerken.

Zoals ik in § 5 beschrijf, zal de komende jaren sprake zijn van verdere groei. De leiding van de douane heeft in de tweede helft van 1999 reeds een aantal voorzieningen getroffen. Ik meen evenwel dat de douane ruimere middelen ter beschikking dient te krijgen en geef in § 5 aan tot welke maatregelen ik besloten heb.


2. Conclusies

Ik heb besloten de navolgende maatregelen ter versterking van de handhaving door de douane te treffen:

a. extra inzet van personeel: een uitbreiding in 2000 van de feitelijke inzet in fysiek toezicht en controle met 300 plaatsen;
b. een intensivering in 2000 van de ontwikkeling en verbetering van de automatiseringsondersteuning met 10 mln;
c. intensivering van de samenwerking met andere diensten.

Deze maatregelen komen bovenop een aantal maatregelen die al eerder door mij en door de leiding van de douane geïnitieerd zijn. Voor een volledig overzicht verwijs ik u naar de § 4 en 5 en de bijlage bij deze nota.

Ik ben tot de conclusie gekomen dat de douane als gevolg van een aanzienlijke en voortdurende groei van de goederenstroom zich structureel voor een forse opgave gesteld ziet.

Voor de jaren na 2000 acht ik verdere maatregelen dan ook zonder meer noodzakelijk. In het kader van een goede begrotingsvoorbereiding past het dat ik daaraan nader invulling geef ter gelegenheid van de begrotingsvoorbereiding 2001.

In het afgelopen jaar is enkele malen gebleken van door individuele douaneambtenaren of groepen douaneambtenaren (anoniem) geuite onvrede.

De leiding van de Belastingdienst meent dat allerlei specifieke punten van onvrede in grote lijnen uiting zijn van twee onderliggende oorzaken:

1. een te sterk toegenomen werkdruk bij grote volumestijgingen die (nog) onvoldoende door automatisering kon worden opgevangen;
2. ondanks alle inspanningen daartoe in de afgelopen jaren nog onvoldoende gehoor voor de concrete gevoelens van de uitvoerende ambtenaren enerzijds en onvoldoende communicatie over de grondslagen van het beleid anderzijds, waardoor individuele ambtenaren als onaangenaam of onverstandig ervaren veranderingen onvoldoende in een context kunnen plaatsen.

Ik heb de leiding van de Belastingdienst en met name die van de douane opgedragen de inspanningen in de vorm van open communicatie om hier verbetering in te brengen aanzienlijk te versterken. Ik acht het van groot belang dat naar de medewerkers duidelijk is dat aandacht bestaat voor hetgeen zij vanuit hun ervaring aandragen en dat de resultaten van hun inbreng naar hen worden teruggekoppeld. Ook wanneer wensen of opvattingen van medewerkers niet realiseerbaar zijn is het immers van groot belang dat helder wordt aangegeven waarom dat het geval is.


3. Het handhavingsbeleid van de douane

Een evenwichtige controle

De douane heeft van oudsher de taak toezicht te houden op de goederen die Nederland worden binnengebracht. Hij ziet daarbij toe dat geen goederen worden ingevoerd die Nederland niet mogen binnenkomen en dat invoerrechten en andere belastingen bij invoer worden geheven. Voorts speelt hij een rol bij de controle op een aantal subsidie- en restitutieregelingen in Europees verband.

In het laatste decennium is ook de controle op de handhaving van een groot aantal niet-fiscale wetten ter bescherming van bijvoorbeeld het milieu en de volksgezondheid (mede) aan de douane opgedragen. De bestrijding van bijvoorbeeld drugssmokkel behoorde van oudsher tot de taken van de douane maar heeft in recente jaren aan belang gewonnen.

Het is onmogelijk en onwenselijk de gehele goederen- en bagagestroom aan fysieke controle op onregelmatigheden te onderwerpen. Reeds het enkele feit dat in Rotterdam per dag een kleine 20.000 containers verwerkt worden, geeft dat aan. Er zou een enorm apparaat nodig zijn om dat te doen, heel veel controles zouden niets opleveren en er zou voor de handel onnodige en dus onaanvaardbare vertraging optreden.

De douane staat daarmee voor het vraagstuk hoe een uitgebalanceerde controle in te richten. Aan de ene kant weegt het belang om onregelmatigheden te ontdekken. Aan de andere kant het belang van voortgang van het goederenverkeer. Deugdelijke controle enerzijds en zorg voor voortgang van de belangrijke logistieke processen voor Nederland en Europa anderzijds vormen het natuurlijke spanningsveld waarin de douane altijd zijn positie moet zoeken.

Alles is er mitsdien op gericht het zwaartepunt in de controle te leggen op dat deel van de goederenstroom waar onregelmatigheden het meest waarschijnlijk zijn. Zo wordt degene die dat nodig heeft gecontroleerd en degene die zijn verplichtingen nakomt zo min mogelijk gehinderd.

In dit verband wijs ik u tevens nog op het inventariserende onderzoek zoals dit door de minister van Justitie aan de Kamer is toegelicht bij brief van 25 november 1999. Bij dit onderzoek zullen de bijzondere risico's die zijn verbonden aan de positie van Nederland als distributieland in kaart worden gebracht. Daarbij zal meer specifiek aandacht worden besteed aan de in-, uit- en doorvoer van hoog-criminele goederen.

Administratieve en fysieke controles; risico-analyse

Sedert vele jaren staat Nederland - ook in Europees verband - allereerst een stelsel van administratieve controles voor. De controle geschiedt daarbij in beginsel aan de hand van de boekhouding en administratieve bescheiden. Zo kunnen in bepaalde gevallen aan aangevers vergunningen worden verleend, waarbij het stelsel van fysiek douanetoezicht op de goederenstroom aanvullend wordt op administratieve controlesystemen. Via initiële onderzoeken wordt de deugdelijkheid van de administratie vastgesteld, voordat vergunningen worden verleend. Dit is bruikbaar voor aangevers en goederenstromen waarvan op grond van allerlei criteria een hoge mate van betrouwbaarheid kan worden vastgesteld. Steeds moet worden getoetst of de betrouwbaarheid nog voldoende is. Aanvullend vindt steekproefsgewijs daadwerkelijke controle van de goederen plaats. Overigens kan ook bij bedrijven die geen vergunning hebben en die geen gebruik maken van vereenvoudigde douane-afhandeling achteraf een controle worden ingesteld om aan de hand van de bedrijfsadministratie te toetsen of de aangiften tot juiste heffingen hebben geleid.

Administratieve controle is voor de handhaving van veel douanewetgeving een uitstekend middel. Voor het tegengaan van smokkel van goederen die Nederland niet binnen mogen - zoals drugs - is die controlevorm vanzelfsprekend echter niet toereikend. Er zal daarom primair dan wel aanvullend fysieke controle moeten plaatsvinden. Zoals aangegeven is het onmogelijk en heeft het weinig zin om alles fysiek te controleren.

Daarom wordt gewerkt met risico-analyse. Daarmee beoogt de douane juist dat deel van de goederenstroom te selecteren waar onregelmatigheden het meest waarschijnlijk zijn. De individuele douane-ambtenaar en het douane-team analyseren risicos op grond van de kennis die zij bezitten over hun werkpakket en werkgebied. Ook worden risicos gedetecteerd door centraal (het Douane Informatie Centrum) of op douanedistricten (Districts Informatie Afdelingen) informatie over transacties, goederenstromen, vervoerspatronen en aangevers te verzamelen en te analyseren. De geanalyseerde risicos worden omgezet in profielen. Binnenkomende vervoermiddelen of goederen worden vervolgens langs de profielen gehaald en geven zo indicaties voor het instellen van fysieke controles. Voor een goed douanetoezicht is risico-analyse en daarop gebaseerde gerichte controle van doorslaggevend belang. Een onmisbaar sluitstuk is de inzet van algemeen toezicht, surveillance en steekproefcontroles. De Europese Rekenkamer laat zich in het jaarverslag over 1997 positief uit over de risico-analyse in Nederland. Ook de Europese Commissie hecht aan verdere ontwikkeling van deze controlemethodiek in de lidstaten. Het Nederlandse DouaneInformatieCentrum (DIC) heeft op verzoek van de Europese Commissie modellen opgesteld met betrekking tot de te volgen procedures bij risico-analyse. Het betrof onder meer de luchtvracht. Het DIC is ook veelvuldig uitgenodigd door de Europese Commissie, de WereldDouaneOrganisatie en de Verenigde Naties (UNCDP) om hierover presentaties te houden. Ook in het jaar 2000 zal het DIC actief participeren in een projectgroep, geïnitieerd door de Europese Commissie, om het systeem van risico-analyse in Europees verband verder te ontwikkelen.

De verdergaande ontwikkeling van risico-analyse betekent wel dat er steeds meer gericht wordt gecontroleerd en dat er voor de individuele ambtenaar minder vrijheid is met betrekking tot de keuze wat hij controleert. Als punt van kritiek wordt wel gehoord dat te weinig gebruik wordt gemaakt van de kennis van de ambtenaar en het team en dat teveel wordt gestuurd op gebruik van risico-analyse.

Ook ik meen dat oog, oor, kennis en intuïtie van ambtenaar en team onontbeerlijk blijven. Zij vormen mede de basis voor de verdere ontwikkeling en verbetering van de risico-analyses. In die zin is risico-analyse mede de optelsom van de kennis en ervaring van vele douaneambtenaren. Ik sluit niet uit dat deze "leercirkel" nog onvoldoende benut wordt en in ieder geval leeft zij kennelijk op sommige plaatsen onvoldoende op de werkvloer. Het management zal daar in de komende tijd meer aandacht aan geven.

Middelen versus volumegroei

Zoals in de rest van de Belastingdienst is het uitgangspunt voor het ter beschikking stellen van middelen steeds geweest dat volumegroei door efficiencyverbetering wordt opgevangen.

In § 5 kom ik terug op de vraag of dat uitgangspunt in de gegeven omstandigheden gehandhaafd kan blijven.

Bij het aan de douane toewijzen van niet-fiscale douanetaken zijn nimmer middelen toegekend vanuit de basisgedachte dat de douane toch bij de goederenstroom staat en juist daarom bij deze taken een rol speelt.


4. Maatregelen

In mijn brief van 22 juni 1999 aan Uw Commissie heb ik inzicht gegeven in de volume-ontwikkeling over de jaren 1995-1998 en in de aantallen controles en geconstateerde onregelmatigheden in die jaren op het terrein van de niet-fiscale taken.

Om deze groei te kunnen verwerken is het volgende beleid ingezet.

Aanpassingen van de formatie

In de afgelopen tien jaar hebben vijf gebeurtenissen geleid tot grote aanpassingen van de formatie van de douane:

* het wegvallen van de EU-binnengrenzen: stapsgewijs is de formatie in de periode 1993 - 1995 verminderd met (structureel) 1400 plaatsen. In de aanloop naar de totstandkoming van de interne markt per 1 januari 1993 zijn intern in verband met de verschuiving van de werkzaamheden bovendien formatieplaatsen verschoven van de binnengrens naar de buitengrens;
* de invoering van het accoord van Schengen: reeds vanaf 1992 heeft de douane om deze reden 100 formatieplaatsen ingeleverd;
* ter intensivering van de reizigerscontrole op Schiphol is de formatie daar in 1995 uitgebreid met 216 plaatsen;
* uitbreiding op basis van het Fraudeplan 1996: ter versterking van de buitengrenscontrole, met name op Schiphol is de formatie vanaf 1997 verhoogd met ruim 400 plaatsen;

* de invoering van de 36-urige werkweek: voor herbezetting zijn aan de douane vanaf 1997 ca 175 extra formatieplaatsen toegewezen;
* de invoering van het mobiel toezicht goederenverkeer buitengrenzen: met ingang van 1998 is de douane uit dien hoofde versterkt met 200 formatieplaatsen.

In wisselwerking met deze externe gebeurtenissen beïnvloeden enkele interne omstandigheden de formatie van de douane:
* in de periode 1995 - 1998 is binnen de Belastingdienst de zogenaamde P-schuif geëffectueerd. In dat verband zijn de formaties van divisies Particulieren en Douane met ongeveer 1400 plaatsen gekort ten gunste van de divisies Ondernemingen en Grote ondernemingen. Dat was, in een totaalafweging, noodzakelijk om de kwaliteit van het toezicht en de bedrijfsvoering in deze divisies te verbeteren. Het aandeel van de douane bedroeg een kleine 500 plaatsen;

* de douane heeft relatief veel ouder en daarom duurder personeel in dienst. Door de jaren heen is het noodzakelijk gebleken om 100 à 150 plaatsen te blokkeren om de extra personeelsuitgaven op te vangen;

* in de periode 2000-2004 is tot nu toe een formatiekorting voorzien van 500 plaatsen om de noodzakelijke ontwikkeling van de automatisering te financieren (zie ook Tweede Kamer, vergaderjaar 1999-2000, 26 800, hoofdstuk IXB, nr. 2, blz. 122 en nr. 3, blz. 2).

Automatisering

Bij groeiende goederenstromen nemen ook de administratieve handelingen toe die nodig zijn in het formaliteitenstelsel van de douaneprocessen. Veel van deze handelingen zijn nog handmatig. Automatisering dringt het aantal handmatige administratieve handelingen terug en maakt het mogelijk dat meer personeel voor daadwerkelijke controle wordt ingezet. Daarnaast ondersteunt automatisering de risico-analyse. Er is in de achterliggende jaren daarom al veel ingezet op automatisering. Ook in de periode 2000-2004 wordt geïnvesteerd zowel in nationale als in EU-systemen.

Investering in technische hulpmiddelen

Er zijn investeringen in hulpmiddelen voor technische ondersteuning gedaan, zoals de mobiele scans en de vaste containerscan op de Maasvlakte in Rotterdam. Op Schiphol worden dit jaar twee vaste scans in gebruik genomen. Door de inzet van deze hulpmiddelen kan snel worden waargenomen of en waar er goederen verborgen zitten in de lading. Mits gebaseerd op goede risico-analyse wordt zo een sterke controle bereikt. Het aantal containers dat daadwerkelijk gecontroleerd kan worden, is zo in 1999 verveelvoudigd.

Vereenvoudiging (communautaire) regelgeving
Nederland zet in op verdere vereenvoudiging van EU-douaneprocedures. Als gevolg hiervan kan de veelheid van documenten die nu de goederenstroom begeleidt, geleidelijk worden teruggedrongen. Daardoor kunnen procedures worden verkort en makkelijker elektronisch uitgevoerd. Te denken valt hierbij aan het overleggen van facturen en oorsprongsbescheiden. In Europees verband bestaat overeenstemming over het afschaffen van de verplichting tot het overleggen van deze documenten in bepaalde situaties. De Europese wetgeving is echter nog niet geheel afgerond. Nederland zal in Europees verband aandringen op snellere voortgang op dit terrein.

Verplaatsing van werk van west naar oost

De fysieke controle van goederen wordt - voor zover het niet om drugs en gezondheidsrisicos gaat - zo mogelijk verplaatst van de mainports aan de buitengrens naar het binnenland. Dit heeft zowel voordelen voor het bedrijfsleven, omdat op de plaats van bestemming wordt gecontroleerd, als voor de douane, omdat de beschikbare capaciteit beter kan worden verdeeld.

Helaas is deze maatregel slechts in beperkte mate effectief omdat veel werkzaamheden formeel bij het overschrijden van de buitengrens (het binnenkomen van het grondgebied van de EU) moeten worden verricht. Dit geldt met name voor de niet-fiscale douanetaken waarbij milieu- en gezondheidsrisicos een rol spelen.

Samenwerking met andere diensten

Samenwerking heeft ten doel het overheidsoptreden gericht op de rechtshandhaving doelmatiger en doeltreffender te maken. Samenwerking brengt de verschillende diensten in de rechtshandhaving, zoals bijvoorbeeld de politie, de KMAR en de douane, tot elkaar. Hierbij is het van belang dat duidelijke en concrete afspraken worden gemaakt, zodat helder is wat over en weer van elkaar verwacht kan en mag worden.

Met betrekking tot het fysieke toezicht aan de buitengrens zijn afspraken gemaakt met andere handhavingsdiensten zoals de Kustwacht, de Koninklijke marechaussee (KMAR) en de politie. Verder zijn de surveillanceactiviteiten afgestemd met andere diensten. Dergelijke afspraken zijn bijvoorbeeld gemaakt met de KMAR in het kader van het mobiel toezicht aan de binnengrenzen en met de politie, de KMAR en het Korps landelijke politiediensten in het kader van de samenwerkingsovereenkomst Zeeland. Deze laatste overeenkomst beoogt door een gezamenlijke aanpak de effectiviteit van de bestrijding van de illegale in-, uit-en doorvoer van bijvoorbeeld verdovende middelen en sigaretten te verhogen.

Daarnaast werd met de KMAR een gezamenlijk team opgebouwd voor de bestrijding van drugssmokkel op Schiphol. Onder leiding van het OM wordt met de politie samengewerkt bij kortlopende opsporingsonderzoeken bij het aantreffen van drugs. Het gaat hier om de HitAndRunContainer (HARC)-teams in Rotterdam, in Amsterdam, op Schiphol en in Zeeland. Ook op het terrein van de niet-fiscale douanetaken wordt sinds een aantal jaren gewerkt aan het verbeteren van de samenwerking met andere departementen en diensten. Naast contacten op uitvoeringsniveau zijn de afspraken vastgelegd in convenanten met andere bijzondere opsporings- en controlediensten, zoals de Algemene Inspectie Dienst, de Economische Controle Dienst en de Rijksdienst voor Keuring van Vee en Vlees.

Al deze samenwerkingsactiviteiten bevorderen een effectieve rechtshandhaving in Nederland en een effectieve en efficiënte bijdrage van de douane daaraan.


5. Ontwikkeling in 1999 en komende jaren; verdere maatregelen

Volume-ontwikkeling

Ook voor de komende jaren zijn de economische vooruitzichten gunstig. Op basis van extrapolatie kan een verdere volumestijging worden verwacht1.

Voorts moet niet worden uitgesloten dat het aantal en de omvang van de niet-fiscale douanetaken verder zal toenemen. Het ligt in de lijn der verwachting dat de behoefte aan bescherming van de maatschappij tegen bedreiging van gezondheid, milieu, veiligheid en dergelijke eerder zal toe- dan afnemen.

Controledichtheid

Conform het uitgangspunt is de douane er tot en met 1998 in geslaagd de toenemende goederenstroom adequaat te blijven controleren en dus de volumestijgingen door produktiviteitsverhoging op te vangen. Voor de cijfers verwijs ik naar de jaarlijks in de maand mei aan u toegezonden Beheersverslagen.

Uit de cijfers voor 1999, die u zullen worden aangeboden bij het eind maart 2000 verschijnende Beheersverslag, komt echter met name in het tweede halfjaar een daling van de controledichtheid naar voren bij enkele belangrijke werkstromen. Vooral in Rotterdam en Hoofddorp (Schiphol) wordt deze daling zichtbaar. De nu op bepaalde onderdelen en locaties bereikte controledichtheid is in mijn ogen onvoldoende.

De oorzaak daarvan ligt in een combinatie van factoren.

In de eerste plaats is sprake van personele onderbezetting als gevolg van een afnemend aanbod op de arbeidsmarkt.

Voorts kost de invoering van automatisering en de vereenvoudiging van regelgeving nationaal en in EU-verband meer tijd dan verwacht. Er moest vooral in 1998 en 1999 veel capaciteit worden vrijgemaakt om de automatiseringssystemen aan te passen aan de millenniumwisseling en aan de komst van de Euro. Desondanks is de afgelopen jaren vooruitgang geboekt

met het toepassen van systemen voor elektronische afhandeling van formaliteiten en van

systemen voor risico-analyse en selectie. De toegenomen automatisering kon echter de groei van het volume niet voldoende opvangen.

Ook in Europees verband kost automatisering meer tijd en moeite dan wenselijk zou zijn. Een belangrijk project is het New Computerised Transit System (NCTS), dat ten doel heeft de papieren begeleiding van goederen in douanevervoer te vervangen door een geautomatiseerd systeem. De datum waarop dit systeem operationeel kan worden is al verschillende keren uitgesteld. Medio 2000 start een pilot in vijf EU-landen, waaronder Nederland.

Verder blijken de investeringen in de scans succesvol, maar ook aanzienlijk arbeidsintensiever dan aanvankelijk ingeschat.

Extra middelen

Dit geheel van factoren brengt mij tot de conclusie dat er aanleiding is - bovenop een aantal maatregelen die al door de leiding van de douane in 1999 geïnitieerd zijn (zie bijlage) -

in afwijking van het eerder genoemde uitgangspunt de douane thans extra middelen ter beschikking te stellen om de volumegroei te verwerken en weer een voldoende controledichtheid te bereiken.

Ik heb de volgende voornemens die in samenhang met elkaar moeten worden gezien.


a. inzet extra personeel

Om de volumegroei op te kunnen vangen is inzet van extra personeel nodig. In 2000 gaat het om 300 te werven nieuwe medewerkers.

Deze extra inzet wordt gerealiseerd door de tot heden nog voorziene terugloop2 in de formatie 2000 ten opzichte van de formatie 1999 ongedaan te maken, alsmede door de huidige onderbezetting weg te nemen. Dit leidt tot het volgende beeld.

Extra personeelsinzet 2000

Begrotingssterkte 1999

5520

Huidige begrotingssterkte 2000

5350

Aanvulling

170

Wegnemen onderbezetting

130

Totaal extra inzet

300

De kosten van deze extra inzet en van de hierna aangegeven aanvullende automatiseringsinspanning kunnen worden opgevangen binnen de begroting van Financiën (Hoofdstuk IXB).

De inspanning om de instroom daadwerkelijk te realiseren, zal aanzienlijk zijn. Zoals bekend is de arbeidsmarktsituatie moeilijk. Niettemin wijzen recente wervingsinspanningen in Rotterdam uit dat het aantrekken van personeel mogelijk is3.

Ten behoeve van een actieve benadering van de arbeidsmarkt zullen speciale teams worden ingezet. Deze teams gaan zich bezighouden met het werven van nieuwe medewerkers op landelijke en regionale arbeidsmarktevenementen.

Voorts wordt onderzocht in hoeverre het differentiëren in arbeidsvoorwaarden, zoals toelages, verruiming studiefaciliteiten en reiskostenvergoedingen, extra impulsen biedt om medewerkers te werven en te binden.

De extra inzet van personeel krijgt pas in de loop van het jaar zijn beslag. Met name in 2000 zal dit op bepaalde locaties nog tot een te lage controledichtheid kunnen leiden.

Ik vertrouw er echter op dat in deze periode door heldere prioritering en scherpe selectie op goederen- en passagiersstromen toch een maatschappelijk aanvaardbare prestatie wordt geleverd, met een voldoende rechtshandhavingsniveau, waarbij ook wordt voldaan aan EU-verplichtingen, terwijl het serviceniveau voor het bedrijfsleven voldoende blijft.

Ik ben tot de conclusie gekomen dat de douane als gevolg van een aanzienlijke en voortdurende groei van de goederenstroom zich structureel voor een forse opgave gesteld ziet.

Voor de jaren na 2000 acht ik verdere maatregelen dan ook zonder meer noodzakelijk. In het kader van een goede begrotingsvoorbereiding past het dat ik daaraan nader invulling geef ter gelegenheid van de begrotingsvoorbereiding 2001.


b. automatisering

De inspanning voor automatisering wordt geïntensiveerd, zowel voor EU-systemen als nationale systemen. Het budget voor de verdere ontwikkeling en verbetering van systemen voor risico-analyse en elektronische aangifte-systemen wordt voor 2000 verhoogd met 40%. Dat komt neer op een ophoging van het huidige budget voor ontwikkeling met 10 miljoen gulden.

In het kader van de begrotingsvoorbereiding 2001 geef ik ook wat betreft de automatisering nader invulling aan aanvullende maatregelen na 2000.


c. andere instrumenten

Technische hulpmiddelen

Wat betreft de technische hulpmiddelen worden, zoals bekend, met het oog op efficiënter toezicht dit jaar twee vaste scans op Schiphol in gebruik genomen. Studies zijn gaande naar de inzet van dergelijke technische hulpmiddelen op andere locaties.

Samenwerking

Ik heb de douane opdracht gegeven de samenwerking met KMAR, politie en andere diensten op het terrein van surveillance - en andere taken uit te breiden en te intensiveren, naar het voorbeeld van de samenwerking in Zeeland.

Afspraken niet-fiscale douanetaken

Reeds eerder informeerde ik u over het maken van afspraken ten aanzien van de niet-fiscale douanetaken met de betreffende beleidsverantwoordelijke departementen. Voor de groei van het werkaanbod als gevolg van deze taken is de douane in het verleden financieel niet gecompenseerd. Het uitgangspunt was dat deze taken binnen de bestaande capaciteit konden worden uitgevoerd. Het is de vraag of dit uitgangspunt voor de langere termijn gehandhaafd kan blijven, gelet op een uitvoering die niet alleen steeds omvangrijker wordt, maar ook gecompliceerder, vanwege de steeds verdergaande detaillering op de wetgevingsterreinen waarop het niet-fiscale douanetoezicht zich richt.

De leiding van de douane zal zich in de komende maanden met de beleidsverantwoordelijke departementen over dit vraagstuk verstaan.

Opleidingen

Ook de versterking van de douane-technische kennis moet gelijke tred houden met de grote dynamiek die zich in de wereld van transport en logistiek manifesteert. De douane zal daarom ook de scholingsinspanning op douanetechnisch terrrein intensiveren.

Communicatie

De leiding van de Belastingdienst en die van de douane in het bijzonder, hebben uit de recente signalen nog eens kunnen afleiden dat veel zorg aan de communicatie met medewerkers moet worden besteed. Ik heb de leiding van de douane verzocht een gericht programma te ontwikkelen om de communicatie tussen management en medewerkers te verbeteren. Gewezen wordt op hetgeen in de bijlage hieromtrent is opgenomen. Gedacht wordt aan training van het (middle)management op heldere, continue en open communicatie en aan het betrekken van medewerkers bij de voorbereiding van en uitvoering van beleid.

Dat betekent niet dat ik geen waardering heb voor hetgeen de leiding van de douane in 1999 in gang heeft gezet of niet zou onderkennen dat ook resultaat wordt geboekt. Niettemin acht ik een grotere investering op dit terrein gewenst.


6. Tenslotte

In de komende tijd zal de dienstleiding met de medezeggenschapsorganen en met het Georganiseerd overleg overleggen over de uitvoering van de nu door mij genomen maatregelen. Ik heb het vertrouwen dat hiermee de douane een goede en betrouwbare rechtshandhavingsorganisatie zal blijven. Evenzeer dat de douane een goed werkgever met aantrekkelijk werk blijft én wordt voor zittend én nieuw aan te trekken personeel.

Ik ben voornemens de uitvoering van deze maatregelen nauwlettend te volgen.

In het Beheersverslag Belastingdienst dat u jaarlijks wordt aangeboden zal over de voortgang van de voornemens uit deze brief worden gerapporteerd.

Bijlage

In 1999 door de leiding van de douane getroffen maatregelen

Toen door de directie Douane voorbereidingen zijn gestart met betrekking tot het jaarplan voor 2000 werd door de voorziene formatiekorting de spanning tussen werklast en capaciteit zeer manifest. Mede naar aanleiding van de knelpuntenanalyse, de knelpunten zijn door de directeur via de managementlijn en de ondernemingsraden verzameld, heeft de directeur Douane diverse maatregelen genomen.

Risico-analyse

1. De capaciteitsinzet op risico-analyse en het maken en actualiseren van risicoprofielen is vergroot in kwantitatief en kwalitatief opzicht. Alle instromenden bij het DIC en DIAs nieuwe stijl hebben een opleiding gekregen. Doel is de kwaliteit van de profielen te vergroten zodat het aantal hits (correcties en bevindingen) gaat stijgen. De kennis en ervaring van de individuele medewerkers vormen een basis, worden gebundeld en aan hen via profielen opnieuw ter beschikking gesteld. Het ontwikkelen van de leercirkel loopt, maar dit vergt tijd.


2. Er is versnelling aangebracht in het ordenen van klanten rond bepaalde soorten goederen en voor deze doelgroepen op grond van risico-analyse fysieke en administratieve controle opdrachten uit te werken. Het toezicht bij grote en bij risicovolle ondernemers blijft echter maatwerk.

Vereenvoudiging procedures; automatisering


3. Diverse studies zijn geïnitieerd en worden in pilots beproefd om het formaliteitenstelsel meer efficiënt uit te voeren, zonder dat de kwaliteit van het toezicht hierdoor daalt. Zo loopt een proef waar bij elektronische aangiften bepaalde bescheiden niet meer overlegd worden, maar het voorhanden hebben achteraf administratief wordt gecontroleerd zowel selectief als aselect. Ook is een studie geïnitieerd of en hoe manifesten als selectie-instrument aangewend kunnen worden. Manifesten bevatten meer informatie dan de summiere douane-aangifte zodat selectie op grond van prearrival informatie beter kan plaatsvinden en de administratieve last voor de aangever vermindert.


4. Het elektronisch aangeven wordt via districtsteams gestimuleerd. Om de (financiële) drempel voor het bedrijfsleven hierbij te verlagen is opdracht gegeven window-versies voor de elektronische berichten te bouwen. Er wordt in samenwerking met het bedrijfsleven bezien of de internettechnologie toepasbaar is. Punt hierbij is uiteraard ook de gegevensbeveiliging.


5. Bij de aangiften ten invoer was elektronisch aangeven al hoog (90%), bij uitvoer is dat in 1999 omhooggebracht van 21% naar 46%.

De volgorde waarin douaneautomatiseringssystemen worden gebouwd is herzien zodat prioriteit wordt gelegd bij de voor het bedrijfsleven en de douane besparende aspecten. Een voorbeeld hiervan is de inklaring. Bij voldoende middelen is het totale traject in een aantal jaren af te ronden.

Separaat hieraan werken de douane en het B/AC
(Belastingdienst/automa-tiseringscentrum) om de vervoersaangiften via het te bouwen systeem Transit/NCTS te automatiseren. Nederland is gereed om per april 2000 mee te doen aan de pilots.

Inzet douane


6. Daar waar van forse onderbezetting sprake is, is tijdelijk ruimte gecreëerd door de frequentie van fysieke controle te verlagen met als voorwaarden dat het aantal hits (correcties en bevindingen) tenminste gelijk blijft.


7. Gegeven het toenemende elektronisch aangeven lopen er proeven om het mobiel controleren te intensiveren. Douanemedewerkers gaan voor het fysieke opnemen naar de plaats waar de goederen zich bevinden in plaats van dat de goederen bij het kantoor komen. Vervolgopdrachten voor controles worden naar de autos gezonden met moderne hulpmiddelen. Minder efficiënte werkpunten waar weinig werkaanbod is kunnen op termijn gesloten worden.

Werving en communicatie


8. Inzake werving zijn de bakens verzet door deze meer lokaal uit te voeren en te richten op media die de doelgroep kent. Spotjes bij regionale populaire zenders en huis aan huisbladen zijn hier voorbeelden van. In de regio Rotterdam heeft dat tot enkele honderden reflecties geleid waarvan de helft al getest is en een deel in opleiding is gegaan c.q. binnenkort gaat. Tevens wordt de huidige internaatsopleiding voor startende medewerkers meer flexibel en gedifferentieerd ingericht. Het doel hiervan is tweeledig: het optimaal laten aansluiten van de opleiding op de praktijk enerzijds en op de privé-situatie van nieuwe medewerkers anderzijds (denk bij dit laatste aan het kunnen combineren van arbeid en zorg).


9. Teneinde de communicatie binnen de douaneorganisatie te verbeteren zijn c.q. worden een aantal activiteiten opgestart en geïntensiveerd:


* beleidsuitgangspunten worden in heldere bewoordingen beschreven en in werkoverleggen aan de orde gesteld. Nadruk ligt hierbij op de mondelinge toelichting, het beantwoorden van vragen en het luisteren naar ideeën van uitvoerenden om waar nodig en mogelijk tot bijstelling te komen;

* de managers op alle eenheden zullen een training krijgen in het communiceren met medewerkers. De start hiervan ligt op de managementdag Douane welke in april 2000 wordt gehouden;
* de directeur en zijn staf zullen de frequentie van werkbezoeken aan posten/werkpunten opvoeren om zo met medewerkers van gedachten te wisselen/communiceren.

Bijlage bij brief van 19 januari 2000, kenmerk PFC 1999-01226 M

Reactie op verslagen van gesprekken met medewerkers van de douanepost Surveillance in Rotterdam

Inleiding

Deze notitie bevat een reactie op twee verslagen die zijn ontvangen van de heer L.C. van Dijke, lid van de Tweede Kamer, naar aanleiding van bijeenkomsten die hij heeft gehad op 29 november 1999 met een aantal medewerk(st)ers van de douanepost Rotterdam Surveillance en in december 1999 met enkele (ex) medewerk(st)ers van de meldkamer te Rotterdam, eveneens behorend tot de douanepost Surveillance. Deze post is één van de posten van het douanedistrict Rotterdam. Het aantal medewerkers van deze post is ongeveer 170, terwijl het totaal aantal medewerkers van het douanedistrict Rotterdam ongeveer 1.400 bedraagt.

Van tevoren is er mee ingestemd dat de heer Van Dijke zich op deze wijze rechtstreeks zou verstaan met de douane in Rotterdam.

Op 4 januari 2000 heeft de directeur douane de verslagen besproken met ongeveer 60 medewerk(st)ers van de operationele teams en de meldkamer van de douanepost. Bij de bespreking waren ook de loco-directeur en het hoofd van het douanedistrict Rotterdam aanwezig.

Deze notitie bestaat uit twee onderdelen.

In het eerste onderdeel wordt ingegaan op enkele algemene onderwerpen die in de gesprekken veelvuldig aan de orde zijn gesteld. Het betreft:
* mobiliteitsbeleid

* niet-fiscale douanetaken;

* drugsbestrijding; de relatie tussen controle en opsporing en de samenwerking met andere diensten.

In het tweede onderdeel van de notitie wordt een reactie gegeven op de resterende meer specifieke punten uit de verslagen. Dit betekent dat de drie onderwerpen die hiervoor zijn genoemd, niet verder aan de orde zullen komen, tenzij er aanvullende informatie kan worden gegeven.

In dit onderdeel wordt eerst in het kort aangegeven wat de heer Van Dijke als gesprekspunt heeft aangevoerd, daarna in cursief wat de mening van de douanemedewerkers is (een en ander zoveel mogelijk samengevat in de bewoordingen van het verslag), en daarna een reactie.

Enkele hoofdthemas

Mobiliteitsbeleid

Het mobiliteitsbeleid van de douane is geaccordeerd door de Groepsondernemingsraad (GOR). Dit mobiliteitsbeleid is een uitwerking van het algemene mobiliteitsbeleid van de Belastingdienst, waarover met de vakcentrales overeenstemming is bereikt in de vergadering met de Bijzondere Commissie Belastingdienst op 29 november 1995.

De uitwerking daarvan binnen het douanedistrict Rotterdam is in overeenstemming met de Ondernemingsraad (OR) tot stand gekomen.

Het doel van roulatie is in het mobiliteitsbeleid van het douanedistrict Rotterdam als volgt verwoord:

1. Bevorderen van integriteit waardoor normen en waarden scherp worden gehouden.
De persoonlijke groei en ontwikkeling van mensen worden gestimuleerd.
Het streven naar een flexibele organisatie (de enige manier om als organisatie te blijven bestaan) is zo goed mogelijk op de toekomst inspelen.
Eerlijk delen van gewilde en minder gewilde taken.

De hoofdlijn van uitwerking van deze doelstellingen in het mobiliteitsbeleid van het district is dat men in beginsel maximaal vijf jaar in hetzelfde team werkt en maximaal tien jaar binnen dezelfde douanepost.

Om een zo gelijk mogelijke uitvoering van het mobiliteitsbeleid binnen het district Rotterdam te waarborgen is een uitvoeringsnotitie mobiliteit ontwikkeld. Deze notitie is, na het uitvoeren van de roulatieronde in 1998, geëvalueerd door het district en aangepast.

Eind 1998 zijn alle medewerk(st)ers binnen het district nogmaals (persoonlijk) op de hoogte gesteld van het hoe en waarom van mobiliteit.

Om vrijwillige mobiliteit te bevorderen, is in 1999 een horizontale mobiliteitsbank ingesteld binnen het district Rotterdam. Om een goede en eerlijke uitvoering te waarborgen zijn toedelingsregels voor vrijwillige mobiliteit ontwikkeld. Door het instellen van deze vrijwillige mobiliteitsbank douane district Rotterdam, zijn inmiddels tientallen medewerk(st)ers op basis van vrijwilligheid van standplaats veranderd. De vrijwilliger die het langste op zijn dienstonderdeel is geplaatst, gaat voor. Op deze wijze kunnen de medewerk(st)ers beïnvloeden of zij het moment van verplichte roulatie afwachten dan wel dat zij op basis van vrijwillige mobiliteit rouleren.

Eind 1999 is besloten een onderzoek in te stellen naar de ervaringen van de medewerk(st)ers die vanaf 1998 zijn gerouleerd.

Niet-fiscale douanetaken

De douane is niet meer alleen belast met het heffen en innen van douanerechten. Het aantal niet-fiscale taken - taken die de douane uitvoert in opdracht van andere departementen - is de laatste jaren sterk toegenomen. Steeds vaker wordt (ook in Europees verband) de douane ingezet voor de controle op de naleving van wet- en regelgeving op het gebied van gezondheid, veiligheid en milieu bij de binnenkomst van goederen aan de grens.

In sommige gevallen blijft de rol van de douane beperkt tot het selecteren en kanaliseren van gegevens voor andere handhavingsdiensten. In andere gevallen gaat het om het daadwerkelijk weren van goederen aan de grens. Deze zogenoemde stopfunctie ziet op het weren van goederen die een risico betekenen op het gebied van de volksgezondheid, veiligheid en milieu en die om die reden het land niet in mogen. Het komt steeds vaker voor dat een beroep op de douane wordt gedaan om te voorkomen dat goederen met bijvoorbeeld een gezondheidsrisico Nederland binnenkomen.

De douane is de laatste jaren in toenemende mate gaan werken als opdrachtnemer van andere departementen, die beleidsverantwoordelijk zijn voor niet-fiscale taken die door de douane worden uitgevoerd. Het uitgangspunt daarbij is het aannemen van concrete controle- of handhavingsopdrachten. In dit verband wordt verwezen naar het Algemene Rekenkamerrapport Douane en Douanita van 1998.

Mede naar aanleiding van het Rekenkameronderzoek in 1996 heeft de douane voor dertien onderdelen van de niet-fiscale regelgeving projecten opgezet om de uitvoering en de resultaten te verbeteren. Een aantal deelprojecten is inmiddels volledig uitgevoerd, andere lopen nog. Eerder geformuleerde uitgangspunten blijven onverkort gelden: een geïntegreerde controleaanpak, samenwerking en, waar mogelijk, het zelfstandig afdoen van geconstateerde overtredingen.

Drugsbestrijding; relatie tussen controle en opsporing en de samenwerking met andere diensten

De opsporing van verdovende middelen heeft altijd hoge prioriteit gehad en zal dat blijven houden. De douane voert deze taak in overeenstemming met het nationale drugsbeleid uit. De bestrijding van de in- uit- en doorvoer van drugs die via de havens en de luchthavens binnenkomen en uitgaan is een speerpunt van de douane. Een aantal van de in het bedrijfsplan Douane opgenomen maatregelen ziet ook op de bestrijding van de in- uit- en doorvoer van verdovende middelen. Het gaat daarbij vooral om acties, risicoanalyse, (intensivering van ) fysieke controles bij in- uit- en doorvoer, het gebruik van containerscans en andere apparatuur, ambulante controle en controle op reizigersbagage.

De cijfers over inbeslaggenomen drugs geven het volgende beeld.

Drugsvangsten in kg (m.u.v. XTC:in doses) door Douane en FIOD

over de jaren 1996-1998 en een schatting voor 1999

1996

1997

1998

1999 (schatting))

heroïne

84

85

135

70

cocaïne

5 002

5 678

5 260

7 500

hashish

6 858

5 163

4 674

6 500

marihuana

58 481

10 500

21 725

22 000

XTC (stuks)


-

251 243

79 788

300 000

De internationale samenwerking is bij de bestrijding van drugs van groot belang. Zo participeert de douane actief in gemeenschappelijke EU douane-acties op dit terrein.

Ook worden kortlopende strafrechtelijke onderzoeken ingesteld, gericht op het aanhouden van de direct en indirect betrokkenen bij een container waarin verdovende middelen worden aangevoerd. Deze zogenaamde Hit en Run Containers (HARC) onderzoeken worden verricht door de FIOD in samenwerking met politie (of de KMAR) en douane en onder leiding van het Openbaar Ministerie. Aan de FIOD wordt menskracht beschikbaar gesteld door de districten Amsterdam, Hoofddorp, Roosendaal en Rotterdam.

Volledigheidshalve wordt in dit verband opgemerkt dat de douane zich in beginsel beperkt tot controle.

Binnen de Belastingdienst geldt de beleidslijn dat opsporingstaken worden verricht door de FIOD en/of andere opsporingsdiensten. Als er een tip komt en de informatie is dusdanig concreet dat er sprake is van een verdachte, dan geeft de douane deze informatie door aan de FIOD ter opsporing. De douane controleert dus en gebruikt haar opsporingsbevoegdheden alleen bij heterdaad situaties. Het leveren van bijstand aan de FIOD geschiedt op verzoek. Binnen deze taakverdeling voert de douane geen zelfstandige opsporingsonderzoeken uit.

Tot slot wordt opgemerkt dat in 1997 het samenwerkingsverband ter bestrijding van de criminaliteit rond synthetische drugs, de zogenaamde Unit Synthetische Drugs, is opgericht. In deze Unit participeert naast de politie, de ECD, de KMAR en de FIOD ook de douane. De inbreng van de douane is met name gericht op informatie-uitwisseling en -veredeling.

Sessie 1. Surveillancedienst-landteam

De heer Van Dijke vraagt of de douane een open organisatie is, die ontvankelijk is voor berichten van de werkvloer.

De betrokken douanemedewerkers vinden dat alles in het werkoverleg ter sprake kan worden gebracht, maar informatie gaat niet naar boven. Kritiek leidt niet direct tot persoonlijke consequenties, maar in het verdere carrièreverloop merkt men de gevolgen wel degelijk. Dat maakt velen erg terughoudend in het openlijk uiten van kritiek.

(verslag blz. 2).

Reactie

Alle douanemedewerkers kunnen inzage verkrijgen in de verslagen van werkoverleggen.

De verslagen van de werkoverleggen van de teams op de douanepost Surveillance gaan naar het hoofd van de post. De deelnemers zijn verantwoordelijk voor de inhoud van die verslagen. Opvallende zaken die in het verslag van de werkoverleggen naar voren komen worden door het hoofd van de post met de teamleider en soms met het hele team besproken.

Minimaal 1 x per kwartaal vindt teamoverschrijdend werkoverleg plaats tussen het hoofd van de post en twee vertegenwoordigers van elk team. Hiervan worden eveneens verslagen gemaakt.

Verslagen van de werkoverleggen van de teams en het team overschrijdende werkoverleg zijn vaste bespreekpunten in het managementoverleg van de post.

Alle verslagen van het managementoverleg en de verslagen van de team overschrijdende werkoverleggen gaan naar het hoofd van het district.

De gesprekspartners van de heer Van Dijke geven voorts aan dat nachtdiensten, maar ook weekenddiensten en middagdiensten regelmatig komen te vervallen. Zelfs werd een extra actie bij een boot helemaal afgeblazen om budgettaire redenen.

(verslag blz. 2)

Reactie

In verband met de beschikbare bezetting is er een periode geweest waarbij geen ruimte was om alle voor een maximale taakuitoefening gewenste diensten te draaien of acties uit te voeren.

Het management zag zich genoodzaakt prioriteiten te stellen, waarbij voorrang werd gegeven aan dag - middagdiensten. De reden daarvoor is dat in dagdiensten de kans op bevindingen groter is.

Omstreeks de maanden september en oktober 1998 was tijdelijk sprake van krapte van het budget bij de post Surveillance, waardoor ook de aanwezige mensen niet optimaal konden worden ingezet. Het beschikbare budget voor verschuiving, overwerk en onregelmatigheid heeft toen invloed gehad op de inzetbaarheid. Zodra de directeur douane daarvan kennis nam is een verhoging van het budget gerealiseerd en zijn de maatregelen die vanwege de budgetkrapte waren genomen, teruggedraaid.

De douane-medewerkers geven aan dat het harc-team vroeger uit 20 personen bestond. Dat behoort volgens hen ook zo te zijn, maar men ziet niet goed hoe dit aantal de komende jaren bereikt kan worden. Het zijn er nu veel minder.

(verslag blz. 3)

Reactie

Harc-acties zijn acties die in het kader van de opsporing worden verricht. De desbetreffende taken liggen vast in het Harc-convenantgesloten met de FIOD, Rivierpolitie (Ripo) en douane. De leiding van het onderzoek berust bij de FIOD of de Ripo. Het Harc-convenant voorziet in bijstand aan de FIOD door de douane t.w.: medewerk(st)ers van de douanepost Rotterdam Surveillance (het Harc-team van de douanepost). Dit Harc-team bestaat thans uit 13 medewerk(st)ers. Dit is een pool van daartoe opgeleide medewerkers, waaruit voor het verlenen van bijstand in het kader van Harc-acties geput kan worden.

Volgens de gesprekspartners zijn de mensen die recent aan de teams zijn toegevoegd te weinig opgeleid. De effectiviteit zou daardoor afnemen en bepaalde controles worden om deze reden niet gedaan. Zo'n controle zou te veel risicos meebrengen en je zou jezelf en je onervaren maat aan gevaarlijke situaties blootstellen.

(verslag blz. 3)

Reactie

De controles die de douane doet vinden plaats in de controlesfeer; er is dan geen sprake van een verdachte. Is er wel sprake van een vermoeden van een strafbaar feit, dan worden opsporingsonderzoeken verricht. Deze onderzoeken worden uitgevoerd onder leiding van de FIOD
c.q. Ripo. Het is voldoende dat de medewerk(st)ers die douanecontroles verrichten de normale controlevaardigheden hebben. Het werken bij die controles met een onervaren collega leidt niet vanzelfsprekend tot een gevaarlijke situatie.

Om de veiligheid van de medewerk(st)ers te waarborgen geldt de volgende stelregel: bij het vermoeden van een gevaarlijke situatie moet altijd van de controle worden afgezien. De vermoedens worden doorgegeven aan de FIOD en/of Ripo.

De douane-medewerkers zijn van mening dat een gefaseerde instroom van nieuwe medewerkers beter zou zijn geweest. Het management weet op dit moment ook niet goed wat de nieuwe mensen moeten doen. Er zijn nog geen specifieke taken bekend. De nieuwe mensen rijden van arren moede maar rondjes; wat moet je ze anders laten doen? Als er wat gebeurt zijn de consequenties niet te overzien en wie is dan verantwoordelijk?

(verslag blz. 3)

Reactie

De instroom van medewerk(st)ers heeft in de periode juli 1999 tot januari 2000 zoveel mogelijk gefaseerd plaats gevonden. Bij de snelheid van instroom is steeds een afweging gemaakt tussen de belangen van de leverende douaneposten en van de douanepost Surveillance en de mogelijkheden van opvang en begeleiding op de post.

Na instroom van de nieuwe medewerkers zijn zij ter voorbereiding op hun functie ingewerkt en is hen kennis van het havengebied en kennis van situaties die verdachte of gevaarlijke omstandigheden kunnen opleveren, bijgebracht.

De gesprekspartners van de heer Van Dijke geven aan dat met drie geroutineerde en vier nieuwe medewerkers kortgeleden in het weekeinde in Rotterdam (in de Vierhavenstraat) verkeerscontroles werden gedaan. De controles werden gehouden op nog geen steenworp afstand van de plaats waar in het daaraan voorafgaande weekend drie doden waren gevallen bij een schietpartij. Het was een controle op auto's met buitenlandse kentekens met hulp van de douane. Ook de nieuwe mensen die nog helemaal niet waren toegerust om in gevaarlijke situaties te kunnen optreden, moesten dit werk doen.

(verslag blz.3)

Reactie

De medewerk(st)ers waren belast met een reguliere controle op vrachtverkeer, waarbij de controlebevoegdheden worden toegepast (controle op goederen in vervoer). Hierbij kan men de normale veiligheidsverwachtingen hebben en worden naar de ervaring leert geen bijzondere veiligheidsrisicos gelopen. Bij deze controle ging het om douanevervoer en werd de lading vergeleken met de begeleidende documentatie. Daarnaast vond er controle op autos met buitenlandse kentekens plaats.

De begeleiding werd door een mentor verricht met een ruime surveillance-ervaring, bijgestaan door 2 ervaren medewerkers van het landteam. Alleen door de medewerk(st)ers van het landteam werden buitenlandse autos staande gehouden. De nieuwe medewerk(st)ers liepen geen risico omdat zij uitsluitend werden ingezet bij de controle op de lading van de auto, nadat de auto door de ervaren medewerkers was stilgezet. Dit laatste verschilt niet met het reguliere werk van onbewapende medewerkers op een (andere) douanepost (ladingcontrole).

De heer Van Dijke vraagt of de suggestie juist is dat niet-fiscale douanetaken, met name opsporing van drugssmokkel, geen prioriteit krijgen.

De douane-medewerkers geven enkele voorbeelden waaruit huns inziens blijkt dat niet-fiscale zaken en in het bijzonder drugsbestrijding geen prioriteit krijgen (verslag blz. 4):

In Amsterdam is, werd gepost op een Zuid-Amerikalijn (welke schepen bij het CTA-terrein werden gelost). Deze lijn is nu weg uit Amsterdam en vaart nu op Rotterdam en Knokke (België). Door de douane Amsterdam werd op deze lijn dikwijls 'gescoord'. In Rotterdam wordt er nauwelijks naar deze lijn gekeken. Een en ander is een aantal malen in het werkoverleg aan de orde is geweest. Er is niets mee gedaan.

Een nacht observeren leverde niets op. Deze actie werd daarom afgeblazen, hoewel er sterke aanwijzingen waren dat de zaak niet deugde en daarom in de gaten gehouden moest worden. In de tweede nacht gebeurde er wel wat, maar toen was de douane er niet meer. Zulk soort situaties doen zich herhaaldelijk voor.

Het Filippijnen-project (smokkel van pure cocaïne). De rivierpolitie stelde voor er projectmatig aan te gaan werken. De douane deed niet mee want: "projectmatig is niet onze taak. Het had wat menskracht gevergd, maar het had zeker resultaat opgeleverd. Van de werkvloer werd hierover vitale informatie gegeven, waar niets mee gedaan werd. Er hadden hele cocaïnelijnen kunnen worden opgerold, maar er is niets gebeurd.

Reactie

In 1997 en 1998 werden diverse malen schepen van bedoelde lijn geobserveerd en gevisiteerd. Soms leverde de visitatie resultaat op.Tijdens de observatie werd meestal geen beweging op of om deze schepen waargenomen.

De binnen de douanepost opgekomen verklaring daarvoor is dat de schepen in Rotterdam afmeren op een goed verlicht en bewaakt haventerrein en verdachte bewegingen dus waarneembaar zijn. Gezien het vorenstaande (bewaking van haventerreinen in combinatie met geringe resultaten) is de keuze gemaakt om minder prioriteit aan deze lijn te geven.

Met betrekking tot de rol van de douane in het zogenoemde Filippijnen-project wordt de Kamer gezien de aard van de informatie desgewenst vertrouwelijk geïnformeerd.

De heer Van Dijke vraagt of het juist is dat notulen van de werkoverleggen (managementteam overleggen (MTO)) niet meer opvraagbaar zouden zijn sinds de NOVA-uitzending.

De betrokken douanemedewerkers geven aan dat MTO-verslagen in principe via de computer voor iedereen toegankelijk zijn. Maar de mappen zijn slechts tot april 1999 bijgewerkt. Bovendien bevatten de verslagen lang niet alles, zoals beleidsmatige keuzes. Wie om de verslagen vraagt, krijgt er een. Deze zijn echter nietszeggend.

(verslag blz. 5)

Reactie

In de Belastingdienst wordt steeds minder papier verspreid en wordt voor de communicatie steeds meer van e-mail gebruikgemaakt. Sinds april 1999 wordt e-mail gebruikt voor de verspreiding van verslagen. De circulatiemappen voor de verslagen zijn toen niet meer verspreid. Verslagen zijn voor de medewerkers beschikbaar, teamleiders schrijven nieuwsbrieven e.d. Ten aanzien van de opmerking dat verslagen nietszeggend zijn, geldt dat de teams de verslagen zelf maken en verantwoordelijk zijn voor de kwaliteit van de inhoud. Verslagen worden bovendien door de teams zelf goedgekeurd.

De heer Van Dijke stelt de vraag aan de orde hoe met de kritiek en informatie vanuit de werkvloer wordt omgegaan.

De bij het gesprek betrokken douane-medewerkers merken op dat vaak niets wordt gedaan met informatie van de werkvloer. Ook teamleiders zouden weinig ruimte krijgen. Een bepaalde teamleider koos voor de werkvloerjongens en moest toen weg (ging weg). Er is overigens überhaupt een groot verloop aan teamleiders.

(verslag blz. 6)

Reactie

Teamleiders krijgen veel ruimte, uiteraard binnen de beleidskaders die zijn afgesproken. Teamleiders worden niet weggestuurd omdat ze kiezen voor de werkvloerjongens. Wel is er een hoog verloop aan teamleiders binnen het totale district.

Er is veel vraag bij andere eenheden zoals zoals FIOD, Directie, DIC,
e.d. en uiteraard binnen het eigen douanedistrict naar leidinggevenden. De vrijgekomen plaatsen moeten vervolgens worden vervuld. Daarnaast hebben enkele teamleiders de laatste jaren hun functie om diverse redenen, bijvoorbeeld omdat ze deze als te zwaar ervoeren, ter beschikking gesteld.

Vervolgens vraagt de heer Van Dijke naar de verhouding tussen pre-arrivalinformatie en de praktijk.

Volgens de gesprekspartners worden de mensen met het fingerspitzengefühI, met intuïtieve kennis, steeds meer naar achteren geschoven. De pre-arrival moet echter gevoed worden vanuit de praktijk, anders neemt de betekenis van de analyse af. Die praktijkinformatie wordt echter steeds minder. Niet alleen door de afname van de surveillance, maar ook door de wijze van surveillance.

(verslag blz. 6)

Als gevolg van een sterke inzet op de pre-arrival / de risicoanalyse is ook de zichtbare kustbewaking sterk afgenomen. Daardoor is bij grote delen van de kuststrook nauwelijks of geen toezicht.

(verslag blz. 6)

Een ander punt van kritiek op de risicoanalyse is de openbaarheid van de methoden. leder kan lezen hoe het werkt.

(verslag blz. 7)

Een belangrijk onderdeel voor risicoanalyse, namelijk het raadplegen van het Lloydsregister, laat men soms maanden achterwege (waarschijnlijk om financiële redenen), zodat in de analyse alleen de laatste haven is opgenomen en van voorgaande bestemmingen niets bekend is.

(verslag blz. 7)

Reactie

De bedoeling is dat de medewerk(st)ers hun intuïtieve kennis en ervaring met anderen delen. Belangrijk is immers dat op alle fronten, dus ook in de pre-arrivalteams, de best denkbare selecties worden gerealiseerd. Binnen het district bestaan geen belemmeringen om kennis en ervaring te delen.

Overigens is het vaak niet mogelijk en ook niet zinvol om het resultaat van controles toe te schrijven aan de inzet van één middel: de scan, de persoonlijke kennis, de pre-arrival informatie, de risico-analyse, de hond of welk middel dan ook. Het resultaat wordt geboekt door de gecombineerde en elkaar versterkende inzet van middelen.

Met betrekking tot de kustbewaking vanaf de landzijde is de ervaring dat deze tot weinig resultaat leidt. In gevallen waarin specifieke informatie voorhanden is of bijstand door de Kustwacht wordt ingeroepen, wordt daaraan gevolg gegeven.

Het risicogericht werken wordt in vele landen, waaronder Nederland, voorgestaan en gepropageerd. De methodieken als zodanig zijn dan ook bekend. Welke schepen wel of niet als risico worden gezien, is uiteraard niet openbaar.

Het opvragen van gegevens over schepen via het Lloydsregister geschiedt via het SCENT-systeem. Dit wordt gefinancierd door de Europese Unie. Bevraging moeten per geval plaats vinden. In Rotterdam werden door een procedurefout teveel onnodige opvragingen gedaan. Dit is in november door de Europese Commissie aan de orde gesteld. Rotterdam heeft toen tijdelijk het register niet kunnen raadplegen. Na overleg heeft Rotterdam op 15 december 1999 de opvragingen weer kunnen hervatten.

De gesprekspartners vinden dat zichtbaar toezicht van belang is. Maar niet-herkenbaar werken kan niet gemist worden. Het loeren vanachter de bosjes, is eigenlijk nog steeds in veel gevallen een goede werkwijze.

(verslag blz. 7)

Reactie

In de brief van 22 juni 1999 aan de Vaste commissie voor Financiën is aangegeven, dat de douane 24 uur in de haven zou moeten surveilleren. Een en ander is daadwerkelijk gerealiseerd met ingang van 1 november 1999.

Het is niet juist dat er thans uitsluitend nog activiteiten zijn geweest in uniform of met herkenbare vervoermiddelen.

De heer Van Dijke heeft de indruk dat de onvrede over het management landelijk leeft. De personeelsmonitoren steunen hem in deze gedachte. Is dat ook echt zo?

De gesprekspartners geven aan dat het geschetste beeld dat de onvrede bij hooguit een enkeling leeft, niet deugt. Overal bestaat wantrouwen tussen het management en de werkvloer.

(verslag blz. 7)

Reactie

Op dit punt is reeds uitvoerig ingegaan in de u gelijktijdig aangeboden nota Rechtshandhaving douane.

Wat betreft de situatie in Rotterdam wordt aanvullend het volgende opgemerkt.

Sinds 6 november 1998 zijn er, in het kader van het hiervoor bedoelde veranderingstraject van het douanedistrict Rotterdam twee projectgroepen vertrouwen gestart. Deze projectgroepen hebben o.m. in gesprekken met medewerk(st)ers onderzocht op welke wijze o.a. het vertrouwen tussen management en medewerk(st)ers zou kunnen worden verbeterd. De start om tot die verbetering te komen is voor het totale district geweest op de verkenningsdagen in het laatste kwartaal 1999.

Dit is een project waarbij alle 1.400 medewerk(st)ers uitgenodigd zijn om in één dag zoveel mogelijk informatie te halen over de komende veranderingen in de externe omgeving en binnen de Belastingdienst. Tijdens deze dag stond het zelf ontdekken, zelf veranderen en zelf doen centraal.

Aan het einde van de dag is aan de medewerk(st)ers verzocht om ontwikkelpunten, ideeën en oplossingen aan te dragen die het mogelijk maken dat medewerk(st)ers en leidinggevenden samen bezig zijn met die veranderingen.

Per douanepost vindt hiervan een follow-up plaats.

Volgens de heer Van Dijke is het ziekteverzuim in de douanewereld, een wereld van hoofdzakelijk mannen, structureel dramatisch hoog (hoger dan 10%). Zeker in verhouding tot het gemiddelde ziekteverzuim onder mannen, dat veel lager is dan onder vrouwen.

De douanemedewerkers wijten dit aan onvrede, over de werkwijze en over de functieroulatie.

(verslag blz. 8)

Reactie

Het ziekteverzuim van de douanepost Surveillance Rotterdam heeft bijna het gehele jaar rond de 7% geschommeld; het gemiddelde ziekteverzuim was over het gehele jaar 1999 6,8%.

Het gemiddelde ziekteverzuim van het totale district bedroeg over het jaar 1999: 7%. In enkele gevallen is de functieroulatie van invloed geweest op het ziekteverzuim.

Het is Van Dijke verweten dat hij in het debat met staatssecretaris Vermeend het begrip angstcultuur ter sprake heeft gebracht. Van Dijke merkt dat douaniers erg terughoudend zijn, omdat ze bang zijn voor het functieroulatiesysteem.

De douanemedewerkers vinden de term angstcultuur overdreven. In het werkoverleg kunnen zaken aan de orde worden gesteld. Er zou wel dictatuur van de organisatie zijn. Ben je het er niet mee eens, dan kun je vertrekken, naar een andere, ongewenste, post. Als je zaken beargumenteerd aankaart wordt er niets mee gedaan.

(verslag blz. 8)

Reactie

Inderdaad zijn beleidskaders als vastgesteld door de politiek en de dienstleiding leidend. De leiding van de post is er veel aan gelegen om bij de doorvertaling van deze kaders naar postbeleid de inspraak van de medewerkers op alle mogelijke manieren in te bouwen.

Wordt op basis van al deze invloeden eenmaal beleid afgesproken, dan dient dit ook loyaal te worden uitgevoerd.

Dit laat onverlet dat - op basis van argumenten - ook beleid bijgesteld of veranderd kan worden. Dit gebeurt meermalen. Binnen de douanepost Surveillance is om interne duidelijkheid te verschaffen bij het stellen van prioriteiten en het maken van keuzen bij bezettingsproblemen de genoemde Rode draad bepaald na overleg met de medewerk(st)ers. Geconstateerd moet worden dat ondanks deze procedure van totstandkomen van beleid, sommige medewerk(st)ers hun eigen afwijkende opvattingen behouden.

De heer Van Dijke merkt op dat als er onvrede is over de verhouding tussen omvang van de taak omvang van de middelen, er bij de politie altijd nog de nieuwjaarstoespraak is van de hoofdcommissaris. Dit doet de douaneleiding niet. Waarom niet?

De medewerkers merken op dat de betrokkenheid bij de leiding van de politie veel groter is. Bij de douane is men bang voor commentaar en gaat men met alles akkoord.

(verslag blz. 8)

Reactie

Het is vast beleid dat de doelgroepdirecteuren van de Belastingdienst, waaronder de directeur Douane, geen extern gerichte Nieuwjaarstoespraak uitspreken.

De heer Van Dijke vraagt of het juist is dat het hele gebied, van de Maasvlakte tot aan Dordrecht, met één wagen en één boot moet worden gecontroleerd?

De douanemedewerkers zijn het hier mee eens. Verder zou een 24-uurs surveillance belangrijker zijn geworden dan een harc-actie.

(verslag blz.9)

Reactie

In het gebied zijn circa 75 autos en vier boten beschikbaar voor controle. Een deel daarvan is beschikbaar voor de controle door de Surveillance. Deze beschikt over 15 autos, 7 busjes, 6 hondenautos, 1 observatiebusje, 1 X-ray-van en over de vier boten.

Binnen het ambtsgebied van het douanedistrict Rotterdam wordt op verschillende plaatsen door medewerk(st)ers van alle douaneposten controle uitgevoerd op de voorkomende werkstromen. Voorts worden er 24 uur per dag surveillancewerkzaamheden verricht. Elders is deze notitie is er op gewezen dat voor de surveillance altijd minimaal één boot en één auto worden ingezet.

Wat betreft het harcen kan worden opgemerkt dat alle door de FIOD en Ripo aan de douane gevraagde bijstand is gegeven.

De heer Van Dijke vraagt waar de surveillanceopleiding plaatsvindt?

De douanemedewerkers geven aan dat je de praktijk, de surveillancedienst, op de post leert. Er is ook nog een algemene basisopleiding. Het gaat dan om theoretische kennis, zoals wetskennis.. Bij het werk op normale posten is gemakkelijker in te stromen dan bij de surveillance. Dit werk is moeilijker (verslag blz. 9).

Reactie

Het theoretisch gedeelte van de surveillance opleiding wordt centraal gegeven. Gelet op de specifieke werkstroom wordt de praktijkervaring opgedaan door de medewerk(st)ers in opleiding te laten werken op de post Surveillance zelf. Voor de in te stromen medewerk(st)ers gelden enkele bijzondere eisen verband houdend met het fysieke karakter van het werk en het zijn van wapendrager. De stelling dat het werk op de Surveillance moeilijker zou zijn dan op andere douaneposten, wordt niet onderschreven. Wel is de aard van het werk anders.

De heer Van Dijke merkt op dat de Nederlandse douane veel moet doen. NFD, milieu, merkvervalsing, wet uitheemse diersoorten etc. Dit alles op grond van de douanewet, de accijnswet, de wet bpm enz. Hoe gaat nu, een drugscontrole in bijvoorbeeld een auto in zijn werk?

Als je iets vermoedt, kun je de wagen openen, maar er moet wel een grond zijn op basis van de douanewet. Niet: de opiumwet. Beleidsmatig zijn de verdere opsporingsbevoegdheden beperkt, want die zijn aan andere diensten toebedeeld. Na het aan de kant zetten van de auto wordt de zaak dus vaak overgedragen. Dit leidt vaak tot het "niet willen weten" en is daarom reden tot zorg over de effectiviteit van het douanetoezicht. Kortom: er is alle reden de kwestie van de bevoegdheden integraal te bezien.

(verslag blz. 11)

.

Reactie

Vervoermiddelen worden stil gehouden voor controle van de douanewet, accijnswet en/of wet BPM. Als bij deze controles verdovende middelen worden bevonden, wordt in deze heterdaadsituatie gebruik gemaakt van de opsporingsbevoegdheid. Als er in andere situaties dan heterdaad vermoedens bestaan van smokkel van drugs, wordt de grens tussen controle en opsporing overschreden en komt de leiding van het onderzoek te liggen bij FIOD.

Als de douane zaken aantreft waarbij zij opsporingsbevoegdheid mist, wordt de zaak overgedragen aan de ter zake bevoegde instanties.

De heer Van Dijke merkt op dat convenanten de nieuwe trend zijn. Doet de douane daaraan mee? (bijv. convenanten tussen een aantal opsporingsdiensten).

Een convenant verplicht tot projectmatig werken. En dat wil de leiding niet. De douane wordt juist uit de samenwerking met anderen getrokken. De rivierpolitie verkoopt zich heel wat beter dan de douane. Sluipenderwijs vindt een verschuiving van taken plaats, zonder dat daar beleidsmatige beslissingen aan ten grondslag liggen. Bijv. marechaussee pakt sigaretten in Hoek van Holland, terwijl dat eigenlijk een douanetaak is.

(verslag blz. 12)

Reactie

Convenanten zijn afgesloten om samenwerking tussen partijen te optimaliseren, en de taken vast te leggen. Het Harc-convenant, afgesloten tussen Ripo, FIOD en Douane (Surveillance), is daar een voorbeeld van. De douane werkt mee aan projectmatige Harc-acties, die met het Ripo en de FIOD, onder leiding van het Openbaar Ministerie plaatsvinden.

In het genoemde voorbeeld heeft de Marechaussee op grond van zijn bevoegdheid een controle ingesteld. Hierbij werden sigaretten bevonden. Door de Marechaussee is deze zaak overgedragen aan de Surveillance. Ook de politie draagt bijvoorbeeld sigaretten en BPM-zaken aan de douane over. Van verschuiving van taken is dus geen sprake.

In Nova werd een wodkavangst aan de containerscan toegeschreven. De heer Van Dijke vraagt of dit een opzetje was of niet?

De douanemedewerkers bevestigen dit niet. In ieder geval is het zo dat een andere veronderstelde vangst, cocaïne in balen talkpoeder een farce was. Iedere baaltje is met de hand opengesneden, want het was met de scan niet te zien. Verder geven ze aan dat scanbeelden nog veel onzekerheden opleveren. Dan wordt er toch maar een hond bijgehaald voor de zekerheid.

(verslag blz. 12)

Reactie

Tijdens het Algemeen Overleg op 30 september 1999 is al mondeling uitleg gegeven over de wodka-vangst. Verder wordt opgemerkt dat tot nog toe geen enkele drugsvangst, dus ook niet de cocaïne in balen talkpoeder, aan de containerscan is toegerekend.

Onregelmatigheden kunnen niet onder alle omstandigheden door middel van scanning worden onderkend. De inzet van speurhonden blijft dus gewenst.

Sessie 2. speurhondgeleiders

Het team dat nu om de tafel zit is het voltallige speurhondgeleidersteam (zes personen; vijf met drugshonden en één met hond voor het opsporen van sigaretten).

De heer Van Dijke stelt de aansturing van de risico-analyse aan de orde. Er is veel samenspraak met pre-arrivals. Alles moet in overleg. Zijn er zaken waar je, zonder door risicoanalyse te zijn aangestuurd, bij had willen zijn? Verder vraagt hij hoe hij zich de selecties moet voorstellen.

De speurhondgeleiders merken op dat het team wordt aangestuurd door middel van de pre-arrival/risicoanalyse. Het team vindt dat er momenteel een lage kwaliteit verdovende middelen selecties is. Vaak wordt men op pad gestuurd terwijl de hondengeleiders - op grond van hun ervaringen - zo goed als zeker weten dat ze voor niets gaan. Selecteren deed men voorheen zelf. Daarna gebeurde dit door het DIC. Daarna door de pre-arrival/risicoanalyse.

Het punt is dat alleen mensen met voldoende ervaring in staat zijn goede selecties te maken. Het duurt twee jaar voor mensen ingewerkt zijn.

De speurhondenmannen slagen er vaak in om een gaatje te vinden om zelf iets op te zetten. De leiding heeft als ideaalplaatje echter een 100 procent aansturing vanachter het bureau. Zelf iets opzetten heeft ook gevaren voor de eigen positie. Iedereen krabt zich achter de oren: waarom vindt die speurhondgeleider zoveel, zou die soms meer weten (integriteitsvraag)? Uit zelfbehoud wordt daarom vaak net gedaan of men niet meer weet dan uit de risicoanalyse naar voren komt.

Het komt in de praktijk niet voor dat men het niet aan kan. Je kunt niet zeggen: er moeten 20 honden bij. Wel moet verstandiger worden omgaan met de logistiek van de haven. Schepen hebben geen vaste aanmeertijden. Lossen moet heel snel na het aanmeren. Je moet dus veel inzicht hebben in de praktijk. De aansturing heeft hiervoor niet veel begrip.

(verslag blz. 13 en 14)

Reactie

De leiding van de douanepost is al enige tijd bezig om samen mét de speurhondgeleiders te kijken naar de manier van werken en de verhouding tussen het eigen werk en de aansturing daarvan. Uiteindelijk zullen alle selecties als bestuurlijke informatie worden vastgelegd en gebruikt. Zowel voor de risico-analyse als voor de eigen werkzaamheden geldt dat bijsturing plaats vindt op basis van behaalde resultaten.

Daarnaast zijn intensieve contacten en samenwerking met pre-arrival teams op reguliere posten noodzakelijk. De speurhondgeleiders zijn niet zelfstandig bezig met selecties. Dat neemt niet weg dat de ervaring van de speurhondgeleiders zeer waardevolle input vormt voor de risicoselectie. Het gaat om het delen van kennis en het geven van feed-back.

De heer Van Dijke vraagt of het klopt dat dingen op resultaat van de computerscan werden gezet, terwijl de hond dat ook kon. Klopt het verhaal over de wodkascan uit NOVA?

De gesprekspartners merken op dat de scan in een haven als Rotterdam nodig is. Ze weten niet of het verhaal van de wodkascan klopt. Het voordeel van de hond (boven een scan) is dat er nog een 'harczaak' op gezet kan worden, want je kunt onopvallend met een hond op de zaak af.

Bij de scan is de werkwijze als volgt. De klant wordt ingelicht dat er gescand gaat worden. De belanghebbende moet alles regelen. De zaak is dus voordat er wat gevonden wordt al kapot. Als er iets gevonden wordt, heeft de klant zich natuurlijk al lang uit de voeten gemaakt.

(verslag blz. 15)

Reactie

Van geval tot geval wordt een beslissing genomen over het al dan niet inzetten van de containerscan en/of een speurhond.

De optimale en gecoördineerde inzet van zowel de containerscan als andere controlemiddelen, waaronder de speurhond, wordt nagestreefd. De ervaring leert dat scanning van een container niet in alle gevallen uitsluitsel geeft over de inhoud van de container. Juist in die gevallen kunnen de beide hulpmiddelen, scan en hond elkaar optimaal aanvullen.

Inderdaad is het zo dat voor het overbrengen van een container van de terminal naar de containerscan de medewerking van de aangever of de stuwadoor wordt ingeroepen. Ditzelfde geldt bij het apart laten zetten van containers voor een controle door een speurhond. Er wordt voor zorg gedragen dat nadat de beslissing tot scanning is genomen, manipulatie met containers en de inhoud daarvan niet meer mogelijk is.

De heer Van Dijke stelt de vraag of vangsten van de speurhondgeleiders gemakkelijk aan te tonen zijn en of ze iets substantieels pakken.

De gesprekspartners stellen dat er bij softdrugs een afname is, bij cocaïne een toename. Vorig jaar 447 kilo coke via de speurhonden gevangen. 375 kilo op eigen initiatief, op Fingerspitzengefühl. Slechts 50 kg liep via pre-arrivals. Met andere woorden, je kunt niet de conclusie trekken dat het werk van de individuele douaniers achterhaald is. De meeste cocaïnevangsten gebeuren juist op eigen inzicht. Er zijn wel jaren geweest dat per jaar wel 1000 kilo cocaïne op eigen inzicht werd gevangen. Ondanks 'eigen' successen moet je de selecties wel doen, daar word je op afgerekend. Na de IRT ging men de honden meer op het vinden van harddrugs trainen.

(verslag blz. 17)

Reactie

Het vinden van verdovende middelen houdt veelal verband met een combinatie van factoren zoals pre-arrival informatie, selectie, risico-analyse en het vingertoppengevoel van ervaren ambtenaren. Indien op een douanepost binnen of buiten het douanedistrict een goederenzending vragen oproept, is het mogelijk een speurhond een nader onderzoek te laten verrichten. Een verzoek daartoe wordt dan gericht tot de douanepost Surveillance. Indien er meer verzoeken worden ontvangen dan gehonoreerd kunnen worden, wordt op die douanepost een keuze gemaakt.

Vangsten zijn daarmee behalve aan de speurhonden ook toe te rekenen aan de selectie en controle op de andere douaneposten: zij zijn het resultaat van het werken met verschillende controlemiddelen binnen de douane.

Voor een overzicht van de drugsvangsten wordt verwezen naar het algemene deel (deel 1) van de notitie.

De heer Van Dijke vraagt welke rol het georganiseerd overleg speelt.

De gesprekspartners zijn van oordeel dat in de rapportage van het GOR je niet veel tegenkomt. De mannen hier hebben ruzie gehad met de OR. De OR heeft met alles ingestemd zonder dat de mensen om wie het ging er iets van wisten.

(verslag blz. 18)

Reactie

De overtuiging bestaat dat de OR ook de belangen van de speurhondgeleiders behartigt. Zo is het bekend dat de OR aan het hoofd van het district heeft geadviseerd, pas op de plaats te maken met betrekking tot de mobiliteit van de speurhondgeleiders. Ook heeft de GOR een gesprek gehad met een aantal speurhondgeleiders.

Sessie 3. Visitatieploeg

Op de meeste opmerkingen is al een reactie gegeven bij de verslagen van de surveillance en de meldkamer. Hierna wordt nog slechts ingegaan op een enkele opmerking, die nog niet eerder aan de orde is gesteld.

Het team overhandigt stukken aan de heer Van Dijke, die ook aantonen dat de prioriteit ligt bij accijns (sigaretten).

(verslag blz. 19)

Reactie

Het is bij de dienstleiding niet bekend welke stukken aan de heer Van Dijke zijn overhandigd waaruit de prioriteit bij accijns (sigaretten) zou blijken.

De heer Van Dijke vraagt of het team goed wordt aangestuurd.

De gesprekspartners geven aan dat het visitatieteam er speciaal is voor de niet-fiscale zaken. Ze rennen van de ene Zuid-Amerikaanse boot naar de andere. Het tijdstip van de oproep verraadt niet altijd evenveel begrip voor de gang van zaken in de haven. Je kunt bij dit werk het meeste scoren als je als eerste aan boord springt nadat de boot is afgemeerd.. Een piketdienst, dus oproepen als de boot aankomt, zou beter werken. Als een boot in Hoek van Holland aankomt, kost het nog twee uur voor hij afmeert. Dat is voldoende om op tijd ter plekke te zijn. Je hebt dan echter meer mensen nodig, en die kosten geld. Om goed te kunnen functioneren heb je een team van 20 mensen nodig, die het werk leuk vinden en goed gemotiveerd zijn. Het team bestaat nu uit maar 12 personen dus ver beneden de benodigde sterkte.

(verslag blz. 19)

Reactie

In het kader van de versterking van de douane, zoals aangekondigd in de nota rechtshandhaving douane, zal worden bezien in welke mate dit team kan worden versterkt.

Sessie met (ex)medewerkers van de meldkamer

De (ex-)medewerkers van de meldkamer delen mee dat de meldkamer dienst doet voor heel het district Rotterdam, voor Hazeldonk en Vlissingen.

Er werken 12 mensen in voltijdsbetrekking en twee in deeltijd. De beoogde 24 uursbezetting is moeilijk te realiseren. Begin dit jaar werd besloten om een poging te doen mensen uit heel het district te betrekken bij het werk op de meldkamer. Dit is niet (helemaal) gelukt; de gaten konden niet worden gedicht.

(verslag blz.1)

Reactie

De situatie per 1 december 1999 met betrekking tot de bezetting was als volgt :

Er werken elf vaste medewerkers op de meldkamer, waarvan één met een technisch/coördinerende ondersteuningstaak en tien medewerk(st)ers die kunnen worden ingezet voor de meldkamerdiensten. Van deze tien medewerk(st)ers werkt er één in deeltijd.

Tijdens het gesprek komt het onderwerp uitzendkrachten aan de orde.

De (ex)medewerkers merken op dat er na de zomervakantie mensen via het uitzendbureau zijn gekomen. Deze kregen twee maanden tijd om in te werken. De meeste uitzendkrachten beviel het onregelmatig werken niet. In het afgelopen half jaar zijn er tien mensen via het uitzendbureau geweest. Twee zijn er uiteindelijk gebleven, althans tot nu toe.

De uitzendkrachten hebben geen eed afgelegd. Zijn ook niet gescreend. Toch kunnen de medewerkers - net als alle anderen - bij heel veel informatie. Iemand die er op uit is heeft maar weinig nodig om te kunnen begrijpen hoe hij/zij aan vitale informatie moet/kan komen.

Leiding reageerde nijdig over vragen inzake het screenen van uitzendkrachten. Douaniers zijn voorgelogen over de vraag of, voordat uitzendkrachten in de meldkamer konden beginnen, deze onderworpen zijn geweest aan een antecedentenonderzoek. Zo'n onderzoek heeft niet plaatsgevonden!!!

(verslag blz. 1 en 2)

Reactie

Op 1 september 1999 zijn drie uitzendkrachten op de meldkamer aan het werk gegaan. Zij bleken tegen de voorschriften in niet te zijn gescreend. Na een week is dit ontdekt en hersteld. De uitzendkrachten zijn inmiddels allen gescreend en wel op dezelfde wijze als bij aangetrokken vast douanepersoneel.

Er wordt onderkend dat op de meldkamer wordt gewerkt met gevoelige informatie. Bij het inwerken en begeleiden van medewerkers (uitzendkrachten en vaste medewerk(st)ers) wordt aan de omgang met die informatie veel aandacht en zorg besteed. Uitzendkrachten werken altijd onder begeleiding van een vaste medewerker.

De gesprekspartners stellen dat met name vanuit het landteam ongerust is gereageerd op de situatie op de meldkamer. Immers als de informatie niet adequaat is kunnen zich gevaarlijke situaties voordoen. Als bijvoorbeeld een kentekennummer wordt opgevraagd van een verdachte auto moet bijvoorbeeld heel snel informatie kunnen worden verstrekt over de vraag of de eigenaar vuurwapengevaariijk is of wordt gezocht.

De mensen van de meldkamer zijn niet of onvoldoende bekend met de systemen en kunnen dus lang niet altijd adequaat reageren op een traxisbericht. Van de twaalf vaste krachten zijn er maar een paar echt op hun taak berekend; de uitzendkrachten in elk geval niet.

(verslag blz. 2 en 3)

Reactie

Zoals voor elke nieuwe medewerker in een organisatie geldt, zal deze eerst moeten leren hoe systemen werken, voordat er efficiënt mee gewerkt kan worden.

In het verslag wordt twijfel geuit over de kwaliteit van de medewerk(st)ers op de meldkamer. Voor deze twijfel bestaat in zijn algemeenheid geen enkele grond.

De heer Van Dijke vraagt of de medewerkers van de meldkamer voldoende kennis van het werkterrein hebben.

De meldkamer is - zo vinden de gesprekspartners - niet op haar taak berekend. Van de zomer is afgesproken dat de meldkamer meer centrale sturing zou krijgen. Iedereen houdt zijn hart vast. De medewerkers zijn niet bekend met de situatie buiten. Dat was voor een vijftal jaren geleden anders. Toen werd de meldkamer bemenst door min of meer vast personeel. In elk geval was er altijd een C-medewerker aanwezig, die met de situatie buiten bekend was. Nu zijn er slechts B-functionarissen.

(verslag blz. 3)

Reactie

De leiding van het district heeft er op ingezet de bezetting van de meldkamer te versterken. Daaraan is inherent dat nieuwe medewerkers moeten worden ingewerkt

De gesprekspartners stellen dat teamleiders best van goede wil zijn, maar dat zij niet weten van de hoed en de rand. Dat leidt tot frustrerende situaties. Soms wordt een piket gedraaid door hen die niet weten hoe het werkt.

Douaniers die buiten het werk doen mijden het contact met de meldkamer omdat ze toch niet goed geholpen worden. Ook zijn de verbindingen heel regelmatig erg slecht. De klacht van hen die buiten werken is dus niet altijd terecht; de meldkamer kan een slecht ontvangen bericht ook moeilijk goed afhandelen.

De informatie over alarmerende situatie bij de meldkamer moet ook bij de leiding bekend zijn. Wel is het zo dat informatie wordt gefilterd.

(verslag blz. 3 en 4)

Reactie

Het is bekend dat een aantal aspecten van het functioneren van de meldkamer verbetering behoeft. Dit was ook aanleiding voor een in oktober 1999 een ingesteld onderzoek. De directeur Douane onderneemt hierop nog nader actie.

De (ex)medewerkers menen dat het grootste probleem het personeelsgebrek is. Nu zit er een groep oudere werknemers. Dit zet een stempel op iedereen. De meeste mensen willen ook snel weg. Dat ligt voor een belangrijk deel aan de leiding; deze is niet competent. Er is sprake van een groot verloop en een erg hoog ziekteverzuim. Mensen blijven vaak thuis zonder echt ziek te zijn. Zij krijgen daarvoor de kans. Dit duidt erop dat men niet gemotiveerd is.

(verslag blz. 4)

Reactie

Er is inderdaad een tekort aan personeel op de meldkamer. Effecten van deze onderbezetting waren verloop, ziekteverzuim en inroosterproblematiek.

Dit is de reden om bijstand te laten verlenen door andere teams van de post Surveillance en om ook uitzendkrachten te gebruiken.

De gesprekspartners menen dat sommigen slecht tegen nachtdiensten kunnen; zij zijn na drie weken nachtdienst totaal op. Overdag moeten er vier mensen zijn, in de nacht ook twee. Het was beter als men meer gebruik zou maken van parttimers. Maar dat wil de leiding weer niet. Kennelijk hebben zij de omslag naar een moderne organisatie nog niet gemaakt.

(verslag blz. 4)

Reactie

Het is onjuist dat het in de praktijk voorkomt dat er drie weken aan één stuk nachtdiensten worden gedraaid. Bij de planning worden de wettelijk voorgeschreven arbeidstijdregels toegepast.

Voorts merken de medewerkers over de schaalindeling op dat - om de situatie weer onder controle te krijgen - er continu minstens één C-medewerker aanwezig zou moeten zijn. Nu wordt het werk gedaan door mensen in schaal 3. Deze werken samen met en doen het zelfde werk als mensen die al langer in dienst zijn en die betaald worden op schaal 5. Uitzendkrachten komen binnen op schaal 2. Het zijn vaak mensen die uit een uitkeringssituatie komen. Dikwijls is het zo dat ze voordat ze bij de dienst kwamen een hoger inkomen hadden dan nu. Het verloop is sowieso groot onder de B-medewerkers.

Dit snelle verloop van mensen in een serieuze bedreiging voor de integriteit van de meldkamer.

(verslag blz. 4)

Reactie

De meeste medewerkers behoren tot de groepsfunctie B. Voorts zijn er twee medewerkers in de groepsfunctie C. De chef van de meldkamer is ingeschaald in schaal 8.

De uitzendkrachten worden betaald in overeenstemming met de landelijke normen op basis van opleiding, werkervaring en functieniveau.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie