Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Inbreng CDA debat naamrecht

Datum nieuwsfeit: 20-01-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
CDA

: Tweede Kamer : Schriftelijke Inbreng Naamrecht (20012000)

Archief Schriftelijke Vragen Archief Schriftelijke Vragen

Schriftelijke Inbreng Naamrecht (20012000)

Den Haag, 20 januari 2000

Wijziging van de regeling in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het naamrecht, de voorkoming van schijnhuwelijken en het tijdstip van de totstandkoming van de scheiding van tafel en bed alsmede van enige andere wetten (Kamerstuk 26 862 , nr.1 t/m 4)

Inbreng:
De leden van de CDA-fractie hebben met interesse en, over het algemeen, met instemming kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel, de daarbij behorende memorie van toelichting en het advies van de Raad van State. Zij stellen vast dat er -zo blijkt- verschillende artikelen in het Burgerlijk Wetboek verduidelijking dan wel aanpassing behoeven. Een aantal zaken -zo vinden deze leden- behoeft echter nog verdere toelichting.

De leden van de CDA-fractie merken op dat in het wijzigingsvoorstel inzake artikel 5 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek wordt gesproken over inmiddels hertrouwde vrouwen die na de geboorte van een kind het vaderschap van hun overleden echtgenoten ontkennen. Kan de regering aangeven of dit wijzigingsvoorstel -zo vragen deze leden zich af- tevens van toepassing is wanneer een vrouw niet hertrouwt, maar een geregistreerd partnerschap aangaat, of wanneer de overleden partner niet de echtgenoot, maar de geregistreerde partner van de vrouw was? Voorts is het de leden van de CDA-fractie niet geheel duidelijk of in dit artikel wordt gesproken over gevallen waarbij het vaderschap door de moeder wordt ontkend nadat het kind ten onrechte op naam van de overleden echtgenoot in de registers van de burgerlijke stand is ingeschreven of gevallen waarbij het kind weliswaar al geboren is, maar er nog geen aangifte van geboorte bij de burgerlijke stand heeft plaatsgevon-den. Is het niet zo dat er in het eerste geval feitelijk sprake is van een misdrijf (valsheid in geschrifte)? De vrouw die het vaderschap van haar overleden echtgenoot ontkent, wist immers kennelijk dat de eerder gedane aangifte van de geboorte van haar kind onjuist was.

Met betrekking tot het achtste lid van artikel 5 van het Voorstel van wet vragen de leden van de CDA-fractie aan de regering of de gegevens van een akte van erkenning, die door een notaris is opgesteld, ook moeten worden doorgegeven aan de burgerlijke stand. Zo nee, waarom niet. Zo ja, is hiervoor dan de notaris of degene die de akte heeft laten opstellen verantwoordelijk?

Met betrekking tot het wijzigingsvoorstel inzake artikel 25 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek merken de leden van CDA-fractie op dat vreemdelingen die zijn gescheiden of langer dan tien jaar zijn getrouwd geen D79-verklaring van de Vreemdelingendienst meer behoeven om een huwelijk of geregistreerd partnerschap in de registers van de burgerlijke stand te laten inschrijven. Deze leden vragen zich echter af of dit voldoende kan worden gecontroleerd. Voorts zouden deze leden graag willen weten waarom er voor een termijn van tien jaar is gekozen en niet voor een andere termijn. Kortom, kan de regering de eis van het tien jaar getrouwd moeten zijn motiveren?

Voorts is het de leden van de CDA-fractie niet geheel duidelijk of het wijzigingsvoorstel inzake artikel 25, lid 4, punt c ook van toepassing is wanneer er geen sprake is van tien jaren huwelijk of tien jaren partner-schapregistratie, maar een combinatie van een aantal jaren partnerschapregistratie en een aantal jaren huwelijk met dezelfde partner over periode van tien of meer jaren. Kan de regering hieromtrent duidelijkheid verschaffen?

Aangaande het wijzigingsvoorstel met betrekking tot artikel 58, lid 1, wordt in de Memorie van toelichting op pagina 4 het regelmatig overschrijden van de nu geldende wettelijke termijn van twee maanden als reden genoemd om deze termijn te verlengen tot zes maanden. Als oorzaak van de veelvuldige overschrijding wordt de langdurige legalisatie- en verificatieprocedure genoemd. Ligt het -zo vragen de leden van de CDA-fractie zich af- derhalve niet meer in de lijn der rede om de oorzaak, dus de langdurige legalisatie- en verificatie-procedure aan een aanpak te onderwerpen in plaats van de wettelijke termijn aan de ongemakken van de procedure aan te passen?

Op pagina 5 van de memorie van toelichting lezen de leden van de CDA-fractie de volgende passage:
"Overeenkomstig het tussentijdse advies van de Commissie Kortmann wordt de regeling met betrekking tot schijnhuwelijken van toepassing ten aanzien van het geregistreerd partnerschap. Dat heeft tot gevolg dat de eis van het bezit van een rechtsgeldige verblijfstitel voor een vreemdeling die hier te lande een geregistreerd partnerschap wil aangaan, komt te vervallen". Zet dit wijzigingsvoorstel -zo vragen de leden van deze fractie zich af- de deur niet op een kier voor datgene wat de wetgeving inzake schijnhuwelijken juist wenst te voorkomen, namelijk een toestroom van vreemdelingen die via een schijnhuwelijk of
-partnerregistratie een verblijfsvergunning willen afdwingen?

Op pagina 6 van de memorie van toelichting wordt toegelicht waarom de regering voorstelt om de inschrijving in het huwelijksgoederenregister als constitutief vereiste te stellen voor de totstandkoming van een scheiding van tafel en bed of een verzoening na een scheiding van tafel en bed. Dit -zo stelt de regering- bevordert de helderheid voor derden en voor de echtgenoten. Zij wordt in deze opvatting gesteund door de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak en de Nederlandse Orde van Advocaten.
De leden van de CDA-fractie vragen zich af of dit wijzigingsvoorstel mogelijkerwijs ook negatieve gevolgen kan hebben voor de echtgenoten of voor derden. Het tijdstip waarop een scheiding van tafel van bed of een verzoening formeel van kracht wordt verschuift immers van het moment waarop hiertoe wordt beslist of beschikt naar het tijdstip van de inschrijving in het huwelijksgoederenregister. Wat vindt de regering hiervan?

De leden van de CDA-fractie constateren dat de regering voorstelt om aan artikel 227 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek een vijfde lid toe te voegen. Hierin wordt gesteld dat in zaken van adoptie de minderjarige ouder bekwaam is om in rechte op te treden. Gelden hierbij geen beperkende bepalingen, bijvoorbeeld ten aanzien van de leeftijd van de minderjarige?

In de memorie van toelichting lezen de leden van de CDA-fractie, op pagina 9, de volgende passage: "Ingevolge artikel 447 Boek 7 BW zijn minderjarigen van zestien jaar en ouder bekwaam overeenkomsten inzake geneeskundige behandeling ten behoeve van zichzelf te sluiten, alsmede daarmee verband houdende rechtshandelingen te verrichten....Het nieuwe derde lid van artikel 447, maakt het voor de minderjarige van zestien jaar en ouder mogelijk om zelfstandig als partij in een procedure, ook in hoger beroep, op te treden en aldus zelf zijn belangen te behartigen". Naar aanleiding van hiervan hebben deze leden de volgende vragen: Waarom wordt in het voorstel voor het nieuwe derde lid de leeftijdsgrens van zestien jaar niet genoemd? Betekent het voorstel de facto dat een minderjarige van zestien jaar of ouder gelijk wordt gesteld aan een meerderjarige? Kan de regering gemotiveerd aangeven welke gevolgen dit voorstel tot verruiming van de verantwoordelijkheid van minderjarigen, vanuit het oogpunt van een consistente en consequente rechtsgang, moet hebben voor, bijvoorbeeld, het strafrecht, de wetgeving inzake het gezag van ouders over hun kinderen en de wetgeving over het gebruik van alcohol en drugs? Stel voor dat een minderjarige van 16 jaar of ouder tegen de wil van zijn ouders een procedure wil aanvangen, wie wordt dan -zo vragen de leden van de CDA-fractie- verantwoordelijk gesteld voor de kosten die een dergelijke procedure met zich meebrengen? Zijn dat de ouders of is dat de minderjarige? Indien de ouders verantwoordelijk zijn, acht de regering dit dan billijk? Indien echter de minderjarige verantwoordelijk blijkt te zijn, acht de regering dit dan verantwoord? Een minderjarige kan immers de gevolgen van zijn daden minder goed inschatten.

Woordvoerder: Clémence Ross-van Dorp

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie